Verdrag inzake luchtdiensten tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Benin
Preambule
De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden
en
de Regering van Republiek Benin (hierna te noemen de „verdragsluitende partijen”),
Partij zijnde bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, opengesteld voor ondertekening te Chicago op 7 december 1944;
Geleid door de wens bij te dragen aan de vooruitgang van de internationale burgerluchtvaart;
Geleid door de wens de hoogste mate van veiligheid en beveiliging in het internationale luchtvervoer te waarborgen;
Geleid door de wens een verdrag te sluiten ten behoeve van het instellen van luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden.
Zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij de context anders vereist:
- a. wordt onder „het Verdrag van Chicago” verstaan het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, opengesteld voor ondertekening te Chicago op 7 december 1944, met inbegrip van alle overeenkomstig artikel 90 van dat Verdrag aangenomen Bijlagen en alle wijzigingen van de Bijlagen of van het Verdrag van Chicago ingevolge de artikelen 90 en 94 daarvan, voor zover deze Bijlagen en wijzigingen in werking zijn getreden voor, of zijn bekrachtigd door beide verdragsluitende partijen;
- b. wordt onder „luchtvaartautoriteiten” verstaan, wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de minister van Infrastructuur en Waterstaat van Nederland en elke persoon of instantie die bevoegd is de functies te vervullen die thans door de genoemde autoriteit worden vervuld of soortgelijke functies; en, wat de Republiek Benin betreft, de minister verantwoordelijk voor de burgerluchtvaart en elke persoon of instantie die bevoegd is de functies te vervullen die thans door de genoemde autoriteit worden vervuld of soortgelijke functies;
- c. wordt onder „aangewezen luchtvaartmaatschappijen” verstaan de luchtvaartmaatschappijen die zijn aangewezen en gemachtigd overeenkomstig artikel 3 (Aanwijzing en verlening van vergunningen) van dit Verdrag;
- d. heeft „grondgebied” met betrekking tot een staat de betekenis die daaraan wordt toegekend in artikel 2 van het Verdrag van Chicago;
- e. hebben „luchtdienst”, „internationale luchtdienst”, „luchtvaartmaatschappijen” en „landing anders dan voor verkeersdoeleinden” de betekenis die daaraan respectievelijk wordt toegekend in artikel 96 van het Verdrag van Chicago;
- f. wordt onder „capaciteit” verstaan de combinatie van de frequentie per week en (de configuratie van) het type luchtvaartuig dat wordt gebruikt op de route die door de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) aan het publiek wordt geboden;
- g. wordt onder „tarief” verstaan de tarieven die in rekening worden gebracht voor het vervoer van passagiers, bagage en vracht en de voorwaarden waaronder deze tarieven van toepassing zijn, met inbegrip van de tarieven en voorwaarden voor agentschappen en andere aanvullende diensten, maar met uitzondering van de vergoedingen en voorwaarden voor het vervoeren van post;
- h. wordt onder „Routetabel” verstaan de routetabel die als Bijlage bij dit Verdrag is gevoegd en elke wijziging daarin overeengekomen in overeenstemming met de bepalingen van artikel 20 (Overleg en wijziging) van dit Verdrag;
- i. wordt onder „Verdrag” verstaan dit Verdrag, de Bijlage daarbij, alsmede elke wijziging van het Verdrag of de Bijlage;
- j. wordt onder „gebruikersheffing” verstaan een heffing opgelegd aan luchtvaartmaatschappijen voor de levering van luchthaven-, luchtnavigatie- of luchtvaartbeveiligingsvoorzieningen of -diensten met inbegrip van daarmee verband houdende voorzieningen en diensten;
- k. wordt onder „overeengekomen dienst” en „omschreven route” verstaan respectievelijk een internationale luchtdienst overeenkomstig dit Verdrag en de route omschreven in de Bijlage bij dit Verdrag;
- l. wordt onder „verandering van luchtvaartuig” verstaan de exploitatie van een van de overeengekomen diensten door een aangewezen luchtvaartmaatschappij op zodanige wijze dat op een of meer delen van de omschreven route wordt gevlogen met verschillende luchtvaartuigen;
- m. wordt onder „boordproviand” verstaan consumptiegoederen bestemd voor gebruik of verkoop aan boord van een luchtvaartuig tijdens de vlucht, met inbegrip van verstrekte etenswaren en dranken;
- n. wordt onder „luchthavenslot” of „slot” verstaan de toestemming die door een coördinator wordt gegeven om gebruik te maken van alle luchthaveninfrastructuur die nodig is om een geplande luchtdienst op een luchthaven met slots uit te voeren op een specifieke datum en tijd ten behoeve van landen of opstijgen;
- o. wordt onder „lidstaat van de Europese Unie” verstaan een staat die nu of in de toekomst verdragsluitende partij is of wordt bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;
- p. wordt onder „Nederland” verstaan het Europese deel van Nederland;
- q. wordt onder „WAEMU” verstaan de West-Afrikaanse Economische en Monetaire Unie.
De wetgeving die in Nederland van toepassing is omvat de van toepassing zijnde wetgeving van de Europese Unie.
Artikel 2. Verlening van rechten
Elke verdragsluitende partij verleent de andere verdragsluitende partij, behoudens andersluidende bepalingen in de Bijlage bij dit Verdrag, de volgende rechten voor het verrichten van internationale luchtdiensten door de aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van de andere verdragsluitende partij:
- a. Zonder te landen over het grondgebied van de andere verdragsluitende partij te vliegen;
- b. Op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij te landen anders dan voor verkeersdoeleinden; en
- c. Tijdens het exploiteren van een overeengekomen dienst op een omschreven route, het recht te landen op haar grondgebied ten behoeve van het opnemen en afzetten van het internationaal verkeer in de vorm van passagiers, bagage, vracht en post, afzonderlijk of gecombineerd.
Niets in het eerste lid van dit artikel wordt geacht een aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van de ene verdragsluitende partij het voorrecht van vertrek of afhandeling te geven op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij van passagiers, vracht of post die worden vervoerd tegen vergoeding of beloning en bestemd zijn voor een ander punt op het grondgebied van die andere verdragsluitende partij (cabotage).
Artikel 3. Aanwijzing en verlening van vergunningen
Elke verdragsluitende partij heeft het recht, door middel van een schriftelijke kennisgeving langs diplomatieke weg aan de andere verdragsluitende partij, een luchtvaartmaatschappij of meerdere luchtvaartmaatschappijen aan te wijzen voor het verrichten van de overeengekomen diensten op de omschreven routes en een eerder aangewezen luchtvaartmaatschappij te vervangen door een andere luchtvaartmaatschappij.
Na ontvangst van een dergelijke aanwijzing verleent de andere verdragsluitende partij onverwijld, met inachtneming van de bepalingen van het derde en vierde lid van dit artikel, de noodzakelijke exploitatievergunningen aan de aangewezen luchtvaartmaatschappijen, mits:
- a. in het geval van een luchtvaartmaatschappij aangewezen door Nederland :
- i. de luchtvaartmaatschappij op het grondgebied van Nederland gevestigd is overeenkomstig de verdragen van de Europese Unie en beschikt over een geldige exploitatievergunning in overeenstemming met het recht van de Europese Unie; en
- ii. de lidstaat van de Europese Unie die verantwoordelijk is voor de afgifte van het bewijs luchtvaartexploitant daadwerkelijk controleert of de luchtvaartmaatschappij de regelgeving naleeft en de desbetreffende luchtvaartautoriteit duidelijk wordt vermeld in de aanwijzing; en
- iii. de luchtvaartmaatschappij rechtstreeks of via een meerderheidsbelang eigendom is van en daadwerkelijk onder toezicht staat van lidstaten van de Europese Unie of de Europese Vrijhandelsassociatie en/of van onderdanen van dergelijke staten;
- b. in het geval van een luchtvaartmaatschappij aangewezen door Benin : en dat:
- i. de luchtvaartmaatschappij op het grondgebied van de Republiek Benin gevestigd is en beschikt over een geldige exploitatievergunning in overeenstemming de WAEMU-verdragen en WAEMU-wetgeving; en
- ii. de lidstaat van de WAEMU die verantwoordelijk is voor de afgifte van het bewijs luchtvaartexploitant daadwerkelijk controleert of de luchtvaartmaatschappij de regelgeving naleeft en de desbetreffende luchtvaartautoriteit duidelijk wordt vermeld in de aanwijzing; en
- iii. de luchtvaartmaatschappij rechtstreeks of via een meerderheidsbelang eigendom is van en daadwerkelijk onder toezicht staat van lidstaten van de WAEMU en/of van onderdanen van lidstaten van de WAEMU of van andere Afrikaanse staten en/of onderdanen van dergelijke andere Afrikaanse staten;
- c. de verdragsluitende partij die de luchtvaartmaatschappij aanwijst de in artikel 7 (Eerlijke concurrentie), artikel 12 (Veiligheid van de luchtvaart) en artikel 13 (Beveiliging van de luchtvaart) van dit Verdrag vervatte normen naleeft; en
- d. de aangewezen luchtvaartmaatschappij in staat is of de aangewezen luchtvaartmaatschappijen in staat zijn te voldoen aan de in de wet- en regelgeving gestelde voorwaarden die de verdragsluitende partij die de aanvraag of aanvragen behandelt gewoonlijk toepast op de exploitatie van internationale luchtdiensten.
