Geavanceerde Kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en haar Lidstaten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds

Type Verdrag
Publication 2023-12-13
State In force
Source BWB
artikelen 627
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Preambule

Het Koninkrijk België,

de Republiek Bulgarije,

de Tsjechische Republiek,

het Koninkrijk Denemarken,

de Bondsrepubliek Duitsland,

de Republiek Estland,

Ierland,

de Helleense Republiek,

het Koninkrijk Spanje,

de Franse Republiek,

de Republiek Kroatië,

de Italiaanse Republiek,

de Republiek Cyprus,

de Republiek Letland,

de Republiek Litouwen,

het Groothertogdom Luxemburg,

Hongarije,

de Republiek Malta,

het Koninkrijk der Nederlanden,

de Republiek Oostenrijk,

de Republiek Polen,

de Portugese Republiek,

Roemenië,

de Republiek Slovenië,

de Slowaakse Republiek,

de Republiek Finland,

het Koninkrijk Zweden,

partijen bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, hierna „de lidstaten” genoemd,

en

de Europese Unie,

enerzijds,

en

De Republiek Chili, hierna „Chili” genoemd,

anderzijds,

hierna gezamenlijk „de Partijen” genoemd,

Gezien de sterke culturele, politieke, economische op samenwerking gebaseerde banden die hen binden,

Opnieuw bevestigende dat zij de democratische beginselen, mensenrechten en fundamentele vrijheden, de rechtsstaat en goed bestuur aanhangen, en zich inzetten voor de verwezenlijking van duurzame ontwikkeling en het aanpakken van klimaatverandering, wat het uitgangspunt vormt voor hun partnerschap en samenwerking,

Delende de mening dat de verspreiding van massavernietigingswapens en overbrengingsmiddelen daarvoor, onder zowel statelijke als niet-statelijke actoren, een van de ernstigste bedreigingen voor de internationale vrede en veiligheid vormt,

Indachtig de belangrijke bijdrage voor de versterking van die banden die is geleverd door de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds, ondertekend te Brussel op 18 november 2002 („Associatieovereenkomst”),

Benadrukkende dat hun betrekkingen van alomvattende aard zijn en dat het belangrijk is een samenhangend kader voor de voortgang ervan te scheppen,

Gezien hun toezegging om de bestaande Associatieovereenkomst te moderniseren om rekening te houden met de nieuwe politieke en economische realiteit en de voortgang van hun partnerschap,

Erkennende dat een sterk en doeltreffend multilateraal systeem, op basis van internationaal recht, van belang is om de vrede in stand te houden, conflicten te voorkomen, de internationale veiligheid te versterken en gezamenlijke uitdagingen aan te pakken,

Bevestigende hun toezegging om de samenwerking op het gebied van bilaterale, regionale en mondiale kwesties van gemeenschappelijk belang te versterken en alle beschikbare instrumenten in te zetten om activiteiten te bevorderen die zijn opgezet om een actieve en wederzijdse internationale samenwerking tot stand te brengen,

Ingenomen met de vaststelling van en het verzoek om uitvoering van het kader van Sendai voor rampenrisicovermindering 2015–2030, aangenomen tijdens de derde Wereldconferentie van de VN in Sendai op 18 maart 2015, de actieagenda van Addis Abeba van de derde internationale conferentie over ontwikkelingsfinanciering, aangenomen in Addis Abeba op 13 tot en met16 juli 2015, Resolutie 70/1, aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties („Algemene Vergadering van de VN”) op 25 september 2015, houdende het slotdocument „Transforming our world: the 2030 Agenda for Sustainable Development and the 17 Sustainable Development Goals” (Naar een nieuwe wereld: de agenda inzake duurzame ontwikkeling voor 2030 en de 17 daarin vervatte duurzameontwikkelingsdoelstellingen) („Agenda 2030”), de Overeenkomst van Parijs in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering, gedaan te Parijs op 12 december 2015 („Overeenkomst van Parijs”), de Nieuwe Stedenagenda, goedgekeurd tijdens de VN-conferentie over huisvesting en duurzame stadsontwikkeling (Habitat III) op 20 oktober 2016 in Quito, Ecuador („Nieuwe Stedenagenda”) en de verbintenissen van de wereldtop over humanitaire hulp, aangenomen tijdens de wereldtop over humanitaire hulp in Istanbul op 23 en 24 mei 2016,

Opnieuw bevestigende dat zij zich verbinden tot het bevorderen van duurzame ontwikkeling in economisch, sociaal en ecologisch opzicht, dat zij zich erop toeleggen de internationale handel zodanig te ontwikkelen dat die bijdraagt tot duurzame ontwikkeling in die drie dimensies, die onderling nauw zijn verbonden en elkaar wederzijds versterken, en dat zij zich verbinden tot het bevorderen van de verwezenlijking van de doelstellingen van de Agenda 2030,

Opnieuw bevestigende dat zij vastbesloten zijn hun handelsbetrekkingen uit te breiden en te diversifiëren overeenkomstig de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (World Trade Organization, WTO), gedaan te Marrakesh op 15 april 1994, en de specifieke doelstellingen en bepalingen van deel III van deze overeenkomst,

Geleid door de wens hun economische betrekkingen te versterken, in het bijzonder hun handels- en investeringsbetrekkingen, door de toegang tot de markt te versterken en te verbeteren, en bij te dragen tot economische groei, waarbij zij zich bewust zijn van de noodzaak het bewustzijn te vergroten rond de economische en sociale gevolgen van milieuschade, niet-duurzame productie- en consumptiepatronen en het bijbehorende effect op het menselijk welzijn,

Ervan overtuigd dat deze overeenkomst een klimaat zal scheppen dat hun onderlinge duurzame economische betrekkingen zal doen groeien, met name op het gebied van handel en investeringen, die noodzakelijk zijn voor de economische en sociale ontwikkeling, de technologische innovatie, en modernisering,

Erkennende dat de bepalingen van deze overeenkomst investeringen en investeerders beschermen en tot doel hebben tot wederzijds voordeel strekkende zakelijke activiteiten te stimuleren, zonder afbreuk te doen aan het recht van de Partijen op hun grondgebied regels te stellen in het openbaar belang,

Erkennende het nauwe verband tussen innovatie en handel, alsook het belang van innovatie voor economische groei en sociale ontwikkeling, en ook bevestigende hun belang bij het bevorderen van een grotere mate van samenwerking op het gebied van innovatie, onderzoek, wetenschap, technologie, vervoer en andere daaraan gerelateerde gebieden, en bij het bevorderen van de deelname van de publieke en de particuliere sector,

Bevestigende hun toezegging om intensiever samen te werken op het gebied van justitie, vrijheid en veiligheid,

Erkennende dat de versterkte samenwerking op het gebied van onderwijs, milieuaangelegenheden, cultuur, onderzoek en innovatie, werkgelegenheid en sociale zaken, gezondheid en andere gebieden van gemeenschappelijk belang, wederzijdse voordelen oplevert,

Uiting gevende aan hun vastberadenheid om hun betrekkingen te blijven versterken door middel van nieuwe samenwerkingsovereenkomsten, alsook hun wens dat die samenwerking wordt uitgevoerd in het voordeel van derde landen, zoals vastgelegd in het in 2015 door de Partijen ondertekende Memorandum van overeenstemming over internationale samenwerking, en door de voortdurende deelneming van Chili aan de regionale programma’s van de Europese Unie,

Herinnerende aan het belang van de verschillende overeenkomsten tussen de Europese Unie en Chili, die de politieke dialoog en samenwerking in de sectorale gebieden van de betrekkingen tussen de Partijen alsook handel en investeringen hebben bevorderd,

Wijzende op het feit dat, als de Partijen in het kader van deze overeenkomst specifieke overeenkomsten sluiten op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht, die door de Europese Unie zouden worden gesloten op grond van titel V van het derde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie („VWEU”), de bepalingen van dergelijke toekomstige overeenkomsten niet bindend zijn voor Ierland, tenzij de Europese Unie, samen met Ierland wat betreft hun respectieve eerdere bilaterale betrekkingen, Chili ervan in kennis stelt dat Ierland gebonden is door dergelijke toekomstige specifieke overeenkomsten als deel van de Europese Unie, overeenkomstig Protocol nr. 21 betreffende de positie van Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie („VEU”) en het VWEU is gehecht. Evenzo zijn latere interne maatregelen van de Europese Unie die met het oog op de uitvoering van deze overeenkomst op grond van titel V van het derde deel van het VWEU worden genomen, niet bindend voor Ierland, tenzij Ierland zijn wens te kennen heeft gegeven deel te nemen aan die maatregelen of die te aanvaarden overeenkomstig Protocol nr. 21. Voorts wijzende op het feit dat dergelijke toekomstige specifieke overeenkomsten of dergelijke latere interne maatregelen van de Europese Unie zouden komen te vallen onder de werkingssfeer Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken dat aan het VEU en het VWEU is gehecht,

Zijn als volgt overeengekomen:

DEEL I. ALGEMENE BEGINSELEN EN DOELSTELLINGEN

HOOFDSTUK 1. DOELSTELLINGEN, ALGEMENE BEGINSELEN EN DEFINITIES

Artikel 1.1. Doelstellingen van deze overeenkomst

Deze overeenkomst heeft tot doel:

  • a. het herbevestigen van de associatie tussen de Partijen op basis van een versterkt partnerschap, een versterkte politieke dialoog en versterkte samenwerking op het gebied van kwesties van gemeenschappelijk belang, waaronder innovatie op alle toepasselijke gebieden;
  • b. het bevorderen van handel en investeringen tussen de Partijen door hun handelsbetrekkingen uit te breiden en te diversifiëren, wat moet bijdragen tot een hogere economische groei en een verbeterde levenskwaliteit; en
  • c. het versterken van de bestaande samenwerkingsrelatie tussen de Partijen, waaronder internationale samenwerking voor duurzame ontwikkeling en bevordering van gezamenlijke werkzaamheden, met als doel bij te dragen tot de uitvoering van de Agenda 2030.
Artikel 1.2. Algemene beginselen
1.

