← Geldende tekst · Geschiedenis

Uitgebreide Luchtvervoersovereenkomst tussen de lidstaten van de Associatie van Zuidoost-Aziatische Staten, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds

Geldende tekst a fecha 2022-10-17

De Regeringen van:

Brunei Darussalam,

Het Koninkrijk Cambodja,

De Republiek Indonesië,

De Democratische Volksrepubliek Laos,

Maleisië,

De Republiek Unie van Myanmar,

De Republiek der Filipijnen,

De Republiek Singapore,

Het Koninkrijk Thailand,

en

De Socialistische Republiek Vietnam,

Zijnde de lidstaten van de Associatie van Zuidoost-Aziatische Staten („ASEAN”,) (hierna gezamenlijk „ASEAN-lidstaten” en afzonderlijk „ASEAN-lidstaat” genoemd) enerzijds,

en

Het Koninkrijk België,

De Republiek Bulgarije,

De Tsjechische Republiek,

Het Koninkrijk Denemarken,

De Bondsrepubliek Duitsland,

De Republiek Estland,

Ierland,

De Helleense Republiek,

Het Koninkrijk Spanje,

De Franse Republiek,

De Republiek Kroatië,

De Italiaanse Republiek,

De Republiek Cyprus,

De Republiek Letland,

De Republiek Litouwen,

Het Groothertogdom Luxemburg,

Hongarije,

De Republiek Malta,

Het Koninkrijk Der Nederlanden,

De Republiek Oostenrijk,

De Republiek Polen,

De Portugese Republiek,

Roemenië,

De Republiek Slovenië,

De Slowaakse Republiek,

De Republiek Finland,

en

Het Koninkrijk Zweden,

Verdragsluitende partijen bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna gezamenlijk „de EU-Verdragen” genoemd) en lidstaten van de Europese Unie (hierna gezamenlijk „de EU-lidstaten” en afzonderlijk „de EU-lidstaat” genoemd), en de EUROPESE UNIE (hierna „de Unie” of „de EU” genoemd), anderzijds,

De wens uitdrukkend hun belangen op het gebied van luchtvervoer te bevorderen als middel om bij te dragen tot nauwere politieke en economische banden tussen de twee regio’s;

Erkennende dat efficiënte luchtverbindingen belangrijk zijn om handel, toerisme, investeringen en sociaaleconomische ontwikkeling te bevorderen;

De wens uitdrukkend de luchtdiensten te verbeteren en een internationaal luchtvaartsysteem te bevorderen op basis van een billijk en concurrerend klimaat, non-discriminatie en gelijke kansen tot mededinging voor luchtvaartmaatschappijen;

De wens uitdrukkend het hoogst mogelijke niveau van veiligheid en beveiliging van het luchtvervoer te garanderen en bevestigend dat zij zich grote zorgen maken over daden of bedreigingen die gericht zijn tegen luchtvaartuigen en die de veiligheid van personen of goederen in gevaar brengen, een negatieve impact hebben op de exploitatie van luchtvaartuigen en het vertrouwen van de reizigers in de veiligheid van de burgerluchtvaart ondermijnen;

Vaststellend dat de ASEAN-lidstaten en de EU-lidstaten partij zijn bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, ondertekend te Chicago op 7 december 1944;

Vastberaden om de potentiële voordelen van regelgevende samenwerking maximaal te benutten;

Erkennende dat concurrerende luchtdiensten en een levensvatbare luchtvervoerssector belangrijke voordelen kunnen opleveren;

De wens uitdrukkend een gelijk speelveld voor luchtvaartmaatschappijen te bevorderen, erkennende dat concurrentie voordelen kan opleveren en dat bepaalde subsidies een nadelig effect kunnen hebben op de concurrentie en de basisdoelstellingen van deze Overeenkomst in gevaar kunnen brengen;

Voornemens voort te bouwen op bestaande overeenkomsten en regelingen tussen de partijen, teneinde te zorgen voor de openstelling van de markttoegang en zoveel mogelijk voordelen te creëren voor passagiers, expediteurs, luchtvaartmaatschappijen, luchthavens en hun personeelsleden, de samenleving en andere begunstigden;

Het belang bevestigend van bescherming van het milieu bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van het internationaal luchtvaartbeleid;

Bevestigend dat er behoefte is aan dringende maatregelen tegen de klimaatverandering en aan blijvende samenwerking om de broeikasgasemissies in de luchtvaartsector terug te dringen, conform de multilaterale akkoorden op dit gebied, waaronder de relevante instrumenten van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (hierna „de ICAO” genoemd);

Bevestigend dat de belangen van de consument moeten worden beschermd, met inbegrip van de bescherming die wordt geboden door het Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer, gesloten te Montreal op 28 mei 1999, en dat een hoog niveau van consumentenbescherming moet worden bereikt, en erkennende dat er behoefte is aan wederzijdse samenwerking op dit gebied;

Erkennende dat de groei aan commerciële mogelijkheden niet mag leiden tot een afzwakking van de arbeidsnormen van de partijen, en het belang bevestigend om oog te hebben voor de impact van deze Overeenkomst op de werknemers, de werkgelegenheid en de arbeidsomstandigheden en van de voordelen die ontstaan wanneer aanzienlijke economische winsten van open en concurrerende markten gepaard gaan met ambitieuze arbeidsnormen voor werknemers;

Wijzend op de wens om te zoeken naar manieren om de toegang tot kapitaal voor de luchtvaartsector te faciliteren met het oog op een verdere ontwikkeling van het luchtvervoer;

De wens uitdrukkend een overeenkomst inzake luchtvervoer te sluiten, ter aanvulling van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, ondertekend te Chicago op 7 december 1944,

Zijn als volgt overeengekomen:

Artikel 1. Toepassingsgebied
1.

Deze Overeenkomst is van toepassing op de verlening van luchtvervoersdiensten door luchtvaartmaatschappijen uit de Unie van, op of naar het grondgebied van de ASEAN-lidstaten, en door luchtvaartmaatschappijen uit de ASEAN-lidstaten van, op of naar het grondgebied van de Unie, alsook op de verlening van bepaalde diensten in verband met die luchtvervoersdiensten, overeenkomstig deze Overeenkomst.

2.

Voor alle duidelijkheid: deze vereenkomst mag in geen geval zodanig worden uitgelegd dat zij van toepassing is op het verlenen van luchtvervoersdiensten door luchtvaartmaatschappijen van een ASEAN-lidstaat van, op of naar het grondgebied van een andere ASEAN-lidstaat, of op de verlening van bepaalde diensten in verband met die luchtvervoersdiensten.

Artikel 2. Definities
1.

Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt verstaan onder:

Artikel 3. Verlening van rechten
1.

Een ASEAN-lidstaat verleent luchtvaartmaatschappijen uit de Unie toestemming vluchten uit te voeren op de volgende routes:

alle punten in de Unie – alle tussenliggende punten – alle punten in die ASEAN-lidstaat – alle verder gelegen punten.

Voor de in de eerste alinea genoemde routes omvatten de begrippen tussenliggende punten en verder gelegen punten een of meer punten in andere ASEAN-lidstaten.

2.

De Unie en haar lidstaten verlenen luchtvaartmaatschappijen uit een ASEAN-lidstaat toestemming vluchten uit te voeren op de volgende routes:

alle punten in die ASEAN-lidstaat – alle tussenliggende punten – alle punten in de Unie – alle verder gelegen punten.

Voor de in de eerste alinea genoemde routes omvat het begrip punten in de Unie een of meer punten in EU-lidstaten.

3.

De partijen verlenen elkaar de volgende rechten voor de exploitatie van internationaal luchtvervoer door hun respectieve luchtvaartmaatschappijen:

4.

Wat passagiers- en combinatiediensten betreft, zijn de krachtens lid 3, punt e), van dit artikel verleende rechten voor elke ASEAN-lidstaat onderworpen aan alle volgende voorwaarden:

5.

Wat passagiers- en combinatiediensten betreft, zijn de krachtens lid 3, punt f), van dit artikel verleende rechten voor elke EU-lidstaat onderworpen aan alle volgende voorwaarden:

6.

De luchtvaartmaatschappijen van beide partijen mogen bij een vlucht of alle vluchten en naar keuze op de in leden 1 en 2 van dit artikel gespecificeerde routes:

7.

De operationele flexibiliteit waarin lid 6 van dit artikel voorziet, mag worden uitgeoefend zonder richtings- of geografische beperking, op voorwaarde dat:

8.

Elke partij verleent elke luchtvaartmaatschappij het recht om de frequentie en capaciteit van het door haar aangeboden internationale luchtvervoer te baseren op commerciële overwegingen. Overeenkomstig dit recht mag geen van de partijen unilateraal beperkingen opleggen met betrekking tot het verkeersvolume, de frequentie of de regelmaat van de vluchten, de routes, de herkomst en bestemming van het verkeer of de door de luchtvaartmaatschappijen van de andere partij gebruikte types luchtvaartuigen, behalve op niet-discriminerende wijze om redenen die verband houden met douane, techniek, exploitatie, veiligheid van het luchtverkeersbeheer, milieu of volksgezondheid, of tenzij anders bepaald in deze Overeenkomst.

9.

Niets in deze Overeenkomst verleent de volgende rechten:

Artikel 4. Exploitatievergunningen en technische machtigingen
1.

Na de ontvangst van een aanvraag voor een exploitatievergunning van een luchtvaartmaatschappij van een andere partij, verleent een partij zo spoedig mogelijk de exploitatievergunningen en passende technische machtigingen, voor zover alle volgende voorwaarden vervuld zijn:

2.

Voor de toepassing van dit artikel en van artikel 5 kan als volgt bewijs worden geleverd van daadwerkelijk regelgevend toezicht:

3.

Wanneer een partij exploitatievergunningen en technische machtigingen afgeeft, behandelt zij alle luchtvaartmaatschappijen van de andere partij op niet-discriminerende wijze.

4.

Als een partij een aanvraag voor een exploitatievergunning ontvangt van een luchtvaartmaatschappij van een andere partij, erkent zij de door die andere partij gedane vaststellingen met betrekking tot de deugdelijkheid en/of nationaliteit van die luchtvaartmaatschappij alsof die vaststellingen door haar eigen bevoegde autoriteiten zijn gedaan, en voert zij verder geen onderzoek naar deze kwesties, behalve in de gevallen als bedoeld in artikel 5, lid 2. Teneinde elke twijfel uit te sluiten, wordt benadrukt dat deze alinea geen betrekking heeft op de erkenning van vaststellingen in verband met veiligheidscertificaten of -vergunningen, beveiligingsregelingen of de verzekeringsdekking.

Artikel 5. Weigering, intrekking, opschorting, onderwerping aan voorwaarden, of beperking van exploitatievergunningen of technische machtigingen
1.

