Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Thailand tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting
Het Koninkrijk der Nederlanden
en
het Koninkrijk Thailand,
Geleid door de wens hun economische betrekkingen verder te ontwikkelen en hun samenwerking op belastinggebied te verbeteren,
Voornemens een verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen zonder daarbij mogelijkheden te scheppen tot niet-heffing of verminderde heffing van belasting door middel van het ontduiken of ontwijken van belasting (daaronder begrepen het gebruik van treaty-shopping-structuren die als doel hebben in dit Verdrag voorziene tegemoetkomingen te verkrijgen in het indirecte voordeel van inwoners van derde rechtsgebieden),
Zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is
Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide verdragsluitende staten.
Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is
Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen die worden geheven ten behoeve van een verdragsluitende staat of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan, ongeacht de wijze van heffing.
Als belastingen naar het inkomen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen of naar inkomensbestanddelen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het totale bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering.
De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn met name:
- a. in het geval van Thailand: (hierna te noemen: „Thaise belasting”);
- i. de inkomstenbelasting; en
- ii. de belasting op inkomsten uit de winning van aardolie („petroleum income tax”);
- b. in het geval van Nederland: (hierna te noemen: „Nederlandse belasting”).
- i. de inkomstenbelasting;
- ii. de loonbelasting;
- iii. de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de regering in de nettowinsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnbouwwet;
- iv. de dividendbelasting;
Het Verdrag is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen die na de datum van ondertekening van het Verdrag naast of in de plaats van de bestaande belastingen worden geheven. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten stellen elkaar in kennis van alle wezenlijke wijzigingen die in hun onderscheiden belastingwetgeving zijn aangebracht.
Artikel 3. Algemene begripsbepalingen
Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij de context anders vereist:
- a. betekenen de uitdrukkingen „een verdragsluitende staat” en „de andere verdragsluitende staat” het Koninkrijk Thailand of het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Nederland, al naargelang de context vereist;
- b. betekent de uitdrukking „Thailand” het grondgebied van het Koninkrijk Thailand, met inbegrip van zijn binnenwateren, zijn territoriale zeeën en alle maritieme gebieden waarbinnen het Koninkrijk Thailand soevereine rechten uitoefent of rechtsmacht heeft uit hoofde van het internationaal recht;
- c. betekent de uitdrukking „Nederland” het Europese deel van het Koninkrijk der Nederlanden, met inbegrip van zijn territoriale zee en elk gebied buiten en grenzend aan zijn territoriale zee waarbinnen het Koninkrijk der Nederlanden, in overeenstemming met het internationaal recht, rechtsmacht heeft of soevereine rechten uitoefent;
- d. omvat de uitdrukking „persoon” een natuurlijke persoon, een lichaam en elke andere vereniging van personen;
- e. betekent de uitdrukking „lichaam” elke rechtspersoon of elke entiteit die voor de belastingheffing als een rechtspersoon wordt behandeld;
- f. betekenen de uitdrukkingen „onderneming van een verdragsluitende staat” en „onderneming van de andere verdragsluitende staat” onderscheidenlijk een onderneming gedreven door een inwoner van een verdragsluitende staat en een onderneming gedreven door een inwoner van de andere verdragsluitende staat;
- g. betekent de uitdrukking „onderdaan” met betrekking tot een verdragsluitende staat:
- i. in het geval van Thailand, elke natuurlijke persoon die de nationaliteit van het Koninkrijk Thailand bezit en elke rechtspersoon die, elk samenwerkingsverband dat, elke vereniging die en elke andere entiteit die zijn of haar rechtspositie als zodanig ontleent aan de wetgeving die in Thailand van kracht is;
- ii. in het geval van Nederland, elke natuurlijke persoon die de nationaliteit van het Koninkrijk der Nederlanden bezit en elke rechtspersoon die, elk samenwerkingsverband dat of elke vereniging die zijn of haar rechtspositie als zodanig ontleent aan de wetgeving die in Nederland van kracht is;
