Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Arabische Emiraten inzake uitlevering
Het Koninkrijk der Nederlanden
en
de Verenigde Arabische Emiraten
hierna te noemen „de Partijen”,
Verwijzend naar de internationale instrumenten die bepalingen inzake uitlevering bevatten die tussen de Partijen van kracht zijn;
Geleid door de wens de effectiviteit van hun samenwerking bij criminaliteitsbestrijding verder te verbeteren en, met name, uitlevering te vergemakkelijken;
Met zorgvuldige inachtneming van hun verplichtingen om de mensenrechten en de rechtsstaat te eerbiedigen;
Zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1. Verplichting tot uitlevering
Elke Partij verbindt zich tot de uitlevering aan de andere Partij, in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag, van elke persoon op zijn grondgebied die wordt gezocht met het oog op strafvervolging of de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk vonnis.
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder vonnis verstaan: elke vrijheidsstraf of elke tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel die door een rechter wegens een strafbaar feit in een strafrechtelijke procedure is opgelegd voor bepaalde of onbepaalde duur.
Artikel 2. Feiten die tot uitlevering kunnen leiden
In overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag wordt uitlevering toegestaan wanneer:
- a. het verzoek tot uitlevering wordt gedaan met het oog op strafvervolging en het feit krachtens de wetgeving van beide Partijen strafbaar is gesteld met een straf van ten minste één jaar;
- b. het verzoek tot uitlevering is gedaan met het oog op de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk vonnis wegens een feit dat krachtens de wetgeving van beide Partijen strafbaar is gesteld en, op het moment waarop het verzoek wordt ingediend, het gedeelte van het vonnis dat nog niet is ondergaan ten minste zes maanden bedraagt.
Bij de vaststelling of een strafbaar feit volgens de wetgeving van beide Partijen strafbaar is gesteld, doet het niet ter zake of:
- a. in de wetgeving van de Partijen het handelen of nalaten dat het strafbaar feit vormt binnen dezelfde categorie strafbare feiten valt of met dezelfde termen wordt omschreven;
- b. ingevolge de wetgeving van de Partijen de bestanddelen van het strafbaar feit verschillen, met dien verstande dat het geheel van het handelen of nalaten zoals voorgelegd door de verzoekende Partij in aanmerking wordt genomen.
Indien het verzoek tot uitlevering verschillende afzonderlijke strafbare feiten bevat die elk strafbaar zijn ingevolge de wetgeving van de Partijen, maar waarvan er een aantal niet voldoen aan de voorwaarden vervat in het eerste lid van dit artikel, kan de aangezochte Partij uitlevering toestaan wegens de laatstgenoemde strafbare feiten mits de persoon uitgeleverd wordt wegens ten minste een ander feit dat tot uitlevering kan leiden.
Ten behoeve van het eerste lid van dit artikel, wordt uitlevering eveneens toegestaan indien het strafbaar feit waarvoor om uitlevering is gevraagd gepleegd is buiten het grondgebied van de verzoekende Partij, op voorwaarde dat de wetgeving van de aangezochte Partij de vervolging toestaat van een strafbaar feit van soortgelijke aard dat buiten haar grondgebied is gepleegd.