Een partij mag de exploitatievergunningen of technische machtigingen van een luchtvaartmaatschappij van een andere partij weigeren, intrekken, schorsen, aan voorwaarden onderwerpen of beperken of de activiteiten van een luchtvaartmaatschappij van die andere partij anderszins weigeren, schorsen, aan voorwaarden onderwerpen of beperken als:

2.

Als een partij redelijke gronden heeft om aan te nemen dat een luchtvaartmaatschappij van een andere partij zich in één van de in lid 1 van dit artikel genoemde situaties bevindt, kan zij de andere partij verzoeken overleg te plegen.

3.

Dat overleg gaat zo spoedig mogelijk van start en uiterlijk dertig (30) dagen na de datum van ontvangst van het verzoek om overleg. Indien niet binnen dertig (30) dagen of een overeengekomen termijn na de begindatum van dat overleg een bevredigend akkoord wordt bereikt of wordt nagelaten de overeengekomen corrigerende maatregelen te nemen, is dat een reden voor de partij die om het overleg heeft verzocht om maatregelen te nemen om de exploitatievergunning of technische machtigingen van de betrokken luchtvaartmaatschappij(en) te weigeren, in te trekken, te schorsen, aan voorwaarden te onderwerpen te beperken of de activiteiten van de betrokken maatschappij anderszins te weigeren, te schorsen, aan voorwaarden te onderwerpen of te beperken teneinde de naleving van de artikelen 4 en 7 te waarborgen.

4.

Onverminderd lid 3 van dit artikel, kan een partij in het geval als bedoeld in lid 1, punt c), van dit artikel in noodgevallen of om verdere inbreuken te voorkomen onmiddellijke of dringende maatregelen nemen. Teneinde elke twijfel uit te sluiten, kan er slechts sprake zijn van verdere inbreuken als over de vermeende inbreuk voordien reeds overleg is gepleegd tussen de bevoegde autoriteiten van de betrokken partijen.

5.

Dit artikel doet geen afbreuk aan het recht van een partij om de exploitatievergunning of technische machtiging van luchtvaartmaatschappij(en) van een andere partij te weigeren, in te trekken, te schorsen, aan voorwaarden te onderwerpen of te beperken, of om de activiteiten van luchtvaartmaatschappij(en) van een andere partij anderszins te weigeren, te schorsen, aan voorwaarden te onderwerpen of te beperken, overeenkomstig artikel 8, 15, 16 of 25.

Artikel 6. Liberalisering van eigendoms- en zeggenschapsvereisten

De partijen erkennen de potentiële baten van de geleidelijke liberalisering van de eigendom van en zeggenschap over hun respectieve luchtvaartmaatschappijen. De partijen kunnen binnen het Gemengd Comité als bedoeld in artikel 23 te gepasten tijde de opportuniteiten van een wederzijdse liberalisering van de eigendom van en zeggenschap over luchtvaartmaatschappijen bekijken. Het Gemengd Comité kan vervolgens wijzigingen van deze Overeenkomst voorstellen overeenkomstig artikel 23, lid 4, punt f), en artikel 28.

Artikel 7. Naleving van wetten en regels
1.

Als luchtvaartmaatschappijen van de ene partij het grondgebied van een andere partij binnenkomen of verlaten, moeten zij zich houden aan de wetten en regels inzake binnenkomst op en vertrek uit het grondgebied door luchtvaartuigen die internationaal luchtvervoer uitvoeren en inzake de exploitatie van luchtvaartuigen.

2.

Bij binnenkomst in, verblijf op of vertrek uit het grondgebied van een andere partij moeten de wetten en voorschriften met betrekking tot de toelating tot of het vertrek uit dat grondgebied van passagiers, bemanningen, bagage, goederen en/of post aan boord van het luchtvaartuig (met inbegrip van de formaliteiten verbonden aan binnenkomst, inklaring, immigratie, paspoorten, douane en quarantaine of, in het geval van post, postvoorschriften) door of namens deze passagiers, bemanningen, bagage, goederen en post, van de luchtvaartmaatschappijen van een partij worden nageleefd.

3.

Elke partij staat op zijn grondgebied toe dat de luchtvaartmaatschappijen van een andere partij maatregelen nemen om te garanderen dat alleen personen worden vervoerd die beschikken over de vereiste reisdocumenten voor binnenkomst op hun grondgebied of voor transit via het grondgebied van die andere partij.

Artikel 8. Eerlijke mededinging
1.

De partijen komen overeen gezamenlijk te streven naar een eerlijk en concurrerend klimaat waarin de luchtvaartmaatschappijen van de partijen eerlijke en gelijke kansen hebben om te concurreren bij het aanbieden van luchtvervoersdiensten.

2.

De partijen komen, ter verwezenlijking van de in lid 1 van dit artikel genoemde doelstelling overeen:

3.

In afwijking van lid 2, punt d), van dit artikel mag het volgende worden verleend:

4.

De partijen zien erop toe dat al hun luchtvaartmaatschappijen die op grond van deze Overeenkomst luchtvervoerdiensten aanbieden minstens jaarlijks een financieel verslag en begeleidende financiële staten publiceren, of anderszins op verzoek opstellen en ter beschikking stellen, en dat deze worden onderworpen aan een onafhankelijke audit overeenkomstig de internationaal erkende normen inzake boekhouding en financiële bedrijfsinformatie. Subsidies worden in die financiële verslagen afzonderlijk vermeld.

5.

Specifiek voor luchtvervoer ziet elke partij erop toe dat materiële transacties tussen haar luchtvaartmaatschappijen en staatsbedrijven van die partij (ongeacht in welke vorm) die goederen en diensten aanbieden, plaatsvinden op basis van commerciële voorwaarden die gelijkwaardig zijn aan die welke bij zakelijke objectieve transacties van toepassing zijn.

6.

Elke partij verstrekt, op verzoek van een andere partij, die andere partij binnen dertig (30) dagen of binnen een overeengekomen termijn de relevante informatie die redelijkerwijs kan worden gevraagd om erop toe te zien dat dit artikel wordt nageleefd. Het kan onder meer gaan om aanvullende informatie met betrekking tot subsidies en de in de leden 4 en 5 van dit artikel vermelde elementen. Op verzoek wordt die informatie vertrouwelijk behandeld door de partij die de informatie ontvangt.

7.

Indien een of meer partijen (voor de toepassing van dit artikel gezamenlijk „de initiatiefnemer” genoemd) van mening zijn dat de eerlijke en gelijke mededingingskansen van hun luchtvaartmaatschappijen nadelig worden beïnvloed door:

mogen zij handelen overeenkomstig de leden 8, 9 en10 van dit artikel.

8.

De initiatiefnemer dient een schriftelijk verzoek om overleg in bij de betrokken partij(en) (voor de toepassing van dit artikel gezamenlijk „de antwoordende partij” genoemd). Tenzij anders overeengekomen door de genoemde partijen, start het overleg binnen een termijn van dertig (30) dagen na de datum van ontvangst van dat verzoek.

9.

Als de initiatiefnemer en de antwoordende partij binnen zestig (60) dagen na ontvangst van het verzoek om overleg geen overeenstemming bereiken over de kwestie, kan de initiatiefnemer maatregelen nemen tegen alle of een deel van de luchtvaartmaatschappijen van de antwoordende partij die zich schuldig hebben gemaakt aan het betwiste gedrag of die voordeel hebben gehaald uit de discriminatie, oneerlijke praktijken of subsidies in kwestie.

10.

De op grond van lid 9 van dit artikel genomen maatregelen zijn passend, proportioneel en in omvang en looptijd beperkt tot hetgeen strikt noodzakelijk is om de schade voor de luchtvaartmaatschappijen van de initiatiefnemer te beperken en het ongeoorloofde voordeel voor de luchtvaartmaatschappijen van de antwoordende partij, weg te werken.

11.

Wanneer kwesties die onder dit artikel vallen, worden verwezen naar de geschillenbeslechtingsprocedure van artikel 25:

12.

Niets in deze Overeenkomst kan de autoriteit en de rechten van de bevoegde concurrentieautoriteiten en de rechtbanken van de partijen om de besluiten van die autoriteiten te toetsen, beïnvloeden, beperken of schaden. Alle maatregelen van een initiatiefnemer uit hoofde van lid 9 van dit artikel laten eventuele maatregelen van deze autoriteiten en rechtbanken, met inbegrip van de rechtbanken van de initiatiefnemer, derhalve onverlet. De acties en maatregelen van de mededingingsautoriteiten van de partijen en de rechterlijke instanties die de besluiten van die autoriteiten toetsen, worden uitgesloten van het in artikel 25 vastgestelde geschillenbeslechtingsmechanisme.

Artikel 9. Bedrijfsvoering
1.

De partijen zijn het erover eens dat de voordelen van deze Overeenkomst niet kunnen worden verwezenlijkt wanneer hun luchtvaartmaatschappijen worden gehinderd in hun bedrijfsvoering. De partijen komen overeen samen te werken bij het wegnemen van belemmeringen die een obstakel kunnen vormen voor de commerciële activiteiten, die concurrentieverstoringen kunnen veroorzaken of die een gelijk speelveld in de weg kunnen staan.

2.

Het Gemengd Comité houdt toezicht op de vooruitgang die wordt geboekt bij de aanpak van de belemmeringen voor de bedrijfsvoering van luchtvaartmaatschappijen van de partijen.

Artikel 10. Commercieel luchtvervoer
1.

De partijen verlenen elkaar de in de leden 2 tot en met 17 van dit artikel bedoelde rechten. Van luchtvaartmaatschappijen van de partijen wordt niet verlangd dat zij door de toepassing van dit artikel een lokale partner behouden.

2.

De luchtvaartmaatschappijen van elke partij mogen vrij kantoren en faciliteiten vestigen op het grondgebied van een andere partij, als dat nodig is om in het kader van deze Overeenkomst diensten te verlenen en voor zover praktisch uitvoerbaar en zonder discriminatie.

3.

Onverminderd de veiligheids- en beveiligingsvoorschriften, kunnen dergelijke faciliteiten op een luchthaven worden onderworpen aan beperkingen op grond van de beschikbare ruimte.

4.

De luchtvaartmaatschappijen van beide partijen hebben het recht om leidinggevend, verkoop-, technisch, operationeel en ander gespecialiseerd personeel dat nodig is om de luchtvervoersactiviteiten te ondersteunen, op het grondgebied van een andere partij binnen te brengen, te laten verblijven en te laten werken, overeenkomstig de wetten en regels van die andere partij met betrekking tot toegang, verblijf en werk. De partijen zorgen voor een snelle toekenning van werkvergunningen voor het personeel dat in dienst is bij de in dit artikel bedoelde kantoren, inclusief het personeel dat tijdelijke taken uitvoert, onverminderd de relevante geldende wetten en regels.

