Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting inzake belastingen naar het inkomen en tot het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting
Het Koninkrijk der Nederlanden
enerzijds,
en
Het Koninkrijk België,
De Vlaamse Gemeenschap,
De Franse Gemeenschap,
De Duitstalige Gemeenschap,
Het Vlaamse Gewest,
Het Waalse Gewest,
en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest,
anderzijds,
Geleid door de wens hun economische betrekkingen verder te ontwikkelen en hun samenwerking op belastinggebied te verbeteren,
Voornemens een verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting inzake belastingen naar het inkomen, zonder daarbij mogelijkheden te scheppen tot niet-heffing of verminderde heffing van belasting door middel van het ontduiken of het ontwijken van belasting (daaronder begrepen het gebruik van treaty-shopping-structuren die als doel hebben de in dit Verdrag voorziene tegemoetkomingen te verkrijgen in het indirecte voordeel van inwoners van derde rechtsgebieden),
Zijn het volgende overeengekomen:
HOOFDSTUK I. WERKINGSSFEER VAN HET VERDRAG
Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is
Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide verdragsluitende Staten.
Voor de toepassing van dit Verdrag worden inkomsten die zijn verkregen door of door tussenkomst van een entiteit of een constructie die op grond van de belastingwetgeving van een van de verdragsluitende Staten als geheel of gedeeltelijk fiscaal transparant behandeld wordt, geacht inkomsten te zijn van een inwoner van een verdragsluitende Staat, maar uitsluitend voor zover die inkomsten door die Staat voor belastingdoeleinden behandeld worden als inkomsten van een inwoner van die Staat.
In geen geval worden de bepalingen van paragraaf 2 aldus uitgelegd dat ze afbreuk doen aan het recht van een verdragsluitende Staat om de inwoners van die verdragsluitende Staat te belasten.
Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is
Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een verdragsluitende Staat, van de staatkundige onderdelen of lokale autoriteiten daarvan.
Als belastingen naar het inkomen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, of naar bestanddelen van het inkomen, daaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende goederen, belastingen naar het totale bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering.
De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn met name:
- a. in België: met inbegrip van de voorheffingen, de opcentiemen op die belastingen en voorheffingen, alsmede de aanvullende belastingen op de personenbelasting, (hierna te noemen: „Belgische belasting”);
- 1°. de personenbelasting;
- 2°. de vennootschapsbelasting;
- 3°. de rechtspersonenbelasting;
- 4°. de belasting van niet-inwoners;
- 5°. de onroerende voorheffing;
- b. in Nederland: (hierna te noemen: „Nederlandse belasting”).
- 1°. de inkomstenbelasting;
- 2°. de loonbelasting;
- 3°. de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de Regering in de nettowinsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnbouwwet;
- 4°. de dividendbelasting;
- 5°. de bronbelasting;
Het Verdrag is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen die na de datum van de ondertekening van het Verdrag naast of in de plaats van de bestaande belastingen worden geheven. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende Staten delen elkaar alle wezenlijke wijzigingen die in hun onderscheidene belastingwetten zijn aangebracht, mede.
HOOFDSTUK II. BEGRIPSBEPALINGEN
Artikel 3. Algemene begripsbepalingen
Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij de context anders vereist:
- a.
