Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Ierland tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en vermogenswinsten en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting
De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden
en
de Regering van Ierland,
Geleid door de wens hun economische betrekkingen verder te ontwikkelen en hun samenwerking op het gebied van belastingzaken te verbeteren,
Voornemens een nieuw verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en vermogenswinsten zonder mogelijkheden te scheppen voor niet-heffing of verminderde heffing van belasting door het ontduiken of ontwijken van belasting (onder andere door treaty-shopping-constructies met het oog op het indirect ten voordele van inwoners van derde staten verkrijgen van de in dit Verdrag voorziene voordelen),
Zijn het volgende overeengekomen:
HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG
Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is
Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide verdragsluitende staten.
Voor de toepassing van het Verdrag wordt inkomen dat is verkregen door of met behulp van een entiteit of een constructie die op grond van de belastingwetgeving van een verdragsluitende staat als geheel of gedeeltelijk fiscaal transparant behandeld wordt, aangemerkt als inkomen van een inwoner van een verdragsluitende staat, maar uitsluitend voor zover dat inkomen door die verdragsluitende staat voor de belastingheffing behandeld wordt als inkomen van een inwoner van die verdragsluitende staat. In geen geval mogen de bepalingen van dit lid aldus worden uitgelegd dat ze afbreuk doen aan het recht van een verdragsluitende staat om de inwoners van die verdragsluitende staat te belasten.
Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is
Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen en vermogenswinsten die worden geheven ten behoeve van een verdragsluitende staat of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan, ongeacht de wijze van heffing.
Als belastingen naar het inkomen en vermogenswinsten worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen of naar bestanddelen van het inkomen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het totale bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering.
De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn met name:
- a. wat Nederland betreft: (hierna te noemen: „Nederlandse belasting”);
- i. de inkomstenbelasting;
- ii. de loonbelasting;
- iii. de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de Regering in de nettowinsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnbouwwet; en
- iv. de dividendbelasting;
- b. wat Ierland betreft: (hierna te noemen: „Ierse belasting”).
- i. de inkomstenbelasting;
- ii. de universele sociale bijdrage (the Universal Social Charge);
- iii. de vennootschapsbelasting; en
- iv. de vermogenswinstbelasting;
Het Verdrag is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen die na de datum van ondertekening van het Verdrag naast of in de plaats van de bestaande belastingen worden geheven. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten doen elkaar mededeling van alle wezenlijke wijzigingen die in hun belastingwetgeving zijn aangebracht.
HOOFDSTUK II. BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN
Artikel 3. Algemene begripsbepalingen
Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij de context anders vereist:
- a. betekenen de uitdrukkingen „een verdragsluitende staat” en „de andere verdragsluitende staat” het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Nederland, of Ierland, al naargelang de context vereist en betekent de uitdrukking „verdragsluitende staten” het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Nederland, en Ierland;
- b. betekent de uitdrukking „Nederland” het Europese deel van het Koninkrijk der Nederlanden, met inbegrip van zijn territoriale zee en elk gebied buiten en grenzend aan zijn territoriale zee waarbinnen het Koninkrijk der Nederlanden, in overeenstemming met het internationale recht, rechtsmacht heeft of soevereine rechten uitoefent;
- c. omvat de uitdrukking „Ierland” elk gebied buiten de territoriale wateren van Ierland dat, ingevolgde de wetten van Ierland inzake de exclusieve economische zone en het continentaal plat, is, of op een later tijdstip kan worden, aangewezen als een gebied waarbinnen Ierland de soevereine rechten en rechtsmacht kan uitoefenen die in overeenstemming zijn met het internationale recht.
