Verdrag van de Raad van Europa tot bescherming van het advocatenberoep
Preambule
De lidstaten van de Raad van Europa en de andere ondertekenaars van dit Verdrag,
Overwegend dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden;
In herinnering roepend het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (ETS nr. 5, 1950) en de bijbehorende Protocollen en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens;
Rekening houdend met de basisbeginselen inzake de rol van advocaten, aangenomen door het achtste congres van de Verenigde Naties over de preventie van criminaliteit en de behandeling van daders (Havana, Cuba, 27 augustus-7 september 1990);
Rekening houdend met Aanbeveling Rec(2000)21 van het Comité van Ministers aan de lidstaten inzake de vrijheid van uitoefening van het advocatenberoep;
Rekening houdend met Resolutie 44/9 over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke macht, juryleden en beoordelaars, en de onafhankelijkheid van advocaten, aangenomen door de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties op 16 juli 2020;
Benadrukkend de fundamentele rol die advocaten en hun beroepsverenigingen spelen bij het handhaven van de rechtsstaat, het waarborgen van de toegang tot de rechter en het waarborgen van de bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden;
Er met grote bezorgdheid nota van nemend dat advocaten steeds vaker het slachtoffer worden van aanvallen, bedreigingen, pesterijen en intimidatie vanwege hun beroepsactiviteiten, alsook van ongepaste belemmeringen of inmenging bij de uitoefening van hun legitieme beroepsactiviteiten;
Hun veroordeling uitsprekend over deze aanvallen, bedreigingen, pesterijen, intimidatie en ongepaste belemmeringen of inmenging;
Gelet op de verschillende wijzen waarop het beroep van advocaat kan worden georganiseerd in de lidstaten van de Raad van Europa en de andere ondertekenaars van dit Verdrag;
Overwegend dat het internationale rechtskader moet worden versterkt om de vrijheid van uitoefening van het beroep van advocaat te waarborgen
Zijn het volgende overeengekomen:
HOOFDSTUK I. DOEL, REIKWIJDTE EN BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN
Artikel 1. Doel van het Verdrag
Het doel van dit Verdrag is de versterking van de bescherming van het beroep van advocaat en het recht om dit beroep onafhankelijk en zonder discriminatie, ongepaste belemmering of inmenging uit te oefenen, of het slachtoffer te worden van aanvallen, bedreigingen, pesterijen of intimidatie.
Bij dit Verdrag wordt een specifiek mechanisme ingesteld om een doeltreffende uitvoering van de bepalingen ervan door de partijen te waarborgen.
Artikel 2. Reikwijdte
Dit Verdrag is van toepassing op de beroepsactiviteiten van advocaten en hun beroepsverenigingen.
De bepalingen van de artikelen 5 tot en met 9 van dit Verdrag zijn, voor zover relevant voor hun specifieke situatie, van toepassing op de advocaten die onder hun oorspronkelijke beroepstitel juridisch advies, bijstand of vertegenwoordiging in een partij verlenen en die:
- a. vallen onder de reikwijdte van een verklaring van een andere partij uit hoofde van het eerste lid van artikel 20 van dit Verdrag; of
- b. dit doen op grond van het recht van die partij, het recht van de Europese Unie of internationale overeenkomsten.
De bepalingen van de artikelen 6 (beroepsrechten van advocaten), 7 (vrijheid van meningsuiting) en 9 (beschermingsmaatregelen), vierde lid, van dit Verdrag zijn eveneens van toepassing op:
- a. elke persoon aan wie, in strijd met de artikelen 5 en 8 van dit Verdrag, hetzij de kwalificatie van advocaat of een vergunning tot uitoefening van het beroep is geweigerd, of voor wie deze is ingetrokken of geschorst;
- b. elke persoon die door een internationale rechterlijke instantie of een door een internationale organisatie opgericht orgaan is erkend als bevoegd om in een bij haar aanhangige procedure op te treden waarbij deze persoon advies geeft over of optreedt in een dergelijke procedure.
De bepalingen van de artikelen 6, derde lid, onderdelen b en c, en 9, vierde lid, van dit Verdrag zijn ook van toepassing op personen die door advocaten in dienst zijn genomen of ingeschakeld om hen bij te staan, voor zover zij rechtstreeks bijdragen tot de uitoefening van de beroepswerkzaamheden van die advocaten.
