Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003
Algemeen
Artikel 2
Artikel 1
Paragraaf 1. wettekst artikel 1
1-1-b. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b
1-1-a. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a
Paragraaf 2. toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a
Paragraaf 2.1. wettekst artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a
1-1-e. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder e
Paragraaf 2.2. algemeen
1-1-g. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g
paragraaf 1. Algemeen
Paragraaf 3. toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b
Paragraaf 3.1. wettekst artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b
1-1-f. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f
Paragraaf 3.2. algemeen
paragraaf 3. Toelating voor onbepaalde tijd
1-1-c. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c
1-1-g. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g
paragraaf 1. Algemeen
1-1-e. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder e
1-1-d. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d
Paragraaf 4. toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c
Paragraaf 4.1. wettekst artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c
1-1-e. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder e
Paragraaf 4.2. algemeen
1-1-e. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder e
1-1-f. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f
paragraaf 2.1. Toelating
1-1-g. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g
Paragraaf 5. toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d
Paragraaf 5.1. wettekst artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d
paragraaf 1. Algemeen
Paragraaf 5.2. algemeen
paragraaf 2.1. Toelating
Paragraaf 6. toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder e
Paragraaf 6.1. wettekst artikel 1, eerste lid, aanhef en onder e
Paragraaf 2.2. Ex-geprivilegieerden
Paragraaf 6.2. algemeen
Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
Voor de toepassing van deze Rijkswet wordt verstaan onder meerderjarige: hij die de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt of voordien in het huwelijk is getreden.
Het kan voorkomen dat in de overgelegde documenten alsook in de basisregistratie personen (BRP) de geboortedatum niet volledig is vermeld (de geboortemaand of de geboortedag ontbreekt). Voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap is het in een aantal gevallen echter noodzakelijk dat een volledige geboortedatum wordt vastgesteld. Zo moet bijvoorbeeld worden bepaald of een kind twaalf jaar is (artikel 2, vierde lid, RWN), zestien jaar is (artikel 6, achtste lid, RWN en artikel 11, tweede tot en met vierde lid, RWN), nog minderjarig is, of dat een meerderjarig persoon een bepaalde leeftijd heeft bereikt (artikel 6, eerste lid, aanhef en onder h, RWN). Voor de toepassing van de RWN moet in dergelijke gevallen de geboortedatum van een persoon op de volgende wijze worden bepaald. De geboortedatum van een optant of verzoeker om naturalisatie moet in eerste instantie worden bepaald uitsluitend aan de hand van zijn geboorteakte (of een uittreksel van een geboorteakte), dit ongeacht wat er in andere documenten (bijvoorbeeld huwelijksakte, paspoort, identiteitskaart en dergelijke) is vermeld. Als in een geboorteakte uitsluitend het geboortejaar is vermeld, dan wordt bij de beoordeling 1 juli als geboortedatum gehanteerd. Is naast het geboortejaar alleen de geboortemaand vermeld, dan wordt als geboortedatum aangenomen de zestiende van de betreffende maand. Pas als een geboorteakte kan worden overgelegd en een dergelijk document ook in het verleden niet is overgelegd, kunnen bij de bepaling van de geboortedatum andere documenten worden gebruikt op de wijze zoals hierboven vermeld.
Deze bepaling definieert het begrip ‘meerderjarigheid’. Bij de (mede)verkrijging, bij de (mede)verlening alsook bij het verlies van het Nederlanderschap speelt de leeftijd van de betrokkene een belangrijke rol. In alle gevallen is het van belang of de betrokkene al dan niet meerderjarig is. Zo moet bijvoorbeeld op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, RWN een vreemdeling meerderjarig zijn in de zin van deze bepaling. Het al dan niet meerderjarig zijn naar het eigen nationale recht van de vreemdeling speelt daarbij geen rol. Zo kan een negentienjarige vreemdeling, die naar zijn eigen nationale recht nog minderjarig is, geen verzoek om naturalisatie laten indienen door zijn ouder.