De Partijen bevestigen hun krachtige steun voor de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties.

2.

De eerbiediging van de democratische beginselen, de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, zoals die zijn vastgelegd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, aangenomen door de Algemene Vergadering van de VN op 10 december 1948, en andere toepasselijke internationale mensenrechteninstrumenten waarbij de Partijen partij zijn, en van het beginsel van de rechtsstaat en goed bestuur, die ten grondslag liggen aan het interne en het internationale beleid van beide Partijen, is een essentieel element van deze overeenkomst.

3.

De Partijen delen de mening dat de verspreiding van massavernietigingswapens en overbrengingsmiddelen daarvoor, onder zowel statelijke als niet-statelijke actoren, een ernstige bedreiging voor de internationale vrede en veiligheid vormt.

4.

De Partijen bevestigen opnieuw dat zij zich ervoor blijven inzetten duurzame ontwikkeling in alle opzichten te stimuleren, bij te dragen tot de verwezenlijking van internationaal overeengekomen duurzameontwikkelingsdoelstellingen, en onder meer samen te werken om wereldwijde milieuproblemen aan te pakken.

5.

De Partijen bevestigen dat zij zich zullen inzetten voor het mainstreamen van gendergelijkheid en voor het versterken van de positie van vrouwen en meisjes.

6.

De Partijen herbevestigen hun steun aan de Verklaring over de rechten van inheemse volken, aangenomen op 13 september 2007, en hun toezeggingen om de culturele verscheidenheid te eerbiedigen en de rechten van inheemse volken te beschermen.

7.

De Partijen voeren deze overeenkomst uit op basis van gemeenschappelijke waarden, met inbegrip van de beginselen van dialoog, wederzijds respect, gelijkwaardig partnerschap, multilateralisme, consensus en eerbiediging van het internationaal recht.

Artikel 1.3. Definities

Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt verstaan onder:

  • a. „associatieovereenkomst”: de overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds, ondertekend te Brussel op 18 november 2002;
  • b. „tussentijdse handelsovereenkomst”: de tussentijdse handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Chili, ondertekend te Brussel op 13 december 2023;
  • c. „derde land”: een land of grondgebied gelegen buiten de territoriale werkingssfeer van deze overeenkomst zoals uiteengezet in artikel 41.2; en
  • d. „Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht”: het te Wenen op 23 mei 1969 tot stand gekomen Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht.

DEEL II. POLITIEKE DIALOOG EN SAMENWERKING

HOOFDSTUK 2. POLITIEKE DIALOOG, BUITENLANDS BELEID, INTERNATIONALE VREDE EN VEILIGHEID, BESTUUR EN MENSENRECHTEN

Artikel 2.1. Politieke dialoog
1.

De Partijen versterken hun politieke dialoog en samenwerking op alle niveaus door middel van uitwisselingen en overleg inzake bilaterale, regionale, internationale en multilaterale vraagstukken, teneinde hun versterkte partnerschap te consolideren.

2.

De politieke dialoog heeft tot doel:

  • a. de ontwikkeling van bilaterale betrekkingen te bevorderen en het partnerschap tussen de partijen te versterken;
  • b. de samenwerking inzake regionale en mondiale uitdagingen en vraagstukken te versterken;
  • c. de institutionele capaciteiten van de partijen te versterken, met inbegrip van de modernisering van de staat, decentralisatie en de bevordering van interinstitutionele samenwerking.
3.

De politieke dialoog tussen de Partijen kan de volgende gezamenlijk overeen te komen vormen aannemen:

  • a. overleg, bijeenkomsten en bezoeken op het hoogste niveau;
  • b. overleg, bijeenkomsten en bezoeken op ministerieel niveau;
  • c. regelmatige bijeenkomsten tussen hoge ambtenaren, met inbegrip van een politieke dialoog op hoog niveau;
  • d. sectorale dialogen, onder andere door de uitwisseling van missies en deskundigen op het gebied van kwesties van gemeenschappelijk belang;
  • e. uitwisseling van delegaties en andere contacten tussen het Nationaal Congres van Chili en het Europees Parlement.
Artikel 2.2. Bestrijding van de verspreiding van massavernietigingswapens
1.

De Partijen zijn van oordeel dat de verspreiding van massavernietigingswapens en overbrengingsmiddelen daarvoor, onder zowel statelijke als niet-statelijke actoren, een van de ernstigste bedreigingen voor de internationale stabiliteit en veiligheid vormt. De Partijen komen derhalve overeen samen te werken en een bijdrage te leveren aan de bestrijding van de proliferatie van massavernietigingswapens en de overbrengingsmiddelen daarvoor, door de volledige naleving en de uitvoering op nationaal niveau van de verbintenissen die zij zijn aangegaan in het kader van internationale verdragen en overeenkomsten op het gebied van ontwapening en non-proliferatie, alsook van hun andere internationale verplichtingen op dat gebied. De Partijen komen overeen dat dit lid een essentieel element van deze overeenkomst vormt.

2.

De Partijen komen bovendien overeen samen te werken en bij te dragen aan de strijd tegen massavernietigingswapens en de overbrengingsmiddelen daarvoor:

  • a. door maatregelen te nemen, gericht op de ondertekening of de ratificatie van alle andere relevante internationale instrumenten, of, waar passend, op aansluiting daarbij, en op de volledige uitvoering daarvan;
  • b. door een doeltreffend nationaal uitvoercontrolesysteem in te voeren, gericht op zowel de uitvoer als de doorvoer van goederen die verband houden met massavernietigingswapens, waaronder controle op het eindgebruik van technologieën voor tweeërlei gebruik, en door doeltreffende sancties op te leggen in het geval van overtreding van de uitvoercontroles.
Artikel 2.3. Mensenrechten, rechtsstaat, goed bestuur
1.

De Partijen bevorderen een regelmatige, zinvolle en breed gefundeerde mensenrechtendialoog.

2.

De Partijen werken samen aan de bevordering en bescherming van de mensenrechten, ook wat betreft de ratificatie en uitvoering van internationale mensenrechteninstrumenten, en aan de versterking van de democratische beginselen en de rechtsstaat, door gendergelijkheid te bevorderen en discriminatie in al haar vormen en op welke grond dan ook te bestrijden.

3.

Die samenwerking kan bestaan uit:

  • a. het ondersteunen van de ontwikkeling en uitvoering van actieplannen met betrekking tot de mensenrechten;
  • b. het bevorderen van de mensenrechten, ook via onderwijs en de media;
  • c. het versterken van nationale en regionale instellingen in verband met de mensenrechten, de rechtsstaat en goed bestuur;
  • d. het opvoeren van de samenwerking met de toezichthoudende verdragsorganen van de Verenigde Naties en het verbeteren van de speciale procedures van de Mensenrechtenraad volgens de algemene beginselen van het internationale recht inzake de mensenrechten;
  • e. het opvoeren van de coördinatie en samenwerking met de instellingen van de Verenigde Naties op het gebied van de mensenrechten en met de desbetreffende regionale en multilaterale fora;
  • f. het versterken van de nationale, regionale en gedecentraliseerde capaciteit om democratische beginselen en praktijken toe te passen, waaronder het bevorderen van verkiezingsprocessen die in overeenstemming zijn met de internationale democratische normen;
  • g. het versterken van goed, onafhankelijk en transparant bestuur op lokaal, nationaal, regionaal en mondiaal niveau, het bevorderen van de verantwoordingsplicht en transparantie van instellingen, en het ondersteunen van de participatie van burgers en de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld;
  • h. het samenwerken en coördineren, voor zover nodig, ook in derde landen, ter versterking van de democratische beginselen, de mensenrechten en de rechtsstaat, daarbij inbegrepen het bestaan van een onafhankelijk rechtsstelsel, gelijkheid voor de wet, de toegang van mensen tot doeltreffende rechtsbijstand door de overheid, en het recht op een onpartijdig gerecht, een eerlijk proces en toegang tot de rechter;
  • i. het bevorderen van de universaliteit van internationale mensenrechtenverdragen en het aanmoedigen van derde partijen om hun verplichtingen op dat gebied na te komen;
  • j. het streven naar verantwoordingsplicht voor schendingen van de mensenrechten en het waarborgen van de toegang tot rechtsmiddelen voor de slachtoffers van dergelijke schendingen.
Artikel 2.4. Gendergelijkheid en versterken van de positie van vrouwen en meisjes
1.

De Partijen bevorderen gendergelijkheid, het volledige genot van alle mensenrechten door alle vrouwen en meisjes en de versterking van hun positie. Zij erkennen de noodzaak van gendergelijkheid en de versterking van de positie van vrouwen en meisjes als een doel op zich en als een drijvende kracht voor democratie, duurzame en inclusieve ontwikkeling, vrede en veiligheid. De Partijen wisselen beste praktijken uit en onderzoeken verdere regelingen voor samenwerking en potentiële synergieën tussen hun respectieve initiatieven, zoals beleidslijnen en programma’s, in overeenstemming met internationale normen en verbintenissen, zoals het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW), dat op 18 december 1979 door de Algemene Vergadering van de VN is aangenomen, de algemene aanbevelingen van het VN-Comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen, de verklaring van Peking en het actieprogramma van Peking, aangenomen tijdens de vierde Wereldvrouwenconferentie, gehouden in Peking van 4 tot en met 15 september 1995, het actieprogramma dat is aangenomen tijdens de Internationale Conferentie over Bevolking en Ontwikkeling, gehouden in Caïro van 5 tot en met 13 september 1994 en de resultaten van de desbetreffende toetsingsconferenties, de Agenda 2030 en Resolutie 1325 (2000) van de VN-Veiligheidsraad en daaruit voortvloeiende resoluties inzake vrouwen, vrede en veiligheid, en andere internationale overeenkomsten betreffende gendergelijkheid en de mensenrechten van vrouwen en meisjes waarbij zij partij zijn.