Artikel 3. Weigeringsgronden
Uitlevering wordt geweigerd indien:
- a. het strafbaar feit waarvoor om uitlevering wordt gevraagd door de aangezochte Partij beschouwd wordt als een politiek delict. De volgende strafbare feiten worden niet als politieke delicten beschouwd:
- –. voor de Verenigde Arabische Emiraten: een aanslag gericht tegen de President van de Staat of zijn plaatsvervanger, de regeringsleider, of elk lid van hun gezin, of elk lid van de Opperste Raad of elk lid van hun gezin;
- –. voor het Koninkrijk der Nederlanden: een aanslag gericht tegen de Koning of elk lid van zijn gezin;
- –. terroristische misdrijven, financiering van terrorisme of elk ander strafbaar feit dat niet als een politiek delict wordt beschouwd ingevolge elk internationaal verdrag waar beide Partijen partij bij zijn;
- b. het strafbaar feit waarvoor om uitlevering wordt gevraagd een strafbaar feit krachtens het militaire recht is en daarnaast geen strafbaar feit krachtens het commune strafrecht van de aangezochte Partij is;
- c. het handelen of nalaten dat het vermeende strafbaar feit zou opleveren waarop het verzoek betrekking heeft, zou, indien het zou hebben plaatsgevonden binnen de rechtsmacht van de aangezochte Partij, geen strafbaar feit hebben opgeleverd;
- d. het recht om tot strafvervolging over te gaan of het vonnis waarvoor om uitlevering wordt gevraagd uit te voeren, is vervallen door verjaring ingevolge de wetgeving van de aangezochte Partij of de verzoekende Partij;
- e. de aangezochte Partij ernstige redenen heeft om aan te nemen dat het verzoek om uitlevering is gedaan met de bedoeling een persoon te vervolgen of te straffen op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, etnische herkomst, politieke overtuiging, geslacht of status of dat inwilliging van het verzoek de positie van die persoon om een van deze redenen ongunstig zou kunnen beïnvloeden;
- f. op het strafbaar feit waarvoor om uitlevering wordt gevraagd krachtens de wetgeving van de verzoekende Partij de doodstraf of een lijfstraf is gesteld, tenzij de verzoekende Partij de garantie geeft, die door de aangezochte Partij als afdoende worden beschouwd, dat er geen doodstraf of lijfstraffen worden opgelegd, en, indien deze wel worden opgelegd, dat zij niet ten uitvoer worden gelegd;
- g. de aangezochte Partij de uitvoering van het verzoek schadelijk acht voor haar soevereiniteit, veiligheid, openbare orde of andere vitale belangen;
- h. het vonnis is gewezen bij verstek overeenkomstig de wetgeving van de verzoekende Partij en de veroordeelde persoon niet tijdig in kennis is gesteld van de terechtzitting of niet in de gelegenheid is gesteld zijn of haar verdediging te regelen en niet de gelegenheid heeft gehad of zal krijgen om de zaak opnieuw te laten behandelen in zijn of haar aanwezigheid;
- i. de aangezochte Partij politiek asiel heeft verleend aan de gezochte persoon;
- j. de uitvoering van het verzoek zou indruisen tegen het beginsel van ne bis in idem.
Uitlevering kan worden geweigerd indien:
- a. de gezochte persoon door de aangezochte Partij wordt vervolgd voor het strafbaar feit waarvoor om uitlevering wordt gevraagd of indien de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij besloten hebben, in overeenstemming met de wetgeving van die Partij, geen vervolging in te stellen of de reeds ingestelde vervolging te beëindigen;
- b. de aangezochte Partij, gezien de aard van het strafbaar feit en het belang van de verzoekende Partij, de uitlevering van de gezochte persoon onverenigbaar beschouwt met humanitaire overwegingen, in het bijzonder gezien de leeftijd of gezondheid van die persoon.
Artikel 4. Uitlevering van onderdanen
De Partijen behouden zich het recht voor te weigeren hun onderdanen uit te leveren in overeenstemming met de nationale wetgeving.
In geval van weigering van de uitlevering legt de aangezochte Partij, op verzoek van de verzoekende Partij, de zaak aan haar bevoegde autoriteit voor ten behoeve van het instellen van strafvervolging in overeenstemming met haar nationale wetgeving. De verzoekende Partij voorziet de aangezochte Partij daartoe van documenten en bewijsmateriaal met betrekking tot de zaak. De verzoekende Partij wordt in kennis gesteld van elke actie die in dit opzicht wordt ondernomen, op haar verzoek.
Artikel 5. Centrale autoriteiten
De centrale autoriteiten van de partijen behandelen verzoeken tot uitlevering overeenkomstig dit Verdrag.
De centrale autoriteit van de Verenigde Arabische Emiraten is het ministerie van Justitie.
De centrale autoriteit van het Koninkrijk der Nederlanden is:
- –. voor Nederland: het ministerie van Justitie en Veiligheid van Nederland;
- –. voor Aruba: het ministerie van Justitie van Aruba;
- –. voor Curaçao: het ministerie van Justitie van Curaçao;
- –. voor Sint Maarten: het ministerie van Justitie van Sint Maarten.
De Partijen stellen elkaar langs diplomatieke weg schriftelijk in kennis van elke verandering van de autoriteit die als centrale autoriteit is aangewezen.
