Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Arabische Emiraten inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken

Type Verdrag
Publication 2023-08-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Het Koninkrijk der Nederlanden

en

de Verenigde Arabische Emiraten

hierna te noemen „de Partijen”,

Verwijzend naar de internationale instrumenten met bepalingen over wederzijdse rechtshulp in strafzaken die tussen de Partijen van kracht zijn;

Geleid door de wens de doeltreffendheid van de samenwerking tussen de justitiële autoriteiten van de Partijen op het gebied van strafrechtelijke onderzoeken, vervolgingen en procedures verder te verbeteren;

Erkennend het bijzondere belang van de financiële dimensie van grensoverschrijdende criminaliteit en het belang van het opsporen en confisqueren van opbrengsten van deze misdrijven;

Met zorgvuldige inachtneming van hun verplichtingen om de mensenrechten en de rechtsstaat te eerbiedigen;

Zijn het volgende overeengekomen:

HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Reikwijdte van de rechtshulp
1.

De Partijen verbinden zich ertoe elkaar, in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag, in zo ruim mogelijke mate wederzijdse rechtshulp te verlenen bij strafrechtelijke onderzoeken, vervolgingen of procedures in strafzaken.

2.

Wederzijdse rechtshulp is elke bijstand die de aangezochte Partij aan de verzoekende Partij verleent bij elke strafrechtelijke procedure, ongeacht of de bijstand dient te worden verleend door een rechter of andere gerechtelijke autoriteit die bevoegd is tot onderzoek of vervolging in strafzaken.

3.

Wederzijdse rechtshulp omvat onder meer:

4.

Dit Verdrag is uitsluitend van toepassing op het geven van wederzijdse rechtshulp tussen de Partijen. Een natuurlijke of rechtspersoon kan hieraan geen enkel recht ontlenen om bewijs te verkrijgen, te weren of uit te sluiten of de uitvoering van een verzoek om rechtshulp te beletten.

Artikel 2. Uitwisseling van informatie

De Partijen kunnen informatie uitwisselen over de nationale wetten die van kracht zijn en de justitiële praktijk in hun onderscheiden landen met betrekking tot de implementatie van dit Verdrag.

Artikel 3. Niet-toepassing
1.

Dit Verdrag is niet van toepassing op:

2.

Niets in dit Verdrag geeft een Partij het recht op het grondgebied van de andere Partij rechtsmacht uit te oefenen of taken uit te voeren die volgens het nationale recht uitsluitend voorbehouden zijn aan de autoriteiten van die andere Partij.

Artikel 4. Centrale autoriteiten
1.

De centrale autoriteiten van de Partijen behandelen verzoeken om wederzijdse rechtshulp overeenkomstig dit Verdrag.

2.

De centrale autoriteit van de Verenigde Arabische Emiraten is het ministerie van Justitie.

De centrale autoriteit van het Koninkrijk der Nederlanden is:

3.

De Partijen stellen elkaar langs diplomatieke weg schriftelijk in kennis van elke verandering van de autoriteit die als centrale autoriteit is aangewezen.

Artikel 5. Weigeringsgronden en voorwaarden voor het uitvoeren van een verzoek
1.

Rechtshulp wordt geweigerd indien:

2.

Rechtshulp kan worden geweigerd indien:

3.

Rechtshulp wordt niet geweigerd:

4.

Alvorens een verzoek om rechtshulp te weigeren overlegt de centrale autoriteit van de aangezochte Partij met de centrale autoriteit van de verzoekende Partij of de rechtshulp kan worden verleend onder de garantie dat de doodstraf of lijfstraf niet worden opgelegd, of, indien deze wel worden opgelegd, dat zij niet ten uitvoer worden gebracht, dan wel met andere garanties en voorwaarden die de betrokken bevoegde autoriteit nodig acht.

5.

Indien de aangezochte Partij rechtshulp weigert, stelt zij de verzoekende Partij daarvan onverwijld op de hoogte alsmede van de redenen voor de weigering.

Artikel 6. Geheimhouding en beperking van gebruik
1.

De aangezochte Partij garandeert de geheimhouding van de feiten en de inhoud van het verzoek, behalve voor zover bekendmaking nodig is voor de uitvoering van het verzoek. Indien de aangezochte Partij niet kan voldoen aan het vereiste van geheimhouding, stelt zij de verzoekende Partij daarvan op de hoogte. Indien zij op de juiste wijze in kennis is gesteld, kan de verzoekende Partij besluiten het verzoek te handhaven of in te trekken.

2.

Elke Partij neemt de maatregelen die noodzakelijk zijn om te waarborgen dat een entiteit waarvan de medewerking nodig is voor de uitvoering van een verzoek, de informatie die ingevolge dit Verdrag naar de verzoekende Partij is gezonden of het feit dat er een onderzoek wordt uitgevoerd, niet aan een ander bekendmaakt.

3.

De verzoekende Partij gebruikt de ingevolge dit Verdrag verkregen informatie of bewijsmateriaal voor het onderzoek, de vervolging en de berechting waarop het verzoek betrekking heeft en in overeenstemming met de voorwaarden die in een bepaald geval zijn gesteld het gebruik van deze informatie of materialen. De verzoekende Partij gebruikt geen informatie of bewijsmateriaal voor doelen anders dan vermeld in het verzoek zonder voorafgaande toestemming van de aangezochte Partij.

Artikel 7. Bescherming van gegevens
1.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder gegevens verstaan: alle informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon.

2.

De Partijen waarborgen dat de gegevens die van de ene Partij naar de andere Partij worden doorgegeven uitsluitend gebruikt worden ten behoeve van de uitvoering van een verzoek ingevolge dit Verdrag. Gegevens worden niet voor enig ander doel gebruikt en niet aan een derde land doorgegeven zonder de voorafgaande toestemming van de Partij die de gegevens heeft doorgegeven.