De bepalingen van artikel 9, vierde lid, van dit Verdrag zijn ook van toepassing op personen die in dienst zijn genomen of ingeschakeld om beroepsverenigingen bij te staan, voor zover het de uitoefening door hen van de beroepswerkzaamheden van deze verenigingen betreft.
Artikel 3. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:
- a. „advocaat’: iedere natuurlijke persoon die volgens het nationale recht gekwalificeerd en bevoegd is om het beroep van advocaat uit te oefenen;
- b. „cliënt“: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die wordt geadviseerd, bijgestaan of vertegenwoordigd door een advocaat;
- c. „potentiële cliënt’: iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die direct of indirect verzoekt om zich door de betrokken advocaat te laten adviseren, bijstaan of vertegenwoordigen;
- d. „beroepsvereniging”: een vertegenwoordigend orgaan waarvan sommige of alle advocaten direct of indirect lid zijn of waarin zij zijn ingeschreven en dat krachtens het nationale recht een zekere verantwoordelijkheid heeft voor de organisatie of reglementering van hun beroep;
- e. „beroepsactiviteiten van advocaten”: elke handeling ter voorbereiding of verstrekking van advies, bijstand of vertegenwoordiging ten behoeve van een cliënt of potentiële cliënt in verband met de uitlegging of toepassing van het nationale, buitenlandse of internationale recht, zowel in de partijen waar zij zijn gevestigd als elders, onder meer in verband met de procedures en werkzaamheden van een internationale rechterlijke instantie of een door een internationale organisatie opgericht orgaan;
- f. „beroepsactiviteiten van beroepsverenigingen“: elke actie als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van dit Verdrag;
- g. „overheidsorganen”:
- i. regering en bestuursorganen op nationaal, regionaal en lokaal niveau;
- ii. wetgevende instanties en gerechtelijke autoriteiten voor zover zij bestuurlijke taken verrichten overeenkomstig het nationale recht;
- iii. natuurlijke personen of rechtspersonen voor zover zij enig openbaar gezag uitoefenen;
- h. en worden „bij wet voorgeschreven” en „noodzakelijk in een democratische samenleving” begrepen in de zin van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
HOOFDSTUK II. MATERIËLE BEPALINGEN
Artikel 4. Beroepsverenigingen
De partijen waarborgen dat het nationale wet- en regelgevingskader waarborgt dat beroepsverenigingen onafhankelijke, zelfbesturende organen zijn. De verkiezing van hun uitvoerende organen geschiedt in overeenstemming met de toepasselijke regels en zonder inmenging van buitenaf.
De partijen waarborgen dat beroepsverenigingen:
- a. de belangen van advocaten en hun beroep bevorderen en behartigen;
- b. de onafhankelijkheid van advocaten en hun rol in de samenleving bevorderen en verdedigen;
- c. professionele gedragsnormen opstellen en de naleving daarvan bevorderen, in overeenstemming met dit Verdrag;
- d. de toegang tot het beroep en de voortdurende bij- en nascholing van advocaten bevorderen;
- e. samenwerken met advocaten, andere beroepsverenigingen en internationale, intergouvernementele of niet-gouvernementele organisaties op het gebied van het recht en de rechtspraktijk, met inbegrip van de bevordering en bescherming van de rol van advocaten; en
- f. het welzijn van advocaten bevorderen en hen en hun gezinnen waar nodig bijstaan.
De partijen waarborgen dat beroepsverenigingen tijdig en doeltreffend worden geraadpleegd over voorstellen van de overheid voor wijzigingen in wetgeving, procedurele en administratieve voorschriften die rechtstreeks van invloed zijn op de beroepsactiviteiten van advocaten en de reglementering van het beroep.
De partijen waarborgen dat de verplichting om lid te zijn van een beroepsvereniging advocaten niet belet andere verenigingen op te richten en daaraan deel te nemen om hun beroepsbelangen en -activiteiten te behartigen.
Artikel 5. Recht op uitoefening van het beroep
De partijen waarborgen dat de toelating tot, de voortgezette inschrijving van en de herintreding tot het beroep van advocaat bij wet worden voorgeschreven en:
- a. op basis van objectieve, relevante en transparante criteria geschieden die volgens een eerlijk proces worden toegepast; en
- b. niet onderworpen zijn aan discriminatie op een grond die verboden is door de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
De partijen waarborgen dat besluiten betreffende toelating, voortgezette inschrijving en herintreding tot het beroep van advocaat worden genomen door een beroepsvereniging of een ander onafhankelijk orgaan en kunnen worden aangevochten voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij wet is ingesteld.