2.

Die samenwerking kan bestaan uit:

  • a. het samenwerken om alle duurzameontwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken, met name doelstelling 5 en de bijbehorende streefcijfers;
  • b. het bevorderen, beschermen en behartigen van alle mensenrechten van vrouwen en meisjes, het voorkomen, bestrijden en vervolgen van alle vormen van geweld, discriminatie en intimidatie van vrouwen en meisjes in zowel het particuliere als het publieke leven, en het actief bevorderen van de mensenrechten van vrouwen en meisjes volgens het desbetreffende internationale kader;
  • c. het actief bevorderen van de systematische mainstreaming van het genderperspectief; het versterken van de dialoog en samenwerking voor het bevorderen van gendergelijkheid en non-discriminatie, de sociale dialoog, bescherming en inclusie, de agenda voor fatsoenlijk werk, en het werkgelegenheidsbeleid;
  • d. het ondersteunen van de ontwikkeling en uitvoering van een nationaal actieplan inzake Resolutie 1325 (2000) van de VN-Veiligheidsraad, alsook de uitvoering van de agenda van de Verenigde Naties voor vrouwen, vrede en veiligheid, die bestaat uit Resolutie 1325 (2000) van de VN-Veiligheidsraad en zijn daaropvolgende resoluties;
  • e. het bevorderen van politieke participatie en politiek leiderschap van vrouwen, alsook toegang tot kwaliteitsonderwijs, economische empowerment en economisch leiderschap, en van hun verhoogde participatie aan alle facetten van het dagelijks leven, met inbegrip van de politieke, sociale, economische en culturele aspecten daarvan;
  • f. het versterken van nationale en regionale instellingen door middel van specifieke maatregelen om problemen in verband met geweld tegen vrouwen en meisjes aan te pakken en te behandelen, onder meer via de preventie van en de bescherming tegen alle vormen van seksueel en gendergerelateerd geweld en intimidatie, door middel van onderzoek en verantwoordingsmechanismen, zorgverlening aan en ondersteuning van slachtoffers, en de bevordering van de veiligheid van vrouwen en meisjes;
  • g. het effectief waarborgen dat de mensenrechten van vrouwen en meisjes worden bevorderd, geëerbiedigd en beschermd, het tegengaan van elke vorm van tegen hen gerichte discriminatie en geweld, met inbegrip van geweld dat gericht is op verdedigers van vrouwenrechten, het waarborgen van toegang tot de rechter en het nemen van de noodzakelijke stappen om een einde te maken aan straffeloosheid;
  • h. het versterken van de samenwerking met de betrokken organen van de Verenigde Naties en andere internationale organisaties;
  • i. het actief bevorderen van genderanalyse en de systematische integratie van het genderperspectief in alle aangelegenheden die verband houden met vrede en veiligheid, en het waarborgen van het leiderschap van vrouwen en hun zinvolle participatie aan vredesprocessen, bemiddelingspogingen, conflictoplossing en vredesopbouw, alsook aan civiele en militaire missies en operaties.
Artikel 2.5. Internationale veiligheid en cyberspace

De Partijen intensiveren hun samenwerking en de uitwisseling van standpunten op het gebied van cyberbeveiliging en met betrekking tot het gebruik van informatie- en communicatietechnologieën (ICT) in de context van internationale vrede en veiligheid, onder andere met betrekking tot normen, beginselen van verantwoord gedrag van de staten, de naleving van het bestaande internationale recht op cybergebied, de ontwikkeling van vertrouwenwekkende maatregelen en capaciteitsopbouw.

Artikel 2.6. Terrorismebestrijding
1.

De Partijen herbevestigen het belang van de strijd tegen terrorisme en werken samen aan de preventie en onderdrukking van terroristische daden overeenkomstig internationaal recht en hun respectieve wetgeving en de rechtsstaat. Zij doen dat in het bijzonder:

  • a. in het kader van de volledige uitvoering van alle relevante resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties en de Algemene Vergadering van de VN, internationale overeenkomsten en instrumenten;
  • b. door de samenwerking tussen de VN-lidstaten te bevorderen om de mondiale strategie voor terrorismebestrijding van de VN, die op 8 september 2006 door de Algemene Vergadering van de VN is aangenomen, doeltreffend uit te voeren;
  • c. door beste praktijken voor het voorkomen van radicalisering die leidt tot gewelddadig extremisme uit te wisselen, en terrorisme te bestrijden;
  • d. door informatie over terroristische groeperingen en hun ondersteunende netwerken uit te wisselen, op grond van nationaal en internationaal recht, en door, wanneer dat haalbaar is, regionale initiatieven voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving in de strijd tegen terrorisme te ondersteunen, en tegelijkertijd ten volle de mensenrechten, het recht op privacy en de rechtsstaat in acht te nemen.
Artikel 2.7. Veiligheid van burgers
1.

De Partijen werken samen op het gebied van veiligheid van burgers. Zij erkennen dat de veiligheid van burgers nationale en regionale grenzen overschrijdt en een bredere dialoog en samenwerking met zowel een regionale als een biregionale dimensie vereist.

De Partijen erkennen de noodzaak om georganiseerde misdaad en drugshandel te bestrijden om de veiligheid van burgers te versterken. Zij verbinden zich ertoe biregionale dialogen en samenwerking op het gebied van de veiligheid van burgers te ondersteunen.

2.

De Partijen kunnen empirisch onderbouwde ervaringen en beste praktijken voor het ontwerp en de uitvoering van beleid ter voorkoming van geweld en misdaad uitwisselen, alsook met betrekking tot systemen voor het meten en evalueren van geweld, criminaliteit en onveiligheid.

De Partijen kunnen empirisch onderbouwde beste praktijken voor de bescherming van slachtoffers van misdrijven uitwisselen in de context van de veiligheid van burgers.

3.

Met betrekking tot preventie kunnen de Partijen overheidsbeleid dat gericht is op het voorkomen van geweld bevorderen, met extra aandacht voor jongeren en gender.

4.

De Partijen kunnen ervaringen en beste praktijken uitwisselen op gebieden zoals de bevordering van een cultuur van vrede en geweldloosheid, de naleving van de wetgeving, rehabilitatie, sociale heraanpassing, corrigerend recht. Internationale normen moeten tot uiting komen in het recht van de Partijen dat de respectieve penitentiaire stelsels regelt.

Artikel 2.8. Handvuurwapens en lichte wapens en andere conventionele wapens
1.

De Partijen erkennen dat de illegale productie en overdracht van en de illegale handel in handvuurwapens, lichte wapens en andere conventionele wapens en munitie daarvoor, alsook de buitensporige accumulatie, het slechte beheer en de ongecontroleerde verspreiding ervan, alsook inadequaat beveiligde voorraden, een ernstige bedreiging voor de vrede en de internationale veiligheid blijven vormen.

2.

De Partijen komen overeen dat zij hun respectieve verplichtingen met betrekking tot de aanpak van alle aspecten van de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens en andere conventionele wapens en munitie daarvoor zullen uitvoeren, in het kader van de bestaande internationale verdragen, het VN-Protocol tegen de illegale vervaardiging van en handel in vuurwapens, hun onderdelen, componenten en munitie, aangenomen bij Resolutie 55/255 van de VN van 31 mei 2001, en de resoluties van de VN-Veiligheidsraad, evenals hun verbintenissen in het kader van andere internationale instrumenten op dat gebied, zoals het VN-actieprogramma ter voorkoming, bestrijding en uitbanning van de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens in al zijn aspecten dat op 20 juli 2001 is goedgekeurd.

3.

De Partijen erkennen het belang van interne controlesystemen voor de overdracht van conventionele wapens overeenkomstig de geldende internationale normen en voorschriften. De Partijen onderkennen dat het van belang is die controles op verantwoordelijke wijze toe te passen en aldus bij te dragen tot de internationale en regionale vrede, veiligheid en stabiliteit, en tot het verminderen van menselijk leed, en te helpen voorkomen dat conventionele wapens op de illegale markt belanden.

4.

In dat verband verplichten de Partijen zich ertoe het Wapenhandelsverdrag, aangenomen te New York op 2 april 2013, volledig uit te voeren en in het kader van dat verdrag met elkaar samen te werken, ook wat betreft het bevorderen van de universalisering van dat verdrag en van de volledige uitvoering ervan door alle VN-lidstaten.

5.

De Partijen verplichten zich er daarom toe met elkaar samen te werken en te zorgen voor coördinatie, complementariteit en synergie bij het opstellen of verbeteren van de regelgeving voor de internationale handel in conventionele wapens, en bij het voorkomen, bestrijden en uitroeien van de illegale wapenhandel.

Artikel 2.9. Internationaal Strafhof
1.

De Partijen erkennen dat de ernstigste misdrijven die de internationale gemeenschap aangaan, niet ongestraft mogen blijven en zij streven ernaar dat die misdrijven effectief worden onderzocht en vervolgd door middel van maatregelen op nationaal niveau en door de versterking van de internationale samenwerking, onder meer via het Internationaal Strafhof („ICC”).

2.

De Partijen propageren de universele ratificatie van of toetreding tot het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof („Statuut”), en streven naar de doeltreffende interne uitvoering van het Statuut door de staten die partij zijn bij het Statuut. De Partijen wisselen waar passend beste praktijken uit voor de vaststelling van hun respectieve wetgeving en nemen maatregelen om de integriteit van het Statuut te waarborgen.

Artikel 2.10. Samenwerking op het gebied van internationaal crisisbeheer
1.

De Partijen herbevestigen hun toezegging om samen te werken bij het bevorderen van vrede en internationale veiligheid, onder andere met het oog op de totstandbrenging van een genderdimensie op het gebied van internationale vrede en veiligheid.

2.

De Partijen coördineren de activiteiten voor crisismanagement, met inbegrip van samenwerking bij crisisbeheersingsoperaties.

3.

