Wijzigingsgeschiedenis

Wet van 15 januari 1921

100 versions · 2026-01-01
2026-01-01
Wetboek van Strafvordering
2025-07-01
Wetboek van Strafvordering — arts. 77, 83, 135 y 5 más
2025-05-15
Wetboek van Strafvordering — arts. 77, 83, 135 y 5 más
2025-02-04
Wetboek van Strafvordering — arts. 77, 83, 135 y 5 más
2025-01-01
Wetboek van Strafvordering — arts. 77, 83, 135 y 5 más
2024-10-01
Wetboek van Strafvordering — arts. 77, 83, 135 y 5 más
2024-07-01
Wetboek van Strafvordering — arts. 77, 83, 135 y 5 más
2024-01-01
Wetboek van Strafvordering — arts. 77, 83, 135 y 5 más
2023-10-01
Wetboek van Strafvordering
2023-03-01
Wetboek van Strafvordering — arts. 77, 83, 135 y 5 más
2023-01-01
Wetboek van Strafvordering — arts. 77, 83, 135 y 5 más
2022-10-01
Wetboek van Strafvordering
2022-07-01
Wetboek van Strafvordering
2022-01-01
Wetboek van Strafvordering — arts. 77, 83, 135 y 4 más
2021-11-09
Wetboek van Strafvordering
2021-07-01
Wetboek van Strafvordering
2021-05-07
Wetboek van Strafvordering — arts. 77, 83, 135 y 4 más
2021-05-01
Wetboek van Strafvordering
2021-01-01
Wetboek van Strafvordering — arts. 77, 83, 135 y 4 más
2020-12-19
Wetboek van Strafvordering
2020-07-25
Wetboek van Strafvordering
2020-01-01
Wetboek van Strafvordering — art. 6
2019-08-01
Wetboek van Strafvordering — arts. 77, 83, 135 y 5 más
2019-06-01
Wetboek van Strafvordering
2019-05-01
Wetboek van Strafvordering — arts. 77, 83, 135 y 5 más
2019-04-27
Wetboek van Strafvordering — arts. 77, 83, 135 y 5 más
2019-03-01
Wetboek van Strafvordering
2019-01-01
Wetboek van Strafvordering
2018-10-16
Wetboek van Strafvordering
2018-10-01
Wetboek van Strafvordering
2018-09-19
Wetboek van Strafvordering
2018-07-28
Wetboek van Strafvordering
2018-07-01
Wetboek van Strafvordering
2018-05-25
Wetboek van Strafvordering — arts. 77, 77, 83 y 13 más
2018-05-01
Wetboek van Strafvordering — arts. 77, 83, 135 y 5 más
2018-01-01
Wetboek van Strafvordering
2017-06-17
Wetboek van Strafvordering
2017-04-01
Wetboek van Strafvordering
2017-03-01
Wetboek van Strafvordering
2017-01-01
Wetboek van Strafvordering — arts. 77, 83, 135 y 5 más
2016-12-01
Wetboek van Strafvordering
2016-08-11
Wetboek van Strafvordering — arts. 77, 83, 135 y 5 más
2016-07-01
Wetboek van Strafvordering
2015-11-17
Wetboek van Strafvordering — arts. 77, 83, 135 y 5 más
2015-07-01
Wetboek van Strafvordering — arts. 77, 83, 135 y 5 más
2015-03-01
Wetboek van Strafvordering
2015-01-01
Wetboek van Strafvordering
2014-11-01
Wetboek van Strafvordering — arts. 77, 83, 135 y 5 más

Wijzigingen op 2014-11-01

@@ -104,7 +104,7 @@
2. Onder rechtstreeks belanghebbende wordt mede verstaan een rechtspersoon die krachtens zijn doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een belang behartigt dat door de beslissing tot niet vervolging of niet verdere vervolging rechtstreeks wordt getroffen.
3. Geen beklag is mogelijk indien er sprake is van een onherroepelijke einduitspraak als bedoeld in [artikel 482a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Tweede&artikel=482a&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
3. Geen beklag is mogelijk indien er sprake is van een onherroepelijke einduitspraak als bedoeld in [artikel 482a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Tweede&artikel=482a&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
##### Artikel 12a
@@ -114,7 +114,7 @@
##### Artikel 12b
Indien het beklag niet tot de kennisneming van het gerechtshof behoort, verklaart het gerechtshof zich onbevoegd. Is het gerechtshof van oordeel dat een ander gerechtshof dan wel, in geval van [artikel 13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=13a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), de Hoge Raad bevoegd is, dan verwijst het gerechtshof de zaak naar het bevoegd geachte college onder gelijktijdige toezending van het klaagschrift en een afschrift van de beschikking.
Indien het beklag niet tot de kennisneming van het gerechtshof behoort, verklaart het gerechtshof zich onbevoegd. Is het gerechtshof van oordeel dat een ander gerechtshof dan wel, in geval van [artikel 13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=13a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), de Hoge Raad bevoegd is, dan verwijst het gerechtshof de zaak naar het bevoegd geachte college onder gelijktijdige toezending van het klaagschrift en een afschrift van de beschikking.
##### Artikel 12c
@@ -122,7 +122,7 @@
##### Artikel 12d
1. Het gerechtshof beslist niet alvorens de klager te hebben gehoord, althans behoorlijk daartoe te hebben opgeroepen, behoudens in de gevallen bedoeld in de [artikelen 12b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=12b&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [12c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=12c&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
1. Het gerechtshof beslist niet alvorens de klager te hebben gehoord, althans behoorlijk daartoe te hebben opgeroepen, behoudens in de gevallen bedoeld in de [artikelen 12b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=12b&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [12c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=12c&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
2. Het oproepen van de klager kan ook achterwege blijven wanneer door hem terzake van hetzelfde feit reeds eerder beklag is gedaan, tenzij door de klager nieuwe omstandigheden zijn aangevoerd die, waren zij het gerechtshof bekend geweest, tot een andere beslissing op dat eerdere beklag hadden kunnen leiden.
@@ -132,13 +132,13 @@
1. Het gerechtshof kan de persoon wiens vervolging wordt verlangd oproepen ten einde hem in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken over het in het beklag gedane verzoek en de gronden waarop dat berust. De oproeping gaat vergezeld van een afschrift van het klaagschrift of bevat een aanduiding van het feit waarop het beklag betrekking heeft.
2. Een bevel als bedoeld in [artikel 12i, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=12i&z=2014-07-01&g=2014-07-01), wordt niet gegeven dan nadat de persoon wiens vervolging wordt verlangd door het gerechtshof is gehoord, althans behoorlijk daartoe is opgeroepen. [Artikel 273, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=273&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
2. Een bevel als bedoeld in [artikel 12i, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=12i&z=2014-11-01&g=2014-11-01), wordt niet gegeven dan nadat de persoon wiens vervolging wordt verlangd door het gerechtshof is gehoord, althans behoorlijk daartoe is opgeroepen. [Artikel 273, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=273&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 12f
1. De klager en de persoon wiens vervolging wordt verlangd kunnen zich in raadkamer doen bijstaan. Zij kunnen zich doen vertegenwoordigen door een advocaat, indien deze verklaart daartoe bepaaldelijk gevolmachtigd te zijn, of door een daartoe bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde. Van deze bevoegdheid, alsmede van de mogelijkheid om toevoeging van een advocaat te verzoeken, wordt hun in de oproeping mededeling gedaan.
2. De voorzitter van het gerechtshof staat, behoudens in de gevallen bedoeld in de [artikelen 12b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=12b&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [12c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=12c&z=2014-07-01&g=2014-07-01), de klager en de persoon wiens vervolging wordt verlangd, alsmede hun advocaten of gemachtigden toe van de op de zaak betrekking hebbende stukken kennis te nemen indien daarom wordt verzocht. Kennisneming geschiedt op de wijze door de voorzitter te bepalen. De voorzitter kan, ambtshalve of op vordering van de advocaat-generaal, bepaalde stukken van kennisneming uitzonderen in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de opsporing of vervolging van strafbare feiten of op zwaarwichtige gronden aan het algemeen belang ontleend.
2. De voorzitter van het gerechtshof staat, behoudens in de gevallen bedoeld in de [artikelen 12b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=12b&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [12c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=12c&z=2014-11-01&g=2014-11-01), de klager en de persoon wiens vervolging wordt verlangd, alsmede hun advocaten of gemachtigden toe van de op de zaak betrekking hebbende stukken kennis te nemen indien daarom wordt verzocht. Kennisneming geschiedt op de wijze door de voorzitter te bepalen. De voorzitter kan, ambtshalve of op vordering van de advocaat-generaal, bepaalde stukken van kennisneming uitzonderen in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de opsporing of vervolging van strafbare feiten of op zwaarwichtige gronden aan het algemeen belang ontleend.
3. De voorzitter kan, ambtshalve of op vordering van de advocaat-generaal, bepalen dat in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de opsporing en vervolging van strafbare feiten of op zwaarwichtige gronden aan het algemeen belang ontleend, van bepaalde stukken of gedeelten daarvan geen afschrift wordt verstrekt.
@@ -158,9 +158,9 @@
2. Het gerechtshof kan het geven van zodanig bevel ook weigeren op gronden aan het algemeen belang ontleend.
3. Het bevel kan tevens de last bevatten, dat door de officier van justitie de vordering zal worden gedaan bedoeld in [artikel 181](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=181&z=2014-07-01&g=2014-07-01) teneinde de rechter-commissaris bepaalde onderzoekshandelingen te laten verrichten, of dat de persoon wiens vervolging wordt verlangd ter terechtzitting wordt gedagvaard.
4. In alle andere gevallen wijst het gerechtshof, behoudens het bepaalde in [artikel 12b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=12b&z=2014-07-01&g=2014-07-01), het beklag af.
3. Het bevel kan tevens de last bevatten, dat door de officier van justitie de vordering zal worden gedaan bedoeld in [artikel 181](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=181&z=2014-11-01&g=2014-11-01) teneinde de rechter-commissaris bepaalde onderzoekshandelingen te laten verrichten, of dat de persoon wiens vervolging wordt verlangd ter terechtzitting wordt gedagvaard.
4. In alle andere gevallen wijst het gerechtshof, behoudens het bepaalde in [artikel 12b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=12b&z=2014-11-01&g=2014-11-01), het beklag af.
##### Artikel 12j
@@ -196,15 +196,15 @@
##### Artikel 13
1. Wordt een verzoekschrift als bedoeld in [artikel 510](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=III&artikel=510&z=2014-07-01&g=2014-07-01) niet ingediend, dan kan de rechtstreeks belanghebbende daarover beklag doen bij het gerechtshof binnen het rechtsgebied waarvan de indiening zou behoren te geschieden. Het gerechtshof kan de advocaat-generaal opdragen te dien aanzien verslag te doen en kan voorts de indiening van het verzoekschrift bevelen.
1. Wordt een verzoekschrift als bedoeld in [artikel 510](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=III&artikel=510&z=2014-11-01&g=2014-11-01) niet ingediend, dan kan de rechtstreeks belanghebbende daarover beklag doen bij het gerechtshof binnen het rechtsgebied waarvan de indiening zou behoren te geschieden. Het gerechtshof kan de advocaat-generaal opdragen te dien aanzien verslag te doen en kan voorts de indiening van het verzoekschrift bevelen.
2. Het gerechtshof kan het geven van zodanig bevel ook weigeren op gronden aan het algemeen belang ontleend.
3. De behandeling van het beklag vindt plaats overeenkomstig de [artikelen 12a tot en met 12l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=12a&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
3. De behandeling van het beklag vindt plaats overeenkomstig de [artikelen 12a tot en met 12l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=12a&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
##### Artikel 13a
Betreft het beklag een strafbaar feit waarvan de Hooge Raad in eersten aanleg kennis neemt, dan geldt hetgeen in de [artikel 12-12j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=12&z=2014-07-01&g=2014-07-01) ten aanzien van het gerechtshof, de leden en de advocaat-generaal voorkomt, ten aanzien van den Hoogen Raad, de leden en den procureur-generaal bij dien Raad.
Betreft het beklag een strafbaar feit waarvan de Hooge Raad in eersten aanleg kennis neemt, dan geldt hetgeen in de [artikel 12-12j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=12&z=2014-11-01&g=2014-11-01) ten aanzien van het gerechtshof, de leden en de advocaat-generaal voorkomt, ten aanzien van den Hoogen Raad, de leden en den procureur-generaal bij dien Raad.
### afdeeling Vijfde. Schorsing der vervolging
@@ -266,11 +266,11 @@
3. Indien door de raadkamer eene beslissing moet worden gegeven na den aanvang van het onderzoek op de terechtzitting, is zij zooveel mogelijk samengesteld uit de leden die op de terechtzitting over de zaak hebben gezeten.
4. Het lid of plaatsvervangend lid dat als rechter- of raadsheer-commissaris eenig onderzoek in de zaak heeft verricht, neemt, op straffe van nietigheid, aan de behandeling door de raadkamer geen deel, tenzij het onderzoek uitsluitend heeft plaatsgevonden op grond van [artikel 316, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=316&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en de rechter- of raadsheer-commissaris ook aan het verdere onderzoek ter terechtzitting kan deelnemen.
5. Behandeling door een enkelvoudige kamer van de rechtbank kan geschieden indien de zaak van eenvoudige aard is. Behandeling door een enkelvoudige kamer vindt in elk geval plaats, indien de kantonrechter de zaak behandelt en beslist. Behandeling door een meervoudige kamer vindt in elk geval plaats, indien het betreft de behandeling van beroep tegen een beschikking van de rechter-commissaris, alsmede van de vordering van het openbaar ministerie tot gevangenhouding of gevangenneming als bedoeld in [artikel 65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=65&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [66, derde lid, laatste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=66&z=2014-07-01&g=2014-07-01), of [66a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=66a&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
6. Behandeling door een enkelvoudige kamer van het gerechtshof kan geschieden indien de behandeling verband houdt met een zaak als bedoeld in [artikel 411, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=411&z=2014-07-01&g=2014-07-01), alsmede indien het betreft de behandeling van een vordering tot verlenging van de gevangenhouding als bedoeld in [artikel 75, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=75&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
4. Het lid of plaatsvervangend lid dat als rechter- of raadsheer-commissaris eenig onderzoek in de zaak heeft verricht, neemt, op straffe van nietigheid, aan de behandeling door de raadkamer geen deel, tenzij het onderzoek uitsluitend heeft plaatsgevonden op grond van [artikel 316, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=316&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en de rechter- of raadsheer-commissaris ook aan het verdere onderzoek ter terechtzitting kan deelnemen.
5. Behandeling door een enkelvoudige kamer van de rechtbank kan geschieden indien de zaak van eenvoudige aard is. Behandeling door een enkelvoudige kamer vindt in elk geval plaats, indien de kantonrechter de zaak behandelt en beslist. Behandeling door een meervoudige kamer vindt in elk geval plaats, indien het betreft de behandeling van beroep tegen een beschikking van de rechter-commissaris, alsmede van de vordering van het openbaar ministerie tot gevangenhouding of gevangenneming als bedoeld in [artikel 65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=65&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [66, derde lid, laatste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=66&z=2014-11-01&g=2014-11-01), of [66a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=66a&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
6. Behandeling door een enkelvoudige kamer van het gerechtshof kan geschieden indien de behandeling verband houdt met een zaak als bedoeld in [artikel 411, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=411&z=2014-11-01&g=2014-11-01), alsmede indien het betreft de behandeling van een vordering tot verlenging van de gevangenhouding als bedoeld in [artikel 75, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=75&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
7. Indien het lid van de rechtbank als bedoeld in het vijfde lid of het lid van het gerechtshof als bedoeld in het zesde lid, oordeelt dat de zaak door een meervoudige kamer moet worden behandeld verwijst hij de zaak daarheen. De verwijzing kan geschieden in elke stand van de behandeling. De verwezen zaak wordt voortgezet in de stand waarin zij zich bevond. Bij de beoordeling van de zaak kan hetgeen voor de verwijzing bij de behandeling in raadkamer heeft plaatsgevonden worden betrokken.
@@ -282,7 +282,7 @@
3. Een bevel als bedoeld in het tweede lid wordt door de raadkamer ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie, dan wel op het verzoek van de verdachte of andere procesdeelnemers gegeven. De raadkamer geeft het bevel niet dan na het openbaar ministerie, de verdachte alsmede andere procesdeelnemers, zonodig met gesloten deuren, hieromtrent te hebben gehoord.
4. De raadkamer is bevoegd de identiteit van de verdachte vast te stellen op de wijze, bedoeld in [artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=27a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en van de getuige op de wijze, bedoeld in [artikel 27a, eerste lid, eerste en tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=27a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), indien over de identiteit van de verdachte of getuige twijfel bestaat. [Artikel 29a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=29a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is ten aanzien van de getuige van overeenkomstige toepassing.
4. De raadkamer is bevoegd de identiteit van de verdachte vast te stellen op de wijze, bedoeld in [artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=27a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en van de getuige op de wijze, bedoeld in [artikel 27a, eerste lid, eerste en tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=27a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), indien over de identiteit van de verdachte of getuige twijfel bestaat. [Artikel 29a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=29a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is ten aanzien van de getuige van overeenkomstige toepassing.
5. Tot bijwoning van de niet openbare behandeling kan de voorzitter bijzondere toegang verlenen.
@@ -290,11 +290,11 @@
1. De raadkamer is bevoegd de noodige bevelen te geven, opdat het onderzoek hetwelk aan hare beslissing moet voorafgaan, overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek zal plaats vinden.
2. Door de raadkamer worden het openbaar ministerie, de verdachte en andere procesdeelnemers gehoord, althans hiertoe opgeroepen, tenzij anders is voorgeschreven. [Artikel 22, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Zesde&artikel=22&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
2. Door de raadkamer worden het openbaar ministerie, de verdachte en andere procesdeelnemers gehoord, althans hiertoe opgeroepen, tenzij anders is voorgeschreven. [Artikel 22, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Zesde&artikel=22&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
3. De verdachte en andere procesdeelnemers kunnen zich bij de behandeling door de raadkamer door een raadsman of advocaat doen bijstaan.
4. Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt de bijstand van een tolk ingeroepen. Het openbaar ministerie roept de tolk op. [Artikel 276, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=276&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
4. Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt de bijstand van een tolk ingeroepen. Het openbaar ministerie roept de tolk op. [Artikel 276, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=276&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
5. Het openbaar ministerie legt aan de raadkamer de op de zaak betrekking hebbende stukken over. De verdachte en andere procesdeelnemers zijn, evenals hun raadsman of advocaat, bevoegd van de inhoud van deze stukken kennis te nemen.
@@ -312,7 +312,7 @@
4. De beschikking wordt, tenzij anders is voorgeschreven, onverwijld toegezonden aan de verdachte en andere procesdeelnemers.
5. Het vereiste van de onverwijlde toezending, bedoeld in het vierde lid geldt niet, indien op grond van [artikel 23, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Zesde&artikel=23&z=2014-07-01&g=2014-07-01), van het oproepen van de verdachte of andere procesdeelnemers is afgezien. Toezending vindt plaats, zodra het belang van het onderzoek dat toelaat.
5. Het vereiste van de onverwijlde toezending, bedoeld in het vierde lid geldt niet, indien op grond van [artikel 23, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Zesde&artikel=23&z=2014-11-01&g=2014-11-01), van het oproepen van de verdachte of andere procesdeelnemers is afgezien. Toezending vindt plaats, zodra het belang van het onderzoek dat toelaat.
##### Artikel 25
@@ -342,7 +342,7 @@
##### Artikel 28
1. De verdachte is bevoegd zich, overeenkomstig de bepalingen van de [Derde Titel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&z=2014-07-01&g=2014-07-01) van dit Boek, door een of meer gekozen of toegevoegde raadslieden te doen bijstaan.
1. De verdachte is bevoegd zich, overeenkomstig de bepalingen van de [Derde Titel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&z=2014-11-01&g=2014-11-01) van dit Boek, door een of meer gekozen of toegevoegde raadslieden te doen bijstaan.
2. Hem wordt daartoe, telkens wanneer hij dit verzoekt, zoveel mogelijk de gelegenheid verschaft om zich met zijn raadsman in verbinding te stellen.
@@ -372,7 +372,7 @@
- a. de processen-verbaal van zijn verhoren;
- b. de processen-verbaal betreffende verhoren of handelingen van onderzoek, waarbij hij of zijn raadsman de bevoegdheid heeft gehad tegenwoordig te zijn, tenzij en voor zover uit een proces-verbaal blijkt van een omstandigheid waarvan hij in het belang van het onderzoek tijdelijk onkundig moet blijven, en in verband daarmee een bevel als bedoeld in [artikel 50, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Derde&artikel=50&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is gegeven;
- b. de processen-verbaal betreffende verhoren of handelingen van onderzoek, waarbij hij of zijn raadsman de bevoegdheid heeft gehad tegenwoordig te zijn, tenzij en voor zover uit een proces-verbaal blijkt van een omstandigheid waarvan hij in het belang van het onderzoek tijdelijk onkundig moet blijven, en in verband daarmee een bevel als bedoeld in [artikel 50, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Derde&artikel=50&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is gegeven;
- c. de processen-verbaal van verhoren, waarvan hem de volledige inhoud mondeling is medegedeeld.
@@ -390,7 +390,7 @@
##### Artikel 33
De kennisneming van alle processtukken in het oorspronkelijk of in afschrift mag, behoudens het bepaalde in [artikel 149b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=149b&z=2014-07-01&g=2014-07-01), de verdachte niet worden onthouden zodra de dagvaarding ter terechtzitting in eerste aanleg aan hem is betekend dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd.
De kennisneming van alle processtukken in het oorspronkelijk of in afschrift mag, behoudens het bepaalde in [artikel 149b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=149b&z=2014-11-01&g=2014-11-01), de verdachte niet worden onthouden zodra de dagvaarding ter terechtzitting in eerste aanleg aan hem is betekend dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd.
##### Artikel 34
@@ -400,7 +400,7 @@
3. Indien de officier van justitie in gebreke blijft te beslissen over het voegen van de stukken onderscheidenlijk de kennisneming daarvan, kan hem op verzoek van de verdachte door de rechter-commissaris een termijn worden gesteld binnen welke een beslissing wordt genomen. Alvorens op het verzoek te beslissen, hoort de rechter-commissaris de officier van justitie en de verdachte.
4. De officier van justitie kan het voegen van de stukken onderscheidenlijk de kennisneming daarvan weigeren indien hij van oordeel is dat de stukken niet als processtukken kunnen worden aangemerkt dan wel indien hij dit onverenigbaar acht met een van de in [artikel 187d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=187d&z=2014-07-01&g=2014-07-01), vermelde belangen. Hij behoeft daartoe een schriftelijke machtiging, op diens vordering te verlenen door de rechter-commissaris.
4. De officier van justitie kan het voegen van de stukken onderscheidenlijk de kennisneming daarvan weigeren indien hij van oordeel is dat de stukken niet als processtukken kunnen worden aangemerkt dan wel indien hij dit onverenigbaar acht met een van de in [artikel 187d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=187d&z=2014-11-01&g=2014-11-01), vermelde belangen. Hij behoeft daartoe een schriftelijke machtiging, op diens vordering te verlenen door de rechter-commissaris.
##### Artikel 35
@@ -408,11 +408,11 @@
2. Aan een daartoe strekkend verzoek van den verdachte wordt gevolg gegeven, tenzij het belang van het onderzoek dit verbiedt.
3. [Artikel 23, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Zesde&artikel=23&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van toepassing.
3. [Artikel 23, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Zesde&artikel=23&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van toepassing.
##### Artikel 36
1. Wordt eene vervolging niet voortgezet, dan kan het gerecht in feitelijken aanleg, voor hetwelk de zaak het laatst werd vervolgd, op het verzoek van den verdachte of op voordracht van de rechter-commissaris op de voet van [artikel 180](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=II&artikel=180&z=2014-07-01&g=2014-07-01), verklaren dat de zaak geëindigd is.
1. Wordt eene vervolging niet voortgezet, dan kan het gerecht in feitelijken aanleg, voor hetwelk de zaak het laatst werd vervolgd, op het verzoek van den verdachte of op voordracht van de rechter-commissaris op de voet van [artikel 180](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=II&artikel=180&z=2014-11-01&g=2014-11-01), verklaren dat de zaak geëindigd is.
2. Het gerecht is bevoegd, de beslissing op het verzoek telkens gedurende een bepaalden tijd aan te houden, indien het openbaar ministerie aannemelijk maakt dat alsnog verdere vervolging zal plaats vinden.
@@ -466,7 +466,7 @@
2. Indien hij een gekozen of toegevoegden raadsman vervangt, geeft hij ook daarvan overeenkomstig de bepaling van het voorgaande lid kennis.
3. Van den inhoud eener overeenkomstig dit artikel tot den griffier gerichte kennisgeving verwittigt deze onverwijld schriftelijk het openbaar ministerie, bovendien, indien deze uit hoofde van de [artikelen 181 tot en met 183](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=181&z=2014-07-01&g=2014-07-01) onderzoekshandelingen verricht, de rechter-commissaris, en, in geval van het voorgaande lid, den vervangen raadsman.
3. Van den inhoud eener overeenkomstig dit artikel tot den griffier gerichte kennisgeving verwittigt deze onverwijld schriftelijk het openbaar ministerie, bovendien, indien deze uit hoofde van de [artikelen 181 tot en met 183](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=181&z=2014-11-01&g=2014-11-01) onderzoekshandelingen verricht, de rechter-commissaris, en, in geval van het voorgaande lid, den vervangen raadsman.
4. Door deze mededeeling neemt de werkzaamheid van den vervangen toegevoegden of vroeger gekozen raadsman een einde.
@@ -484,7 +484,7 @@
5. Het tweede en het derde lid blijven buiten toepassing indien de verdachte een gekozen raadsman heeft.
6. De krachtens het tweede of het derde lid toegevoegde raadsman treedt ook als raadsman voor de verdachte op tijdens de behandeling door de rechtbank van het hoger beroep van de officier van justitie als bedoeld in [artikel 59c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=59c&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
6. De krachtens het tweede of het derde lid toegevoegde raadsman treedt ook als raadsman voor de verdachte op tijdens de behandeling door de rechtbank van het hoger beroep van de officier van justitie als bedoeld in [artikel 59c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=59c&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
##### Artikel 41
@@ -506,7 +506,7 @@
##### Artikel 43
1. De toevoeging van een raadsman, anders dan krachtens [artikel 40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=40&z=2014-07-01&g=2014-07-01), geschiedt voor de gehele aanleg waarin zij heeft plaats gehad.
