Verdrag betreffende de automatische erkenning van diploma’s in het hoger onderwijs
Het Koninkrijk België, vertegenwoordigd door:
De Vlaamse Regering,
De Regering van de Franse Gemeenschap,
De Regering van de Duitstalige Gemeenschap,
De Republiek Estland,
De Republiek Letland,
De Republiek Litouwen,
Het Groothertogdom Luxemburg,
Het Koninkrijk der Nederlanden,
hierna te noemen „de Partijen”,
Gezien het feit dat het op 11 april 1997 te Lissabon ondertekende Verdrag inzake de erkenning van diploma’s betreffende hoger onderwijs in de Europese regio, dat gezamenlijk is opgesteld door de Raad van Europa en de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (hierna te noemen „het Verdrag van Lissabon inzake erkenning”), voor elk van de Partijen bij onderhavig Verdrag in werking is getreden en dat de Partijen de bij het Verdrag van Lissabon inzake erkenning behorende teksten, die door het Comité van het Verdrag van Lissabon inzake erkenning zijn aangenomen, ten uitvoer leggen,
Gezien het belang van de automatische erkenning van diploma’s, zoals herhaaldelijk is benadrukt in de communiqués die de bewindslieden tijdens de ministeriële conferenties van de Europese Hogeronderwijsruimte in het kader van het Bolognaproces hebben aangenomen,
Overwegende dat in de aanbeveling van de Raad van de Europese Unie van 26 november 2018 betreffende de bevordering van automatische wederzijdse erkenning van kwalificaties van hoger onderwijs en hoger secundair onderwijs en opleiding en de resultaten van leerperioden in het buitenland, de lidstaten van de Europese Unie onder meer worden opgeroepen de nodige stappen te zetten om tegen 2025 te komen tot automatische erkenning van diploma’s hoger onderwijs,
Overwegende dat in het kader van de Benelux Unie en tussen de Republiek Estland, de Republiek Letland en de Republiek Litouwen reeds juridisch bindende wederzijdse akkoorden inzake de automatische erkenning van diploma’s hoger onderwijs zijn gesloten, namelijk:
Beschikking M (2015) 3 van het Benelux Comité van Ministers betreffende de automatische wederzijdse generieke niveauerkenning van diploma’s hoger onderwijs, zoals aangevuld met Beschikking M (2018) 1,
De op 8 juni 2018 te Vilnius ondertekende Overeenkomst tussen de Regering van de Republiek Estland, de Regering van de Republiek Letland en de Regering van de Republiek Litouwen inzake de automatische academische erkenning van diploma’s betreffende hoger onderwijs,
Verlangende de automatische erkenning van diploma’s hoger onderwijs in de Europese Hogeronderwijsruimte uit te breiden door deze regionale afspraken te integreren in een multilateraal verdrag tussen de Partijen,
Zich ervan bewust dat de grondslag voor wederzijds vertrouwen gelegen is in ratificatie van het Verdrag van Lissabon inzake erkenning en in actief lidmaatschap van de Europese Hogeronderwijsruimte, gestaafd door de implementatie van de normen en richtsnoeren voor kwaliteitsborging in de Europese Hogeronderwijsruimte (hierna te noemen „de ESG”), uit drie cycli bestaande hogeronderwijsstelsels, nationale kwalificatiekaders en overige transparantie-instrumenten,
Bereid om andere Staten de mogelijkheid te bieden zich aan te sluiten bij dit Verdrag, gelet op het bovenstaande,
Vastbesloten om zodoende een voortrekkersrol te blijven vervullen in het kader van het Bolognaproces en de voltooiing van de Europese Hogeronderwijsruimte,
Zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1. Doelstellingen en toepassingsgebied
Dit Verdrag strekt ertoe te waarborgen dat een overeenkomstig de wetgeving van een van de Partijen uitgereikt diploma hoger onderwijs dat deel uitmaakt van het hogeronderwijsstelsel van die Partij en gerelateerd is aan het Europees kwalificatiekader voor levenslang leren (hierna te noemen „het EQF”), automatisch wordt erkend op hetzelfde niveau als de overeenkomstige diploma’s hoger onderwijs die door alle andere Partijen worden uitgereikt.
Dit Verdrag is van toepassing op de diploma’s hoger onderwijs die overeenkomstig de wetgeving van de Partijen worden uitgereikt en deel uitmaken van hun hogeronderwijsstelsels en die vallen onder Bijlage I bij dit Verdrag en voldoen aan alle andere in dit Verdrag bepaalde voorwaarden.
Dit Verdrag is niet van toepassing op:
- a. de erkenning van de specifieke programma’s voor diploma’s hoger onderwijs in een bepaalde studierichting,
- b. de erkenning van studieperioden,
- c. de erkenning van diploma’s die geen deel uitmaken van de hogeronderwijsstelsels van de Partijen, of
- d. de erkenning van beroepskwalificaties overeenkomstig Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties, dan wel overeenkomstig andere relevante bepalingen die in het kader van de Europese Unie zijn vastgesteld.