6.

Elke partij ziet erop toe dat haar procedures, richtsnoeren en regels voor de toewijzing van slots op de luchthavens op haar grondgebied op transparante, doeltreffende, niet-discriminerende en tijdige wijze worden toegepast.

7.

Een partij mag uitsluitend voor informatiedoeleinden verlangen dat operationele plannen, programma's of dienstregelingen van krachtens deze Overeenkomst geëxploiteerde diensten worden meegedeeld aan haar bevoegde autoriteiten. Als een partij een dergelijke kennisgeving verlangt, beperkt zij de administratieve last van die kennisgevingsvereisten en -procedures voor tussenpersonen en luchtvaartmaatschappijen van een andere partij tot een minimum.

8.

De luchtvaartmaatschappijen van elke partij mogen op het grondgebied van een andere partij luchtvervoers- en aanverwante diensten verkopen, zowel van henzelf als van andere luchtvaartmaatschappijen. Een luchtvaartmaatschappij kan dit, naar eigen inzicht rechtstreeks en/of via verkoopagenten, andere tussenpersonen, online of via een ander beschikbaar kanaal doen. De aan- en verkoop van dergelijke vervoers- en aanverwante diensten is toegestaan in de munteenheid van het grondgebied van de aan- of verkoop of in vrij converteerbare valuta.

9.

Het staat luchtvaartmaatschappijen van elke partij vrij plaatselijke uitgaven, met inbegrip van de aankoop van brandstof op het grondgebied van een andere partij, te betalen in lokale valuta of in converteerbare valuta tegen de geldende wisselkoers.

11.

Bij het exploiteren of aanbieden van luchtdiensten in het kader van deze Overeenkomst mogen luchtvaartmaatschappijen van elke partij coöperatieve marketingregelingen, zoals overeenkomsten inzake voorbehouden capaciteit of codesharingregelingen, sluiten met:

voor zover i) de exploiterende luchtvaartmaatschappij houder is van de passende verkeersrechten, ii) de luchtvaartmaatschappij waarmee de marketingregeling wordt gesloten houder is van de passende rechten met betrekking tot de onderliggende route en iii) de regeling voldoet aan de eisen die gewoonlijk op dergelijke overeenkomsten van toepassing zijn.

12.

Bij het exploiteren of aanbieden van luchtdiensten in het kader van deze Overeenkomst, overeenkomstig artikel A, mogen de luchtvaartmaatschappijen van elke partij coöperatieve marketingregelingen, zoals overeenkomsten inzake voorbehouden capaciteit of codesharingregelingen, sluiten met een luchtvaartmaatschappij die binnenlandse diensten exploiteert, voor zover:

Als de exploiterende luchtvaartmaatschappij van de binnenlandse dienst een maatschappij van de Unie is, betekent het begrip „binnenlandse dienst” een route binnen het grondgebied van een EU-lidstaat; en, als de exploiterende luchtvaartmaatschappij van de binnenlandse dienst een luchtvaartmaatschappij van een ASEAN-lidstaat is, een route op het grondgebied van die ASEAN-lidstaat.

13.

Wanneer passagiersvervoer met coöperatieve marketingregelingen wordt verkocht, moet in het verkooppunt of in elk geval bij de check-in of, indien geen check-in vereist is voor een aansluitende vlucht, alvorens aan boord te gaan aan de koper worden meegedeeld welke vervoerders de verschillende delen van de dienst zullen uitvoeren.

14.

Wanneer luchtvaartmaatschappijen in eigen naam vervoer van passagiers op de grond aanbieden, zijn deze diensten niet onderworpen aan de wetten en regels inzake luchtvervoer.

15.

Niettegenstaande enige andere bepaling van deze Overeenkomst is het luchtvaartmaatschappijen en indirecte aanbieders van vrachtvervoer van elke partij zonder beperking toegestaan om in verband met internationaal luchtvervoer gebruik te maken van alle oppervlaktevervoer voor vracht van en naar willekeurige punten op de grondgebieden van de partijen of in derde landen, met inbegrip van vervoer naar en van alle luchthavens met douanefaciliteiten, en inclusief, indien van toepassing, het recht op douanevervoer van vracht in het kader van de geldende wetten en voorschriften. Deze vracht heeft, ongeacht of het oppervlaktevervoer dan wel luchtvervoer betreft, toegang tot de douaneprocedures en -faciliteiten op de luchthaven. Een luchtvaartmaatschappij kan ervoor kiezen haar oppervlaktevervoer zelf te verzorgen of hiervoor regelingen te treffen met andere aanbieders van oppervlaktevervoer; ze mag bijvoorbeeld een beroep doen op andere luchtvaartmaatschappijen die oppervlaktevervoer aanbieden en op indirecte aanbieders van luchtvrachtvervoer. Dergelijke intermodale vrachtvervoersdiensten kunnen worden aangeboden tegen een prijs waarin zowel het luchtvervoer als het oppervlaktevervoer is inbegrepen, voor zover de expediteurs correcte feitelijke informatie krijgen over dat vervoer.

16.

De luchtvaartmaatschappijen van elke partij mogen in het kader van deze Overeenkomst luchtvervoersdiensten verlenen met:

17.

De betrokken partijen kunnen verlangen dat de leasingovereenkomsten door hun bevoegde autoriteiten worden goedgekeurd teneinde na te gaan of de voorwaarden van lid 16 en de toepasselijke veiligheids- en beveiligingseisen worden nageleefd. Als een partij een dergelijke goedkeuring verlangt, zorgt zij echter voor een vlot verloop van de goedkeuringsprocedures en beperkt zij de administratieve last van die procedures voor de betrokken luchtvaartmaatschappijen tot een minimum. Teneinde elke twijfel uit te sluiten, weze eraan herinnerd dat lid 16 geen afbreuk doet aan de wetten en regels van de partij inzake de leasing van vliegtuigen door maatschappijen van die partij.

Artikel 11. Douanerechten en andere taksen
1.

Bij aankomst op het grondgebied van een andere partij worden luchtvaartuigen die door luchtvaartmaatschappijen van een partij worden ingezet voor internationaal luchtvervoer, hun gebruikelijke apparatuur, brandstof, smeermiddelen, technische verbruiksgoederen, grondapparatuur, reserveonderdelen (inclusief motoren), boordproviand (inclusief voedsel, drank, alcoholische dranken, tabak en andere producten die bestemd zijn om tijdens de vlucht in beperkte hoeveelheden aan passagiers te worden verkocht of door passagiers te worden verbruikt) en andere voorwerpen die bestemd zijn voor of uitsluitend worden gebruikt in verband met de exploitatie of het onderhoud van voor internationaal luchtvervoer ingezette luchtvaartuigen, voor zover zij aan boord van het luchtvaartuig blijven, op basis van wederkerigheid en voor zover de binnenlandse wetten en regels van de partijen dit toestaan, vrijgesteld van alle invoerbeperkingen, eigendomstaksen en heffingen op activa, douanerechten, accijnzen, inspectievergoedingen, belasting over de toegevoegde waarde of andere vergelijkbare indirecte belastingen en soortgelijke vergoedingen en rechten die:

Om twijfel uit te sluiten, worden luchtvaartuigen en andere goederen als bedoeld in dit lid beschouwd als roerende goederen en doet niets in dit artikel afbreuk aan de geldigheid en toepassing van artikel 24 van het Verdrag van Chicago.

2.

Voor zover de respectieve binnenlandse wetten en regels van de partijen dit toelaten, wordt, op basis van wederkerigheid, ook vrijstelling verleend van de belastingen, heffingen, rechten, vergoedingen en lasten als bedoeld in lid 1 van dit artikel, met uitzondering van de lasten die gebaseerd zijn op de kosten van de dienstverlening, voor:

3.

Met betrekking tot de in dit artikel bedoelde vrijstellingen behandelen de partijen de luchtvaartmaatschappijen van een andere partij niet minder gunstig dan hun eigen luchtvaartmaatschappijen of dan luchtvaartmaatschappijen van een derde land, als dat gunstiger is.

4.

Niets in deze Overeenkomst verhindert een partij om belastingen, heffingen, taksen of vergoedingen in rekening te brengen voor brandstof die op haar grondgebied op niet-discriminerende basis wordt geleverd voor gebruik in een luchtvaartuig of door een luchtvaartmaatschappij van een andere partij die vluchten exploiteert tussen twee punten op haar grondgebied.

5.

De normale boordapparatuur van een luchtvaartuig, alsook de in de leden 1 en 2 van dit artikel vermelde benodigdheden, voorraden en reserveonderdelen die normaal aan boord van een luchtvaartuig van een luchtvaartmaatschappij van een partij worden meegenomen, mogen alleen met toestemming van de douaneautoriteiten van de andere partij op het grondgebied van die partij worden uitgeladen; bovendien kan worden vereist dat ze onder toezicht of controle van de bevoegde autoriteiten blijven tot ze opnieuw worden uitgevoerd of op een andere wijze worden verwijderd overeenkomstig de douaneregels.

6.

De in dit artikel vermelde vrijstellingen gelden eveneens wanneer de luchtvaartmaatschappijen van een partij met een andere luchtvaartmaatschappij, die ook dergelijke vrijstellingen geniet van een andere partij, is overeengekomen de in de leden 1 en 2 van dit artikel gespecificeerde artikelen te lenen of over te dragen naar het grondgebied van die andere partij.

7.

Niets in deze Overeenkomst belet een partij om belastingen, heffingen, accijnzen, kosten of lasten in rekening te brengen bij de verkoop van artikelen voor andere doeleinden dan voor verbruik aan boord gedurende een deel van een luchtdienst tussen twee zich op haar grondgebied bevindende punten waar in- of uitstappen is toegestaan.

8.

Bagage en vracht in directe transit op het grondgebied van een partij worden vrijgesteld van belastingen, douaneheffingen, vergoedingen en andere vergelijkbare heffingen die niet op de prijs van de dienstverlening zijn gebaseerd.

9.

De verplichting mag worden opgelegd om de in de leden 1 en 2 van dit artikel vermelde apparatuur en benodigdheden onder toezicht of controle van de bevoegde autoriteiten te bewaren.

10.

De bepalingen van de tussen EU-lidstaten en ASEAN-lidstaten gesloten overeenkomsten inzake het vermijden van dubbele belasting op inkomsten en kapitaal worden niet gewijzigd bij de onderhavige Overeenkomst.

Artikel 12. Gebruikersheffingen
1.