1. De toevoeging van een raadsman, anders dan krachtens [artikel 40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=40&z=2014-11-01&g=2014-11-01), geschiedt voor de gehele aanleg waarin zij heeft plaats gehad.
2. De toevoeging van een raadsman aan degene die krachtens een bevel tot voorlopige hechtenis is gedetineerd, is in iedere aanleg kosteloos.
@@ -518,7 +518,7 @@
- b. in geval van aantekening van hoger beroep of beroep in cassatie, door de griffier.
2. De bevoegdheid van de verdachte om toevoeging van een raadsman te verzoeken, wordt bovendien bij de betekening van de dagvaarding tot het eerste verhoor door de rechter-commissaris die uit hoofde van de [artikelen 181 tot en met 183](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=181&z=2014-07-01&g=2014-07-01) onderzoekshandelingen verricht, van de dagvaarding ter terechtzitting, van een kennisgeving van verdere vervolging, van een door het openbaar ministerie ingesteld hoger beroep of beroep in cassatie, en van de kennisgeving van de dag der behandeling in cassatie, vermeld in het gerechtelijk schrijven door uitreiking waarvan de betekening geschiedt.
2. De bevoegdheid van de verdachte om toevoeging van een raadsman te verzoeken, wordt bovendien bij de betekening van de dagvaarding tot het eerste verhoor door de rechter-commissaris die uit hoofde van de [artikelen 181 tot en met 183](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=181&z=2014-11-01&g=2014-11-01) onderzoekshandelingen verricht, van de dagvaarding ter terechtzitting, van een kennisgeving van verdere vervolging, van een door het openbaar ministerie ingesteld hoger beroep of beroep in cassatie, en van de kennisgeving van de dag der behandeling in cassatie, vermeld in het gerechtelijk schrijven door uitreiking waarvan de betekening geschiedt.
##### Artikel 45
@@ -538,11 +538,11 @@
##### Artikel 47
Van elke door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand gedane toevoeging wordt onverwijld, op de wijze door Onze Minister van Veiligheid en Justitie te bepalen, kennis gegeven aan het openbaar ministerie, de raadsman, de verdachte en, in geval deze uit hoofde van de [artikelen 181 tot en met 183](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=181&z=2014-07-01&g=2014-07-01) onderzoekshandelingen verricht, tevens aan de rechter-commissaris.
Van elke door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand gedane toevoeging wordt onverwijld, op de wijze door Onze Minister van Veiligheid en Justitie te bepalen, kennis gegeven aan het openbaar ministerie, de raadsman, de verdachte en, in geval deze uit hoofde van de [artikelen 181 tot en met 183](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=181&z=2014-11-01&g=2014-11-01) onderzoekshandelingen verricht, tevens aan de rechter-commissaris.
##### Artikel 48
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gegeven omtrent de beloning van toegevoegde raadslieden - met inbegrip van advocaten die overeenkomstig [artikel 40, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=40&z=2014-07-01&g=2014-07-01), als raadsman optreden - en de vergoeding van door hen gemaakte onkosten, alsmede, zonodig, omtrent de wijze van vaststelling daarvan door de rechter. Daarbij kan worden bepaald dat rechterlijke beslissingen ter zake niet vatbaar zullen zijn voor hoger beroep en cassatie.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gegeven omtrent de beloning van toegevoegde raadslieden - met inbegrip van advocaten die overeenkomstig [artikel 40, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=40&z=2014-11-01&g=2014-11-01), als raadsman optreden - en de vergoeding van door hen gemaakte onkosten, alsmede, zonodig, omtrent de wijze van vaststelling daarvan door de rechter. Daarbij kan worden bepaald dat rechterlijke beslissingen ter zake niet vatbaar zullen zijn voor hoger beroep en cassatie.
##### Artikel 49
@@ -564,13 +564,13 @@
##### Artikel 50a
1. Ingeval een bevel als bedoeld in [artikel 50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Derde&artikel=50&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is gegeven, brengt de officier van justitie of de rechter-commissaris dit onverwijld ter kennis van de voorzitter van de rechtbank. Deze voegt onverwijld een raadsman aan de verdachte toe.
1. Ingeval een bevel als bedoeld in [artikel 50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Derde&artikel=50&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is gegeven, brengt de officier van justitie of de rechter-commissaris dit onverwijld ter kennis van de voorzitter van de rechtbank. Deze voegt onverwijld een raadsman aan de verdachte toe.
2. De krachtens het eerste lid toegevoegde raadsman treedt, zolang het bevel van kracht is en voor zover het vrije verkeer tussen raadsman en verdachte daardoor wordt beperkt, als zodanig op.
##### Artikel 51
Ten aanzien van de bevoegdheid van den raadsman tot de kennisneming van processtukken en het bekomen van afschrift daarvan vinden de [artikelen 30 tot en met 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=30&z=2014-07-01&g=2014-07-01) overeenkomstige toepassing. Van alle stukken die ingevolge dit wetboek ter kennis van de verdachte worden gebracht ontvangt de raadsman, behoudens het bepaalde in [artikel 32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=32&z=2014-07-01&g=2014-07-01), onverwijld afschrift.
Ten aanzien van de bevoegdheid van den raadsman tot de kennisneming van processtukken en het bekomen van afschrift daarvan vinden de [artikelen 30 tot en met 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=30&z=2014-11-01&g=2014-11-01) overeenkomstige toepassing. Van alle stukken die ingevolge dit wetboek ter kennis van de verdachte worden gebracht ontvangt de raadsman, behoudens het bepaalde in [artikel 32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=32&z=2014-11-01&g=2014-11-01), onverwijld afschrift.
## Titel IIIA. De benadeelde partij
@@ -580,7 +580,7 @@
2. De officier van justitie draagt zorg voor een correcte bejegening van het slachtoffer.
3. Aan het slachtoffer dat daarom verzoekt, wordt door de politie en de officier van justitie mededeling gedaan van de aanvang en voortgang in de zaak tegen de verdachte. In het bijzonder wordt ten minste door de politie schriftelijk mededeling gedaan van het afzien van opsporing of het inzenden van een proces-verbaal tegen een verdachte. De officier van justitie doet schriftelijk mededeling van de aanvang en de voortzetting van de vervolging, van de datum en het tijdstip van de terechtzitting en van de einduitspraak in de strafzaak tegen de verdachte. In daartoe aangewezen gevallen en in ieder geval indien sprake is van een misdrijf als bedoeld in [artikel 51e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Eerste&artikel=51e&z=2014-07-01&g=2014-07-01), doet hij desgevraagd tevens mededeling van de invrijheidstelling van de verdachte of veroordeelde.
3. Aan het slachtoffer dat daarom verzoekt, wordt door de politie en de officier van justitie mededeling gedaan van de aanvang en voortgang in de zaak tegen de verdachte. In het bijzonder wordt ten minste door de politie schriftelijk mededeling gedaan van het afzien van opsporing of het inzenden van een proces-verbaal tegen een verdachte. De officier van justitie doet schriftelijk mededeling van de aanvang en de voortzetting van de vervolging, van de datum en het tijdstip van de terechtzitting en van de einduitspraak in de strafzaak tegen de verdachte. In daartoe aangewezen gevallen en in ieder geval indien sprake is van een misdrijf als bedoeld in [artikel 51e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Eerste&artikel=51e&z=2014-11-01&g=2014-11-01), doet hij desgevraagd tevens mededeling van de invrijheidstelling van de verdachte of veroordeelde.
4. Op verzoek van het slachtoffer wordt tevens mededeling gedaan van de mogelijkheden volgens welke hij schadevergoeding kan verkrijgen.
@@ -590,13 +590,13 @@
2. Het slachtoffer kan aan de officier van justitie verzoeken stukken die hij relevant acht voor de beoordeling van de zaak tegen de verdachte of van zijn vordering op de verdachte aan het dossier toe te voegen.
3. De officier van justitie kan het voegen van stukken onderscheidenlijk de kennisneming daarvan weigeren indien hij van oordeel is dat de stukken niet als processtukken kunnen worden aangemerkt dan wel indien hij dit onverenigbaar acht met een van de in [artikel 187d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=187d&z=2014-07-01&g=2014-07-01), vermelde belangen.
3. De officier van justitie kan het voegen van stukken onderscheidenlijk de kennisneming daarvan weigeren indien hij van oordeel is dat de stukken niet als processtukken kunnen worden aangemerkt dan wel indien hij dit onverenigbaar acht met een van de in [artikel 187d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=187d&z=2014-11-01&g=2014-11-01), vermelde belangen.
4. Voor de toepassing van het derde lid behoeft de officier van justitie een schriftelijke machtiging, op diens vordering te verlenen door de rechter-commissaris. De officier van justitie doet schriftelijk mededeling van zijn beslissing aan het slachtoffer.
5. De wijze waarop de kennisneming van de processtukken geschiedt, kan worden geregeld bij algemene maatregel van bestuur.
6. Het slachtoffer kan van de stukken waarvan hem de kennisneming is toegestaan, ter griffie afschrift krijgen overeenkomstig het bij of krachtens [artikel 17 van de Wet tarieven in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002406&artikel=17) bepaalde. [Artikel 32, tweede tot met het vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=32&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
6. Het slachtoffer kan van de stukken waarvan hem de kennisneming is toegestaan, ter griffie afschrift krijgen overeenkomstig het bij of krachtens [artikel 17 van de Wet tarieven in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002406&artikel=17) bepaalde. [Artikel 32, tweede tot met het vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=32&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 51c
@@ -608,7 +608,7 @@
##### Artikel 51d
De [artikelen 51a tot en met 51c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Eerste&artikel=51a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing op de nabestaanden in de zin van [artikel 51e, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Eerste&artikel=51e&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en op de personen, bedoeld in [artikel 51f, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Tweede&artikel=51f&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
De [artikelen 51a tot en met 51c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Eerste&artikel=51a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van overeenkomstige toepassing op de nabestaanden in de zin van [artikel 51e, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Eerste&artikel=51e&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en op de personen, bedoeld in [artikel 51f, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Tweede&artikel=51f&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
##### Artikel 51e
@@ -650,7 +650,7 @@
##### Artikel 52
Iedere opsporingsambtenaar is bevoegd de identiteit van de verdachte vast te stellen op de wijze, bedoeld in [artikel 27a, eerste lid, eerste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=27a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en hem daartoe staande te houden.
Iedere opsporingsambtenaar is bevoegd de identiteit van de verdachte vast te stellen op de wijze, bedoeld in [artikel 27a, eerste lid, eerste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=27a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en hem daartoe staande te houden.
##### Artikel 53
@@ -660,7 +660,7 @@
3. Geschiedt de aanhouding door een anderen opsporingsambtenaar, dan draagt deze zorg dat de aangehoudene ten spoedigste voor den officier van justitie of een van diens hulpofficieren wordt geleid.
4. Geschiedt de aanhouding door een ander, dan levert deze den aangehoudene onverwijld aan een opsporingsambtenaar over, onder afgifte aan deze van mogelijk in beslag genomen voorwerpen, die dan handelt overeenkomstig de bepalingen van het voorgaande lid en, zo nodig, [artikel 156](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=156&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
4. Geschiedt de aanhouding door een ander, dan levert deze den aangehoudene onverwijld aan een opsporingsambtenaar over, onder afgifte aan deze van mogelijk in beslag genomen voorwerpen, die dan handelt overeenkomstig de bepalingen van het voorgaande lid en, zo nodig, [artikel 156](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=156&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
##### Artikel 54
@@ -680,13 +680,13 @@
##### Artikel 55a
1. In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan iedere opsporingsambtenaar ter aanhouding van de verdachte elke plaats doorzoeken. Hij behoeft daartoe de machtiging van de officier van justitie, behoudens het geval van dringende noodzakelijkheid. In het laatste geval wordt de officier van justitie onverwijld van de doorzoeking op de hoogte gesteld.
1. In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan iedere opsporingsambtenaar ter aanhouding van de verdachte elke plaats doorzoeken. Hij behoeft daartoe de machtiging van de officier van justitie, behoudens het geval van dringende noodzakelijkheid. In het laatste geval wordt de officier van justitie onverwijld van de doorzoeking op de hoogte gesteld.
2. Indien de officier van justitie aan een opsporingsambtenaar een machtiging heeft verleend ter aanhouding van de verdachte een woning zonder toestemming van de bewoner te doorzoeken, is voor het binnentreden in die woning door de betrokken opsporingsambtenaar geen machtiging als bedoeld in [artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006763&artikel=2) vereist.
##### Artikel 55b
1. De bij of krachtens [artikel 141](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=141&z=2014-07-01&g=2014-07-01) aangewezen ambtenaren alsmede bepaalde door Onze Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen categorieën van andere personen, belast met de opsporing van strafbare feiten, zijn bevoegd een staande gehouden of aangehouden verdachte aan zijn kleding te onderzoeken, alsmede voorwerpen die hij bij zich draagt of met zich mee voert te onderzoeken, een en ander voor zover zulks noodzakelijk is voor de vaststelling van zijn identiteit.
1. De bij of krachtens [artikel 141](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=141&z=2014-11-01&g=2014-11-01) aangewezen ambtenaren alsmede bepaalde door Onze Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen categorieën van andere personen, belast met de opsporing van strafbare feiten, zijn bevoegd een staande gehouden of aangehouden verdachte aan zijn kleding te onderzoeken, alsmede voorwerpen die hij bij zich draagt of met zich mee voert te onderzoeken, een en ander voor zover zulks noodzakelijk is voor de vaststelling van zijn identiteit.
2. De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, oefenen de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, alleen dan in het openbaar uit, indien dit redelijkerwijs noodzakelijk is om wegmaking of beschadiging van voorwerpen waaruit de identiteit van die verdachte zou kunnen blijken,te voorkomen.
@@ -754,11 +754,11 @@
##### Artikel 59b
Zodra de verdachte door de officier van justitie of de hulpofficier overeenkomstig [artikel 57, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=57&z=2014-07-01&g=2014-07-01), onderscheidenlijk [artikel 58, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=58&z=2014-07-01&g=2014-07-01), in vrijheid is gesteld, vindt [artikel 59a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=59a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) geen toepassing meer.
Zodra de verdachte door de officier van justitie of de hulpofficier overeenkomstig [artikel 57, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=57&z=2014-11-01&g=2014-11-01), onderscheidenlijk [artikel 58, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=58&z=2014-11-01&g=2014-11-01), in vrijheid is gesteld, vindt [artikel 59a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=59a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) geen toepassing meer.
##### Artikel 59c
1. Tegen een beschikking van de rechter-commissaris tot onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte op de voet van [artikel 59a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=59a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), staat voor de officier van justitie binnen veertien dagen daarna bij de rechtbank hoger beroep open.
1. Tegen een beschikking van de rechter-commissaris tot onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte op de voet van [artikel 59a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=59a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), staat voor de officier van justitie binnen veertien dagen daarna bij de rechtbank hoger beroep open.
2. De verdachte wordt, tenzij de rechtbank reeds aanstonds tot afwijzing van het hoger beroep besluit, gehoord althans behoorlijk opgeroepen. De rechtbank kan diens medebrenging gelasten.
@@ -770,7 +770,7 @@
##### Artikel 61
1. Indien de verdachte niet overeenkomstig [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=57&z=2014-07-01&g=2014-07-01) in verzekering wordt gesteld, noch overeenkomstig [artikel 60](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=60&z=2014-07-01&g=2014-07-01) voor de rechter-commissaris wordt geleid, wordt hij in vrijheid gesteld, tenzij hij op bevel van de officier van justitie of de hulpofficier voor wie de verdachte is geleid of die zelf de verdachte heeft aangehouden, voor ten hoogste zes uren wordt opgehouden voor onderzoek. Tijdens het ophouden voor onderzoek wordt de verdachte gehoord.
1. Indien de verdachte niet overeenkomstig [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=57&z=2014-11-01&g=2014-11-01) in verzekering wordt gesteld, noch overeenkomstig [artikel 60](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=60&z=2014-11-01&g=2014-11-01) voor de rechter-commissaris wordt geleid, wordt hij in vrijheid gesteld, tenzij hij op bevel van de officier van justitie of de hulpofficier voor wie de verdachte is geleid of die zelf de verdachte heeft aangehouden, voor ten hoogste zes uren wordt opgehouden voor onderzoek. Tijdens het ophouden voor onderzoek wordt de verdachte gehoord.
2. Indien de ophouding met het oog op het vaststellen van de identiteit plaatsvindt, kan ten aanzien van een verdachte ten aanzien van wie verdenking bestaat terzake van een strafbaar feit waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten de in het eerste lid genoemde termijn van zes uren, op bevel van de officier van justitie of de hulpofficier voor wie de verdachte is geleid of die zelf de verdachte heeft aangehouden, eenmaal met ten hoogste zes uren worden verlengd.
@@ -808,7 +808,7 @@
- h. onderzoek naar schotresten op het lichaam.
2. De in het eerste lid genoemde maatregelen kunnen alleen worden bevolen in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
2. De in het eerste lid genoemde maatregelen kunnen alleen worden bevolen in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de uitvoering van de maatregelen in het belang van het onderzoek en voor het verwerken van de resultaten daarvan.
@@ -824,7 +824,7 @@
1. De in verzekering gestelde verdachte wordt aan geen andere beperkingen onderworpen dan die in het belang van het onderzoek of in het belang der orde volstrekt noodzakelijk zijn.
2. Onverminderd het bepaalde in [artikel 50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Derde&artikel=50&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kunnen tegen de in het eerste lid bedoelde verdachte maatregelen in het belang van het onderzoek worden bevolen. Als zodanige maatregelen kunnen, naast de in [artikel 61a, eerste lid, onderdeel a tot en met h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=61a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), genoemde maatregelen, onder meer worden aangemerkt:
2. Onverminderd het bepaalde in [artikel 50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Derde&artikel=50&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kunnen tegen de in het eerste lid bedoelde verdachte maatregelen in het belang van het onderzoek worden bevolen. Als zodanige maatregelen kunnen, naast de in [artikel 61a, eerste lid, onderdeel a tot en met h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=61a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), genoemde maatregelen, onder meer worden aangemerkt:
- a. beperkingen met betrekking tot het ontvangen van bezoek, telefoonverkeer, briefwisseling en de uitreiking van kranten, lectuur of andere gegevensdragers, dan wel andere maatregelen betrekking hebbend op het verblijf in het kader van de vrijheidsbeneming;
@@ -832,19 +832,19 @@
3. De behandeling van de in verzekering gestelde verdachten en de eisen waaraan de voor de inverzekeringstelling bestemde plaatsen moeten voldoen, worden,naar beginselen bij of krachtens de wet te stellen, geregeld bij algemene maatregel van bestuur.
4. Indien naar aanleiding van de in [artikel 59, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=59&z=2014-07-01&g=2014-07-01), genoemde kennisgeving een rapport is opgesteld, neemt de officier van justitie van dat rapport kennis alvorens een vordering tot bewaring te doen.
5. De verdachte zal bij de toepassing van de maatregelen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, worden gewezen op de bezwaarmogelijkheid die in [artikel 62a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=62a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is opgenomen.
4. Indien naar aanleiding van de in [artikel 59, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=59&z=2014-11-01&g=2014-11-01), genoemde kennisgeving een rapport is opgesteld, neemt de officier van justitie van dat rapport kennis alvorens een vordering tot bewaring te doen.
5. De verdachte zal bij de toepassing van de maatregelen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, worden gewezen op de bezwaarmogelijkheid die in [artikel 62a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=62a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is opgenomen.
##### Artikel 62a
1. Maatregelen in het belang van het onderzoek kunnen door de officier van justitie worden bevolen.
2. De bevoegdheid bedoeld in het eerste lid komt, uitgezonderd de bevoegdheid tot het geven van een bevel tot de maatregel bedoeld in [artikel 61a, eerste lid, onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=61a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), gedurende de ophouding voor onderzoek en de inverzekeringstelling indien het optreden van de officier van justitie niet kan worden afgewacht, toe aan de hulpofficier van justitie die de ophouding voor onderzoek dan wel de inverzekeringstelling heeft gelast.
2. De bevoegdheid bedoeld in het eerste lid komt, uitgezonderd de bevoegdheid tot het geven van een bevel tot de maatregel bedoeld in [artikel 61a, eerste lid, onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=61a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), gedurende de ophouding voor onderzoek en de inverzekeringstelling indien het optreden van de officier van justitie niet kan worden afgewacht, toe aan de hulpofficier van justitie die de ophouding voor onderzoek dan wel de inverzekeringstelling heeft gelast.
3. De directeur van het huis van bewaring, indien de vrijheidsbeneming aldaar wordt ondergaan, en anders de bij het bevel aan te wijzen persoon, draagt zorg voor de uitvoering van het bevel.
4. De verdachte kan tegen het bevel als bedoeld in [artikel 62, tweede lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=62&z=2014-07-01&g=2014-07-01), een bezwaarschrift indienen bij de rechtbank of, indien het bevel is gegeven in het kader van de voorlopige hechtenis, bij het rechterlijk college dat oordeelt omtrent de voortzetting van de voorlopige hechtenis. Het bevel wordt in afwachting van de rechterlijke beslissing niet uitgevoerd, tenzij degene die het bevel heeft gegeven een onverwijlde uitvoering in het belang van het onderzoek volstrekt noodzakelijk acht.
4. De verdachte kan tegen het bevel als bedoeld in [artikel 62, tweede lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=62&z=2014-11-01&g=2014-11-01), een bezwaarschrift indienen bij de rechtbank of, indien het bevel is gegeven in het kader van de voorlopige hechtenis, bij het rechterlijk college dat oordeelt omtrent de voortzetting van de voorlopige hechtenis. Het bevel wordt in afwachting van de rechterlijke beslissing niet uitgevoerd, tenzij degene die het bevel heeft gegeven een onverwijlde uitvoering in het belang van het onderzoek volstrekt noodzakelijk acht.
### afdeeling Tweede. Voorloopige hechtenis
@@ -860,7 +860,7 @@
4. De verdachte is bevoegd zich bij het verhoor door een raadsman te doen bijstaan. De raadsman wordt bij het verhoor in de gelegenheid gesteld de nodige opmerkingen te maken.
5. Wanneer de verdachte ten tijde van het plegen van het misdrijf waarvan hij wordt verdacht de leeftijd van achttien wel maar nog niet de leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt, kan de officier van justitie in zijn vordering aangeven of hij voornemens is te vorderen dat recht zal worden gedaan overeenkomstig [artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77c). [Artikel 493](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=II&afdeling=Tweede&artikel=493&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is van overeenkomstige toepassing.
5. Wanneer de verdachte ten tijde van het plegen van het misdrijf waarvan hij wordt verdacht de leeftijd van achttien wel maar nog niet de leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt, kan de officier van justitie in zijn vordering aangeven of hij voornemens is te vorderen dat recht zal worden gedaan overeenkomstig [artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77c). [Artikel 493](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=II&afdeling=Tweede&artikel=493&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is van overeenkomstige toepassing.
6. De officier van justitie vraagt de directeur van de reclassering hierover van advies te dienen. De reclassering kan ten behoeve van het advies inlichtingen inwinnen bij de raad voor de kinderbescherming.
@@ -876,7 +876,7 @@
1. De rechtbank kan, op de vordering van de officier van justitie, de gevangenhouding bevelen van de verdachte die zich in bewaring bevindt. De verdachte wordt voorafgaand aan het bevel gehoord, tenzij hij schriftelijk heeft verklaard afstand te doen van het recht te worden gehoord. De rechtbank of de voorzitter kan, niettegenstaande een dergelijke verklaring, de medebrenging van de verdachte bevelen.
2. Behoudens het geval van [artikel 66a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=66a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan de rechtbank, ambtshalve of op de vordering van de officier van justitie, na de aanvang van het onderzoek ter zitting de gevangenneming van de verdachte bevelen. Desgeraden hoort de rechtbank deze vooraf; zij is bevoegd te dien einde zijn dagvaarding te gelasten, zo nodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging.
2. Behoudens het geval van [artikel 66a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=66a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan de rechtbank, ambtshalve of op de vordering van de officier van justitie, na de aanvang van het onderzoek ter zitting de gevangenneming van de verdachte bevelen. Desgeraden hoort de rechtbank deze vooraf; zij is bevoegd te dien einde zijn dagvaarding te gelasten, zo nodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging.
3. De rechtbank kan eveneens een bevel tot gevangenneming geven, indien dit nodig is om de uitlevering van de verdachte te verkrijgen.
@@ -908,7 +908,7 @@
5. Indien nog geen dagvaarding is uitgebracht, worden de bepalingen in het tweede tot en met het vierde lid toegepast door de raadkamer.
6. De termijnen, bedoeld in de [artikelen 75, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=75&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [282](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=282&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
6. De termijnen, bedoeld in de [artikelen 75, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=75&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [282](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=282&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 67
@@ -928,7 +928,7 @@
##### Artikel 67a
1. Een op [artikel 67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-07-01&g=2014-07-01) gegrond bevel kan slechts worden gegeven:
1. Een op [artikel 67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-11-01&g=2014-11-01) gegrond bevel kan slechts worden gegeven:
- a. indien uit bepaalde gedragingen van de verdachte, of uit bepaalde, hem persoonlijk betreffende omstandigheden, blijkt van ernstig gevaar voor vlucht;
@@ -956,21 +956,21 @@
1. Indien tijdens de ten uitvoerlegging van de voorlopige hechtenis de officier van justitie overgaat tot vervolging of verdere vervolging ter zake van nog een ander feit dan hetwelk in het bevel tot voorlopige hechtenis is omschreven ofwel uitsluitend voor een met het in dat bevel omschreven feit samenhangend feit en voor dit andere feit voorlopige hechtenis kan worden bevolen kan hij bij de vordering tot gevangenhouding of de verlenging daarvan vorderen dat de voorlopige hechtenis mede onderscheidenlijk alleen voor dat andere feit wordt bevolen.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde vordering wordt toegewezen, wordt het andere feit geacht te zijn opgenomen in de omschrijving bedoeld in het tweede lid van [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=3&artikel=78&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
2. Indien de in het eerste lid bedoelde vordering wordt toegewezen, wordt het andere feit geacht te zijn opgenomen in de omschrijving bedoeld in het tweede lid van [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=3&artikel=78&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
3. Na betekening van de dagvaarding in eerste aanleg worden geen andere feiten in de omschrijving opgenomen.
4. De [artikelen 77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=2&artikel=77&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=3&artikel=78&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
4. De [artikelen 77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=2&artikel=77&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=3&artikel=78&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 68
1. De termijn gedurende welke een bevel tot voorlopige hechtenis van kracht is, loopt niet gedurende de tijd dat de verdachte zich aan de verdere tenuitvoerlegging van het bevel heeft onttrokken of uit anderen hoofde rechtens van zijn vrijheid is beroofd. Ondergaat evenwel de verdachte op het tijdstip dat het bevel tot voorlopige hechtenis wordt gegeven een vrijheidsstraf, dan wordt de tenuitvoerlegging van de straf van rechtswege geschorst zolang het bevel van kracht is. De in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd wordt in dat geval zoveel mogelijk in mindering gebracht op die straf.
