Benelux-Verdrag ter verbetering en versterking van de grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van de bestrijding van de sociale fraude en onjuistheden in de sociale zekerheid, de bescherming van de gezondheid en de veiligheid op het werk en van fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden

Type Verdrag
Publication 2026-03-09
Laatst bijgewerkt 2026-06-02
State In force
Source BWB
artikelen 27
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Het Koninkrijk België, vertegenwoordigd door:

De Federale Regering,

De Vlaamse Regering,

De Regering van de Franse Gemeenschap,

De Waalse Regering,

De Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest,

De Regering van de Duitstalige Gemeenschap,

Het Groothertogdom Luxemburg,

Het Koninkrijk der Nederlanden,

hierna te noemen: „de Verdragsluitende Partijen”,

Geleid door de wens de nauwe grensoverschrijdende samenwerking tussen de drie landen van de Benelux Unie inzake de bestrijding van grensoverschrijdende sociale fraude en sociale dumping te verbeteren en te versterken,

Vanuit het perspectief van het garanderen van het vrije verkeer en de rechten van sociaal verzekerden,

Verlangend onjuistheden en misbruik te vermijden en grensoverschrijdende sociale fraude en sociale dumping te bestrijden,

Overwegende dat sociale fraude in haar vele facetten zoals sociale dumping, schijnconstructies, detacheringsfraude, premie- en uitkeringsfraude, frauduleuze uitzendkantoren, illegale arbeid en zwartwerk dan wel bedrieglijk gemeld werk, een groeiend maatschappelijk probleem vormt en steeds vaker een georganiseerd karakter vertoont,

Overwegende dat moet worden gezorgd voor een efficiënte bescherming van de werkgelegenheid, de veiligheid, de gezondheid en de hygiëne op het werk, alsmede voor fatsoenlijke en billijke arbeidsomstandigheden en -voorwaarden, met name voor werkenden die zich in een kwetsbare situatie bevinden,

Overwegende dat de controle- en inspectiediensten worden geconfronteerd met juridische, administratieve, praktische en territoriale beperkingen,

Gelet op artikel 6, lid 2, onder f), van het Verdrag tot instelling van de Benelux Unie, ondertekend te ’s-Gravenhage op 17 juni 2008,

Gezien het Verdrag tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden voor de ontwikkeling van de samenwerking en van de wederzijdse administratieve bijstand op het gebied van de sociale zekerheid, ondertekend te Brussel op 6 december 2010, en de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg betreffende de samenwerking en de wederzijdse administratieve bijstand op het gebied van de sociale zekerheid, ondertekend te Brussel op 5 februari 2015,

Gezien het IAO-Verdrag nr. 81 van 1947 betreffende de arbeidsinspectie in de industrie en handel en Aanbeveling nr. 81 betreffende de arbeidsinspectie,

Overwegende het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met name artikel 15 met betrekking tot de vrijheid van beroep en het recht om te werken op het grondgebied van de lidstaten, artikel 31 met betrekking tot rechtvaardige en billijke arbeidsomstandigheden en -voorwaarden en artikel 34 met betrekking tot de sociale zekerheid en sociale bijstand, alsmede hoofdstuk II en III van de Europese Pijler van sociale rechten,

Rekening houdend met de samenwerking en de uitwisseling van informatie overeenkomstig de verscheidene Europese bepalingen die op dit gebied van toepassing zijn, waaronder:

Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels,

Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels,

Verordening (EU) nr. 1231/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot uitbreiding van verordening (EG) nr. 883/2004 en verordening (EG) nr. 987/2009 tot onderdanen van derde landen die enkel door hun nationaliteit nog niet onder deze verordeningen vallen,

Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming),

Verordening (EU) 2019/1149 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot oprichting van een Europese Arbeidsautoriteit, tot wijziging van de verordeningen (EG) nr. 883/2004, (EU) 492/2011 en (EU) 2016/589, en tot intrekking van besluit (EU) 2016/344,

Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten,

Richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de handhaving van richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het informatiesysteem interne markt („de IMI-verordening”),

Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad,

Richtlijn (EU) 2019/1152 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie,

Richtlijn (EU) 2020/1057 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2020 tot vaststelling van specifieke regels met betrekking tot richtlijn 96/71/EG en richtlijn 2014/67/EU wat betreft de detachering van bestuurders in de wegvervoersector en tot wijziging van richtlijn 2006/22/EG wat betreft de handhavingsvoorschriften en verordening (EU) nr. 1024/2012,

Overeenkomst krachtens artikel 16, eerste lid, van verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de vaststelling van de op Rijnvarenden toepasselijke wetgeving,

Kaderovereenkomst inzake de toepassing van artikel 16, lid 1, van verordening (EG) nr. 883/2004 in geval van gewoonlijk grensoverschrijdend telewerk,

Overwegende het geheel aan besluiten, beschikkingen, aanbevelingen, verklaringen, resoluties en verschillende administratieve schikkingen, gemeenschappelijke werkprogramma’s en andere instrumenten voor fatsoenlijke en billijke arbeidsomstandigheden en -voorwaarden, alsmede ter bestrijding van sociale fraude, die zowel binnen de Benelux als binnen de Europese Unie zijn aangenomen,