Elke partij ziet erop toe dat de door haar bevoegde heffingsautoriteiten of -organen voor het gebruik van luchtvaartnavigatie en luchtverkeersleiding aan luchtvaartmaatschappijen van de andere partij opgelegde gebruikersheffingen kostengerelateerd en niet-discriminerend zijn en worden opgelegd volgens voorwaarden die niet minder gunstig zijn dan de gunstigste voorwaarden die elke andere luchtvaartmaatschappij in vergelijkbare omstandigheden kan verkrijgen op het tijdstip dat de heffingen worden opgelegd.

2.

Met uitzondering van de heffingen die worden opgelegd voor de in artikel 10, lid 5, beschreven diensten, ziet elke partij erop toe dat gebruikersheffingen die door haar bevoegde heffingsautoriteiten of -organen aan luchtvaartmaatschappijen van een andere partij worden opgelegd voor het gebruik van luchthavens, luchtvaartbeveiliging en bijbehorende faciliteiten en diensten, niet ongerechtvaardigd discriminerend zijn en billijk worden verdeeld over de verschillende categorieën gebruikers. De heffingen mogen niet hoger liggen dan de volledige kosten die de bevoegde heffingsautoriteiten of -organen maken voor het verlenen van de passende luchthaven- en luchtvaartbeveilingsvoorzieningen en -diensten op die luchthaven of op de luchthavens waarop een gemeenschappelijke heffingsregeling van toepassing is. Deze heffingen mogen echter een redelijk rendement op kapitaal omvatten. De voorzieningen en diensten waarover gebruikersheffingen worden geheven, moeten op efficiënte en economische wijze worden verleend. In elk geval worden die gebruikersheffingen aan de luchtvaartmaatschappijen van een andere partij opgelegd volgens voorwaarden die niet minder gunstig zijn dan de gunstigste voorwaarden die elke andere luchtvaartmaatschappij in vergelijkbare omstandigheden kan verkrijgen op het tijdstip dat de heffingen worden opgelegd.

3.

Elke partij eist dat haar bevoegde heffingsautoriteiten of -organen de luchtvaartmaatschappijen die gebruik maken van de diensten en installaties raadplegen en met die maatschappijen de informatie uitwisselen die nodig is om op accurate wijze te kunnen beoordelen of de gebruikersheffingen redelijk zijn, overeenkomstig de beginselen van leden 1 en 2 van dit artikel. Elke partij ziet erop toe dat haar bevoegde heffingsautoriteiten of -organen de luchtvaartmaatschappijen binnen een redelijke termijn in kennis stellen van ieder voorstel tot wijziging van de gebruikersheffingen, zodat zij hun standpunten en opmerkingen kunnen meedelen alvorens wijzigingen worden doorgevoerd.

Artikel 13. Tarieven
1.

De partijen staan toe dat de luchtvaartmaatschappijen van de partijen hun tarieven vrij vaststellen.

2.

Elke partij mag op niet-discriminerende basis eisen dat de luchtvaartmaatschappijen van de partijen hun bevoegde autoriteiten, op vereenvoudigde wijze en uitsluitend ter informatie, in kennis stellen van de passagiers- en vrachttarieven van diensten die vanop haar grondgebied vertrekken. Die kennisgeving mag ten vroegste van de luchtvaartmaatschappijen worden verlangd op het ogenblik dat een tarief voor het eerst wordt aangeboden.

Artikel 14. Statistieken
1.

Elke partij verstrekt de andere partijen de beschikbare statistieken over het luchtvervoer in het kader van deze Overeenkomst, voor zover redelijkerwijs vereist, met inachtneming van de respectieve wet- en regelgeving van de partijen en op niet-discriminerende basis.

2.

De partijen werken samen om de onderlinge uitwisseling van statistische informatie te faciliteren met het oog op de monitoring van de ontwikkeling van het luchtvervoer in het kader van deze Overeenkomst.

Artikel 15. Veiligheid van de luchtvaart
1.

De partijen bevestigen opnieuw het belang van nauwe samenwerking op het gebied van de veiligheid van de luchtvaart. In dat verband komen de partijen overeen waar nodig verdere samenwerking aan te gaan, met name inzake het faciliteren van de uitwisseling van veiligheidsinformatie, de mogelijke deelname aan elkaars toezichtactiviteiten of de uitvoering van gezamenlijke toezichtactiviteiten, alsmede de ontwikkeling van gezamenlijke projecten en initiatieven, ook met landen die geen partij zijn bij deze Overeenkomst.

2.

Bewijzen van luchtwaardigheid, bevoegdheidsbewijzen en vergunningen die door een partij zijn afgegeven of geldig verklaard en die nog steeds van kracht zijn, worden door een andere partij en haar bevoegde autoriteiten erkend als geldig voor de exploitatie van luchtdiensten in het kader van deze Overeenkomst, mits die bewijzen of vergunningen zijn afgegeven of geldig zijn verklaard op grond van en in overeenstemming met, ten minste, de relevante internationale normen die in het kader van het Verdrag van Chicago zijn vastgesteld.

3.

Elke partij kan op elk ogenblik verzoeken om overleg over de door een andere partij gehandhaafde en toegepaste veiligheidsnormen in verband met luchtvaartfaciliteiten, vliegtuigbemanningen, luchtvaartuigen en de exploitatie van luchtvaartuigen. Dit overleg vindt plaats binnen dertig (30) dagen na de datum van ontvangst van het verzoek.

4.

Als de verzoekende partij na het in lid 3 van dit artikel bedoelde overleg tot de bevinding komt dat de door de andere partij op de in lid 3 van dit artikel bedoelde gebieden daadwerkelijk toegepaste en gehandhaafde veiligheidsnormen niet ten minste gelijkwaardig zijn aan de krachtens het Verdrag van Chicago vastgestelde minimumnormen, wordt die andere partij in kennis gesteld van die bevindingen en van de stappen die nodig worden geacht om aan deze minimumnormen te voldoen. Als die andere partij nalaat binnen vijftien (15) dagen na de datum van ontvangst van die kennisgeving of een overeengekomen termijn passende corrigerende maatregelen te nemen, is dit voor de in lid 3 van dit artikel bedoelde verzoekende partij een reden om de exploitatievergunningen of technische machtigingen van een luchtvaartmaatschappij die onder het veiligheidstoezicht van die andere partij staat, te weigeren, in te trekken, te schorsen, aan voorwaarden te onderwerpen of te beperken, of om de activiteiten van een luchtvaartmaatschappij die onder het veiligheidstoezicht van die andere partij staat, anderszins te weigeren, in te trekken, te schorsen, aan voorwaarden te onderwerpen of te beperken.

5.

Alle luchtvaartuigen die door of namens een luchtvaartmaatschappij van een partij worden geëxploiteerd, mogen door de bevoegde autoriteiten van een andere partij worden onderzocht wanneer zij zich op het grondgebied van die partij bevinden (platforminspectie), teneinde de geldigheid van de relevante documenten van het luchtvaartuig en van de bemanning en de zichtbare staat van het luchtvaartuig en zijn apparatuur te controleren, voor zover een dergelijke controle geen onredelijke vertraging in de exploitatie van het luchtvaartuig veroorzaakt.

6.

Als een partij, na het verrichten van een platforminspectie, vaststelt dat een luchtvaartuig of de exploitatie van een luchtvaartuig niet aan de krachtens het Verdrag van Chicago vastgestelde minimumnormen beantwoordt, of dat de krachtens het Verdrag van Chicago vastgestelde veiligheidsnormen niet doeltreffend genoeg worden gehandhaafd en toegepast, of als zij geen toegang krijgt om een platforminspectie te verrichten, stelt zij de luchtvaartautoriteiten van de partij die belast zijn met het veiligheidstoezicht op de luchtvaartmaatschappij die het betrokken luchtvaartuig exploiteert in kennis van die bevindingen en van de stappen die nodig worden geacht om aan deze minimumnormen te voldoen. Als een partij nalaat binnen vijftien (15) dagen na de datum van ontvangst van die kennisgeving of een overeengekomen termijn passende corrigerende maatregelen te nemen, is dit voor de eerste partij een reden om de exploitatievergunningen of technische machtigingen van de luchtvaartmaatschappij die het luchtvaartuig exploiteert, te weigeren, in te trekken, te schorsen, aan voorwaarden te onderwerpen of te beperken, dan wel om de activiteiten van de luchtvaartmaatschappij die het luchtvaartuig exploiteert, te weigeren, in te trekken, te schorsen, aan voorwaarden te onderwerpen of te beperken.

7.

Elke partij heeft het recht onmiddellijk maatregelen te treffen, waaronder het recht om exploitatievergunningen of technische machtigingen van een luchtvaartmaatschappij van een andere partij in te trekken, te schorsen of te beperken, of de activiteiten van een luchtvaartmaatschappij van een andere partij anderszins te schorsen of te beperken, indien zij concludeert dat dit noodzakelijk is vanwege een onmiddellijke bedreiging van de luchtvaartveiligheid. De partij die dergelijke maatregelen neemt, stelt de andere partij daar onverwijld van in kennis, met opgave van de redenen voor die maatregelen.

8.

Alle overeenkomstig lid 4, 6 of 7 van dit artikel door een partij genomen maatregelen worden stopgezet zodra de aanleiding voor het nemen van die maatregelen is weggevallen.

Artikel 16. Beveiliging van de luchtvaart
1.

Beide partijen bevestigen dat hun verplichtingen tegenover elkaar ook de beveiliging van de burgerluchtvaart tegen wederrechtelijke daden omvatten, met name hun verplichtingen uit hoofde van het Verdrag van Chicago, het Verdrag inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen begaan aan boord van luchtvaartuigen, ondertekend in Tokio op 14 september 1963, het Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen, ondertekend in Den Haag op 16 december 1970, het Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de burgerluchtvaart, ondertekend in Montreal op 23 september 1971, het Protocol tot bestrijding van wederrechtelijke daden van geweld op luchthavens voor de internationale burgerluchtvaart, ondertekend te Montreal op 24 februari 1988, en het Verdrag inzake het merken van kneedspringstoffen ten behoeve van de opsporing ervan, ondertekend te Montreal op 1 maart 1991, voor zover de partijen ook partij zijn bij deze verdragen, en alle andere verdragen en protocollen inzake de beveiliging van de burgerluchtvaart waartoe de partijen zijn toegetreden.

2.

Op verzoek verlenen de partijen elkaar alle nodige bijstand om iedere bedreiging van de veiligheid van de burgerluchtvaart het hoofd te bieden, waaronder het voorkomen van wederrechtelijk de macht verwerven over burgerluchtvaartuigen en andere wederrechtelijke daden tegen de veiligheid van dergelijke luchtvaartuigen, hun passagiers en bemanning, luchthavens en luchtvaartnavigatiefaciliteiten, en alle andere dreigingen tegen de beveiliging van de burgerluchtvaart.

3.