2. Wanneer binnen de in het eerste lid, eerste volzin, bedoelde termijn een bezwaarschrift overeenkomstig [artikel 262](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=262&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is ingediend, blijft het bevel, – onverminderd het bepaalde in [artikel 66, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=66&z=2014-07-01&g=2014-07-01), – van kracht totdat dertig dagen zijn verstreken sedert de dag waarop onherroepelijk op het bezwaarschrift is beslist.
3. Ingeval de rechtbank overeenkomstig het bepaalde in [artikel 262](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=262&z=2014-07-01&g=2014-07-01) de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting heeft uitgesteld, kan de rechtbank op vordering van de officier van justitie bepalen dat het bevel tot voorlopige hechtenis van kracht blijft gedurende een door haar te bepalen termijn van ten hoogste dertig dagen, ingaande op de dag waarop de geldigheidsduur van het bevel tot gevangenneming of gevangenhouding is verstreken.
4. Indien na het uitstel van de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting alsnog overeenkomstig het bepaalde in [artikel 262, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=262&z=2014-07-01&g=2014-07-01), tegen de dagvaarding een bezwaarschrift wordt ingediend, vindt het tweede lid overeenkomstige toepassing.
2. Wanneer binnen de in het eerste lid, eerste volzin, bedoelde termijn een bezwaarschrift overeenkomstig [artikel 262](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=262&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is ingediend, blijft het bevel, – onverminderd het bepaalde in [artikel 66, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=66&z=2014-11-01&g=2014-11-01), – van kracht totdat dertig dagen zijn verstreken sedert de dag waarop onherroepelijk op het bezwaarschrift is beslist.
3. Ingeval de rechtbank overeenkomstig het bepaalde in [artikel 262](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=262&z=2014-11-01&g=2014-11-01) de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting heeft uitgesteld, kan de rechtbank op vordering van de officier van justitie bepalen dat het bevel tot voorlopige hechtenis van kracht blijft gedurende een door haar te bepalen termijn van ten hoogste dertig dagen, ingaande op de dag waarop de geldigheidsduur van het bevel tot gevangenneming of gevangenhouding is verstreken.
4. Indien na het uitstel van de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting alsnog overeenkomstig het bepaalde in [artikel 262, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=262&z=2014-11-01&g=2014-11-01), tegen de dagvaarding een bezwaarschrift wordt ingediend, vindt het tweede lid overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 69
@@ -988,9 +988,9 @@
##### Artikel 71
1. Uiterlijk drie dagen na de tenuitvoerlegging kan de verdachte van de beslissing van de rechtbank, houdende een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding bij het gerechtshof in hoger beroep komen. De termijn bedoeld in [artikel 408, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=408&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is niet van toepassing.
2. Binnen dezelfde termijn kan de verdachte in beroep komen van een bevel tot verlenging der gevangenhouding, doch slechts wanneer door hem geen hoger beroep werd ingesteld tegen het bevel tot gevangenhouding en ook niet tegen een eerder bevel tot verlenging. Deze beperking is niet van toepassing indien bij de verlenging van het bevel tot gevangenhouding het in het bevel omschreven feit is aangevuld dan wel gewijzigd overeenkomstig het bepaalde in [artikel 67 **b**, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67b&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
1. Uiterlijk drie dagen na de tenuitvoerlegging kan de verdachte van de beslissing van de rechtbank, houdende een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding bij het gerechtshof in hoger beroep komen. De termijn bedoeld in [artikel 408, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=408&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is niet van toepassing.
2. Binnen dezelfde termijn kan de verdachte in beroep komen van een bevel tot verlenging der gevangenhouding, doch slechts wanneer door hem geen hoger beroep werd ingesteld tegen het bevel tot gevangenhouding en ook niet tegen een eerder bevel tot verlenging. Deze beperking is niet van toepassing indien bij de verlenging van het bevel tot gevangenhouding het in het bevel omschreven feit is aangevuld dan wel gewijzigd overeenkomstig het bepaalde in [artikel 67 **b**, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67b&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
3. Ingeval de rechtbank anders dan op vordering van de officier van justitie het bevel tot voorlopige hechtenis heeft opgeheven, staat tegen deze beschikking voor de officier van justitie uiterlijk veertien dagen daarna hoger beroep bij het gerechtshof open.
@@ -1002,23 +1002,23 @@
2. In geval van onbevoegdverklaring kan de rechter, indien naar zijn mening een ander college wel bevoegd is van het feit kennis te nemen, bepalen dat het bevel nog zes dagen na het onherroepelijk worden van zijn beslissing van kracht zal blijven.
3. Bij alle einduitspraken wordt - behoudens het bepaalde in het zesde lid en [artikel 17, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=17&z=2014-07-01&g=2014-07-01) - het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven, indien, ter zake van het feit waarvoor dat bevel is verleend, aan de verdachte noch een vrijheidsstraf van langere duur dan de reeds door hem in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, noch een maatregel welke vrijheidsbeneming medebrengt of kan medebrengen, onvoorwaardelijk is opgelegd.
4. Indien de duur van de onvoorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf die van de reeds ondergane voorlopige hechtenis met minder dan zestig dagen overtreft en geen maatregel welke vrijheidsbeneming medebrengt of kan medebrengen onvoorwaardelijk is opgelegd, wordt, onverminderd het bepaalde in [artikel 69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=69&z=2014-07-01&g=2014-07-01), bij de einduitspraak het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de straf.
3. Bij alle einduitspraken wordt - behoudens het bepaalde in het zesde lid en [artikel 17, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=17&z=2014-11-01&g=2014-11-01) - het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven, indien, ter zake van het feit waarvoor dat bevel is verleend, aan de verdachte noch een vrijheidsstraf van langere duur dan de reeds door hem in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, noch een maatregel welke vrijheidsbeneming medebrengt of kan medebrengen, onvoorwaardelijk is opgelegd.
4. Indien de duur van de onvoorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf die van de reeds ondergane voorlopige hechtenis met minder dan zestig dagen overtreft en geen maatregel welke vrijheidsbeneming medebrengt of kan medebrengen onvoorwaardelijk is opgelegd, wordt, onverminderd het bepaalde in [artikel 69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=69&z=2014-11-01&g=2014-11-01), bij de einduitspraak het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de straf.
5. Voor de toepassing van het derde en vierde lid van dit artikel wordt onder de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd begrepen: de tijd gedurende welke de verdachte in verzekering was gesteld.
6. De rechter kan bij zijn einduitspraak, houdende nietigverklaring van de dagvaarding, bepalen dat dit bevel van kracht blijft gedurende een door hem te bepalen termijn van ten hoogste dertig dagen, ingaande op de dag van de einduitspraak, indien dat bevel is gegeven in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld. Indien beroep wordt ingesteld tegen de einduitspraak, blijft het bevel van kracht totdat dertig dagen zijn verstreken sedert de dag waarop onherroepelijk op het beroep is beslist. De [artikelen 66, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=66&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [67**a**, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), zijn van overeenkomstige toepassing.
6. De rechter kan bij zijn einduitspraak, houdende nietigverklaring van de dagvaarding, bepalen dat dit bevel van kracht blijft gedurende een door hem te bepalen termijn van ten hoogste dertig dagen, ingaande op de dag van de einduitspraak, indien dat bevel is gegeven in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld. Indien beroep wordt ingesteld tegen de einduitspraak, blijft het bevel van kracht totdat dertig dagen zijn verstreken sedert de dag waarop onherroepelijk op het beroep is beslist. De [artikelen 66, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=66&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [67**a**, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 72a
1. Uiterlijk drie dagen na de uitspraak kan de verdachte van de beslissing van de rechtbank, bedoeld in [artikel 72, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=72&z=2014-07-01&g=2014-07-01), bij het gerechtshof in hoger beroep komen.
1. Uiterlijk drie dagen na de uitspraak kan de verdachte van de beslissing van de rechtbank, bedoeld in [artikel 72, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=72&z=2014-11-01&g=2014-11-01), bij het gerechtshof in hoger beroep komen.
2. Het gerechtshof beslist zo spoedig mogelijk. De verdachte wordt gehoord, althans opgeroepen.
##### Artikel 73
1. Behoudens het bepaalde in [artikel 72, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=72&z=2014-07-01&g=2014-07-01), zijn bevelen tot voorlopige hechtenis en die tot opheffing daarvan dadelijk uitvoerbaar.
1. Behoudens het bepaalde in [artikel 72, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=72&z=2014-11-01&g=2014-11-01), zijn bevelen tot voorlopige hechtenis en die tot opheffing daarvan dadelijk uitvoerbaar.
2. Een bevel tot voorlopige hechtenis gaat in op het ogenblik waarop de verdachte ter tenuitvoerlegging van dat bevel wordt aangehouden dan wel op het tijdstip waarop de tenuitvoerlegging van een ander bevel tot vrijheidsbeneming, in dezelfde zaak gegeven, eindigt.
@@ -1028,25 +1028,25 @@
##### Artikel 75
1. Na de aantekening van beroep van de einduitspraak worden de bevelen tot gevangenneming, gevangenhouding dan wel verlenging daarvan gegeven door de rechter in hoogste feitelijke aanleg. De [artikelen 65, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=65&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [66, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=66&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [67 tot en met 69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-07-01&g=2014-07-01), zijn op deze bevelen van overeenkomstige toepassing. Een op [artikel 67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-07-01&g=2014-07-01) gegrond bevel kan ook worden gegeven of verlengd op de grond dat in het bestreden vonnis een vrijheidsbenemende straf of maatregel is opgelegd van ten minste even lange duur als de door de verdachte in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd na verlenging.
2. Behoudens de gevallen bedoeld in [artikel 66a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=66a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kunnen bevelen tot gevangenneming voor de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting slechts worden gegeven indien alsnog ernstige bezwaren tegen de verdachte zijn gerezen. Onder ernstige bezwaren kan tevens een veroordelend vonnis in de vorige feitelijke aanleg worden begrepen.
3. Een bevel dat ingevolge [artikel 66, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=66&z=2014-07-01&g=2014-07-01), voortduurt, kan door de rechter in hoogste feitelijke aanleg, vóór de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, op vordering van het openbaar ministerie worden verlengd met ten hoogste honderdtwintig dagen. De geldigheidsduur van een dergelijk bevel kan tweemaal worden verlengd, met dien verstande dat de duur van het bevel tot gevangenneming of gevangenhouding en de verlengingen daarvan tezamen een periode van honderdtachtig dagen, te rekenen vanaf de datum van de einduitspraak in eerste aanleg, niet te boven gaan. De verdachte wordt in de gelegenheid gesteld op de vordering te worden gehoord.
1. Na de aantekening van beroep van de einduitspraak worden de bevelen tot gevangenneming, gevangenhouding dan wel verlenging daarvan gegeven door de rechter in hoogste feitelijke aanleg. De [artikelen 65, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=65&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [66, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=66&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [67 tot en met 69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-11-01&g=2014-11-01), zijn op deze bevelen van overeenkomstige toepassing. Een op [artikel 67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-11-01&g=2014-11-01) gegrond bevel kan ook worden gegeven of verlengd op de grond dat in het bestreden vonnis een vrijheidsbenemende straf of maatregel is opgelegd van ten minste even lange duur als de door de verdachte in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd na verlenging.
2. Behoudens de gevallen bedoeld in [artikel 66a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=66a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kunnen bevelen tot gevangenneming voor de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting slechts worden gegeven indien alsnog ernstige bezwaren tegen de verdachte zijn gerezen. Onder ernstige bezwaren kan tevens een veroordelend vonnis in de vorige feitelijke aanleg worden begrepen.
3. Een bevel dat ingevolge [artikel 66, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=66&z=2014-11-01&g=2014-11-01), voortduurt, kan door de rechter in hoogste feitelijke aanleg, vóór de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, op vordering van het openbaar ministerie worden verlengd met ten hoogste honderdtwintig dagen. De geldigheidsduur van een dergelijk bevel kan tweemaal worden verlengd, met dien verstande dat de duur van het bevel tot gevangenneming of gevangenhouding en de verlengingen daarvan tezamen een periode van honderdtachtig dagen, te rekenen vanaf de datum van de einduitspraak in eerste aanleg, niet te boven gaan. De verdachte wordt in de gelegenheid gesteld op de vordering te worden gehoord.
4. Zolang het onderzoek op de terechtzitting in hoogste feitelijke aanleg nog niet is aangevangen, kan de voorlopige hechtenis slechts worden verlengd, indien in vorige feitelijke aanleg een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is opgelegd van welke de tenuitvoerlegging ten minste even lang duurt als de door de verdachte in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd na verlenging, dan wel indien een maatregel welke vrijheidsbeneming medebrengt of kan medebrengen onvoorwaardelijk is opgelegd. De voorlopige hechtenis kan evenwel worden verlengd, wanneer beroep is ingesteld tegen een einduitspraak, houdende onbevoegdverklaring waarbij is bepaald dat het bevel tot voorlopige hechtenis van kracht blijft.
5. Na de einduitspraak in hoogste feitelijke aanleg blijft, onverminderd het bepaalde in het laatste lid van dit artikel, het bevel van kracht totdat de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. In geval een einduitspraak als bedoeld in het vierde lid, laatste volzin, wordt vernietigd, kan de rechter bepalen dat het bevel van kracht blijft overeenkomstig [artikel 72, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=72&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
6. Buiten de gevallen voorzien in [artikel 72](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=72&z=2014-07-01&g=2014-07-01), heft de rechter in hoogste feitelijke aanleg het bevel op met ingang van het tijdstip waarop de duur van de ondergane voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van de tenuitvoerlegging van de onvoorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf, tenzij een maatregel die vrijheidsbeneming medebrengt of kan medebrengen onvoorwaardelijk is opgelegd.
5. Na de einduitspraak in hoogste feitelijke aanleg blijft, onverminderd het bepaalde in het laatste lid van dit artikel, het bevel van kracht totdat de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. In geval een einduitspraak als bedoeld in het vierde lid, laatste volzin, wordt vernietigd, kan de rechter bepalen dat het bevel van kracht blijft overeenkomstig [artikel 72, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=72&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
6. Buiten de gevallen voorzien in [artikel 72](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=72&z=2014-11-01&g=2014-11-01), heft de rechter in hoogste feitelijke aanleg het bevel op met ingang van het tijdstip waarop de duur van de ondergane voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van de tenuitvoerlegging van de onvoorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf, tenzij een maatregel die vrijheidsbeneming medebrengt of kan medebrengen onvoorwaardelijk is opgelegd.
7. Voor de toepassing van het vierde en zesde lid van dit artikel wordt onder de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd begrepen: de tijd gedurende welke de verdachte in verzekering was gesteld.
8. Indien de Hoge Raad de zaak overeenkomstig [artikel 440, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=III&artikel=440&z=2014-07-01&g=2014-07-01), terugwijst of verwijst, blijft, onverminderd het bepaalde in het zesde lid, het bevel gedurende dertig dagen daarna van kracht.
8. Indien de Hoge Raad de zaak overeenkomstig [artikel 440, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=III&artikel=440&z=2014-11-01&g=2014-11-01), terugwijst of verwijst, blijft, onverminderd het bepaalde in het zesde lid, het bevel gedurende dertig dagen daarna van kracht.
##### Artikel 76
In geval van voorlopige hechtenis zijn de [artikelen 62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=62&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [62a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=62a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) van overeenkomstige toepassing.
In geval van voorlopige hechtenis zijn de [artikelen 62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=62&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [62a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=62a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) van overeenkomstige toepassing.
#### § 2. Het hooren van den in voorloopige hechtenis gestelden verdachte
@@ -1056,7 +1056,7 @@
2. Dit verhoor geschiedt gedurende het voorbereidende onderzoek door den rechter-commissaris; na den aanvang van het onderzoek op de terechtzitting in eersten aanleg door een lid der rechtbank door deze aan te wijzen; na de aanteekening van beroep van de einduitspraak door een lid van het rechterlijk college in hoogsten feitelijken aanleg, door dit college aan te wijzen.
3. Van het verhoor wordt, ook indien dit door het daartoe aangewezen lid der rechtbank of van het gerechtshof wordt afgenomen, met overeenkomstige toepassing van de [artikelen 171-176](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=II&artikel=171&z=2014-07-01&g=2014-07-01), proces-verbaal opgemaakt.
3. Van het verhoor wordt, ook indien dit door het daartoe aangewezen lid der rechtbank of van het gerechtshof wordt afgenomen, met overeenkomstige toepassing van de [artikelen 171-176](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=II&artikel=171&z=2014-11-01&g=2014-11-01), proces-verbaal opgemaakt.
#### § 3. Inhoud der bevelen en hunne beteekening
@@ -1064,7 +1064,7 @@
1. Het bevel tot voorlopige hechtenis of tot verlenging van de geldigheidsduur daarvan is gedagtekend en ondertekend.
2. Het omschrijft zo nauwkeurig mogelijk het strafbare feit ten aanzien waarvan de verdenking is gerezen en de feiten of omstandigheden waarop de ernstige bezwaren tegen de verdachte zijn gegrond, alsmede de gedragingen, feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de in [artikel 67a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) gestelde voorwaarden zijn vervuld.
2. Het omschrijft zo nauwkeurig mogelijk het strafbare feit ten aanzien waarvan de verdenking is gerezen en de feiten of omstandigheden waarop de ernstige bezwaren tegen de verdachte zijn gegrond, alsmede de gedragingen, feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de in [artikel 67a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) gestelde voorwaarden zijn vervuld.
3. De verdachte wordt in het bevel met name - of, wanneer zijn naam onbekend is, zo duidelijk mogelijk - aangewezen.
@@ -1098,7 +1098,7 @@
5. De rechter bepaalt in zijne beslissing het bedrag waarvoor en de wijze waarop zekerheid zal zijn te stellen.
6. Bij het begeleiden bij de naleving van de voorwaarden betreffende het gedrag van de verdachte wordt de identiteit van de verdachte vastgesteld op de wijze, bedoeld in [artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=27a&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
6. Bij het begeleiden bij de naleving van de voorwaarden betreffende het gedrag van de verdachte wordt de identiteit van de verdachte vastgesteld op de wijze, bedoeld in [artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=27a&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
7. In de gevallen waarin verlof kan worden verleend op grond van het bepaalde bij of krachtens de [Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709), blijft deze paragraaf buiten toepassing.
@@ -1122,7 +1122,7 @@
3. De langste duur van den lijfsdwang wordt bij de beslissing bepaald en gaat bij gebleken onvermogen nimmer den tijd van zes maanden te boven, behoudens hervatting, indien de veroordeelde later in staat geraakt het door hem verschuldigde te voldoen.
4. Indien de verdachte na de opheffing der schorsing zich aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorloopige hechtenis onttrekt, wordt, indien dit nog niet mocht zijn geschied, de zekerheid vervallen verklaard aan den Staat. De zekerheid wordt eveneens, ook zonder dat de opheffing der schorsing mocht zijn bevolen, vervallen verklaard aan den Staat, indien de verdachte de voorwaarde bedoeld in [artikel 80, tweede lid, n°. 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=4&artikel=80&z=2014-07-01&g=2014-07-01), niet nakomt. De beslissing wordt gegeven ambtshalve of op de vordering van het openbaar ministerie. De voorgaande leden zijn van toepassing.
4. Indien de verdachte na de opheffing der schorsing zich aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorloopige hechtenis onttrekt, wordt, indien dit nog niet mocht zijn geschied, de zekerheid vervallen verklaard aan den Staat. De zekerheid wordt eveneens, ook zonder dat de opheffing der schorsing mocht zijn bevolen, vervallen verklaard aan den Staat, indien de verdachte de voorwaarde bedoeld in [artikel 80, tweede lid, n°. 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=4&artikel=80&z=2014-11-01&g=2014-11-01), niet nakomt. De beslissing wordt gegeven ambtshalve of op de vordering van het openbaar ministerie. De voorgaande leden zijn van toepassing.
##### Artikel 84
@@ -1190,9 +1190,9 @@
1. Tegen de door de rechtbank genomen beslissing staat den officier van justitie binnen veertien dagen daarna en den gewezen verdachte of zijne erfgenamen binnen eene maand na de beteekening hooger beroep open bij het gerechtshof.
2. Ten aanzien van den gewezen verdachte of zijne erfgenamen vinden de [artikelen 447-455](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=IV&artikel=447&z=2014-07-01&g=2014-07-01) overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat hetgeen in die artikelen met betrekking tot den raadsman is bepaald, geldt voor hun advocaat.
3. [Artikel 90, laatste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede_A&artikel=90&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van toepassing.
2. Ten aanzien van den gewezen verdachte of zijne erfgenamen vinden de [artikelen 447-455](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=IV&artikel=447&z=2014-11-01&g=2014-11-01) overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat hetgeen in die artikelen met betrekking tot den raadsman is bepaald, geldt voor hun advocaat.
3. [Artikel 90, laatste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede_A&artikel=90&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van toepassing.
##### Artikel 92
@@ -1232,7 +1232,7 @@
##### Artikel 94b
Voor de toepassing van de [artikelen 94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [94a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) geldt:
Voor de toepassing van de [artikelen 94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [94a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) geldt:
- 1°. dat beslag op vorderingen wordt gelegd en beëindigd door een schriftelijke kennisgeving aan de schuldenaar;
@@ -1244,7 +1244,7 @@
##### Artikel 94c
Op het beslag, bedoeld in [artikel 94a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is de [vierde Titel van het Derde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&titeldeel=Vierde) van overeenkomstige toepassing, behoudens dat:
Op het beslag, bedoeld in [artikel 94a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is de [vierde Titel van het Derde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&titeldeel=Vierde) van overeenkomstige toepassing, behoudens dat:
- a. voor het leggen van het beslag geen verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank vereist is, noch vrees voor verduistering behoeft te bestaan;
@@ -1254,19 +1254,19 @@
- d. voor roerende zaken die geen registergoederen zijn en rechten aan toonder of order ook volstaan kan worden met het door een opsporingsambtenaar opmaken van een proces-verbaal van inbeslagneming en het afgeven van een bewijs van ontvangst aan degene bij wie de voorwerpen in beslag zijn genomen;
- e. het niet in acht nemen van termijnen waarbinnen betekening van het beslag moet plaatsvinden, buiten de gevallen van [artikel 94b, onder 3°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94b&z=2014-07-01&g=2014-07-01), geen nietigheid van het beslag meebrengt;
- e. het niet in acht nemen van termijnen waarbinnen betekening van het beslag moet plaatsvinden, buiten de gevallen van [artikel 94b, onder 3°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94b&z=2014-11-01&g=2014-11-01), geen nietigheid van het beslag meebrengt;
- f. geen overeenkomstige toepassing toekomt aan [artikel 721 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=721); de officier van justitie geeft, zo de hoofdzaak na het beslag ter terechtzitting aanhangig wordt gemaakt, daarvan zo spoedig mogelijk aan de derde schriftelijk kennis;
- g. geen overeenkomstige toepassing toekomt aan [artikel 722 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=722);
- h. op in beslag genomen roerende zaken die in bewaring worden genomen de [artikelen 117](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=117&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=118&z=2014-07-01&g=2014-07-01) toepasselijk zijn;
- h. op in beslag genomen roerende zaken die in bewaring worden genomen de [artikelen 117](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=117&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=118&z=2014-11-01&g=2014-11-01) toepasselijk zijn;
- i. de beëindiging van het beslag met inachtneming van de bepalingen van dit Wetboek geschiedt.
##### Artikel 94d
1. Tot bewaring van het recht tot verhaal kan de officier van justitie namens de staat de bevoegdheden uitoefenen, welke in het Burgerlijk Wetboek en in het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827) zijn toegekend aan een schuldeiser die in zijn verhaalsmogelijkheden is benadeeld als gevolg van een onverplicht door de schuldenaar verrichte rechtshandeling. [Artikel 94c, onder c en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94c&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
1. Tot bewaring van het recht tot verhaal kan de officier van justitie namens de staat de bevoegdheden uitoefenen, welke in het Burgerlijk Wetboek en in het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827) zijn toegekend aan een schuldeiser die in zijn verhaalsmogelijkheden is benadeeld als gevolg van een onverplicht door de schuldenaar verrichte rechtshandeling. [Artikel 94c, onder c en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94c&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
2. Voor de toepassing van de [artikelen 46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=46) en [47, Boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=47) geldt het in die artikelen bedoelde vermoeden van wetenschap voor rechtshandelingen welke door de verdachte of veroordeelde zijn verricht binnen één jaar vóór het tijdstip waarop de vervolging tegen hem is aangevangen.
@@ -1280,27 +1280,27 @@
1. Hij die den verdachte aanhoudt of staande houdt, kan voor inbeslagneming vatbare voorwerpen, door dezen met zich gevoerd, in beslag nemen.
2. Met betrekking tot het onderzoek aan of in het lichaam of het onderzoek aan de kleding van de aangehouden verdachte geldt [artikel 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=56&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
2. Met betrekking tot het onderzoek aan of in het lichaam of het onderzoek aan de kleding van de aangehouden verdachte geldt [artikel 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=56&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
##### Artikel 96
1. In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is de opsporingsambtenaar bevoegd de daarvoor vatbare voorwerpen in beslag te nemen en daartoe elke plaats te betreden.
1. In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is de opsporingsambtenaar bevoegd de daarvoor vatbare voorwerpen in beslag te nemen en daartoe elke plaats te betreden.
