Luchtvaartverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, en de Republiek Colombia

Type Verdrag
Publication 2018-06-05
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba,

en

de Republiek Colombia, hierna te noemen „de partijen”;

Overwegend dat de Republiek Colombia en het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, lid zijn van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO), zijnde partij zijn bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart dat op 7 december 1944 te Chicago werd opengesteld voor ondertekening;

Geleid door de wens in aanvulling op genoemd Verdrag van Chicago een luchtvaartverdrag te sluiten;

Erkennend dat de doelstelling van dit Verdrag de bevordering is van de ontwikkeling van het luchtvervoer tussen beide grondgebieden, zodanig dat de economische en commerciële ontwikkeling van beide partijen wordt gestimuleerd, door conform het bepaalde in artikel 44 van het Verdrag van Chicago billijke en gelijke kansen te scheppen voor het exploiteren van internationale luchtvaartmaatschappijen;

Met het oog op de bevordering van hun belangen in het internationaal luchtverkeer;

De richtlijnen voor de ontwikkeling van het internationale luchtvervoer volgend van ICAO;

Geleid door de wens de hoogste graad van beveiliging en veiligheid te waarborgen in het internationale luchtverkeer;

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Tenzij anders wordt aangegeven, geldt voor de toepassing van dit Verdrag dat:

Artikel 2. Verlening van Rechten
1.

Elke partij verleent de andere partij de in dit Verdrag gespecificeerde rechten voor het vestigen en onderhouden van internationale luchtdiensten door hun aangewezen luchtvaartmaatschappijen op de in de Bijlage omschreven routes. Genoemde diensten en routes worden aangeduid als „overeengekomen diensten” respectievelijk „routetabel”.

2.

Met inachtneming van de bepalingen van dit Verdrag, mogen de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van elke partij de volgende rechten uitoefenen:

3.

De aangewezen luchtvaartmaatschappijen van de ene partij hebben het recht op gebruik van alle luchtroutes, vliegvelden en overige faciliteiten op het grondgebied van de andere partij op basis van non-discriminatie.

4.

De luchtvaartmaatschappijen van elke partij, anders dan die aangewezen krachtens artikel 3 (Aanwijzing van luchtvaartmaatschappijen) van dit Verdrag, genieten eveneens de rechten die gespecificeerd zijn in het tweede lid, onderdeel a en b, van dit artikel.

5.

Geen van de bepalingen van het tweede lid van dit artikel wordt geacht een luchtvaartmaatschappij van de ene partij het recht te verlenen om op het grondgebied van de andere partij passagiers en/of vracht, waaronder begrepen post, aan boord te nemen om die tegen vergoeding of op verhuurbasis te vervoeren naar een ander punt op het grondgebied van die andere partij.

Artikel 3. Aanwijzing van Luchtvaartmaatschappijen
1.

Elke partij heeft het recht, bij schriftelijke notawisseling tussen de luchtvaartautoriteiten, aan de andere partij een of meer luchtvaartmaatschappijen aan te wijzen voor de exploitatie van de overeengekomen luchtdiensten op de in dit Verdrag omschreven routes.

2.

Na ontvangst van bedoelde aanwijzing en van het verzoek van de aangewezen luchtvaartmaatschappij, op de voor de exploitatievergunning voorgeschreven vorm en wijze, verleent elke partij met een minimum aan formaliteiten de desbetreffende exploitatievergunning op voorwaarde dat:

3.

Voor de vaststelling van de vestigingsplaats van het hoofdkantoor worden factoren in aanmerking genomen als: de luchtvaartmaatschappij is gevestigd en opgericht op het grondgebied van de aanwijzende partij conform de desbetreffende nationale wet- en regelgeving; een aanzienlijk deel van haar operaties en kapitaalsinvesteringen zijn gedaan in fysieke inrichtingen op het grondgebied van de aanwijzende partij; haar luchtvaartuigen zijn geregistreerd en hebben hun thuishaven op dat grondgebied; en zij stelt een aanzienlijk aantal onderdanen te werk in leidinggevende, technische en operationele functies.

4.

Voor de vaststelling van daadwerkelijk toezicht op naleving van de regelgeving dienen elementen in aanmerking te worden genomen als: de luchtvaartmaatschappij beschikt over een geldige licentie of exploitatievergunning, afgegeven door de aanwijzende luchtvaartautoriteit, zoals een Bewijs luchtvaartexploitant (AOC); zij voldoet aan de door de aanwijzende partij gestelde criteria voor de exploitatie van internationale luchtdiensten, zoals bewijs van bekwaamheid om te voldoen aan de vereisten van het algemeen belang en aan haar uit de garantie op de diensten voortvloeiende verplichtingen; en de aanwijzende partij beschikt over en handhaaft programma’s ter toezicht op de operationele veiligheid en de veiligheid van de luchtvaart die voldoen aan de normen van ICAO.