De Partijen werken samen voor de uitvoering van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Chili tot vaststelling van een kader voor de deelname van de Republiek Chili aan crisisbeheersingsoperaties van de Europese Unie, ondertekend te Brussel op 30 januari 2014.

HOOFDSTUK 3. JUSTITIE, VRIJHEID EN VEILIGHEID

Artikel 3.1. Justitiële samenwerking
1.

De Partijen versterken de bestaande samenwerking op het gebied van wederzijdse rechtshulp en uitlevering op basis van de toepasselijke internationale overeenkomsten. De Partijen versterken de bestaande mechanismen en overwegen waar passend de ontwikkeling van nieuwe mechanismen om de internationale samenwerking op dat gebied te vergemakkelijken. Dergelijke samenwerking omvat de toetreding tot en uitvoering van de desbetreffende internationale instrumenten, naargelang het geval, en nauwere samenwerking met andere relevante internationale netwerken voor juridische samenwerking.

2.

De Partijen bouwen de justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken uit, met name wat betreft de onderhandeling over, en de ratificatie en uitvoering van multilaterale verdragen inzake samenwerking in burgerlijke zaken, waaronder de verdragen van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht op het gebied van internationale juridische samenwerking en procesvoering alsook de bescherming van kinderen.

3.

De Partijen werken samen om het gebruik van elektronische middelen voor de verzending van stukken te bevorderen, naargelang het geval, alsook strenge normen voor de bescherming van persoonsgegevens, met het oog op internationale justitiële samenwerking.

Artikel 3.2. Het wereldwijde drugsprobleem
1.

De Partijen werken samen om te zorgen voor een geïntegreerde, evenwichtige en op feiten gebaseerde aanpak van drugsvraagstukken teneinde:

  • a. initiatieven met het oog op vermindering van de vraag en daarmee verband houdende maatregelen uit te voeren, met inbegrip van preventie en behandeling, en sociale re-integratie alsook andere gezondheidsgerelateerde kwesties;
  • b. de beschikbaarheid van en de toegang tot gereglementeerde stoffen voor uitsluitend medische en wetenschappelijke doeleinden te waarborgen, en misbruik van die stoffen te voorkomen;
  • c. initiatieven met het oog op vermindering van het aanbod en daarmee verband houdende maatregelen, zoals doeltreffende handhaving van de wetgeving en antwoorden op drugsgerelateerde criminaliteit, uit te voeren, witwassen en illegale drugshandel, waaronder door internet gefaciliteerde drugshandel, te bestrijden en justitiële samenwerking te bevorderen;
  • d. zich te richten op horizontale aandachtspunten zoals drugs en mensenrechten, jongeren, kinderen, gender, vrouwen en gemeenschappen, onder andere door middel van maatregelen voor samenwerking en coördinatie met het oog op het bevorderen van de ontwikkeling van programma’s en acties voor onderwijs en re-integratie, waarmee de vraag naar drugs en psychotrope stoffen kan worden verminderd;
  • e. informatie en beste praktijken over veranderende situaties, trends en bestaande omstandigheden, opkomende en aanhoudende uitdagingen en bedreigingen, waaronder nieuwe psychoactieve stoffen, uit te wisselen; het kan daarbij gaan om de vermindering van de vraag naar drugs en de forensische analyse van materiaal, zoals in beslag genomen drugsprecursoren;
  • f. de internationale samenwerking te versterken, onder andere om misbruik van drugsprecursoren, essentiële chemische stoffen en producten of preparaten die die stoffen bevatten en die worden gebruikt voor de illegale productie van verdovende middelen, psychotrope stoffen en nieuwe psychoactieve stoffen, aan te pakken;
  • g. alternatieve ontwikkeling en regionale, interregionale en internationale samenwerking aan een op ontwikkeling gericht en evenwichtig beleid inzake drugsbestrijding te versterken.
2.

De Partijen werken samen om die doelstellingen te verwezenlijken, onder meer door, waar mogelijk, derde landen die dat nog niet hebben gedaan aan te moedigen de bestaande internationale verdragen en protocollen inzake drugsbestrijding waarbij zij partij zijn, te ratificeren en uit te voeren. De Partijen baseren hun acties op hun toepasselijke wet- en regelgeving, op algemeen aanvaarde beginselen in overeenstemming met de desbetreffende VN-verdragen inzake drugsbestrijding, en op de aanbevelingen in het slotdocument van de bijzondere zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties over het wereldwijde drugsprobleem 2016 getiteld „Our joint commitment to effectively addressing and countering the world drug problem”, als de recentste internationale consensus over het mondiale drugsbeleid, teneinde de balans op te maken van de uitvoering van de verbintenissen die zijn aangegaan om het wereldwijde drugsprobleem gezamenlijk aan te pakken en te bestrijden.

Artikel 3.3. Internationale migratie en asiel
1.

De Partijen werken samen en wisselen standpunten uit binnen het kader van hun respectieve wetten, voorschriften en bevoegdheden op het gebied van migratie, met inbegrip van reguliere en irreguliere migratie, mensenhandel en migrantensmokkel, migratie en ontwikkeling, asiel en internationale bescherming, terugkeer, overname, integratie, en visa en grensbeheer.

2.

De Partijen werken samen, onder meer door middel van mogelijke technische samenwerking, bij het uitwisselen van informatie en goede praktijken met betrekking tot beleidslijnen, voorschriften, instellingen en maatschappelijke organisaties, naast het delen van gegevens en statistieken over migratie.

3.

De Partijen werken samen om irreguliere migratie te voorkomen en migrantensmokkel te bestrijden. Daartoe zal het volgende gebeuren:

  • a. Chili verbindt zich ertoe al zijn onderdanen die illegaal aanwezig zijn op het grondgebied van een lidstaat, op verzoek van die lidstaat en, tenzij in een specifieke overeenkomst anders is bepaald, zonder verdere formaliteiten over te nemen;
  • b. iedere lidstaat verbindt zich ertoe al zijn onderdanen die illegaal aanwezig zijn op het grondgebied van Chili, op verzoek van Chili en, tenzij in een specifieke overeenkomst anders is bepaald, zonder verdere formaliteiten over te nemen;
  • c. de lidstaten en Chili verstrekken hun onderdanen passende reisdocumenten voor de in de punten a) en b) genoemde doeleinden of aanvaarden het gebruik van de Europese reisdocumenten voor terugkeer;
  • d. de Partijen komen onderling overeen te onderhandelen over een specifieke overeenkomst tot vaststelling van de verplichtingen inzake overname, met inbegrip van bewijsmiddelen betreffende de nationaliteit; die overeenkomst kan ook een verplichting bevatten om personen over te nemen die onderdanen van derde landen zijn, overeenkomstig het toepasselijke recht van de Partijen.
4.

De Partijen verbinden zich ertoe de internationale samenwerking op het gebied van migratie in alle opzichten te versterken, onder andere binnen het kader van de Verenigde Naties, met name bij het aanpakken van de diepere oorzaken van irreguliere migratie en gedwongen ontheemding, waarbij tegelijkertijd de nationale bevoegdheden in acht worden genomen.

Artikel 3.4. Consulaire bescherming

De diplomatieke en consulaire autoriteiten van alle vertegenwoordigde lidstaten bieden bescherming aan alle onderdanen van een lidstaat die niet over een permanente vertegenwoordiging in Chili beschikt, indien zij feitelijk in staat zijn in een concreet geval consulaire bescherming te bieden, op dezelfde voorwaarden als aan de onderdanen van die vertegenwoordigde lidstaat.

Artikel 3.5. Witwaspraktijken en de financiering van terrorisme

De Partijen werken samen om het gebruik van hun financiële instellingen en aangewezen niet-financiële ondernemingen en beroepen voor de financiering van terrorisme en het witwassen van opbrengsten van criminele activiteiten te voorkomen en te bestrijden. Daartoe wisselen zij informatie uit in het kader van hun respectieve wetgeving en werken zij samen om te zorgen voor de effectieve en volledige uitvoering van de aanbevelingen van de Financiële-actiegroep (FATF). Die samenwerking kan onder meer betrekking hebben op de terugvordering, inbeslagname, confiscatie, opsporing, identificatie en teruggave van vermogensbestanddelen of gelden die uit de opbrengsten van criminele activiteiten zijn verkregen.

Artikel 3.6. Rechtshandhaving en de bestrijding van corruptie en grensoverschrijdende georganiseerde misdaad
1.

De Partijen werken samen aan en wisselen standpunten uit over de bestrijding van grensoverschrijdende georganiseerde, economische en financiële criminaliteit, drugshandel en illegale drugs, mensenhandel en andere daarmee verband houdende vormen van uitbuiting, corruptie, namaak, smokkel en illegale transacties, door te voldoen aan hun wederzijdse internationale verplichtingen in dat verband, onder meer met betrekking tot wederzijdse rechtshulp en effectieve samenwerking om beslag te leggen op uit corruptie verkregen vermogensbestanddelen.

2.

De Partijen wisselen empirisch onderbouwde ervaringen en beste praktijken voor het ontwerp en de uitvoering van beleid in verband met de bestrijding van corruptie en grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit uit.

3.

De Partijen zetten een dialoog en samenwerking op het gebied van rechtshandhaving op, onder meer door hun strategische samenwerking met Europol voort te zetten, alsook hun strategische justitiële samenwerking, onder meer via Eurojust.

4.

De Partijen streven ernaar samen te werken in internationale fora en waar passend de naleving en uitvoering te bevorderen van het VN-Verdrag tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad, dat op 15 november 2000 is aangenomen bij VN-Resolutie 55/25, en de daaraan gehechte protocollen.

5.

De Partijen bevorderen de uitvoering van het VN-Verdrag tegen corruptie, dat op 31 oktober 2003 is aangenomen bij Resolutie 58/4 van de VN, en het beoordelingsmechanisme voor de uitvoering van het VN-Verdrag tegen corruptie, dat is ingesteld door de Conferentie van de staten die partij zijn bij het VN-Verdrag tegen corruptie in Doha van 9–13 november 2009 („beoordelingsmechanisme”), onder meer door vast te houden aan de transparantiebeginselen en de deelname van het maatschappelijk middenveld aan het beoordelingsmechanisme.