Artikel 6. Beroepsrechten van advocaten
De partijen dragen er zorg voor dat advocaten:
- a. juridisch advies, bijstand en vertegenwoordiging kunnen aanbieden en verlenen, onder meer met het oog op de verdediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden;
- b. natuurlijke personen of rechtspersonen als cliënt kunnen aannemen of weigeren en de relatie tussen advocaat en cliënt kunnen beëindigen;
- c. snelle en daadwerkelijke toegang kunnen hebben tot hun cliënten en potentiële cliënten, zelfs wanneer deze de vrijheid is ontnomen;
- d. kunnen worden erkend als personen die gemachtigd zijn om hun cliënten te adviseren, bij te staan of te vertegenwoordigen;
- e. effectieve toegang kunnen hebben tot alle relevante materialen die in het bezit zijn van of onder controle staan van de bevoegde overheidsorganen en rechterlijke instanties zonder onnodige vertraging en beperkingen wanneer zij optreden namens hun cliënten;
- f. daadwerkelijk toegang kunnen hebben tot en communiceren met een gerecht of een ander soortgelijk orgaan waarvoor zij bevoegd zijn te verschijnen;
- g. namens hun cliënten verzoeken of moties kunnen indienen, onder meer met betrekking tot de wraking van een rechter, officier van justitie of lid van een orgaan dat in een bepaalde zaak uitspraak moet doen en met betrekking tot het verloop van de procedure;
- h. daadwerkelijk kunnen deelnemen aan alle procedures waarin zij namens hun cliënten optreden;
- i. het publiek kunnen informeren over hun diensten.
De partijen waarborgen dat advocaten niet civiel- of strafrechtelijk aansprakelijk zijn voor mondelinge en schriftelijke verklaringen die te goeder trouw en zorgvuldig zijn afgelegd bij het voeren van alle procedures namens hun cliënten.
De partijen waarborgen dat advocaten:
- a. hun cliënten of potentiële cliënten kunnen voorzien van juridisch advies in privé wanneer zij hen persoonlijk ontmoeten;
- b. vertrouwelijk kunnen communiceren met hun cliënten of potentiële cliënten, op welke wijze en in welke vorm dan ook;
- c. niet verplicht zijn informatie of materiaal dat direct of indirect van cliënten of potentiële cliënten is ontvangen, alsmede eventuele uitwisselingen met hen, en materiaal dat is opgesteld in verband met die uitwisselingen of het voeren van gerechtelijke procedures namens hen, openbaar te maken, over te dragen of te bewijzen.
Aan de uitoefening van de in het eerste, tweede en derde lid van dit artikel vastgestelde rechten mogen geen andere beperkingen worden gesteld dan die welke bij wet zijn voorgeschreven en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn. Dergelijke beperkingen omvatten, maar zijn niet beperkt tot, vereisten om de beschikbaarheid van juridisch advies, bijstand en vertegenwoordiging voor iedereen te waarborgen.
De partijen waarborgen dat advocaten geen nadelige gevolgen ondervinden als gevolg van identificatie met hun cliënten of de zaak van hun cliënten. Dit artikel wordt toegepast onverminderd de vrijheid van meningsuiting zoals beschermd door het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het nationale recht.
Artikel 7. Vrijheid van meningsuiting
De partijen waarborgen het recht van advocaten om het publiek te informeren over aangelegenheden die verband houden met de zaken van hun cliënten, behoudens beperkingen die bij wet zijn voorgeschreven en die voortvloeien uit professionele verantwoordelijkheden, de vereisten van de rechtsbedeling en de eerbiediging van het privéleven, en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn.
De partijen waarborgen het recht van advocaten, individueel en collectief, en van beroepsverenigingen om de rechtsstaat en de naleving ervan te bevorderen, deel te nemen aan openbare discussies over de inhoud, interpretatie en toepassing van bestaande en voorgestelde wettelijke bepalingen, rechterlijke beslissingen, de rechtsbedeling en toegang tot de rechter en de bevordering en bescherming van de mensenrechten, en om voorstellen voor hervormingen op dit gebied in te dienen.