2. De opsporingsambtenaar kan, in afwachting van de komst van de rechter of ambtenaar die bevoegd is ter inbeslagneming de plaats te doorzoeken, de maatregelen nemen die redelijkerwijs nodig zijn om wegmaking, onbruikbaarmaking, onklaarmaking of beschadiging van voor inbeslagneming vatbare voorwerpen te voorkomen. Deze maatregelen kunnen de vrijheid van personen die zich ter plaatse bevinden beperken.
##### Artikel 96a
1. In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan de opsporingsambtenaar een persoon die redelijkerwijs moet worden vermoed houder te zijn van een voor inbeslagneming vatbaar voorwerp bevelen dat hij dit ter inbeslagneming zal uitleveren.
1. In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan de opsporingsambtenaar een persoon die redelijkerwijs moet worden vermoed houder te zijn van een voor inbeslagneming vatbaar voorwerp bevelen dat hij dit ter inbeslagneming zal uitleveren.
2. Het bevel wordt niet gegeven aan de verdachte.
3. Op grond van hun bevoegdheid tot verschoning zijn niet verplicht aan het bevel te voldoen:
- a. de personen bedoeld bij [artikel 217](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=217&z=2014-07-01&g=2014-07-01);
- b. de personen bedoeld bij [artikel 218](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=218&z=2014-07-01&g=2014-07-01), voorzover de uitlevering met hun plicht tot geheimhouding in strijd zou zijn;
- c. de personen bedoeld bij [artikel 219](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=219&z=2014-07-01&g=2014-07-01), voorzover de uitlevering hen of een hunner daarin genoemde betrekkingen aan het gevaar van een strafrechtelijke vervolging zou blootstellen.
- a. de personen bedoeld bij [artikel 217](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=217&z=2014-11-01&g=2014-11-01);
- b. de personen bedoeld bij [artikel 218](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=218&z=2014-11-01&g=2014-11-01), voorzover de uitlevering met hun plicht tot geheimhouding in strijd zou zijn;
- c. de personen bedoeld bij [artikel 219](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=219&z=2014-11-01&g=2014-11-01), voorzover de uitlevering hen of een hunner daarin genoemde betrekkingen aan het gevaar van een strafrechtelijke vervolging zou blootstellen.
4. Ten aanzien van brieven kan het bevel alleen worden gegeven, indien deze van de verdachte afkomstig zijn, voor hem bestemd zijn of op hem betrekking hebben, of wel indien zij het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan gediend hebben.
@@ -1308,7 +1308,7 @@
##### Artikel 96b
1. In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is de opsporingsambtenaar bevoegd ter inbeslagneming een vervoermiddel, met uitzondering van het woongedeelte zonder toestemming van de bewoner, te doorzoeken en zich daartoe de toegang tot dit vervoermiddel te verschaffen.
1. In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is de opsporingsambtenaar bevoegd ter inbeslagneming een vervoermiddel, met uitzondering van het woongedeelte zonder toestemming van de bewoner, te doorzoeken en zich daartoe de toegang tot dit vervoermiddel te verschaffen.
2. Indien zulks met het oog op de uitoefening van de in het eerste lid verleende bevoegdheid noodzakelijk is, kan de opsporingsambtenaar:
@@ -1318,21 +1318,21 @@
##### Artikel 96c
1. In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan de officier van justitie ter inbeslagneming elke plaats, met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner en een kantoor van een persoon met bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in [artikel 218](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=218&z=2014-07-01&g=2014-07-01), doorzoeken.
1. In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan de officier van justitie ter inbeslagneming elke plaats, met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner en een kantoor van een persoon met bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in [artikel 218](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=218&z=2014-11-01&g=2014-11-01), doorzoeken.
2. Bij dringende noodzakelijkheid en indien het optreden van de officier van justitie niet kan worden afgewacht, kan een hulpofficier deze bevoegdheid uitoefenen. Hij behoeft daartoe de machtiging van de officier van justitie. Indien vanwege de vereiste spoed of de onbereikbaarheid van de officier van justitie de machtiging niet tijdig kan worden gevraagd, kan de machtiging binnen drie dagen na de doorzoeking door de officier van justitie worden verleend. Weigert de officier van justitie de machtiging, dan draagt hij zorg dat de gevolgen van de doorzoeking zoveel mogelijk ongedaan worden gemaakt.
3. Het doorzoeken van plaatsen overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid geschiedt onder leiding van de officier van justitie of, in geval van toepassing van het tweede lid, onder leiding van de hulpofficier.
4. [Artikel 96, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
4. [Artikel 96, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 97
1. In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan de officier van justitie, bij dringende noodzakelijkheid en indien het optreden van de rechter-commissaris niet kan worden afgewacht, ter inbeslagneming de volgende plaatsen doorzoeken:
1. In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan de officier van justitie, bij dringende noodzakelijkheid en indien het optreden van de rechter-commissaris niet kan worden afgewacht, ter inbeslagneming de volgende plaatsen doorzoeken:
- a. een woning zonder toestemming van de bewoner, en
- b. een kantoor van een persoon met bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in [artikel 218](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=218&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
- b. een kantoor van een persoon met bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in [artikel 218](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=218&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
2. Voor een doorzoeking als bedoeld in het eerste lid behoeft de officier van justitie de machtiging van de rechter-commissaris. Deze machtiging is met redenen omkleed.
@@ -1340,11 +1340,11 @@
4. Indien de rechter-commissaris aan een hulpofficier van justitie machtiging heeft verleend ter inbeslagneming een woning zonder toestemming van de bewoner te doorzoeken, is voor het binnentreden in die woning door de betrokken hulpofficier van justitie geen machtiging als bedoeld in [artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006763&artikel=2) vereist.
5. [Artikel 96, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
5. [Artikel 96, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 98
1. Bij personen met bevoegdheid tot verschooning, als bedoeld bij [artikel 218](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=218&z=2014-07-01&g=2014-07-01), worden, tenzij met hunne toestemming, niet in beslag genomen brieven of andere geschriften, tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt.
1. Bij personen met bevoegdheid tot verschooning, als bedoeld bij [artikel 218](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=218&z=2014-11-01&g=2014-11-01), worden, tenzij met hunne toestemming, niet in beslag genomen brieven of andere geschriften, tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt.
2. Een doorzoeking vindt bij zodanige personen, tenzij met hun toestemming, alleen plaats voor zover het zonder schending van het stands-, beroeps- of ambtsgeheim kan geschieden, en strekt zich niet uit tot andere brieven of geschriften dan die welke het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan gediend hebben.
@@ -1360,9 +1360,9 @@
##### Artikel 100
1. In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan de officier van justitie ter inbeslagneming de uitlevering tegen ontvangstbewijs bevelen van de pakketten, brieven, stukken en andere berichten, welke aan een postvervoerbedrijf als bedoeld in de [Postwet 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572) of een geregistreerde ingevolge [artikel 2.1, vierde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=2.1) dan wel aan een andere instelling van vervoer zijn toevertrouwd; een en ander voor zover zij klaarblijkelijk van de verdachte afkomstig zijn, voor hem bestemd zijn of op hem betrekking hebben, of wel indien zij klaarblijkelijk het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan gediend hebben.
2. Ieder die ten behoeve van dat vervoer zoodanige zaken onder zich heeft of krijgt, geeft dienaangaande aan den officier van justitie of aan den hulpofficier op diens vordering de door dezen gewenschte inlichtingen. De [artikelen 217-219](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=217&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
1. In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan de officier van justitie ter inbeslagneming de uitlevering tegen ontvangstbewijs bevelen van de pakketten, brieven, stukken en andere berichten, welke aan een postvervoerbedrijf als bedoeld in de [Postwet 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572) of een geregistreerde ingevolge [artikel 2.1, vierde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=2.1) dan wel aan een andere instelling van vervoer zijn toevertrouwd; een en ander voor zover zij klaarblijkelijk van de verdachte afkomstig zijn, voor hem bestemd zijn of op hem betrekking hebben, of wel indien zij klaarblijkelijk het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan gediend hebben.
2. Ieder die ten behoeve van dat vervoer zoodanige zaken onder zich heeft of krijgt, geeft dienaangaande aan den officier van justitie of aan den hulpofficier op diens vordering de door dezen gewenschte inlichtingen. De [artikelen 217-219](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=217&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 101
@@ -1380,7 +1380,7 @@
2. Voorzoover het belang van het onderzoek dit niet verbiedt, worden zij vooraf door den officier van justitie gewaarmerkt.
3. De inhoud van de door den officier van justitie geopende zaken, voorzoover deze niet bij de processtukken of de stukken van overtuiging zijn gevoegd, wordt door hem geheim gehouden. Gelijke geheimhouding wordt door hem en door den hulpofficier van justitie in acht genomen ter zake van de inlichtingen in [artikel 100, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=100&z=2014-07-01&g=2014-07-01), vermeld, voor zoover daarvan niet uit de processtukken blijkt.
3. De inhoud van de door den officier van justitie geopende zaken, voorzoover deze niet bij de processtukken of de stukken van overtuiging zijn gevoegd, wordt door hem geheim gehouden. Gelijke geheimhouding wordt door hem en door den hulpofficier van justitie in acht genomen ter zake van de inlichtingen in [artikel 100, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=100&z=2014-11-01&g=2014-11-01), vermeld, voor zoover daarvan niet uit de processtukken blijkt.
4. Van de inbeslagneming, de teruggave, de opening en de verzending wordt door den officier van justitie proces-verbaal opgemaakt dat bij de processtukken wordt gevoegd.
@@ -1390,35 +1390,35 @@
2. De officier van justitie geeft de gesloten brieven, welker inbeslagneming niet wordt gehandhaafd, onverwijld terug aan degene bij wie zij inbeslaggenomen zijn.
3. De [artikelen 101, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=101&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [102](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=102&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de brieven die niet bij de processtukken of de stukken van overtuiging worden gevoegd, worden teruggegeven aan degene bij wie zij inbeslaggenomen zijn.
3. De [artikelen 101, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=101&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [102](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=102&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de brieven die niet bij de processtukken of de stukken van overtuiging worden gevoegd, worden teruggegeven aan degene bij wie zij inbeslaggenomen zijn.
#### § 2. Inbeslagneming door opsporingsambtenaren of bijzondere personen
##### Artikel 103
1. Beslag kan op grond van [artikel 94a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) slechts worden gelegd of gehandhaafd krachtens schriftelijke machtiging op vordering van de officier van justitie te verlenen door de rechter-commissaris.
1. Beslag kan op grond van [artikel 94a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) slechts worden gelegd of gehandhaafd krachtens schriftelijke machtiging op vordering van de officier van justitie te verlenen door de rechter-commissaris.
2. De machtiging wordt door de officier van justitie zo spoedig mogelijk aan de verdachte of veroordeelde, en zo het beslag onder een derde is gelegd, ook aan deze betekend op de wijze zoals voorzien bij dit wetboek of door de gerechtsdeurwaarder overeenkomstig de wijze van betekening van het verlof, bedoeld in [artikel 702, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=702).
3. Beslag op grond van [artikel 94a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) kan in geval van ontdekking op heterdaad op vordering van de officier van justitie ook worden gelegd krachtens mondelinge machtiging van de rechter-commissaris. Door de opsporingsambtenaar wordt een proces-verbaal van de inbeslagneming opgemaakt. Aan de verdachte of veroordeelde wordt een bewijs van ontvangst afgegeven. Zo het beslag onder een derde is gelegd wordt ook aan deze een bewijs van ontvangst afgegeven. De rechter-commissaris stelt de mondeling gegeven machtiging achteraf op schrift. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
4. Het in het derde lid bepaalde is niet van toepassing ten aanzien van voorwerpen als bedoeld in [artikel 94b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94b&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
3. Beslag op grond van [artikel 94a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) kan in geval van ontdekking op heterdaad op vordering van de officier van justitie ook worden gelegd krachtens mondelinge machtiging van de rechter-commissaris. Door de opsporingsambtenaar wordt een proces-verbaal van de inbeslagneming opgemaakt. Aan de verdachte of veroordeelde wordt een bewijs van ontvangst afgegeven. Zo het beslag onder een derde is gelegd wordt ook aan deze een bewijs van ontvangst afgegeven. De rechter-commissaris stelt de mondeling gegeven machtiging achteraf op schrift. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
4. Het in het derde lid bepaalde is niet van toepassing ten aanzien van voorwerpen als bedoeld in [artikel 94b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94b&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
#### § 2. Inbeslagneming door opsporingsambtenaren of bijzondere personen
##### Artikel 104
1. De rechter-commissaris is tot inbeslagneming van alle daarvoor vatbare voorwerpen bevoegd. Buiten het geval hij uit hoofde van de [artikelen 181 tot en met 183](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=181&z=2014-07-01&g=2014-07-01) onderzoekshandelingen verricht, vindt inbeslagneming door de rechter-commissaris slechts plaats op vordering van de officier van justitie.
2. [Artikel 98, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=98&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van toepassing.
1. De rechter-commissaris is tot inbeslagneming van alle daarvoor vatbare voorwerpen bevoegd. Buiten het geval hij uit hoofde van de [artikelen 181 tot en met 183](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=181&z=2014-11-01&g=2014-11-01) onderzoekshandelingen verricht, vindt inbeslagneming door de rechter-commissaris slechts plaats op vordering van de officier van justitie.
2. [Artikel 98, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=98&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van toepassing.
##### Artikel 105
1. De rechter-commissaris kan, op vordering van de officier van justitie en indien hij uit hoofde van de [artikelen 181 tot en met 183](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=181&z=2014-07-01&g=2014-07-01) onderzoekshandelingen verricht tevens ambtshalve, bevelen dat hij die redelijkerwijs moet worden vermoed houder te zijn van een voor inbeslagneming vatbaar voorwerp, dit ter inbeslagneming aan hem zal uitleveren of op de griffie van de rechtbank overbrengen, een en ander binnen de termijn en op de wijze bij het bevel te bepalen. De vordering vermeldt het strafbare feit en indien bekend de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van de verdachte, alsmede de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de wettelijke voorwaarden voor uitoefening van de bevoegdheid zijn vervuld.
1. De rechter-commissaris kan, op vordering van de officier van justitie en indien hij uit hoofde van de [artikelen 181 tot en met 183](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=181&z=2014-11-01&g=2014-11-01) onderzoekshandelingen verricht tevens ambtshalve, bevelen dat hij die redelijkerwijs moet worden vermoed houder te zijn van een voor inbeslagneming vatbaar voorwerp, dit ter inbeslagneming aan hem zal uitleveren of op de griffie van de rechtbank overbrengen, een en ander binnen de termijn en op de wijze bij het bevel te bepalen. De vordering vermeldt het strafbare feit en indien bekend de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van de verdachte, alsmede de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de wettelijke voorwaarden voor uitoefening van de bevoegdheid zijn vervuld.
2. Het bevel wordt mondeling of schriftelijk gegeven. In het laatste geval wordt het beteekend.
3. [Artikel 96a, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
3. [Artikel 96a, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 106
@@ -1440,11 +1440,11 @@
##### Artikel 110
1. De rechter-commissaris kan, op vordering van de officier van justitie en indien hij uit hoofde van de [artikelen 181 tot en met 183](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=181&z=2014-07-01&g=2014-07-01) onderzoekshandelingen verricht tevens ambtshalve, ter inbeslagneming elke plaats doorzoeken. Hij kan zich daarbij doen vergezellen van bepaalde door hem aangewezen personen. De vordering vermeldt het strafbare feit en indien bekend de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van de verdachte, alsmede de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de wettelijke voorwaarden voor uitoefening van de bevoegdheid zijn vervuld.
1. De rechter-commissaris kan, op vordering van de officier van justitie en indien hij uit hoofde van de [artikelen 181 tot en met 183](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=181&z=2014-11-01&g=2014-11-01) onderzoekshandelingen verricht tevens ambtshalve, ter inbeslagneming elke plaats doorzoeken. Hij kan zich daarbij doen vergezellen van bepaalde door hem aangewezen personen. De vordering vermeldt het strafbare feit en indien bekend de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van de verdachte, alsmede de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de wettelijke voorwaarden voor uitoefening van de bevoegdheid zijn vervuld.
2. Het doorzoeken van plaatsen overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid geschiedt onder leiding van de rechter-commissaris in tegenwoordigheid van de officier van justitie of, in geval van diens verhindering, van een hulpofficier van justitie.
3. De [artikelen 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=98&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [99](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=99&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [99a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=99a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
3. De [artikelen 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=98&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [99](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=99&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [99a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=99a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 111
@@ -1460,7 +1460,7 @@
##### Artikel 114
1. De [artikelen 100 tot en met 102](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=100&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing op de rechter-commissaris die uit hoofde van de [artikelen 181 tot en met 183](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=181&z=2014-07-01&g=2014-07-01) onderzoekshandelingen verricht.
1. De [artikelen 100 tot en met 102](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=100&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van overeenkomstige toepassing op de rechter-commissaris die uit hoofde van de [artikelen 181 tot en met 183](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=181&z=2014-11-01&g=2014-11-01) onderzoekshandelingen verricht.
2. De rechter-commissaris is bevoegd te bepalen dat van de inhoud van inbeslaggenomen gesloten pakketten, brieven, stukken en andere berichten, welke aan een postvervoerbedrijf als bedoeld in de [Postwet 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572) of een geregistreerde ingevolge [artikel 2.1, eerste lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=2.1) dan wel aan een andere instelling van vervoer waren toevertrouwd, zal worden kennis genomen, voor zover zij klaarblijkelijk van de verdachte afkomstig zijn, voor hem bestemd zijn of op hem betrekking hebben, of wel indien zij klaarblijkelijk het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan gediend hebben.
@@ -1472,7 +1472,7 @@
##### Artikel 116
1. De hulpofficier van justitie of de officier van justitie die op grond van [artikel 94, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94&z=2014-07-01&g=2014-07-01), in kennis is gesteld van de kennisgeving van inbeslagneming, beslist over het voortduren van het beslag in het belang van de strafvordering. Indien dit belang niet of niet meer aanwezig is, beëindigt hij het beslag en doet hij het voorwerp teruggeven aan degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen. De hulpofficier van justitie pleegt desgeraden overleg met de officier van justitie voordat hij de beslissing neemt.
1. De hulpofficier van justitie of de officier van justitie die op grond van [artikel 94, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94&z=2014-11-01&g=2014-11-01), in kennis is gesteld van de kennisgeving van inbeslagneming, beslist over het voortduren van het beslag in het belang van de strafvordering. Indien dit belang niet of niet meer aanwezig is, beëindigt hij het beslag en doet hij het voorwerp teruggeven aan degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen. De hulpofficier van justitie pleegt desgeraden overleg met de officier van justitie voordat hij de beslissing neemt.
2. Indien degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen ten overstaan van de rechter-commissaris, de officier van justitie of een opsporingsambtenaar schriftelijk verklaart afstand te doen van het voorwerp, kan de hulpofficier van justitie of het openbaar ministerie:
@@ -1482,11 +1482,11 @@
- c. in geval degene bij wie het voorwerp is in beslag genomen verklaart dat het hem toebehoort, gelasten dat daarmee wordt gehandeld als ware het verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer.
3. Wordt een verklaring als bedoeld in het tweede lid niet afgelegd, dan kan het openbaar ministerie de beslissing onder a of b alsnog nemen, indien degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen, zich niet binnen veertien dagen nadat het openbaar ministerie hem schriftelijk kennis heeft gegeven van het voornemen tot zodanige beslissing, daarover heeft beklaagd of het door hem ingestelde beklag ongegrond is verklaard. Op het beklag is [titel IX van het Vierde Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&z=2014-07-01&g=2014-07-01) van overeenkomstige toepassing.
3. Wordt een verklaring als bedoeld in het tweede lid niet afgelegd, dan kan het openbaar ministerie de beslissing onder a of b alsnog nemen, indien degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen, zich niet binnen veertien dagen nadat het openbaar ministerie hem schriftelijk kennis heeft gegeven van het voornemen tot zodanige beslissing, daarover heeft beklaagd of het door hem ingestelde beklag ongegrond is verklaard. Op het beklag is [titel IX van het Vierde Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&z=2014-11-01&g=2014-11-01) van overeenkomstige toepassing.
4. Indien een verklaring als bedoeld in het tweede lid niet wordt afgelegd en het openbaar ministerie voornemens is het voorwerp terug te geven aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, is het bevoegd het voorwerp reeds aanstonds, in afwachting van de mogelijkheid tot teruggave, aan deze in bewaring te geven, indien degene bij wie het voorwerp is inbeslaggenomen, dit kennelijk door middel van een strafbaar feit aan die rechthebbende heeft onttrokken of onttrokken hield. Degene aan wie het voorwerp is afgegeven, is in dat geval bevoegd het voorwerp te gebruiken.
5. Indien het openbaar ministerie overeenkomstig het tweede of vierde lid of de rechtbank overeenkomstig [artikel 353, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=353&z=2014-07-01&g=2014-07-01), de bewaring van het voorwerp heeft gelast, doet het openbaar ministerie dit voorwerp na het bekend worden van de rechthebbende aan deze teruggeven.
5. Indien het openbaar ministerie overeenkomstig het tweede of vierde lid of de rechtbank overeenkomstig [artikel 353, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=353&z=2014-11-01&g=2014-11-01), de bewaring van het voorwerp heeft gelast, doet het openbaar ministerie dit voorwerp na het bekend worden van de rechthebbende aan deze teruggeven.
6. De in dit artikel bedoelde beslissingen laten ieders rechten ten aanzien van het voorwerp onverlet.
@@ -1506,29 +1506,29 @@
3. De in het eerste lid bedoelde machtiging is gericht tot de bewaarder of aan de ambtenaar die de voorwerpen in afwachting van hun vervoer naar de bewaarder onder zich heeft. Degene aan wie de machtiging is gericht, draagt zorg voor de bepaling van de waarde die het voorwerp op dat moment bij verkoop redelijkerwijs zou hebben opgebracht.
4. Indien inbeslaggenomen voorwerpen op grond van de machtiging van het openbaar ministerie tegen baat worden vervreemd, blijft het beslag, onverminderd het bepaalde in [artikel 116](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=116&z=2014-07-01&g=2014-07-01), rusten op de verkregen opbrengst.
4. Indien inbeslaggenomen voorwerpen op grond van de machtiging van het openbaar ministerie tegen baat worden vervreemd, blijft het beslag, onverminderd het bepaalde in [artikel 116](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=116&z=2014-11-01&g=2014-11-01), rusten op de verkregen opbrengst.
5. Indien het openbaar ministerie op het schriftelijk verzoek van de bewaarder hem de machtiging te verlenen als bedoeld in het eerste lid, niet binnen zes weken een beslissing heeft genomen, is de bewaarder bevoegd te handelen overeenkomstig het eerste lid.
##### Artikel 117a
Indien het openbaar ministerie een van de beslissingen bedoeld in de [artikelen 116](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=116&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [117](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=117&z=2014-07-01&g=2014-07-01) neemt terwijl de rechter-commissaris uit hoofde van de [artikelen 181 tot en met 183](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=181&z=2014-07-01&g=2014-07-01) onderzoekshandelingen verricht, doet het daarvan mededeling aan de rechter-commissaris.
Indien het openbaar ministerie een van de beslissingen bedoeld in de [artikelen 116](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=116&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [117](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=117&z=2014-11-01&g=2014-11-01) neemt terwijl de rechter-commissaris uit hoofde van de [artikelen 181 tot en met 183](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=181&z=2014-11-01&g=2014-11-01) onderzoekshandelingen verricht, doet het daarvan mededeling aan de rechter-commissaris.
##### Artikel 118
1. Bij toepassing van [artikel 116, tweede lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=116&z=2014-07-01&g=2014-07-01), of indien het belang van de strafvordering zich verzet tegen teruggave en geen machtiging als bedoeld in [artikel 117, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=117&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is verleend, worden de inbeslaggenomen voorwerpen, zodra het belang van het onderzoek het toelaat, in opdracht van het openbaar ministerie, gesteld onder de hoede van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bewaarder. De [artikelen 116](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=116&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [117](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=117&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn toepassing.
1. Bij toepassing van [artikel 116, tweede lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=116&z=2014-11-01&g=2014-11-01), of indien het belang van de strafvordering zich verzet tegen teruggave en geen machtiging als bedoeld in [artikel 117, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=117&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is verleend, worden de inbeslaggenomen voorwerpen, zodra het belang van het onderzoek het toelaat, in opdracht van het openbaar ministerie, gesteld onder de hoede van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bewaarder. De [artikelen 116](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=116&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [117](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=117&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn toepassing.
2. Inbeslaggenomen voorwerpen kunnen ook aan een andere door het openbaar ministerie aangewezen bewaarder in gerechtelijke bewaring worden gegeven, indien dit voor het behoud, de bestemming of de beveiliging van deze voorwerpen redelijkerwijs noodzakelijk is.
3. De bewaarder is bevoegd de bewaring van inbeslaggenomen voorwerpen, voor zover het andere roerende zaken dan geld betreft, te beëindigen na een tijdsverloop van twee jaren te rekenen vanaf de datum van inbeslagneming. In dat geval handelt hij met het voorwerp overeenkomstig [artikel 117, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=117&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
4. Indien het inbeslaggenomen voorwerp wordt bewaard op grond van de last als bedoeld in [artikel 353, tweede lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=353&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan de bewaarder de hem in het derde lid toegekende bevoegdheid tot beëindiging van de bewaring niet uitoefenen voordat drie maanden zijn verstreken nadat de einduitspraak onherroepelijk is geworden.
3. De bewaarder is bevoegd de bewaring van inbeslaggenomen voorwerpen, voor zover het andere roerende zaken dan geld betreft, te beëindigen na een tijdsverloop van twee jaren te rekenen vanaf de datum van inbeslagneming. In dat geval handelt hij met het voorwerp overeenkomstig [artikel 117, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=117&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
4. Indien het inbeslaggenomen voorwerp wordt bewaard op grond van de last als bedoeld in [artikel 353, tweede lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=353&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan de bewaarder de hem in het derde lid toegekende bevoegdheid tot beëindiging van de bewaring niet uitoefenen voordat drie maanden zijn verstreken nadat de einduitspraak onherroepelijk is geworden.
5. De bewaarder oefent de bevoegdheid, bedoeld in het derde of vierde lid, niet uit, indien het openbaar ministerie binnen veertien dagen nadat de bewaarder van het bestaan van de bevoegdheid schriftelijk heeft kennis gegeven, meedeelt tegen uitoefening daarvan bezwaar te hebben.
