← Geldende tekst · Geschiedenis

Verdrag inzake luchtdiensten tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Sint Maarten, en IJsland

Geldende tekst a fecha 2023-06-01

Het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Sint Maarten,

en

IJsland (hierna te noemen „de partijen”);

Partij zijnde bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, opengesteld voor ondertekening te Chicago op 7 december 1944;

Geleid door de wens hun onderlinge betrekkingen op het gebied van de burgerluchtvaart te bevorderen en een Verdrag te sluiten ten behoeve van het instellen van internationale luchtdiensten van, naar en via hun onderscheiden grondgebieden;

Geleid door de wens een internationaal luchtvaartstelsel te bevorderen dat gebaseerd is op mededinging tussen luchtvaartmaatschappijen met een minimum aan overheidsbemoeienis en -regulering;

Geleid door de wens de uitbreiding van de mogelijkheden voor internationale luchtdiensten te bevorderen;

Geleid door de wens de hoogste mate van veiligheid en beveiliging in internationale luchtdiensten te waarborgen en opnieuw hun grote zorg uitsprekend over gedragingen of bedreigingen gericht tegen de veiligheid van luchtvaartuigen, die de veiligheid van mensen of goederen in gevaar brengen, de exploitatie van luchtdiensten nadelig beïnvloeden en het vertrouwen van de bevolking in de veiligheid van de burgerluchtvaart ondermijnen;

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij de context anders vereist:

Artikel 2. Verlening van rechten
1.

Elke partij verleent de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van de andere partij de volgende rechten voor het verrichten van internationale luchtdiensten:

2.

Geen van de bepalingen van het eerste lid van dit artikel wordt geacht de aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van de ene partij het recht te geven op het grondgebied van de andere partij tegen vergoeding of beloning passagiers, hun bagage, vracht of post op te nemen bestemd voor een ander punt op het grondgebied van die andere partij.

Artikel 3. Aanwijzing en verlening van vergunningen
1.

Elke partij heeft het recht door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de andere partij langs diplomatieke weg een of meer luchtvaartmaatschappijen aan te wijzen voor het verrichten van de overeengekomen diensten in overeenstemming met dit Verdrag, op elke van de in Bijlage I bij dit Verdrag omschreven routes en deze aanwijzingen in te trekken of te wijzigen.

2.

Na ontvangst van een dergelijke aanwijzing en van aanvragen van de aangewezen luchtvaartmaatschappij, in de vorm en op de wijze die is voorgeschreven voor exploitatievergunningen en technische vergunningen, verlenen de luchtvaartautoriteiten van de andere partij de desbetreffende exploitatievergunningen en vergunningen met een zo gering mogelijke procedurele vertraging, op voorwaarde dat:

3.

Wanneer een luchtvaartmaatschappij aldus is aangewezen en gemachtigd, kan zij beginnen met de exploitatie van de overeengekomen diensten op de in Bijlage I bij dit Verdrag omschreven routes, mits zij alle toepasselijke bepalingen van dit Verdrag naleeft.

Artikel 4. Intrekking van vergunningen
1.

Elke partij kan de exploitatievergunning of technische vergunning van een door de andere partij aangewezen luchtvaartmaatschappij weigeren, intrekken, opschorten, beperken of er voorwaarden aan verbinden wanneer:

2.

Tenzij onmiddellijke intrekking of opschorting van de exploitatievergunning of technische vergunning genoemd in het eerste lid van dit artikel, of oplegging van de voorwaarden daarvan, van wezenlijk belang is ter voorkoming van verdere inbreuken op de wetten en voorschriften, wordt dit recht slechts uitgeoefend na overleg met de andere partij.

3.

Dit artikel doet geen afbreuk aan de rechten van een partij de exploitatievergunning of technische vergunning van een of meerdere luchtvaartmaatschappijen van de andere partij in overeenstemming met het bepaalde in artikel 7 (Veiligheid) en artikel 8 (Beveiliging van de luchtvaart) van dit Verdrag te weigeren, in te trekken, op te schorten, te beperken of hieraan voorwaarden te verbinden.

Artikel 5. Toepassing van wetten
1.

Bij binnenkomst op, verblijf binnen, of vertrek uit het grondgebied van de ene partij, dienen de luchtvaartmaatschappijen van de andere partij te voldoen aan haar wetten en voorschriften met betrekking tot de exploitatie van en het vliegen met luchtvaartuigen.

2.

Bij binnenkomst op, verblijf binnen, of vertrek uit het grondgebied van de ene partij, dienen haar wetten en voorschriften inzake de toelating tot of het vertrek uit haar grondgebied van passagiers, bemanning of vracht aan boord van luchtvaartuigen, met inbegrip van voorschriften met betrekking tot binnenkomst, inklaring, beveiliging van de luchtvaart, immigratie, paspoorten, douane en quarantaine of, in het geval van post, de postreglementen, te worden nageleefd door of namens die passagiers, bemanning of met betrekking tot de vracht van de luchtvaartmaatschappijen van de andere partij.

3.

Geen van de partijen begunstigt haar eigen of enige andere luchtvaartmaatschappij ten opzichte van een aangewezen luchtvaartmaatschappij van de andere partij die soortgelijke internationale luchtdiensten verricht bij de toepassing van haar voorschriften inzake immigratie, douane, quarantaine en soortgelijke voorschriften.