Artikel 8. Discipline
De partijen waarborgen dat de gronden voor disciplinaire maatregelen tegen advocaten uitsluitend gebaseerd zijn op bij wet voorgeschreven professionele gedragsnormen die zelf in overeenstemming zijn met de rechten en vrijheden in het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
De partijen waarborgen dat tuchtprocedures tegen advocaten:
- a. worden voorgelegd aan:
- i. een onafhankelijke en onpartijdige tuchtcommissie, ingesteld door een beroepsvereniging;
- ii. een onafhankelijke en onpartijdige autoriteit, of
- iii. een onafhankelijk en onpartijdig gerecht of tribunaal dat bij wet is ingesteld;
- b. met spoed worden behandeld;
- c. worden uitgevoerd in overeenstemming met de vereisten voor een eerlijk proces uit hoofde van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en met het recht om te worden geadviseerd, bijgestaan of vertegenwoordigd door een advocaat van hun keuze; en
- d. door de betrokken advocaat kunnen worden aangevochten bij een onafhankelijk en onpartijdig gerecht of tribunaal dat bij wet is ingesteld.
Partijen waarborgen dat alle disciplinaire sancties die aan advocaten worden opgelegd in overeenstemming zijn met de beginselen van legaliteit, non-discriminatie en evenredigheid. Een verbod op het recht op uitoefening van het beroep mag alleen worden opgelegd voor de ernstigste inbreuken op de beroepsnormen.
Artikel 9. Beschermingsmaatregelen
De partijen waarborgen, behoudens de beperkingen die bij wet zijn voorgeschreven en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn voor het voorkomen, onderzoeken of vervolgen van misdrijven of voor de bescherming van de rechten van anderen, dat advocaten:
- a. toegang hebben tot een advocaat van hun keuze in het geval van vrijheidsontneming;
- b. een vertegenwoordiger van hun beroepsvereniging zonder onnodige vertraging in kennis kunnen stellen van hun vrijheidsontneming, de rechtsgrondslag daarvoor en de plaats waar zij worden vastgehouden;
- c. een onafhankelijke advocaat of een vertegenwoordiger van hun beroepsvereniging aanwezig moeten hebben tijdens: behalve wanneer de documenten of gegevens niet worden onderzocht door degenen die de huiszoeking of inbeslagneming uitvoeren;
- i. elke huiszoeking die wordt uitgevoerd in het kader van een civiel, strafrechtelijk of bestuursrechtelijk onderzoek of procedure, van henzelf of van gebouwen, voertuigen of inrichtingen die door hen voor hun beroepsactiviteiten worden gebruikt; of
- ii. het in beslag nemen of kopiëren van documenten, alle andere gegevens en alle soorten apparatuur die door hen worden gebruikt voor hun beroepsactiviteiten;
- d. worden geïnformeerd over hun rechten in de onderdelen a, b en c van dit lid wanneer hun vrijheid wordt ontnomen en voordat zij worden onderworpen aan huiszoekingen of inbeslagneming of kopiëren van documenten.
De partijen waarborgen dat passende garanties aanwezig zijn en in acht worden genomen wanneer inspecties worden uitgevoerd of andere maatregelen worden genomen in het kader van het toezicht op het beroep.
De partijen waarborgen dat beroepsverenigingen in staat zijn, behoudens beperkingen die bij wet zijn voorgeschreven en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn voor het voorkomen, onderzoeken en vervolgen van criminaliteit of voor het beschermen van de rechten van anderen, de in dit Verdrag neergelegde rechten te waarborgen, onder meer door:
- a. via hun vertegenwoordigers daadwerkelijk toegang te hebben tot advocaten die van hun vrijheid zijn beroofd, indien de betrokken advocaten daarom verzoeken;
- b. zonder onnodige vertraging in kennis te worden gesteld van gevallen, waarvan de wetshandhavingsautoriteiten op de hoogte zijn, waarin advocaten worden aangevallen of gedood wanneer er redenen zijn om aan te nemen dat dit het gevolg is van hun beroepsactiviteiten en deze gevallen niet anderszins openbaar zijn gemaakt en wanneer advocaten niet in staat zijn hen zelf te informeren;
- c. de mogelijkheid te hebben hoorzittingen bij te wonen in procedures tegen advocaten wanneer er redenen zijn om aan te nemen dat dit het gevolg is van hun beroepsactiviteiten.