- 1°. betekenen de uitdrukkingen „een verdragsluitende Staat” en „de andere verdragsluitende Staat” het Koninkrijk België of het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Nederland, al naargelang de context vereist;
- 2°. betekent de uitdrukking „België” het Koninkrijk België; gebruikt in geografische zin, betekent zij het territorium van het Koninkrijk België, daarin inbegrepen de territoriale zee en de maritieme zones en de luchtgebieden waarover, in overeenstemming met het internationaal recht, het Koninkrijk België soevereine rechten of zijn jurisdictie uitoefent;
- 3°. betekent de uitdrukking „Nederland” het Europese deel van Nederland, met inbegrip van zijn territoriale zee en elk gebied buiten en grenzend aan zijn territoriale zee waarbinnen het Koninkrijk der Nederlanden, in overeenstemming met het internationaal recht, rechtsmacht heeft of soevereine rechten uitoefent;
- b. omvat de uitdrukking „persoon” een natuurlijke persoon, een vennootschap en elke andere vereniging van personen;
- c. betekent de uitdrukking „vennootschap” elke rechtspersoon of elke entiteit die voor de belastingheffing als een rechtspersoon wordt behandeld;
- d. heeft de uitdrukking „onderneming” betrekking op het uitoefenen van een bedrijf;
- e. omvat de uitdrukking „uitoefenen van een bedrijf” mede het uitoefenen van een vrij beroep en van andere werkzaamheden van zelfstandige aard;
- f. betekenen de uitdrukkingen „onderneming van een verdragsluitende Staat” en „onderneming van de andere verdragsluitende Staat” onderscheidenlijk een onderneming gedreven door een inwoner van een verdragsluitende Staat en een onderneming gedreven door een inwoner van de andere verdragsluitende Staat;
- g. betekent de uitdrukking „internationaal verkeer” alle vervoer met een schip, binnenschip of luchtvaartuig, geëxploiteerd door een onderneming waarvan de plaats van werkelijke leiding in een verdragsluitende Staat is gelegen, behalve wanneer het schip, binnenschip of luchtvaartuig uitsluitend wordt geëxploiteerd tussen plaatsen die in de andere verdragsluitende Staat zijn gelegen;
- h. betekent de uitdrukking „bevoegde autoriteit”:
- 1°. in het geval van België, naargelang het geval, de Minister van Financiën van de federale Regering en/of van de Regering van een Gewest en/of van een Gemeenschap, of zijn bevoegde vertegenwoordiger; en
- 2°. in het geval van Nederland, de Minister van Financiën of zijn bevoegde vertegenwoordiger;
- i. betekent de uitdrukking „onderdanen”:
- 1°. alle natuurlijke personen die de nationaliteit van een verdragsluitende Staat bezitten;
- 2°. alle vennootschappen en verenigingen die hun rechtspositie als zodanig ontlenen aan de wetgeving die in een verdragsluitende Staat van kracht is;
- j. betekent de uitdrukking „erkend pensioenfonds” van een verdragsluitende Staat: elke persoon die inwoner is van die Staat en die: en op voorwaarde dat die persoon zoals bedoeld onder 1° of onder 2° ofwel:
- 1°. zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bezighoudt met het beheren van pensioenstelsels, het uitvoeren van pensioenregelingen of het verschaffen van pensioenuitkeringen; of
- 2°. inkomsten verwerft ten voordele van een of meer personen zoals bedoeld onder 1°;
- (i). wat België betreft, onder toezicht staat van de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten (FSMA) of van de Nationale Bank van België of aan de controle is onderworpen van een onafhankelijke commissaris, erkend door de FSMA; of
- (ii). wat Nederland betreft, onder toezicht staat van de Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM) of De Nederlandsche Bank N.V. (DNB).
Voor de toepassing van het Verdrag op enig ogenblik door een verdragsluitende Staat heeft, tenzij de context anders vereist, elke daarin niet omschreven uitdrukking de betekenis welke die uitdrukking op dat ogenblik heeft volgens de wetgeving van die Staat met betrekking tot de belastingen waarop het Verdrag van toepassing is; elke betekenis onder de toepasselijke belastingwetgeving van die Staat heeft voorrang op de betekenis welke die uitdrukking heeft onder de andere wetten van die Staat.
Artikel 4. Inwoner
Voor de toepassing van dit Verdrag betekent de uitdrukking „inwoner van een verdragsluitende Staat” iedere persoon die, ingevolge de wetgeving van die Staat, aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf, plaats van leiding of enige andere soortgelijke omstandigheid, en omvat tevens de Staat zelf en elk staatkundig onderdeel of elke lokale autoriteit daarvan.