Artikel 6. Erkenning van bewijzen
1.

Bewijzen van luchtwaardigheid, bewijzen van bevoegdheid en vergunningen die door de ene partij die ervoor verantwoordelijk is te controleren of een aangewezen luchtvaartmaatschappij de regelgeving naleeft, zijn uitgereikt of geldig zijn verklaard en nog van kracht zijn, worden door de andere partij als geldig erkend voor de exploitatie van de overeengekomen diensten zoals voorzien in dit Verdrag, mits de eisen op grond waarvan deze bewijzen en vergunningen werden uitgereikt of geldig verklaard ten minste gelijk zijn aan of zwaarder dan de minimumnormen die kunnen worden vastgesteld uit hoofde van het Verdrag van Chicago.

2.

Elke partij kan evenwel voor vluchten boven of landingen op haar eigen grondgebied weigeren de geldigheid te erkennen van bewijzen van bevoegdheid en vergunningen die door de andere partij ten behoeve van haar eigen onderdanen zijn afgegeven of geldig verklaard.

Artikel 7. Veiligheid
1.

Elke partij kan te allen tijde verzoeken om overleg over de veiligheidsnormen die door de andere partij worden gehandhaafd met betrekking tot luchtvaartvoorzieningen, bemanning, luchtvaartuigen en de exploitatie van luchtvaartuigen.

2.

Indien, na dergelijk overleg, een partij oordeelt dat de andere partij op de gebieden bedoeld in het eerste lid van dit artikel niet op doeltreffende wijze veiligheidsnormen handhaaft en toepast die voldoen aan de normen die op dat moment uit hoofde van het Verdrag van Chicago zijn vastgesteld, wordt de andere partij in kennis gesteld van dit oordeel en van de noodzakelijk geachte stappen om te voldoen aan de veiligheidsnormen. De andere partij neemt vervolgens passende corrigerende maatregelen binnen een overeengekomen termijn.

3.

Ingevolge artikel 16 van het Verdrag van Chicago wordt voorts overeengekomen dat een luchtvaartuig dat door of namens een luchtvaartmaatschappij van een partij wordt geëxploiteerd voor diensten naar of vanuit het grondgebied van de andere partij, terwijl het zich op het grondgebied van een andere partij bevindt, mag worden onderworpen aan een inspectie door de bevoegde vertegenwoordigers van de andere partij, mits dit niet leidt tot onredelijke vertraging bij de exploitatie van het luchtvaartuig. Niettegenstaande de verplichtingen genoemd in artikel 33 van het Verdrag van Chicago wordt met deze inspectie beoogd de geldigheid van de relevante documenten van het luchtvaartuig en de vergunningen van de bemanning te controleren, en te controleren of de uitrusting en de toestand van het luchtvaartuig voldoen aan de normen die op dat tijdstip uit hoofde van het Verdrag van Chicago waren vastgesteld.

4.

Wanneer onverwijld ingrijpen essentieel is voor de veiligheid van een vlucht door de luchtvaartmaatschappij behoudt elke partij zich het recht om de exploitatievergunning of technische vergunning van een luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van de andere partij onmiddellijk te weigeren, in te trekken, op te schorten, te beperken of hieraan voorwaarden te verbinden.

5.

Een maatregel door een partij in overeenstemming met het vierde lid van dit artikel wordt beëindigd zodra de aanleiding voor de maatregel ophoudt te bestaan.

6.

Onder verwijzing naar het tweede lid van dit artikel, dient, indien wordt vastgesteld dat een partij nadat de afgesproken termijn is verstreken nog steeds niet voldoet aan de veiligheidsnormen, de secretaris-generaal van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie daarvan in kennis te worden gesteld. Laatstgenoemde dient tevens in kennis te worden gesteld wanneer vervolgens tot een bevredigende oplossing van de situatie is gekomen.

7.

Indien een partij een luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen en een derde staat controleert of deze de regelgeving naleeft, zijn de rechten van de andere partij uit hoofde van dit artikel op dezelfde wijze van toepassing op de aanneming, uitoefening of handhaving van veiligheidsnormen door die derde staat en op de exploitatievergunning van die luchtvaartmaatschappij.

Artikel 8. Beveiliging van de luchtvaart
1.

Overeenkomstig hun rechten en verplichtingen ingevolge het internationale recht, bevestigen de partijen opnieuw dat hun verplichting jegens elkaar tot bescherming van de veiligheid van de burgerluchtvaart tegen daden van wederrechtelijke inmenging een integrerend onderdeel uitmaakt van dit Verdrag. Zonder hun rechten en verplichtingen ingevolge het internationale recht in het algemeen te beperken handelen de partijen in het bijzonder overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen, begaan aan boord van luchtvaartuigen, gedaan te Tokio op 14 september 1963, het Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen, gedaan te ’s-Gravenhage op 16 december 1970, het Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de burgerluchtvaart, gedaan te Montreal op 23 september 1971, het Aanvullend Protocol tot bestrijding van wederrechtelijke daden van geweld op luchthavens voor de internationale burgerluchtvaart, gedaan te Montreal op 24 februari 1988 en het Verdrag inzake het merken van kneedspringstoffen ten behoeve van de opsporing ervan, gedaan te Montreal op 1 maart 1991, alsmede elk ander verdrag of protocol inzake de veiligheid van de burgerluchtvaart waarbij beide partijen partij worden.