De luchtvaartautoriteit van de ene verdragsluitende partij kan van een aangewezen luchtvaartmaatschappij van de andere verdragsluitende partij verlangen te bewijzen dat zij in staat is te voldoen aan de voorwaarden uit hoofde van de wet- en regelgeving die door deze autoriteit gewoonlijk en redelijkerwijze worden toegepast op de exploitatie van internationale luchtdiensten in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag van Chicago.
Na ontvangst van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde exploitatievergunning, kan de aangewezen luchtvaartmaatschappij op elk moment, geheel of ten dele, een aanvang maken met de exploitatie van de overeengekomen diensten, mits zij de bepalingen van dit Verdrag naleeft.
Artikel 4. Intrekking of schorsing van exploitatievergunning
Elke verdragsluitende partij heeft het recht een exploitatievergunning van een door de andere verdragsluitende partij aangewezen luchtvaartmaatschappij te weigeren, in te trekken, te schorsen of te beperken of daaraan de voorwaarden te verbinden die zij noodzakelijk acht, in de volgende gevallen:
- a. in het geval van een luchtvaartmaatschappij aangewezen door Nederland :
- i. de luchtvaartmaatschappij is niet gevestigd op het grondgebied van Nederland overeenkomstig de verdragen van de Europese Unie of beschikt niet over een geldige exploitatievergunning in overeenstemming met het recht van de Europese Unie; of
- ii. de lidstaat van de Europese Unie die verantwoordelijk is voor de afgifte van het bewijs luchtvaartexploitant controleert niet daadwerkelijk of de luchtvaartmaatschappij de regelgeving naleeft of de luchtvaartautoriteit wordt niet duidelijk vermeld in de aanwijzing; of
- iii. de luchtvaartmaatschappij is niet rechtstreeks of via een meerderheidsbelang eigendom van of staat niet daadwerkelijk onder toezicht van lidstaten van de Europese Unie of de Europese Vrijhandelsassociatie en/of van onderdanen van dergelijke staten;
- b. in het geval van een luchtvaartmaatschappij aangewezen door Benin :
- i. de luchtvaartmaatschappij is niet gevestigd op het grondgebied van de Republiek Benin of beschikt niet over een geldige exploitatievergunning in overeenstemming de WAEMU-verdragen en WAEMU-wetgeving; of
- ii. de lidstaat van de WAEMU die verantwoordelijk is voor de afgifte van het bewijs luchtvaartexploitant controleert niet daadwerkelijk of de luchtvaartmaatschappij de regelgeving naleeft of de desbetreffende luchtvaartautoriteit wordt niet duidelijk vermeld in de aanwijzing; of
- iii. de luchtvaartmaatschappij is niet rechtstreeks of via een meerderheidsbelang eigendom van of staat niet daadwerkelijk onder toezicht van lidstaten van de WAEMU en/of van onderdanen van lidstaten van de WAEMU of van andere Afrikaanse staten en/of onderdanen van dergelijke andere Afrikaanse staten;
- c. de luchtvaartmaatschappij leeft de bepalingen vervat in dit Verdrag, met name in artikel 7 (Eerlijke concurrentie), artikel 12 (Veiligheid van de luchtvaart) en artikel 13 (Beveiliging van de luchtvaart) van dit Verdrag niet na; of
- d. de luchtvaartmaatschappij leeft de wet- of regelgeving bedoeld in artikel 6 (Toepassing van wetten, regelgeving en procedures) van dit Verdrag niet na; of
- e. een dergelijke luchtvaartmaatschappij laat na ten genoegen van de luchtvaartautoriteiten van de verdragsluitende partij, die de vergunning beoordelen, aan te tonen dat zij voldoet aan de door die autoriteiten gewoonlijk en redelijkerwijze in overeenstemming met het Verdrag van Chicago op de exploitatie van internationale luchtdiensten toegepaste wetten en regelgeving; of
- f. de luchtvaartmaatschappij laat na de exploitatie uit te voeren in overeenstemming met de ingevolge dit Verdrag gestelde voorwaarden.
Tenzij onmiddellijk ingrijpen van wezenlijk belang is ter voorkoming van verdere inbreuken op de voorwaarden als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, worden de bij dit artikel vastgestelde rechten slechts uitgeoefend na overleg met de andere verdragsluitende partij. Tenzij anders overeengekomen door de verdragsluitende partijen, vangt dergelijk overleg aan binnen een termijn van zestig (60) dagen na de datum van ontvangst van het verzoek.
Dit artikel doet geen afbreuk aan de rechten van de verdragsluitende partijen de exploitatievergunning van een luchtvaartmaatschappij of meerdere luchtvaartmaatschappijen van de andere verdragsluitende partij in overeenstemming met artikel 13 (Beveiliging van de luchtvaart) van dit Verdrag te weigeren, in te trekken, te beperken of hieraan voorwaarden te verbinden.
Artikel 5. Vrijstelling van douanerechten en andere rechten
Luchtvaartuigen die door de aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van een van de verdragsluitende partijen voor internationale luchtdiensten worden gebruikt, alsmede hun normale uitrustingsstukken, reserveonderdelen, voorraden brandstof en smeermiddelen, boordproviand alsmede reclame- en promotiemateriaal dat zich aan boord van zodanige luchtvaartuigen bevindt, zijn op basis van wederkerigheid vrijgesteld van alle douanerechten, inspectiekosten en soortgelijke nationale of lokale rechten en heffingen bij aankomst op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij, mits deze uitrustingsstukken en proviand aan boord van het luchtvaartuig blijven totdat zij weer worden uitgevoerd.
Met betrekking tot normale uitrustingsstukken, reserveonderdelen, voorraden brandstof en smeermiddelen en boordproviand die worden ingevoerd in het grondgebied van de ene verdragsluitende partij door of ten behoeve van een aangewezen luchtvaartmaatschappij van de andere verdragsluitende partij, of aan boord van de door deze aangewezen luchtvaartmaatschappij geëxploiteerde luchtvaartuigen worden genomen uitsluitend voor gebruik aan boord van die luchtvaartuigen bij de exploitatie van internationale luchtdiensten, behoeven geen belastingen en heffingen te worden betaald, met inbegrip van douanerechten en inspectiekosten die verschuldigd zijn op het grondgebied van de eerstgenoemde verdragsluitende partij, zelfs indien deze voorraden zullen worden gebruikt tijdens de gedeelten van de reis die worden afgelegd boven het grondgebied van de verdragsluitende partij waar zij aan boord zijn genomen. Ten aanzien van bovengenoemde goederen kan worden verlangd dat deze onder toezicht en beheer van de douane blijven. De bepalingen van dit lid mogen niet zodanig worden uitgelegd dat een verdragsluitende partij kan worden verplicht tot terugbetaling van de douanerechten die reeds op bovenbedoelde goederen zijn geheven.
Normale uitrustingsstukken, reserveonderdelen, voorraden brandstof en smeermiddelen en boordproviand aan boord van luchtvaartuigen van de aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van een van de verdragsluitende partijen kunnen op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij slechts worden uitgeladen met toestemming van de douaneautoriteiten van die verdragsluitende partij, die kunnen verlangen dat deze goederen onder hun toezicht worden geplaatst, totdat ze weer worden uitgevoerd of overeenkomstig de douanevoorschriften een andere bestemming hebben gekregen.
Bagage, vracht en post in doorgaand verkeer zijn vrijgesteld van douanerechten en andere vergelijkbare belastingen.
