Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Irak tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het voorkomen van het ontgaan en ontwijken van belasting

Type Verdrag
Publication 2019-07-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Het Koninkrijk der Nederlanden

en

de Republiek Irak,

Geleid door de wens hun economische betrekkingen verder te ontwikkelen en hun samenwerking op het gebied van belastingzaken te verbeteren,

Voornemens een verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen zonder mogelijkheden te scheppen voor niet-heffing of verminderde heffing van belasting door het ontgaan of het ontwijken van belasting (onder andere door „treaty shopping” met het oog op het indirect ten voordele van inwoners van derde staten verkrijgen van de in dit Verdrag voorziene fiscale voordelen),

Zijn het volgende overeengekomen:

HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG

Artikel 1. Personen op wie het verdrag van toepassing is
1.

Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide verdragsluitende staten.

2.

Indien entiteiten door een van de verdragsluitende staten geacht worden transparant te zijn en door de andere verdragsluitende staat niet-transparant en dit leidt tot dubbele belasting of belasting die niet in overeenstemming is met de bepalingen van dit Verdrag, zoeken de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten naar oplossingen krachtens artikel 22 teneinde dubbele belasting of belasting die niet verenigbaar is met de bepalingen van dit Verdrag te vermijden en tegelijkertijd te voorkomen dat, louter als gevolg van de toepassing van het Verdrag, inkomen (gedeeltelijk) niet aan belasting onderworpen is.

3.

Met betrekking tot het Caribische deel van Nederland is dit Verdrag uitsluitend van toepassing op inwoners die natuurlijke personen zijn.

Artikel 2. Belastingen waarop het verdrag van toepassing is
1.

Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen die worden geheven ten behoeve van een verdragsluitende staat of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan, ongeacht de wijze van heffing.

2.

Als belastingen naar het inkomen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen of naar bestanddelen van het inkomen, daaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het totale bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering.

3.

De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn met name:

4.

Het Verdrag is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen die na de datum van ondertekening van het Verdrag naast of in de plaats van de bestaande belastingen worden geheven. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten doen elkaar mededeling van alle wezenlijke wijzigingen die in hun belastingwetgeving zijn aangebracht.

HOOFDSTUK II. BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN

Artikel 3. Algemene begripsbepalingen
1.

Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij de context anders vereist:

2.

Voor de toepassing van het Verdrag op enig moment door een verdragsluitende staat heeft elke daarin niet omschreven uitdrukking, tenzij de context anders vereist, de betekenis welke deze op dat moment heeft volgens de wetgeving van die staat met betrekking tot de belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, waarbij elke betekenis volgens de toepasselijke belastingwetgeving van die staat prevaleert boven een betekenis die volgens andere wetgeving van die staat aan die uitdrukking wordt gegeven.

Artikel 4. Inwoner
1.

Voor de toepassing van dit Verdrag betekent de uitdrukking „inwoner van een verdragsluitende staat” iedere persoon die, ingevolge de wetgeving van die staat, aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf, plaats van leiding of enige andere soortgelijke omstandigheid en omvat tevens de staat zelf en elk staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan, alsmede een pensioenfonds.

2.

Niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid omvat de uitdrukking „inwoner van een verdragsluitende staat” geen persoon die in die staat slechts aan belasting is onderworpen ter zake van inkomsten uit bronnen in die staat.

3.

Indien een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner is van beide verdragsluitende staten, wordt zijn positie als volgt bepaald:

4.

Indien een andere dan een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner van beide verdragsluitende staten is, trachten de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten in onderlinge overeenstemming vast te stellen van welke verdragsluitende staat de persoon voor de toepassing van het Verdrag geacht wordt inwoner te zijn, met inachtneming van zijn plaats van werkelijke leiding, de plaats waar hij is opgericht of anderszins tot stand is gekomen en alle andere ter zake doende factoren. Bij afwezigheid van een dergelijke overeenstemming, heeft die persoon geen recht op enige vermindering of vrijstelling van belasting ingevolge dit Verdrag, behalve voor zover en op de wijze die kan worden overeengekomen door de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten.

5.

Voor de toepassing van het eerste lid omvat in het geval van een natuurlijke persoon die aan boord van een schip woont „enige andere soortgelijke omstandigheid” mede de thuishaven van dat schip.

Artikel 5. Vaste inrichting
1.

Voor de toepassing van dit Verdrag betekent de uitdrukking „vaste inrichting” een vaste bedrijfsinrichting door middel waarvan de werkzaamheden van een onderneming geheel of gedeeltelijk worden verricht.

2.

De uitdrukking „vaste inrichting” omvat in het bijzonder:

3.

De uitdrukking „vaste inrichting” omvat bovendien:

4.

Niettegenstaande de bepalingen van het eerste, tweede en derde lid, wordt een onderneming van een verdragsluitende staat die exploratie- en andere werkzaamheden verricht in verband met de winning van natuurlijke rijkdommen in de andere verdragsluitende staat geacht in die andere staat een bedrijf uit te oefenen door middel van een aldaar gelegen vaste inrichting, tenzij de werkzaamheden in kwestie in de andere staat worden verricht gedurende een tijdvak dat, of tijdvakken die, in een tijdvak van twaalf maanden in totaal minder dan 30 dagen voortduurt of voortduren.

5.

Het vierde lid van dit artikel is niet van toepassing op:

6.

Teneinde de duur van de werkzaamheden als bedoeld in het vierde lid juncto het vijfde lid vast te stellen indien een onderneming die in de andere verdragsluitende staat werkzaamheden verricht en is gelieerd aan een andere onderneming, welke andere onderneming als onderdeel van hetzelfde project dezelfde werkzaamheden voortzet die worden of werden verricht door de eerstbedoelde onderneming, en de hiervoor bedoelde door beide ondernemingen verrichte werkzaamheden een tijdvak van in totaal ten minste 30 dagen beslaan, wordt iedere onderneming geacht haar werkzaamheden te verrichten gedurende een tijdvak van ten minste 30 dagen in een tijdvak van twaalf maanden. Een onderneming wordt geacht gelieerd te zijn aan een andere onderneming indien de ene onderneming onmiddellijk of middellijk ten minste een derde deel van het kapitaal van de andere onderneming bezit of indien een persoon onmiddellijk of middellijk ten minste een derde deel van het kapitaal van beide ondernemingen bezit.

7.

Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel wordt de uitdrukking „vaste inrichting” geacht niet te omvatten:

8.

Indien een persoon – niet zijnde een onafhankelijke vertegenwoordiger op wie het negende lid van toepassing is – namens een onderneming optreedt en een machtiging bezit om namens de onderneming overeenkomsten af te sluiten en dit recht in een verdragsluitende staat gewoonlijk uitoefent, wordt die onderneming, niettegenstaande de bepalingen van het eerste, tweede, derde en vierde lid, geacht in die staat een vaste inrichting te hebben met betrekking tot de werkzaamheden die die persoon voor de onderneming verricht, tenzij de werkzaamheden van die persoon beperkt blijven tot de werkzaamheden genoemd in het zevende lid, die, indien zij worden verricht door middel van een vaste bedrijfsinrichting, deze vaste bedrijfsinrichting op grond van de bepalingen van dat lid niet tot een vaste inrichting zouden maken.

9.

Een onderneming wordt niet geacht een vaste inrichting in een verdragsluitende staat te bezitten alleen op grond van de omstandigheid dat zij in die staat werkzaamheden verricht door bemiddeling van een makelaar, commissionair of enige andere onafhankelijke vertegenwoordiger, mits deze personen in de normale uitoefening van hun bedrijf handelen.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.