Verdrag van de Raad van Europa inzake cinematografische coproductie (herzien)
Preambule
De lidstaten van de Raad van Europa en de andere staten die partij zijn bij het Europees Cultureel Verdrag (ETS nr. 18) die dit Verdrag hebben ondertekend,
Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden teneinde met name de idealen en beginselen die hun gemeenschappelijk erfgoed vormen te beschermen en te bevorderen;
Overwegende dat de vrijheid van vormgeving en de vrijheid van meningsuiting fundamentele elementen van deze beginselen vormen;
Overwegende dat het bevorderen van de culturele diversiteit van de verschillende Europese landen één van de doelstellingen van het Europees Cultureel Verdrag is;
Gelet op de UNESCO-Overeenkomst betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen (Parijs, 20 oktober 2005) waarin erkend wordt dat culturele diversiteit inherent is aan de mensheid en gestreefd wordt het scheppen, produceren, verspreiden, distribueren en genieten van cultuuruitingen te versterken;
Overwegende dat de cinematografische coproductie, als middel voor vormgeving en expressie van de culturele diversiteit op mondiale schaal, dient te worden versterkt;
Zich ervan bewust dat film een belangrijk middel is voor culturele en artistieke expressie met een essentiële rol bij het ondersteunen van de vrijheid van meningsuiting, diversiteit en creativiteit, alsmede het democratisch burgerschap;
Vastbesloten deze beginselen te ontwikkelen en in herinnering roepend de aanbevelingen van het Comité van Ministers aan lidstaten inzake cinema en het audiovisuele gebied, en met name Aanbeveling Rec(86)3 inzake het bevorderen van de audiovisuele producties in Europa en Aanbeveling CM/Rec(2009)7 inzake nationaal filmbeleid en de diversiteit van culturele expressie;
Erkennend dat Resolutie Res(88)15 tot oprichting van een Europees fonds voor de ondersteuning van coproductie en distributie van oorspronkelijke cinematografische en audiovisuele werken “Eurimages” gewijzigd is zodat ook niet-lidstaten kunnen toetreden;
Vastbesloten deze doelstellingen te verwezenlijken door een gemeenschappelijke inspanning om samenwerking te bevorderen en regels op te stellen die toegesneden kunnen worden op cinematografische coproducties als geheel;
Overwegende dat het aannemen van gemeenschappelijke regels bijdraagt tot het verminderen van beperkingen en het bevorderen van de samenwerking op het gebied van cinematografische coproducties;
Gelet op de technologische, economische en financiële ontwikkeling van de filmindustrie sinds het Europees Verdrag inzake cinematografische coproduktie (ETS nr. 147) in 1992 werd opengesteld voor ondertekening;
Ervan overtuigd dat deze ontwikkeling noopt tot herziening van het Verdrag van 1992 teneinde te waarborgen dat de relevantie en effectiviteit van dit kader voor cinematografische coproductie behouden blijven;
Erkennend dat het huidige Verdrag het Europees Verdrag inzake cinematografische coproductie dient te vervangen;
Zijn het volgende overeengekomen:
HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1. Doel van het Verdrag
De partijen bij dit Verdrag verbinden zich ertoe de ontwikkeling van internationale cinematografische coproducties te bevorderen in overeenstemming met de volgende bepalingen.
Artikel 2. Reikwijdte
Dit Verdrag regelt de betrekkingen tussen de partijen op het gebied van multilaterale coproducties die hun oorsprong vinden op het grondgebied van de partijen.