Met de zinsnede ‘of voordien in het huwelijk is getreden’ wordt gedoeld op degenen die jonger dan achttien jaar waren toen zij trouwden. Hierbij is van belang of een buiten het Koninkrijk der Nederlanden gesloten huwelijk volgens de regels van het Nederlands internationaal privaatrecht (Boek 10 BW) in Nederland wordt erkend. Dit betekent onder meer dat alleen een huwelijk dat gesloten is volgens het recht van het land waarin het huwelijk is gesloten in aanmerking komt voor erkenning in Nederland. Een alleen kerkelijk, religieus of anderszins ceremonieel gesloten huwelijk, ongeacht waar dat is gesloten, wordt dus niet erkend, tenzij deze huwelijkssluiting overeenstemt met de huwelijksregels van het land, waarin het huwelijk is gesloten. Als het huwelijk buiten het Koninkrijk is gesloten volgens het recht van het land waarin het huwelijk is gesloten, dan nog wordt het huwelijk niet erkend, als bij het sluiten ervan één of beide partners jonger dan achttien jaar was of waren (art. 10:32 BW). Pas nadat beide partners 18 jaar of ouder zijn geworden, kan worden gevraagd dat Nederland het huwelijk wel erkent. In dat laatste geval vangt de meerderjarigheid voor de toepassing van de RWN van de eerder te jonge persoon aan op de dag dat betrokkene 18 jaar werd. Het bovenstaande geldt tevens voor buiten het Koninkrijk gesloten geregistreerde partnerschappen, die zijn bedoeld in artikel 1, tweede lid RWN.
Binnen het Koninkrijk gesloten huwelijken worden op basis van het Statuut voor het Koninkrijk in ieder land van het Koninkrijk erkend. Dit geldt dus bijvoorbeeld voor een in Aruba gesloten huwelijk waarbij de vrouw 16 jaar was ten tijde van de huwelijkssluiting. De huwelijksleeftijd in Aruba is 18 jaar, maar onder omstandigheden kan ook jonger worden gehuwd. In dat geval vangt de meerderjarigheid voor de toepassing van de RWN van de persoon onder de 18 aan op de huwelijksdag. Na een echtscheiding of overlijden van de echtgeno(o)t(e), voordat betrokkene achttien jaar geworden is, blijft sprake van meerderjarigheid.
Minderjarig in de zin van de RWN is een ieder die niet meerderjarig is in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, RWN.
Het kan voorkomen dat in de overgelegde documenten alsook in de basisregistratie personen (BRP) de geboortedatum niet volledig is vermeld (de geboortemaand of de geboortedag ontbreekt). Voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap is het in een aantal gevallen echter noodzakelijk dat een volledige geboortedatum wordt vastgesteld. Zo moet bijvoorbeeld worden bepaald of een kind twaalf jaar is (artikel 2, vierde lid, RWN), zestien jaar is (artikel 6, achtste lid, RWN en artikel 11, tweede tot en met vierde lid, RWN), nog minderjarig is, of dat een meerderjarig persoon een bepaalde leeftijd heeft bereikt (artikel 6, eerste lid, aanhef en onder h, RWN). Voor de toepassing van de RWN moet in dergelijke gevallen de geboortedatum van een persoon op de volgende wijze worden bepaald. De geboortedatum van een optant of verzoeker om naturalisatie moet in eerste instantie worden bepaald uitsluitend aan de hand van zijn geboorteakte (of een uittreksel van een geboorteakte), dit ongeacht wat er in andere documenten (bijvoorbeeld huwelijksakte, paspoort, identiteitskaart en dergelijke) is vermeld. Als in een geboorteakte uitsluitend het geboortejaar is vermeld, dan wordt bij de beoordeling 1 juli als geboortedatum gehanteerd. Is naast het geboortejaar alleen de geboortemaand vermeld, dan wordt als geboortedatum aangenomen de zestiende van de betreffende maand. Pas als een geboorteakte kan worden overgelegd en een dergelijk document ook in het verleden niet is overgelegd, kunnen bij de bepaling van de geboortedatum andere documenten worden gebruikt op de wijze zoals hierboven vermeld.