- d. omvat de uitdrukking „persoon” een natuurlijke persoon, een lichaam en elke andere vereniging van personen;
- e. betekent de uitdrukking „lichaam” elke rechtspersoon of elke entiteit die voor de belastingheffing als een rechtspersoon wordt behandeld;
- f. heeft de uitdrukking „onderneming” betrekking op elke uitoefening van een bedrijf;
- g. betekenen de uitdrukkingen „onderneming van een verdragsluitende staat” en „onderneming van de andere verdragsluitende staat” onderscheidenlijk een onderneming gedreven door een inwoner van een verdragsluitende staat en een onderneming gedreven door een inwoner van de andere verdragsluitende staat;
- h. betekent de uitdrukking „internationaal verkeer” alle vervoer met een schip of luchtvaartuig, geëxploiteerd door een onderneming van een verdragsluitende staat, behalve wanneer het schip of luchtvaartuig uitsluitend wordt geëxploiteerd tussen plaatsen die in de andere verdragsluitende staat zijn gelegen;
- i. betekent de uitdrukking „bevoegde autoriteit”:
- i. wat Nederland betreft, de minister van Financiën of zijn bevoegde vertegenwoordiger;
- ii. wat Ierland betreft, de Revenue Commissioners of hun bevoegde vertegenwoordiger;
- j. betekent de uitdrukking „onderdaan”:
- i. wat Nederland betreft, elke natuurlijke persoon die de nationaliteit van het Koninkrijk der Nederlanden bezit en elke rechtspersoon die, elk samenwerkingsverband dat of elke vereniging die zijn of haar rechtspositie als zodanig ontleent aan de wetgeving die in Nederland van kracht is;
- ii. wat Ierland betreft, elke natuurlijke persoon die de Ierse nationaliteit bezit en elke rechtspersoon die, elk samenwerkingsverband dat of elke vereniging die zijn of haar rechtspositie als zodanig ontleent aan de wetgeving die in Ierland van kracht is;
- k. omvat de uitdrukking „bedrijfsuitoefening” mede de uitoefening van een vrij beroep en van andere werkzaamheden van zelfstandige aard;
- l. betekent de uitdrukking „een pensioenfonds” een lichaam, plan, regeling, fonds, trust of andere constructie ingesteld in een verdragsluitende staat dat of die:
- i. in het algemeen is vrijgesteld van belastingen naar het inkomen in die staat; en
- ii. uitsluitend wordt geëxploiteerd (in het geval van een in Ierland gevestigd pensioenfonds) of uitsluitend of nagenoeg uitsluitend wordt geëxploiteerd (in het geval van een in Nederland gevestigd pensioenfonds) ten behoeve van het beheren of verstrekken van pensioenen of pensioenuitkeringen.
Voor de toepassing van het Verdrag op enig moment door een verdragsluitende staat heeft elke daarin niet omschreven uitdrukking, tenzij de context anders vereist, de betekenis welke deze op dat moment heeft volgens de wetgeving van die staat met betrekking tot de belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, waarbij elke betekenis volgens de toepasselijke belastingwetgeving van die staat prevaleert boven een betekenis die volgens andere wetgeving van die staat aan die uitdrukking wordt gegeven.
Artikel 4. Inwoner
Voor de toepassing van dit Verdrag betekent de uitdrukking „inwoner van een verdragsluitende staat” iedere persoon die, ingevolge de wetgeving van die staat, aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf, plaats van leiding of elke andere soortgelijke omstandigheid en omvat tevens de staat zelf en elk staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan. Deze uitdrukking omvat echter niet een persoon die in die staat slechts aan belasting is onderworpen ter zake van inkomen uit bronnen in die staat.
Indien een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner van beide verdragsluitende staten is, wordt zijn positie als volgt bepaald:
- a. hij wordt geacht slechts inwoner te zijn van de staat waarin hij een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft; indien hij in beide staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht slechts inwoner te zijn van de staat waarmee zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn (middelpunt van de levensbelangen);
- b. indien niet kan worden bepaald in welke staat hij het middelpunt van zijn levensbelangen heeft, of indien hij in geen van de staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht slechts inwoner te zijn van de staat waarin hij gewoonlijk verblijft;
- c. indien hij in beide staten of in geen van beide gewoonlijk verblijft, wordt hij geacht slechts inwoner te zijn van de staat waarvan hij onderdaan is;
- d. indien hij onderdaan is van beide staten of van geen van beide, regelen de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten de aangelegenheid in onderling overleg.
