Europese Overeenkomst tot bescherming van kleine huisdieren
Preambule
De Lidstaten van de Raad van Europa die deze Overeenkomst hebben ondertekend,
Overwegend dat het doel van de Raad van Europa is een grotere eenheid tussen zijn leden tot stand te brengen;
Erkennend dat de mens de morele verplichting heeft alle levende schepselen te eerbiedigen, en indachtig de bijzondere relatie die kleine huisdieren hebben met de mens;
Gelet op de betekenis van kleine huisdieren vanwege hun bijdrage tot de kwaliteit van het bestaan en hun daaruit voortvloeiende waarde voor de samenleving;
Gelet op de moeilijkheden voortvloeiend uit de zeer grote verscheidenheid van dieren die door de mens worden gehouden;
Gelet op de gevaren die inherent zijn aan te grote aantallen kleine huisdieren voor de hygiëne, de gezondheid en de veiligheid van de mens en van andere dieren;
Overwegend dat het houden van exemplaren van in het wild levende diersoorten als huisdier niet aangemoedigd zou moeten worden;
Zich bewust van de uiteenlopende omstandigheden die het verwerven, het houden, het al dan niet voor commerciële doeleinden fokken en het afstaan van en het handelen in kleine huisdieren beheersen;
Zich ervan bewust dat kleine huisdieren niet altijd worden gehouden onder omstandigheden die bevorderlijk zijn voor hun gezondheid en welzijn;
Constaterend dat de houding tegenover kleine huisdieren soms sterk uiteen loopt, soms wegens gebrek aan kennis en bewustzijn op dit gebied;
Overwegend dat een fundamentele gemeenschappelijke opstelling ten aanzien van houding en praktijk, die leidt tot een verantwoord bezit van kleine huisdieren, niet alleen een wenselijke, maar ook reële doelstelling is,
Zijn als volgt overeengekomen:
HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
Onder een klein huisdier wordt verstaan een dier dat door de mens, in het bijzonder thuis voor zijn genoegen en gezelschap, wordt gehouden of bedoeld is gehouden te worden.
Onder handel in kleine huisdieren worden verstaan alle gewone zakelijke transacties in aanzienlijke aantallen, verricht met winstoogmerk, die leiden tot wijziging in de eigendom van kleine huisdieren.
Onder commercieel fokken en in pension hebben wordt verstaan het voornamelijk met winstoogmerk en in aanzienlijke aantallen fokken en in pension hebben.
Onder dierenasiel wordt verstaan een instelling zonder winstoogmerk waar kleine huisdieren in aanzienlijke aantallen kunnen worden gehouden. Indien de nationale wettelijke en/of bestuursrechtelijke maatregelen zulks toelaten, kan een dergelijke instelling zwerfdieren opnemen.
Onder een zwerfdier wordt verstaan een klein huisdier dat geen tehuis heeft dan wel zich buiten de grenzen van het huishouden van zijn eigenaar of houder bevindt en niet onder de controle of het rechtstreekse toezicht van een eigenaar of houder staat.
Onder bevoegde autoriteit wordt verstaan de door de Lidstaat aangewezen autoriteit.
Artikel 2. Reikwijdte en toepassing
Elke Partij verbindt zich ertoe de noodzakelijke maatregelen te nemen om uitvoering te geven aan de bepalingen van deze Overeenkomst met betrekking tot:
- a. kleine huisdieren, gehouden door een persoon of rechtspersoon in. een huishouden of een instelling die zich bezig houdt met handel, commercieel fokken of in pension hebben, en in dierenasiels;
- b. waar van toepassing, zwerfdieren.
Niets in deze Overeenkomst staat de toepassing van andere overeenkomsten voor de bescherming van dieren of voor het behoud van bedreigde wilde diersoorten in de weg.
Niets in deze Overeenkomst staat de vrijheid van de Partijen in de weg, strengere maatregelen voor de bescherming van kleine huisdieren te nemen of de hierin vervatte bepalingen toe te passen op categorieën dieren die niet uitdrukkelijk in deze Overeenkomst zijn vermeld.