De partijen
- a. waarborgen dat advocaten en hun beroepsverenigingen in staat zijn hun beroepsactiviteiten uit te oefenen en hun rechten uit hoofde van artikel 7 van dit Verdrag uit te oefenen zonder het doel te zijn van:
- i. elke vorm van fysieke aanval, bedreiging, pesterijen of intimidatie; of
- ii. elke ongepaste belemmering of inmenging;
- b. onthouden zich van het verrichten van de in onderdeel a van dit lid omschreven gedragingen; en
- c. voeren een doeltreffend onderzoek uit naar het zich voordoen van gedragingen als bedoeld in onderdeel a van dit lid, indien er redenen zijn om aan te nemen dat dit een strafbaar feit kan vormen.
De partijen onthouden zich van het nemen van maatregelen of het onderschrijven van praktijken die de onafhankelijkheid en het zelfbestuur van beroepsverenigingen zouden ondermijnen.
HOOFDSTUK III. TOEZICHTSMECHANISME
Artikel 10. Groep van deskundigen inzake de bescherming van het advocatenberoep
De Groep van deskundigen inzake de bescherming van het advocatenberoep (hierna te noemen GRAVO) houdt toezicht op de uitvoering van dit Verdrag door de partijen.
GRAVO bestaat uit ten minste acht leden en ten hoogste twaalf leden. Haar leden worden, voor een termijn van vier jaar die eenmaal kan worden verlengd, gekozen door het Comité van de Partijen, opgericht ingevolge artikel 11 van dit Verdrag, uit door de partijen voorgestelde kandidaten die zijn gekozen uit onderdanen van de partijen.
De eerste verkiezing van acht leden geschiedt binnen een jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag. De verkiezing van vier aanvullende leden geschiedt na de 25e bekrachtiging of toetreding.
De keuze van de leden van GRAVO is op de volgende beginselen gebaseerd:
- a. de leden worden volgens een transparante procedure gekozen uit personen van onbesproken gedrag, die blijk hebben gegeven van beroepservaring op de door dit Verdrag bestreken gebieden;
- b. in GRAVO mogen geen twee onderdanen van dezelfde staat zitting nemen;
- c. de leden moeten verschillende rechtsstelsels vertegenwoordigen;
- d. bij de samenstelling van GRAVO wordt gender- en geografisch evenwicht bewerkstelligd;
- e. de leden nemen op persoonlijke titel zitting, zijn onafhankelijk en onpartijdig bij de uitvoering van hun taken en zijn beschikbaar om hun taken op doeltreffende wijze uit te voeren.
De procedure voor de verkiezing van leden van GRAVO wordt vastgesteld door het Comité van Ministers van de Raad van Europa na raadpleging en verkrijging van unanieme instemming van de partijen binnen zes maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag.
GRAVO stelt haar eigen reglement van orde vast.
De leden van GRAVO en andere leden van delegaties die de bezoeken aan landen omschreven in artikel 12 van dit Verdrag afleggen, genieten de voorrechten en immuniteiten vastgelegd in het aanhangsel bij dit Verdrag.
Artikel 11. Comité van de Partijen
Het Comité van de Partijen bestaat uit vertegenwoordigers van de partijen bij dit Verdrag en de partijen streven naar genderevenwicht in de samenstelling ervan.
Het Comité van de Partijen wordt bijeengeroepen door de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa. Het komt voor de eerste keer bijeen binnen een jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag. Daarna komt het bijeen telkens wanneer een derde van de partijen, de Voorzitter van het Comité van de Partijen of de Secretaris-Generaal daarom verzoeken.
Het Comité van de Partijen stelt zijn eigen reglement van orde vast.
Artikel 12. Procedure
De evaluatieprocedure wordt verdeeld in ronden. GRAVO bepaalt de reikwijdte en de passende middelen voor de uitvoering van deze procedure, zoals vragenlijsten die als basis kunnen dienen voor de evaluatieprocedure van de uitvoering door de partijen.
GRAVO ontvangt van de betrokken partij informatie over de uitvoering van het Verdrag. Bovendien kan het informatie over de uitvoering van het Verdrag ontvangen van non-gouvernementele organisaties en uit het maatschappelijk middenveld, beroepsverenigingen, alsmede van nationale instellingen voor de bescherming van de mensenrechten. GRAVO houdt ook terdege rekening met informatie die beschikbaar is uit andere instrumenten en organen van de Raad van Europa, alsmede uit andere regionale en internationale organisaties, op gebieden die binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag vallen.