2.

De partijen verlenen elkaar op verzoek alle nodige bijstand ter voorkoming van gedragingen van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van burgerluchtvaartuigen en andere wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van deze luchtvaartuigen, de passagiers en bemanning daarvan, en van de luchthavens en luchtvaartvoorzieningen, alsmede elke andere bedreiging voor de veiligheid van de burgerluchtvaart.

3.

De partijen handelen, in hun onderlinge betrekkingen, in overeenstemming met de normen voor de beveiliging van de luchtvaart en de passende aanbevolen werkwijzen vastgesteld door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie en aangeduid als Bijlagen bij het Verdrag van Chicago. De partijen verlangen dat exploitanten van luchtvaartuigen die in hun land geregistreerd zijn of die op hun grondgebied zijn gevestigd en de exploitanten van luchthavens op hun grondgebied handelen in overeenstemming met deze bepalingen inzake de beveiliging van de luchtvaart.

4.

Elke partij stelt de andere partij in kennis van verschillen tussen haar nationale voorschriften en praktijken en de normen inzake de beveiliging van de luchtvaart van de Bijlagen bij het Verdrag van Chicago. Elk van de partijen kan te allen tijde verzoeken om onmiddellijk overleg met de andere partij over dergelijke verschillen.

5.

Elke partij stemt ermee in dat van exploitanten van luchtvaartuigen kan worden verlangd dat deze de in het derde lid van dit artikel bedoelde bepalingen inzake beveiliging van de luchtvaart in acht nemen die door de andere partij zijn voorgeschreven voor de binnenkomst op, het vertrek uit en het verblijf op het grondgebied van die andere partij. Elke partij waarborgt dat op haar grondgebied adequate maatregelen op doeltreffende wijze worden uitgevoerd om de luchtvaartuigen te beschermen en dat passagiers, bemanning en hun bagage en handbagage, alsmede vracht en proviand vóór en tijdens het aan boord gaan of het laden aan controles worden onderworpen. Elke partij neemt tevens elk verzoek van de andere partij bijzondere veiligheidsmaatregelen te nemen om een specifieke dreiging het hoofd te bieden, in welwillende overweging.

6.

Wanneer een incident van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van een burgerluchtvaartuig of andere wederrechtelijke gedragingen tegen de veiligheid van een dergelijk burgerluchtvaartuig, zijn passagiers, bemanning, luchthavens of luchtvaartvoorzieningen plaatsvindt of dreigt plaats te vinden, verlenen de partijen elkaar bijstand door het vergemakkelijken van de communicatie en andere passende maatregelen teneinde snel en veilig een einde te maken aan een dergelijk incident of dergelijke dreiging.

7.

Elke partij heeft het recht binnen zestig (60) dagen na een kennisgeving, of binnen een kortere termijn die de luchtvaartautoriteiten kunnen overeenkomen, haar luchtvaartautoriteiten op het grondgebied van de andere partij onderzoek te laten doen naar de beveiligingsmaatregelen die worden uitgevoerd of die volgens plan zullen worden uitgevoerd door exploitanten van luchtvaartuigen ten aanzien van vluchten afkomstig van of vertrekkend naar het grondgebied van de eerstgenoemde partij. De administratieve regelingen voor het uitvoeren van dergelijke onderzoeken worden overeengekomen tussen de luchtvaartautoriteiten en worden zonder vertraging uitgevoerd teneinde te waarborgen dat de onderzoeken voortvarend worden uitgevoerd.

8.

Wanneer een partij redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de andere partij is afgeweken van de bepalingen inzake de beveiliging van de luchtvaart in dit artikel, kunnen de luchtvaartautoriteiten van die partij verzoeken om onverwijld overleg met de luchtvaartautoriteiten van de andere partij. Dergelijk overleg vangt aan binnen vijftien (15) dagen na de ontvangst van een dergelijk verzoek van een van de partijen. Indien zij er niet in slagen binnen vijftien (15) dagen na de datum van een dergelijk verzoek tot een bevredigende oplossing te komen, vormt dit een grond voor het weigeren, intrekken, opschorten, beperken of opleggen van voorwaarden ten aanzien van de exploitatievergunningen en de technische vergunningen van een luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen die door die andere partij is of zijn aangewezen. Indien zulks gerechtvaardigd is vanwege een noodgeval of om verdere inbreuken op de bepalingen van dit artikel te voorkomen, kan een partij voor het verstrijken van vijftien (15) dagen tussentijdse maatregelen nemen.

Artikel 9. Commerciële mogelijkheden
1.

De aangewezen luchtvaartmaatschappijen van elke partij hebben het recht op het grondgebied van de andere partij kantoren te vestigen ten behoeve van de bevordering en verkoop van luchtdiensten.

2.

De aangewezen luchtvaartmaatschappijen van elke partij hebben het recht, in overeenstemming met de wetten en voorschriften van de andere partij inzake binnenkomst, verblijf en werk, leidinggevend, commercieel, technisch, operationeel alsmede ander gespecialiseerd personeel te zenden naar en te doen verblijven op het grondgebied van de andere partij, voor de exploitatie van de overeengekomen diensten.

3.