Zijn het volgende overeengekomen:

HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN EN PRINCIPES MET BETREKKING TOT DE VERSTERKTE SAMENWERKING

Artikel 1. Doel

Doel van dit Verdrag is multidisciplinaire samenwerking tussen de Verdragsluitende Partijen te verbeteren en te versterken teneinde:

  • –. De strijd aan te gaan tegen sociale fraude, tegen oneerlijke concurrentie en tegen sociale dumping, dit door middel van een betere samenwerking tussen alle bevoegde controle- en inspectiediensten enerzijds en een betere uitwisseling van gegevens anderzijds;
  • –. Erop toe te zien dat de in dit Verdrag bedoelde personen de prestaties en uitkeringen genieten waar zij recht op hebben;
  • –. Erop toe te zien dat de veiligheid, de gezondheid en de hygiëne op het werk worden gerespecteerd;
  • –. Erop toe te zien dat fatsoenlijke en billijke arbeidsomstandigheden en -voorwaarden, alsmede het recht om te werken van werknemers worden gerespecteerd;
  • –. Er op toe te zien dat de juiste sociale bijdragen worden afgedragen in de bevoegde lidstaat.

Artikel 2. Begripsomschrijvingen

1.

Onverminderd de overeenkomstige definities welke gelden voor de toepassing van rechtshandelingen van de Europese Unie, wordt voor de toepassing van dit Verdrag onder „bevoegde autoriteit” en „bevoegd orgaan” verstaan:

  • a. „Bevoegde autoriteit”: de minister of ministers of de autoriteit, in functie van de interne bevoegdheidsverdeling binnen een Verdragsluitende Partij, die belast is met de toepassing van de regelgeving inzake sociale zekerheid, arbeidsrecht, arbeidsomstandigheden en -voorwaarden en veiligheid en gezondheid op het werk;
  • b. „Bevoegd orgaan”: elk bevoegd orgaan dat een Verdragsluitende Partij als dusdanig aanwijst overeenkomstig artikel 24.
2.

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt voorts verstaan onder:

  • a. „Benelux-overleg”: het overleg tussen de Verdragsluitende Partijen in het kader van de Benelux Unie aangaande sociale reglementering, aangaande de strijd tegen de fraude en aangaande de bescherming van de gezondheid en van de veiligheid op het werk, dat concrete invulling krijgt in ambtelijke werkgroepen als bedoeld in artikel 12, onder b), van het Verdrag tot instelling van de Benelux Unie;
  • b. „Basisverordening”: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels;
  • d. „Detacheringsrichtlijn”: Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten;
  • f. „EU-instrumenten”: de EU-instrumenten bedoeld onder b) tot en met e), alsmede de volgende instrumenten:
  • –. Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming),
  • –. Richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de handhaving van richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het informatiesysteem interne markt („de IMI-verordening”);
  • –. Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad;
  • –. Richtlijn (EU) 2019/1152 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie,
  • –. Overeenkomst krachtens artikel 16, eerste lid, van verordening (EG) 883/2004 betreffende de vaststelling van de op Rijnvarenden toepasselijke wetgeving,
  • –. Kaderovereenkomst inzake de toepassing van artikel 16, lid 1, van verordening (EG) nr. 883/2004 in geval van gewoonlijk grensoverschrijdend telewerk,
  • –. Elke andere in het kader van de Europese Unie vastgestelde rechtshandeling die bovenbedoelde EU-instrumenten aanvult, die er uitvoering aan geeft of die er anderszins mee verbonden is, en die door het Benelux Comité van Ministers overeenkomstig artikel 19 wordt aangewezen als zijnde een EU-instrument in de zin van onderhavige bepaling;
  • g. „Grensoverschrijdende tewerkstelling”: elke vorm van tewerkstelling zoals bedoeld in de onder b) tot en met f) opgesomde EU-instrumenten;
  • h. „Detachering”:
  • –. De detachering zoals bedoeld in artikel 12 van de Basisverordening,
  • –. De terbeschikkingstelling van werknemers zoals bedoeld in artikel 2 van de Detacheringsrichtlijn,
  • –. De detachering van bestuurders zoals bedoeld in de Detacheringsrichtlijn wegvervoersector;
  • i. „Pluriactiviteit”: het verrichten van werkzaamheden in twee of meer lidstaten in de zin van artikel 13 van de Basisverordening;
  • j. „Draagbaar A1-document”: een overeenkomstig artikel 19, lid 2, van de Toepassingsverordening ter beschikking gesteld document ter staving van de toepassing van de op grond van een bepaling van titel II van de Basisverordening van toepassing zijnde wetgeving;
  • k. „Gaststaat”: de Verdragsluitende Partij op wier grondgebied een gezamenlijke controle of een gezamenlijke inspectie plaatsvindt;
  • l. „Zendstaat”: de Verdragsluitende Partij waarvan functionarissen afkomstig zijn;
  • m. „Functionaris”: de bevoegde persoon die een Verdragsluitende Partij als dusdanig aanwijst overeenkomstig artikel 24;
  • n. „Verzoekende Verdragsluitende Partij”: de Verdragsluitende Partij die verzoekt om een onderling afgestemde controle of inspectie of om een gezamenlijke controle of inspectie, of die een verzoek om informatie indient;
  • o. „Aangezochte Verdragsluitende Partij”: de Verdragsluitende Partij aan wie het verzoek van de verzoekende Verdragsluitende Partij is gericht;
  • p. „Onderling afgestemde controle of inspectie”: controle of inspectie die gelijktijdig in twee of meer Verdragsluitende Partijen wordt verricht waarbij elke nationale autoriteit op haar eigen grondgebied optreedt;
  • q. „Gezamenlijke controle of inspectie”: controle of inspectie die in een Verdragsluitende Partij met deelneming van functionarissen van een of meer andere Verdragsluitende Partijen wordt verricht.