Een persoon, niet zijnde een natuurlijke persoon, wordt geacht aan belasting onderworpen te zijn:
- a. in Nederland: indien de persoon voor de toepassing van de vennootschapsbelasting inwoner is van Nederland;
- b. in België: indien de persoon voor de toepassing van de vennootschapsbelasting of rechtspersonenbelasting inwoner is van België.
Niettegenstaande de bepalingen van paragrafen 1 en 2, omvat de uitdrukking „inwoner van een verdragsluitende Staat” niet enig persoon die in die Staat slechts aan belasting is onderworpen ter zake van inkomsten uit bronnen in die Staat.
Indien een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van paragraaf 1 inwoner van beide verdragsluitende Staten is, wordt zijn situatie op de volgende wijze bepaald:
- a. hij wordt geacht alleen inwoner te zijn van de Staat waarin hij een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft; indien hij in beide Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht alleen inwoner te zijn van de Staat waarmee zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn (middelpunt van de levensbelangen);
- b. indien niet kan worden bepaald in welke Staat hij het middelpunt van zijn levensbelangen heeft of indien hij in geen van de Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht alleen inwoner te zijn van de Staat waar hij gewoonlijk verblijft;
- c. indien hij in beide Staten of in geen van beide gewoonlijk verblijft, wordt hij geacht alleen inwoner te zijn van de Staat waarvan hij onderdaan is;
- d. indien hij onderdaan is van beide Staten of van geen van beide, regelen de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende Staten de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming.
Indien een persoon, niet zijnde een natuurlijke persoon, ingevolge de bepalingen van paragraaf 1 inwoner is van beide verdragsluitende Staten, wordt hij geacht alleen inwoner te zijn van de Staat waarin de plaats van zijn werkelijke leiding is gelegen.
Artikel 5. Vaste inrichting
Voor de toepassing van dit Verdrag betekent de uitdrukking „vaste inrichting” een vaste bedrijfsinrichting met behulp waarvan de werkzaamheden van een onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend.
De uitdrukking „vaste inrichting” omvat in het bijzonder:
- a. een plaats waar leiding wordt gegeven;
- b. een filiaal;
- c. een kantoor;
- d. een fabriek;
- e. een werkplaats; en
- f. een mijn, een olie- of gasbron, een (steen)groeve of enige andere plaats waar natuurlijke rijkdommen worden gewonnen.
De plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructie- of installatiewerkzaamheden is slechts dan een vaste inrichting indien de duur daarvan twaalf maanden overschrijdt.
Niettegenstaande de bepalingen van de paragrafen 1, 2 en 3, wordt een onderneming van een verdragsluitende Staat die werkzaamheden verricht in de territoriale zee of in elk gebied buiten en grenzend aan de territoriale zee van de andere verdragsluitende Staat waarbinnen die Staat in overeenstemming met het internationaal recht rechtsmacht of soevereine rechten heeft of mag uitoefenen (werkzaamheden buitengaats), geacht ter zake van die werkzaamheden, een bedrijf uit te oefenen door middel van een aldaar gelegen vaste inrichting, tenzij de werkzaamheden in kwestie in de andere Staat worden verricht gedurende een tijdvak dat of tijdvakken die in een periode van twaalf maanden in totaal minder dan dertig dagen voortduurt respectievelijk voortduren.
Voor de toepassing van paragraaf 4 wordt de uitdrukking „werkzaamheden buitengaats” evenwel geacht niet te omvatten:
- a. een van de activiteiten of elke combinatie daarvan als genoemd in paragraaf 7;
- b. sleep- of ankerwerkzaamheden door schepen die in de eerste plaats voor dat doel zijn ontworpen alsmede andere door zulke schepen verrichte activiteiten; en
- c. het vervoer van voorraden of personeel door schepen of luchtvaartuigen in het internationale verkeer.