De aangewezen luchtvaartmaatschappijen hebben het recht zelf hun gronddiensten te verrichten op het grondgebied van de andere partij („self-handling”), of, naar keuze, voor al deze diensten of een deel daarvan een keuze te maken uit concurrerende agenten. De rechten zijn uitsluitend onderworpen aan fysieke beperkingen die voortvloeien uit overwegingen op het gebied van de veiligheid van luchthavens. Wanneer dergelijke overwegingen self-handling uitsluiten, dienen gronddiensten op basis van gelijkheid beschikbaar te zijn voor alle luchtvaartmaatschappijen, heffingen dienen gebaseerd te zijn op de kosten van de verleende diensten, en de aard en kwaliteit van dergelijke diensten dienen vergelijkbaar te zijn met die van diensten die beschikbaar zouden zijn als self-handling wel mogelijk zou zijn.

4.

De aangewezen luchtvaartmaatschappijen van elke partij mogen zich rechtstreeks en, naar eigen goeddunken, via hun agenten bezighouden met de verkoop van luchtdiensten op het grondgebied van de andere partij. Een uitzondering hierop kunnen de specifieke bepalingen inzake charters vormen in het land waaruit het charter afkomstig is met betrekking tot de bescherming van passagiersfondsen, annulerings- en terugbetalingsrechten van passagiers ingevolge Hoofdstuk 2 van Bijlage II bij dit Verdrag. Elke luchtvaartmaatschappij heeft het recht dit luchtvervoer te verkopen in de valuta van dat grondgebied of in vrij omwisselbare valuta en het staat iedere persoon vrij deze te kopen.

5.

De aangewezen luchtvaartmaatschappijen van elke partij hebben het recht, op verzoek, het na aftrek van plaatselijke uitgaven overblijvende bedrag van de plaatselijk verkregen inkomsten te wisselen en naar hun land over te maken. Inwisseling en overmaking worden onverwijld en zonder beperkingen of belastingheffing toegestaan, tegen de wisselkoers die van toepassing is op lopende transacties en overmaking op de datum waarop de vervoerder de eerste aanvraag tot overmaking doet.

6.

Het is de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van elke partij toegestaan voor lokale uitgaven, met inbegrip van de inkoop van brandstof, op het grondgebied van de andere partij te betalen in lokale valuta. Naar hun goeddunken kunnen de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van elke partij deze uitgaven op het grondgebied van de andere partij betalen in vrij omwisselbare valuta volgens de lokale valutavoorschriften.

7.

Bij de exploitatie of het onderhouden van de overeengekomen diensten op de omschreven routes, kan elke aangewezen luchtvaartmaatschappij van een partij samenwerkingsregelingen op het gebied van de verkoop aangaan, zoals onderling vast af te nemen plaatsen, code-sharing of lease-regelingen, met

mits dat derde land soortgelijke regelingen tussen de luchtvaartmaatschappijen van de andere partij en andere luchtvaartmaatschappijen inzake diensten naar, van en via dit derde land toestaat of daarin toestemt, mits alle luchtvaartmaatschappijen in dergelijke regelingen

Artikel 10. Douanerechten en heffingen
1.

Elke partij stelt op basis van wederkerigheid een aangewezen luchtvaartmaatschappij van de andere partij in de ruimst mogelijke mate die haar nationale wetgeving toestaat vrij van douanerechten, accijnzen, inspectiekosten en andere nationale rechten en lasten op luchtvaartuigen, brandstof, smeermiddelen, technische verbruiksvoorraden, reserveonderdelen met inbegrip van motoren, normale uitrustingsstukken, boordproviand (met inbegrip van onder andere etenswaren, dranken en sterke dranken, tabaksartikelen, alsmede overige producten bestemd voor de verkoop of uitsluitend voor gebruik in verband met de exploitatie of het onderhoud van luchtvaartuigen) en andere goederen, zoals voorraden gedrukte tickets, luchtvrachtbrieven, drukwerk waarop het embleem van de maatschappij voorkomt en gebruikelijk reclamemateriaal dat door die aangewezen luchtvaartmaatschappij gratis wordt verspreid en bestemd is voor gebruik of uitsluitend wordt gebruikt in verband met de exploitatie of het onderhoud van luchtvaartuigen van de aangewezen luchtvaartmaatschappij van deze andere partij die de overeengekomen diensten exploiteert.

2.

De in dit artikel toegekende vrijstellingen zijn van toepassing op de in het eerste lid van dit artikel genoemde goederen:

ongeacht of dergelijke goederen geheel worden gebruikt of verbruikt op het grondgebied van de partij die de vrijstelling verleent, mits de eigendom van dergelijke goederen niet op het grondgebied van genoemde partij wordt overgedragen.

3.

Normale boorduitrustingsstukken alsmede de goederen en voorraden die normaal gesproken aan boord van het luchtvaartuig van een aangewezen luchtvaartmaatschappij van een partij blijven, mogen op het grondgebied van de andere partij slechts worden uitgeladen met toestemming van de douaneautoriteiten van dat grondgebied. In een dergelijk geval kunnen deze goederen onder toezicht van genoemde autoriteiten worden geplaatst tot het tijdstip waarop ze weer worden uitgevoerd of overeenkomstig de douanevoorschriften een andere bestemming hebben gekregen.

