Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko inzake uitlevering

Type Verdrag
Publication 2023-12-18
State In force
Source BWB
artikelen 25
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Het Koninkrijk der Nederlanden

en

het Koninkrijk Marokko,

hierna te noemen de „Partijen”,

Verlangend een doeltreffendere samenwerking op het gebied van uitlevering tot stand te brengen;

Verwijzend naar verdragen die bepalingen inzake uitlevering bevatten die tussen beide Partijen van kracht zijn;

Verwijzend naar internationale overeenkomsten inzake de strafrechtelijke samenwerking tussen de Partijen;

Geleid door de wens de bilaterale samenwerking in strafzaken te intensiveren, de doeltreffendheid van de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit te verbeteren en uitlevering te vergemakkelijken;

Geleid door de wens om te zorgen voor samenwerking met eerbiediging van de mensenrechten, de rechtsstaat, de soevereiniteit, de veiligheid, de openbare orde en andere fundamentele belangen van elke Partij;

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Verplichting tot uitlevering

De twee Partijen komen overeen, met inachtneming van de in dit Verdrag opgenomen bepalingen, personen aan elkaar uit te leveren die worden aangetroffen op het grondgebied van een van beide staten en tegen wie een strafvervolging is ingesteld of die worden gezocht met het oog op de tenuitvoerlegging van een door de rechter opgelegde straf of maatregel, welke vrijheidsbeneming met zich mee brengt, als gevolg van het plegen van een strafbaar feit.

Artikel 2. Feiten die tot uitlevering kunnen leiden

1.

Uitlevering wordt toegestaan voor feiten die krachtens de wetten van de verzoekende partij en van de aangezochte partij strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf of met een maatregel welke vrijheidsbeneming meebrengt, met een maximum van ten minste een jaar of met een zwaardere straf. Als om uitlevering wordt verzocht met het oog op de tenuitvoerlegging van een strafvonnis, dient het deel van de straf dat nog moet worden uitgevoerd ten minste zes maanden te bedragen.

2.

Indien het verzoek om uitlevering betrekking heeft op verscheidene, afzonderlijke feiten die alle krachtens de wet van beide staten strafbaar zijn gesteld, maar waarvan sommige qua duur niet voldoen aan de voorwaarden van het eerste lid, is de aangezochte Partij bevoegd de uitlevering eveneens voor deze laatste feiten toe te staan.

3.

Voor strafbare feiten op het gebied van retributies, belastingen, douane en deviezen wordt uitlevering verleend onder de in dit Verdrag bepaalde voorwaarden.

Artikel 3. Weigering van uitlevering

1.

Uitlevering wordt niet toegestaan:

2.

Uitlevering kan worden geweigerd:

Artikel 4. Uitlevering van onderdanen

1.

Uitleveringsverzoeken betreffende onderdanen worden behandeld overeenkomstig de nationale wetten van elke Partij. De hoedanigheid van onderdaan wordt beoordeeld op de datum waarop de feiten zijn begaan.

2.

Indien uitlevering uitsluitend op grond van de nationaliteit van de opgeëiste persoon wordt geweigerd, draagt de aangezochte Partij, overeenkomstig haar wetgeving en bij melding van de feiten door de verzoekende partij, de zaak voor vervolging aan haar bevoegde autoriteiten over. Te dien einde worden documenten, verslagen en voorwerpen die betrekking hebben op het strafbare feit kosteloos toegezonden op de wijze als bepaald in het eerste lid van artikel 6, en wordt de verzoekende Partij in kennis gesteld van het genomen besluit.

Artikel 5. Doodstraf

Indien op het feit waarvoor uitlevering wordt verzocht krachtens het recht van de verzoekende Partij de doodstraf is gesteld, wordt die straf krachtens dit Verdrag van rechtswege vervangen door de straf voor dezelfde feiten naar het recht van de aangezochte Partij.

Artikel 6. Procedure met betrekking tot uitlevering en vereiste stukken

1.

Het verzoek tot uitlevering en alle daaropvolgende correspondentie worden langs diplomatieke weg toegezonden.

