Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Indonesië inzake audiovisuele coproductie

Type Verdrag
Publication 2026-02-04
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Preambule

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Indonesië (hierna gezamenlijk te noemen „de partijen” en afzonderlijk „partij”);

Verwijzend naar het memorandum van overeenstemming tussen het Ministerie van Onderwijs en Cultuur van de Republiek Indonesië en het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van Nederland op het gebied van cultuur, ondertekend te Jakarta op 13 februari 2017;

Ernaar strevend de samenwerking tussen de partijen in de audiovisuele sector te versterken;

Geleid door de wens de coproductie van audiovisuele werken uit te breiden en te faciliteren, hetgeen bevorderlijk kan zijn voor de audiovisuele industrie van de partijen en voor de ontwikkeling van hun culturele en economische uitwisselingen;

Ervan overtuigd dat deze uitwisselingen bijdragen aan het verbeteren van de betrekkingen tussen de partijen;

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:

Artikel 2. Bevoegde autoriteiten
1.

De bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van dit Verdrag zijn:

2.

De partijen stellen elkaar schriftelijk in kennis van een wijziging van hun bevoegde autoriteit.

3.

De bevoegde autoriteiten wijzen de coproducties aan waarop dit Verdrag van toepassing is.

Artikel 3. Erkenning van nationale audiovisuele werken en recht op voordelen
1.

De audiovisuele werken die in het kader van dit Verdrag worden gecoproduceerd, worden door de bevoegde autoriteiten aangewezen als nationale audiovisuele werken, overeenkomstig de toepasselijke wet- en regelgeving op het grondgebied van elk van de partijen.

2.

De coproducenten van audiovisuele werken die in het kader van dit Verdrag worden gecoproduceerd hebben toegang tot ondersteuning en andere financiële voordelen op het grondgebied van elk van de partijen overeenkomstig hun nationale wet- en regelgeving.

3.

De bevoegde autoriteiten doen elkaar een lijst toekomen van de nationale wet- en regelgeving die op hun respectieve grondgebied van toepassing is voor zover die betrekking heeft op ondersteuning en financiële voordelen voor audiovisuele werken. Indien de gerelateerde nationale wet- en regelgeving op enigerlei wijze wordt gewijzigd, verplicht de bevoegde autoriteiten van de desbetreffende partij zich ertoe de inhoud van die wijziging te doen toekomen aan de bevoegde autoriteiten van de andere partij.

4.

De voordelen die met dit Verdrag inzake gecoproduceerde audiovisuele werken worden beoogd, worden toegekend aan coproducenten die als naar behoren toegeruste financiële en technische entiteiten met voldoende professionele kwalificaties en ervaring worden beschouwd. De beide partijen houden elkaar via hun bevoegde autoriteiten op de hoogte van deze toewijzing.

Artikel 4. Eisen voor coproducenten
1.

Productiebedrijven die betrokken zijn bij een gecoproduceerd audiovisueel werk dienen te zijn geregistreerd in overeenstemming met de wet- en regelgeving van de desbetreffende partij. Daarnaast dienen individuele producenten, productiebedrijven en studio's elke vergunning te verkrijgen die de bevoegde autoriteiten vereisen.

2.

Gecoproduceerde audiovisuele werken dienen te worden gemaakt door filmproducenten wier technische en financiële mogelijkheden, en professionele ervaring, voldoen aan de vereisten van de goedkeuringsprocedures van de onderscheiden bevoegde autoriteiten.

Artikel 5. Goedkeuring van een gecoproduceerd audiovisueel werk
1.

Voor audiovisuele werken die in het kader van dit Verdrag worden gecoproduceerd, dient voorlopige goedkeuring van de onderscheiden bevoegde autoriteiten te worden verkregen alvorens zij in productie worden genomen. Het is de verantwoordelijkheid van de coproducenten de door de bevoegde autoriteiten gewenste documentatie te verstrekken om de bevoegde autoriteiten in staat te stellen hun proces van voorlopige goedkeuring af te ronden.

2.

De audiovisuele werken die in het kader van dit Verdrag worden gecoproduceerd, dienen te worden gemaakt in overeenstemming met de voorwaarden van de voorlopige goedkeuring van de bevoegde autoriteiten.

3.

Na voltooiing van de productie is het de verantwoordelijkheid van de coproducenten om het voltooide gecoproduceerde audiovisuele werk en alle door de bevoegde autoriteiten vereiste documentatie te overleggen aan de bevoegde autoriteiten om hen in staat te stellen hun procedures voor definitieve goedkeuring af te ronden voordat voor het gecoproduceerde audiovisuele werk de voordelen worden verkregen, ingevolge artikel 3, eerste en tweede lid, die verbonden zijn aan definitieve goedkeuring.

4.