6.

De Partijen erkennen het belang van corruptiebestrijding in de internationale handel en investeringen en gaan daartoe akkoord met gedetailleerdere bepalingen in het aan deze overeenkomst gehecht Protocol inzake de voorkoming en bestrijding van corruptie.

7.

Met betrekking tot de bestrijding van corruptie komen de Partijen in het bijzonder overeen:

  • a. relevante informatie en beste praktijken uit te wisselen voor kwesties zoals integriteit, openbare transparantie en corruptiebestrijding;
  • b. informatie en beste praktijken uit te wisselen, waaronder bewustwordingscampagnes en onderwijsmethoden over de bestrijding van corruptie.
Artikel 3.7. Cybercriminaliteit
1.

De Partijen erkennen dat cybercriminaliteit een wereldwijd probleem is, dat een mondiale oplossing vergt.

2.

De Partijen intensiveren hun samenwerking om cybercriminaliteit te voorkomen en te bestrijden. Daartoe wisselen zij informatie en beste praktijken uit overeenkomstig hun respectieve wetten en internationale verplichtingen, zoals het Verdrag van de Raad van Europa inzake cybercriminaliteit, gedaan te Boedapest op 23 november 2001 („Verdrag van Boedapest”), met volledige inachtneming van de grondrechten en binnen de grenzen van hun verantwoordelijkheid.

3.

De Partijen wisselen informatie uit over het onderwijs aan en de opleiding van onderzoekers en andere beroepsbeoefenaren of openbare aanklagers die gespecialiseerd zijn in computercriminaliteit en digitaal forensisch onderzoek, en kunnen gezamenlijke opleidingsactiviteiten uitvoeren waarbij zij zelf of waarbij derde partijen baat hebben.

4.

De Partijen streven ernaar zo nodig samen te werken om andere staten bijstand en ondersteuning te bieden bij de ontwikkeling van passende wetten, beleidslijnen, praktijken, onderwijs en opleiding, in overeenstemming met het Verdrag van Boedapest, en erkennen dat als de internationale norm voor de preventie en bestrijding van cybercriminaliteit.

Artikel 3.8. Bescherming van persoonsgegevens
1.

De Partijen erkennen het belang van de bescherming van de grondrechten op eerbiediging van het privéleven en de bescherming van persoonsgegevens. De Partijen werken samen om de eerbiediging van die grondrechten te waarborgen, onder meer op het gebied van rechtshandhaving en bij het voorkomen en bestrijden van terrorisme en andere ernstige grensoverschrijdende misdrijven.

2.

De Partijen werken samen om een hoog niveau van bescherming van persoonsgegevens te bevorderen. De samenwerking op bilateraal en multilateraal niveau kan betrekking hebben op capaciteitsopbouw, technische bijstand, uitwisseling van informatie en expertise, en samenwerking via regelgevende tegenhangers in internationale organen, zoals wederzijds overeengekomen door de Partijen.

HOOFDSTUK 4. DUURZAME ONTWIKKELING

Artikel 4.1. Duurzame ontwikkeling
1.

De Partijen bevorderen op een inclusieve en evenwichtige wijze duurzame ontwikkeling in de drie dimensies ervan, namelijk economie, maatschappij en milieu, door middel van dialoog, gezamenlijke actie, het delen van beste praktijken, goed bestuur op alle niveaus, samenhangende nationale strategieën inzake duurzame ontwikkeling en de beschikbaarstelling van financiële middelen, waarbij zo goed mogelijk gebruik wordt gemaakt van bestaande en toekomstige instrumenten.

2.

De Partijen pakken de uitdagingen in verband met de verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties (de „duurzameontwikkelingsdoelstellingen”) aan door voorrang te geven aan de behoeften van elke Partij en aan nationale zeggenschap, rekening houdend met de regionale en lokale context, en door synergieën en partnerschappen op te bouwen met relevante belanghebbenden op dat gebied, waaronder het maatschappelijk middenveld, lokale overheden, de particuliere sector of organisaties zonder winstoogmerk en de academische wereld. Hoewel de Partijen de centrale rol van regeringen bij het bevorderen van ontwikkeling erkennen, zullen zij ook samenwerken om de particuliere sector, in het bijzonder kleine en middelgrote ondernemingen, aan te moedigen om in hun activiteiten rekening te houden met duurzame ontwikkeling.

3.

De Partijen erkennen het belang van de uitvoeringsmiddelen, met inbegrip van financiering, technologieoverdracht, technische samenwerking en capaciteitsopbouw, bij de uitvoering en follow-up van de Agenda 2030 via meerdere belanghebbenden, waaronder regeringen, maatschappelijke organisaties, de particuliere sector en andere actoren. In dat opzicht verbinden zij zich ertoe te blijven werken aan het intensiveren van de internationale samenwerking, onder andere door het gebruik van innovatieve instrumenten te bevorderen teneinde duurzame ontwikkeling te verwezenlijken.

4.

De Partijen werken samen om duurzaamheid in consumptie- en productiepatronen te verbeteren, en streven ernaar acties te ondernemen die erop gericht zijn economische groei los te koppelen van aantasting van het milieu, onder andere door middel van de circulaire economie, overheidsbeleid en bedrijfsstrategieën.

5.

De Partijen streven ernaar het verantwoorde, duurzame en efficiënte gebruik van natuurlijke hulpbronnen te bevorderen.

6.

De Partijen streven naar het vergroten van het bewustzijn rond de economische en sociale kosten van milieuschade en het bijbehorende effect op het menselijk welzijn, onder andere door wetenschappelijk onderbouwde gegevens te gebruiken.

7.

De Partijen voeren een regelmatige gestructureerde beleidsdialoog over duurzame ontwikkeling en de verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen om de coördinatie van het beleid inzake kwesties van gemeenschappelijk belang en de kwaliteit en doeltreffendheid van die coördinatie te verbeteren.

8.

De Partijen werken samen om genderaspecten te integreren in beleidsmaatregelen en instrumenten.

9.

De ontwikkelingssamenwerking wordt uitgevoerd in overeenstemming met de desbetreffende internationaal overeengekomen beginselen en beleidslijnen waartoe beide Partijen zich hebben verbonden.

Artikel 4.2. Internationale samenwerking
1.

De Partijen erkennen het wederzijde voordeel van internationale samenwerking en de waarde ervan om processen voor duurzame ontwikkeling te bevorderen.

2.

De Partijen moedigen trilaterale samenwerking met derde landen in kwesties van gemeenschappelijk belang aan met volledige inachtneming van de strategieën en prioriteiten van de begunstigden. Zij bevorderen het versterken van de regionale integratie binnen Latijns-Amerika en het Caribisch gebied en erkennen het strategische belang van inclusieve biregionale samenwerking.

Artikel 4.3. Milieu
1.

De Partijen erkennen de noodzaak om het milieu te beschermen en natuurlijke hulpbronnen te behouden, te herstellen en op duurzame wijze te beheren.

2.

De Partijen zullen met name samenwerken bij kwesties als toegangsrechten in milieuaangelegenheden, biodiversiteit en beschermde gebieden, land en bodem, water, luchtkwaliteit, milieumonitoring, milieueffectrapportage, afvalbeheer, uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, recycling en beheer van chemische stoffen, effectbeoordeling en beheer op het gebied van vervoer.

3.

De Partijen erkennen het belang van mondiale milieugovernance, met inbegrip van de uitvoering van multilaterale milieuovereenkomsten waarbij zij partij zijn en, waar passend, resoluties van de Milieuvergadering van de Verenigde Naties en andere relevante fora, om milieu-uitdagingen van gemeenschappelijk belang aan te pakken. Elke Partij herbevestigt haar verbintenis om de multilaterale milieuovereenkomsten waarbij zij partij is, uit te voeren.

4.

De Partijen versterken hun samenwerking bij het beschermen van het milieu en de gezondheid van de mens, en bij het opnemen van milieuoverwegingen in alle sectoren van samenwerking, waar passend, met name wat betreft:

  • a. het bevorderen van goede milieugovernance op onderling overeengekomen prioritaire gebieden;
  • b. het bevorderen van de uitwisseling van informatie, technische expertise en beste praktijken op gebieden als:
  • i. de groene en circulaire economie en de beste beschikbare technologieën;
  • ii. doelstellingen inzake het behoud en het duurzame gebruik van de biodiversiteit, met inbegrip van het in kaart brengen en beoordelen van ecosystemen en ecosysteemdiensten, de waardering ervan, en het opnemen van die doelstellingen in andere relevante beleidsdomeinen;
  • iii. de bescherming en het duurzame beheer van bossen;
  • iv. de bestrijding van de illegale handel in wilde dieren en planten, daarbij inbegrepen hout en andere biologische hulpbronnen;
  • v. het deugdelijke beheer van chemische stoffen en afval;
  • vi. watervoorraden, bodem en het beleid inzake landgebruik;
  • vii. luchtverontreiniging en beperking van kortlevende verontreinigende stoffen;
  • viii. het behoud en het beheer van het kust- en mariene milieu;
  • ix. de sociale en economische gevolgen van de achteruitgang van het milieu;
  • x. de gevolgen voor het milieu van economische activiteiten en de kansen die de vergroening van bedrijven biedt;
  • xi. toegang tot informatie, deelname en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden;
  • xii. gezamenlijke academische onderzoek op het gebied van milieuaangelegenheden.
Artikel 4.4. Klimaatverandering
1.

De Partijen erkennen dat de dringende dreiging van klimaatverandering collectieve actie vereist voor een emissiearme en klimaatbestendige ontwikkeling.

2.