##### Artikel 118a
1. Het openbaar ministerie kan ambtshalve of op verzoek van de beslagene of van een andere belanghebbende een voorwerp dat op grond van [artikel 94a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) in beslag is genomen onder zekerheidsstelling doen teruggeven.
1. Het openbaar ministerie kan ambtshalve of op verzoek van de beslagene of van een andere belanghebbende een voorwerp dat op grond van [artikel 94a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) in beslag is genomen onder zekerheidsstelling doen teruggeven.
2. De zekerheid bestaat in de storting van geldswaarden door de beslagene of een derde, of in de verbintenis van een derde als waarborg, voor een bedrag en op een wijze als door het openbaar ministerie wordt aanvaard.
@@ -1540,15 +1540,15 @@
1. Een last tot teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp dat in bewaring is gegeven, is gericht tot de bewaarder.
2. Indien de bewaarder niet aan de last tot teruggave kan voldoen, omdat de bewaring van het voorwerp overeenkomstig de machtiging, bedoeld in [artikel 117, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=117&z=2014-07-01&g=2014-07-01), dan wel op de wijze voorzien in [artikel 118, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=118&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is beëindigd, gaat de bewaarder over tot uitbetaling van de prijs, die het voorwerp bij verkoop door hem heeft opgebracht of redelijkerwijze zou hebben opgebracht.
3. Indien de bewaarder, buiten de gevallen in het tweede lid bedoeld, niet in staat is aan de last tot teruggave te voldoen, houdt de bewaarder het voorwerp ter beschikking van de rechthebbende totdat hem in gevolge [artikel 118, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=118&z=2014-07-01&g=2014-07-01), de bevoegdheid toekomt de bewaring te beëindigen. In het geval als bedoeld in [artikel 353, tweede lid, onder b of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=353&z=2014-07-01&g=2014-07-01) houdt de bewaarder, indien hem evenbedoelde bevoegdheid zou toekomen, het voorwerp niettemin ter beschikking van de rechthebbende gedurende tenminste drie maanden nadat de einduitspraak onherroepelijk is geworden.
2. Indien de bewaarder niet aan de last tot teruggave kan voldoen, omdat de bewaring van het voorwerp overeenkomstig de machtiging, bedoeld in [artikel 117, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=117&z=2014-11-01&g=2014-11-01), dan wel op de wijze voorzien in [artikel 118, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=118&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is beëindigd, gaat de bewaarder over tot uitbetaling van de prijs, die het voorwerp bij verkoop door hem heeft opgebracht of redelijkerwijze zou hebben opgebracht.
3. Indien de bewaarder, buiten de gevallen in het tweede lid bedoeld, niet in staat is aan de last tot teruggave te voldoen, houdt de bewaarder het voorwerp ter beschikking van de rechthebbende totdat hem in gevolge [artikel 118, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=118&z=2014-11-01&g=2014-11-01), de bevoegdheid toekomt de bewaring te beëindigen. In het geval als bedoeld in [artikel 353, tweede lid, onder b of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=353&z=2014-11-01&g=2014-11-01) houdt de bewaarder, indien hem evenbedoelde bevoegdheid zou toekomen, het voorwerp niettemin ter beschikking van de rechthebbende gedurende tenminste drie maanden nadat de einduitspraak onherroepelijk is geworden.
4. De bewaarder geeft het voorwerp niet terug zolang er een beslag op rust, door een derde gelegd ingevolge [Boek II, titels 2](onbekend), [3](onbekend) en [4](onbekend), en [Boek III, titel 4, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](onbekend), tenzij degene door wie de last tot teruggave is gegeven uitdrukkelijk anders bepaalt.
##### Artikel 119a
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven met betrekking tot de toepassing van [artikel 117, eerste tot en met het derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=117&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [118, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=118&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [118a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=118a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) omtrent de wijze waarop de inbeslaggenomen voorwerpen worden aangeboden aan de bewaarder, de wijze waarop deze worden bewaard en ter beschikking van het onderzoek gehouden.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven met betrekking tot de toepassing van [artikel 117, eerste tot en met het derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=117&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [118, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=118&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [118a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=118a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) omtrent de wijze waarop de inbeslaggenomen voorwerpen worden aangeboden aan de bewaarder, de wijze waarop deze worden bewaard en ter beschikking van het onderzoek gehouden.
##### Artikel 120
@@ -1626,7 +1626,7 @@
##### Artikel 125i
Aan de rechter-commissaris, de officier van justitie, de hulpofficier van justitie en de opsporingsambtenaar komt onder dezelfde voorwaarden als bedoeld in de [artikelen 96b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96b&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [96c, eerste, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96c&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [97, eerste tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=97&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [110, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=3&artikel=110&z=2014-07-01&g=2014-07-01), de bevoegdheid toe tot het doorzoeken van een plaats ter vastlegging van gegevens die op deze plaats op een gegevensdrager zijn opgeslagen of vastgelegd. In het belang van het onderzoek kunnen zij deze gegevens vastleggen. De [artikelen 96, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=98&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [99](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=99&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [99a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=99a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
Aan de rechter-commissaris, de officier van justitie, de hulpofficier van justitie en de opsporingsambtenaar komt onder dezelfde voorwaarden als bedoeld in de [artikelen 96b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96b&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [96c, eerste, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96c&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [97, eerste tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=97&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [110, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=3&artikel=110&z=2014-11-01&g=2014-11-01), de bevoegdheid toe tot het doorzoeken van een plaats ter vastlegging van gegevens die op deze plaats op een gegevensdrager zijn opgeslagen of vastgelegd. In het belang van het onderzoek kunnen zij deze gegevens vastleggen. De [artikelen 96, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=98&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [99](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=99&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [99a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=99a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 125j
@@ -1636,11 +1636,11 @@
##### Artikel 125k
1. Voor zover het belang van het onderzoek dit bepaaldelijk vordert, kan indien toepassing is gegeven aan [artikel 125i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Zevende&artikel=125i&z=2014-07-01&g=2014-07-01) of [artikel 125j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Zevende&artikel=125j&z=2014-07-01&g=2014-07-01) tot degeen van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij kennis draagt van de wijze van beveiliging van een geautomatiseerd werk, het bevel worden gericht toegang te verschaffen tot de aanwezige geautomatiseerde werken of delen daarvan. Degeen tot wie het bevel is gericht, dient desgevraagd hieraan gevolg te geven door de kennis omtrent de beveiliging ter beschikking te stellen.
1. Voor zover het belang van het onderzoek dit bepaaldelijk vordert, kan indien toepassing is gegeven aan [artikel 125i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Zevende&artikel=125i&z=2014-11-01&g=2014-11-01) of [artikel 125j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Zevende&artikel=125j&z=2014-11-01&g=2014-11-01) tot degeen van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij kennis draagt van de wijze van beveiliging van een geautomatiseerd werk, het bevel worden gericht toegang te verschaffen tot de aanwezige geautomatiseerde werken of delen daarvan. Degeen tot wie het bevel is gericht, dient desgevraagd hieraan gevolg te geven door de kennis omtrent de beveiliging ter beschikking te stellen.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien in een geautomatiseerd werk versleutelde gegevens worden aangetroffen. Het bevel richt zich tot degeen van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij kennis draagt van de wijze van versleuteling van deze gegevens.
3. Het bevel, bedoeld in het eerste lid, wordt niet gegeven aan de verdachte. [Artikel 96a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
3. Het bevel, bedoeld in het eerste lid, wordt niet gegeven aan de verdachte. [Artikel 96a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 125l
@@ -1686,15 +1686,15 @@
3. Het strafrechtelijk financieel onderzoek wordt ingesteld krachtens een met redenen omklede machtiging van de rechter-commissaris, op vordering van de officier van justitie die met de opsporing van het strafbare feit is belast, verleend.
4. De vordering van de officier van justitie is met redenen omkleed. Bij de vordering wordt een lijst van voorwerpen overgelegd die reeds op grond van [artikel 94a, tweede, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), in beslag zijn genomen.
5. De officier van justitie informeert periodiek uit eigen beweging of op diens verzoek de rechter-commissaris over de voortgang van het strafrechtelijk financieel onderzoek. De rechter-commissaris licht de rechtbank in, indien hij zulks met het oog op [artikel 126e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Negende&artikel=126e&z=2014-07-01&g=2014-07-01), nodig oordeelt. De rechter-commissaris doet hiervan mededeling aan de officier van justitie.
4. De vordering van de officier van justitie is met redenen omkleed. Bij de vordering wordt een lijst van voorwerpen overgelegd die reeds op grond van [artikel 94a, tweede, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), in beslag zijn genomen.
5. De officier van justitie informeert periodiek uit eigen beweging of op diens verzoek de rechter-commissaris over de voortgang van het strafrechtelijk financieel onderzoek. De rechter-commissaris licht de rechtbank in, indien hij zulks met het oog op [artikel 126e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Negende&artikel=126e&z=2014-11-01&g=2014-11-01), nodig oordeelt. De rechter-commissaris doet hiervan mededeling aan de officier van justitie.
##### Artikel 126a
1. Krachtens de ingevolge [artikel 126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Negende&artikel=126&z=2014-07-01&g=2014-07-01) gegeven machtiging is een met het strafrechtelijk financieel onderzoek belaste opsporingsambtenaar op vertoon van een afschrift van de machtiging bevoegd, ten einde inzicht te verkrijgen in de vermogenspositie van degene tegen wie het onderzoek is gericht, aan een ieder te bevelen hem op de eerste vordering:
- a. opgave te doen of inzage of afschrift te geven van bescheiden of van gegevens, niet zijnde gegevens als bedoeld in [artikel 126nd, tweede lid, derde volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-07-01&g=2014-07-01);
1. Krachtens de ingevolge [artikel 126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Negende&artikel=126&z=2014-11-01&g=2014-11-01) gegeven machtiging is een met het strafrechtelijk financieel onderzoek belaste opsporingsambtenaar op vertoon van een afschrift van de machtiging bevoegd, ten einde inzicht te verkrijgen in de vermogenspositie van degene tegen wie het onderzoek is gericht, aan een ieder te bevelen hem op de eerste vordering:
- a. opgave te doen of inzage of afschrift te geven van bescheiden of van gegevens, niet zijnde gegevens als bedoeld in [artikel 126nd, tweede lid, derde volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-11-01&g=2014-11-01);
- b. op te geven of, en zo ja welke, vermogensbestanddelen hij onder zich heeft of heeft gehad, welke toebehoren of hebben toebehoord aan degene tegen wie het onderzoek is gericht;
@@ -1702,19 +1702,19 @@
2. Het bevel wordt niet gericht aan degene tegen wie het onderzoek is gericht.
3. [Artikel 96a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
4. Ter gelegenheid van het eerste verhoor van degene tegen wie het onderzoek is gericht wordt hem door de verhorende rechter of ambtenaar een afschrift van de in [artikel 126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Negende&artikel=126&z=2014-07-01&g=2014-07-01) bedoelde vordering en machtiging ter hand gesteld.
3. [Artikel 96a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
4. Ter gelegenheid van het eerste verhoor van degene tegen wie het onderzoek is gericht wordt hem door de verhorende rechter of ambtenaar een afschrift van de in [artikel 126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Negende&artikel=126&z=2014-11-01&g=2014-11-01) bedoelde vordering en machtiging ter hand gesteld.
5. Degene tot wie een vordering als bedoeld in het eerste lid is gericht, neemt in het belang van het onderzoek geheimhouding in acht omtrent al hetgeen hem terzake van de vordering bekend is.
##### Artikel 126b
1. Tijdens het strafrechtelijk financieel onderzoek is de officier van justitie bevoegd zonder verdere rechterlijke machtiging te gelasten dat voorwerpen op grond van [artikel 94a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), in beslag worden genomen.
1. Tijdens het strafrechtelijk financieel onderzoek is de officier van justitie bevoegd zonder verdere rechterlijke machtiging te gelasten dat voorwerpen op grond van [artikel 94a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), in beslag worden genomen.
2. Indien de officier van justitie zulks in het belang van het strafrechtelijk financieel onderzoek noodzakelijk acht, vordert hij dat de rechter-commissaris ter inbeslagneming een plaats doorzoekt dan wel andere hem krachtens het derde lid toekomende bevoegdheden uitoefent.
3. Aan de rechter-commissaris komen tijdens het strafrechtelijk financieel onderzoek dezelfde bevoegdheden toe als in het geval hij in een zaak onderzoekshandelingen verricht uit hoofde van [artikel 181](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=181&z=2014-07-01&g=2014-07-01), met dien verstande dat:
3. Aan de rechter-commissaris komen tijdens het strafrechtelijk financieel onderzoek dezelfde bevoegdheden toe als in het geval hij in een zaak onderzoekshandelingen verricht uit hoofde van [artikel 181](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=181&z=2014-11-01&g=2014-11-01), met dien verstande dat:
- a. hij ook bevoegd is de uitlevering ter inbeslagneming te bevelen van brieven welke kunnen dienen om door degene tegen wie het onderzoek is gericht, verkregen wederrechtelijk voordeel aan te tonen;
@@ -1722,13 +1722,13 @@
##### Artikel 126c
1. De officier van justitie kan bij dringende noodzakelijkheid ter inbeslagneming elke plaats, alsmede een woning zonder toestemming van de bewoner of een kantoor van een persoon met bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in [artikel 218](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=218&z=2014-07-01&g=2014-07-01) doorzoeken indien zich daar vermoedelijk bescheiden of gegevens als bedoeld in [artikel 126a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Negende&artikel=126a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) of voorwerpen als bedoeld in [artikel 94a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) bevinden.
2. [Artikel 97, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=97&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
1. De officier van justitie kan bij dringende noodzakelijkheid ter inbeslagneming elke plaats, alsmede een woning zonder toestemming van de bewoner of een kantoor van een persoon met bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in [artikel 218](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=218&z=2014-11-01&g=2014-11-01) doorzoeken indien zich daar vermoedelijk bescheiden of gegevens als bedoeld in [artikel 126a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Negende&artikel=126a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) of voorwerpen als bedoeld in [artikel 94a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) bevinden.
2. [Artikel 97, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=97&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 126d
De [artikelen 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=98&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [99](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=99&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [99a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=99a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de in [artikel 98, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=98&z=2014-07-01&g=2014-07-01), bedoelde doorzoeking zich ten aanzien van brieven en geschriften mede uitstrekt tot die welke kunnen dienen om wederrechtelijk voordeel aan te tonen dat is verkregen door degene tegen wie het onderzoek is gericht.
De [artikelen 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=98&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [99](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=99&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [99a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=99a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de in [artikel 98, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=98&z=2014-11-01&g=2014-11-01), bedoelde doorzoeking zich ten aanzien van brieven en geschriften mede uitstrekt tot die welke kunnen dienen om wederrechtelijk voordeel aan te tonen dat is verkregen door degene tegen wie het onderzoek is gericht.
##### Artikel 126e
@@ -1744,7 +1744,7 @@
3. De officier zendt een afschrift van zijn beschikking tot sluiting van het strafrechtelijk financieel onderzoek aan de rechter-commissaris en doet een afschrift van zijn beschikking aan degene tegen wie het is gericht betekenen, onder mededeling van het recht tot kennisneming van de stukken van het onderzoek.
4. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, de [artikelen 511d, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIIb&artikel=511d&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [511e, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIIb&artikel=511e&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [511g, tweede lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIIb&artikel=511g&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan een gesloten strafrechtelijk financieel onderzoek worden heropend krachtens een nadere machtiging van de rechter-commissaris, op vordering van de officier van justitie verleend. Het vierde lid van [artikel 126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Negende&artikel=126&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is van toepassing.
4. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, de [artikelen 511d, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIIb&artikel=511d&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [511e, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIIb&artikel=511e&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [511g, tweede lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIIb&artikel=511g&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan een gesloten strafrechtelijk financieel onderzoek worden heropend krachtens een nadere machtiging van de rechter-commissaris, op vordering van de officier van justitie verleend. Het vierde lid van [artikel 126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Negende&artikel=126&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is van toepassing.
5. Een nadere machtiging wordt zo spoedig mogelijk met de vordering waarop zij rust aan degene tegen wie het onderzoek is gericht betekend. De voorgaande leden zijn van toepassing.
@@ -1756,7 +1756,7 @@
1. In geval van verdenking van een misdrijf, kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar stelselmatig een persoon volgt of stelselmatig diens aanwezigheid of gedrag waarneemt.
2. Indien de verdenking een misdrijf betreft als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-07-01&g=2014-07-01), dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek bepalen dat ter uitvoering van het bevel een besloten plaats, niet zijnde een woning, wordt betreden zonder toestemming van de rechthebbende.
2. Indien de verdenking een misdrijf betreft als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-11-01&g=2014-11-01), dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek bepalen dat ter uitvoering van het bevel een besloten plaats, niet zijnde een woning, wordt betreden zonder toestemming van de rechthebbende.
3. De officier van justitie kan bepalen dat ter uitvoering van het bevel een technisch hulpmiddel wordt aangewend, voor zover daarmee geen vertrouwelijke communicatie wordt opgenomen. Een technisch hulpmiddel wordt niet op een persoon bevestigd, tenzij met diens toestemming.
@@ -1788,7 +1788,7 @@
##### Artikel 126h
1. In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-07-01&g=2014-07-01), dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, bevelen dat een opsporingsambtenaar als bedoeld in [artikel 141, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=141&z=2014-07-01&g=2014-07-01), deelneemt of medewerking verleent aan een groep van personen waarbinnen naar redelijkerwijs kan worden vermoed misdrijven worden beraamd of gepleegd.
1. In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-11-01&g=2014-11-01), dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, bevelen dat een opsporingsambtenaar als bedoeld in [artikel 141, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=141&z=2014-11-01&g=2014-11-01), deelneemt of medewerking verleent aan een groep van personen waarbinnen naar redelijkerwijs kan worden vermoed misdrijven worden beraamd of gepleegd.
2. De opsporingsambtenaar mag bij de tenuitvoerlegging van het bevel een persoon niet brengen tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.
@@ -1808,17 +1808,17 @@
- a. een persoon in de openbare dienst van een vreemde staat, die voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen eisen;
- b. een opsporingsambtenaar als bedoeld in [artikel 141, onderdelen c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=141&z=2014-07-01&g=2014-07-01), of [artikel 142](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=142&z=2014-07-01&g=2014-07-01), mits deze opsporingsambtenaar voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels terzake van opleiding en samenwerking met opsporingsambtenaren als bedoeld in [artikel 141, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=141&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
- b. een opsporingsambtenaar als bedoeld in [artikel 141, onderdelen c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=141&z=2014-11-01&g=2014-11-01), of [artikel 142](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=142&z=2014-11-01&g=2014-11-01), mits deze opsporingsambtenaar voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels terzake van opleiding en samenwerking met opsporingsambtenaren als bedoeld in [artikel 141, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=141&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
5. [Artikel 126g, zevende en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Eerste&artikel=126g&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat verlenging van een bevel tot infiltratie niet mondeling kan plaatsvinden.
5. [Artikel 126g, zevende en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Eerste&artikel=126g&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat verlenging van een bevel tot infiltratie niet mondeling kan plaatsvinden.
### afdeling Tweede. Infiltratie
##### Artikel 126i
1. In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar:
1. In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar:
- a. goederen afneemt van de verdachte,
@@ -1842,13 +1842,13 @@
4. Onder een opsporingsambtenaar als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan een persoon in de openbare dienst van een vreemde staat, die voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen eisen.
5. [Artikel 126g, zesde tot en met achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Eerste&artikel=126g&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
5. [Artikel 126g, zesde tot en met achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Eerste&artikel=126g&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
### afdeling Derde. Pseudo-koop of -dienstverlening
##### Artikel 126j
1. In geval van verdenking van een misdrijf kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar als bedoeld in [artikel 141, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=141&z=2014-07-01&g=2014-07-01), zonder dat kenbaar is dat hij optreedt als opsporingsambtenaar, stelselmatig informatie inwint over de verdachte.
1. In geval van verdenking van een misdrijf kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar als bedoeld in [artikel 141, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=141&z=2014-11-01&g=2014-11-01), zonder dat kenbaar is dat hij optreedt als opsporingsambtenaar, stelselmatig informatie inwint over de verdachte.
2. Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste drie maanden. De geldigheidsduur kan telkens voor een periode van ten hoogste drie maanden worden verlengd.
@@ -1866,17 +1866,17 @@
- a. een persoon in de openbare dienst van een vreemde staat, die voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen eisen;
- b. een opsporingsambtenaar als bedoeld in [artikel 141, onderdelen c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=141&z=2014-07-01&g=2014-07-01), of [artikel 142](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=142&z=2014-07-01&g=2014-07-01), mits deze opsporingsambtenaar voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels terzake van opleiding en samenwerking met opsporingsambtenaren als bedoeld in [artikel 141, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=141&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
- b. een opsporingsambtenaar als bedoeld in [artikel 141, onderdelen c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=141&z=2014-11-01&g=2014-11-01), of [artikel 142](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=142&z=2014-11-01&g=2014-11-01), mits deze opsporingsambtenaar voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels terzake van opleiding en samenwerking met opsporingsambtenaren als bedoeld in [artikel 141, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=141&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
5. [Artikel 126g, zesde tot en met achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Eerste&artikel=126g&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
5. [Artikel 126g, zesde tot en met achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Eerste&artikel=126g&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
### afdeling Vierde. Stelselmatige inwinning van informatie
##### Artikel 126k
1. In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar zonder toestemming van de rechthebbende een besloten plaats, niet zijnde een woning, betreedt, dan wel een technisch hulpmiddel aanwendt, teneinde:
1. In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar zonder toestemming van de rechthebbende een besloten plaats, niet zijnde een woning, betreedt, dan wel een technisch hulpmiddel aanwendt, teneinde:
- a. die plaats op te nemen,
@@ -1896,13 +1896,13 @@
- e. het tijdstip waarop, of de periode waarbinnen aan het bevel uitvoering wordt gegeven.
3. [Artikel 126g, zesde tot en met achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Eerste&artikel=126g&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
3. [Artikel 126g, zesde tot en met achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Eerste&artikel=126g&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
### afdeling Vijfde. Bevoegdheden in een besloten plaats
##### Artikel 126l
1. In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-07-01&g=2014-07-01), dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, bevelen dat een opsporingsambtenaar als bedoeld in [artikel 141, onderdelen b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=141&z=2014-07-01&g=2014-07-01), vertrouwelijke communicatie opneemt met een technisch hulpmiddel.
1. In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-11-01&g=2014-11-01), dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, bevelen dat een opsporingsambtenaar als bedoeld in [artikel 141, onderdelen b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=141&z=2014-11-01&g=2014-11-01), vertrouwelijke communicatie opneemt met een technisch hulpmiddel.
2. De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek bepalen dat ter uitvoering van het bevel een besloten plaats, niet zijnde een woning, wordt betreden zonder toestemming van de rechthebbende. Hij kan bepalen dat ter uitvoering van het bevel een woning zonder toestemming van de rechthebbende wordt betreden, indien het onderzoek dit dringend vordert en de verdenking een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld. [Artikel 2, eerste lid, laatste volzin van de Algemene wet op het binnentreden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006763&artikel=2) is niet van toepassing.
@@ -1924,7 +1924,7 @@
5. Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste vier weken. De geldigheidsduur kan telkens voor een termijn van ten hoogste vier weken worden verlengd.
6. [Artikel 126g, zesde tot en met achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Eerste&artikel=126g&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de officier van justitie voor wijziging, aanvulling of verlenging een machtiging van de rechter-commissaris behoeft. Indien de officier van justitie bepaalt dat ter uitvoering van het bevel een woning wordt betreden, kan het bevel niet mondeling worden gegeven. Zodra niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in de tweede volzin van het tweede lid, bepaalt de officier van justitie dat de uitvoering van het bevel wordt beëindigd.
6. [Artikel 126g, zesde tot en met achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Eerste&artikel=126g&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de officier van justitie voor wijziging, aanvulling of verlenging een machtiging van de rechter-commissaris behoeft. Indien de officier van justitie bepaalt dat ter uitvoering van het bevel een woning wordt betreden, kan het bevel niet mondeling worden gegeven. Zodra niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in de tweede volzin van het tweede lid, bepaalt de officier van justitie dat de uitvoering van het bevel wordt beëindigd.
7. Bij dringende noodzaak kan de machtiging van de rechter-commissaris, bedoeld in het vierde en zesde lid, mondeling worden gegeven, tenzij toepassing wordt gegeven aan de tweede volzin van het tweede lid. De rechter-commissaris stelt in dat geval de machtiging binnen drie dagen op schrift.
@@ -1934,7 +1934,7 @@
##### Artikel 126m
1. In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-07-01&g=2014-07-01), dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, aan een opsporingsambtenaar bevelen dat met een technisch hulpmiddel niet voor het publiek bestemde communicatie die plaatsvindt met gebruikmaking van de diensten van een aanbieder van een communicatiedienst, wordt opgenomen.
1. In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-11-01&g=2014-11-01), dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, aan een opsporingsambtenaar bevelen dat met een technisch hulpmiddel niet voor het publiek bestemde communicatie die plaatsvindt met gebruikmaking van de diensten van een aanbieder van een communicatiedienst, wordt opgenomen.
2. Het bevel is schriftelijk en vermeldt:
@@ -1952,25 +1952,25 @@
4. Indien het bevel betrekking heeft op andere communicatie dan bedoeld in het derde lid, wordt – tenzij zulks niet mogelijk is of het belang van strafvordering zich daartegen verzet – de aanbieder in de gelegenheid gesteld medewerking te verlenen bij de tenuitvoerlegging van het bevel.
5. Het bevel, bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden gegeven na schriftelijke machtiging, op vordering van de officier van justitie te verlenen door de rechter-commissaris. [Artikel 126l, vijfde tot en met achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zesde&artikel=126l&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
5. Het bevel, bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden gegeven na schriftelijke machtiging, op vordering van de officier van justitie te verlenen door de rechter-commissaris. [Artikel 126l, vijfde tot en met achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zesde&artikel=126l&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
6. Voor zover het belang van het onderzoek dit bepaaldelijk vordert, kan indien toepassing is gegeven aan het eerste lid tot degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij kennis draagt van de wijze van versleuteling van de communicatie, de vordering worden gericht medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van de gegevens door hetzij deze kennis ter beschikking te stellen, hetzij de versleuteling ongedaan te maken.