Indien een persoon, niet zijnde een natuurlijke persoon, ingevolge de bepalingen van het eerste lid, inwoner is van beide verdragsluitende staten, trachten de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten in onderlinge overeenstemming te bepalen van welk verdragsluitende staat die persoon geacht wordt een inwoner te zijn voor de toepassing van het Verdrag, daarbij rekening houdend met zijn plaats van werkelijke leiding, de plaats waar hij opgericht of anderszins tot stand gekomen is en alle andere relevante factoren. Wanneer dergelijke overeenstemming ontbreekt, is die persoon niet gerechtigd tot enige belastingvermindering of -vrijstelling waarin dit Verdrag voorziet, behalve in de mate waarin en de wijze waarop de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten daarover overeengekomen zijn.
Artikel 5. Vaste inrichting
Voor de toepassing van dit Verdrag betekent de uitdrukking „vaste inrichting” een vaste bedrijfsinrichting door middel waarvan de werkzaamheden van een onderneming geheel of gedeeltelijk worden verricht.
De uitdrukking „vaste inrichting” omvat in het bijzonder:
- a. een plaats waar leiding wordt gegeven;
- b. een filiaal;
- c. een kantoor;
- d. een fabriek;
- e. een werkplaats, en
- f. een mijn, een olie- of gasbron, een (steen)groeve of elke andere plaats waar natuurlijke rijkdommen worden gewonnen.
Een plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructie- of installatiewerkzaamheden vormt alleen een vaste inrichting indien de duur ervan twaalf maanden overschrijdt.
Niettegenstaande de bepalingen van het eerste en tweede lid wordt een onderneming van een verdragsluitende staat, die werkzaamheden verricht in verband met de exploratie of exploitatie van de zeebodem en de ondergrond en de natuurlijke rijkdommen daarvan in de territoriale zee en in elk gebied buiten en grenzend aan de territoriale zee, waarbinnen de andere verdragsluitende staat in overeenstemming met het internationale recht rechtsmacht heeft of soevereine rechten uitoefent (werkzaamheden buitengaats), geacht ter zake van die werkzaamheden in de andere staat een bedrijf uit te oefenen door middel van een aldaar gelegen vaste inrichting, tenzij de werkzaamheden in kwestie in de andere staat worden verricht gedurende een tijdvak dat of tijdvakken die in een tijdvak van twaalf maanden in totaal minder dan 30 dagen voortduurt of voortduren.
Voor de toepassing van het vierde lid wordt de uitdrukking „werkzaamheden buitengaats” evenwel geacht niet te omvatten:
- a. een van de activiteiten of een combinatie daarvan waarop het zevende lid van toepassing is;
- b. sleep- of ankerwerkzaamheden door schepen die in de eerste plaats voor dat doel zijn ontworpen alsmede andere door zulke schepen verrichte activiteiten;
- c. het vervoer van voorraden of personeel door schepen of luchtvaartuigen in internationaal verkeer.
