Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Curaçao, en de Republiek Suriname tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting

Type Verdrag
Publication 2024-07-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Curaçao,

en

de Republiek Suriname,

Geleid door de wens hun economische betrekkingen verder te ontwikkelen en hun samenwerking op belastinggebied te verbeteren,

Voornemens een verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen zonder daarbij mogelijkheden te scheppen tot niet-heffing of verminderde heffing van belasting door middel van het ontduiken of ontwijken van belasting (daaronder begrepen het oneigenlijk gebruik van verdragen door middel van constructies gericht op de verkrijging van in dit Verdrag voorziene tegemoetkomingen tot indirect voordeel van inwoners van derde rechtsgebieden),

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Personen op wie het verdrag van toepassing is
1.

Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide verdragsluitende staten.

2.

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt inkomen dat is verkregen door of door tussenkomst van een entiteit of een constructie die op grond van de belastingwetgeving van een verdragsluitende staat als geheel of gedeeltelijk fiscaal transparant behandeld wordt, geacht inkomen te zijn van een inwoner van een verdragsluitende staat, maar uitsluitend voor zover dat inkomen door die staat voor belastingdoeleinden behandeld wordt als inkomen van een inwoner van die staat.

3.

Niettegenstaande de overige bepalingen van dit Verdrag kan een geregistreerd collectief beleggingsvehikel en een erkend pensioenfonds dat is gevestigd in een verdragsluitende staat en dat inkomsten of voordelen ontvangt die ontstaan in de andere verdragsluitende staat, ervoor kiezen niet te worden behandeld als een inwoner van de verdragsluitende staat waarin het is gevestigd en kan het namens de eigenaren van de belangen in het collectief beleggingsvehikel aanspraak maken op de belastingaftrek, teruggaaf of andere voordelen die krachtens enig Verdrag voor die eigenaren beschikbaar zouden zijn geweest indien zij die inkomsten rechtstreeks hadden ontvangen.

4.

Een collectief beleggingsvehikel mag geen aanspraak maken op belastingaftrek, terugbetaling of andere voordelen overeenkomstig het derde lid namens een eigenaar van de belangen in een dergelijk collectief beleggingsvehikel indien de eigenaar zelf een individuele aanspraak heeft gemaakt op voordelen met betrekking tot door het collectief beleggingsvehikel ontvangen inkomen.

5.

In geen geval worden de bepalingen van het tweede lid zo uitgelegd dat ze afbreuk doen aan het recht van een verdragsluitende staat om de inwoners van die verdragsluitende staat te belasten.

Artikel 2. Belastingen waarop het verdrag van toepassing is
1.

Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar het vermogen die worden geheven ten behoeve van een verdragsluitende staat of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan, ongeacht de wijze van heffing.

2.

Als belastingen naar het inkomen en naar het vermogen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, naar het gehele vermogen of naar inkomensbestanddelen of vermogensbestanddelen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het totale bedrag van de door de ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering.

3.

De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn met name:

4.

Het Verdrag is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen die na de datum van ondertekening van het Verdrag naast of in de plaats van de bestaande belastingen worden geheven. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten doen elkaar mededeling van alle wezenlijke wijzigingen die in hun belastingwetgeving zijn aangebracht.

Artikel 3. Algemene begripsbepalingen
1.

Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij de context anders vereist:

2.

Voor de toepassing van het Verdrag op enig moment door een verdragsluitende staat heeft elk daarin niet omschreven begrip, tenzij de context anders vereist of de bevoegde autoriteiten een andere betekenis overeenkomen ingevolge de bepalingen van artikel 24 van dit Verdrag, de betekenis welke het op dat moment heeft volgens de wetgeving van die staat met betrekking tot de belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, waarbij elke betekenis volgens de toepasselijke belastingwetgeving van die staat prevaleert boven een betekenis die volgens andere wetgeving van die staat aan dat begrip wordt gegeven.

Artikel 4. Inwoner
1.

Voor de toepassing van dit Verdrag betekent het begrip „inwoner van een verdragsluitende staat” iedere persoon die, ingevolge de wetgeving van die staat, aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf, plaats van leiding of enige andere soortgelijke omstandigheid, en omvat tevens de staat zelf en elk staatkundig of bestuursrechtelijk onderdeel of plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan alsmede een erkend pensioenfonds van die staat. Dit begrip omvat echter niet een persoon die in die staat slechts aan belasting is onderworpen ter zake van inkomen uit bronnen in die staat of van vermogen dat in die staat is gelegen.

2.

Een persoon, niet zijnde een natuurlijke persoon, wordt geacht aan belasting onderworpen te zijn:

3.

Indien een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner van beide verdragsluitende staten is, wordt zijn positie als volgt bepaald:

4.

Indien een persoon, niet zijnde een natuurlijke persoon, ingevolge de bepalingen van het tweede lid inwoner van beide verdragsluitende staten is, wordt zijn positie geacht als volgt te zijn:

Artikel 5. Vaste inrichting
1.

Voor de toepassing van dit Verdrag betekent het begrip „vaste inrichting” een vaste bedrijfsinrichting door middel waarvan de werkzaamheden van een onderneming geheel of gedeeltelijk worden verricht.

2.

Het begrip „vaste inrichting” omvat in het bijzonder:

3.

De term „vaste inrichting” omvat eveneens:

4.

Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel wordt het begrip „vaste inrichting” niet geacht te omvatten:

op voorwaarde dat die werkzaamheid, of, in het geval van onderdeel f, het totaal van de werkzaamheden van de vaste bedrijfsinrichting van voorbereidende aard is of het karakter van hulpwerkzaamheid heeft.

4.1. Het vierde lid is niet van toepassing op een vaste bedrijfsinrichting die door een onderneming gebruikt of aangehouden wordt indien dezelfde onderneming of een nauw daarmee verbonden onderneming op dezelfde plaats of op een andere plaats in dezelfde verdragsluitende staat bedrijfsactiviteiten verricht, en

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.