De in dit artikel voorziene vrijstellingen zijn ook beschikbaar wanneer een aangewezen luchtvaartmaatschappij van de ene verdragsluitende partij contracten heeft gesloten met een andere luchtvaartmaatschappij, die dezelfde ontheffingen geniet van de andere verdragsluitende partij, voor het op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij lenen of overdragen van de in het eerste, tweede en derde lid van dit artikel bedoelde goederen.
Artikel 6. Toepassing van wetten, regelgeving en procedures
De wetten, regelgeving en procedures van de ene verdragsluitende partij met betrekking tot de binnenkomst op, het verblijf op of het vertrek uit haar grondgebied van voor internationale luchtdiensten ingezette luchtvaartuigen, of met betrekking tot de exploitatie van en het vliegen met deze luchtvaartuigen, worden door de aangewezen luchtvaartmaatschappij of de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van de andere verdragsluitende partij nageleefd zodra een luchtvaartuig het genoemde grondgebied binnenkomt, er verblijft en totdat een luchtvaartuig het genoemde grondgebied heeft verlaten.
De wetten, regelgeving en procedures van de ene verdragsluitende partij met betrekking tot immigratie, paspoorten of andere erkende reisdocumenten, binnenkomst, vrijgave, douane en quarantaine worden nageleefd door bemanningsleden of passagiers en/of ten behoeve van vracht en post vervoerd door de luchtvaartuigen van de aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van de andere verdragsluitende partij zodra deze het grondgebied van de genoemde verdragsluitende partij binnenkomen, er verblijven en totdat deze het grondgebied van de genoemde verdragsluitende partij hebben verlaten.
Passagiers, bagage, vracht en post in doorgaand verkeer via het grondgebied van een van de verdragsluitende partijen die de daarvoor gereserveerde zone van de luchthaven niet verlaten, worden, behalve in het kader van de veiligheidsmaatregelen tegen geweld en luchtpiraterij, slechts aan een vereenvoudigde controle onderworpen.
Geen van de verdragsluitende partijen begunstigt een andere luchtvaartmaatschappij ten opzichte van de aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van de andere verdragsluitende partij bij de toepassing van haar regelgeving inzake douane, immigratie, quarantaine en soortgelijke regelgeving of bij het gebruik van luchthavens, luchtwegen en luchtverkeersdiensten en aanverwante voorzieningen waarover zij zeggenschap heeft.
Elke verdragsluitende partij verschaft de andere verdragsluitende partij op verzoek afschriften van de in dit Verdrag bedoelde relevante wetten, regelgeving en procedures.
Artikel 7. Eerlijke concurrentie
De verdragsluitende partijen komen overeen dat zij gezamenlijk zullen streven naar een eerlijke en concurrerende omgeving en eerlijke en gelijke kansen voor hun luchtvaartmaatschappijen om te kunnen concurreren bij het verzorgen van internationale luchtdiensten.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „subsidie” verstaan elke financiële bijdrage die door de regering of enig ander overheidsorgaan op enig niveau wordt toegekend, met inbegrip van de directe of indirecte overdracht van enigerlei soort middelen, het al dan niet innen van anderszins verschuldigde inkomsten en de directe of indirecte levering van goederen en diensten op niet-commerciële voorwaarden, waardoor aan luchtvaartmaatschappijen een economisch voordeel wordt verleend.
Ter verwezenlijking van de in het eerste lid van dit artikel genoemde doelstelling zal elke verdragsluitende partij:
- a. binnen haar rechtsmacht alle vormen van discriminatie of oneerlijke praktijken die afbreuk zouden doen aan de eerlijke en gelijke kansen van de luchtvaartmaatschappijen van de andere verdragsluitende partij om te concurreren bij het verlenen van internationale luchtdiensten verbieden en, indien deze bestaan, uitbannen; en
- b. geen subsidies verlenen of handhaven ten aanzien van luchtvaartmaatschappijen die nadelige gevolgen zouden hebben voor de eerlijke en gelijke kansen van de luchtvaartmaatschappijen van de andere verdragsluitende partij om te concurreren bij het verzorgen van internationale luchtdiensten.
Niettegenstaande het derde lid, onderdeel b, van dit artikel kunnen de verdragsluitende partijen:
- a. steun aan een insolvente of noodlijdende luchtvaartmaatschappij verlenen, mits i) deze steun afhankelijk is van een geloofwaardig herstructureringsplan om ervoor te zorgen dat de insolvente of noodlijdende luchtvaartmaatschappij binnen een redelijke termijn weer levensvatbaar wordt op lange termijn; en ii) de betrokken luchtvaartmaatschappij, of haar investeerders of aandeelhouders, aanzienlijk bijdragen aan de herstructureringskosten;
- b. tijdelijke en beperkte liquiditeitssteun verlenen aan een noodlijdende luchtvaartmaatschappij in de vorm van leningen of leninggaranties, louter om deze in bedrijf te houden gedurende de tijd die nodig is om een herstructurerings- of liquidatieplan uit te werken;
- c. subsidies verlenen tot herstel van de schade veroorzaakt door natuurrampen of andere buitengewone gebeurtenissen of tot opheffing van een ernstige verstoring in de economie van de Republiek Benin of van een of meer EU-lidstaten;
- d. subsidies verlenen aan luchtvaartmaatschappijen die belast zijn met de uitvoering van duidelijk omschreven openbaredienstverplichtingen die nodig zijn om te voorzien in de essentiële vervoersbehoeften van de bevolking.
Elke verdragsluitende partij draagt er zorg voor dat elk van haar luchtvaartmaatschappijen die in het kader van dit Verdrag internationale luchtdiensten verlenen, ten minste jaarlijks, een financieel verslag publiceren, vergezeld van een financieel overzicht, dat extern wordt gecontroleerd in overeenstemming met internationaal erkende standaarden voor jaarrekeningen en financiële informatieverschaffing door ondernemingen, zoals de International Financial Reporting Standards.
Elke verdragsluitende partij verstrekt, op verzoek, aan de andere verdragsluitende partij, binnen een redelijk tijdsbestek, aanvullende financiële rapporten en elke andere relevante informatie.
Indien een verdragsluitende partij (hierna „de initiërende verdragsluitende partij” genoemd) van oordeel is dat de eerlijke en gelijke kansen van haar luchtvaartmaatschappijen om te concurreren nadelig worden beïnvloed door de schending door de andere verdragsluitende partij van een van de bepalingen van dit artikel, kan zij optreden in overeenstemming met de leden 8 tot en met 10 van dit artikel.
De initiërende verdragsluitende partij dient een schriftelijk verzoek om overleg in bij de andere verdragsluitende partij (hierna „de reagerende verdragsluitende partij” genoemd). Het overleg vangt aan binnen een termijn van dertig (30) dagen na de datum van ontvangst van het verzoek, tenzij anders overeengekomen.
Indien de initiërende verdragsluitende partij en de betrokken reagerende verdragsluitende partij niet binnen zestig (60) dagen na ontvangst van het verzoek om overleg tot overeenstemming komen over de kwestie, kan de initiërende verdragsluitende partij maatregelen nemen tegen alle of een deel van de luchtvaartmaatschappijen van de reagerende verdragsluitende partij die het betwiste gedrag hebben vertoond of die voordeel hebben gehad van de discriminatie, oneerlijke praktijken of subsidies in kwestie.
Maatregelen die worden genomen ingevolge de bepalingen van het negende lid van dit artikel zijn passend, proportioneel en qua reikwijdte en duur beperkt tot hetgeen strikt genomen noodzakelijk is om de schade te verminderen en het oneerlijke voordeel teniet te doen.
Het gezag en de bevoegdheden van de betreffende mededingingsautoriteiten van de verdragsluitende partijen of de rechtbanken of tribunalen die de beslissingen van deze autoriteiten toetsen, worden door geen enkele bepaling van dit Verdrag beïnvloed, beperkt of in het geding gebracht.
Artikel 8. Commerciële activiteiten
Het is de aangewezen luchtvaartmaatschappij of de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van elke verdragsluitende partij toegestaan:
- a. op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij kantoren te vestigen ten behoeve van de bevordering en verkoop van luchtvervoer en bijkomende of aanvullende diensten (met inbegrip van het recht tot verkoop en verstrekking van vliegbiljetten en/of vrachtbrieven, zowel eigen vliegbiljetten en/of vrachtbrieven van elke andere luchtvaartmaatschappij) alsmede andere voorzieningen die nodig zijn voor het verzorgen van luchtvervoer;
- b. zich op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij rechtstreeks en, naar hun goeddunken, via haar of hun agenten en/of andere luchtvaartmaatschappijen, bezig te houden met de verkoop van luchtvervoer en bijkomende of aanvullende diensten;
- c. dergelijk vervoer en bijkomende of aanvullende diensten te verkopen in de valuta van dat grondgebied of, met inachtneming van haar nationale wet- en regelgeving, in vrij omwisselbare valuta van andere landen en het staat elke persoon vrij dit vervoer of deze diensten te kopen in elke valuta.