7. De in het zesde lid bedoelde vordering wordt niet gericht tot de verdachte.
8. Op de in het zesde lid bedoelde vordering zijn [artikel 96a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [artikel 126l, vierde, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zesde&artikel=126l&z=2014-07-01&g=2014-07-01), van overeenkomstige toepassing.
8. Op de in het zesde lid bedoelde vordering zijn [artikel 96a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [artikel 126l, vierde, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zesde&artikel=126l&z=2014-11-01&g=2014-11-01), van overeenkomstige toepassing.
9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop het in het eerste lid bedoelde bevel en de in het derde en zesde lid bedoelde vorderingen kunnen worden gegeven en over de wijze waarop daaraan wordt voldaan.
##### Artikel 126n
1. In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek een vordering doen gegevens te verstrekken over een gebruiker van een communicatiedienst en het communicatieverkeer met betrekking tot die gebruiker. De vordering kan slechts betrekking hebben op gegevens die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen en kan gegevens betreffen die:
1. In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek een vordering doen gegevens te verstrekken over een gebruiker van een communicatiedienst en het communicatieverkeer met betrekking tot die gebruiker. De vordering kan slechts betrekking hebben op gegevens die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen en kan gegevens betreffen die:
- a. ten tijde van de vordering zijn verwerkt, dan wel
- b. na het tijdstip van de vordering worden verwerkt.
2. De vordering, bedoeld in het eerste lid, kan worden gericht tot iedere aanbieder van een communicatiedienst. [Artikel 96a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
2. De vordering, bedoeld in het eerste lid, kan worden gericht tot iedere aanbieder van een communicatiedienst. [Artikel 96a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
3. Indien de vordering gegevens betreft als bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, onder b, wordt de vordering gedaan voor een periode van ten hoogste drie maanden.
@@ -1992,11 +1992,11 @@
##### Artikel 126na
1. In geval van verdenking van een misdrijf kan de opsporingsambtenaar in het belang van het onderzoek een vordering doen gegevens te verstrekken terzake van naam, adres, postcode, woonplaats, nummer en soort dienst van een gebruiker van een communicatiedienst. [Artikel 126n, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126n&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van toepassing.
2. Indien de gegevens, bedoeld in het eerste lid, bij de aanbieder niet bekend zijn en zij nodig zijn voor de toepassing van [artikel 126m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126m&z=2014-07-01&g=2014-07-01) of [artikel 126n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126n&z=2014-07-01&g=2014-07-01) kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek vorderen dat de aanbieder de gevorderde gegevens op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze achterhaalt en verstrekt.
3. In geval van een vordering als bedoeld in het eerste of tweede lid is [artikel 126n, vierde lid, onder a, b, c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126n&z=2014-07-01&g=2014-07-01), van overeenkomstige toepassing en blijft [artikel 126bb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Tweede&artikel=126bb&z=2014-07-01&g=2014-07-01) buiten toepassing.
1. In geval van verdenking van een misdrijf kan de opsporingsambtenaar in het belang van het onderzoek een vordering doen gegevens te verstrekken terzake van naam, adres, postcode, woonplaats, nummer en soort dienst van een gebruiker van een communicatiedienst. [Artikel 126n, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126n&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van toepassing.
2. Indien de gegevens, bedoeld in het eerste lid, bij de aanbieder niet bekend zijn en zij nodig zijn voor de toepassing van [artikel 126m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126m&z=2014-11-01&g=2014-11-01) of [artikel 126n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126n&z=2014-11-01&g=2014-11-01) kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek vorderen dat de aanbieder de gevorderde gegevens op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze achterhaalt en verstrekt.
3. In geval van een vordering als bedoeld in het eerste of tweede lid is [artikel 126n, vierde lid, onder a, b, c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126n&z=2014-11-01&g=2014-11-01), van overeenkomstige toepassing en blijft [artikel 126bb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Tweede&artikel=126bb&z=2014-11-01&g=2014-11-01) buiten toepassing.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de gegevens door de opsporingsambtenaar of de officier van justitie worden gevorderd.
@@ -2004,7 +2004,7 @@
##### Artikel 126o
1. Indien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit dat in georganiseerd verband misdrijven als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-07-01&g=2014-07-01), worden beraamd of gepleegd die gezien hun aard of de samenhang met andere misdrijven die in dat georganiseerd verband worden beraamd of gepleegd een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren, kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar stelselmatig een persoon volgt of stelselmatig diens aanwezigheid of gedrag waarneemt.
1. Indien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit dat in georganiseerd verband misdrijven als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-11-01&g=2014-11-01), worden beraamd of gepleegd die gezien hun aard of de samenhang met andere misdrijven die in dat georganiseerd verband worden beraamd of gepleegd een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren, kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar stelselmatig een persoon volgt of stelselmatig diens aanwezigheid of gedrag waarneemt.
2. De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek bepalen dat ter uitvoering van het bevel een besloten plaats, niet zijnde een woning, wordt betreden zonder toestemming van de rechthebbende.
@@ -2024,13 +2024,13 @@
- f. de geldigheidsduur van het bevel.
5. [Artikel 126g, vierde en zesde tot en met achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Eerste&artikel=126g&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
5. [Artikel 126g, vierde en zesde tot en met achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Eerste&artikel=126g&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
6. Een bevel als bedoeld in het eerste lid kan ook worden gegeven aan een persoon in de openbare dienst van een vreemde staat. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen eisen worden gesteld aan deze personen. Het tweede tot en met vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 126p
1. In een geval als bedoeld in [artikel 126o, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126o&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, bevelen dat een opsporingsambtenaar als bedoeld in [artikel 141, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=141&z=2014-07-01&g=2014-07-01), aan het georganiseerd verband deelneemt of medewerking verleent.
1. In een geval als bedoeld in [artikel 126o, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126o&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, bevelen dat een opsporingsambtenaar als bedoeld in [artikel 141, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=141&z=2014-11-01&g=2014-11-01), aan het georganiseerd verband deelneemt of medewerking verleent.
2. De opsporingsambtenaar mag bij de tenuitvoerlegging van het bevel een persoon niet brengen tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.
@@ -2048,15 +2048,15 @@
- a. een persoon in de openbare dienst van een vreemde staat, die voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen eisen;
- b. een opsporingsambtenaar als bedoeld in [artikel 141, onderdelen c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=141&z=2014-07-01&g=2014-07-01), of [artikel 142](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=142&z=2014-07-01&g=2014-07-01), mits deze opsporingsambtenaar voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels terzake van opleiding en samenwerking met opsporingsambtenaren als bedoeld in [artikel 141, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=141&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
- b. een opsporingsambtenaar als bedoeld in [artikel 141, onderdelen c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=141&z=2014-11-01&g=2014-11-01), of [artikel 142](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=142&z=2014-11-01&g=2014-11-01), mits deze opsporingsambtenaar voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels terzake van opleiding en samenwerking met opsporingsambtenaren als bedoeld in [artikel 141, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=141&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
5. [Artikel 126g, zevende en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Eerste&artikel=126g&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat verlenging van een bevel tot infiltratie niet mondeling kan plaatsvinden.
5. [Artikel 126g, zevende en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Eerste&artikel=126g&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat verlenging van een bevel tot infiltratie niet mondeling kan plaatsvinden.
##### Artikel 126q
1. In een geval als bedoeld in [artikel 126o, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126o&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar:
1. In een geval als bedoeld in [artikel 126o, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126o&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar:
- a. goederen afneemt van een persoon ten aanzien van wie uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit dat deze betrokken is bij het in het georganiseerd verband beramen of plegen van misdrijven,
@@ -2080,11 +2080,11 @@
4. Onder een opsporingsambtenaar als bedoeld in het eerste lid, wordt mede verstaan een persoon in de openbare dienst van een vreemde staat, die voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen eisen.
5. [Artikel 126g, zesde tot en met achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Eerste&artikel=126g&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
5. [Artikel 126g, zesde tot en met achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Eerste&artikel=126g&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 126qa
1. In een geval als bedoeld in [artikel 126o, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126o&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar als bedoeld in [artikel 141, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=141&z=2014-07-01&g=2014-07-01), zonder dat kenbaar is dat hij optreedt als opsporingsambtenaar, stelselmatig informatie inwint over een persoon ten aanzien van wie uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit dat deze betrokken is bij het in het georganiseerd verband beramen of plegen van misdrijven.
1. In een geval als bedoeld in [artikel 126o, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126o&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar als bedoeld in [artikel 141, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=141&z=2014-11-01&g=2014-11-01), zonder dat kenbaar is dat hij optreedt als opsporingsambtenaar, stelselmatig informatie inwint over een persoon ten aanzien van wie uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit dat deze betrokken is bij het in het georganiseerd verband beramen of plegen van misdrijven.
2. Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste drie maanden. De geldigheidsduur kan telkens voor een periode van ten hoogste drie maanden worden verlengd.
@@ -2104,15 +2104,15 @@
- a. een persoon in de openbare dienst van een vreemde staat, die voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen eisen;
- b. een opsporingsambtenaar als bedoeld in [artikel 141, onderdelen c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=141&z=2014-07-01&g=2014-07-01), of [artikel 142](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=142&z=2014-07-01&g=2014-07-01), mits deze opsporingsambtenaar voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels terzake van opleiding en samenwerking met opsporingsambtenaren als bedoeld in [artikel 141, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=141&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
- b. een opsporingsambtenaar als bedoeld in [artikel 141, onderdelen c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=141&z=2014-11-01&g=2014-11-01), of [artikel 142](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=142&z=2014-11-01&g=2014-11-01), mits deze opsporingsambtenaar voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels terzake van opleiding en samenwerking met opsporingsambtenaren als bedoeld in [artikel 141, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=141&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
5. [Artikel 126g, zesde tot en met achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Eerste&artikel=126g&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
5. [Artikel 126g, zesde tot en met achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Eerste&artikel=126g&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 126r
1. In een geval als bedoeld in [artikel 126o, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126o&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar zonder toestemming van de rechthebbende een besloten plaats, niet zijnde een woning, betreedt, dan wel een technisch hulpmiddel aanwendt, teneinde:
1. In een geval als bedoeld in [artikel 126o, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126o&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar zonder toestemming van de rechthebbende een besloten plaats, niet zijnde een woning, betreedt, dan wel een technisch hulpmiddel aanwendt, teneinde:
- a. die plaats op te nemen,
@@ -2132,11 +2132,11 @@
- e. het tijdstip waarop, of de periode waarbinnen aan het bevel uitvoering wordt gegeven.
3. [Artikel 126g, zesde tot en met achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Eerste&artikel=126g&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
3. [Artikel 126g, zesde tot en met achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Eerste&artikel=126g&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 126s
1. In een geval als bedoeld in [artikel 126o, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126o&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, bevelen dat een opsporingsambtenaar als bedoeld in [artikel 141, onderdelen b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=141&z=2014-07-01&g=2014-07-01), met een technisch hulpmiddel vertrouwelijke communicatie opneemt waaraan een persoon deelneemt ten aanzien van wie uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit dat deze betrokken is bij het in het georganiseerd verband beramen of plegen van misdrijven.
1. In een geval als bedoeld in [artikel 126o, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126o&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, bevelen dat een opsporingsambtenaar als bedoeld in [artikel 141, onderdelen b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=141&z=2014-11-01&g=2014-11-01), met een technisch hulpmiddel vertrouwelijke communicatie opneemt waaraan een persoon deelneemt ten aanzien van wie uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit dat deze betrokken is bij het in het georganiseerd verband beramen of plegen van misdrijven.
2. De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek bepalen dat ter uitvoering van het bevel een besloten plaats, niet zijnde een woning, wordt betreden zonder toestemming van de rechthebbende. Hij kan bepalen dat ter uitvoering van het bevel een woning zonder toestemming van de rechthebbende wordt betreden, indien het onderzoek dit dringend vordert en in het georganiseerd verband misdrijven worden beraamd of gepleegd waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld. [Artikel 2, eerste lid, laatste volzin van de Algemene wet op het binnentreden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006763&artikel=2) is niet van toepassing.
@@ -2158,7 +2158,7 @@
5. Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste vier weken. De geldigheidsduur kan telkens voor een termijn van ten hoogste vier weken worden verlengd.
6. [Artikel 126g, zesde tot en met achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Eerste&artikel=126g&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de officier van justitie voor wijziging, aanvulling of verlenging een machtiging van de rechter-commissaris behoeft. Indien de officier van justitie bepaalt dat ter uitvoering van het bevel een woning wordt betreden, kan het bevel niet mondeling worden gegeven. Zodra niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in de tweede volzin van het tweede lid, bepaalt de officier van justitie dat de uitvoering van het bevel wordt beëindigd.
6. [Artikel 126g, zesde tot en met achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Eerste&artikel=126g&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de officier van justitie voor wijziging, aanvulling of verlenging een machtiging van de rechter-commissaris behoeft. Indien de officier van justitie bepaalt dat ter uitvoering van het bevel een woning wordt betreden, kan het bevel niet mondeling worden gegeven. Zodra niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in de tweede volzin van het tweede lid, bepaalt de officier van justitie dat de uitvoering van het bevel wordt beëindigd.
7. Bij dringende noodzaak kan de machtiging van de rechter-commissaris, bedoeld in het vierde en zesde lid, mondeling worden gegeven, tenzij toepassing wordt gegeven aan de tweede volzin van het tweede lid. De rechter-commissaris stelt in dat geval de machtiging binnen drie dagen op schrift.
@@ -2166,7 +2166,7 @@
##### Artikel 126t
1. In een geval als bedoeld in [artikel 126o, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126o&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, aan een opsporingsambtenaar bevelen dat met een technisch hulpmiddel niet voor het publiek bestemde communicatie die plaatsvindt met gebruikmaking van de diensten van een aanbieder van een communicatiedienst in de zin van [artikel 126la](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126la&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en waaraan een persoon deelneemt ten aanzien van wie uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit dat deze betrokken is bij het in het georganiseerd verband beramen of plegen van misdrijven, wordt opgenomen.
1. In een geval als bedoeld in [artikel 126o, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126o&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, aan een opsporingsambtenaar bevelen dat met een technisch hulpmiddel niet voor het publiek bestemde communicatie die plaatsvindt met gebruikmaking van de diensten van een aanbieder van een communicatiedienst in de zin van [artikel 126la](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126la&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en waaraan een persoon deelneemt ten aanzien van wie uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit dat deze betrokken is bij het in het georganiseerd verband beramen of plegen van misdrijven, wordt opgenomen.
2. Het bevel is schriftelijk en vermeldt:
@@ -2186,25 +2186,25 @@
4. Indien het bevel betrekking heeft op andere communicatie dan bedoeld in het derde lid, wordt – tenzij zulks niet mogelijk is of het belang van strafvordering zich daartegen verzet – de aanbieder in de gelegenheid gesteld medewerking te verlenen bij de tenuitvoerlegging van het bevel.
5. Het bevel, bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden gegeven na schriftelijke machtiging, op vordering van de officier van justitie te verlenen door de rechter-commissaris. [Artikel 126s, vijfde tot en met achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126s&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
5. Het bevel, bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden gegeven na schriftelijke machtiging, op vordering van de officier van justitie te verlenen door de rechter-commissaris. [Artikel 126s, vijfde tot en met achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126s&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
6. Voor zover het belang van het onderzoek dit bepaaldelijk vordert, kan bij of terstond na de toepassing van het eerste lid tot degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij kennis draagt van de wijze van versleuteling van de communicatie, de vordering worden gericht medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van de gegevens door hetzij deze kennis ter beschikking te stellen, hetzij de versleuteling ongedaan te maken.
7. De in het zesde lid bedoelde vordering wordt niet gericht tot de verdachte.
8. Op de in het zesde lid bedoelde vordering zijn [artikel 96a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [artikel 126s, vierde, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126s&z=2014-07-01&g=2014-07-01), van overeenkomstige toepassing.
8. Op de in het zesde lid bedoelde vordering zijn [artikel 96a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [artikel 126s, vierde, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126s&z=2014-11-01&g=2014-11-01), van overeenkomstige toepassing.
9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop het in het eerste lid bedoelde bevel en de in het derde en zesde lid bedoelde vorderingen worden gegeven en over de wijze waarop daaraan wordt voldaan.
##### Artikel 126u
1. In een geval als bedoeld in [artikel 126o, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126o&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek een vordering doen gegevens te verstrekken over een gebruiker van een communicatiedienst in de zin van [artikel 126la](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126la&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en het communicatieverkeer met betrekking tot die gebruiker. De vordering kan slechts betrekking hebben op gegevens die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen en kan gegevens betreffen die:
1. In een geval als bedoeld in [artikel 126o, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126o&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek een vordering doen gegevens te verstrekken over een gebruiker van een communicatiedienst in de zin van [artikel 126la](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126la&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en het communicatieverkeer met betrekking tot die gebruiker. De vordering kan slechts betrekking hebben op gegevens die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen en kan gegevens betreffen die:
- a. ten tijde van de vordering zijn verwerkt, dan wel
- b. na het tijdstip van de vordering worden verwerkt.
2. De vordering, bedoeld in het eerste lid, kan worden gericht tot iedere aanbieder van een communicatiedienst. [Artikel 96a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
2. De vordering, bedoeld in het eerste lid, kan worden gericht tot iedere aanbieder van een communicatiedienst. [Artikel 96a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
3. Indien de vordering gegevens betreft als bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, onder b, wordt de vordering gedaan voor een periode van ten hoogste drie maanden.
@@ -2226,11 +2226,11 @@
##### Artikel 126ua
1. In een geval als bedoeld in [artikel 126o, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126o&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan de opsporingsambtenaar in het belang van het onderzoek een vordering doen gegevens te verstrekken terzake van naam, adres, postcode, woonplaats, nummer en soort dienst van een gebruiker van een communicatiedienst in de zin van [artikel 126la](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126la&z=2014-07-01&g=2014-07-01). [Artikel 126u, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126u&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van toepassing.
2. Indien de gegevens, bedoeld in het eerste lid, bij de aanbieder niet bekend zijn en zij nodig zijn voor de toepassing van [artikel 126t](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126t&z=2014-07-01&g=2014-07-01) of [artikel 126u](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126u&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek vorderen dat de aanbieder de gevorderde gegevens op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze achterhaalt en verstrekt.
3. In geval van een vordering als bedoeld in het eerste of tweede lid is [artikel 126u, vierde lid, onder a, b, c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126u&z=2014-07-01&g=2014-07-01), van overeenkomstige toepassing en blijft [artikel 126bb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Tweede&artikel=126bb&z=2014-07-01&g=2014-07-01) buiten toepassing.
1. In een geval als bedoeld in [artikel 126o, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126o&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan de opsporingsambtenaar in het belang van het onderzoek een vordering doen gegevens te verstrekken terzake van naam, adres, postcode, woonplaats, nummer en soort dienst van een gebruiker van een communicatiedienst in de zin van [artikel 126la](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126la&z=2014-11-01&g=2014-11-01). [Artikel 126u, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126u&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van toepassing.
2. Indien de gegevens, bedoeld in het eerste lid, bij de aanbieder niet bekend zijn en zij nodig zijn voor de toepassing van [artikel 126t](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126t&z=2014-11-01&g=2014-11-01) of [artikel 126u](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126u&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek vorderen dat de aanbieder de gevorderde gegevens op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze achterhaalt en verstrekt.
3. In geval van een vordering als bedoeld in het eerste of tweede lid is [artikel 126u, vierde lid, onder a, b, c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126u&z=2014-11-01&g=2014-11-01), van overeenkomstige toepassing en blijft [artikel 126bb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Tweede&artikel=126bb&z=2014-11-01&g=2014-11-01) buiten toepassing.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de gegevens door de opsporingsambtenaar of de officier van justitie worden gevorderd.
@@ -2240,13 +2240,13 @@
##### Artikel 126v
1. In geval van verdenking van een misdrijf, dan wel in een geval als bedoeld in [artikel 126o, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126o&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar met een persoon die geen opsporingsambtenaar is, overeenkomt dat deze voor de duur van het bevel bijstand verleent aan de opsporing door stelselmatig informatie in te winnen omtrent een verdachte, onderscheidenlijk een persoon ten aanzien van wie een redelijk vermoeden bestaat dat deze is betrokken bij het in het georganiseerd verband beramen of plegen van misdrijven.
1. In geval van verdenking van een misdrijf, dan wel in een geval als bedoeld in [artikel 126o, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126o&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar met een persoon die geen opsporingsambtenaar is, overeenkomt dat deze voor de duur van het bevel bijstand verleent aan de opsporing door stelselmatig informatie in te winnen omtrent een verdachte, onderscheidenlijk een persoon ten aanzien van wie een redelijk vermoeden bestaat dat deze is betrokken bij het in het georganiseerd verband beramen of plegen van misdrijven.
2. Het bevel, bedoeld in het eerste lid, is schriftelijk en vermeldt:
- a. bij verdenking van een misdrijf, het misdrijf en indien bekend de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de verdachte;
- b. in een geval als bedoeld in [artikel 126o, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126o&z=2014-07-01&g=2014-07-01): een omschrijving van het georganiseerd verband;
- b. in een geval als bedoeld in [artikel 126o, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126o&z=2014-11-01&g=2014-11-01): een omschrijving van het georganiseerd verband;
- c. de feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, zijn vervuld;
@@ -2260,15 +2260,15 @@
- b. de geldigheidsduur van de overeenkomst.
4. Op het bevel is [artikel 126g, vierde en zesde tot en met achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Eerste&artikel=126g&z=2014-07-01&g=2014-07-01), van overeenkomstige toepassing.
4. Op het bevel is [artikel 126g, vierde en zesde tot en met achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Eerste&artikel=126g&z=2014-11-01&g=2014-11-01), van overeenkomstige toepassing.
### afdeling Zesde. Opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel
##### Artikel 126w
1. In een geval als bedoeld in [artikel 126h, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Tweede&artikel=126h&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, met een persoon die geen opsporingsambtenaar is, overeenkomen dat deze bijstand verleent aan de opsporing door deel te nemen aan of medewerking te verlenen aan een groep van personen waarbinnen naar redelijkerwijs kan worden vermoed misdrijven worden beraamd of gepleegd.
2. Toepassing van het eerste lid vindt alleen plaats indien de officier van justitie van oordeel is dat geen bevel als bedoeld in [artikel 126h, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Tweede&artikel=126h&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan worden gegeven.
1. In een geval als bedoeld in [artikel 126h, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Tweede&artikel=126h&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, met een persoon die geen opsporingsambtenaar is, overeenkomen dat deze bijstand verleent aan de opsporing door deel te nemen aan of medewerking te verlenen aan een groep van personen waarbinnen naar redelijkerwijs kan worden vermoed misdrijven worden beraamd of gepleegd.
2. Toepassing van het eerste lid vindt alleen plaats indien de officier van justitie van oordeel is dat geen bevel als bedoeld in [artikel 126h, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Tweede&artikel=126h&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan worden gegeven.
3. De persoon die op grond van het eerste lid bijstand verleent aan de opsporing, mag bij de uitvoering daarvan een persoon niet brengen tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.
@@ -2294,19 +2294,19 @@
##### Artikel 126x
1. In een geval als bedoeld in [artikel 126o, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126o&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, met een persoon die geen opsporingsambtenaar is, overeenkomen dat deze bijstand verleent aan de opsporing door deel te nemen of medewerking te verlenen aan het georganiseerd verband.
2. Toepassing van het eerste lid vindt alleen plaats indien de officier van justitie van oordeel is dat geen bevel als bedoeld in [artikel 126p, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126p&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan worden gegeven.
1. In een geval als bedoeld in [artikel 126o, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126o&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, met een persoon die geen opsporingsambtenaar is, overeenkomen dat deze bijstand verleent aan de opsporing door deel te nemen of medewerking te verlenen aan het georganiseerd verband.
2. Toepassing van het eerste lid vindt alleen plaats indien de officier van justitie van oordeel is dat geen bevel als bedoeld in [artikel 126p, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126p&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan worden gegeven.
3. De persoon die op grond van het eerste lid bijstand verleent aan de opsporing, mag bij de uitvoering daarvan een persoon niet brengen tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.
4. [Artikel 126w, vierde tot en met achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VA&afdeling=Tweede&artikel=126w&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
4. [Artikel 126w, vierde tot en met achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VA&afdeling=Tweede&artikel=126w&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
### afdeling Derde. Burgerpseudo-koop of -dienstverlening
##### Artikel 126ij
1. In een geval als bedoeld in [artikel 126i, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Derde&artikel=126i&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek met een persoon die geen opsporingsambtenaar is, overeenkomen dat deze bijstand verleent aan de opsporing door:
1. In een geval als bedoeld in [artikel 126i, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Derde&artikel=126i&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek met een persoon die geen opsporingsambtenaar is, overeenkomen dat deze bijstand verleent aan de opsporing door:
- a. goederen af te nemen van de verdachte,
@@ -2314,7 +2314,7 @@
- c. diensten te verlenen aan de verdachte.
2. Toepassing van het eerste lid vindt alleen plaats indien de officier van justitie van oordeel is dat geen bevel als bedoeld in [artikel 126i, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Derde&artikel=126i&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan worden gegeven.
2. Toepassing van het eerste lid vindt alleen plaats indien de officier van justitie van oordeel is dat geen bevel als bedoeld in [artikel 126i, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Derde&artikel=126i&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan worden gegeven.
3. De persoon die op grond van het eerste lid bijstand verleent aan de opsporing, mag bij de uitvoering daarvan een persoon niet brengen tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.
@@ -2332,17 +2332,17 @@
- b. het tijdstip waarop, of de periode waarbinnen aan de overeenkomst uitvoering wordt gegeven.
6. [Artikel 126w, zevende en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VA&afdeling=Tweede&artikel=126w&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
6. [Artikel 126w, zevende en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VA&afdeling=Tweede&artikel=126w&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 126z
1. In een geval als bedoeld in [artikel 126o, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126o&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek met een persoon die geen opsporingsambtenaar is, overeenkomen dat deze bijstand verleent aan de opsporing door goederen af te nemen van of diensten te leveren aan een persoon ten aanzien van wie uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit dat hij betrokken is bij het in het georganiseerd verband beramen of plegen van misdrijven.
2. Toepassing van het eerste lid vindt alleen plaats indien de officier van justitie van oordeel is dat geen bevel als bedoeld in [artikel 126q, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126q&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan worden gegeven.