2.

Het uitleveringsverzoek moet schriftelijk worden gedaan en hierbij dienen te worden gevoegd:

Artikel 7. Aanvullende informatie

Indien de door de verzoekende Partij verstrekte informatie of documenten niet toereikend blijken om de aangezochte partij in staat te stellen een besluit uit hoofde van dit Verdrag te nemen, verzoekt laatstgenoemde Partij om de nodige aanvullende informatie en kan zij een termijn vaststellen voor het verkrijgen van deze informatie. Deze termijn mag niet korter zijn dan 20 dagen vanaf de datum van ontvangst van het verzoek. Aanvullende informatie of documenten kunnen rechtstreeks worden gevraagd en uitgewisseld tussen de in artikel 23 hierna bedoelde centrale autoriteiten van de twee Partijen.

Artikel 8. Voorlopige aanhouding

1.

In geval van spoed kunnen de bevoegde autoriteiten van de verzoekende Partij de voorlopige aanhouding van de opgeëiste persoon verzoeken.

2.

Het verzoek om voorlopige aanhouding vermeldt het bestaan van een van de in artikel 6, tweede lid, onder a, bedoelde documenten en vermeldt het voornemen om een uitleveringsverzoek in te dienen. Tevens wordt melding gemaakt van het strafbare feit waarvoor om uitlevering wordt verzocht, van de datum, de plaats en de omstandigheden waarop deze is gepleegd en, voor zover mogelijk, van inlichtingen aan de hand waarvan de identiteit en de nationaliteit van de opgeëiste persoon, alsmede zijn signalement, kunnen worden vastgesteld.

3.

Het verzoek om voorlopige aanhouding wordt aan de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij toegezonden, hetzij langs diplomatieke weg, rechtstreeks per post of telegraaf, door de Internationale Politieorganisatie (Interpol) of op een andere wijze die schriftelijk wordt vastgelegd of door de aangezochte partij wordt aanvaard.

4.

De bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij voldoen aan dit verzoek overeenkomstig hun wetgeving. Aan de verzoekende Partij wordt onverwijld kennis gegeven van het gevolg dat aan haar verzoek is gegeven.

5.

De voorlopige aanhouding wordt beëindigd indien de aangezochte Partij niet binnen 60 dagen na de aanhouding het uitleveringsverzoek en de in artikel 6 vermelde stukken heeft ontvangen. Voorlopige invrijheidstelling van de opgeëiste persoon is echter te allen tijde mogelijk, mits de aangezochte Partij alle maatregelen neemt die zij nodig acht om te voorkomen dat de opgeëiste persoon vlucht.

6.

Invrijheidstelling vormt geen beletsel voor een nieuwe aanhouding en uitlevering van de opgeëiste persoon indien het officiële verzoek en de in artikel 6 bedoelde documenten op een latere datum worden overgelegd.

Artikel 9. Specialiteitsbeginsel

1.

De uitgeleverde persoon wordt niet vervolgd, berecht of in hechtenis gesteld met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel, noch aan enige andere beperking van zijn persoonlijke vrijheid onderworpen, wegens enig ander voor de overlevering begaan feit dan het feit dat de reden tot uitlevering is geweest, behalve in de volgende gevallen:

2.

De verzoekende Partij kan echter de maatregelen nemen die nodig zijn voor een eventuele uitzetting uit haar grondgebied of voor een stuiting van de verjaring overeenkomstig haar wet, daaronder begrepen het instellen van een verstekprocedure.

3.

Indien de tenlastelegging op grond waarvan de persoon was uitgeleverd in de loop van de procedure op wettelijke wijze wordt gewijzigd, kan die persoon worden vervolgd of berecht, mits het strafbare feit volgens zijn nieuwe wettelijke omschrijving:

Artikel 10. Verderlevering aan een derde staat

Behoudens in het geval bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, kan de verderlevering aan een derde staat niet worden toegestaan zonder de instemming van de Partij die de uitlevering heeft verleend. Die Partij kan overlegging van de in artikel 6, tweede lid, bedoelde stukken eisen.