4.

De in dit artikel voorziene vrijstellingen zijn ook beschikbaar in situaties waarin de aangewezen luchtvaartmaatschappij van een partij met andere luchtvaartmaatschappijen regelingen is aangegaan voor het op het grondgebied van de andere partij lenen of overdragen van de in het eerste en tweede lid van dit artikel vermelde goederen, mits die andere luchtvaartmaatschappijen dezelfde vrijstellingen genieten van de andere partij.

5.

Niets in dit Verdrag belet een partij op basis van non-discriminatie belastingen, toeslagen, rechten, lasten of heffingen te heffen over brandstof geleverd op zijn grondgebied voor gebruik in een luchtvaartuig van een aangewezen luchtvaartmaatschappij van de andere partij dat vliegt tussen een punt op het grondgebied van die partij of een punt op het grondgebied van een andere lidstaat van de Europese Unie of een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of een lidstaat van de Europese Vrijhandelsassociatie.

Artikel 11. Gebruikersheffingen
1.

Gebruikersheffingen die aan de luchtvaartmaatschappijen van een partij kunnen worden opgelegd door de bevoegde inningsautoriteiten of -lichamen van de andere partij dienen rechtvaardig, redelijk en niet onredelijk discriminatoir te zijn en naar billijkheid te worden verdeeld tussen de categorieën gebruikers. In alle gevallen worden deze gebruikersheffingen opgelegd aan de luchtvaartmaatschappijen van de andere partij onder voorwaarden die niet minder gunstig zijn dan de gunstigste voorwaarden die op het tijdstip waarop de heffingen worden opgelegd gelden voor een andere luchtvaartmaatschappij.

2.

Gebruikersheffingen die worden opgelegd aan de luchtvaartmaatschappijen van de andere partij mogen overeenkomen met maar niet hoger zijn dan de volledige kosten voor de bevoegde inningsautoriteiten of -lichamen van het verstrekken van passende voorzieningen en diensten op het gebied van luchthaven, luchthavenmilieu, luchtvaart en beveiliging van de luchtvaart op de luchthaven of binnen het luchthavensysteem. Deze volledige kosten kunnen een redelijk rendement op vermogensbestanddelen na afschrijving omvatten. De voorzieningen en diensten waarvoor heffingen worden opgelegd, worden op efficiënte en economische wijze verstrekt.

3.

Elke partij moedigt overleg aan tussen de bevoegde inningsautoriteiten of -lichamen op haar grondgebied en de luchtvaartmaatschappijen die gebruikmaken van de diensten en voorzieningen, en moedigt de bevoegde inningsautoriteiten of -lichamen en de luchtvaartmaatschappijen aan de informatie uit te wisselen die nodig kan zijn voor accurate toetsing van de redelijkheid van de heffingen in overeenstemming met de grondbeginselen van het eerste en tweede lid van dit artikel. Elke partij moedigt de bevoegde inningsautoriteiten aan de gebruikers binnen een redelijke termijn in kennis te stellen van voorstellen tot wijziging van gebruikersheffingen zodat de gebruikers hun mening kenbaar kunnen maken voordat de wijzigingen plaatsvinden.

4.

Geen van de partijen wordt bij procedures ter regeling van geschillen ingevolge artikel 16 (Overleg en regeling van geschillen) van dit Verdrag geacht inbreuk te maken op een bepaling van dit artikel, tenzij:

Artikel 12. Vermijden van dubbele belasting
1.

Voordelen uit de exploitatie van de luchtvaartuigen van een aangewezen luchtvaartmaatschappij in internationaal verkeer zijn slechts belastbaar op het grondgebied van de partij waar de plaats van de werkelijke leiding van die luchtvaartmaatschappij is gelegen.

2.

Vermogen bestaande uit luchtvaartuigen die in internationaal verkeer worden geëxploiteerd door een aangewezen luchtvaartmaatschappij alsmede uit roerende zaken die worden gebruikt bij de exploitatie van deze luchtvaartuigen, is slechts belastbaar op het grondgebied van de partij waar de plaats van de werkelijke leiding van die luchtvaartmaatschappij is gelegen.

3.

Indien er tussen de partijen een bijzonder verdrag is gesloten tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, hebben de bepalingen van dat verdrag voorrang.

Artikel 13. Eerlijke concurrentie
1.

Elke partij staat toe dat de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van beide partijen op eerlijke en gelijke wijze in de gelegenheid worden gesteld te concurreren bij het verzorgen van de internationale luchtdiensten waarop dit Verdrag betrekking heeft.

2.

Elke partij staat toe dat elke aangewezen luchtvaartmaatschappij de frequentie en capaciteit van de internationale luchtdiensten die zij aanbiedt bepaalt op basis van commerciële marktoverwegingen. In overeenstemming met dit recht kan geen van de partijen de omvang van het verkeer, de frequentie of regelmatigheid van een dienst, of van het type of de typen door de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van de andere partij geëxploiteerde luchtvaartuigen eenzijdig beperken, tenzij dit nodig mocht zijn vanwege redenen op het gebied van douane, techniek, exploitatie of milieu uit hoofde van uniforme voorwaarden die in overeenstemming zijn met artikel 15 van het Verdrag van Chicago.

3.