1. In een geval als bedoeld in [artikel 126o, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126o&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek met een persoon die geen opsporingsambtenaar is, overeenkomen dat deze bijstand verleent aan de opsporing door goederen af te nemen van of diensten te leveren aan een persoon ten aanzien van wie uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit dat hij betrokken is bij het in het georganiseerd verband beramen of plegen van misdrijven.
2. Toepassing van het eerste lid vindt alleen plaats indien de officier van justitie van oordeel is dat geen bevel als bedoeld in [artikel 126q, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126q&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan worden gegeven.
3. De persoon die op grond van het eerste lid bijstand verleent aan de opsporing, mag bij de uitvoering daarvan een persoon niet brengen tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.
4. [Artikel 126ij, vierde tot en met zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VA&afdeling=Derde&artikel=126ij&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
4. [Artikel 126ij, vierde tot en met zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VA&afdeling=Derde&artikel=126ij&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
## Titel VB. Algemene regels betreffende de bevoegdheden in de titels IVA, V en VA
@@ -2350,13 +2350,13 @@
##### Artikel 126aa
1. De officier van justitie voegt de processen-verbaal en andere voorwerpen waaraan gegevens kunnen worden ontleend die zijn verkregen door de uitoefening van een van de bevoegdheden, genoemd in de [titels IVa tot en met Vc](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&z=2014-07-01&g=2014-07-01), dan wel door de toepassing van [artikel 126ff](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Vijfde&artikel=126ff&z=2014-07-01&g=2014-07-01), voorzover die voor het onderzoek in de zaak van betekenis zijn, bij de processtukken.
2. Voor zover de processen-verbaal of andere voorwerpen mededelingen behelzen gedaan door of aan een persoon die zich op grond van [artikel 218](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=218&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zou kunnen verschonen indien hem als getuige naar de inhoud van die mededelingen zou worden gevraagd, worden deze processen-verbaal en andere voorwerpen vernietigd. Bij algemene maatregel van bestuur worden hieromtrent voorschriften gegeven. Voor zover de processen-verbaal of andere voorwerpen andere mededelingen dan bedoeld in de eerste volzin behelzen gedaan door of aan een in die volzin bedoelde persoon, worden zij niet bij de processtukken gevoegd dan na voorafgaande machtiging door de rechter-commissaris.
1. De officier van justitie voegt de processen-verbaal en andere voorwerpen waaraan gegevens kunnen worden ontleend die zijn verkregen door de uitoefening van een van de bevoegdheden, genoemd in de [titels IVa tot en met Vc](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&z=2014-11-01&g=2014-11-01), dan wel door de toepassing van [artikel 126ff](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Vijfde&artikel=126ff&z=2014-11-01&g=2014-11-01), voorzover die voor het onderzoek in de zaak van betekenis zijn, bij de processtukken.
2. Voor zover de processen-verbaal of andere voorwerpen mededelingen behelzen gedaan door of aan een persoon die zich op grond van [artikel 218](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=218&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zou kunnen verschonen indien hem als getuige naar de inhoud van die mededelingen zou worden gevraagd, worden deze processen-verbaal en andere voorwerpen vernietigd. Bij algemene maatregel van bestuur worden hieromtrent voorschriften gegeven. Voor zover de processen-verbaal of andere voorwerpen andere mededelingen dan bedoeld in de eerste volzin behelzen gedaan door of aan een in die volzin bedoelde persoon, worden zij niet bij de processtukken gevoegd dan na voorafgaande machtiging door de rechter-commissaris.
3. De voeging bij de processtukken vindt plaats zodra het belang van het onderzoek het toelaat.
4. Indien geen processen-verbaal van de uitoefening van een van de bevoegdheden, bedoeld in de [titels IVa tot en met Vc](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&z=2014-07-01&g=2014-07-01), dan wel van de toepassing van [artikel 126ff](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Vijfde&artikel=126ff&z=2014-07-01&g=2014-07-01), bij de processtukken zijn gevoegd, wordt van het gebruik van deze bevoegdheid in de processtukken melding gemaakt.
4. Indien geen processen-verbaal van de uitoefening van een van de bevoegdheden, bedoeld in de [titels IVa tot en met Vc](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&z=2014-11-01&g=2014-11-01), dan wel van de toepassing van [artikel 126ff](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Vijfde&artikel=126ff&z=2014-11-01&g=2014-11-01), bij de processtukken zijn gevoegd, wordt van het gebruik van deze bevoegdheid in de processtukken melding gemaakt.
5. De verdachte of diens raadsman kan de officier van justitie schriftelijk verzoeken bepaalde door hem aangeduide processen-verbaal of andere voorwerpen bij de processtukken te voegen.
@@ -2364,21 +2364,21 @@
##### Artikel 126bb
1. De officier van justitie doet aan betrokkene schriftelijk mededeling van de uitoefening van de bevoegdheden, genoemd in de [titels IVa tot en met Vc](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&z=2014-07-01&g=2014-07-01), zodra het belang van het onderzoek dat toelaat. De mededeling blijft achterwege, indien uitreiking van de mededeling redelijkerwijs niet mogelijk is.
1. De officier van justitie doet aan betrokkene schriftelijk mededeling van de uitoefening van de bevoegdheden, genoemd in de [titels IVa tot en met Vc](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&z=2014-11-01&g=2014-11-01), zodra het belang van het onderzoek dat toelaat. De mededeling blijft achterwege, indien uitreiking van de mededeling redelijkerwijs niet mogelijk is.
2. Als betrokkenen in de zin van het eerste lid worden aangemerkt:
- a. de persoon ten aanzien van wie een van de bevoegdheden van [titel IVa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [Va](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VA&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&z=2014-07-01&g=2014-07-01) of [Vc](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VC&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is uitgeoefend;
- b. de gebruiker van telecommunicatie of de technische hulpmiddelen waarmee de telecommunicatie plaatsvindt, bedoeld in [artikel 126m, derde lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126m&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [artikel 126t, derde lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126t&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [artikel 126zg, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde&artikel=126zg&z=2014-07-01&g=2014-07-01);
- c. de rechthebbende van een besloten plaats als bedoeld in de [artikelen 126g, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Eerste&artikel=126g&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Vijfde&artikel=126k&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126l, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zesde&artikel=126l&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126o, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126o&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126r](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126r&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126s, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126s&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [126zd, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Tweede&artikel=126zd&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
3. Indien de betrokkene de verdachte is, kan mededeling achterwege blijven, indien hij op grond van [artikel 126aa, eerste of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Eerste&artikel=126aa&z=2014-07-01&g=2014-07-01), met de bevoegdheidstoepassing op de hoogte komt.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in de [artikelen 126na](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126na&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126ua](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126ua&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126nc](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nc&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126uc](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126uc&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126zi](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde&artikel=126zi&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126zk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde_A&artikel=126zk&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [126zq tot en met 126zs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Vierde&artikel=126zq&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
5. Degene tot wie een vordering als bedoeld in de [artikelen 126nc tot en met 126ni](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nc&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126uc tot en met 126ui](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126uc&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [126zja tot en met 126zp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde&artikel=126zja&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is gericht neemt in het belang van het onderzoek geheimhouding in acht omtrent al hetgeen hem terzake van de vordering bekend is.
- a. de persoon ten aanzien van wie een van de bevoegdheden van [titel IVa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [Va](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VA&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&z=2014-11-01&g=2014-11-01) of [Vc](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VC&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is uitgeoefend;
- b. de gebruiker van telecommunicatie of de technische hulpmiddelen waarmee de telecommunicatie plaatsvindt, bedoeld in [artikel 126m, derde lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126m&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [artikel 126t, derde lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126t&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [artikel 126zg, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde&artikel=126zg&z=2014-11-01&g=2014-11-01);
- c. de rechthebbende van een besloten plaats als bedoeld in de [artikelen 126g, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Eerste&artikel=126g&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Vijfde&artikel=126k&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126l, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zesde&artikel=126l&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126o, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126o&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126r](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126r&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126s, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126s&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [126zd, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Tweede&artikel=126zd&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
3. Indien de betrokkene de verdachte is, kan mededeling achterwege blijven, indien hij op grond van [artikel 126aa, eerste of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Eerste&artikel=126aa&z=2014-11-01&g=2014-11-01), met de bevoegdheidstoepassing op de hoogte komt.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in de [artikelen 126na](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126na&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126ua](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126ua&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126nc](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nc&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126uc](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126uc&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126zi](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde&artikel=126zi&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126zk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde_A&artikel=126zk&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [126zq tot en met 126zs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Vierde&artikel=126zq&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
5. Degene tot wie een vordering als bedoeld in de [artikelen 126nc tot en met 126ni](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nc&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126uc tot en met 126ui](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126uc&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [126zja tot en met 126zp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde&artikel=126zja&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is gericht neemt in het belang van het onderzoek geheimhouding in acht omtrent al hetgeen hem terzake van de vordering bekend is.
### afdeling Tweede. Burgerinfiltratie
@@ -2386,7 +2386,7 @@
1. Zolang de zaak niet is geëindigd, bewaart de officier van justitie de processen-verbaal en andere voorwerpen, waaraan gegevens kunnen worden ontleend die zijn verkregen door observatie met behulp van een technisch hulpmiddel dat signalen registreert, het opnemen van vertrouwelijke communicatie, het opnemen van telecommunicatie of het vorderen van gegevens over een gebruiker en het telecommunicatieverkeer met betrekking tot die gebruiker, voor zover die niet bij de processtukken zijn gevoegd, en houdt deze ter beschikking van het onderzoek.
2. Zodra twee maanden verstreken zijn nadat de zaak geëindigd is en de laatste mededeling, bedoeld in [artikel 126bb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Tweede&artikel=126bb&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is gedaan, doet de officier van justitie de processen-verbaal en andere voorwerpen, bedoeld in het eerste lid, vernietigen. Van de vernietiging wordt proces-verbaal opgemaakt.
2. Zodra twee maanden verstreken zijn nadat de zaak geëindigd is en de laatste mededeling, bedoeld in [artikel 126bb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Tweede&artikel=126bb&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is gedaan, doet de officier van justitie de processen-verbaal en andere voorwerpen, bedoeld in het eerste lid, vernietigen. Van de vernietiging wordt proces-verbaal opgemaakt.
3. Met een zaak die geëindigd is, wordt bij de toepassing van het vorige lid gelijkgesteld een voorbereidend onderzoek dat naar redelijke verwachting niet tot een zaak zal leiden.
@@ -2400,7 +2400,7 @@
- b. verwerking met het oog op het verkrijgen van inzicht in de betrokkenheid van personen bij misdrijven en handelingen als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=10).
2. Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid, onderdeel a, behoeven de gegevens, in afwijking van [artikel 126cc, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Derde&artikel=126cc&z=2014-07-01&g=2014-07-01), niet te worden vernietigd, totdat het andere onderzoek is geëindigd. Is toepassing gegeven aan het eerste lid, onderdeel b, dan behoeven de gegevens niet te worden vernietigd, totdat de [Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463) opslag van de gegevens niet meer toestaat.
2. Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid, onderdeel a, behoeven de gegevens, in afwijking van [artikel 126cc, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Derde&artikel=126cc&z=2014-11-01&g=2014-11-01), niet te worden vernietigd, totdat het andere onderzoek is geëindigd. Is toepassing gegeven aan het eerste lid, onderdeel b, dan behoeven de gegevens niet te worden vernietigd, totdat de [Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463) opslag van de gegevens niet meer toestaat.
### afdeling Eerste. Verzoek informatie in te winnen
@@ -2408,7 +2408,7 @@
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:
- a. de opslag, verstrekking en plaatsing van de technische hulpmiddelen, bedoeld in de [artikelen 126g, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Eerste&artikel=126g&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126l, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zesde&artikel=126l&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126o, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126o&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126s, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126s&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126zd, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Tweede&artikel=126zd&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [126zf, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde&artikel=126zf&z=2014-07-01&g=2014-07-01), alsmede van de technische hulpmiddelen bedoeld in de [artikelen 126m, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126m&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126t, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126t&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [126zg, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde&artikel=126zg&z=2014-07-01&g=2014-07-01), voor zover het bevel, bedoeld in [artikel 126m, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126m&z=2014-07-01&g=2014-07-01), onderscheidenlijk [artikel 126t, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126t&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [artikel 126zg, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde&artikel=126zg&z=2014-07-01&g=2014-07-01), ten uitvoer wordt gelegd zonder medewerking van de betrokken aanbieder;
- a. de opslag, verstrekking en plaatsing van de technische hulpmiddelen, bedoeld in de [artikelen 126g, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Eerste&artikel=126g&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126l, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zesde&artikel=126l&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126o, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126o&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126s, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126s&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126zd, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Tweede&artikel=126zd&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [126zf, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde&artikel=126zf&z=2014-11-01&g=2014-11-01), alsmede van de technische hulpmiddelen bedoeld in de [artikelen 126m, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126m&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126t, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126t&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [126zg, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde&artikel=126zg&z=2014-11-01&g=2014-11-01), voor zover het bevel, bedoeld in [artikel 126m, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126m&z=2014-11-01&g=2014-11-01), onderscheidenlijk [artikel 126t, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126t&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [artikel 126zg, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde&artikel=126zg&z=2014-11-01&g=2014-11-01), ten uitvoer wordt gelegd zonder medewerking van de betrokken aanbieder;
- b. de technische eisen waaraan de hulpmiddelen voldoen, onder meer met het oog op de onschendbaarheid van de vastgelegde waarnemingen;
@@ -2422,7 +2422,7 @@
##### Artikel 126ff
1. De opsporingsambtenaar die handelt ter uitvoering van een bevel als omschreven in de [titels IVa tot en met V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is verplicht van de hem in de wet verleende inbeslagnemingsbevoegdheden gebruik te maken, indien hij door de uitvoering van het bevel de vindplaats weet van voorwerpen waarvan het aanwezig hebben of voorhanden hebben ingevolge de wet verboden is vanwege hun schadelijkheid voor de volksgezondheid of hun gevaar voor de veiligheid. De inbeslagneming mag slechts in het belang van het onderzoek worden uitgesteld met het oogmerk om op een later tijdstip daartoe over te gaan.
1. De opsporingsambtenaar die handelt ter uitvoering van een bevel als omschreven in de [titels IVa tot en met V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is verplicht van de hem in de wet verleende inbeslagnemingsbevoegdheden gebruik te maken, indien hij door de uitvoering van het bevel de vindplaats weet van voorwerpen waarvan het aanwezig hebben of voorhanden hebben ingevolge de wet verboden is vanwege hun schadelijkheid voor de volksgezondheid of hun gevaar voor de veiligheid. De inbeslagneming mag slechts in het belang van het onderzoek worden uitgesteld met het oogmerk om op een later tijdstip daartoe over te gaan.
2. De verplichting tot inbeslagneming, bedoeld in het eerste lid, geldt niet in het geval de officier van justitie op grond van een zwaarwegend opsporingsbelang anders beveelt.
@@ -2434,13 +2434,13 @@
- c. het tijdstip waarop of de periode gedurende welke de verplichting tot inbeslagneming niet geldt.
4. Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing indien de opsporingsambtenaar of de officier van justitie door de toepassing van een bevoegdheid als omschreven in [titel Va](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VA&z=2014-07-01&g=2014-07-01) of [titel Vc](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VC&z=2014-07-01&g=2014-07-01) de vindplaats weet van voorwerpen als bedoeld in de eerste volzin van het eerste lid.
4. Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing indien de opsporingsambtenaar of de officier van justitie door de toepassing van een bevoegdheid als omschreven in [titel Va](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VA&z=2014-11-01&g=2014-11-01) of [titel Vc](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VC&z=2014-11-01&g=2014-11-01) de vindplaats weet van voorwerpen als bedoeld in de eerste volzin van het eerste lid.
## Titel VC. Verkennend onderzoek
##### Artikel 126gg
1. Indien uit feiten of omstandigheden aanwijzingen voortvloeien dat binnen verzamelingen van personen misdrijven worden beraamd of gepleegd als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-07-01&g=2014-07-01), die gezien hun aard of de samenhang met andere misdrijven die binnen die verzamelingen van personen worden beraamd of gepleegd een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren, kan de officier van justitie bevelen dat opsporingsambtenaren daarnaar een onderzoek instellen met als doel de voorbereiding van opsporing.
1. Indien uit feiten of omstandigheden aanwijzingen voortvloeien dat binnen verzamelingen van personen misdrijven worden beraamd of gepleegd als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-11-01&g=2014-11-01), die gezien hun aard of de samenhang met andere misdrijven die binnen die verzamelingen van personen worden beraamd of gepleegd een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren, kan de officier van justitie bevelen dat opsporingsambtenaren daarnaar een onderzoek instellen met als doel de voorbereiding van opsporing.
2. Indien dit noodzakelijk is voor de uitvoering van het onderzoek kan de officier van justitie bepalen dat [artikel 9, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=9) met betrekking tot het onderzoek niet van toepassing is op daarbij nader aan te geven openbare registers die bij wet zijn ingesteld.
@@ -2488,17 +2488,17 @@
- a. het inbeslaggenomen voorwerp wordt teruggegeven, dan wel de waarde daarvan wordt uitbetaald;
- b. het openbaar ministerie de last geeft als bedoeld in [artikel 116, tweede lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=116&z=2014-07-01&g=2014-07-01);
- c. de machtiging als bedoeld in [artikel 117](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=117&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is verleend en het voorwerp niet om baat is vervreemd;
- d. de bewaring ingevolge [artikel 118, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=118&z=2014-07-01&g=2014-07-01), door tijdsverloop is beëindigd en het voorwerp niet om baat is vervreemd.
- b. het openbaar ministerie de last geeft als bedoeld in [artikel 116, tweede lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=116&z=2014-11-01&g=2014-11-01);
- c. de machtiging als bedoeld in [artikel 117](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=117&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is verleend en het voorwerp niet om baat is vervreemd;
- d. de bewaring ingevolge [artikel 118, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=118&z=2014-11-01&g=2014-11-01), door tijdsverloop is beëindigd en het voorwerp niet om baat is vervreemd.
3. Onder teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen wordt begrepen het verrichten van de in verband met de beëindiging van het beslag vereiste formaliteiten.
##### Artikel 135
Bij de beantwoording der vraag of eene zaak al dan niet is geëindigd, wordt het rechtsgevolg, bij [artikel 255](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=IV&artikel=255&z=2014-07-01&g=2014-07-01) aan het bekend worden van nieuwe bezwaren verbonden, buiten beschouwing gelaten.
Bij de beantwoording der vraag of eene zaak al dan niet is geëindigd, wordt het rechtsgevolg, bij [artikel 255](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=IV&artikel=255&z=2014-11-01&g=2014-11-01) aan het bekend worden van nieuwe bezwaren verbonden, buiten beschouwing gelaten.
##### Artikel 136
@@ -2536,7 +2536,7 @@
##### Artikel 136c
Onder bedreigde getuige wordt verstaan een getuige ten aanzien van wie door de rechter op grond van [artikel 226a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_A&artikel=226a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) bevel is gegeven dat ter gelegenheid van het verhoor zijn identiteit verborgen wordt gehouden.
Onder bedreigde getuige wordt verstaan een getuige ten aanzien van wie door de rechter op grond van [artikel 226a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_A&artikel=226a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) bevel is gegeven dat ter gelegenheid van het verhoor zijn identiteit verborgen wordt gehouden.
##### Artikel 137
@@ -2564,7 +2564,7 @@
##### Artikel 138c
Onder een verkort proces-verbaal wordt verstaan een proces-verbaal dat uitsluitend bevat de uitspraken, die niet in het vonnis zijn opgenomen, en de aantekeningen, waarvan opneming door de wet, anders dan door [artikel 326, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=326&z=2014-07-01&g=2014-07-01), wordt verlangd.
Onder een verkort proces-verbaal wordt verstaan een proces-verbaal dat uitsluitend bevat de uitspraken, die niet in het vonnis zijn opgenomen, en de aantekeningen, waarvan opneming door de wet, anders dan door [artikel 326, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=326&z=2014-11-01&g=2014-11-01), wordt verlangd.
## Boek Tweede. Strafvordering in eersten aanleg
@@ -2582,7 +2582,7 @@
##### Artikel 140a
Het College van procureurs-generaal stemt vooraf en schriftelijk in met een bevel als bedoeld in [artikel 126ff](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Vijfde&artikel=126ff&z=2014-07-01&g=2014-07-01), onderscheidenlijk een overeenkomst als bedoeld in de [tweede afdeling van titel Va van het Eerste Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VA&afdeling=Tweede&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en als bedoeld in [artikel 126zu](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VC&artikel=126zu&z=2014-07-01&g=2014-07-01), een wijziging of een verlenging daarvan.
Het College van procureurs-generaal stemt vooraf en schriftelijk in met een bevel als bedoeld in [artikel 126ff](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Vijfde&artikel=126ff&z=2014-11-01&g=2014-11-01), onderscheidenlijk een overeenkomst als bedoeld in de [tweede afdeling van titel Va van het Eerste Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VA&afdeling=Tweede&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en als bedoeld in [artikel 126zu](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VC&artikel=126zu&z=2014-11-01&g=2014-11-01), een wijziging of een verlenging daarvan.
##### Artikel 141
@@ -2636,7 +2636,7 @@
1. Naar regelen, te stellen bij algemeenen maatregel van bestuur, kan het openbaar ministerie in het belang van het onderzoek in strafzaken de medewerking inroepen van personen en lichamen, welke op het gebied der reclasseering of op dergelijk gebied werkzaam zijn, en aan deze de noodige opdrachten geven.
2. De personen of lichamen, belast met de uitvoering van de opdrachten, stellen de identiteit van de verdachte vast op de wijze, bedoeld in [artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=27a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), tenzij de opdrachten in een inrichting worden uitgevoerd.
2. De personen of lichamen, belast met de uitvoering van de opdrachten, stellen de identiteit van de verdachte vast op de wijze, bedoeld in [artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=27a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), tenzij de opdrachten in een inrichting worden uitgevoerd.
### afdeling Derde. Opnemen en onderzoek communicatie
@@ -2650,15 +2650,15 @@
##### Artikel 148a
1. De officier van justitie bij het landelijk parket is belast met de opsporing van de strafbare feiten, bedoeld in [artikel 9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=9&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
2. [Artikel 148, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=148&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van toepassing.
1. De officier van justitie bij het landelijk parket is belast met de opsporing van de strafbare feiten, bedoeld in [artikel 9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=9&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
2. [Artikel 148, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=148&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van toepassing.
##### Artikel 148b
1. De officier van justitie bij het functioneel parket is belast met de opsporing van de strafbare feiten als bedoeld in [artikel 9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=9&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
2. [Artikel 148, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=148&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van toepassing.
1. De officier van justitie bij het functioneel parket is belast met de opsporing van de strafbare feiten als bedoeld in [artikel 9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=9&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
2. [Artikel 148, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=148&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van toepassing.
##### Artikel 149
@@ -2666,7 +2666,7 @@
##### Artikel 150
1. De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek ambtshalve of op het verzoek van de verdachte een deskundige die als deskundige is geregistreerd in het register, bedoeld in [artikel 51k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIC&artikel=51k&z=2014-07-01&g=2014-07-01), benoemen.
1. De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek ambtshalve of op het verzoek van de verdachte een deskundige die als deskundige is geregistreerd in het register, bedoeld in [artikel 51k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIC&artikel=51k&z=2014-11-01&g=2014-11-01), benoemen.
2. De bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, komt ook toe aan de hulpofficier voor zover het technisch onderzoek betreft, met uitzondering van de gevallen waarin de wet anders bepaalt. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de aard van het technisch onderzoek dat kan worden opgedragen.
@@ -2680,7 +2680,7 @@
##### Artikel 151a
1. De officier van justitie kan ambtshalve of op verzoek van de verdachte of diens raadsman in het belang van het onderzoek een DNA-onderzoek, dat gericht is op het vergelijken van DNA-profielen, laten verrichten. Hij kan ten behoeve van het DNA-onderzoek de verdachte of een derde verzoeken celmateriaal af te staan. Celmateriaal kan, behoudens in geval van toepassing van [artikel 151b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151b&z=2014-07-01&g=2014-07-01) of vermissing als bedoeld in de laatste volzin, slechts met schriftelijke toestemming van de verdachte of de derde worden afgenomen. Celmateriaal wordt slechts van de verdachte afgenomen, nadat van hem één of meer vingerafdrukken overeenkomstig dit wetboek zijn genomen en verwerkt en zijn identiteit is vastgesteld op de wijze, bedoeld in [artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=27a&z=2014-07-01&g=2014-07-01). Aan een groep van vijftien derden of meer kan slechts na schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie worden verzocht celmateriaal af te staan. Ingeval de derde vermist is als gevolg van een misdrijf, kan het DNA-onderzoek worden verricht aan celmateriaal op voorwerpen, die van hem in beslag genomen zijn, of aan celmateriaal, dat op andere wijze verkregen is.
1. De officier van justitie kan ambtshalve of op verzoek van de verdachte of diens raadsman in het belang van het onderzoek een DNA-onderzoek, dat gericht is op het vergelijken van DNA-profielen, laten verrichten. Hij kan ten behoeve van het DNA-onderzoek de verdachte of een derde verzoeken celmateriaal af te staan. Celmateriaal kan, behoudens in geval van toepassing van [artikel 151b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151b&z=2014-11-01&g=2014-11-01) of vermissing als bedoeld in de laatste volzin, slechts met schriftelijke toestemming van de verdachte of de derde worden afgenomen. Celmateriaal wordt slechts van de verdachte afgenomen, nadat van hem één of meer vingerafdrukken overeenkomstig dit wetboek zijn genomen en verwerkt en zijn identiteit is vastgesteld op de wijze, bedoeld in [artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=27a&z=2014-11-01&g=2014-11-01). Aan een groep van vijftien derden of meer kan slechts na schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie worden verzocht celmateriaal af te staan. Ingeval de derde vermist is als gevolg van een misdrijf, kan het DNA-onderzoek worden verricht aan celmateriaal op voorwerpen, die van hem in beslag genomen zijn, of aan celmateriaal, dat op andere wijze verkregen is.
2. De officier van justitie benoemt een deskundige, die verbonden is aan één van de bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen laboratoria, met de opdracht het DNA-onderzoek te verrichten. De deskundige brengt aan de officier van justitie een met redenen omkleed verslag uit.