GRAVO kan landenbezoeken organiseren, in samenwerking met de nationale autoriteiten en, indien nodig, met de hulp van onafhankelijke nationale deskundigen, indien de verkregen informatie ontoereikend is en er geen andere haalbare manieren zijn om de informatie op betrouwbare wijze te verkrijgen of in de gevallen bedoeld in het tweede lid van artikel 13, van dit Verdrag. Bezoeken zijn subsidiair en beperkt tot de gebieden waar GRAVO besluit dat de informatie ontoereikend is en tot de gevallen bedoeld in het tweede lid van artikel 13 van dit Verdrag.
Bezoeken worden uitgevoerd door een delegatie van GRAVO. Tijdens deze bezoeken kan de delegatie worden bijgestaan door specialisten op specifieke gebieden. Tijdens bezoeken moet de delegatie:
- i. in het desbetreffende rechtsgebied vrijheid om te reizen genieten;
- ii. in staat zijn contact te hebben met overheidsinstanties;
- iii. niet worden verhinderd de personen te ontmoeten die zij vertrouwelijk willen ondervragen;
- iv. toegang hebben tot het materiaal dat relevant is voor het bezoek aan het land.
GRAVO stelt een conceptrapport op met haar analyse van de uitvoering van de bepalingen waarop de evaluatie is gebaseerd, alsmede haar suggesties en voorstellen voor de wijze waarop de desbetreffende partij de vastgestelde problemen kan aanpakken. Het conceptrapport wordt voor commentaar verzonden naar de partij die het voorwerp is van de evaluatie. GRAVO neemt haar commentaar in aanmerking bij de vaststelling van haar rapport.
Op grond van alle ontvangen informatie en het commentaar van de partijen neemt GRAVO haar rapport en conclusies aan betreffende de door de partij genoemde maatregelen tot uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag. Dit rapport en de conclusies worden naar de desbetreffende partij en het Comité van de Partijen gezonden. Het rapport en de conclusies van GRAVO worden vanaf de aanneming ervan openbaar gemaakt, tezamen met het eventuele commentaar van de desbetreffende partij.
Onverminderd de procedure van de leden 1 tot en met 6 van dit artikel kan het Comité van de Partijen, op basis van het verslag en de conclusies van GRAVO, tot de betrokken partij gerichte aanbevelingen aannemen:
- a. met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen om uitvoering te geven aan de conclusies van GRAVO, waarbij zo nodig een datum wordt vastgesteld voor het indienen van informatie over de uitvoering ervan; en
- b. gericht op het bevorderen van de samenwerking met deze partij met het oog op de juiste uitvoering van dit Verdrag.
Artikel 13. Spoedprocedure
Indien GRAVO betrouwbare informatie ontvangt die duidt op problemen die de onmiddellijke aandacht vergen teneinde ernstige schendingen van het Verdrag te voorkomen of de schaal of de frequentie ervan te beperken kan zij de betrokken partij verzoeken om met spoed een speciaal rapport te overleggen over de maatregelen die zijn getroffen om dergelijke schendingen te voorkomen.
Rekening houdend met de informatie overgelegd door de desbetreffende partij, alsmede andere betrouwbare informatie waarover zij beschikt, kan GRAVO een of meer van haar leden aanwijzen om een onderzoek uit te voeren en spoedig verslag uit te brengen aan GRAVO. Indien daar aanleiding toe is kan het onderzoek met de instemming van de desbetreffende partij een bezoek aan haar grondgebied omvatten.
Na bestudering van de uitkomsten van het onderzoek bedoeld in het tweede lid van dit artikel doet GRAVO deze, tezamen met eventuele commentaren en aanbevelingen, toekomen aan de desbetreffende partij en, indien relevant, aan het Comité van de Partijen en het Comité van Ministers en de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa. Het rapport en de conclusies van GRAVO worden vanaf de aanneming ervan openbaar gemaakt, tezamen met het commentaar van de desbetreffende partij.
Artikel 14. Aanbevelingen
GRAVO kan indien passend aanbevelingen aannemen voor de uitvoering van dit Verdrag.