Geen van de partijen legt de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van de andere partij een verplichting tot voorrangsverlening, proportionele beperkingen, een vergoeding wegens afzien van bezwaar of enige andere verplichting ten aanzien van capaciteit, frequentie of verkeer op die niet zou stroken met de doelstellingen van dit Verdrag.

4.

Geen van de partijen eist dat vluchtschema’s, programma's voor chartervluchten of exploitatieplannen door luchtvaartmaatschappijen van de andere partij ter goedkeuring worden ingediend, tenzij dit op basis van non-discriminatie kan worden vereist ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de uniforme voorwaarden als voorzien in het tweede lid van dit artikel of wanneer dit specifiek wordt toegestaan in de Bijlagen bij dit Verdrag. Wanneer een partij indiening vereist voor informatiedoeleinden, beperkt zij de administratieve belasting ten gevolge van voorschriften en procedures inzake indiening voor tussenpersonen voor luchtdiensten en voor de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van de andere partij tot een minimum.

Artikel 14. Tarieven
1.

Elke partij staat toe dat elke aangewezen luchtvaartmaatschappij op basis van commerciële marktoverwegingen tarieven voor luchtdiensten vaststelt. Het ingrijpen door de partijen is beperkt tot:

2.

Elke partij kan verlangen dat in rekening te brengen tarieven voor luchtdiensten van of naar haar grondgebied door luchtvaartmaatschappijen van de andere partij ter kennis worden gebracht van of worden ingediend bij haar luchtvaartautoriteiten. Kennisgeving of indiening door de luchtvaartmaatschappijen van beide partijen kan ten hoogste dertig (30) dagen voor de voorgestelde datum van ingang worden verlangd. In afzonderlijke gevallen kan kennisgeving of indiening binnen een kortere termijn dan gewoonlijk wordt verlangd worden toegestaan. Geen van de partijen kan verlangen dat in rekening te brengen tarieven voor chartervervoer van burgers van of naar haar grondgebied door luchtvaartmaatschappijen van de andere partij ter kennis worden gebracht van of worden ingediend bij haar luchtvaartautoriteiten, tenzij dit op basis van non-discriminatie kan worden vereist ten behoeve van informatiedoeleinden.

3.

Niettegenstaande de bepalingen in het eerste en tweede lid van dit artikel is op de tarieven die door de aangewezen luchtvaartmaatschappij van Sint Maarten voor vervoer dat geheel binnen de Europese Economische Ruimte plaatsvindt, in rekening dienen te worden gebracht, de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing.

Artikel 15. Intermodale diensten

Niettegenstaande de andere bepalingen van dit Verdrag, is het luchtvaartmaatschappijen en indirecte aanbieders van vrachtvervoer van beide partijen onverminderd toegestaan ten behoeve van internationale luchtdiensten gebruik te maken van vervoer over land en/of water voor vracht naar of vanaf punten op de grondgebieden van de partijen of in derde landen, met inbegrip van vervoer naar en vanaf alle luchthavens met douanevoorzieningen en waar van toepassing met inbegrip van het recht vracht onder douanetoezicht met inachtneming van de toepasselijke wetten en voorschriften te vervoeren. Deze vracht, ongeacht of deze over land en/of water of door de lucht wordt vervoerd, wordt toegelaten tot de douaneafhandeling en douanevoorzieningen op de luchthaven. Luchtvaartmaatschappijen kunnen ervoor kiezen zelf hun vervoer over land en/of water te verrichten of door middel van regelingen met andere vervoerders over land en/of water, met inbegrip van vervoer over land en/of water geëxploiteerd door andere luchtvaartmaatschappijen en indirecte aanbieders van vrachtvervoer. Deze intermodale vrachtdiensten kunnen worden aangeboden tegen een allesomvattende prijs voor het vervoer door de lucht en over land en/of zee tezamen, mits de vervoerders niet worden misleid ten aanzien van de feiten aangaande dergelijk vervoer.

Artikel 16. Overleg en regeling van geschillen
1.

In een geest van nauwe samenwerking mag elke partij te allen tijde verzoeken om overleg over dit Verdrag, de tenuitvoerlegging ervan en naleving naar tevredenheid van de bepalingen van dit Verdrag. Elk geschil dat tussen de partijen mocht ontstaan met betrekking tot de uitlegging of toepassing van dit Verdrag, trachten de partijen in de eerste plaats door overleg en onderhandelingen te regelen.

2.

Enig geschil dat niet door middel van overleg en onderhandeling kan worden geregeld, kan op verzoek van één van de partijen bij dit Verdrag worden voorgelegd aan een bemiddelaar of een panel voor regeling van geschillen. Een dergelijke bemiddelaar of een dergelijk panel kan worden gebruikt voor bemiddeling, om de grond van het geschil vast te stellen of om een rechtsmiddel of oplossing van het geschil aan te bevelen.

3.

De partijen komen van tevoren de taakomschrijving van de bemiddelaar of het panel, de leidende beginselen of criteria en de voorwaarden voor toegang tot de bemiddelaar of het panel overeen. Zij overwegen indien nodig ook een voorlopige voorziening te treffen alsmede de mogelijkheid van deelname van derden die rechtstreeks door het geschil worden getroffen, rekening houdend met het doel en de noodzaak van een eenvoudige, snelle en ontvankelijke procedure.

4.