De partijen handelen in hun wederzijdse betrekkingen overeenkomstig de ICAO-normen voor de beveiliging van de luchtvaart. Zij eisen dat exploitanten van luchtvaartuigen die in hun register zijn opgenomen, exploitanten van luchtvaartuigen die hun hoofdkantoor of permanente verblijfplaats op hun grondgebied hebben gevestigd en exploitanten van luchthavens op hun grondgebied handelen overeenkomstig deze normen voor de beveiliging van de luchtvaart.

4.

Elke partij ziet erop toe dat op haar grondgebied effectieve maatregelen worden genomen om de burgerluchtvaart te beschermen tegen wederrechtelijke daden, inclusief screening van passagiers en hun handbagage, screening van ruimbagage, screening en beveiligingscontroles van andere personen dan passagiers, daaronder begrepen bemanningsleden, en de voorwerpen die zij bij zich dragen, screening en beveiligingscontroles van goederen, post, boordbenodigdheden en luchthavenbenodigdheden en controles van de toegang tot de luchtzijde en tot om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones. Die maatregelen worden aangepast aan een eventuele toename van de dreiging tegen de beveiliging van de burgerluchtvaart. Elke partij stemt ermee in dat veiligheidsvoorschriften van een andere partij inzake binnenkomst op en vertrek uit het grondgebied door luchtvaartuigen in acht moeten worden genomen.

5.

Met volle achting en wederzijds respect voor elkaars soevereiniteit kan een partij beveiligingsmaatregelen treffen met betrekking tot de binnenkomst op zijn grondgebied, alsook noodmaatregelen om het hoofd te bieden aan een specifieke bedreiging van de beveiliging; deze maatregelen moeten onverwijld aan de betrokken partij(en) worden meegedeeld. Iedere partij geeft ook gunstig gevolg aan elk verzoek van een andere partij om bijzondere doch redelijke beveiligingsmaatregelen te nemen, en de andere partij houdt rekening met de reeds door die eerste partij toegepaste beveiligingsmaatregelen en met het door de eerste partij uitgedrukte standpunt. Elke partij stelt de andere betrokken partij(en) van tevoren in kennis van de bijzondere beveiligingsmaatregelen die zij wenst in te voeren en die aanzienlijke financiële of operationele gevolgen kunnen hebben voor de luchtvervoersdiensten die uit hoofde van deze Overeenkomst worden verleend, tenzij dit in noodgevallen redelijkerwijs niet mogelijk is. Bovendien mag elke partij verzoeken om een vergadering van het bij artikel 23 ingestelde Gemengd Comité om dergelijke beveiligingsmaatregelen te bespreken.

6.

Elke partij erkent echter dat niets in dit artikel een beperking vormt van de bevoegdheid van een andere partij om een vlucht of vluchten die zij als een bedreiging voor haar veiligheid beschouwt de toegang tot haar grondgebied te ontzeggen.

7.

Onverminderd de noodzaak om onmiddellijk maatregelen te nemen ter bescherming van de veiligheid in de luchtvaart bevestigen de partijen dat wanneer een partij overweegt beveiligingsmaatregelen te nemen, zij de mogelijke nadelige gevolgen voor het internationale luchtverkeer dient in te schatten, en, tenzij de wet hierin beperkingen oplegt, bij het vaststellen van de maatregelen die vanuit genoemde veiligheidsoverwegingen nodig en passend zijn, met deze factoren rekening dient te houden.

8.

Bij incidenten waarbij wederrechtelijk de macht over een burgerluchtvaartuig wordt verworven of een andere wederrechtelijke daad tegen de veiligheid van luchtvaartuigen, hun passagiers en bemanning, luchthavens en luchtvaartnavigatiefaciliteiten wordt gepleegd, of wanneer er sprake is van een dergelijke dreiging, staan de partijen elkaar bij door de communicatie te vergemakkelijken en andere passende maatregelen te nemen om snel en veilig een eind te maken aan het incident of de dreiging.

9.

Elke partij neemt alle maatregelen die zij praktisch haalbaar acht om te garanderen dat een luchtvaartuig dat zich op haar grondgebied op de grond bevindt en waartegen een daad van wederrechtelijk in zijn macht brengen of een andere wederrechtelijke daad is gesteld, aan de grond wordt gehouden, tenzij het vertrek van het luchtvaartuig noodzakelijk is om mensenlevens te beschermen. Dergelijke maatregelen worden zoveel mogelijk genomen in overleg met de betrokken partijen.

10.

Wanneer een partij aannemelijke redenen heeft om aan te nemen dat een andere partij de voorschriften van dit artikel niet naleeft, mag de eerste partij onmiddellijk om overleg met die andere partij vragen. Dit overleg vangt aan binnen dertig (30) dagen na de datum van ontvangst van het verzoek. Als de partijen er niet in slagen om een overeenkomst te bereiken binnen vijftien (15) dagen of binnen een afgesproken termijn na het begin van het overleg heeft de partij die om overleg heeft gevraagd het recht om maatregelen te nemen om de exploitatievergunning of de technische machtiging van luchtvaartmaatschappijen van de andere partij te weigeren, in te trekken, op te schorten, te beperken of aan voorwaarden te onderwerpen om de naleving van dit artikel te waarborgen. Wanneer een noodsituatie dit vereist of om verdere niet-naleving van dit artikel te voorkomen, kan de eerste partij voorlopige maatregelen nemen om de exploitatievergunning of technische machtigingen van luchtvaartmaatschappijen van die andere partij te weigeren, in te trekken, te schorsen, aan voorwaarden te onderwerpen of te beperken, teneinde de naleving van de bepalingen van dit artikel te waarborgen.

11.

Alle maatregelen die overeenkomstig lid 10 van dit artikel door de eerste in dat lid genoemde partij worden genomen, worden beëindigd zodra de andere betrokken partij dit artikel naleeft.

Artikel 17. Luchtverkeersbeheer
1.

De partijen komen overeen samen te werken op het gebied van regelgeving met betrekking tot luchtvaartnavigatiediensten, met inbegrip van het veiligheidstoezicht daarop. Zij komen overeen alle beleidskwesties in verband met de prestaties van het luchtverkeersbeheer te behandelen, teneinde de algemene vluchtefficiëntie te optimaliseren, de kosten te drukken, de milieu-impact tot een minimum te beperken en de veiligheid en capaciteit van de luchtverkeersstromen tussen de bestaande verkeersbeheersystemen van de partijen te vergroten.

2.

De partijen komen overeen hun bevoegde autoriteiten en verleners van luchtvaartnavigatiediensten aan te moedigen samen te werken om de interoperabiliteit tussen de luchtverkeersleidingssystemen van de partijen te waarborgen en de verdere integratie van hun systemen te onderzoeken, de milieueffecten van de luchtvaart te verminderen en waar nodig informatie uit te wisselen.

3.

De partijen komen overeen de samenwerking tussen hun verleners van luchtvaartnavigatiediensten te bevorderen met het oog op de uitwisseling van vluchtgegevens en de coördinatie van verkeersstromen om de vluchtefficiëntie te optimaliseren met het oog op een betere voorspelbaarheid, stiptheid en continuïteit van de dienstverlening voor het luchtverkeer.

4.

De partijen komen overeen om samen te werken aan hun programma’s voor de modernisering van het luchtverkeersbeheer, met inbegrip van ontwikkelings- en uitrolactiviteiten, en om de wederzijdse deelname aan validerings- en demonstratieactiviteiten aan te moedigen.

Artikel 18. Milieu
1.

De partijen ondersteunen de noodzaak aan milieubescherming door de duurzame ontwikkeling van de luchtvaart te bevorderen. De partijen nemen zich voor samen te werken om na te gaan welke gevolgen de internationale luchtvaart heeft voor het milieu.

2.

De partijen erkennen het belang van onderlinge en wereldwijde samenwerking om de gevolgen van de luchtvaart voor het milieu te onderzoeken en zoveel mogelijk te beperken.

3.

De partijen herhalen dat het belangrijk is de klimaatverandering aan te pakken en komen overeen daartoe samen te werken bij de aanpak van de door de luchtvaart veroorzaakte broeikasgasemissies, zowel op nationaal als op internationaal niveau.

4.

De partijen komen overeen informatie uit te wisselen en op deskundigenniveau regelmatig overleg te voeren om nauwer samen te werken bij het aanpakken van de milieueffecten van de internationale luchtvaart, onder meer op gebieden als onderzoek en ontwikkeling, duurzame luchtvaartbrandstoffen, geluidshinder en andere maatregelen om de broeikasgasemissies terug te dringen, rekening houdend met hun multilaterale milieurechten en -verplichtingen.

5.

De partijen erkennen dat het noodzakelijk is passende maatregelen te nemen om de gevolgen van de luchtvaart voor het milieu te voorkomen of te beperken, voor zover die maatregelen volledig verenigbaar zijn met hun rechten en plichten uit hoofde van het internationaal recht.

Artikel 19. Aansprakelijkheid van luchtvaartmaatschappijen

De partijen die het Verdrag van Montreal hebben geratificeerd, herbevestigen hun verplichtingen uit hoofde van dat Verdrag. De overige partijen verbinden zich ertoe het Verdrag van Montreal zo spoedig mogelijk te ratificeren en het Gemengd Comité daarvan in kennis te stellen.

Artikel 20. Consumentenbescherming

De partijen komen overeen samen te werken om de belangen van de consumenten in de luchtvaart te beschermen. Het doel van deze samenwerking is een hoog niveau van consumentenbescherming te bereiken, rekening houdend met het belang van alle actoren en de verschillende kenmerken van de partijen. Daartoe plegen de partijen in het Gemengd Comité overleg over aangelegenheden die van belang zijn voor de consument, met inbegrip van voorgenomen maatregelen, teneinde in de mate van het mogelijke voor een grotere compatibiliteit tussen de regelgeving van de partijen te zorgen.

Artikel 21. Geautomatiseerde boekingssystemen
1.

Op het grondgebied van een partij opererende verkopers van geautomatiseerde boekingssystemen („CRS’en”) mogen hun CRS’en invoeren, in stand houden en vrij ter beschikking stellen van reisbureaus of touroperators wier belangrijkste activiteit bestaat in de distributie van reisproducten op het grondgebied van een andere partij, mits het CRS voldoet aan alle desbetreffende wettelijke voorschriften van die partij.

2.

De partijen schrappen alle bestaande eisen die de vrije toegang van de CRS’en van een partij tot de markt van een andere partij beperken of anderszins de concurrentie tussen verkopers van CRS’en belemmeren. De partijen weerhouden zich ervan dergelijke eisen in de toekomst vast te stellen.

3.