HOOFDSTUK II. BEGINSELEN VOOR HET HOUDEN VAN KLEINE HUISDIEREN
Artikel 3. Grondbeginselen voor het welzijn van dieren
Niemand mag een klein huisdier nodeloos pijn doen, laten lijden of angst aanjagen.
Niemand mag een klein huisdier in de steek laten.
Artikel 4. Het houden van kleine huisdieren
Ieder die een klein huisdier houdt of erin heeft toegestemd daarvoor te zorgen, is verantwoordelijk voor gezondheid en welzijn ervan.
Ieder die een klein huisdier houdt of ervoor zorgt, dient het een onderkomen, zorg en aandacht te geven op een wijze die rekening houdt met de ethologische behoeften van het dier in overeenstemming met zijn soort en ras, in het bijzonder:
- a. het passend en voldoende voedsel en water te geven;
- b. het voldoende mogelijkheden voor lichaamsbeweging te bieden;
- c. alle redelijke maatregelen te nemen om ontsnapping ervan te voorkomen.
Een dier mag niet als klein huisdier worden gehouden, indien
- a. aan de voorwaarden van het tweede lid niet wordt voldaan, of indien
- b. ondanks dat aan deze voorwaarden wordt voldaan, het dier zich niet aan gevangenschap kan aanpassen.
Artikel 5. Het fokken
Ieder die een klein huisdier voor het fokken selecteert, is verantwoordelijk voor het rekening houden met de anatomische, fysiologische en gedragskenmerken die de gezondheid en het welzijn van de nakomelingen of het moederdier in gevaar kunnen brengen.
Artikel 6. Leeftijdsgrens bij verwerving
Een klein huisdier wordt niet verkocht aan personen jonger dan 16 jaar zonder de uitdrukkelijke toestemming van hun ouders of andere personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid uitoefenen.
Artikel 7. Het africhten
Een klein huisdier wordt niet afgericht op een wijze die nadelig is voor zijn gezondheid en welzijn, in het bijzonder door het te dwingen zich boven zijn natuurlijke vermogens of kracht in te spannen, of door kunstmatige hulpmiddelen te gebruiken die letsel of nodeloos pijn, lijden of angst veroorzaken.
Artikel 8. Handel, commercieel fokken en in pension hebben, dierenasiels
Ieder die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze Overeenkomst handelt in kleine huisdieren of deze commercieel fokt of in pension heeft, dan wel een dierenasiel beheert, dient binnen een door elke Partij vast te stellen passende termijn zulks op te geven aan de bevoegde autoriteit.
Ieder die voornemens is zich met één van deze activiteiten bezig te houden, dient dit voornemen op te geven aan de bevoegde autoriteit.
In deze opgave dient te worden vermeld:
- a. het soort kleine huisdieren dat hierbij is of wordt betrokken;
- b. de verantwoordelijke persoon en zijn kennis;
- c. een beschrijving van de gebouwen en voorzieningen die worden gebruikt of zullen worden gebruikt.
De bovengenoemde activiteiten mogen slechts worden verricht:
- a. indien de verantwoordelijke persoon beschikt over de kennis en vaardigheden die voor de activiteit zijn vereist, ofwel als resultaat van een beroepsopleiding, danwel van voldoende ervaring met kleine huisdieren, en
- b. indien de gebouwen en voorzieningen die voor de activiteit worden gebruikt, voldoen aan de in artikel 4 gestelde eisen.
De bevoegde autoriteit bepaalt op grond van de opgave ingevolge het eerste lid of er al dan niet wordt voldaan aan de in het derde lid gestelde voorwaarden. Indien niet in voldoende mate aan deze voorwaarden wordt voldaan, beveelt zij maatregelen aan en, indien noodzakelijk voor het welzijn van de dieren, verbiedt zij het aanvangen met of het voortzetten van de activiteit.
De bevoegde autoriteit controleert, overeenkomstig de nationale wetgeving, of al dan niet aan de bovengenoemde voorwaarde wordt voldaan.
Artikel 9. Reclame, amusement, tentoonstellingen, wedstrijden en soortgelijke evenementen
Kleine huisdieren mogen niet worden gebruikt voor reclame, amusement, tentoonstellingen, wedstrijden en soortgelijke evenementen, tenzij:
- a. de organisator omstandigheden heeft geschapen om de kleine huisdieren in overeenstemming met de vereisten van artikel 4, tweede lid, te behandelen, en
- b. de gezondheid en het welzijn van de kleine huisdieren niet in gevaar worden gebracht.