Wat deze elementen betreft, laat dit Verdrag de toepasselijke bepalingen en beginselen van het Verdrag van Lissabon inzake erkenning en de bijbehorende teksten, de relevante bepalingen die in het kader van de Europese Unie zijn vastgesteld en de desbetreffende bepalingen van de wetgeving van de Partijen onverlet.
Artikel 2. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:
- a. „automatische erkenning”: de automatische erkenning, zonder enige procedure, van een overeenkomstig de wetgeving van een van de Partijen uitgereikt diploma hoger onderwijs dat deel uitmaakt van het hogeronderwijsstelsel van die Partij, op hetzelfde niveau als de overeenkomstige diploma’s hoger onderwijs die in overeenstemming met de wetgeving van de andere Partijen worden uitgereikt;
- b. „overeenkomstige diploma’s hoger onderwijs”: de diploma’s hoger onderwijs als vermeld in Bijlage I bij dit Verdrag;
- c. Wat betreft het niveau van de diploma’s hoger onderwijs:
- i. „Associate degree”: een overeenkomstig de wetgeving van een van de Partijen uitgereikt diploma hoger onderwijs van de korte cyclus, dat deel uitmaakt van het hogeronderwijsstelsel van die Partij en overeenstemt met niveau 5 van het EQF;
- ii. „Bachelor”: een overeenkomstig de wetgeving van een van de Partijen uitgereikt diploma hoger onderwijs van de eerste cyclus, dat deel uitmaakt van het hogeronderwijsstelsel van die Partij en overeenstemt met niveau 6 van het EQF;
- iii. „Master”: een overeenkomstig de wetgeving van een van de Partijen uitgereikt diploma hoger onderwijs van de tweede cyclus, dat deel uitmaakt van het hogeronderwijsstelsel van die Partij en overeenstemt met niveau 7 van het EQF;
- iv. „Doctoraatsdiploma”: een overeenkomstig de wetgeving van een van de Partijen uitgereikt diploma hoger onderwijs van de derde cyclus, dat deel uitmaakt van het hogeronderwijsstelsel van die Partij en overeenstemt met niveau 8 van het EQF.
De in onderhavig Verdrag gebruikte termen hebben dezelfde definitie als in het Verdrag van Lissabon inzake erkenning, tenzij dit onverenigbaar is met de bepalingen van onderhavig Verdrag of de Bijlagen hierbij.
Artikel 3. Algemene bepaling inzake automatische erkenning
Binnen alle Partijen geldt de automatische erkenning voor elk diploma hoger onderwijs dat overeenkomstig de wetgeving van een van de Partijen is uitgereikt, deel uitmaakt van het hogeronderwijsstelsel van die Partij en is vermeld in Bijlage I, mits aan de in artikel 4 van dit Verdrag bepaalde voorwaarden is voldaan.
De automatische erkenning overeenkomstig lid 1 van dit artikel geschiedt zonder verdere procedure.
Artikel 4. Voorwaarden voor automatische erkenning
Associate degrees genieten automatische erkenning overeenkomstig artikel 3 van dit Verdrag, mits aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:
- a. De minimumkwaliteit van de opleidingen die tot de Associate degree hebben geleid, is gewaarborgd door de erkenning ervan door de bevoegde autoriteit van de Partij waar het diploma is uitgereikt;
- b. De Associate degree is verleend door een erkende instelling en heeft betrekking op een erkende opleiding in het hoger onderwijs, in overeenstemming met de wetgeving van de Partij waar het diploma is uitgereikt, voor zover die instelling en die opleiding vallen onder Bijlage II bij dit Verdrag;
- c. De automatische erkenning van de Associate degrees geldt alleen tussen de Partijen wier wetgeving voorziet in Associate degrees die deel uitmaken van het hoger onderwijs, vanaf het ogenblik waarop die Partijen hebben verklaard dat zij deze diploma’s automatisch erkennen. Deze verklaringen worden ter kennis gebracht van de depositaris, die de overige Partijen daarvan op de hoogte stelt.
Het ontbreken van een dergelijke verklaring namens een Partij doet geen afbreuk aan de verplichtingen die voor die Partij jegens een andere Partij voortvloeien uit andere regelingen met betrekking tot de erkenning van de Associate degrees.
Bachelors en masters genieten automatische erkenning overeenkomstig artikel 3 van dit Verdrag, mits aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:
- a. De minimumkwaliteit van de opleidingen die tot de bachelor of master leiden, is gewaarborgd door erkenning ervan door de bevoegde autoriteit van de Partij waar het diploma is uitgereikt;
- b. De bachelor of master is verleend door een erkende instelling voor hoger onderwijs en heeft betrekking op een erkende opleiding, in overeenstemming met de wetgeving van de Partij waar het diploma is uitgereikt, voor zover die instelling en die opleiding vallen onder Bijlage III bij dit Verdrag.
Doctoraatsdiploma’s komen in aanmerking voor automatische erkenning overeenkomstig artikel 3 van dit Verdrag, op voorwaarde dat het doctoraatsdiploma is verleend door een instelling voor hoger onderwijs of een andere daartoe bevoegde instantie overeenkomstig de wetgeving van de Partij waar het doctoraatsdiploma is uitgereikt, voor zover die instelling of instantie valt onder Bijlage IV bij dit Verdrag.