3.

De Partijen waarborgen de juistheid van de ingevolge dit Verdrag verzonden persoonsgegevens en waarborgen tevens dat er passende maatregelen genomen worden om de doorgegeven gegevens te beschermen tegen onbedoelde of ongeoorloofde vernietiging of onbedoeld verlies alsmede tegen ongeoorloofde toegang, wijziging of verspreiding.

4.

De Partijen raadplegen elkaar over de gewenste bewaartermijnen, de noodzaak van langere bewaring, alsmede de noodzaak onjuiste, onvolledige of onbetrouwbare gegevens te rectificeren of de wens of noodzaak gegevens te wissen of het gebruik van gegevens te beperken.

5.

Voor zover dat in de nationale wetgeving van de Partijen is geregeld, kan de betrokkene voorzien worden van informatie over de categorieën gegevens die zijn doorgegeven en het doel van de doorgifte van gegevens. De betreffende Partij kan ervan afzien de betrokkene in kennis te stellen indien dit noodzakelijk is om obstructie van officiële of gerechtelijke informatieverzoeken, strafrechtelijke of bestuursrechtelijke onderzoeken, vervolgingen of de tenuitvoerlegging van straffen te voorkomen, de openbare veiligheid en de nationale veiligheid te beschermen of de rechten en vrijheden van anderen te beschermen.

6.

De Partijen raadplegen elkaar indien een bevoegde gerechtelijke autoriteit, ingevolge nationale wetgeving, een besluit neemt over de toelaatbaarheid van het doorgeven van gegevens van de ene Partij naar de andere Partij, ingevolge dit Verdrag.

Artikel 8. Kosten
1.

De aangezochte Partij draagt de kosten van het uitvoeren van het verzoek om rechtshulp, met uitzondering van de volgende door de verzoekende Partij te dragen kosten:

2.

Indien blijkt dat met de uitvoering van het verzoek kosten van buitengewone aard zijn gemoeid, plegen de centrale autoriteiten overleg om de voorwaarden vast te stellen waaronder de verzochte rechtshulp kan worden verleend.

HOOFDSTUK II. SPECIFIEKE VORMEN VAN RECHTSHULP

Artikel 9. Betekenen van documenten
1.

De aangezochte Partij voert, in overeenstemming met haar nationale wetgeving, verzoeken tot het betekenen van documenten in verband met een strafzaak uit.

2.

Een verzoek tot het betekenen van een document waarmee personen worden opgeroepen te verschijnen in de verzoekende Partij, waaronder getuigen, slachtoffers, beschuldigde personen, verdachten in een strafrechtelijke procedure en deskundigen, wordt aan de aangezochte Partij overgebracht binnen een redelijke termijn voor de datum waarop de persoon dient te verschijnen.

3.

De aangezochte Partij voorziet de verzoekende Partij, nadat de betekening heeft plaatsgevonden, van een bewijs van betekening voorzien van de handtekening of het stempel van de autoriteit die het document heeft betekend, onder vermelding van de datum, tijd, plaats en wijze van aflevering alsmede de persoon aan wie de documenten zijn afgegeven. Indien de betekening niet heeft plaatsgevonden stelt de aangezochte Partij de verzoekende Partij onverwijld daarvan in kennis onder vermelding van de redenen hiervoor.

Artikel 10. Beschikbaarheid van personen om te getuigen of mee te werken aan een onderzoek
1.

De verzoekende Partij kan de aangezochte Partij om hulp vragen bij het uitnodigen van een persoon, niet zijnde een persoon op wie artikel 13 van dit Verdrag van toepassing is, om te getuigen of mee te werken aan een onderzoek in de verzoekende Partij. De verzoekende Partij verplicht zich ertoe passende voorzieningen te treffen voor de veiligheid van een dergelijke persoon.

2.

De aangezochte Partij nodigt de persoon uit en stelt de verzoekende Partij onverwijld in kennis van zijn antwoord. Indien de persoon instemt met het verzoek, neemt de aangezochte Partij alle noodzakelijke stappen om het verzoek te faciliteren. Indien de persoon niet instemt, wordt hij of zij om die reden niet onderworpen aan een straf of dwangmaatregel ingevolge de nationale wetgeving van de verzoekende Partij of aangezochte Partij.

Artikel 11. Verhoor van personen op het grondgebied van de aangezochte Partij
1.

De aangezochte Partij neemt, in overeenstemming met haar nationale wetgeving, verklaringen af van getuigen, slachtoffers, verdachten en aangeklaagden, deskundigen of andere personen, en verzamelt dossiers, documenten en enig ander bewijsmateriaal dat in het verzoek om rechtshulp is aangegeven en zendt deze naar de verzoekende Partij.

2.

Een persoon die in de aangezochte Partij een getuigenis dient af te leggen ingevolge een verzoek uit hoofde van dit artikel, kan weigeren te getuigen of een verklaring af te leggen indien de nationale wetgeving van de aangezochte Partij of van de verzoekende Partij daarin voorziet.

3.

Indien een persoon in de aangezochte Partij beweert dat er krachtens de nationale wet van de verzoekende Partij een recht of verplichting bestaat te weigeren een getuigenis af te leggen, verstrekt de verzoekende Partij op verzoek een verklaring aan de aangezochte Partij ter zake van het bestaan van dat recht. Bij gebrek aan bewijs van het tegendeel, vormt deze verklaring afdoende bewijs van de zaken die erin vermeld staan.

4.

Ten behoeve van dit artikel wordt onder het afnemen van een getuigenis ook het beschikbaar stellen van documenten of ander materiaal verstaan.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.