Er mogen geen stoffen worden toegediend aan, behandelingen toegepast op, of middelen gebruikt bij een klein huisdier ten einde zijn natuurlijke prestatieniveau te verhogen of te verlagen:
- a. tijdens een wedstrijd, of
- b. op enig ander tijdstip, wanneer zulks de gezondheid en het welzijn van het dier in gevaar kan brengen.
Artikel 10. Chirurgische ingrepen
Chirurgische ingrepen ter verandering van het uiterlijk van een klein huisdier of voor andere niet-curatieve doeleinden zijn verboden, en in het bijzonder:
- a. het couperen van de staart;
- b. het couperen van de oren;
- c. het doorsnijden van de stembanden;
- d. het verwijderen van nagels en tanden.
Uitzonderingen op deze verbodsbepalingen zijn slechts toegestaan:
- a. indien een dierenarts niet-curatieve handelingen nodig acht, hetzij om diergeneeskundige redenen, hetzij in het belang van een bepaald dier;
- b. ter voorkoming van de voortplanting.
- a. Ingrepen waarbij het dier ernstige pijn lijdt of kan lijden, dienen alleen onder narcose te worden uitgevoerd door een dierenarts of onder diens toezicht.
- b. Ingrepen waarbij geen narcose is vereist, mogen worden verricht door een op grond van de nationale wetgeving bevoegde persoon.
Artikel 11. Het doden
Alleen een dierenarts of een andere bevoegde persoon mag een klein huisdier doden, behalve in een noodsituatie om een einde te maken aan het lijden van een dier, wanneer diergeneeskundige of andere bevoegde hulp niet snel kan worden verkregen, of in alle andere onder de nationale wetgeving vallende noodsituaties. Het doden dient te geschieden met een minimum aan lichamelijk en geestelijk lijden, passend bij de omstandigheden. De gekozen methode dient, behalve in een noodsituatie ofwel
- a. onmiddellijke bewusteloosheid en de dood te veroorzaken, danwel
- b. te beginnen met het toedienen van een diepe algemene verdoving, die wordt gevolgd door een handeling die uiteindelijk en zeker de dood veroorzaakt.
Degene die verantwoordelijk is voor het doden, dient zich ervan te vergewissen dat het dier dood is voordat het kadaver wordt afgevoerd.
De volgende methode voor het doden zijn verboden:
- a. verdrinking of andere wijzen van verstikking, indien deze niet de in het eerste lid, letter b, genoemde gevolgen hebben;
- b. gebruik van een giftige stof of bedwelmend middel waarvan de dosis en de toediening niet zodanig beheersbaar zijn, dat ze het in het eerste lid bedoelde gevolg hebben;
- c. elektrocutie, tenzij voorafgegaan door onmiddellijk verlies van bewustzijn.
HOOFDSTUK III. AANVULLENDE MAATREGELEN VOOR ZWERFDIEREN
Artikel 12. Vermindering van het aantal
Wanneer een Partij van mening is dat het aantal zwerfdieren een probleem voor haar is, dient zij de passende wettelijke en/of bestuursrechtelijke maatregelen te nemen die nodig zijn om dit aantal te verminderen op een wijze die niet nodeloos pijn, lijden of angst veroorzaakt.
- a. Zulke maatregelen dienen de eis te bevatten dat:
- i. indien deze dieren moeten worden gevangen, zulks geschiedt met het bij het dier passende minimum aan lichamelijk en geestelijk lijden;
- ii. ongeacht of gevangen dieren worden gehouden dan wel gedood, zulks geschiedt in overeenstemming met de in deze Overeenkomst vervatte beginselen.
- b. De Partijen verbinden zich ertoe te overwegen:
- i. voorzieningen te treffen om honden en katten permanent te identificeren door middel van geëigende middelen die slechts weinig of tijdelijk pijn, lijden of angst veroorzaken zoals tatouage, met registratie van het nummer, alsmede de naam en het adres van de eigenaar;
- ii. de ongeplande voortplanting van honden en katten te verminderen door de sterilisatie van deze dieren te bevorderen;
- iii. de vinder van een zwerfhond of -kat aan te moedigen deze te melden aan de bevoegde autoriteit.