Dit Verdrag is van toepassing op:
- a. coproducties waarbij ten minste drie coproducenten zijn betrokken die zijn gevestigd in drie verschillende partijen bij het Verdrag; en
- b. coproducties waarbij ten minste drie coproducenten zijn betrokken die zijn gevestigd in drie verschillende partijen bij het Verdrag en één of meer coproducenten die niet in deze partijen zijn gevestigd. De totale inbreng van de coproducenten die niet in de partijen bij het Verdrag zijn gevestigd mag echter niet meer bedragen dan 30% van de totale kosten van de productie. In alle gevallen is dit Verdrag slechts van toepassing op voorwaarde dat het werk voldoet aan de omschrijving van een officiële coproductie van een cinematografisch werk als omschreven in artikel 3, onderdeel c, van dit Verdrag.
De bepalingen van bilaterale verdragen gesloten tussen de partijen bij dit Verdrag blijven van toepassing op bilaterale coproducties.
In het geval van multilaterale coproducties hebben de bepalingen van dit Verdrag voorrang boven die van bilaterale verdragen tussen de partijen bij het Verdrag. De bepalingen betreffende bilaterale coproducties blijven van kracht indien zij niet in strijd zijn met de bepalingen van dit Verdrag.
Bij gebreke van een verdrag waarin de bilaterale betrekkingen ter zake van coproducties tussen twee partijen bij dit Verdrag zijn geregeld, is het Verdrag ook van toepassing op bilaterale coproducties, tenzij door één van de betrokken partijen een voorbehoud is gemaakt ingevolge artikel 22.
Artikel 3. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:
- a. „cinematografisch werk”: een werk, ongeacht lengte of drager, in het bijzonder cinematografische fictiewerken, animatie en documentaires, dat voldoet aan de bepalingen die van kracht zijn voor de filmindustrie in elk van de betrokken partijen en dat is bestemd voor bioscoopvertoning;
- b. „coproducenten”: filmproductie-ondernemingen of filmproducenten die zijn gevestigd in de partijen bij dit Verdrag en die zijn gebonden door een coproductie-overeenkomst;
- c. „officiële coproductie van een cinematografisch werk” (hierna “de film”): een cinematografisch werk dat voldoet aan de voorwaarden gesteld in Aanhangsel II, die een integrerend onderdeel van dit Verdrag vormt;
- d. „multilaterale coproductie”: een cinematografisch werk geproduceerd door ten minste drie coproducenten als omschreven in artikel 2, tweede lid, hierboven
HOOFDSTUK II. REGELS DIE OP COPRODUCTIES VAN TOEPASSING ZIJN
Artikel 4. Gelijkstelling met nationale films
Voor cinematografische werken die als multilaterale coproducties zijn vervaardigd en binnen de reikwijdte van dit Verdrag vallen, kan aanspraak worden gemaakt op de voordelen die aan nationale films worden toegekend door de wet- en regelgeving die van kracht is in elk van de partijen bij dit Verdrag die aan de desbetreffende coproductie deelnemen.
De voordelen worden aan elke coproducent toegekend door de partij waarin de coproducent is gevestigd, onder de voorwaarden en binnen de grenzen bepaald in de wet- en regelgeving die in die partij van kracht is en in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag.
Artikel 5. Voorwaarden voor het verkrijgen van de coproductiestatus
Elke cinematografische coproductie dient te worden goedgekeurd door de bevoegde autoriteiten van de partijen waarin de coproducenten zijn gevestigd, na overleg tussen de bevoegde autoriteiten en in overeenstemming met de procedures vervat in Aanhangsel I. Deze bijlage vormt een integrerend onderdeel van dit Verdrag.
Aanvragen voor het verkrijgen van de coproductiestatus dienen ter goedkeuring bij de bevoegde autoriteiten te worden ingediend overeenkomstig de aanvraagprocedure vervat in Aanhangsel I. Deze goedkeuring is onherroepelijk, behalve indien de aanvankelijk aangegane verplichtingen op artistiek, financieel en technisch gebied niet worden nagekomen.
Aan projecten van duidelijk pornografische aard of projecten die aanzetten tot discriminatie, haat of geweld of waarin de menselijke waardigheid openlijk wordt aangetast, kan geen coproductiestatus worden verleend.
