Tweede aanvullend protocol bij het Verdrag inzake de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken, inzake nauwere samenwerking en verstrekking van elektronisch bewijsmateriaal

Type Verdrag
Publication 2022-05-12
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Preambule

De lidstaten van de Raad van Europa en de andere staten die partij zijn bij het Verdrag inzake de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken (ETS nr. 185, hierna „het verdrag” genoemd), op 23 november 2001 te Boedapest opengesteld voor ondertekening, die dit protocol hebben ondertekend,

Indachtig het feit dat het verdrag betrekking heeft op en gevolgen heeft voor alle delen van de wereld;

Eraan herinnerend dat het verdrag reeds is aangevuld met het aanvullend protocol betreffende de strafbaarstelling van handelingen van racistische en xenofobische aard verricht via computersystemen (ETS nr. 189), voor ondertekening opengesteld op 28 januari 2003 te Straatsburg (hierna „het eerste protocol” genoemd), van toepassing tussen de partijen bij dat protocol;

Gezien de bestaande verdragen van de Raad van Europa inzake samenwerking op strafrechtelijk terrein, alsmede andere overeenkomsten en regelingen inzake samenwerking op strafrechtelijk terrein tussen de partijen bij het verdrag;

Gezien tevens het Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens (ETS nr. 108), gewijzigd bij het Protocol tot wijziging van het Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens (CETS nr. 223), voor ondertekening opengesteld op 10 oktober 2018 te Straatsburg, waartoe iedere staat kan worden uitgenodigd toe te treden;

Erkennende het toenemende gebruik van informatie- en communicatietechnologieën, met inbegrip van internetdiensten, en de toename van cybercriminaliteit, die een bedreiging vormt voor de democratie en de rechtsstaat en door veel staten ook als bedreiging voor de mensenrechten wordt beschouwd;

Erkennende tevens het groeiende aantal slachtoffers van cybercriminaliteit en het belang om recht te laten geschieden voor die slachtoffers;

Eraan herinnerend dat op overheden de verplichting rust om de samenleving en personen te beschermen tegen misdaad, niet alleen offline maar ook online, onder meer door op doeltreffende wijze strafrechtelijk onderzoek en strafrechtelijke vervolging in te stellen;

Beseffende dat bewijzen van strafbare feiten steeds vaker in elektronische vorm worden opgeslagen op computersystemen in verschillende buitenlandse of onbekende rechtsgebieden, en ervan overtuigd dat aanvullende maatregelen vereist zijn om dergelijke bewijzen rechtmatig te verkrijgen, teneinde strafrechtelijk doeltreffend op te treden en de rechtsstaat te handhaven;

Erkennende dat er behoefte is aan meer en efficiëntere samenwerking tussen staten en de particuliere sector, en dat in dit verband meer duidelijkheid en rechtszekerheid moet worden geboden aan serviceproviders en andere entiteiten met betrekking tot de omstandigheden waarin zij kunnen reageren op rechtstreekse verzoeken van strafrechtelijke autoriteiten in andere partijen om verstrekking van elektronische gegevens;

Strevende derhalve naar verdere versterking van de samenwerking op het gebied van cybercriminaliteit en de vergaring van bewijs in elektronische vorm van enig strafbaar feit met het oog op specifieke strafrechtelijke onderzoeken of procedures door middel van aanvullende instrumenten voor efficiëntere wederzijdse bijstand en andere vormen van samenwerking tussen bevoegde autoriteiten; van de samenwerking in noodsituaties; en van rechtstreekse samenwerking tussen bevoegde autoriteiten en serviceproviders en andere entiteiten die in het bezit zijn van relevante informatie of gerechtigd zijn tot toegang daartoe;

Ervan overtuigd dat doeltreffende grensoverschrijdende samenwerking voor strafrechtelijke doeleinden, ook tussen de openbare en de particuliere sector, baat heeft bij doeltreffende voorwaarden en waarborgen voor de bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden;

Erkennende dat vergaring van elektronisch bewijsmateriaal voor strafrechtelijk onderzoek vaak betrekking heeft op persoonsgegevens, en erkennende dat veel partijen verplicht zijn privacy en persoonsgegevens te beschermen om hun grondwettelijke en internationale verplichtingen na te komen; en

Indachtig de noodzaak ervoor te zorgen dat doeltreffende strafrechtelijke maatregelen tegen cybercriminaliteit en de vergaring van bewijsmateriaal in elektronische vorm onderworpen zijn aan voorwaarden en waarborgen die voorzien in passende bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, met inbegrip van rechten die voortvloeien uit verplichtingen die staten zijn aangegaan in het kader van toepasselijke internationale mensenrechteninstrumenten, zoals het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 1950 (ETS nr. 5) van de Raad van Europa, het Internationaal Verdrag van de Verenigde Naties inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966, het Afrikaans Handvest van de rechten van mensen en volken van 1981, het Amerikaans Verdrag inzake de rechten van de mens van 1969 en andere internationale mensenrechtenverdragen;

Zijn als volgt overeengekomen:

HOOFDSTUK I. – GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel 1. – Doel

Dit protocol strekt tot aanvulling van:

Artikel 2. – Toepassingsgebied
1.

Tenzij anders bepaald, zijn de in dit protocol omschreven maatregelen van toepassing:

2.

Iedere partij neemt de wetgevende en andere maatregelen die nodig zijn om de in dit protocol genoemde verplichtingen na te komen.