Artikel 3. Verhouding tot andere regelingen

Voor zover in dit Verdrag niet uitdrukkelijk anders is bepaald, geschiedt de samenwerking op grond van dit Verdrag in het kader van het respectievelijke recht en de internationale verplichtingen van de Verdragsluitende Partijen.

Artikel 4. Reikwijdte van de samenwerking

De samenwerking tussen de Verdragsluitende Partijen op grond van dit Verdrag heeft betrekking op alle aangelegenheden die verband houden met de verschillende EU-instrumenten als bedoeld in artikel 2, lid 2, onder b) tot en met f), alsmede op alle natuurlijke of rechtspersonen, ongeacht of zij gevestigd zijn in één van de Verdragsluitende Partijen of in een andere Staat, die werkzaam zijn in het kader van een grensoverschrijdende tewerkstelling, of die vallen onder de personele werkingssfeer van de Basisverordening.

Artikel 5. Territoriale werkingssfeer

1.

Dit Verdrag is van toepassing op het grondgebied van het Koninkrijk België en van het Groothertogdom Luxemburg.

2.

Wat het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag enkel van toepassing op het Europese deel van Nederland.

Artikel 6. Principes met betrekking tot de versterkte samenwerking

De Verdragsluitende Partijen ondersteunen de grensoverschrijdende samenwerking in het kader van dit Verdrag onder meer:

  • a. Door het bevorderen van wederzijdse kennis met betrekking tot hun nationale sociale wet- en regelgeving;
  • b. Door multidisciplinair Benelux-overleg inzake detachering en pluriactiviteit en over de bestrijding van sociale fraude en sociale dumping, door middel van nauwe samenwerking om bepaalde vormen en bepaalde specifieke aspecten van de fraude te verduidelijken en te analyseren;
  • c. Door Benelux-overleg gericht op de uitwisseling van goede praktijken en ervaringen;
  • d. Door Benelux-overleg op het gebied van opleidingen;
  • e. Door onderling afgestemde of gezamenlijke controles of inspecties tussen de controle- en inspectiediensten van de Verdragsluitende Partijen op te zetten volgens de bepalingen van dit Verdrag;
  • f. Door de uitwisseling van middelen en materieel in het kader van een onderling afgestemde of gezamenlijke controle of inspectie;
  • g. Door het uitwisselen van informatie.

HOOFDSTUK II. ONDERLING AFGESTEMDE OF GEZAMENLIJKE CONTROLES OF INSPECTIES

Artikel 7. Verzoek tot onderling afgestemde of gezamenlijke controles of inspecties

1.

De bevoegde autoriteiten of organen van de Verdragsluitende Partijen kunnen, afhankelijk van hun operationele behoeften en middelen, onderling afgestemde of gezamenlijke controles of inspecties organiseren.

2.

Onderling afgestemde of gezamenlijke controles of inspecties zijn slechts mogelijk op verzoek van één of meer verzoekende Verdragsluitende Partijen en met de uitdrukkelijke toestemming van de aangezochte Verdragsluitende Partij of Partijen.

3.

Het verzoek moet schriftelijk, met inbegrip van de elektronische weg, door de bevoegde autoriteit of het bevoegd orgaan van de verzoekende Verdragsluitende Partij of Partijen gericht worden aan de bevoegde autoriteit of het bevoegd orgaan van de aangezochte Verdragsluitende Partij of Partijen.

Dienaangaande kunnen bijkomende afspraken worden gemaakt of bijkomende bepalingen worden vastgesteld overeenkomstig artikel 17, 18 of 19, met name wat betreft de voor het verzoek te gebruiken adressen of kanalen.

4.

De bevoegde autoriteit of het bevoegd orgaan van de aangezochte Verdragsluitende Partij of Partijen spant zich in om zo spoedig mogelijk doch zo mogelijk binnen maximum 14 kalenderdagen te beslissen over het verzoek, daarbij rekening houdend met de eventuele urgentie van het verzoek, en stelt de bevoegde autoriteit of het bevoegd orgaan van de verzoekende Verdragsluitende Partij of Partijen schriftelijk, met inbegrip van de elektronische weg, van zijn beslissing in kennis.