Het is de aangewezen luchtvaartmaatschappij of de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van elke verdragsluitende partij toegestaan haar in verband met het verzorgen van luchtvervoer en bijkomende of aanvullende diensten benodigde leidinggevend, commercieel, operationeel en technisch personeel te zenden naar en te doen verblijven op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij, in overeenstemming met de wet- en regelgeving van de andere verdragsluitende partij inzake binnenkomst, verblijf en tewerkstelling.
In deze personeelsbehoefte kan naar keuze van de aangewezen luchtvaartmaatschappij worden voorzien door haar eigen personeel of door gebruikmaking van de diensten van elke andere organisatie, onderneming of luchtvaartmaatschappij die werkzaam is op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij en die gemachtigd is dergelijke diensten te verlenen op het grondgebied van die verdragsluitende partij.
Elke aangewezen luchtvaartmaatschappij heeft het recht op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij zelf haar gronddiensten („self-handling”) te verrichten, of, naar haar keuze, voor al deze diensten of een deel daarvan een concurrerende aanbieder te kiezen. Dit recht mag slechts worden beperkt door specifieke beperkingen qua beschikbare ruimte, capaciteit of luchthavenveiligheid. Elke aangewezen luchtvaartmaatschappij wordt bij de toegang tot self-handling of gronddiensten verricht door een aanbieder of aanbieders behandeld op basis van non-discriminatie.
Gronddiensten worden verricht in overeenstemming met de wet- en regelgeving van elke verdragsluitende partij en in het geval van Nederland, met inbegrip van het recht van de Europese Unie.
Bij de exploitatie of het onderhouden van de overeengekomen diensten op de omschreven routes kan elke aangewezen luchtvaartmaatschappij van een verdragsluitende partij onder de volgende voorwaarden commerciële en/of samenwerkingsregelingen op het gebied van de verkoop aangaan:
- a. de commerciële en/of samenwerkingsregelingen op het gebied van de verkoop kunnen bestaan uit, maar zijn niet beperkt tot, vast af te nemen plaatsen, code-sharing of lease-regelingen, met:
- i. de luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van dezelfde verdragsluitende partij;
- ii. de luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van de andere verdragsluitende partij, met inbegrip van binnenlandse code-sharing;
- iii. de luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van een derde land; of
- iv. een aanbieder van vrachtvervoer over land en/of water van elk land;
- b. de uitvoerende luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen betrokken bij de samenwerkingsregelingen op het gebied van de verkoop bezit of bezitten de desbetreffende verkeersrechten met inbegrip van de rechten op routes en capaciteit en voldoet of voldoen aan de vereisten die gewoonlijk op dergelijke regelingen van toepassing zijn;
- c. alle verkopende luchtvaartmaatschappijen betrokken bij de samenwerkingsregelingen bezitten de desbetreffende rechten op routes en voldoen aan de vereisten die gewoonlijk van toepassing zijn op dergelijke regelingen;
- d. de totale capaciteit aan luchtdiensten die de luchtvaartmaatschappijen exploiteren in het kader van deze regelingen wordt uitsluitend verrekend met het recht op capaciteit van de verdragsluitende partij die de uitvoerende luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen heeft aangewezen. De door de verkopende luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen aangeboden capaciteit bij deze diensten wordt niet verrekend met het recht op capaciteit van de verdragsluitende partij die die luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen;
- e. bij het aanbieden van luchtdiensten voor de verkoop uit hoofde van dergelijke regelingen stelt de desbetreffende luchtvaartmaatschappij of haar agent de koper op het tijdstip van de verkoop op de hoogte van de luchtvaartmaatschappij die de uitvoerende luchtvaartmaatschappij is op elke sector van de dienst en met welke luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen de koper een contractuele verbintenis aangaat.
Deze bepalingen zijn van toepassing op passagiers-, combinatie- en vrachtdiensten.
Niettegenstaande andere bepalingen van dit Verdrag, is het de aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen en indirecte aanbieders van luchtvervoer van beide verdragsluitende partijen onverminderd toegestaan ten behoeve van internationale luchtdiensten gebruik te maken van vervoer over land en/of zee voor passagiers, bagage, vracht en post naar of vanuit punten op het grondgebied van elk van de verdragsluitende partijen of in derde landen, met inbegrip van vervoer naar en vanaf alle luchthavens met douanevoorzieningen en waar van toepassing met inbegrip van het recht vracht en post onder douanetoezicht met inachtneming van de toepasselijke wet- en regelgeving te vervoeren. Deze passagiers, bagage, vracht en post, ongeacht of deze over land en/of zee of door de lucht worden vervoerd, worden toegelaten tot de douaneafhandeling en douanevoorzieningen op de luchthaven. De aangewezen luchtvaartmaatschappij kan of de aangewezen luchtvaartmaatschappijen kunnen ervoor kiezen zelf hun vervoer over land en/of zee te verrichten of door middel van regelingen met andere vervoerders, met inbegrip van vervoer over land en/of zee geëxploiteerd door andere luchtvaartmaatschappijen en indirecte aanbieders van luchtvrachtvervoer. Deze intermodale diensten kunnen worden aangeboden tegen een allesomvattende prijs voor het vervoer door de lucht en over land en/of zee tezamen, mits de passagiers en vervoerders niet worden misleid ten aanzien van de feiten aangaande dergelijk vervoer.
De in dit artikel genoemde activiteiten worden verricht in overeenstemming met de wet- en regelgeving van de andere verdragsluitende partij. Wat betreft Nederland is het van toepassing zijnde recht van de Europese Unie daarbij inbegrepen.
Artikel 9. Goedkeuring van dienstregelingen
Geen van de verdragsluitende partijen verlangt dat tabellen, programma's voor vluchten of exploitatieplannen door de aangewezen luchtvaartmaatschappij of de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van de andere verdragsluitende partij ter goedkeuring worden ingediend, tenzij dit op basis van non-discriminatie kan worden vereist ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de uniforme voorwaarden als voorzien in het eerste lid van artikel 7 (Eerlijke concurrentie) van dit Verdrag, of wanneer dit specifiek wordt toegestaan in de Bijlage bij dit Verdrag.
Wanneer een verdragsluitende partij indiening verlangt ten behoeve van informatie, beperkt zij de administratieve belasting ten gevolge van voorschriften en procedures inzake indiening voor tussenpersonen voor luchtvervoer en voor een aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van de andere verdragsluitende partij tot een minimum.
Artikel 10. Tarieven
Elke verdragsluitende partij staat toe dat elke aangewezen luchtvaartmaatschappij op basis van commerciële marktoverwegingen tarieven voor luchtvervoer vaststelt. Geen van de verdragsluitende partijen verlangt van haar luchtvaartmaatschappijen dat zij andere luchtvaartmaatschappijen raadplegen over de tarieven die zij in rekening brengen of voorstellen om in rekening te brengen voor diensten waarop deze regelingen van toepassing zijn.
Elke verdragsluitende partij mag kennisgeving of indiening voorschrijven van de door haarzelf aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen in rekening te brengen tarieven. Geen van de verdragsluitende partijen vereist kennisgeving of indiening van door de aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van de andere verdragsluitende partij in rekening te brengen tarieven. De tarieven blijven van kracht, tenzij ze worden afgekeurd overeenkomstig het vierde of vijfde lid van dit artikel.
Het ingrijpen door de verdragsluitende partijen is beperkt tot:
- a. het beschermen van consumenten tegen tarieven die onredelijk hoog zijn als gevolg van misbruik van marktmacht;
- b. het voorkomen van tarieven waarvan de toepassing concurrentiebeperkend gedrag vormt dat de concurrentie belemmert, beperkt of verstoort of een concurrent buiten een route houdt, of dit hoogstwaarschijnlijk tot gevolg heeft of uitdrukkelijk ten doel heeft.
Elke verdragsluitende partij mag eenzijdig tarieven die door een van haar eigen aangewezen luchtvaartmaatschappijen zijn ingediend of worden berekend afkeuren. Een dergelijke interventie wordt echter alleen gedaan indien het de luchtvaartautoriteit van die verdragsluitende partij voorkomt dat een tarief dat in rekening wordt gebracht of wordt voorgesteld voldoet aan een van de criteria vermeld in het derde lid van dit artikel.