De Partijen erkennen het belang van internationale regels en overeenkomsten op het gebied van klimaatverandering, met name het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering, gedaan te New York op 9 mei 1992 („UNFCCC”), de Overeenkomst van Parijs, en het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering, gedaan te Kyoto op 11 december 1997.

3.

De Partijen zetten zich gezamenlijk in om hun samenwerking in het kader van het UNFCCC te versterken, om de Overeenkomst van Parijs en hun nationaal bepaalde bijdragen in het kader van die overeenkomst uit te voeren.

4.

Die samenwerking kan bestaan uit:

  • a. het samenwerken met het oog op de uitvoering van de toezeggingen en acties van vóór 2020 om voor wederzijds vertrouwen tussen de Partijen te zorgen;
  • b. het mogelijk maken van verdere actie door de Partijen op basis van hun nationale debatten en beleidsanalyse;
  • c. het ondersteunen van een op lage uitstoot van broeikasgassen gebaseerde economische ontwikkeling in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs;
  • d. het ondersteunen van alle constructieve dialogen en verbintenissen in het kader van het UNFCCC, met name die welke tot stand zijn gebracht om de gezamenlijke vooruitgang naar verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, zoals de algemene inventarisatie, te beoordelen;
  • e. het ontwikkelen van een beleidsdialoog en samenwerking bij de uitvoering van het versterkte kader voor transparantie dat met de Overeenkomst van Parijs is ingevoerd, op onderling overeengekomen prioritaire gebieden, zoals de versterking van de nationale capaciteit om een hogere mate van transparantie te bereiken;
  • f. het bevorderen van de bilaterale dialoog en samenwerking op terreinen van wederzijds belang om multilaterale processen te ondersteunen, waar passend, die een aanzienlijk effect kunnen hebben op de terugdringing van broeikasgasemissies van het internationale zeevervoer en de internationale luchtvaart, in het bijzonder in de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie en de Internationale Maritieme Organisatie;
  • g. het bevorderen van binnenlandse klimaatbeleidsmaatregelen en klimaatprogramma’s die de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs tot matiging, aanpassing en afstemming van geldstromen, te ondersteunen, onder andere door middel van de doelen en acties die in de nationaal bepaalde bijdragen van de Partijen in het kader van die overeenkomst staan;
  • h. het ondersteunen van acties om geldstromen af te stemmen op een traject naar broeikasgasarme en klimaatveerkrachtige ontwikkeling, waarbij de nadruk ligt op inclusieve klimaatfinanciering, die gericht is op de armste mensen en groepen die bijzonder kwetsbaar zijn voor de nadelige effecten van klimaatverandering, zoals vrouwen en meisjes;
  • i. het bevorderen van een dialoog over het versterken van aanpassingsbeleidslijnen en -maatregelen, onder andere met betrekking tot zaken die verband houden met de financiering van aanpassing, de evaluatie van resultaten en het vergroten van de veerkracht;
  • j. het bevorderen van synergieën op het gebied van klimaatactie op alle niveaus tussen de overheid, maatschappelijke organisaties en particuliere bedrijven en het bevorderen van de deelname van de particuliere sector met het oog op een klimaatveerkrachtige economie met lage broeikasgasemissies;
  • k. het bevorderen van economische beleidsinstrumenten voor acties op het gebied van klimaatverandering, zoals koolstofbeprijzing, marktgebaseerde instrumenten en koolstofheffingen, al naar gelang het geval;
  • l. het bevorderen van de ontwikkeling en toepassing van commercieel levensvatbare emissiearme en andere klimaatvriendelijke technologieën;
  • m. het bevorderen van wereldwijde inspanningen om inefficiënte subsidies voor fossiele brandstoffen die verspilling aanmoedigen, te rationaliseren en geleidelijk af te schaffen, waarbij ten volle rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften en voorwaarden van ontwikkelingslanden, en het mogelijk nadelige effect op hun ontwikkeling tot een minimum wordt beperkt op een wijze die armen en getroffen gemeenschappen beschermt;
  • n. het versterken van de bilaterale dialoog die kan ontstaan op andere gebieden van het klimaatbeleid en het streven om rekening te houden met de horizontale aanpak van de Overeenkomst van Parijs en de Agenda 2030.
Artikel 4.5. Duurzame energie
1.

De Partijen erkennen het belang van de energiesector voor de economische welvaart en de internationale vrede en stabiliteit, en benadrukken dat de transformatie van de energiesector van fundamenteel belang is om de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en de Agenda 2030 te verwezenlijken. Zij zijn het eens over de noodzaak om de energievoorziening te verbeteren en te diversifiëren, innovatie te bevorderen, de energie-efficiëntie te vergroten om de toegang tot veilige, duurzame, milieuvriendelijke en betaalbare energie te waarborgen. De Partijen erkennen dat de energietransitie met kosten gepaard zal gaan in de regio’s en een rechtvaardige transitie zal ondersteunen. De Partijen streven die doelstellingen na.

2.

De Partijen wisselen informatie uit over energie en werken bilateraal, regionaal en multilateraal samen om open en concurrerende markten te ondersteunen, beste praktijken uit te wisselen, op wetenschap gebaseerde, transparante regelgeving te bevorderen en samenwerkingsgebieden inzake energievraagstukken te bespreken.

3.

Om synergieën te waarborgen, wordt de samenwerking tussen de Partijen op grond van dit artikel uitgevoerd met inachtneming van artikel 15.14.

Artikel 4.6. Oceaangovernance
1.

De Partijen erkennen het belang van het duurzame beheer van de oceanen en zeeën, met inbegrip van de bescherming en het behoud van het mariene milieu, het verband tussen oceanen en klimaat, het behoud en het duurzame gebruik en het verantwoorde beheer van de visserij, aquacultuur en andere maritieme activiteiten en de bijdrage daarvan aan het bieden van ecologische, economische en sociale kansen voor de huidige en toekomstige generaties.

2.

Daartoe verbinden de Partijen zich, in overeenstemming met hun internationale verplichtingen in het kader van het internationaal recht, met name het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, gedaan te Montego Bay, op 10 december 1982, tot:

  • a. het aansporen van staten die daartoe in staat zijn, om de Overeenkomst in het kader van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee over het behoud en het duurzame gebruik van de mariene biodiversiteit van gebieden voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht, aangenomen te New York op 19 juni 2023, te ondertekenen en te ratificeren, goedkeuren of aanvaarden;
  • b. het samenwerken om duurzameontwikkelingsdoelstelling 14 en andere daarmee verband houdende duurzameontwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken, onder meer in relevante regionale en multilaterale organen en processen;
  • c. het bijdragen aan de verbetering van de internationale oceaangovernance, onder meer door lacunes in de regelgeving en de uitvoering op te vullen;
  • d. het bevorderen van betere samenwerking en beter overleg, binnen en tussen de bevoegde internationale organisaties, instrumenten en organen teneinde de oceaangovernance te verbeteren en doeltreffende naleving te bevorderen;
  • e. het bevorderen en op doeltreffende wijze uitvoeren van monitoring-, controle- en bewakingsmaatregelen, zoals waarnemersregelingen, toezichtsystemen voor vaartuigen, toezicht op het overladen, inspecties op zee en havenstaatcontrole, en van bijbehorende sancties, overeenkomstig hun eigen wet- en regelgeving, gericht op de instandhouding van de visbestanden en de voorkoming van overbevissing;
  • f. het vaststellen of handhaven van acties en samenwerking bij de bestrijding van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij („IOO-visserij”), met inbegrip van, indien van toepassing, uitwisseling van informatie over IOO-activiteiten in hun wateren en de uitvoering van beleid en maatregelen om IOO-producten van de handelsstromen en viskwekerijen uit te sluiten;
  • g. het samenwerken met, en waar passend in, regionale organisaties voor visserijbeheer waarvan beide Partijen lid, waarnemer of medewerkende niet-verdragsluitende partij zijn, met als doel tot goed bestuur te komen;
  • h. het verminderen van de druk op de oceanen door mariene verontreiniging en zwerfvuil op zee te bestrijden, ook die welke afkomstig zijn van bronnen op het land, plastic en microplastic;
  • i. het samenwerken om ecosystemen en gebiedsgerichte instandhoudingsmaatregelen en beheersinstrumenten te ontwikkelen, overeenkomstig het recht van elke Partij en het internationaal recht en gebaseerd op de beste beschikbare wetenschappelijke gegevens, om kust- en mariene gebieden en hulpbronnen, met inbegrip van beschermde mariene gebieden, te beschermen en te herstellen;
  • j. het aanmoedigen van het versterken van de veiligheid en de bescherming van de oceanen door beste praktijken uit te wisselen met betrekking tot kustwachttaken en maritiem toezicht, onder meer door betere samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten;
  • k. het bevorderen van gebiedsgerichte instrumenten zoals ecosysteemgerichte maritieme ruimtelijke planning en geïntegreerd beheer van kustgebieden om maritieme activiteiten op duurzame wijze te beheren en te ontwikkelen;
  • l. het samenwerken om onderzoek op oceanografisch gebied en gegevensverzameling te versterken;
  • m. het ondersteunen van marien onderzoek en op wetenschappelijke inzichten gebaseerde besluiten voor visserijbeheer en voor andere activiteiten met betrekking tot de exploitatie van mariene hulpbronnen;
  • n. het samenwerken om de nadelige effecten van klimaatverandering op de oceaan, kustlijnen en ecosystemen tot een minimum te beperken, onder meer door de beperking van de emissies van broeikasgassen, in het bijzonder koolstofdioxide, en om doeltreffende adaptatieacties en steun voor de uitvoering van relevante internationale overeenkomsten en internationale acties te verwezenlijken;
  • o. het bevorderen van de ontwikkeling van duurzame en verantwoorde aquacultuur, onder meer met betrekking tot de uitvoering van de doelstellingen en beginselen van de Gedragscode voor een verantwoorde visserij, aangenomen in Rome op 31 oktober 1995 door de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties;
  • p. het uitwisselen van beste praktijken betreffende de duurzame ontwikkeling van geselecteerde maritieme economische activiteiten die van belang zijn voor de Partijen.
Artikel 4.7. Beperking van het risico op rampen
1.