Ingeval het niet mogelijk is om aan het verzoek gevolg te geven, stelt de betrokken aangezochte Verdragsluitende Partij de andere betrokken Verdragsluitende Partij of Partijen in kennis van de redenen daarvoor en eventueel van de maatregelen die zij beoogt te nemen, alsmede van de resultaten van deze maatregelen, zodra deze bekend zijn.

5.

Overeenkomstig de geest van dit Verdrag trachten de Verdragsluitende Partijen regelmatig aan onderling afgestemde of gezamenlijke controles of inspecties deel te nemen.

Artikel 8. Toepasselijke praktische regelingen

1.

Het in artikel 7, lid 3, bedoelde verzoek omvat onder meer de volgende informatie:

  • a. Identificatie van de bevoegde autoriteiten of organen die aan de gevraagde onderling afgestemde of gezamenlijke controle of inspectie zouden moeten deelnemen;
  • b. Bepaling van de reikwijdte van de gevraagde onderling afgestemde en gezamenlijke controle of inspectie overeenkomstig artikel 1;
  • c. Een bondige beschrijving van het geval of reeks gevallen waarop het verzoek betrekking heeft;
  • d. Indien van toepassing, de eventuele urgentie van het verzoek en de redenen voor die urgentie.

In functie van de opgedane ervaring of van de behoeften op het terrein, kan het Benelux Comité van Ministers, overeenkomstig artikel 19, de minimaal in het verzoek op te nemen informatie wijzigen of aanvullen, of een model vaststellen voor een voor het verzoek te gebruiken formulier.

2.

Zodra de onderling afgestemde of gezamenlijke controle of inspectie afgesproken is, vullen de deelnemende bevoegde autoriteiten of organen in onderlinge overeenstemming een document in waarvan het model overeenkomstig artikel 19 wordt vastgesteld door het Benelux Comité van Ministers.

3.

De deelnemende bevoegde autoriteiten of organen wijzen elk een functionaris aan die verantwoordelijk is voor de coördinatie van de afgesproken onderling afgestemde of gezamenlijke controle of inspectie. De informatie wordt uitgewisseld door tussenkomst van deze voor de coördinatie verantwoordelijke functionarissen, zowel tijdens de voorbereidings- en afrondingsfase van de onderling afgestemde of gezamenlijke controles of inspecties, als tijdens de hele loop van het geval of reeks gevallen.

4.

De onderling afgestemde of gezamenlijke controles of inspecties worden uitgevoerd met inachtneming van het recht en de praktijk van de Verdragsluitende Partij of Partijen waarin zij plaatsvinden.

5.

De functionarissen van een zendstaat nemen enkel als waarnemer deel aan een gezamenlijke controle of inspectie in de gaststaat. In die hoedanigheid mogen de functionarissen van een zendstaat actief samenwerken met de functionarissen van de gaststaat, zonder evenwel gerechtigd te zijn eigenhandig controle- of inspectiedaden in de gaststaat te verrichten.

6.

De functionarissen van een zendstaat die deelnemen aan een gezamenlijke controle of inspectie in de gaststaat moeten steeds hun officiële functie kunnen aantonen door middel van hun legitimatiebewijs. Daartoe stellen de Verdragsluitende Partijen elkaar in kennis van de legitimatiebewijzen waarover hun functionarissen op hun eigen grondgebied moeten beschikken. Voor de toepassing van onderhavige bepaling, erkennen de Verdragsluitende Partijen elkaars aldus meegedeelde legitimatiebewijzen zonder verdere formaliteiten.

7.

Vanaf de aanvang van een gezamenlijke controle of inspectie worden de rechtsonderhorigen door de functionarissen van de gaststaat geïnformeerd over de deelname van functionarissen van de zendstaat of zendstaten, over hun officiële functie als bedoeld in lid 6, alsmede over de mogelijkheid om de verzamelde informatie overeenkomstig lid 10 te gebruiken.

8.

In geval van een afgestemde controle of inspectie, worden de rechtsonderhorigen in elke deelnemende Verdragsluitende Partij, vanaf de aanvang van de controle of de inspectie, geïnformeerd over alle bevoegde autoriteiten of organen die eraan deelnemen, alsmede over de mogelijkheid om de verzamelde informatie overeenkomstig lid 10 te gebruiken.

9.

Tijdens een gezamenlijke controle of inspectie biedt de gaststaat aan de functionarissen van de zendstaat of zendstaten dezelfde bescherming en bijstand als aan zijn eigen functionarissen, met name ten aanzien van tegen hun begane strafbare feiten.

10.

De informatie die in een Verdragsluitende Partij is verzameld tijdens een afgestemde of gezamenlijke controle of inspectie en die op grond van dit Verdrag wordt uitgewisseld met de bevoegde autoriteiten of organen van een andere Verdragsluitende Partij of Partijen die aan deze controle of inspectie hebben deelgenomen, mag worden gebruikt in het kader van procedures in die andere Verdragsluitende Partij of Partijen, overeenkomstig het recht of de praktijk van die andere Verdragsluitende Partij of Partijen, in voorkomend geval met inachtneming van de bijzondere vereisten welke er gelden wanneer dergelijke informatie als bewijs in gerechtelijke procedures wordt gebruikt.