Geen enkele partij mag op haar grondgebied aan de verkopers van CRS’en andere eisen met betrekking tot de schermen van die CRS’en opleggen, of toestemming geven om andere eisen op te leggen dan die welke aan haar eigen verkopers of andere op haar markt gebruikte CRS’en worden opgelegd. Geen enkele partij mag verhinderen dat tussen verkopers van CRS’en, dienstverleners die gebruik maken van deze CRS’en en abonnees daarvan, overeenkomsten worden gesloten, voor zover die overeenkomsten het gemakkelijker maken om uitgebreide en neutrale reisinformatie te verstrekken aan de consumenten of te voldoen aan regelgevende voorschriften inzake neutrale schermen.

4.

Eigenaars en exploitanten van CRS’en van een partij moeten, afhankelijk van de relevante regelgeving van de andere partij, dezelfde mogelijkheden krijgen om CRS’en te exploiteren of eigenaar te worden van CRS’en op het grondgebied van die andere partij als de eigenaars en exploitanten van andere CRS’en op de markt van die andere partij hebben.

5.

Als CRS’en onder een vrijhandelsovereenkomst vallen (die onder artikel V.1, lid 1, van de Algemene Overeenkomst betreffende de handel in diensten valt) die wordt ondertekend of waarover wordt onderhandeld tussen de Unie en een ASEAN-lidstaat, zijn de leden 1 tot en met 4 van dit artikel niet van toepassing op die ASEAN-lidstaat.

Artikel 22. Sociale aspecten
1.

De partijen erkennen dat het belangrijk is rekening te houden met het effect van deze Overeenkomst op de werkgelegenheid en de arbeidsomstandigheden. De partijen komen overeen samen te werken met betrekking tot arbeidskwesties die onder het toepassingsgebied van deze Overeenkomst vallen, onder meer wat betreft de gevolgen voor de werkgelegenheid, de fundamentele rechten op de werkplek, de arbeidsomstandigheden, de sociale bescherming en de sociale dialoog.

2.

De partijen erkennen het recht van elke partij om haar eigen niveau van binnenlandse arbeidsbescherming vast te stellen wanneer zij dit passend acht, en om haar relevante wetgeving en beleid vast te stellen of te wijzigen overeenkomstig de beginselen van internationaal erkende normen in internationale overeenkomsten waarbij zij partij is. De partijen zien erop toe dat de rechten en beginselen in hun respectieve wet- en regelgeving niet worden ondermijnd, maar daadwerkelijk worden gehandhaafd.

3.

Elke partij blijft haar wetgeving en beleidslijnen verbeteren en levert inspanningen om een hoog niveau van arbeidsbescherming in de luchtvaartsector te bieden en aan te moedigen. De partijen erkennen dat de schending van de fundamentele principes en rechten met betrekking tot werk niet als legitiem relatief voordeel mag worden ingeroepen of op andere wijze als zodanig mag worden gebruikt, en dat de arbeidsnormen niet voor protectionistische doeleinden mogen worden gebruikt.

4.

De partijen herbevestigen hun verbintenis om, conform hun verplichtingen als lid van de Internationale Arbeidsorganisatie (hierna „IAO” genoemd) en conform de verklaring van de IAO over de fundamentele principes en rechten op het werk en de follow-up daarvan, die op 18 juni 1998 in Genève is aangenomen, die verklaring te eerbiedigen, te bevorderen en uit te voeren.

5.

De partijen promoten de doelstellingen die zijn opgenomen in de Agenda voor waardig werk van de IAO en de verklaring van de IAO over sociale gerechtigheid voor een eerlijke mondialisering, die op 10 juni 2008 is aangenomen te Genève.

6.

Elke partij verbindt zich ertoe om alles in het werk te stellen om, voor zover dat nog niet gebeurd is, de fundamentele IAO-verdragen te ratificeren. De partijen nemen ook de ratificatie en daadwerkelijke toepassing van andere IAO-verdragen en voor de burgerluchtvaart relevante internationale sociale en arbeidsnormen in overweging, rekening houdend met de binnenlandse context.

7.

Elke partij mag vragen dat het Gemengd Comité bijeenkomt om arbeidskwesties te bespreken en door die partij belangrijk geachte relevante informatie uit te wisselen.

Artikel 23. Het Gemengd Comité
1.

Een Gemengd Comité van vertegenwoordigers van de partijen wordt belast met het toezicht op het beheer van deze Overeenkomst en moet de correcte uitvoering daarvan waarborgen.

2.

Het Gemengd Comité zorgt voor de opstelling en vaststelling van zijn reglement van orde.

3.

Het Gemengd Comité komt bijeen wanneer dat nodig is, doch minstens eenmaal per jaar. Elke partij kan te allen tijde een verzoek indienen om een vergadering van het Gemengd Comité te beleggen. Een dergelijke vergadering wordt zo snel mogelijk belegd, doch uiterlijk twee (2) maanden na de datum waarop het verzoek is ontvangen, tenzij de partijen anders overeenkomen.

4.

Met het oog op de correcte uitvoering van deze Overeenkomst zal het Gemengd Comité:

5.

Aanbevelingen en besluiten worden vastgesteld bij consensus tussen de Unie en haar lidstaten, enerzijds, en alle ASEAN-lidstaten, anderzijds. De besluiten van het Gemengd Comité zijn bindend voor de partijen.

Artikel 24. Uitvoering
1.

Geen enkele bepaling in deze Overeenkomst mag zodanig worden uitgelegd dat zij rechten toekent of verplichtingen oplegt die door onderdanen van een partij rechtstreeks kunnen worden ingeroepen voor de rechterlijke instanties van een andere partij.

2.

De partijen treffen alle algemene of specifieke maatregelen welke geschikt zijn om de nakoming van de uit deze Overeenkomst voortvloeiende verplichtingen te verzekeren.

3.

Bij de uitoefening van hun rechten uit hoofde van deze Overeenkomst nemen de partijen maatregelen die passend en evenredig zijn ten opzichte van hun respectieve doelstellingen.

4.

De partijen onthouden zich van alle maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van deze Overeenkomst in gevaar kunnen brengen.

5.

Elke partij is op haar eigen grondgebied verantwoordelijk voor de handhaving van deze Overeenkomst.

6.

Elke partij verstrekt, met inachtneming van de toepasselijke wet- en regelgeving van de respectieve partijen, een andere partij alle nodige informatie en bijstand in het geval van onderzoeken naar mogelijke inbreuken die die andere partij overeenkomstig deze Overeenkomst begaat.

7.

Deze Overeenkomst belet de verantwoordelijke autoriteiten van de partijen niet om buiten het Gemengd Comité samen te werken, overleg te plegen en besprekingen te voeren, onder meer op het gebied van de ontwikkeling van de luchtvaart, beveiliging, veiligheid, milieu, sociaal beleid, luchtverkeersbeheer, luchtvaartinfrastructuur, mededingingskwesties en consumentenbescherming. De partijen houden het Gemengd Comité op de hoogte van de resultaten van overleg en besprekingen die een effect kunnen hebben op de interpretatie of toepassing van deze verordening.

8.

Wanneer in deze Overeenkomst wordt verwezen naar samenwerking tussen de partijen, streven de partijen naar overeenstemming voor gezamenlijke actie om deze Overeenkomst verder te ontwikkelen en/of de werking ervan op de betrokken gebieden te verbeteren, op basis van wederzijdse instemming.

Artikel 25. Geschillenbeslechting en arbitrage
1.

Onverminderd de artikelen 5 en 8 kunnen een of meer partijen voor elk geschil in verband met de toepassing of interpretatie van deze Overeenkomst een beroep doen op het in dit artikel bedoelde geschillenbeslechtingsmechanisme.

2.

Onverminderd voorafgaand overleg tussen de partijen in het kader van deze Overeenkomst stelt een partij die een beroep wenst te doen op het in dit artikel bedoelde geschillenbeslechtingsmechanisme de andere betrokken partij(en) schriftelijk in kennis van haar voornemen en vraagt zij het Gemengd Comité om overleg te organiseren.

4.

Niettegenstaande de leden 2 en 3 van dit artikel kan het geschil, indien een partij maatregelen neemt om de exploitatievergunning of technische machtiging van een luchtvaartmaatschappij van een andere partij te weigeren, in te trekken, te schorsen, aan voorwaarden te onderwerpen of om de activiteiten van een luchtvaartmaatschappij van die andere partij anderszins te weigeren, te schorsen, aan voorwaarden te onderwerpen of te beperken, onmiddellijk ter beslissing aan een persoon of orgaan worden voorgelegd of aan arbitrage worden onderworpen. De respectieve in de leden 10, 11 en 12, vermelde termijnen worden gehalveerd.

5.

Het verzoek om arbitrage wordt door een of meer partijen (voor de toepassing van dit artikel hierna gezamenlijk „de initiatiefnemer” genoemd) schriftelijk gericht aan de betrokken partij(en) (voor de toepassing van dit artikel hierna gezamenlijk „de antwoordende partij” genoemd). In zijn verzoek legt de initiatiefnemer de te regelen kwesties voor, beschrijft hij de maatregel en licht hij toe waarom hij van oordeel is dat die maatregel strijdig is met deze Overeenkomst.

6.

Tenzij de initiatiefnemer en de antwoordende partij anders overeenkomen, wordt de arbitrage uitgevoerd door een als volgt samen te stellen scheidsgerecht van drie scheidsrechters:

7.

Het scheidsgerecht wordt opgericht op de datum waarop de laatste van de drie (3) scheidsrechters zijn aanstelling aanvaardt.

8.

De arbitrageprocedure wordt gevoerd overeenkomstig het reglement van orde dat het Gemengd Comité tijdens zijn eerste bijeenkomst vaststelt met inachtneming van dit artikel en overeenkomstig artikel 23, lid 4, punt b), en lid 5. Tot het Gemengd Comité het reglement van orde heeft vastgesteld, stelt het scheidsgerecht zijn eigen reglement van orde vast.

9.

Op verzoek van de initiatiefnemer of de antwoordende partij kan het scheidsgerecht, in afwachting van zijn definitieve uitspraak, voorlopige verzachtende maatregelen gelasten, met inbegrip van de wijziging of schorsing van maatregelen die krachtens deze Overeenkomst door de initiatiefnemer of antwoordende partij zijn genomen.

10.

Uiterlijk negentig (90) dagen na de datum van oprichting stelt het scheidsgerecht de initiatiefnemer en de antwoordende partij in kennis van een tussentijds verslag waarin de resultaten van het feitenonderzoek, de toepasselijkheid van de desbetreffende bepalingen alsmede de aan zijn bevindingen en aanbevelingen ten grondslag liggende beweegredenen zijn uiteengezet. Wanneer het scheidsgerecht van oordeel is dat deze termijn niet kan worden gehaald, stelt de voorzitter van het scheidsgerecht de initiatiefnemer en antwoordende partij hier schriftelijk van in kennis, met opgave van de redenen voor de vertraging en de datum waarop het scheidsgerecht zijn tussentijds verslag naar verwachting zal kunnen voorstellen. Het scheidsgerecht maakt zijn tussentijds verslag uiterlijk honderdtwintig (120) dagen na de datum van instelling van het scheidsgerecht bekend.