Artikel 5. Vrijwaringsclausule
Wanneer de automatische erkenning overeenkomstig artikel 3 van dit Verdrag in buitengewone omstandigheden aanzienlijke moeilijkheden voor het hogeronderwijsstelsel van een Partij veroorzaakt of dreigt te veroorzaken, kan die Partij vrijwaringsmaatregelen nemen ten aanzien van het betrokken diploma of de betrokken diploma’s, mits deze maatregelen strikt noodzakelijk zijn en geen afbreuk doen aan de toepasselijke bepalingen en beginselen van het Verdrag van Lissabon inzake erkenning en de bijbehorende teksten, de relevante bepalingen van andere toepasselijke regelingen en de desbetreffende bepalingen van de wetgeving van de betrokken Partij.
Zodra een Partij vrijwaringsmaatregelen overeenkomstig lid 1 van dit artikel neemt, treedt zij in contact met de Partij of Partijen waar het betrokken diploma of de betrokken diploma’s zijn uitgereikt, teneinde de situatie op te lossen. Zij deelt deze maatregelen ook mee aan de depositaris, die alle andere Partijen daarvan in kennis stelt.
Elke Partij blijft te allen tijde waakzaam om misbruik van dit Verdrag te vermijden, met name om te voorkomen dat erkenningsbesluiten die vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag zijn genomen, worden omzeild. In geval van bekend misbruik neemt de betrokken Partij alle nodige maatregelen om de betreffende gevallen uit te sluiten van de toepassing van dit Verdrag. Die Partij deelt deze gevallen ook mee aan de depositaris, die alle andere Partijen daarvan in kennis stelt.
Artikel 6. Informatievoorziening en -uitwisseling
De Partijen stellen informatie over dit Verdrag en de gevolgen ervan op ruime schaal ter beschikking van het grote publiek. Informatie over dit Verdrag, met inbegrip van de tekst ervan, is beschikbaar op de websites van de bevoegde autoriteiten van elk van de Partijen en hun centra die deel uitmaken van het Europees netwerk van nationale informatiecentra voor academische mobiliteit en erkenning (hierna te noemen „het ENIC-netwerk”).
De bevoegde autoriteiten van elk van de Partijen en hun centra die deel uitmaken van het ENIC-netwerk wisselen onderling informatie uit over de hogeronderwijsstelsels van de Partijen en de toepassing van dit Verdrag binnen de Partijen.
Artikel 7. Toegang tot hoger onderwijs
Onverminderd bestaande of toekomstige regelingen tussen twee of meer Partijen met betrekking tot diploma’s die toegang geven tot het hoger onderwijs, worden de Partijen verzocht informatie uit te wisselen over de algemene vereisten voor toegang tot het hoger onderwijs die zij overeenkomstig hun wetgeving toepassen en over de diploma’s die toegang geven tot het hoger onderwijs.
Artikel 8. Bijlagen
Bijlagen I tot en met IV maken een integrerend deel uit van dit Verdrag.
Artikel 9. Geschillen
Onverminderd het bepaalde in artikel 5 van dit Verdrag worden eventuele geschillen betreffende de interpretatie of toepassing van dit Verdrag via onderhandelingen te goeder trouw door de Partijen beslecht.
Artikel 10. Territoriale toepassing
Dit Verdrag is van toepassing op het grondgebied van het Koninkrijk België, het grondgebied van de Republiek Estland, het grondgebied van de Republiek Letland, het grondgebied van de Republiek Litouwen en het grondgebied van het Groothertogdom Luxemburg.
Wat het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag enkel van toepassing op het Europese en Caribische deel (de eilanden Bonaire, Saba en Sint Eustatius) van Nederland. Het kan ook worden uitgebreid naar Aruba, Curaçao en Sint Maarten door notificatie via diplomatieke kanalen aan de depositaris, die de andere Partijen daarvan in kennis stelt.
Na toetreding overeenkomstig artikel 13 is dit Verdrag eveneens van toepassing op het grondgebied van de toetredende Staat of het deel daarvan dat onder de toetreding valt.
Artikel 11. Depositaris
Het Secretariaat-Generaal van de Benelux Unie is depositaris van dit Verdrag. De depositaris doet elke Partij een gewaarmerkt afschrift van dit Verdrag toekomen.
Artikel 12. Inwerkingtreding, wijziging en beëindiging
Dit Verdrag wordt door elke Partij bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd overeenkomstig haar grondwettelijke procedures.
De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden neergelegd bij de depositaris, die alle Partijen daarvan in kennis stelt.
Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de derde maand volgend op de ontvangst door de depositaris van de laatste akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring. De depositaris stelt alle Partijen op de hoogte van de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag.
Dit Verdrag en de Bijlagen kunnen in onderlinge schriftelijke overeenstemming tussen de Partijen worden gewijzigd. De wijzigingen worden vastgelegd in afzonderlijke protocollen, die een integrerend deel uitmaken van dit Verdrag en van kracht worden overeenkomstig de in de leden 1 tot en met 3 van dit artikel omschreven procedure.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.