11.

Na elke onderling afgestemde of gezamenlijke controle of inspectie worden schriftelijke rapporten uitgewisseld tussen de voor de coördinatie van de deelnemende bevoegde autoriteiten of organen verantwoordelijke functionarissen, die deze doorsturen naar wie daar recht op heeft of hebben. Het modelrapport wordt overeenkomstig artikel 19 vastgesteld door het Benelux Comité van Ministers.

HOOFDSTUK III. SPECIFIEKE BEPALINGEN INZAKE SAMENWERKING OP HET GEBIED VAN DETACHERING EN PLURIACTIVITEIT

Artikel 9. Samenwerking betreffende de toepasselijke socialezekerheidswetgeving

1.

Ten behoeve van de verificatie van de naleving van alle voorwaarden welke op het gebied van de socialezekerheidswetgeving gelden ten aanzien van detachering in de zin van artikel 12 van de Basisverordening of welke gelden in geval van pluriactiviteit, met inbegrip van alle elementen die de juridische aard van de arbeidsrelatie bepalen, bezorgt het bevoegd orgaan van een Verdragsluitende Partij dat een draagbaar A1-document heeft afgegeven aan het bevoegd orgaan van de Verdragsluitende Partij op wiens grondgebied een werkende is gedetacheerd of al dan niet in loondienst werkzaamheden verricht, op verzoek van laatstgenoemd bevoegd orgaan, een afschrift van het aanvraagformulier voor het draagbaar A1-document, de informatie die het heeft ingezameld bij de behandeling van deze aanvraag overeenkomstig de bepalingen en de bijlage van aanbeveling A1 van de Administratieve Commissie en alle beschikbare aanvullende informatie die nodig is om de rechtmatigheid van de detachering te verifiëren. Waar het gaat om de verificatie van de pluriactiviteitsvoorwaarden, verstrekt dit orgaan onder meer alle beschikbare informatie die verband houdt met de reële vestigingsplaats van de werkgever of het centrum van belangen van de activiteiten van de persoon die werkzaamheden anders dan in loondienst verricht, met het aandeel van de activiteit van de persoon die werkzaamheden in loondienst of anders dan in loondienst verricht op het grondgebied van zijn woonland, alsmede met zijn tewerkstelling door andere werkgevers.

2.

Het bevoegd orgaan dat het draagbaar A1-document heeft afgegeven, verstrekt zo snel mogelijk de beschikbare informatie waar overeenkomstig lid 1 om is verzocht, met inachtneming van de voorschriften, inclusief eventuele termijnen, die in de toepasselijke EU-instrumenten zijn vastgelegd. De Verdragsluitende Partijen kunnen ook andere termijnen overeenkomen bij administratieve schikking of bij beschikking van het Benelux Comité van Ministers als bedoeld in artikel 19, binnen de grenzen van de geldende voorschriften.

3.

In geval van een geschil over de vaststelling van de toepasselijke wetgeving, geven de Verdragsluitende Partijen volledige uitwerking aan besluit nr. A1 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 betreffende de instelling van een dialoog- en bemiddelingsprocedure met betrekking tot de geldigheid van documenten, het bepalen van de toepasselijke wetgeving en het verlenen van prestaties uit hoofde van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad.

De in besluit nr. A1 vastgelegde procedure doet op generlei wijze afbreuk aan het recht van de functionarissen van het bevoegd orgaan van een Verdragsluitende Partij om aan het bevoegd orgaan van de andere Verdragsluitende Partij vragen te stellen over elementen die verband houden met de gegrondheid van het besluit tot vaststelling van de toepasselijke wetgeving in het geval van een detachering of van pluriactiviteit.

4.

Wanneer een door het bevoegd orgaan van een Verdragsluitende Partij afgegeven draagbaar A1-document wordt ingetrokken of ongeldig verklaard omdat de socialezekerheidswetgeving van een andere Verdragsluitende Partij van toepassing is, wisselen de betrokken Verdragsluitende Partijen alle beschikbare informatie uit die nuttig is met het oog op de aansluiting van de betrokken werkende of werkenden bij de toepasselijke socialezekerheidswetgeving, met het oog op de overdracht van de desbetreffende socialezekerheidsbijdragen en, in voorkomend geval, met het oog op terugvordering als bedoeld in artikel 14.

Nadere regels voor de toepassing van deze bepaling kunnen worden vastgesteld overeenkomstig artikel 17 of artikel 19.

Artikel 10. Samenwerking betreffende de naleving van de wetgeving over de arbeids- en tewerkstellingsvoorwaarden voor gedetacheerde werkenden

1.