Artikel 3. – Definities
1.

De definities in artikel 1 en artikel 18, lid 3, van het verdrag zijn op dit protocol van toepassing.

2.

Voor de toepassing van dit protocol wordt bovendien verstaan onder:

Artikel 4. – Taal
1.

Verzoeken, bevelen en begeleidende informatie die bij een partij worden ingediend, worden gesteld in een taal die aanvaardbaar is voor de aangezochte partij of de partij waaraan overeenkomstig artikel 7, lid 5, kennisgeving wordt gedaan, of gaan vergezeld van een vertaling in een dergelijke taal.

2.

De in artikel 7 bedoelde bevelen en de in artikel 6 bedoelde verzoeken en de begeleidende informatie daarbij:

HOOFDSTUK II. – MAATREGELEN TER VERSTERKING VAN DE SAMENWERKING

AFDELING 1. – ALGEMENE BEGINSELEN VAN TOEPASSING OP HOOFDSTUK II

Artikel 5. – Algemene beginselen van toepassing op hoofdstuk II
1.

De partijen werken zoveel mogelijk samen overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.

2.

Afdeling 2 van dit hoofdstuk bestaat uit de artikelen 6 en 7. Zij voorziet in procedures ter versterking van de rechtstreekse samenwerking met serviceproviders en entiteiten op het grondgebied van een andere partij. Afdeling 2 is van toepassing ongeacht of er sprake is van een verdrag of regeling inzake wederzijdse bijstand op basis van uniforme of wederkerige wetgeving tussen de betrokken partijen.

3.

Afdeling 3 van dit hoofdstuk bestaat uit de artikelen 8 en 9. Zij voorziet in procedures ter versterking van de internationale samenwerking tussen autoriteiten bij de verstrekking van opgeslagen computergegevens. Afdeling 3 is van toepassing ongeacht of er sprake is van een verdrag of regeling inzake wederzijdse bijstand op basis van uniforme of wederkerige wetgeving tussen de verzoekende en de aangezochte partij.

4.

Afdeling 4 van dit hoofdstuk bestaat uit artikel 10. Zij voorziet in procedures voor wederzijdse bijstand in noodsituaties. Afdeling 4 is van toepassing ongeacht of er sprake is van een verdrag of regeling inzake wederzijdse bijstand op basis van uniforme of wederkerige wetgeving tussen de verzoekende en de aangezochte partij.

5.

Afdeling 5 van dit hoofdstuk bestaat uit de artikelen 11 en 12. Afdeling 5 is van toepassing wanneer er geen verdrag of regeling inzake wederzijdse bijstand op basis van uniforme of wederkerige wetgeving van kracht is tussen de verzoekende en de aangezochte partij. De bepalingen van afdeling 5 zijn niet van toepassing wanneer een dergelijk verdrag of een dergelijke regeling wel bestaat, behoudens het bepaalde in artikel 12, lid 7. De betrokken partijen kunnen evenwel onderling besluiten de bepalingen van afdeling 5 in plaats daarvan toe te passen, indien het verdrag of de regeling dat niet verbiedt.

6.

Wanneer het de aangezochte partij, in overeenstemming met de bepalingen van dit protocol, is toegestaan medewerking afhankelijk te maken van het bestaan van dubbele strafbaarheid, wordt aan deze voorwaarde geacht te zijn voldaan indien de gedraging die ten grondslag ligt aan het strafbare feit waarvoor om medewerking wordt verzocht, in haar wetgeving wordt aangemerkt als strafbaar feit, ongeacht of het interne recht het strafbare feit al dan niet in dezelfde categorie plaatst of met dezelfde termen aanduidt als het recht van de verzoekende partij.

7.

De bepalingen van dit hoofdstuk houden geen beperking in van de samenwerking tussen partijen, of tussen partijen en serviceproviders of andere entiteiten, op grond van andere toepasselijke overeenkomsten, regelingen, praktijken of het nationale recht.

AFDELING 2. – PROCEDURES TER VERSTERKING VAN DE RECHTSTREEKSE SAMENWERKING MET SERVICEPROVIDERS EN ENTITEITEN OP HET GRONDGEBIED VAN EEN ANDERE PARTIJ

Artikel 6. – Verzoek om domeinnaamregistratie-informatie
1.

Iedere partij stelt de nodige wetgevende en andere maatregelen vast om haar bevoegde autoriteiten in het kader van specifieke strafrechtelijke onderzoeken of procedures de bevoegdheid te verlenen een entiteit die op het grondgebied van een andere partij domeinnaamregistratiediensten aanbiedt, te verzoeken informatie te verstrekken die in haar bezit is of tot toegang waartoe zij gerechtigd is, teneinde de registrant van een domeinnaam te identificeren of met die registrant contact op te nemen.

2.

Iedere partij stelt de nodige wetgevende en andere maatregelen vast om een entiteit op haar grondgebied toe te staan dergelijke informatie te verstrekken naar aanleiding van een verzoek uit hoofde van lid 1, met inachtneming van redelijke voorwaarden waarin het nationale recht voorziet.

3.

In het in lid 1 bedoelde verzoek wordt vermeld:

4.

Indien de instantie daarmee instemt, kan een partij een verzoek uit hoofde van lid 1 in elektronische vorm indienen. Er kan een passend niveau van beveiliging en authenticatie worden vereist.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.