- h. betekent de uitdrukking „internationaal verkeer” alle vervoer met een schip of luchtvaartuig, behalve wanneer het schip of luchtvaartuig uitsluitend wordt geëxploiteerd tussen plaatsen die in een verdragsluitende staat zijn gelegen en de onderneming die het schip of luchtvaartuig exploiteert geen onderneming van die staat is; en
- i. betekent de uitdrukking „bevoegde autoriteit”:
- i. in het geval van Thailand, de minister van Financiën of zijn bevoegde vertegenwoordiger; en
- ii. in het geval van Nederland, de minister van Financiën of zijn bevoegde vertegenwoordiger;
- j. betekent de uitdrukking „erkend pensioenfonds” van een staat een in die staat gevestigde entiteit of constructie die:
- i. uitsluitend of nagenoeg uitsluitend is opgericht en wordt geëxploiteerd ten behoeve van het beheren of het voorzien in oudedagsvoorzieningen en ondergeschikte of bijkomstige voorzieningen aan natuurlijke personen en als zodanig gereguleerd wordt door die staat of door een van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan; of
- ii. uitsluitend of nagenoeg uitsluitend is opgericht en wordt geëxploiteerd voor het beleggen van gelden ten voordele van entiteiten of constructies zoals bedoeld in subonderdeel i.
Voor de toepassing van het Verdrag op enig moment door een verdragsluitende staat heeft elke daarin niet omschreven uitdrukking, tenzij de context anders vereist of de bevoegde autoriteiten een andere betekenis overeenkomen ingevolge de bepalingen van artikel 24, de betekenis welke deze op dat moment heeft volgens de wetgeving van die staat met betrekking tot de belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, waarbij elke betekenis volgens de toepasselijke belastingwetgeving van die staat prevaleert boven een betekenis die volgens andere wetgeving van die staat aan die uitdrukking wordt gegeven.
Artikel 4. Inwoner
Voor de toepassing van dit Verdrag betekent de uitdrukking „inwoner van een verdragsluitende staat” iedere persoon die, ingevolge de wetgeving van die staat, aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf, plaats van oprichting, plaats van leiding of enige andere soortgelijke omstandigheid, en omvat tevens de staat zelf en elk staatkundig onderdeel of plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan alsmede een erkend pensioenfonds en een erkende liefdadigheidsinstelling van die staat. Deze uitdrukking omvat echter niet een persoon die in die staat slechts aan belasting is onderworpen ter zake van inkomen uit bronnen in die staat.
Indien een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner van beide verdragsluitende staten is, wordt zijn positie als volgt bepaald:
- a. hij wordt geacht slechts inwoner te zijn van de staat waarin hij een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft; indien hij in beide staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht slechts inwoner te zijn van de staat waarmee zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn (middelpunt van de levensbelangen);
- b. indien niet kan worden bepaald in welke staat hij het middelpunt van zijn levensbelangen heeft, of indien hij in geen van de staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht slechts inwoner te zijn van de staat waarin hij gewoonlijk verblijft;
- c. indien hij in beide staten of in geen van beide gewoonlijk verblijft, wordt hij geacht slechts inwoner te zijn van de staat waarvan hij onderdaan is;
- d. indien hij onderdaan is van beide staten of van geen van beide, regelen de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten de aangelegenheid in onderling overleg.
Indien een persoon, niet zijnde een natuurlijke persoon, ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner van beide verdragsluitende staten is, trachten de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten in onderlinge overeenstemming te bepalen van welke verdragsluitende staat deze persoon geacht wordt inwoner te zijn voor de toepassing van het Verdrag, daarbij rekening houdend met zijn plaats van werkelijke leiding, de plaats waar hij is opgericht of anderszins tot stand is gekomen en alle andere relevante factoren. Wanneer dergelijke overeenstemming ontbreekt, is die persoon niet gerechtigd tot enige belastingvermindering of -vrijstelling waarin dit Verdrag voorziet, behalve in de mate waarin en de wijze waarop dat wordt overeengekomen door de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten.