Ten behoeve van de verificatie van de naleving van alle arbeids- en tewerkstellingsvoorwaarden die gelden ten aanzien van detachering als bedoeld in artikel 2 van de Detacheringsrichtlijn, met inbegrip van alle elementen die de juridische aard van de arbeidsrelatie bepalen en van alle elementen waarmee kan worden vastgesteld of de rechten van de betrokken werkende of werkenden naar behoren worden beschermd, bezorgt het bevoegd orgaan van de Verdragsluitende Partij waar de detacherende werkgever is gevestigd aan het bevoegd orgaan van de Verdragsluitende Partij op wiens grondgebied een werkende is gedetacheerd, op verzoek van laatstgenoemd bevoegd orgaan, alle beschikbare informatie die nuttig is om de ware aard van de detachering vast te stellen, waaronder met name de reële vestigingsplaats van de werkgever, de eventuele tewerkstelling door andere werkgevers en alle andere sociale documenten of sociale gegevens met betrekking tot de arbeidsovereenkomst van de werkende en de uitvoering ervan.

2.

Het bevoegd orgaan dat een in lid 1 bedoeld verzoek ontvangt, verstrekt zo snel mogelijk de beschikbare informatie die is gevraagd, met inachtneming van de termijnen en andere voorschriften die zijn bepaald in de toepasselijke EU-instrumenten. Nadere regels ter waarborging van de continuïteit van de dekking van de sociale rechten van de betrokken werkende of werkenden kunnen worden vastgesteld overeenkomstig artikel 17 of artikel 19.

Artikel 11. Transversale samenwerking

De in de artikelen 9 en 10 bedoelde samenwerking kan plaatsvinden tussen verschillende bevoegde organen van de Verdragsluitende Partijen teneinde elementen betreffende de socialezekerheidswetgeving en betreffende het arbeidsrecht met elkaar te combineren ten behoeve van de beoogde verificaties, steeds met volledige naleving van de bepalingen van de artikelen 9 en 10.

Daartoe, wanneer een verzoek om informatie ter bestrijding van fraude en onjuistheden betrekking heeft op gegevens die binnen de werkingssfeer van dit Verdrag vallen, maar die niet rechtstreeks door het aangezochte bevoegd orgaan worden verwerkt, helpt het aangezochte bevoegd orgaan het verzoekende bevoegd orgaan bij het benoemen van een derde als geschikte informatiebron en biedt het zijn goede diensten aan bij eventuele gesprekken met die derde.

HOOFDSTUK IV. CONTROLE VAN AANSLUITING EN UITKERINGEN

Artikel 12. Bevraging inzake aansluiting en uitkeringen

1.

Het bevoegd orgaan van een Verdragsluitende Partij dat moet nagaan onder welke voorwaarden een persoon op grond van de Basisverordening in aanmerking komt voor aansluiting bij een socialezekerheidsstelsel of voor toekenning of voortzetting van een uitkering of socialezekerheidsrecht, kan, indien het zulks noodzakelijk acht, het bevoegd orgaan van de andere betrokken Verdragsluitende Partij of Partijen bevragen teneinde zich ervan te vergewissen dat deze persoon terecht is aangesloten of dat deze persoon voldoet aan de voorwaarden voor de betreffende uitkering of het socialezekerheidsrecht.

2.

Het overeenkomstig lid 1 bevraagde bevoegd orgaan verstrekt aan het verzoekende bevoegd orgaan de nuttige en nodige inlichtingen waarover het beschikt om de aansluiting van de betrokken persoon, het recht op uitkeringen en het voortzetten hiervan te kunnen vaststellen.

Artikel 13. Interviews

1.

Onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, kan het orgaan dat bevoegd is voor de toekenning of voortzetting van een uitkering of socialezekerheidsrecht administratieve controles verrichten door het afnemen van interviews met de aanvrager of rechthebbende in het woon- of verblijfland. Deze interviews vinden plaats op het kantoor van het bevoegd orgaan van het woon- of verblijfland van de aanvrager of de rechthebbende.

2.

De functionarissen van het orgaan dat bevoegd is voor de toekenning of voortzetting van een uitkering of socialezekerheidsrecht en die de in lid 1 bedoelde interviews afnemen, moeten steeds hun officiële titel kunnen aantonen door middel van hun legitimatiebewijs. Artikel 8, lid 6, is van overeenkomstige toepassing.

3.

Bij de uitvoering van dit artikel zijn de bevoegde organen elkaar behulpzaam en handelen zij als betrof het de uitvoering van hun eigen wetgeving. De administratieve bijstand die door de bevoegde organen wordt verleend, is kosteloos. De bevoegde organen van de betrokken Verdragsluitende Partijen kunnen echter overeenkomen dat bepaalde kosten worden vergoed.

4.

De in dit artikel voorziene mogelijkheid kan slechts worden gebruikt in de onderlinge verhoudingen tussen die Verdragsluitende Partijen waarvoor dat in een administratieve schikking als bedoeld in artikel 17 is vastgelegd, en dit na sluiting en inwerkingtreding van die administratieve schikking en overeenkomstig de daarin bepaalde modaliteiten. Dit heeft geenszins gevolgen voor de Verdragsluitende Partij die niet betrokken is bij de administratieve schikking in kwestie.