De Partijen erkennen de noodzaak om de risico’s op zowel binnenlandse als mondiale natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen te beperken.

2.

De Partijen werken samen om maatregelen inzake preventie, verzachting, paraatheid, respons en herstel te verbeteren om het risico op rampen te verkleinen, een preventiecultuur te bevorderen en hun samenlevingen, ecosystemen en infrastructuur veerkrachtiger te maken, en werken zo nodig op bilateraal, regionaal en multilateraal politiek niveau samen om de mondiale rampenrisicovermindering te verbeteren.

3.

De Partijen verbinden zich ertoe de uitwisseling van informatie over en goede praktijken voor de uitvoering van en het toezicht op het kader van Sendai voor rampenrisicovermindering 2015–2030, aangenomen tijdens de derde Wereldconferentie van de VN in Sendai op 18 maart 2015, te bevorderen door middel van regionale en mondiale samenwerkingsplatforms, en met name met betrekking tot risicobeoordeling, de uitvoering van plannen inzake rampenrisicovermindering op alle niveau, en de verzameling en het gebruik van statistieken over rampen en schadegegevens, onder meer met betrekking tot de economische evaluatie van rampen.

Artikel 4.8. Beleid ten behoeve van de grote steden
1.

De Partijen erkennen het belang van beleid ter bevordering van duurzame stedelijke ontwikkeling als middel om effectief bij te dragen aan de uitvoering van de doelstellingen van de Agenda 2030 en de Nieuwe Stedenagenda.

2.

De Partijen bevorderen samenwerking en partnerschap tussen alle belangrijke actoren op het gebied van duurzame stedelijke ontwikkeling, met name betreffende manieren om stedelijke uitdagingen op geïntegreerde en alomvattende wijze aan te pakken.

3.

De Partijen ontwikkelen waar mogelijk concrete mogelijkheden voor samenwerking tussen steden inzake duurzame oplossingen voor stedelijke uitdagingen, om de capaciteitsopbouw te verbeteren door uitwisseling van ervaringen en praktijken en door van elkaar te leren.

Artikel 4.9. Samenwerking op het gebied van landbouw en plattelandsontwikkeling2)Voor zover de aangelegenheden die onder dit artikel vallen ook in hoofdstuk 14 aan bod komen, wordt de in dit artikel bedoelde samenwerking volgens dat hoofdstuk behandeld.
1.

De Partijen werken samen op het gebied van landbouw en plattelandsontwikkeling met de gemeenschappelijke doelstelling om de veerkracht en duurzaamheid van de voedselproductie, duurzame landbouw en het beheer van natuurlijke hulpbronnen zoals water, en klimaatactie en circulaire voedselsystemen te verbeteren, onder meer door voedselverlies en -verspilling te voorkomen en te verminderen, en producentenorganisaties, geografische aanduidingen, onderzoek en innovatie, beleid inzake plattelandsontwikkeling en de vooruitzichten voor de landbouwmarkt te bevorderen.

2.

De Partijen erkennen de inspanningen die in internationale fora zijn verricht om de wereldwijde voedselzekerheid en voeding en duurzame landbouw te verbeteren en verbinden zich ertoe zich actief in te zetten om in die fora samen te werken met als doel om tegen 2030 een einde te maken aan honger en alle vormen van ondervoeding.

3.

De Partijen werken samen om bij te dragen tot de verwezenlijking van de Agenda 2030 in de agrovoedingsmiddelenindustrie, met name de duurzameontwikkelingsdoelstellingen 1, 2, 12, 15, 17 en andere relevante duurzameontwikkelingsdoelstellingen.

4.

De Partijen stimuleren en bevorderen doeltreffende publieke, publiek-private en maatschappelijke partnerschappen, waarbij wordt voortgebouwd op de ervaringen en de financieringsstrategieën van partnerschappen als vermeld in duurzameontwikkelingsdoelstelling 17. Daartoe streven de Partijen ernaar de bilaterale samenwerking en coördinatie in verband met landbouw en plattelandsontwikkeling te intensiveren op basis van het beginsel van hun respectieve langetermijndoelstellingen inzake duurzaamheid, in het kader van de Green Deal van de Europese Unie, de „van boer tot bord”-strategie van de Europese Unie en de biodiversiteitsstrategie van de Europese Unie, en de Chileense initiatieven inzake de duurzaamheid van agrovoedingsmiddelen.

HOOFDSTUK 5. ECONOMISCH, SOCIAAL EN CULTUREEL PARTNERSCHAP

Artikel 5.1. Ondernemingen en industrie
1.

De Partijen werken samen om een gunstige omgeving te bevorderen voor de ontwikkeling en het verbeterde concurrentievermogen van kleine en middelgrote ondernemingen en waar passend samenwerking op het gebied van industrieel beleid. Die samenwerking omvat:

  • a. het bevorderen van contacten tussen bedrijven, het stimuleren van gezamenlijke investeringen en het tot stand brengen van gezamenlijke ondernemingen en informatienetwerken door middel van bestaande horizontale programma’s;
  • b. het uitwisselen van gegevens over en ervaringen met het scheppen van kadervoorwaarden voor kleine en middelgrote ondernemingen om het concurrentievermogen te verbeteren en inzake de procedures voor het oprichten van kleine en middelgrote ondernemingen;
  • c. het faciliteren van de activiteiten van kleine en middelgrote ondernemingen van de Partijen;
  • d. het bevorderen van maatschappelijk verantwoord ondernemen en het aanmoedigen van verantwoordelijke ondernemingspraktijken, waaronder duurzame consumptie en productie.
2.

De Partijen werken samen om relevante samenwerkingsactiviteiten van de particuliere sector te faciliteren.

Artikel 5.2. Grondstoffen
1.

De Partijen erkennen dat een transparante, marktgebaseerde aanpak de beste manier is om een gunstig klimaat te scheppen voor investeringen in de grondstoffensector.

2.

De Partijen bevorderen op basis van wederzijdse belangen de samenwerking op het gebied van vraagstukken met betrekking tot grondstoffen binnen de desbetreffende regionale of multilaterale verbanden of via een bilaterale dialoog op verzoek van een van de Partijen. Die samenwerking is erop gericht de transparantie op de wereldmarkten voor grondstoffen te vergroten en bij te dragen tot duurzame ontwikkeling.

3.

Om synergieën te waarborgen, wordt de samenwerking tussen de Partijen op grond van dit artikel uitgevoerd met inachtneming van artikel 15.14.

Artikel 5.3. Verantwoord ondernemerschap, en bedrijfsleven en mensenrechten
1.

De Partijen ondersteunen de ontwikkeling en uitvoering van nationale actieplannen inzake bedrijfsleven en mensenrechten door ervoor te zorgen dat doeltreffende zorgvuldigheidsbepalingen op het gebied van mensenrechten worden vermeld en aangemoedigd met betrekking tot die plannen.

2.

Rekening houdend met het feit dat de staten de plicht hebben om de mensenrechten op hun grondgebied met betrekking tot zakelijke activiteiten te beschermen, bevorderen de Partijen verantwoord ondernemerschap in overeenstemming met de internationale normen die door de Partijen worden goedgekeurd of gesteund in het kader van de leidende beginselen inzake bedrijfsleven en mensenrechten van de Verenigde Naties, de richtlijnen voor multinationale ondernemingen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), en de algemene OESO-richtsnoeren inzake de zorgvuldigheidseisen voor verantwoord ondernemerschap, de tripartiete beginselverklaring betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), en de Agenda 2030.

Artikel 5.4. Werkgelegenheid en sociale vraagstukken
1.

De Partijen erkennen in overeenstemming met de Agenda 2030 dat de uitbanning van armoede in alle vormen en opzichten, waaronder extreme armoede, wereldwijd de grootste uitdaging is en een essentieel vereiste vormt voor duurzame ontwikkeling. In dat opzicht komen zij overeen informatie uit te wisselen over methoden om armoede te meten om op feiten gebaseerd beleid te ondersteunen.

2.

De Partijen erkennen dat het verbeteren van de levensstandaard, het scheppen van hoogwaardige banen en het bevorderen van sociale bescherming en fatsoenlijk werk voor iedereen — vrouwen en mannen — centraal moeten staan in het werkgelegenheids- en sociaal beleid.

3.

De Partijen eerbiedigen, bevorderen en realiseren de grondbeginselen en grondrechten op het werk zoals uiteengezet in de IAO-Verklaring betreffende de grondbeginselen en grondrechten op het werk, aangenomen te Genève op 18 juni 1998, en de follow-up daarvan, de IAO-Verklaring over sociale gerechtigheid voor een eerlijke mondialisering, aangenomen op 10 juni 2008, en de overeenkomstige fundamentele IAO-verdragen.

4.

De Partijen intensiveren de samenwerking, onder meer tussen sociale partners op het gebied van werkgelegenheid en sociale zaken, en bevorderen de uitwisseling van beste praktijken met betrekking tot werkgelegenheid, gezondheid en veiligheid op het werk, arbeidsinspecties, zwartwerk, de sociale dialoog en sociale en arbeidsbescherming, met inbegrip van een beoordeling van de effecten van de informele economie alsook het beheer van arbeidstransities.

5.

De Partijen komen overeen een regelmatige dialoog op te zetten om de voortgang van de werkzaamheden op die gebieden van gemeenschappelijk belang alsook van het ontwerp en de doeltreffendheid van hun beleidsmaatregelen op die gebieden te vergezellen en te toetsen.

Artikel 5.5. Ouderen en personen met een beperking
1.

De Partijen verbinden zich ertoe te werken aan het welzijn, de waardigheid en de effectieve inclusie van kwetsbare groepen in hun samenleving, alsook van personen die op belemmeringen stuiten bij hun deelname aan de samenleving op voet van gelijkheid met anderen, met name ouderen en personen met een beperking.