Artikel 15. Verhouding tot andere organen
Het Comité van Ministers en de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa worden regelmatig op de hoogte gesteld van de uitvoering van dit Verdrag.
HOOFDSTUK IV. VERHOUDING TOT ANDERE INTERNATIONALE INSTRUMENTEN
Artikel 16. Verhouding tot andere internationale instrumenten
Dit Verdrag laat de rechten en verplichtingen onverlet die voortvloeien uit andere internationale instrumenten waarbij de partijen bij dit Verdrag partij zijn of zullen worden en die bepalingen bevatten inzake door dit Verdrag geregelde aangelegenheden en die een grotere bescherming waarborgen van de rechten van advocaten voor de vrije uitoefening van hun beroep.
De partijen bij dit Verdrag kunnen met elkaar bilaterale of multilaterale verdragen sluiten inzake de aangelegenheden die in dit Verdrag worden behandeld teneinde de bepalingen ervan aan te vullen of aan te scherpen of de toepassing van de erin vervatte beginselen te faciliteren.
HOOFDSTUK V. SLOTBEPALINGEN
Artikel 17. Ondertekening en inwerkingtreding
Dit Verdrag staat open voor ondertekening door de lidstaten van de Raad van Europa, door staten die geen lid van de Raad zijn en die hebben deelgenomen aan de opstelling hiervan en door de Europese Unie.
Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum waarop acht ondertekenaars, waaronder ten minste zes lidstaten van de Raad van Europa, hun instemming door het Verdrag te worden gebonden tot uitdrukking hebben gebracht overeenkomstig het bepaalde in het voorgaande lid.
Met betrekking tot iedere ondertekenaar die later zijn instemming door het Verdrag te worden gebonden tot uitdrukking brengt, treedt het in werking op de eerste dag van de maand na het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van de nederlegging van de akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.
Artikel 18. Toetreding tot het Verdrag
Na de inwerkingtreding van dit Verdrag kan het Comité van Ministers van de Raad van Europa, na raadpleging en verkrijging van unanieme instemming van de partijen bij dit Verdrag, elke staat die geen lid is van de Raad van Europa en die niet heeft deelgenomen aan de opstelling van het Verdrag, uitnodigen tot dit Verdrag toe te treden, door een door de meerderheid als voorzien in artikel 20, onderdeel d, van het Statuut van de Raad van Europa genomen besluit en door de unanieme stemming door de vertegenwoordigers van de verdragsluitende staten die recht hebben op een zetel in het Comité van Ministers.
Ten aanzien van elke toetredende staat treedt het Verdrag in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van nederlegging van de akte van toetreding bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
Een partij die geen lidstaat van de Raad van Europa is draagt bij aan de financiering van de activiteiten van GRAVO en het Comité van de Partijen, op een door het Comité van Ministers vastgestelde wijze.
Artikel 19. Territoriale toepassing
Elke staat of de Europese Unie kan, op het tijdstip van ondertekening of bij de nederlegging van zijn of haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, het grondgebied of de grondgebieden waarop dit Verdrag van toepassing is nader aanduiden.
Elke partij kan op een later tijdstip door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa de toepassing van dit Verdrag uitbreiden tot elk ander grondgebied dat in de verklaring wordt genoemd en voor de internationale betrekkingen van welk grondgebied zij verantwoordelijk is of namens welk grondgebied zij bevoegd is verbintenissen aan te gaan. Ten aanzien van een dergelijk grondgebied treedt het Verdrag in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van die verklaring door de Secretaris-Generaal.
Elke krachtens de twee voorgaande leden gedane verklaring kan, met betrekking tot elk in die verklaring genoemd grondgebied, worden ingetrokken door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte kennisgeving. De intrekking wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal.
Artikel 20. Verklaringen
Elke verdragsluitende partij bij het Verdrag geeft op het tijdstip van ondertekening of bij de nederlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring, de beroepstitels aan die vallen onder de reikwijdte van dit Verdrag ten behoeve van de uitvoering van artikel 3, onderdeel a. Deze verklaring kan nadien te allen tijde op dezelfde wijze worden gewijzigd. Deze verklaring en eventuele wijzigingen daarvan doen geen afbreuk aan het doel van dit Verdrag en de door dit Verdrag geboden bescherming.