HOOFDSTUK V. SAMENWERKING INZAKE TERUGVORDERING

Artikel 14. Samenwerking inzake terugvordering

1.

De Verdragsluitende Partijen spannen zich in om nauw met elkaar samen te werken op het gebied van de terugvordering van ten onrechte betaalde sociale bijdragen en uitkeringen, met inachtneming van de relevante voorschriften van de EU-instrumenten. De Verdragsluitende Partijen spannen zich in om daarbij zo veel mogelijk gebruik te maken van relevante procedures, documenten en mogelijkheden die op grond van die EU-instrumenten te hunner beschikking staan.

2.

De Verdragsluitende Partijen streven naar nauwe samenwerking bij de uitwisseling van informatie over de betaling van administratieve boetes die zijn opgelegd in verband met de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten.

3.

Indien de in lid 1 bedoelde samenwerking daartoe noopt, kunnen bijkomende afspraken worden gemaakt of bijkomende bepalingen worden vastgesteld inzake terugvordering, overeenkomstig artikel 17 of artikel 19.

HOOFDSTUK VI. VOORSCHRIFTEN INZAKE GEGEVENSUITWISSELING

Artikel 15. Gegevensbescherming

Elke Verdragsluitende Partij zorgt ervoor dat de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de uitvoering van onderhavig Verdrag geschiedt overeenkomstig verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), overeenkomstig de bijkomede bepalingen welke in voorkomend geval van toepassing zijn krachtens andere EU-instrumenten, alsmede overeenkomstig de ter uitvoering daarvan in de interne rechtsorde van de betrokken Verdragsluitende Partij vastgestelde bepalingen.

Artikel 16. Gegevensuitwisseling

1.

Onverminderd de bepalingen van artikel 15, kunnen gegevens tussen de Verdragsluitende Partijen op grond van onderhavig Verdrag worden uitgewisseld in de in dit Verdrag voorziene gevallen en onder de daarin bepaalde voorwaarden.

2.

Indien de in onderhavig Verdrag bedoelde samenwerking daartoe noopt, kunnen bijkomende afspraken worden gemaakt of bijkomende bepalingen worden vastgesteld inzake gegevensuitwisseling, overeenkomstig artikel 17 of artikel 19, met inachtneming van artikel 15 en van de overige bepalingen van onderhavig Verdrag.

HOOFDSTUK VII. NADERE UITVOERINGSREGELINGEN

Artikel 17. Administratieve schikkingen

De Verdragsluitende Partijen of hun bevoegde autoriteiten kunnen administratieve schikkingen sluiten om nadere regelingen voor de uitvoering van dit Verdrag te bepalen, met name in de in dit Verdrag voorziene gevallen. Deze administratieve schikkingen dienen steeds de in dit Verdrag bepaalde voorwaarden na te leven.

Artikel 18. Samenwerking tussen bevoegde organen

De bevoegde organen van de Verdragsluitende Partijen kunnen samenwerkingsafspraken sluiten. Deze samenwerkingsafspraken hebben betrekking op de in dit Verdrag bedoelde aangelegenheden, met uitsluiting van de aangelegenheden die geregeld zijn in de administratieve schikkingen gesloten op grond van artikel 17.

Artikel 19. Bevoegdheden van het Benelux Comité van Ministers

In de in onderhavig Verdrag voorziene gevallen en onder de daarin bepaalde voorwaarden, kan het Benelux Comité van Ministers als bedoeld in artikel 5, onder a), van het Verdrag tot instelling van de Benelux Unie in voorkomend geval beschikkingen vaststellen als bedoeld in artikel 6, lid 2, onder a), van het Verdrag tot instelling van de Benelux Unie, overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 7 en 8 van laatstgenoemd Verdrag.

Artikel 20. Evaluatie van de uitvoering van het Verdrag

1.

De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen evalueren gezamenlijk de uitvoering van dit Verdrag twee jaar na inwerkingtreding ervan en vervolgens minimaal elke vijf jaar. Als een bevoegde autoriteit daarom verzoekt, vindt in afstemming met de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen een tussentijdse evaluatie plaats.

2.

Voor deze evaluaties raadplegen de bevoegde autoriteiten van elke Verdragsluitende Partij de relevante bevoegde organen van die Verdragsluitende Partij, en houden zij rekening met relevante gegevens waarover deze bevoegde autoriteiten en bevoegde organen in hun databanken beschikken, inclusief de gegevens welke op grond van onderhavig Verdrag werden uitgewisseld, de rapporten als bedoeld in artikel 8, lid 11, en het eraan gegeven vervolg.

3.

De uitkomsten van deze evaluaties kunnen door de bevoegde autoriteiten en de bevoegde organen worden gebruikt voor de behoefteraming inzake het voor de onderling afgestemde of gezamenlijke controles of inspecties benodigde aantal functionarissen en voor het identificeren van risicofactoren met het oog op de uitvoering van doelgerichte acties in dit kader.