De voordelen van de coproductiestatus worden toegekend aan coproducenten die worden geacht te beschikken over toereikende technische en financiële middelen en voldoende vakbekwaamheid.
Elke verdragsluitende staat wijst de in het tweede lid van dit artikel genoemde bevoegde autoriteiten aan door middel van een verklaring, afgelegd bij de ondertekening of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding. Deze verklaring kan daarna te allen tijde worden gewijzigd.
Artikel 6. Verhouding tussen de inbreng van de coproducenten
In het geval van een multilaterale coproductie mag de kleinste inbreng niet minder dan 5% en de grootste inbreng niet meer dan 80% bedragen van de totale productiekosten van een cinematografisch werk. Wanneer de kleinste inbreng minder dan 20% bedraagt of de coproductie louter financieel van aard is, kan de betrokken partij stappen ondernemen om de toegang tot nationale steunmaatregelen voor producties te beperken of te blokkeren.
Wanneer dit Verdrag ingevolge de bepalingen van artikel 2, vierde lid, tussen twee partijen als bilateraal verdrag geldt, mag de kleinste inbreng niet minder dan 10% en de grootste inbreng niet meer dan 90% bedragen van de totale productiekosten van het cinematografische werk. Wanneer de kleinste inbreng minder dan 20% bedraagt of de coproductie louter financieel van aard is, kan de betrokken partij stappen ondernemen om de toegang tot nationale steunmaatregelen voor producties te beperken of te blokkeren.
Artikel 7. Rechten van coproducenten op cinematografisch werk
De coproductie-overeenkomst dient te waarborgen dat elke coproducent de gezamenlijke eigendom verkrijgt van alle materiële en immateriële eigendomsrechten van de film. De overeenkomst dient een bepaling te bevatten dat de master van de film (eerste gemonteerde versie) wordt bewaard op een door beide coproducenten gezamenlijk overeen te komen locatie, waartoe zij vrije toegang dienen te hebben.
De coproductie-overeenkomst dient tevens te waarborgen dat elke coproducent tevens recht krijgt op toegang tot het materiaal en de master van de film voor gebruik als medium voor het maken van duplicaten.
Artikel 8. Technische en artistieke bijdrage
De inbreng van elke coproducent dient een wezenlijke technische en artistieke bijdrage te omvatten. In beginsel, en in overeenstemming met internationale verplichtingen die de partijen binden, dient de inbreng van de coproducenten in de vorm van creatief, technisch en artistiek personeel, acteurs en faciliteiten, evenredig te zijn aan hun investering.
Met inachtneming van de internationale verplichtingen die de partijen binden en de eisen van het scenario, dient de filmploeg te bestaan uit onderdanen van de staten die in de coproductie deelnemen en dient de post-productie in beginsel in die staten plaats te vinden.
Artikel 9. Financiële coproducties
Niettegenstaande de bepalingen van artikel 8 en met inachtneming van de specifieke voorwaarden en grenzen vastgesteld in de wet- en regelgeving die in de partijen van kracht is, kan aan coproducties krachtens de bepalingen van dit Verdrag de coproductiestatus worden toegekend indien zij aan de volgende voorwaarden voldoen:
- a. zij omvatten één of meer minderheidsdeelnemingen, die louter financieel van aard kunnen zijn, in overeenstemming met de coproductie-overeenkomst, mits elk nationaal aandeel niet minder bedraagt dan 10% en niet meer dan 25% van de productiekosten;
- b. zij omvatten een meerderheidscoproducent die een wezenlijke technische en artistieke bijdrage levert en voldoet aan de voorwaarden om zijn werk in zijn eigen land als nationaal werk te doen aanmerken;
- c. zij dragen bij aan het bevorderen van de culturele diversiteit en interculturele dialoog; en
- d. zij zijn onderwerp van coproductie-overeenkomsten waarin bepalingen zijn opgenomen inzake de verdeling van opbrengsten.