11.

Binnen veertien (14) dagen na de datum waarop het tussentijds verslag is bekendgemaakt, kan de initiatiefnemer of de antwoordende partij het gerecht schriftelijk verzoeken bepaalde aspecten van dat verslag opnieuw te onderzoeken. Het scheidsgerecht kan het tussentijds verslag naar aanleiding van schriftelijke opmerkingen van de initiatiefnemer en de antwoordende partij wijzigen, en wanneer het dat zinvol acht, de zaak nader onderzoeken. In de definitieve uitspraak van het scheidsgerecht worden de in de tussentijdse onderzoeksfase naar voren gebrachte argumenten afdoende besproken en wordt duidelijk ingegaan op de vragen en opmerkingen van de initiatiefnemer en de antwoordende partij.

12.

Het scheidsgerecht stelt de initiatiefnemer en de antwoordende partij uiterlijk honderdtwintig (120) dagen na de datum waarop het is ingesteld in kennis van zijn definitieve uitspraak. Wanneer het scheidsgerecht van oordeel is dat deze termijn niet kan worden gehaald, stelt de voorzitter van het scheidsgerecht de initiatiefnemer en de antwoordende partij hiervan schriftelijk in kennis, met opgave van de redenen voor de vertraging en de datum waarop het scheidsgerecht plant een besluit te nemen. Het scheidsgerecht maakt zijn definitieve uitspraak uiterlijk honderdvijftig (150) dagen na de datum waarop het is ingesteld bekend.

13.

Behalve in de in lid 4 van dit artikel bedoelde omstandigheden worden de respectieve termijnen van de leden 10, 11 en 12 van dit artikel ook gehalveerd:

14.

De initiatiefnemer en de antwoordende partij kunnen binnen tien (10) dagen na de datum waarop het scheidsgerecht een definitieve beslissing heeft genomen, het scheidsgerecht om toelichting verzoeken; toelichtingen worden binnen vijftien (15) dagen na de datum van het verzoek gegeven.

15.

Als het scheidsgerecht een schending van deze Overeenkomst vaststelt en de partij waarvan geoordeeld is dat ze deze Overeenkomst heeft geschonden zich niet aan de definitieve uitspraak van het scheidsgerecht houdt of niet binnen veertig (40) dagen na de datum van kennisgeving van de definitieve uitspraak van het scheidsgerecht met de andere partij overeenstemming bereikt over een voor beide partijen aanvaardbare oplossing, dan kan de andere partij de toepassing van vergelijkbare uit deze Overeenkomst voortvloeiende rechten schorsen tot de partij die inbreuk heeft gepleegd voldoet aan de definitieve uitspraak van het scheidsgerecht of tot de initiatiefnemer en de antwoordende partij overeenstemming bereiken over een voor beide partijen aanvaardbare oplossing.

Artikel 26. Verhouding met andere overeenkomsten
1.

Behoudens de leden 2 en 7 van dit artikel wordt elke eerdere overeenkomst of regeling inzake luchtdiensten tussen een EU-lidstaat en een ASEAN-lidstaat of tussen de Unie en een ASEAN-lidstaat geschorst zolang deze Overeenkomst tussen die partijen van kracht is.

2.

Onverminderd lid 1 van dit artikel, blijven de bepalingen in een eerdere overeenkomst of regeling betreffende luchtdiensten tussen een EU-lidstaat en een ASEAN-lidstaat met betrekking tot de kwesties die onder de artikelen 3, 4, 10 en 13 vallen, als onderdeel van deze Overeenkomst van toepassing wanneer zij voor de betrokken luchtvaartmaatschappijen gunstiger zijn. Alle rechten en voordelen die luchtvaartmaatschappijen van de betrokken EU-lidstaat overeenkomstig die bepalingen genieten, gelden voor alle luchtvaartmaatschappijen van de Unie.

3.

Voor de toepassing van lid 2 van dit artikel wordt eerst getracht om geschillen over de interpretatie op te lossen door middel van overleg tussen de betrokken partijen, alvorens zij aan het Gemengd Comité worden voorgelegd. Indien de kwestie niet via het Gemengd Comité wordt opgelost, kan een beroep worden gedaan op het in artikel 25 bedoelde geschillenbeslechtingsmechanisme.

4.

Eventuele aanvullende verkeersrechten die na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst door een ASEAN-lidstaat aan een EU-lidstaat worden toegekend, of vice versa, zijn onderworpen aan deze Overeenkomst en mogen niet tot discriminatie tussen luchtvaartmaatschappijen uit de Unie leiden. Het Gemengd Comité wordt onverwijld in kennis gesteld van dergelijke regelingen.

5.

Het Gemengd Comité stelt een informatieve lijst op van de in de leden 2 en 4 van dit artikel bedoelde bepalingen en regelingen inzake verkeersrechten, en zorgt ervoor dat die lijst actueel blijft.

6.

Indien de partijen toetreden tot een multilaterale overeenkomst of overgaan tot de bekrachtiging van een besluit van de ICAO of een andere internationale organisatie dat betrekking heeft op onder deze Overeenkomst vallende aangelegenheden, plegen zij overeenkomstig artikel 23 overleg in het Gemengd Comité om te bepalen of deze Overeenkomst naar aanleiding hiervan moet worden herzien.

7.

Niets in deze Overeenkomst doet afbreuk aan de geldigheid en de toepassing van bestaande en toekomstige overeenkomsten tussen de EU-lidstaten en de ASEAN-lidstaten wat betreft onder hun respectieve soevereiniteit vallende grondgebieden waarop de definitie van „grondgebied” in artikel 2 niet van toepassing is.

Artikel 27. Bijlage

De bijlage bij deze Overeenkomst vormt een integrerend deel daarvan. Wijzigingen in de bijlage worden aangebracht overeenkomstig artikel 28.

Artikel 28. Wijzigingen

Alle wijzigingen van deze Overeenkomst kunnen door de partijen worden overeengekomen na overleg overeenkomstig artikel 23. Wijzigingen worden van kracht overeenkomstig de procedure van artikel 33.

Artikel 29. Beëindiging
1.

Deze Overeenkomst kan door de Unie en haar lidstaten of door alle gezamenlijk optredende ASEAN-lidstaten worden beëindigd door middel van een schriftelijke kennisgeving aan respectievelijk de secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie of de secretaris-generaal van de ASEAN. De beëindiging wordt van kracht achttien (18) maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door respectievelijk de secretaris-generaal van de ASEAN of de secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie.

2.

Indien een lidstaat zich uit de Unie of de ASEAN terugtrekt, is deze Overeenkomst overeenkomstig artikel 32 niet langer op die staat van toepassing met ingang van de datum waarop zijn terugtrekking uit respectievelijk de Unie of de ASEAN van kracht wordt.

Artikel 30. Registratie van deze Overeenkomst

Deze Overeenkomst en eventuele wijzigingen daarvan worden bij de inwerkingtreding daarvan door de secretaris-generaal van de ASEAN geregistreerd bij de ICAO.

Artikel 31. Toetreding van nieuwe EU-lidstaten
1.

Deze Overeenkomst staat open voor toetreding door staten die EU-lidstaten zijn geworden na de datum van ondertekening van deze Overeenkomst.

2.

Toetreding tot deze Overeenkomst door een EU-lidstaat gebeurt door de neerlegging van een akte van toetreding tot deze Overeenkomst bij de secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie, die de partijen en de secretaris-generaal van de ASEAN in kennis stelt van de neerlegging van de akte van toetreding en de datum daarvan. De toetreding treedt in werking op de vijftiende (15e) dag volgende op de datum van neerlegging van de akte van toetreding.

3.

De leden 1, 2, 3 en 7 van artikel 26 zijn mutatis mutandis van toepassing op de overeenkomsten en regelingen die reeds bestaan op het ogenblik waarop een EU-lidstaat tot deze Overeenkomst toetreedt.

Artikel 32. Territoriale toepassing

Deze Overeenkomst is van toepassing, enerzijds, op het grondgebied van de Unie en, anderzijds, op het grondgebied van de ASEAN-lidstaten, zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt z).

Artikel 33. Inwerkingtreding
1.

Deze Overeenkomst moet worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd overeenkomstig de respectieve procedures van de partijen.

2.

De secretaris-generaal van de ASEAN doet de secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie een schriftelijke kennisgeving toekomen waarin hij bevestigt dat de respectieve procedures ter bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring door de ASEAN-lidstaten zijn voltooid. De secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie doet de secretaris-generaal van de ASEAN een schriftelijke kennisgeving toekomen waarin zij bevestigt dat de respectieve procedures ter bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring door de Unie en haar lidstaten zijn voltooid.

3.

Onder voorbehoud van artikel N treedt deze Overeenkomst in werking dertig (30) dagen na de datum van ontvangst van de laatste schriftelijke kennisgeving als bedoeld in lid 2 van dit artikel.

Artikel 34. Authentieke teksten
1.

Deze Overeenkomst is in twee originele exemplaren opgesteld in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Ierse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, waarbij alle teksten gelijkelijk authentiek zijn.

2.

Wanneer er verschillen zijn tussen de taalversies beslist het Gemengd Comité over de te gebruiken taalversie.

3.

Een van de originele teksten van de Overeenkomst alsmede eventuele wijzigingen daarvan wordt neergelegd bij de secretaris-generaal van de ASEAN, die onverwijld een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan toezendt aan elke ASEAN-lidstaat. De andere originele tekst van de Overeenkomst alsmede eventuele wijzigingen daarvan wordt neergelegd bij de secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie.

Artikel A. Routeschema
1.

Onverminderd artikel 3, leden 1 en 2, en met inachtneming van de binnenlandse wet- en regelgeving van Indonesië, verwijst het begrip „punten in Indonesië” in het kader van de exploitatie van passagiers- en gecombineerde luchtdiensten tussen Indonesië en de Unie naar Denpasar, Jakarta, Makassar, Medan en Surabaya.

2.

Indien:

luchtvaartmaatschappijen toestaat passagiers en gecombineerde luchtdiensten te exploiteren naar andere punten in Indonesië dan Denpasar, Jakarta, Makassar, Medan en Surabaya, vallen ook die punten onder het begrip „punten in Indonesië”.

3.

Voor de toepassing van artikel 10, lid 12, worden, wat Indonesië betreft, de binnenlandse codesharingrechten uitgeoefend via de in de leden 1 en 2 van dit artikel genoemde punten naar andere punten in Indonesië, of omgekeerd.