Artikel 6. Verzoek en stukken ter ondersteuning daarvan
Alle verzoeken tot uitlevering worden schriftelijk gedaan langs diplomatieke weg. In dringende omstandigheden of noodgevallen kan de centrale autoriteit van de aangezochte Partij het verzoek aanvaarden per fax, e-mail of een ander middel waarmee een schriftelijk document kan worden geproduceerd, in welk geval het binnen zestig (60) dagen wordt bevestigd door middel van een formeel verzoek langs diplomatieke weg.
De centrale autoriteiten kunnen rechtstreeks met elkaar communiceren zodra het verzoek formeel is verzonden. Elk van de centrale autoriteiten kan een contactpunt aanwijzen om de uitvoering van een verzoek te volgen.
De volgende documenten worden ingediend ter ondersteuning van een verzoek tot uitlevering:
- a. de naam van de verzoekende autoriteit;
- b. de volledige naam van de voor uitlevering gezochte persoon en, indien beschikbaar, details over zijn of haar staatsburgerschap, woon- of verblijfplaats en beschrijving van zijn of haar uiterlijk met foto's, vingerafdrukken en andere bijzonderheden, die de opsporing en identificatie van deze persoon mogelijk maken;
- c. een verklaring omtrent de gedragingen die het strafbaar feit opleveren waarvoor om uitlevering wordt gevraagd, onder vermelding van de plaats en tijd waarop het heeft plaatsgevonden en een omschrijving van het strafbaar feit;
- d. een gewaarmerkte afschrift van de relevante wetstekst(en) waarin de essentiële onderdelen worden omschreven van het strafbaar feit waarvoor om uitlevering wordt gevraagd;
- e. een gewaarmerkte afschrift van de relevante wetstekst(en) waarin de straf wordt voorgeschreven die staat op het strafbaar feit waarvoor om uitlevering wordt gevraagd;
- f. een gewaarmerkt afschrift van de relevante wetstekst(en) waarin de verjaringstermijn wordt voorgeschreven van het strafbaar feit waarvoor om uitlevering wordt gevraagd;
- g. indien het verzoek tot uitlevering wordt gedaan met het oog op strafvervolging, wordt het verzoek tevens ondersteund door een afschrift van het aanhoudingsbevel afgegeven door een rechter of andere bevoegde autoriteit;
- h. indien het verzoek tot uitlevering betrekking heeft op een persoon die veroordeeld is voor het strafbaar feit waarvoor om uitlevering wordt gevraagd, wordt het verzoek tevens ondersteund door:
- i. een afschrift van het opgelegde vonnis of de opgelegde veroordeling;
- ii. een verklaring waarin wordt vermeld in welke mate het vonnis of de veroordeling is uitgevoerd en welk gedeelte ervan nog dient te worden ondergaan.
Alle verzoeken en ondersteunende documenten die door de Partijen in overeenstemming met dit Verdrag worden verstrekt, gaan vergezeld van een vertaling in de officiële taal van de aangezochte Partij of in de Engelse taal. Alle documenten worden door de centrale autoriteit ondertekend en van een stempel voorzien.
Artikel 7. Aanvullende informatie
Indien de informatie die door de verzoekende Partij wordt verstrekt ter ondersteuning van een verzoek tot uitlevering onvoldoende is om de aangezochte Partij in staat te stellen tot een beslissing te komen ingevolge dit Verdrag, kan laatstgenoemde Partij verzoeken dat de noodzakelijke aanvullende informatie binnen vijfenveertig (45) dagen wordt verstrekt. Indien de aanvullende informatie niet binnen die termijn wordt verstrekt, kan van het verzoek worden afgezien in overeenstemming met de nationale wetgeving.
Artikel 8. Voorlopige maatregelen
In urgente gevallen kunnen de bevoegde autoriteiten van de verzoekende Partij verzoeken om de gezochte persoon aan te houden of elke andere maatregel te nemen om te waarborgen dat de gezochte persoon op het grondgebied van de aangezochte Partij blijft.