Elke verdragsluitende partij kan, op het tijdstip van ondertekening of bij het nederleggen van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, bij een verklaring gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa verklaren dat de begripsomschrijving „overheidsorganen” tevens op een of meer van de volgende entiteiten van toepassing is:
- i. wetgevende instanties wat betreft hun overige werkzaamheden;
- ii. gerechtelijke autoriteiten wat betreft hun overige werkzaamheden;
- iii. natuurlijke personen of rechtspersonen voor zover zij een publieke taak vervullen of uit de publieke middelen worden gefinancierd, overeenkomstig het nationale recht.
Deze verklaring kan nadien te allen tijde op dezelfde wijze worden gewijzigd.
Artikel 21. Voorbehouden
Elke staat of de Europese Unie kan, op het tijdstip van ondertekening of bij de nederlegging van zijn of haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa verklaren dat hij of zij zich het recht voorbehoudt de bepalingen in artikel 6 met betrekking tot artikel 2, derde lid, onderdeel b van dit Verdrag niet toe te passen of slechts in specifieke gevallen of omstandigheden toe te passen. Ten aanzien van de bepalingen van dit Verdrag kunnen geen andere voorbehouden worden gemaakt.
Elke partij kan een voorbehoud geheel of gedeeltelijk intrekken door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa. Een dergelijke verklaring wordt van kracht met ingang van de datum van ontvangst door de Secretaris-Generaal.
Artikel 22. Wijzigingen van het Verdrag
Elk voorstel tot wijziging van dit Verdrag dat door een partij wordt ingediend, wordt medegedeeld aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa en door hem of haar toegezonden aan de lidstaten van de Raad van Europa, de niet-lidstaten die hebben deelgenomen aan de opstelling, elke ondertekenende staat, elke staat die partij is, de Europese Unie en elke staat die overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid van artikel 18, is uitgenodigd dit Verdrag te ondertekenen.
Elke door een partij voorgestelde wijziging wordt doorgegeven aan het Comité van de Partijen die zijn oordeel over die voorgestelde wijziging voorlegt aan het Comité van Ministers.
Het Comité van Ministers onderzoekt de voorgestelde wijziging en het oordeel ingediend door het Comité van de Partijen en kan, na raadpleging van de staten die geen partij zijn bij dit Verdrag, de wijziging aannemen.
De tekst van elke wijziging aangenomen door het Comité van Ministers overeenkomstig het derde lid van dit artikel, wordt toegezonden aan de partijen voor aanvaarding.
Iedere overeenkomstig het derde lid van dit artikel aangenomen wijziging treedt in werking op de eerste dag van de maand na het verstrijken van een tijdvak van een maand na de datum waarop alle partijen de Secretaris-Generaal hebben medegedeeld dat zij haar hebben aanvaard.
Artikel 23. Opzegging
Elke partij kan dit Verdrag te allen tijde opzeggen door middel van een kennisgeving gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
Deze opzegging wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal.
Artikel 24. Kennisgevingen
De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa stelt de lidstaten van de Raad van Europa, de niet-lidstaten die hebben deelgenomen aan de opstelling van dit Verdrag alsmede elke ondertekenende staat, elke staat die partij is, de Europese Unie en elke staat die is uitgenodigd tot dit Verdrag toe te treden, overeenkomstig de bepalingen van artikel 18, in kennis van:
- a. elke ondertekening;
- b. de nederlegging van elke akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding;
- c. elke datum van inwerkingtreding van dit Verdrag in overeenstemming met de artikelen 17 en 18;
- d. elke wijziging die overeenkomstig artikel 22 is aangenomen en de datum waarop een dergelijke wijziging in werking treedt;
- e. elke uit hoofde van artikel 20 gedane verklaring;
- f. elk voorbehoud en elke intrekking van voorbehouden gemaakt ingevolge artikel 21;
- g. elke opzegging uit hoofde van de bepalingen van artikel 23;
- h. elke andere akte, kennisgeving of mededeling met betrekking tot dit Verdrag.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorised thereto, have signed this Convention.
DONE in Luxembourg, this 13th day of May 2025, in English and in French, both texts being equally authentic, in a single copy which shall be deposited in the archives of the Council of Europe. The Secretary General of the Council of Europe shall transmit certified copies to each member State of the Council of Europe, to the non-member States which have participated in the elaboration of this Convention, to any signatory State, to the European Union and any State invited to accede to this Convention.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)