Geen van de verdragsluitende partijen neemt eenzijdige maatregelen ter voorkoming van de invoering of handhaving van een tarief dat in rekening wordt gebracht of voorgesteld door een luchtvaartmaatschappij van de andere verdragsluitende partij. Indien een van de verdragsluitende partijen van mening is dat een dergelijk tarief onverenigbaar is met de overwegingen vervat in het eerste lid van dit artikel, verzoekt zij om overleg en stelt zij de andere verdragsluitende partij zo spoedig mogelijk in kennis van de redenen voor haar ongenoegen. Dit overleg vindt plaats uiterlijk veertien (14) dagen na de ontvangst van het verzoek. Bij gebreke van wederzijdse overeenstemming wordt of blijft het tarief van kracht.
Niettegenstaande de bepalingen van dit artikel is op de tarieven die door de aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van de Republiek Benin voor vervoer dat geheel binnen de Europese Unie plaatsvindt in rekening dienen te worden gebracht het recht van de Europese Unie van toepassing en is op de tarieven die door de aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van Nederland voor vervoer dat geheel binnen de WAEMU-lidstaten of Afrikaanse staten plaatsvindt in rekening dienen te worden gebracht het recht van die lidstaten van toepassing.
Artikel 11. Erkenning van bewijzen en vergunningen
Bewijzen van luchtwaardigheid, bewijzen van bevoegdheid en vergunningen die zijn afgegeven of geldig verklaard in overeenstemming met de wet- en regelgeving van de ene verdragsluitende partij, en, in het geval van Nederland, mede in overeenstemming met de Europese wet- en regelgeving, en die nog niet zijn verlopen, worden door de andere verdragsluitende partij als geldig erkend voor de exploitatie van de routes en diensten als voorzien in dit Verdrag, mits de vereisten voor de uitreiking of voor de afgifte van deze bewijzen of vergunningen gelijkwaardig zijn aan of zwaarder dan de in overeenstemming met het Verdrag van Chicago vastgestelde of vast te stellen minimumnormen. Elke verdragsluitende partij behoudt zich evenwel het recht voor om voor vluchten boven haar eigen grondgebied de erkenning te weigeren van bewijzen van bevoegdheid en vergunningen die aan haar eigen onderdanen zijn verstrekt of ten behoeve van hen geldig zijn verklaard door de andere verdragsluitende partij of door elke andere staat.
Artikel 12. Veiligheid van de luchtvaart
Elke verdragsluitende partij kan te allen tijde verzoeken om overleg inzake door de andere verdragsluitende partij aanvaarde veiligheidsnormen op elk gebied met betrekking tot bemanning, luchtvaartuigen of hun exploitatie. Dergelijk overleg vindt plaats binnen dertig (30) dagen na dat verzoek.
Indien een verdragsluitende partij na dergelijk overleg, oordeelt dat de andere verdragsluitende partij op een willekeurig gebied niet op doeltreffende wijze veiligheidsnormen en -eisen handhaaft en toepast die ten minste gelijk zijn aan de minimumnormen die op dat moment uit hoofde van het Verdrag van Chicago waren vastgesteld, stelt de eerstgenoemde verdragsluitende partij de andere verdragsluitende partij daarvan in kennis en van de noodzakelijk geachte stappen om te voldoen aan die minimumnormen en neemt die andere verdragsluitende partij passende corrigerende maatregelen. Indien de andere verdragsluitende partij nalaat binnen vijftien (15) dagen, of binnen een langere termijn die kan worden overeengekomen, passende maatregelen te nemen, is dit aanleiding voor de toepassing van artikel 4 (Intrekking of schorsing van exploitatievergunningen) van dit Verdrag.
Indien Nederland een luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen en een andere lidstaat van de Europese Unie controleert of deze de regelgeving naleeft, zijn de rechten van de andere verdragsluitende partij uit hoofde van artikel 3 (Aanwijzing en verlening van vergunningen) van dit Verdrag op dezelfde wijze van toepassing op de aanneming, uitoefening of handhaving van veiligheidsnormen door die andere lidstaat van de Europese Unie en op de exploitatievergunning van die luchtvaartmaatschappij.
Ingevolge artikel 16 van het Verdrag van Chicago wordt voorts overeengekomen dat elk luchtvaartuig dat door of namens een luchtvaartmaatschappij van de ene verdragsluitende partij wordt geëxploiteerd op diensten naar of van het grondgebied van de andere verdragsluitende partij, terwijl het zich op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij bevindt, mag worden onderworpen aan een inspectie door de bevoegde vertegenwoordigers van de andere verdragsluitende partij, in dit artikel „platforminspectie” genoemd, mits dit niet leidt tot onredelijke vertraging bij de exploitatie van het luchtvaartuig. Onverminderd de verplichtingen bedoeld in artikel 33 van het Verdrag van Chicago en artikel 13 (Beveiliging van de luchtvaart) van dit Verdrag wordt met deze inspectie beoogd de geldigheid van de relevante documenten van het luchtvaartuig en de vergunningen van de bemanning te controleren, en te controleren of de uitrusting en de toestand van het luchtvaartuig voldoen aan de normen die op dat tijdstip uit hoofde van het Verdrag van Chicago waren vastgesteld.
Indien een dergelijke platforminspectie of reeks platforminspecties leidt tot:
- a. ernstige bezorgdheid dat een luchtvaartuig of de exploitatie van een luchtvaartuig niet voldoet aan de op dat moment uit hoofde van het Verdrag van Chicago vastgestelde minimumnormen; of
- b. ernstige bezorgdheid dat de op dat tijdstip uit hoofde van het Verdrag van Chicago vastgestelde veiligheidsnormen niet doeltreffend genoeg worden gehandhaafd en toegepast,
staat het de verdragsluitende partij die de inspectie verricht vrij, voor de toepassing van artikel 33 van het Verdrag van Chicago, de conclusie te trekken dat de vereisten op grond waarvan de bewijzen of de vergunningen ten aanzien van dat luchtvaartuig of ten aanzien van de bemanning van dat luchtvaartuig zijn afgegeven of geldig verklaard, of dat de vereisten op grond waarvan dat luchtvaartuig wordt geëxploiteerd niet gelijk zijn aan of zwaarder zijn dan de uit hoofde van het Verdrag van Chicago vastgestelde minimumnormen.
Ingeval toegang ten behoeve van de uitvoering van een platforminspectie in overeenstemming met het vierde lid van dit artikel van een door luchtvaartmaatschappijen van een verdragsluitende partij geëxploiteerd luchtvaartuig door de vertegenwoordiger van die luchtvaartmaatschappijen wordt geweigerd, staat het de andere verdragsluitende partij vrij daaruit af te leiden dat er aanleiding is voor ernstige bezorgdheid als bedoeld in het vijfde lid van dit artikel en de conclusies te trekken zoals bedoeld in dat lid.
Elke verdragsluitende partij behoudt zich het recht voor de exploitatievergunning van een luchtvaartmaatschappij van de andere verdragsluitende partij onmiddellijk te schorsen of daarvan af te wijken, ingeval de eerstgenoemde verdragsluitende partij concludeert, naar aanleiding van een platforminspectie of reeks platforminspecties, een weigering van toegang voor platforminspectie, overleg of anderszins, dat onverwijld ingrijpen essentieel is voor de veiligheid van de exploitatie van de luchtvaartmaatschappij.
Een maatregel door een verdragsluitende partij in overeenstemming met het tweede of zevende lid van dit artikel wordt beëindigd, zodra de aanleiding voor de maatregel ophoudt te bestaan.
Artikel 13. Beveiliging van de luchtvaart
Overeenkomstig hun rechten en verplichtingen ingevolge het internationale recht, bevestigen de verdragsluitende partijen opnieuw dat hun verplichting jegens elkaar tot bescherming van de veiligheid van de burgerluchtvaart tegen daden van wederrechtelijke inmenging een integrerend onderdeel uitmaakt van dit Verdrag. Zonder hun rechten en verplichtingen ingevolge het internationale recht in het algemeen te beperken handelen de verdragsluitende partijen in het bijzonder overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen begaan aan boord van luchtvaartuigen, ondertekend te Tokio op 14 september 1963, het Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen, ondertekend te ’s-Gravenhage op 16 december 1970, het Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de burgerluchtvaart, ondertekend te Montreal op 23 september 1971 en het Aanvullend Protocol tot bestrijding van wederrechtelijke daden van geweld op luchthavens voor de internationale burgerluchtvaart, ondertekend te Montreal op 24 februari 1988, het Verdrag inzake het merken van kneedspringstoffen ten behoeve van de opsporing ervan, ondertekend te Montreal op 1 maart 1991, alsmede elk ander multilateraal verdrag inzake beveiliging van de burgerluchtvaart waardoor beide partijen gebonden zijn.