Voor het enkele doel om de duur te bepalen van:
- a. een plaats van uitvoering van een bouwwerk of constructie- of installatiewerkzaamheden als bedoeld in paragraaf 3, worden, indien een onderneming van een verdragsluitende Staat werkzaamheden verricht in de andere verdragsluitende Staat op een plaats van uitvoering van een bouwwerk of constructie- of installatiewerkzaamheden en die werkzaamheden worden verricht gedurende een of meer tijdvakken die in totaal langer duren dan dertig dagen zonder een termijn van twaalf maanden te overschrijden, en daarmee verband houdende werkzaamheden worden verricht op dezelfde plaats van uitvoering van een bouwwerk of constructie- of installatiewerkzaamheden gedurende verschillende tijdvakken door een of meer nauw met de eerstbedoelde onderneming verbonden ondernemingen, die elk dertig dagen overschrijden, deze verschillende tijdvakken bij het totale tijdvak gevoegd gedurende welke de eerstgenoemde onderneming werkzaamheden verricht op die plaats van uitvoering van een bouwwerk of constructie- of installatiewerkzaamheden verricht;
- b. werkzaamheden buitengaats als bedoeld in paragraaf 4, worden, indien een onderneming van een verdragsluitende Staat werkzaamheden verricht in de andere verdragsluitende Staat en daarmee verband houdende werkzaamheden worden verricht in die Staat door een of meer nauw met de eerstbedoelde onderneming verbonden ondernemingen, de tijdvakken gedurende welke dergelijke werkzaamheden door die ondernemingen worden verricht bij het totale tijdvak gevoegd gedurende welke de eerstbedoelde onderneming de werkzaamheden buitengaats verricht in die andere Staat.
Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel wordt de uitdrukking „vaste inrichting” geacht niet te omvatten:
- a. het gebruikmaken van inrichtingen, uitsluitend voor opslag, uitstalling of aflevering van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar;
- b. het aanhouden van een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar, uitsluitend voor opslag, uitstalling of aflevering;
- c. het aanhouden van een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar, uitsluitend voor bewerking of verwerking door een andere onderneming;
- d. het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting, uitsluitend om voor de onderneming goederen of koopwaar aan te kopen of inlichtingen in te winnen;
- e. het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting, uitsluitend om voor de onderneming enige andere werkzaamheid uit te oefenen;
- f. het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting, uitsluitend voor een combinatie van de in de subparagrafen a tot en met e genoemde werkzaamheden;
mits die werkzaamheid, of, in het geval van subparagraaf f, het geheel van de werkzaamheden van de vaste bedrijfsinrichting, van voorbereidende aard is of het karakter van hulpwerkzaamheid heeft.
Paragraaf 7 is niet van toepassing op een vaste bedrijfsinrichting die door een onderneming gebruikt of aangehouden wordt indien dezelfde onderneming of een nauw daarmee verbonden onderneming op dezelfde plaats of op een andere plaats in dezelfde verdragsluitende Staat bedrijfsactiviteiten uitoefent, en:
- a. die plaats of die andere plaats voor de onderneming of voor de nauw daarmee verbonden onderneming een vaste inrichting vormt op grond van de bepalingen van dit artikel; of
- b. het geheel van de werkzaamheden dat resulteert uit de combinatie van de werkzaamheden die door de twee ondernemingen op dezelfde plaats, of door dezelfde onderneming of nauw daarmee verbonden ondernemingen op de twee plaatsen worden uitgeoefend, niet van voorbereidende aard is of het karakter van hulpwerkzaamheid heeft,
mits de bedrijfsactiviteiten die door de twee ondernemingen op dezelfde plaats, of door dezelfde onderneming of nauw daarmee verbonden ondernemingen op de twee plaatsen worden uitgeoefend, aanvullende taken zijn die deel uitmaken van een samenhangende bedrijfsvoering.
Niettegenstaande de bepalingen van de paragrafen 1, 2 en 4, maar onder voorbehoud van de bepalingen van paragraaf 10, wanneer een persoon voor een onderneming optreedt in een verdragsluitende Staat en daarbij gewoonlijk overeenkomsten sluit, of gewoonlijk de voornaamste rol speelt die leidt tot het sluiten van overeenkomsten die stelselmatig zonder materiële wijziging door de onderneming gesloten worden, en die overeenkomsten gesloten zijn:
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.