Artikel 13. Uitzonderingen op het vangen, houden en doden
Uitzonderingen op de in deze Overeenkomst vervatte beginselen voor het vangen, houden en doden van zwerfdieren mogen slechts worden gemaakt indien zij onvermijdelijk zijn in het kader van nationale programma's voor de bestrijding van ziekten.
HOOFDSTUK IV. VOORLICHTING EN EDUCATIE
Artikel 14. Voorlichtings- en opleidingsprogramma 's
De Partijen verbinden zich ertoe, de ontwikkeling te stimuleren van voorlichtings- en educatieprogramma's ter bevordering van het besef en de kennis van de bepalingen en de beginselen van deze Overeenkomst bij de organisaties en personen betrokken bij het houden, fokken, africhten, verhandelen en in pension hebben van kleine huisdieren. In deze programma's dient in het bijzonder de aandacht te worden gevestigd op de volgende onderwerpen:
- a. de noodzaak dat het africhten van kleine huisdieren voor commerciële doeleinden of wedstrijden wordt verricht door personen met voldoende kennis en bekwaamheid;
- b. de noodzaak tegen te gaan:
- i. dat kleine huisdieren worden geschonken aan personen jonger dan 16 jaar zonder de uitdrukkelijke toestemming van hun ouders of van andere personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid uitoefenen;
- ii. dat kleine huisdieren worden geschonken als prijs, beloning of premie.
- iii. dat kleine huisdieren zich ongebreideld voortplanten;
- c. de mogelijke negatieve gevolgen voor de gezondheid en het welzijn van wilde dieren als zij worden gekocht of geïntroduceerd als kleine huisdieren;
- d. de gevaren van de onverantwoorde aankoop van kleine huisdieren die leidt tot een toename van het aantal ongewenste of in de steek gelaten dieren.
HOOFDSTUK V. MULTILATERAAL OVERLEG
Artikel 15. Multilateraal overleg
Binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst en elke vijf jaar daarna en, in elk geval, wanneer een meerderheid van de vertegenwoordigers van de Partijen zulks verzoekt, voeren de Partijen multilateraal overleg binnen de Raad van Europa over de toepassing van de Overeenkomst en over de wenselijkheid deze te herzien of bepalingen ervan uit te breiden. Dit overleg vindt plaats op door de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa bijeengeroepen vergadering.
Elke Partij heeft het recht een vertegenwoordiger te benoemen die deelneemt aan dit overleg. Iedere Lidstaat van de Raad van Europa die geen Partij is bij de Overeenkomst, heeft het recht zich door een waarnemer bij dit overleg te laten vertegenwoordigen.
Na elk overleg leggen de Partijen aan het Comité van Ministers van de Raad van Europa een verslag voor omtrent het overleg en de werking van de Overeenkomst, welk verslag, indien zij dit nodig achten, tevens voorstellen bevat voor de wijziging van de artikelen 15 tot en met 23 van de Overeenkomst.
Onder voorbehoud van de bepalingen van deze Overeenkomst stellen de Partijen de procedureregels voor het overleg vast.
HOOFDSTUK VI. WIJZIGINGEN
Artikel 16. Wijzigingen
Iedere door een Partij of het Comité van Ministers voorgestelde wijziging van de artikelen 1 tot en met 14 wordt medegedeeld aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa en door deze toegezonden aan de Lidstaten van de Raad van Europa, aan iedere Partij, en aan iedere Staat die overeenkomstig het bepaalde in artikel 19 is uitgenodigd tot de Overeenkomst toe te treden.
Iedere overeenkomstig het bepaalde in het voorgaande lid voorgestelde wijziging wordt bestudeerd tijdens een multilateraal overleg dat niet eerder dan twee maanden na de datum van toezending door de Secretaris-Generaal wordt gevoerd, waar zij kan worden aangenomen met een tweederde meerderheid van de Partijen. De aangenomen tekst wordt aan de Partijen toegezonden.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.