Artikel 11. Samenloop van verzoeken

Indien door meerdere staten gelijktijdig om uitlevering wordt verzocht hetzij voor hetzelfde feit hetzij voor andere feiten, houdt de aangezochte Partij rekening met alle omstandigheden en met name met de ernst van het strafbare feit, de datum en plaats van het plegen ervan, de respectieve data van de verzoeken en de data van ontvangst ervan, de nationaliteit van de opgeëiste persoon en zijn status van beklaagde of veroordeelde, de mogelijkheid van latere uitlevering aan een andere staat.

Artikel 12. Beslissing en overlevering

1.

De aangezochte Partij deelt de verzoekende Partij onverwijld op de in artikel 6, eerste lid, bedoelde wijze haar beslissing omtrent het verzoek tot uitlevering mede.

2.

De aangezochte Partij geeft de redenen voor een gehele of gedeeltelijke afwijzing van het verzoek tot uitlevering op. Op verzoek verstrekt de aangezochte Partij een afschrift van de relevante rechterlijke beslissingen.

3.

Indien uitlevering is toegestaan. bepalen de autoriteiten van de Partijen de datum en de plaats van overlevering van de opgeëiste persoon. De aangezochte Partij stelt de verzoekende Partij tevens in kennis van de duur van de detentie van de opgeëiste persoon met het oog op zijn uitlevering.

4.

Indien de opgeëiste persoon niet binnen 45 dagen na de voor zijn overlevering vastgestelde datum wordt ontvangen, kan hij in vrijheid worden gesteld en kan de aangezochte Partij daarna zijn uitlevering voor hetzelfde feit weigeren.

5.

In geval van overmacht die de overlevering of ontvangst van de opgeëiste persoon in de weg staat, stelt de getroffen Partij de andere Partij daarvan in kennis; beide Partijen komen een nieuwe overleveringsdatum overeen en het bepaalde in het vierde lid zal van toepassing zijn.

Artikel 13. Tijdelijke of uitgestelde overlevering

1.

De aangezochte Partij kan, na de uitlevering te hebben aanvaard, de overlevering van de opgeëiste persoon uitstellen wanneer tegen hem een procedure loopt of wanneer hij op het grondgebied van de aangezochte Partij een straf ondergaat wegens een ander strafbaar feit totdat de procedure is afgesloten of de daaraan opgelegde straf ten uitvoer is gelegd. De aangezochte Partij stelt de verzoekende Partij onmiddellijk in kennis van het uitstel van de overlevering.

2.

In plaats van de overlevering uit te stellen, kan de aangezochte Partij de opgeëiste persoon tijdelijk aan de verzoekende Partij overleveren onder voorwaarden die in onderlinge overeenstemming tussen de Partijen worden vastgesteld. De uitgeleverde persoon wordt in de aangezochte staat in hechtenis gehouden en op de overeengekomen datum aan de verzoekende Partij overgeleverd. De duur van de aanhouding wordt in mindering gebracht op de duur van de straf in de verzoekende staat.

3.

De overlevering kan ook worden uitgesteld wanneer de overdracht wegens de gezondheidstoestand van de opgeëiste persoon zijn leven in gevaar kan brengen of zijn toestand kan verslechteren.

Artikel 14. Inbeslagneming en overdracht van voorwerpen

1.

Op verzoek van de verzoekende Partij neemt de aangezochte Partij, voor zover zulks krachtens haar wet is toegestaan. voorwerpen, kostbaarheden of documenten met betrekking tot het strafbare feit in beslag die als bewijs kunnen worden gebruikt of die naar aanleiding van het strafbare feit zijn aangetroffen op het ogenblik van de aanhouding in het bezit van de opgeëiste persoon zijn dan wel later zijn ontdekt en draagt deze over .

2.

Indien uitlevering wordt toegestaan, gelast de aangezochte Partij, overeenkomstig haar interne recht, de overdracht van de in beslag genomen voorwerpen, zelfs indien de overlevering van de opgeëiste persoon niet kan plaatsvinden wegens diens overlijden, verdwijning of ontvluchting.

3.