Het vorenstaande neemt overigens niet weg dat voor de vermelding van de geboortedatum in de optieverklaring dan wel het koninklijk besluit de vermelding in de BRP leidend is. Dit betekent dat als in de BRP alleen het geboortejaar wordt vermeld, in de bevestiging of het koninklijk besluit ook uitsluitend het geboortejaar wordt opgenomen.
Een minderjarige staat volgens Nederlands recht in familierechtelijke betrekking met één ouder dan wel in familierechtelijke betrekkingen met twee ouders. Het begrip ‘familierechtelijke betrekking’ doelt slechts op de familierechtelijke band, en dat is de juridische afstammingsrelatie (juridische afstammingsband) met de ouder (zie artikelen 1:197-1:199 BW). Andere juridische aspecten van ouderschap, zoals namenrecht, erfrecht, onderhoudsverplichting, gezagsrecht etc, vallen niet onder het begrip ‘familierechtelijke betrekking’.
Voor de betekenis van het begrip familierechtelijke betrekkingen in deze paragraaf wordt verwezen naar de definitie, zoals die is opgenomen in de toelichting op artikel 1, eerste lid, onder c RWN.
Voor de toepassing van deze Rijkswet wordt verstaan onder moeder: de vrouw tot wie het kind, anders dan door adoptie, in de eerste graad in opgaande lijn in familierechtelijke betrekking staat.
Om te bepalen of een persoon staatloos is in de zin van de RWN wordt gekeken naar de inschrijving in de BRP. Als de vreemdeling in de BRP is ingeschreven als staatloze, is op zijn persoonslijst in de categorie nationaliteit ‘staatloos’ opgenomen met code 0499 (staatloos) en kan hij worden aangemerkt als staatloze in de zin van de RWN. Voor een optant die een optieverklaring wil afleggen op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b of q, RWN geldt dat hij vanaf geboorte staatloos moet zijn. Voor een naturalisandus die wil naturaliseren met gebruikmaking van de verkorte toelatingstermijn van 3 jaar van artikel 8, lid 4 RWN geldt dat de persoon op het moment van het indienen van zijn naturalisatieverzoek staatloos is.
Voor de toepassing van deze Rijkswet wordt verstaan onder vader: de man tot wie het kind, anders dan door adoptie, in de eerste graad in opgaande lijn in familierechtelijke betrekking staat.
Voor de betekenis van het begrip familierechtelijke betrekkingen in deze paragraaf wordt verwezen naar de definitie, zoals die is opgenomen in in artikel 1, eerste lid aanhef en onder c, paragraaf 4.2 HRWN.
Een document als genoemd onder a. betreft een buitenlandse vaststelling staatloosheid (gerechtelijke vaststelling of besluit overheidsorgaan) van een land dat bij ministeriële regeling is aangewezen. Zie hiervoor de Regeling evidente staatloosheid. Buitenlandse documenten moeten vertaald zijn door een beëdigde vertaler in het Nederlands, Engels, Frans of Duits. Deze documenten moeten voor zover nodig gelegaliseerd of van een apostille voorzien zijn.
Daarbij zijn met name relevant gevallen waarin de ouders de nationaliteit hebben van een land dat het ius soli systeem kent (nationaliteit wordt ontleend aan geboorte op grondgebied van de betreffende staat). In die gevallen moet worden beoordeeld of zij een reparatiemogelijkheid hebben op grond van de wetgeving van hun land van nationaliteit. Veel landen met een ius soli systeem kennen de mogelijkheid het kind dat in het buitenland is geboren te laten registreren bij hun ambassades, waardoor het kind de nationaliteit van de ouder(s) alsnog verkrijgt. De burgemeester kan niet vaststellen of dit opzettelijk niet is gebeurd of door gebrek aan informatie. De burgemeester kan alleen feitelijk vaststellen dat de juridische mogelijkheid bestaat of niet. Er zijn meerdere bronnen die hiervoor kunnen worden geraadpleegd, zoals de kennisbank Burgerzaken of Kluwer. Het gaat om de feitelijke conclusie dat er een mogelijkheid bestaat en dat daarvan (bewust dan wel onbewust) geen gebruik is gemaakt.