Een bemiddelaar of de panelleden kunnen worden benoemd uit een lijst van voldoende gekwalificeerde luchtvaartdeskundigen die wordt bijgehouden door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie. De deskundige(n) wordt/worden binnen vijftien (15) dagen na ontvangst van het verzoek om voorlegging aan een bemiddelaar of aan een panel geselecteerd. Indien de partijen geen overeenstemming bereiken over de selectie van een deskundige of deskundigen, kan het maken van een selectie worden overgedragen aan de voorzitter van de Raad van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie. Elke deskundige die voor dit mechanisme wordt ingezet dient voldoende gekwalificeerd te zijn op het gebied van het algemene onderwerp van het geschil.

5.

Een bemiddeling dient binnen zestig (60) dagen na de aanstelling van de bemiddelaar of het panel te worden afgerond en alle vaststellingen, met inbegrip van eventuele aanbevelingen, dienen binnen zestig (60) dagen na de aanstelling van de deskundige of deskundigen te worden gedaan. De partijen kunnen vooraf overeenkomen dat de bemiddelaar of het panel de eiser op verzoek een voorlopige voorziening kan verlenen, in welk geval eerst een vaststelling wordt gedaan.

6.

De partijen werken te goeder trouw samen om de bemiddeling uit te voeren en zijn gebonden aan alle beslissingen of vaststellingen van de deskundige(n), tenzij zij anders overeenkomen. Indien de partijen vooraf overeenkomen om alleen om een vaststelling van de feiten te verzoeken, gebruiken zij deze feiten voor de regeling van het geschil.

7.

De kosten van dit mechanisme worden bij de invoering ervan geraamd en gelijkelijk verdeeld, maar met de mogelijkheid van herverdeling in het kader van het definitieve besluit.

8.

Het mechanisme doet geen afbreuk aan het verdere gebruik van het overlegproces, het daaropvolgende gebruik van arbitrage of beëindiging overeenkomstig artikel 18 (Beëindiging) van dit Verdrag.

Artikel 17. Wijzigingen
1.

Indien een partij het wenselijk acht een bepaling van dit Verdrag, met inbegrip van de Bijlagen daarbij, te wijzigen, kan zij verzoeken om overleg tussen de luchtvaartautoriteiten van beide partijen met betrekking tot de voorgestelde wijziging. Dergelijk overleg vangt aan binnen een termijn van zestig (60) dagen na de datum van ontvangst van het verzoek.

2.

Elke wijziging van dit Verdrag wordt overeengekomen tussen de partijen en geschiedt bij diplomatieke notawisseling. Een dergelijke wijziging treedt in werking in overeenstemming met de bepalingen van artikel 21 (Inwerkingtreding) van dit Verdrag.

3.

Niettegenstaande de bepalingen van het tweede lid van dit artikel, kunnen wijzigingen van Bijlage I bij dit Verdrag tussen de luchtvaartautoriteiten van beide partijen worden overeengekomen en bij diplomatieke notawisseling worden bevestigd, en treden in werking op een in de diplomatieke notawisseling te bepalen datum. Deze uitzondering op het tweede lid van dit artikel is niet van toepassing indien er verkeersrechten worden toegevoegd aan bovengenoemde Bijlage.

Artikel 18. Beëindiging

Elk van de partijen kan te allen tijde de andere partij langs diplomatieke weg schriftelijk in kennis stellen van haar besluit dit Verdrag te beëindigen. Een dergelijke kennisgeving wordt tegelijkertijd toegezonden aan de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie. Dit Verdrag treedt een (1) jaar na de datum waarop de kennisgeving door de andere partij is ontvangen om middernacht op de plaats van ontvangst van de kennisgeving buiten werking, tenzij de kennisgeving van beëindiging vóór het verstrijken van deze termijn met wederzijdse instemming wordt ingetrokken. Indien de andere partij nalaat de ontvangst te bevestigen, wordt de kennisgeving geacht te zijn ontvangen veertien (14) dagen na de datum dat deze is ontvangen door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie.

Artikel 19. Toepasselijkheid

Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag uitsluitend van toepassing op het grondgebied van Sint Maarten.

Artikel 20. Registratie bij de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie

Dit Verdrag en alle wijzigingen daarvan worden na ondertekening geregistreerd bij de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie.

Artikel 21. Inwerkingtreding
1.

Dit Verdrag en de Bijlagen daarbij treden in werking op de eerste dag van de tweede maand na de datum van de laatste schriftelijke kennisgeving in een notawisseling langs diplomatieke weg waarin de partijen elkaar ervan in kennis hebben gesteld dat alle vereiste interne procedures voor de inwerkingtreding van dit Verdrag en de Bijlagen daarbij zijn voltooid.

2.

Bij inwerkingtreding vervangt dit Verdrag, in de relatie tussen Sint Maarten en IJsland, de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek IJsland betreffende luchtvervoer, ondertekend te ’s-Gravenhage op 22 maart 1950.