Wanneer dergelijke voorwerpen vatbaar zijn voor inbeslagneming of verbeurdverklaring op het grondgebied van de aangezochte Partij, kan laatstgenoemde deze voorwerpen met het oog op een aanhangige strafvervolging tijdelijk behouden of onder voorwaarde van teruggave overdragen.

4.

Wanneer de aangezochte Partij of derden rechten hebben verkregen op de voorwerpen die met het oog op een strafproces aan de verzoekende Partij zijn overhandigd, worden die voorwerpen zo spoedig mogelijk en kosteloos teruggegeven aan de aangezochte Partij, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.

Artikel 15. Vereenvoudigde uitleveringsprocedure

Beide Partijen kunnen gebruikmaken van een vereenvoudigde uitleveringsprocedure overeenkomstig hun respectieve nationale wetgeving.

Artikel 16. Doortocht

1.

De doortocht over het grondgebied van een van de Partijen van een persoon die geen onderdaan is van die staat en die door een derde staat aan de andere Partij is overgeleverd, wordt door de centrale autoriteiten toegestaan na overlegging langs diplomatieke weg, of via de centrale autoriteit of via Interpol, in spoedeisende gevallen van een van de in artikel 6, tweede lid, bedoelde documenten, op voorwaarde dat dit niet strijdig is met de openbare orde of dat er geen strafbare feiten zijn ten aanzien waarvan de uitlevering overeenkomstig artikel 3 moet worden geweigerd.

2.

Doortocht kan in alle andere gevallen worden geweigerd indien de uitlevering worden geweigerd.

3.

De bewaring van de persoon om wiens doortocht wordt verzocht, valt onder de verantwoordelijkheid van de autoriteiten van de Partij van doortocht zolang hij zich op haar grondgebied bevindt.

4.

In geval het vervoer door de lucht plaatsvindt zijn de volgende bepalingen van toepassing:

5.

De verzoekende Partij vergoedt de doorvoerpartij alle kosten die daartoe eventueel zijn gemaakt.

Artikel 17. Te gebruiken talen en authenticatie van documenten

1.

Verzoeken om uitlevering en de bijbehorende stukken kunnen worden toegezonden in de taal van de verzoekende Partij, vergezeld van een vertaling in de taal van de aangezochte Partij of in de Franse taal.

2.

De stukken en documenten welke krachtens dit Verdrag worden overgedragen zijn vrijgesteld van alle formaliteiten van legalisatie.

Artikel 18. Vertrouwelijkheid

Beide Partijen komen overeen de vertrouwelijkheid te bewaren van alle documenten en informatie die tijdens uitleveringsprocedures worden gebruikt, met uitzondering van die welke noodzakelijk worden geacht voor de uitvoering van het verzoek.

Artikel 19. Bescherming van persoonsgegevens

1.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder gegevens verstaan alle informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon.

2.

De Partijen zien erop toe dat gegevens die van de ene partij naar de andere worden doorgegeven, uitsluitend worden gebruikt voor de uitvoering van een verzoek uit hoofde van dit Verdrag. De gegevens mogen niet voor andere doeleinden worden gebruikt en mogen niet aan een derde land worden doorgegeven zonder voorafgaande toestemming van de verstrekkende Partij.

3.

De Partijen waarborgen de juistheid van de uit hoofde van dit Verdrag doorgegeven persoonsgegevens en zorgen er tevens voor dat passende maatregelen worden genomen om de doorgegeven gegevens te beschermen tegen onbedoelde of ongeoorloofde vernietiging of verlies, en tegen ongeoorloofde toegang, wijziging of verspreiding.

4.

De Partijen plegen overleg over de gewenste bewaartermijnen, de noodzaak van een langere opslag en de noodzaak om onjuiste, onvolledige of onbetrouwbare gegevens te corrigeren, of over de wens of de noodzaak om gegevens te wissen of het gebruik ervan te beperken.

5.