Bij het vaststellen van de voorlopige en definitieve goedkeuring passen de bevoegde autoriteiten de Bijlage bij dit Verdrag toe op gecoproduceerde audiovisuele werken.

5.

Om te bepalen of een project voldoet aan de bepalingen van dit Verdrag treden de bevoegde autoriteiten met elkaar in overleg. Bij het bepalen of voorlopige of definitieve goedkeuring wordt verleend of geweigerd past elke bevoegde autoriteit haar eigen beleid en richtlijnen toe.

6.

Bij goedkeuring van een gecoproduceerd audiovisueel werk kan elke autoriteit voorwaarden voor goedkeuring vaststellen teneinde de algemene doelstellingen van dit Verdrag te verwezenlijken. Wanneer de bevoegde autoriteiten geen overeenstemming bereiken over het verlenen van een dergelijke goedkeuring of het opnemen van voorwaarden, wordt het betreffende project niet goedgekeurd in het kader van dit Verdrag.

7.

Met betrekking tot Indonesië heeft een gecoproduceerd audiovisueel werk de procedure voor voorlopige goedkeuring doorlopen zodra de Indonesische bevoegde autoriteit Tanda Pendaftaran Produksi Film (TPPF) heeft verstrekt.

8.

Met betrekking tot Nederland heeft een gecoproduceerd audiovisueel werk de procedure voor voorlopige goedkeuring doorlopen zodra de Nederlandse bevoegde autoriteit de Nederlandse coproducent er schriftelijk van in kennis heeft gesteld dat de voorlopige goedkeuring is verleend. Een gecoproduceerd audiovisueel werk heeft de procedure voor definitieve goedkeuring doorlopen zodra de Nederlandse bevoegde autoriteit de Nederlandse coproducent er schriftelijk van in kennis heeft gesteld dat de definitieve goedkeuring is verleend.

Artikel 6. Coproducties met derden

Met gezamenlijke schriftelijke toestemming van de bevoegde autoriteiten, kan een derde coproducent deelnemen aan de coproductie van een gecoproduceerd audiovisueel werk in het kader van dit Verdrag.

Artikel 7. Aanvraag van coproductiestatus
1.

De Indonesische coproducent is verantwoordelijk voor het aanvragen van de coproductiestatus in Indonesië en streeft ernaar om ervoor te zorgen dat het gecoproduceerde audiovisuele werk voldoet aan de eisen van de Indonesische bevoegde autoriteit voor het toekennen van de coproductiestatus.

2.

De Nederlandse coproducent is verantwoordelijk voor het aanvragen van de coproductiestatus in Nederland en streeft ernaar om ervoor te zorgen dat het gecoproduceerde audiovisuele werk voldoet aan de eisen van de Nederlandse bevoegde autoriteit voor het toekennen van de coproductiestatus.

3.

Elke derde coproducent voldoet aan alle voorwaarden met betrekking tot de coproductiestatus om een audiovisueel werk te produceren overeenkomstig de voorwaarden van de coproductieovereenkomst.

Artikel 8. Bijdragen
1.

Het aandeel van de respectieve bijdragen van de coproducenten van elk van de partijen in een gecoproduceerd audiovisueel werk bedraagt ten minste 20% (twintig procent) en ten hoogste 80% (tachtig procent) van het totale budget voor het audiovisuele werk. Indien nodig kunnen de bevoegde autoriteiten andere grenzen overeenkomen, maar hierbij gelden een nieuw minimum van 10% (tien procent) en een nieuw maximum van 90% (negentig procent).

2.

Elke coproducent levert een doelmatige artistieke en technische bijdrage en voldoet aan de desbetreffende voorwaarden van elk van de partijen.

3.

De deelname van de coproducent met de kleinste inbreng omvat zowel artistieke als technische functies in overeenstemming met zijn respectieve bijdrage.

Artikel 9. Inbreng, filmen op locatie en soundtrack
1.

Belangrijke artistieke en technische functies in een gecoproduceerd audiovisueel werk worden bekleed door personen uit de volgende categorieën:

2.

Een gecoproduceerd audiovisueel werk is afkomstig uit een van de partijen. Het aandeel van de belangrijkste artiesten en technici van elk van de partijen wordt door middel van onderhandelingen tussen de coproducenten bepaald voordat het audiovisuele werk voor voorlopige goedkeuring aan de bevoegde autoriteiten van beide partijen wordt voorgelegd.

3.

Personen die niet behoren tot een van de in het eerste lid van dit artikel genoemde categorieën kunnen uitsluitend worden aanvaard in de in het eerste lid bedoelde belangrijke artistieke en technische functies na schriftelijke toestemming van beide bevoegde autoriteiten, rekening houdend met de vereisten van het audiovisuele werk.

4.