De verdragsluitende partijen verlenen elkaar op verzoek alle nodige bijstand ter voorkoming van gedragingen van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van burgerluchtvaartuigen en andere wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van deze luchtvaartuigen, de passagiers en bemanning daarvan, luchthavens en luchtvaartvoorzieningen, alsmede elke andere bedreiging voor de beveiliging van de burgerluchtvaart.
De verdragsluitende partijen handelen, in hun onderlinge betrekkingen, in overeenstemming met de bepalingen inzake de beveiliging van de luchtvaart vastgesteld door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) en aangeduid als Bijlagen bij het Verdrag van Chicago, voor zover deze beveiligingsbepalingen van toepassing zijn op de verdragsluitende partijen; zij verlangen dat exploitanten van luchtvaartuigen die in hun land geregistreerd zijn of die hun voornaamste plaats van bedrijfsuitoefening hebben of permanent zijn gevestigd op hun grondgebied, of, in het geval van Nederland, exploitanten van luchtvaartuigen die op haar grondgebied gevestigd zijn overeenkomstig de EU-verdragen en over een geldige exploitatievergunning beschikken in overeenstemming met het recht van de Europese Unie, en de exploitanten van luchthavens op hun grondgebied handelen in overeenstemming met deze bepalingen inzake beveiliging van de luchtvaart.
Elke verdragsluitende partij stemt ermee in dat van haar exploitanten van luchtvaartuigen kan worden verlangd dat zij, bij vertrek uit of tijdens verblijf op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij, de bepalingen inzake beveiliging van de luchtvaart in acht nemen in overeenstemming met de van kracht zijnde wetgeving van dat land en, in het geval van Nederland, met inbegrip van het recht van de Europese Unie.
Elke verdragsluitende partij ziet erop toe dat op haar grondgebied effectieve maatregelen worden genomen ter bescherming van luchtvaartuigen, voor het controleren van passagiers en hun handbagage en dat er voorafgaand aan en tijdens het aan boord gaan of laden passende controles worden uitgevoerd op de bemanning, de vracht (met inbegrip van ruimbagage) en boordproviand en dat deze maatregelen bij toenemende dreiging worden aangepast. Elke verdragsluitende partij stemt ermee in dat van haar aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen kan worden verlangd dat deze de in het derde lid van dit artikel bedoelde bepalingen inzake beveiliging van de luchtvaart in acht neemt of nemen die door de andere verdragsluitende partij zijn voorgeschreven voor de binnenkomst op, het vertrek uit en het verblijf op het grondgebied van die andere verdragsluitende partij. Elke verdragsluitende partij neemt tevens een verzoek van de andere verdragsluitende partij binnen redelijke grenzen bijzondere veiligheidsmaatregelen te nemen om een specifieke dreiging het hoofd te bieden, in welwillende overweging.
Wanneer een incident van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van burgerluchtvaartuigen of andere wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van deze luchtvaartuigen, hun passagiers en bemanning, luchthavens of luchtvaartvoorzieningen plaatsvindt of dreigt plaats te vinden, verlenen de verdragsluitende partijen elkaar bijstand door het vergemakkelijken van de communicatie en andere passende maatregelen teneinde snel en veilig een einde te maken aan een dergelijk incident of dergelijke dreiging.
Elke verdragsluitende partij heeft het recht binnen zestig (60) dagen na een kennisgeving (of binnen een kortere termijn die de luchtvaartautoriteiten kunnen overeenkomen), haar luchtvaartautoriteiten op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij onderzoek te laten doen naar de beveiligingsmaatregelen die worden uitgevoerd, of die volgens plan zullen worden uitgevoerd, door exploitanten van luchtvaartuigen ten aanzien van vluchten afkomstig van of vertrekkend naar het grondgebied van de eerstgenoemde verdragsluitende partij. De administratieve regelingen voor het uitvoeren van dergelijke onderzoeken worden overeengekomen tussen de luchtvaartautoriteiten en worden zonder vertraging uitgevoerd teneinde te waarborgen dat de onderzoeken voortvarend worden uitgevoerd.
Wanneer een verdragsluitende partij redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de andere verdragsluitende partij is afgeweken van de bepalingen in dit artikel, kan de eerstgenoemde verdragsluitende partij verzoeken om onmiddellijk overleg met de andere verdragsluitende partij. Dergelijk overleg vindt plaats binnen dertig (30) dagen na dat verzoek. Dit overleg dient gericht te zijn op het bereiken van overeenstemming over maatregelen die geschikt zijn voor het wegnemen van directere redenen tot zorg en het in het kader van de ICAO-beveiligingsnormen nemen van de nodige maatregelen voor het creëren van een passende veiligheidssituatie.
Elke verdragsluitende partij neemt de maatregelen die zij mogelijk acht om te waarborgen dat een luchtvaartuig dat getroffen wordt door een gedraging van het wederrechtelijk in zijn macht brengen of andere gedragingen van wederrechtelijke inmenging dat op haar grondgebied geland is aan de grond wordt gehouden, tenzij het vertrek hiervan wordt genoodzaakt door de allesoverheersende plicht mensenlevens te beschermen. Waar praktisch uitvoerbaar worden dergelijke maatregelen getroffen op basis van onderling overleg.
Artikel 14. Overmaking van gelden
Elke verdragsluitende partij verleent aan de aanwezen luchtvaartmaatschappijen van de andere verdragsluitende partij het recht, overeenkomstig de toepasselijke wet- en regelgeving, het batig saldo van inkomsten en uitgaven dat deze luchtvaartmaatschappijen hebben behaald op het grondgebied van de eerste verdragsluitende partij in verband met het vervoer van passagiers, postzendingen en vracht, op basis van de wisselkoersen voor lopende transacties die op de markt gelden over te maken.
Indien een verdragsluitende partij beperkingen oplegt aan de overmaking van het batig saldo van de inkomsten en uitgaven door de aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van de andere verdragsluitende partij, heeft laatstbedoelde het recht op basis van wederkerigheid beperkingen op te leggen aan de aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van de eerstgenoemde verdragsluitende partij.
Indien betalingen tussen de verdragsluitende partijen onderworpen zijn aan een bijzondere overeenkomst, is die overeenkomst van toepassing.
Artikel 15. Gebruikersheffingen
Gebruikersheffingen die aan de luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van een partij kunnen worden opgelegd door en/of onder toezicht van de bevoegde inningsautoriteiten of -lichamen van de andere verdragsluitende partij dienen rechtvaardig, redelijk en niet onredelijk discriminatoir te zijn en billijk te worden opgelegd aan de categorieën gebruikers. In alle gevallen worden deze gebruikersheffingen opgelegd aan de luchtvaartmaatschappijen van de andere verdragsluitende partij onder voorwaarden die niet minder gunstig zijn dan de gunstigste voorwaarden die op het tijdstip waarop de heffingen worden opgelegd gelden voor elke andere luchtvaartmaatschappij.
Gebruikersheffingen die worden opgelegd aan de luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van de andere verdragsluitende partij mogen overeenkomen met maar niet hoger zijn dan de volledige kosten voor de bevoegde inningsautoriteiten of -lichamen van het verstrekken van passende voorzieningen en diensten op het gebied van luchthavens, luchthavenmilieu, luchtnavigatie en beveiliging van de luchtvaart op de luchthaven of binnen het luchthavensysteem. Deze volledige kosten kunnen een redelijk rendement op vermogensbestanddelen na afschrijving omvatten. De voorzieningen en diensten waarvoor heffingen worden opgelegd, worden op efficiënte en economische wijze verstrekt.
Elke verdragsluitende partij moedigt overleg aan tussen de bevoegde inningsautoriteiten of -lichamen op haar grondgebied en de luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen die gebruik maakt of gebruik maken van de diensten en voorzieningen, en moedigt de bevoegde inningsautoriteiten of -lichamen en de luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen aan de informatie uit te wisselen die nodig kan zijn voor accurate toetsing van de redelijkheid van de heffingen in overeenstemming met de grondbeginselen van het eerste en tweede lid van dit artikel.