2.

De Partijen erkennen de noodzaak om een positieve vergrijzing en toegankelijkheid op alle niveaus gedurende de levensduur te bevorderen. De Partijen erkennen tevens de noodzaak om te voldoen aan de verplichtingen op het gebied van toegankelijkheid in het kader van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, aangenomen op 13 december 2006.

3.

De Partijen komen overeen samen te werken om:

  • a. acties te bevorderen en te ontwikkelen ter ondersteuning en verbetering van de kansen op de arbeidsmarkt voor en de sociale inclusie van ouderen en personen met een beperking;
  • b. inclusief onderwijs en een leven lang leren te waarborgen voor personen met een beperking, in het bijzonder kinderen en jongeren alsook ouderen;
  • c. gerichte acties te bevorderen waarbij de nadruk ligt op de inclusie van personen met een geestelijke en verstandelijke beperking en geestelijke gezondheidsproblemen, alsook op hun habilitatie en revalidatie;
  • d. goede praktijken te identificeren en uit te wisselen in verband met hulpmiddelen, waaronder die welke worden gebruikt bij het verlenen van zorg om zelfstandig wonen te bevorderen en die welke kunnen worden gebruikt voor zowel ouderen als personen met een beperking, onder andere in situaties van afhankelijkheid;
  • e. op samenhangende wijze de toegankelijkheid van producten en diensten te verbeteren om toegang op voet van gelijkheid en zonder discriminatie van personen met een beperking of ouderen te waarborgen.
Artikel 5.6. Jeugdzaken
1.

De Partijen erkennen het belang van jongeren als aanjager van groei en welvaart. In dat opzicht zullen de Partijen de noodzaak om werkgelegenheid en fatsoenlijke banen voor jongeren te scheppen, alsook om projecten te ontwikkelen die erop gericht zijn hun burgerparticipatie te vergroten, benadrukken.

2.

De Partijen werken samen om:

  • a. de actieve participatie van jongeren aan het maatschappelijk leven mogelijk te maken;
  • b. de uitwisselingen op het gebied van jeugdbeleid en niet-formeel onderwijs voor jongeren en jeugdwerkers te bevorderen;
  • c. duurzame en inclusieve ontwikkeling te bevorderen door een dialoog aan te gaan om bewustwordingscampagnes voor jongeren met betrekking tot hun mensenrechten en non-discriminatie te ondersteunen.
3.

Binnen dat kader zullen zij gezamenlijke werkzaamheden uitvoeren om pesten en geweld op onderwijsinstellingen tegen te gaan.

Artikel 5.7. Cultuur
1.

De Partijen werken samen in relevante internationale fora, zoals de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (Unesco), teneinde gemeenschappelijke doeleinden na te streven en culturele diversiteit te bevorderen, onder meer met inachtneming van het Unesco-Verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen, aangenomen te Parijs op 20 oktober 2005.

2.

De Partijen bevorderen een nauwere dialoog en samenwerking in de culturele en creatieve sectoren, onder meer met betrekking tot opkomende en nieuwe technologieën en audiovisuele media, met inachtneming van de bestaande bilaterale overeenkomsten tussen Chili en de lidstaten, onder meer om het wederzijdse begrip en de kennis van elkaars cultuur te vergroten en uitwisselingen op dat gebied te bevorderen.

3.

De Partijen streven ernaar passende maatregelen te nemen om culturele uitwisselingen te bevorderen en gezamenlijke initiatieven op verschillende culturele gebieden uit te voeren, zoals coproductie in de media-, film- en televisie-industrie, waarbij gebruik wordt gemaakt van de beschikbare samenwerkingsinstrumenten en -kaders.

4.

De Partijen bevorderen de interculturele dialoog tussen maatschappelijke organisaties en tussen individuele personen van de Partijen.

Artikel 5.8. Onderzoek en innovatie
1.

De Partijen werken samen op het gebied van wetenschappelijk onderzoek, technologische ontwikkeling en innovatie op basis van gemeenschappelijke belangen en wederzijds voordeel, overeenkomstig hun reglement van orde en bepalingen. Die samenwerking is gericht op het bevorderen van sociale en economische ontwikkeling, het aanpakken van mondiale maatschappelijke uitdagingen, het bereiken van wetenschappelijke excellentie, het verbeteren van het regionale concurrentievermogen en het versterken van de betrekkingen tussen de Partijen, hetgeen zal leiden tot een langdurig partnerschap. De Partijen bevorderen een beleidsdialoog en gebruiken hun verschillende instrumenten, zoals de Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Chili, gedaan te Brussel op 23 september 2002, op een complementaire wijze.

2.

De Partijen streven naar:

  • a. het verbeteren van de voorwaarden voor de mobiliteit van onderzoekers, wetenschappers, deskundigen, studenten en ondernemers en voor het grensoverschrijdend verkeer van materiaal en apparatuur;
  • b. het vergemakkelijken van de wederzijdse toegang tot elkaars programma’s voor wetenschap, technologie en innovatie, onderzoeksinfrastructuren en -faciliteiten, publicaties en wetenschappelijke gegevens;
  • c. het opvoeren van de samenwerking op het gebied van normvoorbereidend onderzoek en normalisatie;
  • d. het bevorderen van gemeenschappelijke beginselen voor de eerlijke en billijke behandeling van intellectuele-eigendomsrechten in onderzoeks- en innovatieprojecten;
  • e. het aanmoedigen van een beleidsdialoog over innovatie, met name gericht op kleine en middelgrote ondernemingen, teneinde nieuwe goederen en diensten te genereren en het stimuleren van technologische innovatie en ondernemerschap;
  • f. het vergroten van het aantal gemeenschappelijke bedrijfsprojecten op het gebied van onderzoek en ontwikkeling in samenwerkingsverband die bedoeld zijn om innovatieve oplossingen voor gemeenschappelijke problemen en uitdagingen voort te brengen;
  • g. het bevorderen van netwerken en banden tussen instellingen voor onderzoek en innovatie, zoals universiteiten en onderzoekscentra en bedrijven, in de regio’s van de Partijen, voor de ontwikkeling van activiteiten die de marktsituatie benaderen;
  • h. het ondersteunen van sociale en openbare innovatieprogramma’s die erop gericht zijn de sociale ontwikkeling van de regio’s en in het bijzonder de levenskwaliteit van burgers te verbeteren;
  • i. het bevorderen van samenwerking en de uitwisseling van beste praktijken, beleidsmaatregelen en strategieën, met inbegrip van mondiale uitdagingen, tussen besluitvormers, innovatieagentschappen en andere relevante belanghebbenden.
3.

De Partijen bevorderen de volgende activiteiten waarbij overheidsorganisaties, openbare en particuliere onderzoekscentra, hogeronderwijsinstellingen, innovatieagentschappen en -netwerken en andere belanghebbenden, waaronder kleine en middelgrote ondernemingen, zijn betrokken:

  • a. gezamenlijke initiatieven om meer bekendheid te geven aan programma’s voor wetenschap, technologie, innovatie en capaciteitsopbouw, en aan de mogelijkheden om aan elkaars programma’s deel te nemen;
  • b. gezamenlijke bijeenkomsten en workshops om informatie en beste praktijken uit te wisselen en gebieden voor gezamenlijk onderzoek aan te wijzen;
  • c. gezamenlijke en medegefinancierde acties voor onderzoek en innovatie, met inbegrip van thematische netwerken, op gebieden van gemeenschappelijk belang;
  • d. wederzijds erkende beoordeling en evaluatie van de samenwerking op het gebied van wetenschap en innovatie en verspreiding van de resultaten daarvan.
Artikel 5.9. Samenwerking op het gebied van polaire aangelegenheden

De Partijen erkennen het belang van dialoog en samenwerking op bilateraal en multilateraal niveau in polaire aangelegenheden. Die samenwerking wordt gekanaliseerd door middel van een dialoog met deskundigen en de uitwisseling van beste praktijken, onder meer in het kader van de Commissie voor de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren.

Artikel 5.10. Digitaal beleid
1.

De Partijen erkennen dat informatie- en communicatietechnologie (ICT) de economische, educatieve en sociale ontwikkeling stimuleert. De Partijen wisselen standpunten over hun respectieve beleid op dat gebied uit.

2.

De Partijen werken samen op het gebied van ICT-beleid. Die samenwerking kan bestaan uit:

  • a. het uitwisselen van standpunten over de verschillende aspecten van de strategie inzake de digitale interne markt van de Europese Unie, met name beleid en regelgeving op het gebied van elektronische communicatie, waaronder toegang tot breedbanddiensten, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens, gegevensstromen, gegevenslokalisatievereisten, e-overheid, open overheid, open gegevens, internetbeveiliging, e-gezondheid en de onafhankelijkheid van de regelgevende instanties;
  • b. het uitwisselen van standpunten over netneutraliteit als een beginsel om een vrij en open internet te bevorderen, en het creëren van en het bieden van toegang tot onlinediensten en -toepassingen ten behoeve van alle burgers;
  • c. het inzetten van ICT als een middel van sociale, culturele en economische ontwikkeling, sociale en digitale inclusie en culturele diversiteit alsook als essentieel instrument voor het stimuleren van connectiviteit in scholen en het ontwikkelen van academische en onderzoeksnetwerken;
  • d. het ontwikkelen van de interconnectie en interoperabiliteit van onderzoeksnetwerken, infrastructuren en diensten voor computergebruik en verwerking van wetenschappelijke gegevens, en het bevorderen van die ontwikkeling binnen hun regionale context;
  • e. het samenwerken op het gebied van e-overheid en vertrouwensdiensten, zoals elektronische handtekening en elektronische identiteit, met de nadruk op de uitwisseling van beleidsbeginselen, informatie en goede praktijken inzake het gebruik van ICT voor de modernisering van overheidsinstanties, en het bevorderen van hoogwaardige openbare diensten en een transparant beheer van overheidsmiddelen;

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)