Voor zover het nationale recht van de Partijen daarin voorziet, kan de betrokkene in kennis worden gesteld van de categorieën gegevens die worden doorgegeven en het doel van de doorgifte. De betrokken Partij hoeft de betrokkene niet in kennis te stellen indien dit noodzakelijk is om te voorkomen dat verzoeken om officiële of gerechtelijke informatie, strafrechtelijke of administratieve onderzoeken, vervolging of de tenuitvoerlegging van sancties worden belemmerd, om de openbare veiligheid en de nationale veiligheid te beschermen of om de rechten en vrijheden van anderen te beschermen.

6.

De Partijen plegen overleg indien een krachtens het interne recht bevoegde rechterlijke autoriteit beslist over de toelaatbaarheid van de doorgifte van gegevens van de ene Partij naar de andere uit hoofde van dit Verdrag.

Artikel 20. Kosten

1.

De uit hoofde van de uitlevering op het grondgebied van de aangezochte Partij gemaakte kosten komen ten laste van die Partij.

2.

De kosten van de uitlevering van de opgeëiste persoon en de kosten van het vervoer van de in beslag genomen voorwerpen, alsmede de kosten van doortocht over het grondgebied van de aangezochte Partij, komen ten laste van de verzoekende Partij.

3.

Indien wordt vastgesteld dat er sprake is van buitengewone kosten, kunnen de Partijen in onderling overleg bepalen op welke wijze deze kosten moeten worden gedekt.

Artikel 21. Verhouding tot andere verdragen

Dit Verdrag laat de rechten en verplichtingen van de Partijen uit hoofde van enig ander verdrag, conventie of overeenkomst onverlet.

Artikel 22. Overleg

1.

De Partijen plegen langs diplomatieke weg overleg over de interpretatie en toepassing van dit Verdrag.

2.

Er wordt een gemengd raadgevend comité opgericht, bestaande uit vertegenwoordigers van het Ministerie van Justitie van beide Partijen, dat op verzoek van een van de Partijen periodiek bijeenkomt om de oplossing van problemen in verband met de toepassing van dit Verdrag te vergemakkelijken.

Artikel 23. Centrale autoriteiten

1.

De Partijen wijzen als centrale autoriteiten aan:

2.

Beide partijen stellen elkaar schriftelijk via diplomatieke kanalen op de hoogte van elke wijziging van de centrale autoriteit.

Artikel 24. Territoriale toepassing

In overeenstemming met artikel 25 is dit Verdrag van toepassing:

Artikel 25. Slotbepalingen

1.

Elk van de Partijen stelt de andere Partij in kennis van de voltooiing van de voor de inwerkingtreding van dit Verdrag grondwettelijk vereiste procedures.

2.

Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand na de datum van ontvangst van de laatste kennisgeving.

3.

Dit Verdrag kan op verzoek van een van de Partijen worden herzien. Wijzigingen worden aangebracht door middel van protocollen die in werking treden volgens de procedure van het tweede lid van dit artikel.

4.

Elk van de Partijen kan dit Verdrag te allen tijde opzeggen door de andere Partij langs diplomatieke weg een kennisgeving van opzegging te doen toekomen. Deze opzegging treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand na de datum van ontvangst van deze kennisgeving.

5.

De bepalingen van dit Verdrag zijn van toepassing op uitleveringsverzoeken die na de datum van inwerkingtreding van het Verdrag worden gedaan, ongeacht of de feiten vóór of na die datum zijn begaan.

6.

Met inachtneming van de in het vierde lid van dit artikel genoemde termijn is het Koninkrijk der Nederlanden gerechtigd de toepassing van dit Verdrag voor elk van de delen van het Koninkrijk afzonderlijk te beëindigen.

EN FOI DE QUOI, les soussignés, dûment autorisés, ont signé la présente Convention.

FAIT à Rabat, 18 décembre 2023, en double exemplaire, en langues arabe, néerlandaise et française et, les trois textes faisant foi. En cas de divergence d’interprétation le texte français prévaudra.

Pour le Royaume des Pays-Bas,

D. YEŞILGÖZ-ZEGERIUS

La ministre de la justice et de la sécurité

Pour le Royaume du Maroc,

A. OUAHBI

Le ministre de la justice

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)