Deel 1. Routes

De luchtvaartmaatschappijen van elke partij die in deze Bijlage zijn aangewezen hebben het recht, in overeenstemming met de voorwaarden van hun aanwijzing, internationale luchtdiensten uit te voeren van en naar punten op de volgende routes:

De door Sint Maarten aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen is/zijn gerechtigd geregelde luchtdiensten te exploiteren in beide richtingen op de hierna omschreven routes:

Punten op Sint Maarten Tussenliggende punten Punten op IJsland Verder gelegen punten na
elk punt elk punt elk punt elk punt

De aangewezen luchtvaartmaatschappijen hebben het recht om volledige zevende vrijheidsverkeersrechten uit te oefenen tussen Sint Maarten en elk punt of alle punten ten aanzien van (een) vrachtdienst(en).

De door IJsland aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen is/zijn gerechtigd geregelde luchtdiensten te exploiteren in beide richtingen op de hierna omschreven routes:

Punten in IJsland Tussenliggende punten Punten op Sint Maarten Verder gelegen punten na
elk punt elk punt elk punt elk punt

De aangewezen luchtvaartmaatschappijen hebben het recht om volledige zevende vrijheidsverkeersrechten uit te oefenen tussen IJsland en elk punt of alle punten ten aanzien van (een) vrachtdienst(en).

Dit Verdrag sluit het uitoefenen van commerciële verkeersrechten door de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van IJsland uit tussen Sint Maarten en Nederland (met inbegrip van het Caribische deel van Nederland), tussen Sint Maarten en Curaçao, en tussen Sint Maarten en Aruba.

Deel 2. Operationele flexibiliteit

Elke aangewezen luchtvaartmaatschappij kan tijdens een of alle vluchten, naar haar keuze:

zonder geografische of richtingsbeperkingen en zonder verlies van enig recht om anderszins uit hoofde van dit Verdrag toegestaan vervoer te verrichten, met dien verstande dat, met uitzondering van vrachtvluchten, de dienst een punt moet aandoen op het grondgebied van de partij die de luchtvaartmaatschappij aanwijst.

Deel 3. Vervanging van luchtvaartuigen

Op elk deel of alle delen van de in Deel 1 van deze Bijlage omschreven routes kan elke aangewezen luchtvaartmaatschappij internationale luchtdiensten verzorgen zonder beperkingen ten aanzien van verandering van het type of aantal ingezette luchtvaartuigen op elk punt van de omschreven route, met dien verstande dat, met uitzondering van vrachtvluchten, bij uitgaande vluchten het vervoer voorbij dat punt een voortzetting is van het vervoer vanuit het grondgebied van de partij die de luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen, en bij binnenkomende vluchten het vervoer naar het grondgebied van de partij die de luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen een voortzetting is van het vervoer voorbij dat punt.

Deel 1

De luchtvaartmaatschappijen van elke partij die in deze Bijlage zijn aangewezen hebben het recht, in overeenstemming met de voorwaarden van hun aanwijzing, internationaal charterverkeer te verzorgen voor het vervoer van passagiers (en hun bagage) en/of vracht (met inbegrip van onder andere, als bevrachter, splitcharter en een combinatie van passagiers en vracht charter):

Bij het verrichten van diensten die onder deze Bijlage vallen, hebben luchtvaartmaatschappijen van elke partij die in deze Bijlage zijn aangewezen het recht om:

Elke partij neemt verzoeken van luchtvaartmaatschappijen van de andere partij om niet onder deze Bijlage vallend vervoer te mogen verrichten welwillend in overweging, op basis van hoffelijkheid en wederkerigheid.

Deel 2

Elke luchtvaartmaatschappij die is aangewezen door een van de partijen die internationale chartervluchten verricht die hun oorsprong vinden op het grondgebied van een van de partijen, ongeacht of het een enkele reis of retourvlucht betreft, heeft de keuze om de charterwetgeving, regels en voorschriften van haar thuisland of van de andere partij na te leven. Indien een Partij verschillende regels, voorschriften, bepalingen, voorwaarden of beperkingen toepast op een of meer van haar luchtvaartmaatschappijen of op luchtvaartmaatschappijen van andere landen, gelden voor elke aangewezen luchtvaartmaatschappij de minst beperkende van deze criteria.

Het voorgaande lid beperkt echter in geen enkel opzicht de rechten van een van de partijen om van luchtvaartmaatschappijen die in deze Bijlage zijn aangewezen te eisen dat zij de eisen naleven met betrekking tot de bescherming van passagiersfondsen en annulerings- en terugbetalingsrechten van passagiers.

Deel 3

Behalve wat de in het vorige lid vermelde regels inzake consumentenbescherming betreft, eist geen van beide partijen van een in deze Bijlage door de andere partij aangewezen luchtvaartmaatschappij dat zij, met betrekking tot het vervoer van verkeer vanuit het grondgebied van die andere partij of van een derde land voor enkele reis of een retourvlucht, meer voorlegt dan een verklaring van overeenstemming met de toepasselijke wetten, regels en voorschriften waarnaar in Deel 2 van deze Bijlage wordt verwezen of een door de desbetreffende luchtvaartautoriteiten verleende vrijstelling van deze wetten, regels of voorschriften.

IN WITNESS WHEREOF, the undersigned, being duly authorized by their respective Governments, have signed this Agreement.

DONE at Brussels, on this 30th day of March, 2022, in duplicate, in the English language.

For the Kingdom of the Netherlands, in respect of Sint Maarten,

PIETER JAN KLEIWEG DE ZWAAN

For Iceland,

KRISTJÁN ANDRI STEFÁNSSON