Paragraaf 2.2. Ex-geprivilegieerden
Als de vreemdeling in de BRP is ingeschreven als ‘van onbekende nationaliteit’ omdat zijn nationaliteit niet kan worden vastgesteld, is op zijn persoonslijst in de categorie nationaliteit de standaardwaarde ‘0000’ (onbekend) opgenomen en kan hij niet worden aangemerkt als staatloze in de zin van de RWN.
Een eenduidige definitie van het begrip ‘staatloze’ is van belang in verband met de toepassing van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, RWN, artikel 6, eerste lid, aanhef en onder q, RWN en artikel 8, vierde lid, RWN. Voor wat betreft de definitie van staatloosheid bij artikel 14, achtste lid, RWN wordt verwezen naar de toelichting op dit artikel in deze Handleiding.
Voor de toepassing van deze Rijkswet wordt verstaan onder staatloze:
Paragraaf 7.2. algemeen
Paragraaf 3. Toelating voor onbepaalde tijd
Paragraaf 6.2. Gemeenschapsonderdanen en afgifte bericht omtrent toelating
Paragraaf 3. Toelating voor onbepaalde tijd
paragraaf 2.1. Toelating
Paragraaf 4. Toelating minderjarigen
Paragraaf 6.2. Gemeenschapsonderdanen en afgifte bericht omtrent toelating
Paragraaf 4. Toelating minderjarigen
Paragraaf 7. Voordeel van de twijfel
De burgemeester moet bij het afleggen van een optieverklaring of het indienen van naturalisatieverzoek beoordelen of de ouders zelf wel een nationaliteit hebben dan wel op grond van de nationaliteitswetgeving van hun land van herkomst hun nationaliteit na de geboorte kan doorgeven aan hun kind. Als zij daar (kennelijk) van hebben afgezien kunnen zij verantwoordelijk worden geacht voor de staatloosheid van hun kind. Zij hebben die immers niet opgeheven, terwijl zij daartoe wel de juridische mogelijkheid hadden.
Paragraaf 6.1. Procedure afgifte bericht omtrent toelating
Paragraaf 5. Onafgebroken periode(n) van toelating/‘verblijfsgat’
Als de vreemdeling in de BRP is ingeschreven als ‘van onbekende nationaliteit’ omdat zijn nationaliteit niet kan worden vastgesteld, is op zijn persoonslijst in de categorie nationaliteit de standaardwaarde ‘0000’ (onbekend) opgenomen en kan hij niet worden aangemerkt als staatloze in de zin van de RWN.
1-1-h. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h
Paragraaf 8. toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g
Paragraaf 8.1. wettekst artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g
Voor de toepassing van deze Rijkswet wordt verstaan onder toelating: instemming door het bevoegd gezag met het bestendig verblijf van de vreemdeling in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Paragraaf 8.2. algemeen
Uit de formulering van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN volgt dat toelating alleen van toepassing is op een vreemdeling. Dat betekent dat perioden waarin een optant of verzoeker Nederlander was, niet meetellen bij de berekening van de periode van toelating, en dat met een eventuele verkrijging van het Nederlanderschap de periode van toelating eindigt.
Ingevolge dit artikellid betekent ‘toelating’ dat het bevoegde gezag uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven aan een vreemdeling om in het Koninkrijk voor een langere periode te verblijven. Instemming door het bevoegde gezag houdt in dat een daartoe strekkend besluit van een bevoegde overheidsinstantie een vereiste is. Ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 is de Minister van Justitie het bevoegde bestuursorgaan om een verblijfsvergunning te verlenen (zie de artikelen 9, 14, 20, 28 en 33 Vw 2000) dan wel te verlengen. In het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000) is bepaald in welke gevallen die bevoegdheid door de Minister is gemandateerd aan de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente is gelegen waar de vreemdeling zijn woon- of verblijfplaats heeft (zie bijvoorbeeld de artikelen 3.10, 3.15, 3.35 en 3.36 VV 2000).
⋯
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.