Artikel 4. Intrekking, Schorsing of Beperking van de Vergunning
1.

De luchtvaartautoriteiten van elke partij hebben het recht de in artikel 3 (Aanwijzing van luchtvaartmaatschappijen) van dit Verdrag genoemde vergunningen aan een door de andere partij aangewezen luchtvaartmaatschappij te weigeren, in te trekken of te schorsen of daaraan, al dan niet tijdelijk, voorwaarden te stellen:

2.

In het geval dat onmiddellijke maatregelen ter voorkoming van schending van eerder genoemde wet- en regelgeving geboden zijn of dat de operationele veiligheid of de veiligheid van de luchtvaart maatregelen vereist conform het bepaalde in artikel 7 (Operationele veiligheid) of artikel 8 (Veiligheid van de luchtvaart), worden de in het eerste lid van dit artikel genoemde rechten slechts uitgeoefend na overleg door de luchtvaartautoriteiten conform artikel 27 (Overleg en wijzigingen) van dit Verdrag.

Artikel 5. Toepasselijkheid van Wet- en Regelgeving
1.

De wet- en regelgeving van de ene partij met betrekking tot de binnenkomst op of het vertrek uit haar grondgebied van voor internationale luchtdiensten ingezette luchtvaartuigen, of met betrekking tot de exploitatie van en het vliegen met deze luchtvaartuigen terwijl zij zich op dat grondgebied bevinden, zijn van toepassing op de luchtvaartuigen van de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van de andere partij en worden door die luchtvaartuigen nageleefd bij hun binnenkomst, vertrek en verblijf op het grondgebied van de eerste partij.

2.

De wet- en regelgeving van de ene partij met betrekking tot binnenkomst, verblijf, doorreis of vertrek uit haar grondgebied door passagiers, bemanningen, vracht en post, zoals die betreffende formaliteiten bij binnenkomst en vertrek, emigratie en immigratie, douane, contant geld, gezondheids- en quarantainemaatregelen, dient te worden toegepast op de door de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van de andere partij vervoerde passagiers, bemanning, vracht en post, zolang zij op het grondgebied van eerstgenoemde partij verblijven.

3.

Bij de toepassing van genoemde wet- en regelgeving worden door de partijen – onder vergelijkbare omstandigheden – de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van de andere partij niet minder gunstig behandeld dan hun eigen luchtvaartmaatschappijen of elke andere luchtvaartmaatschappij die identieke internationale luchtdiensten levert.

Artikel 6. Erkenning van Bewijzen en Vergunningen
1.

Bewijzen van luchtwaardigheid, bewijzen van bevoegdheid en vergunningen die door de ene partij zijn afgegeven of gelijkgesteld en die nog niet zijn verlopen, worden door de andere partij als geldig erkend voor de exploitatie van de overeengekomen diensten, mits de vereisten voor de afgifte of voor de gelijkstelling van deze bewijzen en vergunningen ten minste gelijkwaardig zijn aan of zwaarder zijn dan de in overeenstemming met het Verdrag van Chicago vastgestelde minimumeisen.

2.

Elke partij behoudt zich evenwel het recht voor de erkenning van bewijzen van bevoegdheid en vergunningen, aan haar eigen onderdanen door de andere partij afgegeven of gelijkgesteld, voor vluchten boven haar eigen grondgebied of voor landingen daarop te weigeren.

Artikel 7. Operationele Veiligheid
1.

Elke partij kan te allen tijde verzoeken om overleg inzake door de andere partij gehanteerde veiligheidsnormen met betrekking tot vliegtechnische installaties en diensten, bemanning, luchtvaartuigen en hun exploitatie. Dergelijk overleg vindt plaats binnen dertig (30) dagen na de indiening van dat verzoek.

2.

Indien een partij na dergelijk overleg oordeelt dat de andere partij op de in het eerste lid van dit artikel bedoelde gebieden niet op doeltreffende wijze operationele veiligheidsnormen handhaaft en toepast die voldoen aan de krachtens het verdrag van Chicago geldende normen, stelt de eerstgenoemde partij de andere partij in kennis daarvan alsmede van de noodzakelijk geachte stappen om te voldoen aan de normen van de ICAO. De andere partij dient alsdan passende corrigerende maatregelen te nemen binnen een overeengekomen termijn.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.