Artikel 21. Benelux-Gerechtshof

De bepalingen van dit Verdrag, de bepalingen van de tussen Verdragsluitende Partijen gesloten administratieve schikkingen als bedoeld in artikel 17 en de bepalingen van de eventuele beschikkingen van het Benelux Comité van Ministers als bedoeld in artikel 19 worden aangewezen als rechtsregels ten aanzien waarvan het Benelux-Gerechtshof beschikt over de bevoegdheden bedoeld in artikel 1, lid 2, onder a) en c), van het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof.

HOOFDSTUK VIII. SLOTBEPALINGEN

Artikel 22. Aanpassingsclausule

De bepalingen van dit Verdrag blijven van toepassing voor zover ze geen afbreuk doen aan de bepalingen van de EU-instrumenten, indien deze laatste worden gewijzigd.

Artikel 23. Uitvoering van het Verdrag

1.

De Verdragsluitende Partijen treffen de maatregelen welke nodig zijn voor de uitvoering van dit Verdrag.

2.

Voor zover in dit Verdrag niet uitdrukkelijk anders is bepaald, worden de in lid 1 bedoelde maatregelen getroffen in het kader van het respectievelijke recht en de internationale verplichtingen van de Verdragsluitende Partijen.

Artikel 24. Aanwijzing van de bevoegde organen en van de functionarissen

1.

Elke Verdragsluitende Partij stelt het Benelux Secretariaat-Generaal schriftelijk in kennis van het bevoegde orgaan of de bevoegde organen die zij als dusdanig aanwijst op grond van haar interne bevoegdheidsverdeling en bestuursorganisatie voor de toepassing van dit Verdrag. Het Benelux Secretariaat-Generaal brengt elke andere Verdragsluitende Partij op de hoogte van de aldus aangewezen bevoegde organen.

2.

Van elke relevante wijziging dienaangaande, waaronder een wijziging van de benaming, de contactgegevens of de taken van een bevoegd orgaan, wordt op dezelfde wijze kennisgegeven.

3.

Elke Verdragsluitende Partijen geeft op dezelfde wijze kennis van de functionele omschrijving, zonder nominatieve aanwijzing van hun identiteit, van de bevoegde personen die op grond van haar interne bevoegdheidsverdeling en bestuursorganisatie in de hoedanigheid van functionaris optreden, alsook van elke relevante wijziging dienaangaande.

Artikel 25. Geldigheidsduur en opzegging

1.

Dit Verdrag wordt voor onbepaalde tijd gesloten.

2.

Dit Verdrag kan door elke Verdragsluitende Partij te allen tijde worden opgezegd door de neerlegging van een schriftelijke verklaring bij de depositaris. De opzegging wordt zes maanden na de neerlegging van deze schriftelijke verklaring van kracht. Het Verdrag blijft in werking tussen de overige Verdragsluitende Partijen. De depositaris brengt de Verdragsluitende Partijen op de hoogte van de neerlegging van dergelijke verklaring.

Artikel 26. Bekrachtiging en inwerkingtreding

1.

De secretaris-generaal van de Benelux Unie is depositaris van dit Verdrag, waarvan hij een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift aan elke Verdragsluitende Partij doet toekomen.

2.

Dit Verdrag wordt bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd door de Verdragsluitende Partijen.

3.

De Verdragsluitende Partijen leggen hun akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring neer bij de depositaris.

4.

De depositaris brengt de Verdragsluitende Partijen op de hoogte van de neerlegging van de akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.

5.

Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de neerlegging van de laatste akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring. De depositaris stelt de Verdragsluitende Partijen op de hoogte van de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag.

Artikel 27. Toetreding

1.

Een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland kan verzoeken om toetreding tot dit Verdrag.

2.

De verzoekende lidstaat deelt dit verzoek om toetreding overeenkomstig zijn grondwettelijke procedures mee aan de depositaris, die alle Verdragsluitende Partijen daarvan op de hoogte stelt. De verzoekende lidstaat kan enkel toetreden na de ontvangst door de depositaris van de laatste kennisgeving van alle Verdragsluitende Partijen dat zij het verzoek van de verzoekende lidstaat aanvaarden. De depositaris stelt de verzoekende lidstaat op de hoogte wanneer alle Verdragsluitende Partijen het verzoek hebben aanvaard.

3.

De toetreding van de verzoekende lidstaat tot dit Verdrag geschiedt vervolgens door de neerlegging van een akte van toetreding bij de depositaris en treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgend op de ontvangst door de depositaris van deze akte van toetreding. De depositaris stelt alle Verdragsluitende Partijen op de hoogte van de datum van toetreding tot dit Verdrag.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.

GEDAAN te Brussel, op 9 maart 2026, in één exemplaar, in de Nederlandse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor het Koninkrijk België, vertegenwoordigd door:

– De Federale Regering

– De Vlaamse Regering

– De Regering van de Franse Gemeenschap

– De Waalse Regering

– De Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

– De Regering van de Duitstalige Gemeenschap

F. VANDENBROUCKE

Voor het Groothertogdom Luxemburg

M. DEPREZ

M. SPAUTZ

Voor het Koninkrijk der Nederlanden

J.A. VIJLBRIEF

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)