Elke verdragsluitende partij moedigt de bevoegde inningsautoriteiten aan de gebruikers binnen een redelijke termijn in kennis te stellen van voorstellen tot wijziging van gebruikersheffingen zodat de gebruikers in staat zijn hun mening kenbaar te maken voordat de wijzigingen plaatsvinden.
Geen van de verdragsluitende partijen wordt geacht inbreuk te maken op een bepaling van dit artikel, tenzij: i. zij nalaat een heffing of praktijk die voorwerp is van een klacht van de andere verdragsluitende partij binnen een redelijke termijn te toetsen; of ii. na een dergelijke toetsing nalaat alle maatregelen te treffen die in haar vermogen liggen om heffingen of praktijken die onverenigbaar zijn met dit artikel ongedaan te maken.
Artikel 16. Verandering van luchtvaartuig
Op elk deel of alle delen van de omschreven routes kan een aangewezen luchtvaartmaatschappij internationale luchtdiensten verzorgen zonder beperkingen ten aanzien van verandering van het type of aantal ingezette luchtvaartuigen op elk punt van de omschreven route, met dien verstande dat bij uitgaande vluchten het vervoer voorbij dat punt een voortzetting is van het vervoer vanuit het grondgebied van de verdragsluitende partij die de luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen, en bij binnenkomende vluchten het vervoer naar het grondgebied van de verdragsluitende partij die de luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen een voortzetting is van het vervoer voorbij dat punt.
Bij verandering van luchtvaartuig kan een aangewezen luchtvaartmaatschappij gebruikmaken van haar eigen uitrusting en, met inachtneming van de nationale voorschriften, van geleasete uitrusting, en kan zij de exploitatie verrichten overeenkomstig commerciële regelingen en/of samenwerkingsregelingen op het gebied van de verkoop met andere luchtvaartmaatschappijen.
Een aangewezen luchtvaartmaatschappij kan verschillende of dezelfde vluchtnummers gebruiken voor de sectoren waarop haar verandering van luchtvaartuig betrekking heeft.
Artikel 17. Dubbele belasting
Inkomsten en winsten uit de exploitatie van luchtvaartuigen in internationaal verkeer zijn slechts belastbaar in de staat waarin de plaats van de werkelijke leiding van de aangewezen luchtvaartmaatschappij is gelegen.
Voordelen uit de vervreemding van luchtvaartuigen die in internationaal verkeer worden geëxploiteerd zijn slechts belastbaar in de staat waarin de plaats van de werkelijke leiding van de aangewezen luchtvaartmaatschappij is gelegen.
Vermogen bestaande uit luchtvaartuigen die in internationaal verkeer worden geëxploiteerd alsmede uit roerende zaken die worden gebruikt bij de exploitatie van deze luchtvaartuigen, is slechts belastbaar in de staat waarin de plaats van de werkelijke leiding van de aangewezen luchtvaartmaatschappij is gelegen.
De bepalingen van het eerste lid van dit artikel zijn eveneens van toepassing op inkomsten en winsten uit de deelneming in een pool, een gemeenschappelijke onderneming, een samenwerkingsregeling op het gebied van de verkoop of een internationaal opererend agentschap.
Indien een verdrag tussen de verdragsluitende partijen tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen dat betrekking heeft op luchtvervoer voorziet in procedures die afwijken van de in het eerste tot en met vierde lid van dit artikel bedoelde procedures, zijn de bepalingen van het verdrag tot het vermijden van dubbele belasting inzake inkomen en vermogen van toepassing.
Artikel 18. Milieu
De verdragsluitende partijen bevestigen hun gehechtheid aan de doelstelling van de Overeenkomst van Parijs om de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder 2, bij voorkeur tot 1,5 graden Celsius, in vergelijking met het pre-industriële niveau. Zij komen overeen bij te dragen aan de verwezenlijking van die doelstelling door de broeikasgasemissies in verband met de luchtvaart te beperken.
De verdragsluitende partijen bevestigen hun steun voor de op de 41e zitting van de Algemene Vergadering van ICAO vastgestelde ambitieuze langetermijndoelstelling van een nettonuluitstoot van koolstofdioxide tegen 2050 en streven ernaar deze te verwezenlijken. Zij komen overeen met elkaar en met derde landen samen te werken bij de ontwikkeling en uitvoering van passende maatregelen om dit doel te bereiken.
De verdragsluitende partijen nemen deel aan de regeling voor koolstofcompensatie en -reductie voor de internationale luchtvaart (CORSIA) van ICAO en bevorderen de naleving van deze regeling in hun respectieve interacties met derde landen.
De verdragsluitende partijen verbinden zich ertoe samen te werken ter ondersteuning van milieu- en duurzaamheidsmaatregelen op het niveau van ICAO. Zij verbinden zich er met name toe uitvoering te geven aan het mondiaal kader dat op 24 november 2023 door de 3e ICAO-conferentie over luchtvaart en alternatieve brandstoffen (CAAF/3) is aangenomen, door gebruik te maken van schonere luchtvaarttechnologieën.
De verdragsluitende partijen verbinden zich ertoe binnenlandse maatregelen te ontwikkelen die het gebruik van duurzame luchtvaartbrandstoffen in hun respectieve gebieden zullen bevorderen en vergroten. Zij komen overeen elkaar in kennis te stellen van de genomen maatregelen en de daarmee verband houdende beste praktijken, en van het effect daarvan op de productie van duurzame luchtvaartbrandstoffen en het aandeel van duurzame luchtvaartbrandstoffen in de op hun respectieve grondgebieden geleverde luchtvaartbrandstof. De verdragsluitende partijen komen ook overeen bij te dragen aan regionale en internationale maatregelen die erop gericht zijn de beschikbaarheid en inzet van duurzame luchtvaartbrandstoffen te vergroten.
De verdragsluitende partijen blijven hun samenwerking inzetten en versterken op het gebied van milieumaatregelen in de luchtvaart, met inbegrip van, maar niet beperkt tot:
- a. beleid en regelgeving, onderzoek en ontwikkeling en uitrol met betrekking tot milieuvriendelijke luchtvaarttechnologie, met inbegrip van duurzame luchtvaartbrandstoffen en waterstof- en elektrische luchtvaartuigen;
- b. innovatie op het gebied van beheer van luchtvaartverkeer teneinde de milieugevolgen van de luchtvaart te beperken;
- c. geluidsbeperking en -monitoring;
- d. beperking van de luchtverontreiniging;
- e. de uitrol van infrastructuur voor duurzame luchtvaartbrandstoffen en andere nieuwe brandstoffen en energiebronnen, zoals waterstof en elektriciteit.
Niets in dit Verdrag mag zodanig worden uitgelegd dat daardoor de bevoegdheid van een verdragsluitende partij om passende maatregelen te nemen voor het voorkomen of anderszins aanpakken van de milieu- en klimaatgevolgen van luchtvervoer worden beperkt, mits deze maatregelen volledig verenigbaar zijn met hun rechten en verplichtingen uit hoofde van het internationale recht en op niet-discriminerende wijze worden toegepast.
Artikel 19. Sociale aspecten
De verdragsluitende partijen erkennen dat het belangrijk is rekening te houden met de gevolgen van dit Verdrag voor arbeid, werkgelegenheid en arbeidsomstandigheden en komen overeen samen te werken op het gebied van arbeidsaangelegenheden die binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag vallen, onder meer met betrekking tot de gevolgen voor de werkgelegenheid, de grondrechten op het werk, de arbeidsomstandigheden, de sociale bescherming en de sociale dialoog.
De verdragsluitende partijen erkennen het recht van elke verdragsluitende partij haar eigen niveau van binnenlandse arbeidsbescherming vast te stellen en eigen relevante wetgeving en beleid aan te nemen of te wijzigen in overeenstemming met hun internationale verplichtingen. De verdragsluitende partijen zien erop toe dat de in hun respectieve wet- en regelgeving vervatte rechten en beginselen niet worden ondermijnd, en daadwerkelijk worden gehandhaafd.
Elke verdragsluitende partij blijft de wetgeving en het beleid als bedoeld in het tweede lid van dit artikel verbeteren en streeft ernaar een hoog niveau van arbeidsbescherming in de luchtvaartsector te bieden en aan te moedigen. De verdragsluitende partijen erkennen dat de schending van fundamentele beginselen en rechten op het werk niet kan worden ingeroepen of anderszins kan worden gebruikt als een legitiem comparatief voordeel en dat arbeidsnormen niet mogen worden gebruikt voor protectionistische doeleinden.