Uitsluitend teneinde vast te stellen:
- a. of het in het derde lid bedoelde tijdvak van twaalf maanden is overschreden,
- i. wanneer een onderneming van een verdragsluitende staat werkzaamheden uitoefent in de andere verdragsluitende staat op de plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructie- of installatiewerkzaamheden en die werkzaamheden worden verricht gedurende een of meer tijdvakken die in totaal langer duren dan dertig dagen zonder een termijn van twaalf maanden te overschrijden, en
- ii. op diezelfde plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructie- of installatiewerkzaamheden gedurende verschillende tijdvakken, die elk langer duren dan 30 dagen, daarmee verband houdende werkzaamheden worden uitgeoefend door een of meer ondernemingen die nauw verbonden zijn met eerstgenoemde onderneming, worden die verschillende tijdvakken bij het totale tijdvak gevoegd gedurende welke de eerstgenoemde onderneming werkzaamheden heeft uitgeoefend op die plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructie- of installatiewerkzaamheden;
- b. wat de duur van de werkzaamheden buitengaats ingevolge het vierde lid is, wanneer een onderneming in de andere verdragsluitende staat werkzaamheden buitengaats verricht en daarmee verband houdende werkzaamheden worden uitgeoefend door een of meer ondernemingen die nauw verbonden zijn met eerstgenoemde onderneming en deze werkzaamheden van de eerstgenoemde onderneming en de nauw daarmee verbonden onderneming(en) een tijdvak van in totaal ten minste 30 dagen beslaan, wordt iedere onderneming geacht haar werkzaamheden te verrichten gedurende een tijdvak van ten minste 30 dagen in een tijdvak van twaalf maanden.
Niettegenstaande de bepalingen van het eerste, tweede en derde lid, wordt de uitdrukking „vaste inrichting” niet geacht te omvatten:
- a. het gebruikmaken van inrichtingen uitsluitend voor opslag, uitstalling of aflevering van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar;
- b. het aanhouden van een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar, uitsluitend voor opslag, uitstalling of aflevering;
- c. het aanhouden van een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar, uitsluitend voor bewerking of verwerking door een andere onderneming;
- d. het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting, uitsluitend om voor de onderneming goederen of koopwaar aan te kopen of informatie in te winnen;
- e. het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting, uitsluitend om voor de onderneming enige andere werkzaamheid te verrichten die van voorbereidende aard is of het karakter van hulpwerkzaamheid heeft;
- f. het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting, uitsluitend voor een combinatie van de in de onderdelen a tot en met e genoemde werkzaamheden, mits het totaal van de werkzaamheden van de vaste bedrijfsinrichting dat uit deze combinatie voortvloeit van voorbereidende aard is of het karakter van hulpwerkzaamheid heeft.
Het zevende lid is niet van toepassing op een vaste bedrijfsinrichting die door een onderneming gebruikt of aangehouden wordt indien dezelfde onderneming of een nauw daarmee verbonden onderneming op dezelfde plaats of op een andere plaats in dezelfde verdragsluitende staat bedrijfsactiviteiten verricht, en
- a. die plaats of die andere plaats voor de onderneming of voor de nauw daarmee verbonden onderneming een vaste inrichting is op grond van de bepalingen van dit artikel; of
- b. het geheel van de activiteiten dat resulteert uit de combinatie van de activiteiten die door de twee ondernemingen op dezelfde plaats, of door dezelfde onderneming of nauw daarmee verbonden ondernemingen op de twee plaatsen worden uitgeoefend, niet van voorbereidende aard is of het karakter van hulpwerkzaamheid heeft;
op voorwaarde dat de bedrijfsactiviteiten die door de twee ondernemingen op dezelfde plaats, of door dezelfde onderneming of nauw daarmee verbonden ondernemingen op de twee plaatsen, worden uitgeoefend aanvullende taken zijn die deel uitmaken van een samenhangende bedrijfsvoering.
Niettegenstaande de bepalingen van het eerste, tweede en vierde lid, indien een persoon – niet zijnde een onafhankelijke vertegenwoordiger op wie het tiende lid van toepassing is – namens een onderneming optreedt, en een machtiging bezit om namens de onderneming overeenkomsten af te sluiten en dit recht in een verdragsluitende staat gewoonlijk uitoefent, wordt die onderneming geacht in die staat een vaste inrichting te hebben met betrekking tot de werkzaamheden die die persoon voor de onderneming verricht, tenzij de werkzaamheden van die persoon beperkt blijven tot de werkzaamheden genoemd in het zevende lid, die, indien zij worden verricht door middel van een vaste bedrijfsinrichting, deze vaste bedrijfsinrichting op grond van de bepalingen van dat lid niet tot een vaste inrichting zouden maken.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.