Financiële coproducties komen slechts in aanmerking voor de coproductiestatus indien de bevoegde autoriteiten in elk afzonderlijk geval hun goedkeuring hebben verleend, hierbij in het bijzonder rekening houdend met de bepalingen van artikel 10 hieronder.
Artikel 10. Algemeen evenwicht
Er dient een algemeen evenwicht te worden gehandhaafd in de cinematografische betrekkingen tussen de partijen, zowel wat betreft het totaal geïnvesteerde bedrag, als wat betreft de artistieke en technische deelneming aan cinematografische coproducties.
Een partij die na een redelijke periode vaststelt dat er sprake is van onevenwichtige betrekkingen op het gebied van coproducties met één of meer partijen, kan weigeren haar goedkeuring te verlenen aan een volgende coproductie totdat het evenwicht in de cinematografische betrekkingen met die partij(en) is hersteld.
Artikel 11. Binnenkomst en verblijf
In overeenstemming met de geldende wet- en regelgeving en internationale verplichtingen vergemakkelijkt elke partij de binnenkomst en het verblijf, alsmede het verlenen van werkvergunningen op haar grondgebied, van technisch en artistiek personeel uit andere partijen die aan een coproductie deelnemen. Op dezelfde manier staat elke partij de tijdelijke invoer en wederuitvoer toe van apparatuur die noodzakelijk is voor de productie en distributie van cinematografische werken die binnen de reikwijdte van dit Verdrag vallen.
Artikel 12. Vermelding van coproducerende landen
De coproducerende landen dienen in de in coproductie vervaardigde cinematografische werken te worden vermeld.
De namen van deze landen dienen duidelijk te worden vermeld in de titelrollen, in al het reclame- en promotiemateriaal en bij de vertoning van de cinematografische werken.
Artikel 13. Uitvoer
Wanneer een in coproductie vervaardigd cinematografisch werk wordt uitgevoerd naar een land waar quota gelden voor de invoer van cinematografische werken en één van de coproducerende partijen voor haar cinematografische werken niet beschikt over het recht van vrije toegang tot het invoerende land:
- a. wordt het cinematografische werk in beginsel toegevoegd aan de quota van het land dat de grootste bijdrage levert;
- b. wordt het cinematografische werk, in het geval van een cinematografisch werk waarvoor door verschillende landen een gelijke bijdrage is geleverd, toegevoegd aan de quota van het land dat de beste mogelijkheden heeft voor uitvoer naar het invoerende land;
- c. wordt het cinematografische werk wanneer de bepalingen van de onderdelen a en b hierboven niet kunnen worden toegepast, opgenomen in de quota van de partij die de regisseur levert.
Artikel 14. Talen
Wanneer de coproductiestatus wordt verleend, kan de bevoegde autoriteit van een partij van de daarin gevestigde coproducent een definitieve versie van het cinematografische werk eisen in één van de talen van die partij.
Artikel 15. Festivals
Tenzij de coproducenten anders beslissen, worden in coproductie vervaardigde cinematografische werken op internationale festivals vertoond door de partij waar de meerderheidscoproducent is gevestigd of, in het geval van gelijke financiële deelneming, door de partij die de regisseur levert.
HOOFDSTUK III. SLOTBEPALINGEN
Artikel 16. Gevolgen van het Verdrag
Dit Verdrag treedt ten aanzien van de staten die er partij bij zijn in de plaats van het Europees Verdrag inzake cinematografische coproduktie, dat op 2 oktober 1992 werd opengesteld voor ondertekening.
In de betrekkingen tussen een partij bij dit Verdrag en een partij bij het Verdrag van 1992 die dit Verdrag niet heeft bekrachtigd blijft het Verdrag van 1992 van toepassing.
Artikel 17. Follow-up van het Verdrag en wijzigingen van de Aanhangsels I en II
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.