← Geldende tekst · Geschiedenis

Vierde Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag betreffende uitlevering

Geldende tekst a fecha 2012-09-20

De lidstaten van de Raad van Europa die dit Protocol hebben ondertekend,

Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden;

Geleid door de wens hun individuele en gezamenlijke vermogen om op te treden tegen criminaliteit te versterken;

Gelet op de bepalingen van het Europees Verdrag betreffende uitlevering (ETS nr. 24), opengesteld voor ondertekening te Parijs op 13 december 1957 (hierna te noemen „het Verdrag”), alsmede de drie Aanvullende Protocollen daarbij (ETS nr. 86 en nr. 98, CETS nr. 209), onderscheidenlijk gedaan te Straatsburg op 15 oktober 1975, 17 maart 1978 en 10 november 2010;

Overwegend dat het wenselijk is een aantal bepalingen van het Verdrag te moderniseren en het in bepaalde opzichten aan te vullen, rekening houdend met de ontwikkeling van de internationale samenwerking bij strafzaken sinds de inwerkingtreding van het Verdrag en de Aanvullende Protocollen daarbij;

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Verjaring

Wijzigt het Europees Verdrag betreffende uitlevering; Parijs, 13-12-1957.

Artikel 2. Verzoek en stukken ter ondersteuning daarvan
1.

Wijzigt het Europees Verdrag betreffende uitlevering; Parijs, 13-12-1957.

2.

Artikel 5 van het Tweede Aanvullend Protocol bij het Verdrag is niet van toepassing tussen de partijen bij dit Protocol.

Artikel 3. Specialiteitsbeginsel

Wijzigt het Europees Verdrag betreffende uitlevering; Parijs, 13-12-1957.

Artikel 4. Verderlevering aan een derde staat

Wijzigt het Europees Verdrag betreffende uitlevering; Parijs, 13-12-1957.

Artikel 5. Doortocht

Wijzigt het Europees Verdrag betreffende uitlevering; Parijs, 13-12-1957.

Artikel 6. Communicatiekanalen en -middelen

Het Verdrag wordt aangevuld met de volgende bepalingen:

„Communicatiekanalen en -middelen

Artikel 7. Verhouding tot het Verdrag en andere internationale instrumenten
1.

De in dit Protocol gebruikte woorden en uitdrukkingen worden uitgelegd in de geest van het Verdrag. Voor de partijen bij dit Protocol zijn de bepalingen van het Verdrag van overeenkomstige toepassing voor zover zij verenigbaar zijn met de bepalingen van dit Protocol.

2.

De bepalingen van dit Protocol laten de toepassing van artikel 28, tweede en derde lid, van het Verdrag ter zake van de verhouding tussen het Verdrag en bilaterale of multilaterale verdragen onverlet.

Artikel 8. Minnelijke regeling

Het Verdrag wordt aangevuld met de volgende bepalingen:

„Minnelijke regeling

Het Europese Comité voor Strafrechtelijke Vraagstukken van de Raad van Europa wordt op de hoogte gehouden van de toepassing van dit Verdrag en de Aanvullende Protocollen daarbij en stelt alles in het werk om een minnelijke regeling te bewerkstelligen voor elk probleem dat zou kunnen voortvloeien uit de uitlegging en toepassing ervan.”

Artikel 9. Ondertekening en inwerkingtreding
1.

Dit Protocol is opengesteld voor ondertekening door de lidstaten van de Raad van Europa die partij zijn bij of het Verdrag hebben ondertekend. Het dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. Een ondertekenaar van dit Protocol kan het uitsluitend bekrachtigen, aanvaarden of goedkeuren na of tegelijkertijd met de bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van het Verdrag. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

2.

Dit Protocol treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de nederlegging van de derde akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.

3.

Met betrekking tot elke ondertekenende staat die vervolgens zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van het Protocol nederlegt, treedt dit Protocol in werking op de eerste dag van de maand na het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van de nederlegging.

Artikel 10. Toetreding
1.

Een staat die geen lid is en die is toegetreden tot het Verdrag kan tot dit Protocol toetreden na de inwerkingtreding ervan.

2.

De toetreding geschiedt door de nederlegging van een akte van toetreding bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

3.

Ten aanzien van elke toetredende staat treedt het Verdrag in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van de nederlegging van de akte van toetreding.

Artikel 11. Temporele werkingssfeer

Dit Protocol is van toepassing op verzoeken die na de inwerkingtreding van het Protocol tussen de betrokken partijen worden ontvangen.

Artikel 12. Territoriale toepassing
1.

Elke staat kan, bij de ondertekening of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, het gebied of de gebieden waarop dit Protocol van toepassing is nader aanduiden.

2.

Elke staat kan op elk later tijdstip, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring, de toepassing van dit Protocol uitbreiden tot ieder ander in de verklaring aangewezen grondgebied. Ten aanzien van een dergelijk grondgebied treedt het Protocol in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van die verklaring door de Secretaris-Generaal.

3.

Elke krachtens de twee voorgaande leden gedane verklaring kan, met betrekking tot elk in die verklaring genoemd grondgebied, worden ingetrokken door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte kennisgeving. De intrekking wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van zes maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal.

Artikel 13. Verklaringen en voorbehouden
1.

Door een staat gemaakte voorbehouden ten aanzien van de bepalingen van het Verdrag of de Aanvullende Protocollen daarbij die niet bij dit Protocol worden gewijzigd zijn eveneens op dit Protocol van toepassing, tenzij die staat anderszins verklaart op het tijdstip van ondertekening of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding. Hetzelfde is van toepassing op verklaringen ter zake van of uit hoofde van een bepaling van het Verdrag of de Aanvullende Protocollen daarbij.

2.

Voorbehouden en verklaringen van een staat ten aanzien van bepalingen van het Verdrag die bij dit Protocol worden gewijzigd, zijn tussen de partijen bij dit Protocol niet van toepassing.

3.

Ten aanzien van de bepalingen van dit Protocol, met uitzondering van de voorbehouden bedoeld in artikel 10, derde lid, en artikel 21, vijfde lid, van het Verdrag zoals gewijzigd bij dit Protocol, en in artikel 6, derde lid, van dit Protocol, kan geen enkel voorbehoud worden gemaakt. Elk voorbehoud kan op basis van wederkerigheid worden gemaakt.

4.

Elke staat kan een voorbehoud of een verklaring gemaakt of afgelegd in overeenstemming met dit Protocol geheel of gedeeltelijk intrekken door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte kennisgeving, die van kracht wordt op de datum van ontvangst ervan.

Artikel 14. Opzegging
1.

Elke partij kan, voor zover zij erbij betrokken is, dit Protocol opzeggen door middel van een kennisgeving gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

2.

Deze opzegging wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van zes maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

3.

Opzegging van het Verdrag heeft automatisch opzegging van dit Protocol ten gevolge.

Artikel 15. Kennisgevingen

De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa geeft de lidstaten van de Raad van Europa en iedere staat die tot dit Protocol is toegetreden, kennis van:

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorised thereto, have signed this Protocol.

DONE at Vienna, this 20th day of September 2012, in English and in French, both texts being equally authentic, in a single copy which shall be deposited in the archives of the Council of Europe. The Secretary General of the Council of Europe shall transmit certified copies to each member State of the Council of Europe and to the non-member States which have acceded to the Convention.