De verdragsluitende partijen bevestigen opnieuw hun verbintenis, in overeenstemming met hun verplichtingen ingevolge hun lidmaatschap van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) en de IAO-Verklaring omtrent de fundamentele principes en rechten op het werk uit 1998, zoals gewijzigd in 2022, om de fundamentele principes en rechten op het werk te eerbiedigen, te bevorderen en te realiseren.
De verdragsluitende partijen bevorderen de doelstellingen die zijn opgenomen in de IAO-agenda voor waardig werk en in de IAO-verklaring over sociale rechtvaardigheid voor een Eerlijke globalisering (2008), zoals gewijzigd in 2022, alsmede de conclusies en aanbevelingen van IAO en ICAO over de bevordering van waardig werk om vorm te geven aan een groen, duurzaam en inclusief economisch herstel voor de burgerluchtvaartsector, die tijdens de technische vergadering van IAO en ICAO in april 2023 in Genève zijn afgerond.
De verdragsluitende partijen komen overeen de samenwerking tussen burgerluchtvaartautoriteiten, arbeidsautoriteiten en andere relevante openbare of particuliere instellingen te intensiveren met het oog op de uitwisseling van informatie en beste praktijken.
Elke verdragsluitende partij verbindt zich ertoe alles in het werk te stellen om, indien zij dit nog niet heeft gedaan, de fundamentele IAO-verdragen te ratificeren en effectief te implementeren. De verdragsluitende partijen zullen ook werken aan de ratificatie en effectieve implementatie van andere IAO-verdragen en internationale normen op arbeids- en sociaal gebied die van belang zijn voor de burgerluchtvaartsector, rekening houdend met de binnenlandse omstandigheden.
De verdragsluitende partijen bevorderen genderevenwicht, non-discriminatie en gelijkheid voor iedereen, met name door middel van beleid dat de toegang van vrouwen en andere ondervertegenwoordigde groepen werknemers tot werk en loopbaanontwikkeling in technische en leidinggevende functies verbetert.
Artikel 20. Overleg en wijziging
In een geest van nauwe samenwerking plegen de luchtvaartautoriteiten van de verdragsluitende partijen van tijd tot tijd met elkaar overleg teneinde te verzekeren dat de bepalingen van dit Verdrag en de Routetabel in de Bijlage daarbij worden uitgevoerd en naar tevredenheid worden nageleefd, en plegen wanneer dat nodig is overleg over het doorvoeren van wijzigingen daarin.
Elke verdragsluitende partij kan schriftelijk verzoeken om overleg dat aan zal vangen binnen een termijn van zestig (60) dagen na de datum van ontvangst van het verzoek, tenzij beide verdragsluitende partijen instemmen met een verlenging van deze termijn.
Elke wijziging van dit Verdrag wordt overeengekomen tussen de verdragsluitende partijen en geschiedt bij diplomatieke notawisseling. Dergelijke wijzigingen treden in werking in overeenstemming met de bepalingen van artikel 26 (Inwerkingtreding) van dit Verdrag.
Onverminderd de bepalingen van het derde lid van dit artikel zullen wijzigingen van de Bijlage bij dit Verdrag tussen de luchtvaartautoriteiten van de verdragsluitende partijen worden overeengekomen en bij diplomatieke notawisseling worden bevestigd, en worden van kracht op een in de diplomatieke notawisseling te bepalen datum. Deze uitzondering op het derde lid van dit artikel is niet van toepassing indien er verkeersrechten worden toegevoegd aan de Bijlage.
Artikel 21. Regeling van geschillen
Indien tussen de verdragsluitende partijen een geschil ontstaat met betrekking tot de uitlegging of toepassing van dit Verdrag, trachten de verdragsluitende partijen dit in de eerste plaats te beslechten door middel van bilaterale onderhandelingen.
Indien de verdragsluitende partijen er niet in slagen door middel van onderhandelingen tot een regeling te komen, kunnen zij overeenkomen het geschil ter beslissing aan een bepaalde persoon of bepaald lichaam voor te leggen; indien zij hierover geen overeenstemming bereiken wordt het geschil op verzoek van een van de verdragsluitende partijen ter beslissing worden voorgelegd aan een gerecht van drie scheidsmannen, van wie elke verdragsluitende partij er een benoemt en de derde wordt benoemd door de twee aldus benoemde scheidsmannen, met dien verstande dat deze derde scheidsman geen onderdaan is van een van de verdragsluitende partijen. Elk van de verdragsluitende partijen benoemt een scheidsman binnen een termijn van zestig (60) dagen na de datum waarop de ene verdragsluitende partij van de andere verdragsluitende partij langs diplomatieke weg een kennisgeving heeft ontvangen waarin om een scheidsrechterlijke uitspraak wordt verzocht; de derde scheidsman dient te worden benoemd binnen een volgende termijn van zestig (60) dagen. Indien een van de verdragsluitende partijen nalaat een scheidsman te benoemen binnen de aangegeven termijn of indien de derde scheidsman niet binnen de aangegeven termijn is benoemd, kan de Voorzitter van de Raad van ICAO door een van de partijen worden verzocht een scheidsman of scheidsmannen te benoemen, naargelang van het geval. In dat geval dient de derde scheidsman onderdaan te zijn van een derde staat en op te treden als voorzitter van het scheidsgerecht.
De verdragsluitende partijen verplichten zich ertoe zich te houden aan elke beslissing genomen op grond van het tweede lid van dit artikel. Elke verdragsluitende partij draagt de kosten van de door haar benoemde scheidsman. De overige kosten van het scheidsgerecht worden in gelijke delen gedragen door de verdragsluitende partijen.
Artikel 22. Toepasselijkheid van multilaterale overeenkomsten en verdragen
De bepalingen van het Verdrag van Chicago zijn van toepassing op dit Verdrag.
Indien een door beide verdragsluitende partijen aanvaarde multilaterale overeenkomst of multilateraal verdrag ter zake van een aangelegenheid die onder dit Verdrag valt, in werking treedt, hebben de desbetreffende bepalingen van dat verdrag of die overeenkomst voorrang boven de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag.
De verdragsluitende partijen kunnen met elkaar overleg plegen teneinde de gevolgen van de voorrang als bedoeld in het tweede lid van dit artikel voor dit Verdrag te bepalen en de nodige wijzigingen van dit Verdrag overeen te komen.
Artikel 23. Registratie bij ICAO
Dit Verdrag en eventuele wijzigingen daarvan worden geregistreerd bij ICAO.
Artikel 24. Duur en beëindiging
Elk van de verdragsluitende partijen kan te allen tijde de andere verdragsluitende partij langs diplomatieke weg schriftelijk kennisgeving doen van haar besluit dit Verdrag te beëindigen. Deze kennisgeving wordt tegelijkertijd toegezonden aan ICAO. In dat geval treedt dit Verdrag twaalf (12) maanden na de datum waarop de kennisgeving door de andere verdragsluitende partij is ontvangen buiten werking, tenzij de kennisgeving van beëindiging in onderling overleg tussen de verdragsluitende partijen vóór het verstrijken van deze termijn wordt ingetrokken. Indien de andere verdragsluitende partij nalaat de ontvangst te bevestigen, wordt de kennisgeving geacht te zijn ontvangen veertien (14) dagen na de ontvangst van de kennisgeving door ICAO.
Artikel 25. Toepasselijkheid van dit Verdrag
Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag uitsluitend van toepassing op het grondgebied van het Europese deel van Nederland.
Artikel 26. Inwerkingtreding
Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand na de datum van ontvangst van de laatste schriftelijke kennisgeving langs diplomatieke weg waarin de verdragsluitende partijen elkaar ervan in kennis hebben gesteld dat aan hun respectieve nationale wettelijke vereisten voor de inwerkingtreding van dit Verdrag is voldaan.
IN WITNESS THEREOF, the undersigned plenipotentiaries, being duly authorized thereto by their respective Governments, have signed this Agreement.
DONE at Cotonou, on 7 May 2026, in duplicate in the English, French and Dutch languages, all texts being equally authentic. In the event of any dispute as to the interpretation or the application of the Agreement, the English text shall prevail.
For the Government of the Kingdom of the Netherlands,
JORIS W.P. JURRIËNS
Ambassador of the Kingdom of the Netherlands to Benin
For the Government of the Republic of Benin,
JOSÉ TONATO
Minister of Living Environment and Transport, in charge of sustainable development
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)