Een coproductie met een of meer derden kan door de bevoegde autoriteiten ook per geval toegang worden verleend tot de voordelen waarin dit Verdrag voorziet. Het aandeel van de bijdragen van een derde aan een dergelijke coproductie is ten minste 20% (twintig procent) van het totale budget voor het audiovisuele werk. Onder bepaalde omstandigheden kan de bevoegde autoriteit andere grenzen overeenkomen, maar hierbij geldt een minimum van 10% (tien procent).

5.

Studio-opnamen en filmen op locatie voor een gecoproduceerd audiovisueel werk vinden bij voorkeur plaats in studio's of locaties gevestigd op het grondgebied van een van de of beide partijen. De bevoegde autoriteiten van de partijen kunnen, indien het script of de oorspronkelijke setting van het audiovisuele werk dat vereist, om redenen van artistieke aard besluiten dat het filmen op locatie elders geschiedt.

6.

De oorspronkelijke soundtrack van elk gecoproduceerd audiovisueel werk wordt vervaardigd in een van de officiële talen van de partijen, hetzij in elke combinatie van de toegestane talen. De soundtrack mag dialoog in andere talen bevatten indien het script dit vereist.

Artikel 10. Invoer van apparatuur

Elk van de partijen voorziet, in overeenstemming met de nationale wetgeving die op haar grondgebied van kracht is, in de tijdelijke toelating van filmapparatuur en technische apparatuur voor het vervaardigen van gecoproduceerde audiovisuele werken, vrij van invoerrechten en -heffingen, onder voorwaarde van zekerheidstelling, totdat de apparatuur weer wordt uitgevoerd.

Artikel 11. Immigratie en facilitatie

Elke partij verleent toestemming aan het personeel van de andere partij dat voldoet aan artikel 9, eerste lid, of van een derde partij als bedoeld in artikel 9, derde lid en artikel 9, vierde lid, naargelang van het geval, in het grondgebied van de partij binnen te komen en er te verblijven ten behoeve van het vervaardigen of exploiteren van een gecoproduceerd audiovisueel werk, met inachtneming van de relevante wetten van de onderscheiden grondgebieden met betrekking tot binnenkomst en verblijf, met inbegrip van terugkeer.

Artikel 12. Toetsing en evaluatie
1.

Er dient over de gehele linie een evenwicht te worden bewaard tussen de partijen ten aanzien van de prestaties van de acteurs, artistieke betrokkenheid en financiële en technische bijdragen, zoals studio's, laboratoria en postproductie, van elk van de partijen.

2.

Met het oog op de beoordeling en evaluatie stellen de bevoegde autoriteiten van de partijen een lijst op van alle subsidies en financieringsbronnen.

Artikel 13. Eigendom

Voor toegang tot de voordelen uit hoofde van dit Verdrag dienen de coproducenten gezamenlijk eigenaar te zijn van de materiële onderdelen van het audiovisuele werk, met inbegrip van de filmmaster, en alle overige bronmaterialen van het gecoproduceerde audiovisuele werk. Voorts heeft elke coproducent het recht kopieën van het gecoproduceerde audiovisuele werk te maken voor exploitatie op zijn eigen grondgebied. Het materiaal van het audiovisuele werk wordt bewaard op een door de coproducenten onderling overeen te komen locatie die voor elk van hen toegankelijk is.

Artikel 14. Credits

Credits, trailers en al het promotiemateriaal voor in het kader van dit Verdrag gecoproduceerde audiovisuele werken dienen de status van het audiovisuele werk als officiële coproductie van de Republiek Indonesië en het Koninkrijk der Nederlanden te vermelden of, waar relevant, een credit waaruit de bijdrage van de Republiek Indonesië, het Koninkrijk der Nederlanden en een derde coproducerend land blijkt.

Artikel 15. Samenwerking voor films
1.

De bevoegde autoriteiten komen overeen alles in het werk te stellen om de samenwerking op het gebied van filmproductie te versterken en de distributie en promotie van gecoproduceerde audiovisuele werken op hun grondgebied te verbeteren.

2.

De bevoegde autoriteiten komen overeen alles in het werk te stellen om het publiek bewust te maken van en bekendheid te geven aan de audiovisuele werken die in het kader van dit Verdrag worden gecoproduceerd tijdens nationale filmfestivals, filmopleidingen, programma's ter bevordering van deelname aan filmfestivals en andere culturele evenementen.

3.

De overeenkomst tussen de coproducenten dient te voorzien in een regeling ten aanzien van de opbrengsten die worden gegenereerd met de internationale verkoop en distributie van het in het kader van dit Verdrag gecoproduceerde audiovisuele werk.

4.

De coproducent met de belangrijkste bijdrage is primair verantwoordelijk voor de presentatie op filmfestivals van audiovisuele werken die in het kader van dit Verdrag worden gecoproduceerd, tenzij de coproducenten anders overeenkomen.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.