Artikel B. Verkeersrechten

Niettegenstaande artikel 3, lid 2, zijn de volgende bepalingen van toepassing:

Artikel C. Recht op tussenlanding
1.

Onverminderd artikel 3, lid 6, punt f), treedt de uitoefening van eigen tussenlandingsrechten bij co-terminalactiviteiten binnen dezelfde ASEAN-lidstaat door luchtvaartmaatschappijen van de Unie in werking twee (2) jaar nadat die rechten zijn uitgewisseld in het kader van een overeenkomst inzake luchtdiensten tussen de ASEAN-lidstaten. De uitoefening van tussenlandingsrechten bij co-terminalactiviteiten in dezelfde EU-lidstaat door luchtvaartmaatschappijen van de ASEAN-lidstaten treedt op hetzelfde tijdstip in werking.

2.

Tot dan neemt elke partij verzoeken van luchtvaartmaatschappijen van een andere partij om op extra bilaterale basis eigen vluchten met tussenlanding te verrichten bij co-terminalactiviteiten binnen dezelfde ASEAN-lidstaat of EU-lidstaat, welwillend in overweging, voor zover dergelijke rechten nog niet beschikbaar zijn.

Artikel D. Aanwijzing van luchtvaartmaatschappijen
1.

Onverminderd artikel 4, lid 1, mogen Indonesië, Myanmar, de Filipijnen en Vietnam de eis handhaven dat luchtvaartmaatschappijen worden aangewezen die op het tijdstip van ondertekening van deze Overeenkomst in hun respectieve nationale wet- en regelgeving zijn opgenomen.

2.

Voor de toepassing van lid 1 van dit artikel wordt de publicatie door de Unie van een „lijst van EU-luchtvaartmaatschappijen die houder zijn van een actieve exploitatievergunning” voor de in die lijst opgenomen luchtvaartmaatschappijen geacht te voldoen aan de nationale aanwijzingseisen, op voorwaarde dat die lijst gemakkelijk digitaal raadpleegbaar is voor de bevoegde autoriteiten van de genoemde ASEAN-lidstaten.

3.

Indonesië, Myanmar, de Filipijnen en Vietnam streven ernaar de genoemde aanwijzingsvereisten zo spoedig mogelijk op te heffen en stellen het Gemengd Comité daarvan in kennis.

Artikel E. Eerlijke mededinging
1.

Om elke twijfel uit te sluiten, bevestigen de partijen dat partijen op grond van artikel 8, lid 2, punten a) en b), alleen verplicht zijn mededingingswetgeving vast te stellen of te handhaven en een onafhankelijke mededingingsautoriteit in te stellen om dit mededingingsrecht te handhaven. De partijen bevestigen tevens dat deze Overeenkomst de onafhankelijke werking van de genoemde mededingingsautoriteiten niet belemmert. De besluiten van die mededingingsautoriteiten vallen niet onder het in artikel 25 bedoelde geschillenbeslechtingsmechanisme.

2.

Een partij kan derhalve alleen verhaal zoeken in verband met artikel 8, lid 2, punten a) en b), indien een andere partij het mededingingsrecht niet handhaaft of niet over een functioneel onafhankelijke mededingingsautoriteit beschikt die het mededingingsrecht van die partij daadwerkelijk handhaaft. Niets in artikel 8, lid 2, punten a) en b), mag zodanig worden uitgelegd dat het afbreuk doet aan besluiten of uitspraken van een mededingingsautoriteit of rechterlijke instanties van een partij om het mededingingsrecht van een partij te handhaven.

3.

Niettegenstaande artikel 25, lid 1, is het geschillenbeslechtingsmechanisme van dat artikel niet van toepassing op geschillen in verband met de toepassing of interpretatie van artikel 8 die zich vóór 1 januari 2025 voordoen.

Artikel F. Operationele plannen, programma's en dienstregelingen
1.

Onverminderd artikel 3 en artikel 10, leden 11 en 12, en niettegenstaande artikel 10, lid 7, mogen Cambodja, Indonesië, Laos, Maleisië, Myanmar, de Filipijnen, Thailand en Vietnam de procedures handhaven die op het tijdstip van de ondertekening van deze Overeenkomst in hun respectieve nationale wet- en regelgeving zijn opgenomen voor de goedkeuring van operationele plannen, programma’s en dienstregelingen, met inbegrip van informatie over diensten die worden geëxploiteerd in het kader van coöperatieve marketingregelingen, die door luchtvaartmaatschappijen van de Unie zijn vastgesteld voor luchtdiensten van en naar het grondgebied van die staten.

2.

Cambodja, Indonesië, Laos, Maleisië, Myanmar, de Filipijnen, Thailand en Vietnam beperken de administratieve lasten van dergelijke vereisten en procedures tot een minimum. De goedkeuring van de genoemde operationele plannen, programma’s en dienstregelingen wordt verleend binnen tien (10) werkdagen na de datum van ontvangst van de aanvraag van de luchtvaartmaatschappij, mits de luchtvaartmaatschappij overeenkomstig artikel 4 over de passende exploitatievergunningen en technische machtigingen beschikt.

3.

Cambodja, Indonesië, Laos, Maleisië, Myanmar, de Filipijnen, Thailand en Vietnam streven ernaar deze procedures zo spoedig mogelijk op te heffen en stellen het Gemengd Comité daarvan in kennis.

Artikel G. Verkoop en plaatselijke uitgaven
1.

Onverminderd artikel 10, leden 8 en 9, kunnen Indonesië, Myanmar en Vietnam de in hun respectieve nationale wet- en regelgeving op het tijdstip van ondertekening van deze Overeenkomst opgenomen vereisten met betrekking tot het gebruik van hun nationale valuta voor de binnenlandse verkoop van vervoer en aanverwante diensten en voor de betaling van plaatselijke uitgaven handhaven.

2.

Indonesië, Myanmar en Vietnam streven ernaar deze vereisten zo spoedig mogelijk op te heffen en stellen het Gemengd Comité daarvan in kennis.

Artikel H. Overmaking van lokale inkomsten
1.

Om elke twijfel uit te sluiten verwijst de term „overmaking” in artikel 10, lid 10, punt a), in het geval van de Filipijnen naar andere geldovermakingen dan die welke worden verricht door een filiaal van een buitenlandse onderneming die zich bezighoudt met handel of zaken op het grondgebied van de Filipijnen.

2.

Met betrekking tot de overdracht van winst door een filiaal van een buitenlandse onderneming die zich bezighoudt met handel of activiteiten op het grondgebied van de Filipijnen, hebben de Filipijnen het recht een winstoverdrachtbelasting te heffen overeenkomstig hun nationale wetgeving, tenzij een lager tarief of een vrijstelling mogelijk is op grond van een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting tussen de Filipijnen en het land van vestiging van de buitenlandse luchtvaartmaatschappij.

3.

De Filipijnen streven ernaar met de Unie samen te werken aan de ontwikkeling van een gemeenschappelijk kader voor de behandeling van overmakingen door luchtvaartmaatschappijen uit de Unie die in de Filipijnen actief zijn, en stellen het Gemengd Comité daarvan in kennis.

Artikel I. Tarieven
1.

Onverminderd artikel 13, lid 1, en niettegenstaande artikel 13, lid 2, mogen de Filipijnen de op het tijdstip van de ondertekening van deze Overeenkomst bestaande procedures in hun respectieve nationale wet- en regelgeving handhaven met betrekking tot de goedkeuring van de tarieven die door de luchtvaartmaatschappijen van de Unie zijn vastgesteld voor luchtdiensten van en naar het grondgebied van de Filipijnen. Die tarieven worden goedgekeurd binnen tien (10) werkdagen na de indiening ervan.

2.

De Filipijnen streven ernaar die procedure zo snel mogelijk op te heffen en stellen het Gemengd Comité daarvan in kennis.

Artikel J. Leninggaranties

Artikel 8, lid 2, punt d), is niet van toepassing op subsidies in de vorm van leninggaranties die Vietnam vóór de ondertekening van deze Overeenkomst en tot het verstrijken van deze regelingen heeft verleend. Indien deze garanties echter aanleiding geven tot uitbetalingen, worden deze gedaan overeenkomstig artikel 8, lid 3, punten a) en b), naargelang het geval.

Artikel K. Niet-discriminatie
1.

Onverminderd artikel D behandelen de in dat artikel vermelde ASEAN-lidstaten luchtvaartmaatschappijen uit de Unie bij de aanwijzing van luchtvaartmaatschappijen even gunstig als luchtvaartmaatschappijen uit andere landen.

2.

Onverminderd de artikelen F, G en I behandelen de in die artikelen genoemde ASEAN-lidstaten luchtvaartmaatschappijen uit de Unie even gunstig als hun eigen luchtvaartmaatschappijen of de luchtvaartmaatschappijen van andere landen, indien dit gunstiger is, wat betreft de goedkeuring van operationele plannen, programma’s en dienstregelingen, verkoop en plaatselijke uitgaven en tarieven.

Artikel L. Geautomatiseerde boekingssystemen

Op het tijdstip van de ondertekening van deze Overeenkomst zijn de in artikel 21, lid 5, bedoelde ASEAN-lidstaten Indonesië, Maleisië, de Filipijnen, Thailand en Vietnam.

Artikel M. Wederkerigheid

Als een ASEAN-lidstaat op grond van de artikelen D, F, G en I de aanwijzing van luchtvaartmaatschappijen uit de Unie verlangt, of op luchtvaartmaatschappijen uit de Unie nationale procedures toepast voor de voorafgaande goedkeuring van operationele plannen, programma’s en dienstregelingen, coöperatieve marketingregelingen of tarieven, of aan luchtvaartmaatschappijen uit de Unie nationale regels oplegt met betrekking tot de valuta die bij bepaalde transacties moeten worden gebruikt, heeft de Unie het recht aan luchtvaartmaatschappijen van die ASEAN-lidstaat dezelfde of gelijkwaardige maatregelen op te leggen.

Artikel N. Inwerkingtreding voor Maleisië
1.

Onverminderd artikel 33, en indien Maleisië de enige ASEAN-lidstaat is die de secretaris-generaal van de ASEAN niet in kennis heeft gesteld van zijn bevestiging dat zijn procedures voor de bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van deze Overeenkomst zijn voltooid:

2.

Na de ondertekening van deze Overeenkomst en in afwachting van de inwerkingtreding ervan voor Maleisië:

Artikel O. Voortgangsevaluatie

Het Gemengd Comité evalueert jaarlijks de vorderingen met betrekking tot de uitvoering van de artikelen van deze bijlage op basis van een verslag van de betrokken ASEAN-lidstaten.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, deze Overeenkomst in tweevoud hebben ondertekend te Bali op de zeventiende dag van oktober van het jaar tweeduizend tweeëntwintig.