Artikel 5. Vaste inrichting
Voor de toepassing van dit Verdrag betekent de uitdrukking „vaste inrichting” een vaste bedrijfsinrichting door middel waarvan de werkzaamheden van een onderneming geheel of gedeeltelijk worden verricht.
De uitdrukking „vaste inrichting” omvat in het bijzonder:
- a. een plaats waar leiding wordt gegeven;
- b. een filiaal;
- c. een kantoor;
- d. een fabriek;
- e. een werkplaats, en
- f. een mijn, een olie- of gasbron, een (steen)groeve of elke andere plaats waar natuurlijke rijkdommen worden gewonnen.
De uitdrukking „vaste inrichting” omvat eveneens:
- a. een plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructie-, montage- of installatiewerkzaamheden of toezichthoudende activiteiten die daarmee verband houden, maar alleen indien een dergelijke plaats blijft voortbestaan of dergelijke werkzaamheden blijven voortduren gedurende meer dan zes maanden;
- b. het verlenen van diensten, daaronder begrepen diensten van adviserende aard, door een onderneming door middel van werknemers of andere personeelsleden die door de onderneming daartoe zijn aangesteld, echter alleen indien zulke werkzaamheden (voor hetzelfde of een daarmee samenhangend project) in een verdragsluitende staat voor een tijdvak dat of tijdvakken die in een tijdvak van twaalf maanden in totaal meer dan zes maanden voortduurt of voortduren.
Niettegenstaande de bepalingen van het eerste, tweede en derde lid wordt een onderneming van een verdragsluitende staat die werkzaamheden verricht in de territoriale zee van de andere verdragsluitende staat of in elk gebied buiten en grenzend aan zijn territoriale zee, waarbinnen de andere verdragsluitende staat in overeenstemming met het internationaal recht rechtsmacht heeft of soevereine rechten uitoefent (werkzaamheden buitengaats), geacht ter zake van die werkzaamheden in de andere staat een bedrijf uit te oefenen door middel van een aldaar gelegen vaste inrichting, tenzij de werkzaamheden in kwestie in de andere staat worden verricht gedurende een tijdvak dat of tijdvakken die in een tijdvak van twaalf maanden in totaal minder dan 30 dagen voortduurt of voortduren.
Voor de toepassing van het vierde lid wordt de uitdrukking „werkzaamheden buitengaats” geacht niet te omvatten:
- a. een van de werkzaamheden of een combinatie daarvan als genoemd in het zevende lid;
- b. sleep- of ankerwerkzaamheden door schepen die in de eerste plaats voor dat doel zijn ontworpen alsmede andere door dergelijke schepen verrichte werkzaamheden;
- c. het vervoer van voorraden of personeel door schepen of luchtvaartuigen in internationaal verkeer.
Uitsluitend teneinde de duur vast te stellen van:
- a. een plaats van uitvoering van een bouwwerk, van constructie-, montage- of installatiewerkzaamheden of toezichthoudende activiteiten die daarmee verband houden ingevolge het derde lid, onderdeel a, wanneer een onderneming van een verdragsluitende staat in de andere verdragsluitende staat werkzaamheden uitoefent op een plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructie-, montage- of installatiewerkzaamheden of toezichthoudende activiteiten die daarmee verband houden en die werkzaamheden worden uitgeoefend gedurende een of meer tijdvakken die in totaal langer duren dan 30 dagen zonder de termijn van zes maanden te overschrijden en op diezelfde plaats van uitvoering van een bouwwerk, van constructie-, montage- of installatiewerkzaamheden of toezichthoudende activiteiten die daarmee verband houden gedurende verschillende tijdvakken, die elk langer duren dan 30 dagen, daarmee verband houdende werkzaamheden worden uitgeoefend door een of meer ondernemingen die nauw verbonden zijn met eerstgenoemde onderneming, worden die verschillende tijdvakken bij het totale tijdvak gevoegd gedurende welke de eerstgenoemde onderneming werkzaamheden heeft uitgeoefend op die plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructie-, montage- of installatiewerkzaamheden of toezichthoudende activiteiten die daarmee verband houden; en
- b. werkzaamheden buitengaats ingevolge het vierde lid, wanneer een onderneming van een verdragsluitende staat in de andere verdragsluitende staat werkzaamheden buitengaats uitoefent en daarmee verband houdende werkzaamheden in die andere staat gedurende verschillende tijdvakken worden uitgeoefend door een of meer ondernemingen die nauw verbonden zijn met de eerstgenoemde onderneming, worden die verschillende tijdvakken bij het totale tijdvak gevoegd gedurende welke de eerstgenoemde onderneming werkzaamheden buitengaats heeft uitgeoefend in die andere verdragsluitende staat.
Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel wordt de uitdrukking „vaste inrichting” geacht niet te omvatten:
- a. het gebruikmaken van inrichtingen uitsluitend voor opslag, uitstalling of aflevering van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar;
- b. het aanhouden van een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar, uitsluitend voor opslag, uitstalling of aflevering;
- c. het aanhouden van een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar, uitsluitend voor bewerking of verwerking door een andere onderneming;
- d. het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting, uitsluitend om voor de onderneming goederen of koopwaar aan te kopen of informatie in te winnen;
- e. het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting, uitsluitend om voor de onderneming enige andere werkzaamheid te verrichten;
- f. het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting met als enig doel een combinatie van de in de onderdelen a tot en met e genoemde werkzaamheden te verrichten,
op voorwaarde dat die werkzaamheid, of, in het geval van onderdeel f, het geheel van de werkzaamheden van de vaste bedrijfsinrichting, van voorbereidende aard is of het karakter van hulpwerkzaamheid heeft.
Het zevende lid is niet van toepassing op een vaste bedrijfsinrichting die door een onderneming gebruikt of aangehouden wordt indien dezelfde onderneming of een nauw daarmee verbonden onderneming op dezelfde plaats of op een andere plaats in dezelfde verdragsluitende staat bedrijfsactiviteiten verricht, en
- a. die plaats of die andere plaats voor de onderneming of voor de nauw daarmee verbonden onderneming een vaste inrichting vormt op grond van de bepalingen van dit artikel; of
- b. het geheel van de activiteiten dat resulteert uit de combinatie van de activiteiten die door de twee ondernemingen op dezelfde plaats, of door dezelfde onderneming of nauw daarmee verbonden ondernemingen op de twee plaatsen worden uitgeoefend, niet van voorbereidende aard is of het karakter van hulpwerkzaamheid heeft,
op voorwaarde dat de bedrijfsactiviteiten die door de twee ondernemingen op dezelfde plaats, of door dezelfde onderneming of nauw daarmee verbonden ondernemingen op de twee plaatsen, worden uitgeoefend aanvullende taken zijn die deel uitmaken van een samenhangende bedrijfsvoering.
Niettegenstaande de bepalingen van het eerste, tweede en vierde lid, indien een persoon – niet zijnde een onafhankelijke vertegenwoordiger op wie het tiende lid van toepassing is – namens een onderneming optreedt, en een machtiging bezit om namens de onderneming overeenkomsten af te sluiten en dit recht in een verdragsluitende staat gewoonlijk uitoefent, wordt die onderneming geacht in die staat een vaste inrichting te hebben met betrekking tot de werkzaamheden die die persoon voor de onderneming verricht, tenzij de werkzaamheden van die persoon beperkt blijven tot die genoemd in het zevende lid, die, indien zij worden verricht door middel van een vaste bedrijfsinrichting, deze vaste bedrijfsinrichting op grond van de bepalingen van dat lid niet tot een vaste inrichting zouden maken.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.