Een verzoek tot een voorlopige maatregel wordt rechtstreeks gezonden naar de centrale autoriteit van de aangezochte Partij, via de Internationale Criminele Politie Organisatie (Interpol), of langs elke andere weg die beide partijen overeenkomen. De aangezochte Partij licht de verzoekende Partij onverwijld in over de ingevolge het verzoek ondernomen actie.
Het verzoek tot een voorlopige maatregel dient het volgende te bevatten:
- a. de volledige naam van de voor uitlevering gezochte persoon en, indien beschikbaar, details over zijn of haar staatsburgerschap, woon- of verblijfplaats en beschrijving van zijn of haar uiterlijk met foto’s, vingerafdrukken en andere bijzonderheden, die de opsporing en identificatie van deze persoon mogelijk maken;
- b. een verklaring dat uitlevering verzocht wordt;
- c. een beknopte uiteenzetting van de feiten van de zaak;
- d. een verklaring waaruit het bestaan en de voorwaarden van een aanhoudingsbevel of een onherroepelijk vonnis blijkt;
- e. een verklaring ten aanzien van de maximumstraf die kan worden opgelegd of het vonnis dat is opgelegd wegens het strafbaar feit, met inbegrip van de tijd die nog dient te worden ondergaan.
De voorlopige aanhouding kan worden beëindigd indien, binnen een termijn van zestig (60) dagen na de aanhouding, de aangezochte Partij het verzoek tot uitlevering en de ondersteunende documenten, bedoeld in artikel 6 van dit Verdrag, niet heeft ontvangen en de gezochte persoon nog steeds in hechtenis zit op basis van een voorlopig aanhoudingsbevel. Andere voorlopige maatregelen kunnen worden beëindigd in overeenstemming met de nationale wetgeving.
Beëindiging van de voorlopige aanhouding aan het einde van de termijn, bedoeld in het vierde lid van dit artikel, vormt geen beletsel voor daaropvolgende aanhouding en uitlevering indien het verzoek tot uitlevering en de ondersteunende documenten, bedoeld in artikel 6 van dit Verdrag, alsnog worden ontvangen.
Artikel 9. Samenloop van verzoeken
Indien uitlevering van dezelfde persoon door meer dan één partij wordt verzocht, hetzij vanwege hetzelfde strafbaar feit of vanwege verschillende strafbare feiten, beslist de aangezochte Partij of en aan welke partij wordt uitgeleverd, rekening houdend met alle omstandigheden, met inbegrip van de relatieve ernst van het strafbare feit of de strafbare feiten en de plaats waar ze gepleegd zijn, de respectievelijke data van de verzoeken, de data waarop de verzoeken ontvangen zijn, de data waarop de strafbare feiten zijn gepleegd en of de persoon is beschuldigd of veroordeeld.
Artikel 10. Beslissing en overlevering
De aangezochte Partij stelt de verzoekende Partij onverwijld in kennis van haar beslissing over het verzoek tot uitlevering.
Indien het verzoek geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd dient dit met redenen te worden omkleed.
Indien de uitlevering wordt toegestaan, komen de Partijen onverwijld de datum en plaats van de overlevering overeen. De gezochte persoon wordt overgeleverd binnen dertig (30) dagen na de datum waarop de verzoekende Partij ervan in kennis is gesteld dat de uitlevering wordt toegestaan.
Indien omstandigheden buiten de macht van een Partij de uitvoering van de overlevering verhinderen, stelt deze Partij de andere Partij daarvan in kennis. De twee Partijen komen onverwijld een nieuwe datum overeen voor de overlevering van de persoon binnen dertig (30) dagen na ontvangst van de kennisgeving.
Indien, binnen de in het vierde lid van dit artikel geregelde termijn, de verzoekende Partij de uit te leveren persoon niet overneemt, kan de aangezochte Partij hem of haar onmiddellijk in vrijheid stellen en een nieuw verzoek tot uitlevering van de verzoekende Partij voor hetzelfde strafbaar feit weigeren.
De tijd die de uitgeleverde persoon in hechtenis heeft doorgebracht, ook als dat huisarrest was, tussen de datum van aanhouding en de datum van overlevering, wordt door de verzoekende Partij meegeteld ten behoeve van de straf die dient te worden ondergaan in de gevallen voorzien in artikel 2, eerste lid, van dit Verdrag.
Artikel 11. Uitgestelde of tijdelijke overlevering
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.