@@ -2696,15 +2696,15 @@
8. DNA-profielen worden slechts verwerkt voor het voorkomen, opsporen, vervolgen en berechten van strafbare feiten en het vaststellen van de identiteit van een lijk. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor het verwerken van DNA-profielen en celmateriaal.
9. De bepalingen van de [vijfde afdeling van de derde titel van het Tweede Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vijfde&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing, behoudens voor zover daarvan in het eerste tot en met achtste lid is afgeweken.
10. Bij toepassing van [artikel 232](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vijfde&artikel=232&z=2014-07-01&g=2014-07-01) blijft het zesde lid buiten toepassing.
9. De bepalingen van de [vijfde afdeling van de derde titel van het Tweede Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vijfde&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van overeenkomstige toepassing, behoudens voor zover daarvan in het eerste tot en met achtste lid is afgeweken.
10. Bij toepassing van [artikel 232](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vijfde&artikel=232&z=2014-11-01&g=2014-11-01) blijft het zesde lid buiten toepassing.
11. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels omtrent de wijze van uitvoering van dit artikel gegeven. De voordracht voor een krachtens de eerste volzin vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers van de Staten-Generaal is overgelegd.
##### Artikel 151b
1. De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek bevelen dat van de verdachte van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-07-01&g=2014-07-01), tegen wie ernstige bezwaren bestaan, celmateriaal wordt afgenomen ten behoeve van een DNA-onderzoek als bedoeld in [artikel 151a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), indien hij zijn schriftelijke toestemming weigert. Artikel 151a, tweede en vierde tot en met tiende lid, is van overeenkomstige toepassing.
1. De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek bevelen dat van de verdachte van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-11-01&g=2014-11-01), tegen wie ernstige bezwaren bestaan, celmateriaal wordt afgenomen ten behoeve van een DNA-onderzoek als bedoeld in [artikel 151a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), indien hij zijn schriftelijke toestemming weigert. Artikel 151a, tweede en vierde tot en met tiende lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. De officier van justitie geeft het bevel niet dan nadat de verdachte in de gelegenheid is gesteld, te worden gehoord. De verdachte is bevoegd zich bij het horen door een raadsman te doen bijstaan.
@@ -2758,7 +2758,7 @@
##### Artikel 159
Na overeenkomstig de voorgaande drie artikelen te hebben gehandeld, wachten de hulpofficieren van justitie en de overige opsporingsambtenaren de nadere bevelen van de officier van justitie af; gedoogt het belang van het onderzoek zodanig afwachten niet, dan zetten zij het onderzoek inmiddels voort en winnen zij de narichten in, die de zaak tot meer klaarheid kunnen brengen. Van dit onderzoek en de ingewonnen narichten doen zij blijken bij proces-verbaal, waarmede zij handelen overeenkomstig [artikel 156](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=156&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
Na overeenkomstig de voorgaande drie artikelen te hebben gehandeld, wachten de hulpofficieren van justitie en de overige opsporingsambtenaren de nadere bevelen van de officier van justitie af; gedoogt het belang van het onderzoek zodanig afwachten niet, dan zetten zij het onderzoek inmiddels voort en winnen zij de narichten in, die de zaak tot meer klaarheid kunnen brengen. Van dit onderzoek en de ingewonnen narichten doen zij blijken bij proces-verbaal, waarmede zij handelen overeenkomstig [artikel 156](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=156&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
### afdeeling Vierde. Aangiften en klachten
@@ -2808,21 +2808,21 @@
5. De schriftelijke volmacht, of, zoo zij voor een notaris in minuut is verleden, een authentiek afschrift daarvan, wordt aan de akte gehecht.
6. Tot het ontvangen van de aangiften bedoeld in de [artikelen 160](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=160&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [161](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=161&z=2014-07-01&g=2014-07-01), zijn de opsporingsambtenaren, en tot het ontvangen van de aangiften bedoeld in [artikel 162](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=162&z=2014-07-01&g=2014-07-01), de daarbij genoemde ambtenaren verplicht.
7. [Artikel 156](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=156&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is van toepassing.
6. Tot het ontvangen van de aangiften bedoeld in de [artikelen 160](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=160&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [161](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=161&z=2014-11-01&g=2014-11-01), zijn de opsporingsambtenaren, en tot het ontvangen van de aangiften bedoeld in [artikel 162](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=162&z=2014-11-01&g=2014-11-01), de daarbij genoemde ambtenaren verplicht.
7. [Artikel 156](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=156&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is van toepassing.
##### Artikel 164
1. Bij strafbare feiten alleen op klachte vervolgbaar, geschiedt deze klachte mondeling of schriftelijk bij den bevoegden ambtenaar, hetzij door den tot de klachte gerechtigde in persoon, hetzij door een ander, daartoe door hem van eene bijzondere schriftelijke volmacht voorzien. De klachte bestaat in eene aangifte met verzoek tot vervolging.
2. [Artikel 163, tweede lid, derde lid – met uitzondering van de tweede en derde volzin – en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=163&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
2. [Artikel 163, tweede lid, derde lid – met uitzondering van de tweede en derde volzin – en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=163&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 165
1. Tot het ontvangen der klachte is elke officier van justitie en elke hulpofficier van justitie bevoegd en verplicht.
2. [Artikel 156](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=156&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is van toepassing.
2. [Artikel 156](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=156&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is van toepassing.
##### Artikel 165a
@@ -2830,9 +2830,9 @@
##### Artikel 166
1. De intrekking der klachte geschiedt bij de ambtenaren, op de wijze en in den vorm voor het doen der klachte bij de [artikelen 163](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=163&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [164](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=164&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [165](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=165&z=2014-07-01&g=2014-07-01) bepaald.
2. [Artikel 156](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=156&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is van toepassing.
1. De intrekking der klachte geschiedt bij de ambtenaren, op de wijze en in den vorm voor het doen der klachte bij de [artikelen 163](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=163&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [164](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=164&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [165](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=165&z=2014-11-01&g=2014-11-01) bepaald.
2. [Artikel 156](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=156&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is van toepassing.
##### Artikel 166a
@@ -2904,13 +2904,13 @@
##### Artikel 176
De rechter-commissaris kan ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of verzoek van de verdachte, een of meer deskundigen benoemen op de wijze bepaald in [artikelen 227 tot en met 232](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vijfde&artikel=227&z=2014-07-01&g=2014-07-01). Het verzoek van de verdachte om benoeming van een deskundige geldt als een verzoek op grond van [artikel 182](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=182&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
De rechter-commissaris kan ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of verzoek van de verdachte, een of meer deskundigen benoemen op de wijze bepaald in [artikelen 227 tot en met 232](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vijfde&artikel=227&z=2014-11-01&g=2014-11-01). Het verzoek van de verdachte om benoeming van een deskundige geldt als een verzoek op grond van [artikel 182](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=182&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
##### Artikel 177
1. De rechter-commissaris kan, zoveel mogelijk door tussenkomst van de officier van justitie, in het belang van het onderzoek, het doen van nasporingen opdragen en bevelen geven aan de ambtenaren genoemd in [artikel 141 onder b,c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=141&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en aan de personen genoemd in [artikel 142, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=142&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
2. De rechter-commissaris heeft gelijke bevoegdheid als in [artikel 147](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=147&z=2014-07-01&g=2014-07-01) aan het openbaar ministerie is toegekend. [Artikel 147, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=147&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
1. De rechter-commissaris kan, zoveel mogelijk door tussenkomst van de officier van justitie, in het belang van het onderzoek, het doen van nasporingen opdragen en bevelen geven aan de ambtenaren genoemd in [artikel 141 onder b,c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=141&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en aan de personen genoemd in [artikel 142, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=142&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
2. De rechter-commissaris heeft gelijke bevoegdheid als in [artikel 147](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=147&z=2014-11-01&g=2014-11-01) aan het openbaar ministerie is toegekend. [Artikel 147, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=147&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 177a
@@ -2918,7 +2918,7 @@
##### Artikel 178
Indien bij afwezigheid van den officier van justitie gedurende het onderzoek eenig strafbaar feit wordt begaan, doet de rechter-commissaris daarvan een proces-verbaal opmaken en dat toekomen aan het bevoegde openbaar ministerie. Hij kan tevens, in de gevallen en op de gronden in de [artikelen 67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [67a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) vermeld, ambtshalve een bevel van bewaring tegen den verdachte uitvaardigen. De bepalingen van de [tweede afdeeling van den Vierden Titel van het Eerste Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn dan van toepassing.
Indien bij afwezigheid van den officier van justitie gedurende het onderzoek eenig strafbaar feit wordt begaan, doet de rechter-commissaris daarvan een proces-verbaal opmaken en dat toekomen aan het bevoegde openbaar ministerie. Hij kan tevens, in de gevallen en op de gronden in de [artikelen 67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [67a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) vermeld, ambtshalve een bevel van bewaring tegen den verdachte uitvaardigen. De bepalingen van de [tweede afdeeling van den Vierden Titel van het Eerste Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn dan van toepassing.
##### Artikel 178a
@@ -2926,9 +2926,9 @@
2. Bij dringende noodzakelijkheid kan de rechter-commissaris een bepaalde onderzoekshandeling overdragen aan de rechter-commissaris bij de rechtbank binnen welker rechtsgebied zij moet plaatshebben.
3. De rechter-commissaris in de rechtbank Rotterdam is bij uitsluiting bevoegd tot het geven van bevelen en het verrichten of doen verrichten van onderzoekshandelingen als omschreven in de [artikelen 226m tot en met 226s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_E&artikel=226m&z=2014-07-01&g=2014-07-01), ook binnen het rechtsgebied van een andere rechtbank.
4. Ten aanzien van een onderzoekshandeling bedoeld in het tweede en derde lid vinden de bepalingen van de [tweede tot en met de vijfde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en de [achtste afdeling van de Derde Titel van dit Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Achtste&z=2014-07-01&g=2014-07-01) overeenkomstige toepassing.
3. De rechter-commissaris in de rechtbank Rotterdam is bij uitsluiting bevoegd tot het geven van bevelen en het verrichten of doen verrichten van onderzoekshandelingen als omschreven in de [artikelen 226m tot en met 226s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_E&artikel=226m&z=2014-11-01&g=2014-11-01), ook binnen het rechtsgebied van een andere rechtbank.
4. Ten aanzien van een onderzoekshandeling bedoeld in het tweede en derde lid vinden de bepalingen van de [tweede tot en met de vijfde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en de [achtste afdeling van de Derde Titel van dit Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Achtste&z=2014-11-01&g=2014-11-01) overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 179
@@ -2938,9 +2938,9 @@
1. De rechter-commissaris waakt tegen nodeloze vertraging van het opsporingsonderzoek.
2. De rechter-commissaris kan op verzoek van de verdachte of diens raadsman, en indien hij uit hoofde van de [artikelen 181 tot en met 183](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=181&z=2014-07-01&g=2014-07-01) onderzoekshandelingen verricht tevens ambtshalve, de voortgang van het opsporingsonderzoek beoordelen. De rechter-commissaris kan zich daartoe de processtukken doen overleggen. Indien hij dit nodig acht hoort de rechter-commissaris de officier van justitie en de verdachte of diens raadsman.
3. De rechter-commissaris kan de officier van justitie een termijn stellen voor beëindiging van het opsporingsonderzoek. De rechter-commissaris kan de zaak tevens voorleggen aan de rechtbank, met het oog op toepassing van [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=36&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
2. De rechter-commissaris kan op verzoek van de verdachte of diens raadsman, en indien hij uit hoofde van de [artikelen 181 tot en met 183](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=181&z=2014-11-01&g=2014-11-01) onderzoekshandelingen verricht tevens ambtshalve, de voortgang van het opsporingsonderzoek beoordelen. De rechter-commissaris kan zich daartoe de processtukken doen overleggen. Indien hij dit nodig acht hoort de rechter-commissaris de officier van justitie en de verdachte of diens raadsman.
3. De rechter-commissaris kan de officier van justitie een termijn stellen voor beëindiging van het opsporingsonderzoek. De rechter-commissaris kan de zaak tevens voorleggen aan de rechtbank, met het oog op toepassing van [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=36&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
## Titel III. Gang van het gerechtelijk vooronderzoek
@@ -2972,7 +2972,7 @@
##### Artikel 183
1. In het kader van een uit hoofde van de [artikelen 181](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=181&z=2014-07-01&g=2014-07-01) of [182, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=182&z=2014-07-01&g=2014-07-01), ingesteld onderzoek, kan de verdachte schriftelijk wensen tot onderzoek kenbaar maken aan de rechter-commissaris. De rechter-commissaris doet de officier van justitie een afschrift van het verzoek toekomen.
1. In het kader van een uit hoofde van de [artikelen 181](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=181&z=2014-11-01&g=2014-11-01) of [182, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=182&z=2014-11-01&g=2014-11-01), ingesteld onderzoek, kan de verdachte schriftelijk wensen tot onderzoek kenbaar maken aan de rechter-commissaris. De rechter-commissaris doet de officier van justitie een afschrift van het verzoek toekomen.
2. De rechter-commissaris beslist bij een met redenen omklede schriftelijke beschikking die hij doet toekomen aan de verdachte en tevens in afschrift aan de officier van justitie.
@@ -2980,7 +2980,7 @@
##### Artikel 184
1. Indien de rechter-commissaris van zijn beslissing mededeling doet om in een zaak op grond van de [artikelen 181 tot en met 183](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=181&z=2014-07-01&g=2014-07-01) onderzoekshandelingen te verrichten, doet de officier van justitie hem zo spoedig mogelijk een afschrift van de processtukken toekomen. De officier van justitie informeert de rechter-commissaris die onderzoekshandelingen verricht, uit eigen beweging of op diens verzoek, over het verloop van het opsporingsonderzoek.
1. Indien de rechter-commissaris van zijn beslissing mededeling doet om in een zaak op grond van de [artikelen 181 tot en met 183](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=181&z=2014-11-01&g=2014-11-01) onderzoekshandelingen te verrichten, doet de officier van justitie hem zo spoedig mogelijk een afschrift van de processtukken toekomen. De officier van justitie informeert de rechter-commissaris die onderzoekshandelingen verricht, uit eigen beweging of op diens verzoek, over het verloop van het opsporingsonderzoek.
2. De rechter-commissaris verstrekt de officier van justitie op diens vordering, of ambtshalve, schriftelijk inlichtingen over de door hem verrichte of te verrichten onderzoekshandelingen. Op diens verzoek, of ambtshalve, verstrekt de rechter-commissaris tevens schriftelijk inlichtingen aan de verdachte, tenzij het belang van het onderzoek zich hiertegen verzet.
@@ -3006,19 +3006,19 @@
2. De rechter-commissaris kan, indien hij dit in het belang van het onderzoek wenselijk acht, ook de verdachte in de gelegenheid stellen het verhoor van een getuige of deskundige bij te wonen.
3. [Artikel 186, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=186&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is ten aanzien van de raadsman en de verdachte van overeenkomstige toepassing.
3. [Artikel 186, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=186&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is ten aanzien van de raadsman en de verdachte van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 187
1. Indien gegrond vermoeden bestaat dat de getuige of deskundige niet ter terechtzitting zal kunnen verschijnen of dat de gezondheid of het welzijn van de getuige of deskundige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting in gevaar wordt gebracht, en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang om de getuige of deskundige ter terechtzitting te kunnen ondervragen, nodigt de rechter-commissaris de officier van justitie en de verdachte tot bijwoning van het verhoor uit, tenzij het belang van het onderzoek geen uitstel van het verhoor gedoogt.
2. De rechter-commissaris kan bevelen dat de verdachte de plaats van verhoor zal verlaten, opdat een getuige of deskundige buiten zijn tegenwoordigheid zal worden ondervraagd. Hij kan bepalen dat de verdachte en diens raadsman het verhoor van de getuige niet mogen bijwonen voor zover dit met het oog op de in [artikel 187d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=187d&z=2014-07-01&g=2014-07-01), vermelde belangen strikt noodzakelijk is. In het laatste geval is ook de officier van justitie niet bevoegd daarbij tegenwoordig te zijn.
3. De officier van justitie, de verdachte en diens raadsman worden, indien de getuige of deskundige buiten hun aanwezigheid is ondervraagd, zo spoedig mogelijk onderricht over hetgeen de getuige of deskundige heeft verklaard, voorzover dit met de bescherming van de in [artikel 187d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=187d&z=2014-07-01&g=2014-07-01), vermelde belangen verenigbaar is.
2. De rechter-commissaris kan bevelen dat de verdachte de plaats van verhoor zal verlaten, opdat een getuige of deskundige buiten zijn tegenwoordigheid zal worden ondervraagd. Hij kan bepalen dat de verdachte en diens raadsman het verhoor van de getuige niet mogen bijwonen voor zover dit met het oog op de in [artikel 187d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=187d&z=2014-11-01&g=2014-11-01), vermelde belangen strikt noodzakelijk is. In het laatste geval is ook de officier van justitie niet bevoegd daarbij tegenwoordig te zijn.
3. De officier van justitie, de verdachte en diens raadsman worden, indien de getuige of deskundige buiten hun aanwezigheid is ondervraagd, zo spoedig mogelijk onderricht over hetgeen de getuige of deskundige heeft verklaard, voorzover dit met de bescherming van de in [artikel 187d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=187d&z=2014-11-01&g=2014-11-01), vermelde belangen verenigbaar is.
##### Artikel 187a
Aan de verdachte die geen raadsman heeft wordt op last van de rechter-commissaris onverwijld een raadsman toegevoegd, indien die raadsman krachtens het bepaalde in [artikel 186a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=186a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), of [187](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=187&z=2014-07-01&g=2014-07-01) bevoegd zou zijn enig verhoor bij te wonen.
Aan de verdachte die geen raadsman heeft wordt op last van de rechter-commissaris onverwijld een raadsman toegevoegd, indien die raadsman krachtens het bepaalde in [artikel 186a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=186a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), of [187](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=187&z=2014-11-01&g=2014-11-01) bevoegd zou zijn enig verhoor bij te wonen.
##### Artikel 187b
@@ -3060,7 +3060,7 @@
##### Artikel 190
1. De rechter-commissaris stelt de identiteit van de verdachten, getuigen en deskundigen vast op de wijze, bedoeld in [artikel 27a, eerste lid, eerste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=27a&z=2014-07-01&g=2014-07-01). De rechter-commissaris is tevens bevoegd de identiteit van de verdachten vast te stellen op de wijze, bedoeld in [artikel 27a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=27a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en van de getuigen op de wijze, bedoeld in [artikel 27a, eerste lid, tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=27a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), indien over hun identiteit twijfel bestaat. [Artikel 29a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=29a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is ten aanzien van de getuigen van overeenkomstige toepassing.
1. De rechter-commissaris stelt de identiteit van de verdachten, getuigen en deskundigen vast op de wijze, bedoeld in [artikel 27a, eerste lid, eerste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=27a&z=2014-11-01&g=2014-11-01). De rechter-commissaris is tevens bevoegd de identiteit van de verdachten vast te stellen op de wijze, bedoeld in [artikel 27a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=27a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en van de getuigen op de wijze, bedoeld in [artikel 27a, eerste lid, tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=27a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), indien over hun identiteit twijfel bestaat. [Artikel 29a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=29a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is ten aanzien van de getuigen van overeenkomstige toepassing.
2. Indien de verdachte bekend is, vraagt de rechter-commissaris de getuigen en deskundigen, of zij bloed- of aanverwant zijn van de verdachte en zo ja, in welke graad.
@@ -3082,7 +3082,7 @@
##### Artikel 192
1. De rechter-commissaris kan, ambtshalve, op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte, de bevoegdheid omschreven in [artikel 151](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151&z=2014-07-01&g=2014-07-01) uitoefenen.
1. De rechter-commissaris kan, ambtshalve, op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte, de bevoegdheid omschreven in [artikel 151](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151&z=2014-11-01&g=2014-11-01) uitoefenen.
2. De rechter-commissaris kan bepalen dat de verdachte, de getuigen en deskundigen op de plaats zullen worden verhoord.
@@ -3112,13 +3112,13 @@
##### Artikel 195a
1. De rechter-commissaris kan ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte of diens raadsman in het belang van het onderzoek een DNA-onderzoek, dat gericht is op het vergelijken van DNA-profielen, laten verrichten. Hij kan ten behoeve van het DNA-onderzoek de verdachte of een derde verzoeken celmateriaal af te staan. Celmateriaal kan, behoudens in geval van toepassing van [artikel 195d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=195d&z=2014-07-01&g=2014-07-01) of vermissing als bedoeld in de laatste volzin, slechts met schriftelijke toestemming van de verdachte of de derde worden afgenomen. Celmateriaal wordt slechts van de verdachte afgenomen, nadat van hem één of meer vingerafdrukken overeenkomstig dit wetboek zijn genomen en verwerkt en zijn identiteit is vastgesteld op de wijze, bedoeld in [artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=27a&z=2014-07-01&g=2014-07-01). Ingeval de derde vermist is als gevolg van een misdrijf, kan het DNA-onderzoek worden verricht aan celmateriaal op voorwerpen, die van hem in beslag genomen zijn, of aan celmateriaal, dat op andere wijze verkregen is.
1. De rechter-commissaris kan ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte of diens raadsman in het belang van het onderzoek een DNA-onderzoek, dat gericht is op het vergelijken van DNA-profielen, laten verrichten. Hij kan ten behoeve van het DNA-onderzoek de verdachte of een derde verzoeken celmateriaal af te staan. Celmateriaal kan, behoudens in geval van toepassing van [artikel 195d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=195d&z=2014-11-01&g=2014-11-01) of vermissing als bedoeld in de laatste volzin, slechts met schriftelijke toestemming van de verdachte of de derde worden afgenomen. Celmateriaal wordt slechts van de verdachte afgenomen, nadat van hem één of meer vingerafdrukken overeenkomstig dit wetboek zijn genomen en verwerkt en zijn identiteit is vastgesteld op de wijze, bedoeld in [artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=27a&z=2014-11-01&g=2014-11-01). Ingeval de derde vermist is als gevolg van een misdrijf, kan het DNA-onderzoek worden verricht aan celmateriaal op voorwerpen, die van hem in beslag genomen zijn, of aan celmateriaal, dat op andere wijze verkregen is.
2. De rechter-commissaris benoemt een deskundige, die verbonden is aan één van de bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen laboratoria, met de opdracht het DNA-onderzoek te verrichten. De deskundige brengt aan de rechter-commissaris een met redenen omkleed verslag uit.
3. Indien onvoldoende celmateriaal voor een tegenonderzoek als bedoeld in [artikel 195b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=195b&z=2014-07-01&g=2014-07-01), beschikbaar is, stelt de rechter-commissaris de verdachte, indien slechts één verdachte bekend is, in de gelegenheid een deskundige, verbonden aan één van de aangewezen laboratoria, aan te wijzen die het onderzoek verricht. Artikel 195b blijft buiten toepassing.
4. De rechter-commissaris geeft, ingeval het onderzoek heeft plaatsgevonden aan afgenomen celmateriaal, de onderzochte persoon zo spoedig mogelijk schriftelijk kennis van de uitslag van het onderzoek. Indien het onderzoek heeft plaatsgevonden aan ander celmateriaal, geeft hij de verdachte, indien deze bekend is, zodra het belang van het onderzoek dat toelaat schriftelijk kennis van de uitslag van het onderzoek. Buiten het geval, bedoeld in het derde lid, wijst hij de verdachte daarbij op het bepaalde in [artikel 195b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=195b&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
3. Indien onvoldoende celmateriaal voor een tegenonderzoek als bedoeld in [artikel 195b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=195b&z=2014-11-01&g=2014-11-01), beschikbaar is, stelt de rechter-commissaris de verdachte, indien slechts één verdachte bekend is, in de gelegenheid een deskundige, verbonden aan één van de aangewezen laboratoria, aan te wijzen die het onderzoek verricht. Artikel 195b blijft buiten toepassing.
4. De rechter-commissaris geeft, ingeval het onderzoek heeft plaatsgevonden aan afgenomen celmateriaal, de onderzochte persoon zo spoedig mogelijk schriftelijk kennis van de uitslag van het onderzoek. Indien het onderzoek heeft plaatsgevonden aan ander celmateriaal, geeft hij de verdachte, indien deze bekend is, zodra het belang van het onderzoek dat toelaat schriftelijk kennis van de uitslag van het onderzoek. Buiten het geval, bedoeld in het derde lid, wijst hij de verdachte daarbij op het bepaalde in [artikel 195b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=195b&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
5. DNA-profielen worden slechts verwerkt voor het voorkomen, opsporen, vervolgen en berechten van strafbare feiten en het vaststellen van de identiteit van een lijk. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor het verwerken van DNA-profielen en celmateriaal.
@@ -3126,19 +3126,19 @@
##### Artikel 195b
1. De verdachte kan binnen veertien dagen nadat hem de uitslag van het DNA-onderzoek schriftelijk is kennisgegeven, de rechter-commissaris verzoeken een andere door hem aangewezen deskundige, verbonden aan één van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen laboratoria, te benoemen met de opdracht een DNA-onderzoek te verrichten. Indien daartoe voldoende celmateriaal beschikbaar is, willigt de rechter-commissaris het verzoek in. De deskundige brengt aan de rechter-commissaris een met redenen omkleed verslag uit. [Artikel 195a, vierde lid, eerste volzin, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=195a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
1. De verdachte kan binnen veertien dagen nadat hem de uitslag van het DNA-onderzoek schriftelijk is kennisgegeven, de rechter-commissaris verzoeken een andere door hem aangewezen deskundige, verbonden aan één van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen laboratoria, te benoemen met de opdracht een DNA-onderzoek te verrichten. Indien daartoe voldoende celmateriaal beschikbaar is, willigt de rechter-commissaris het verzoek in. De deskundige brengt aan de rechter-commissaris een met redenen omkleed verslag uit. [Artikel 195a, vierde lid, eerste volzin, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=195a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
2. In geval van toepassing van het eerste lid, wordt de verdachte een deel van de kosten van het onderzoek, waarvan de hoogte bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld, in rekening gebracht, indien dit onderzoek het in opdracht van de rechter-commissaris verrichte onderzoek bevestigt.
3. Bij toepassing van [artikel 228, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vijfde&artikel=228&z=2014-07-01&g=2014-07-01), blijft het eerste lid buiten toepassing.
3. Bij toepassing van [artikel 228, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vijfde&artikel=228&z=2014-11-01&g=2014-11-01), blijft het eerste lid buiten toepassing.
##### Artikel 195c
Ten aanzien van het onderzoek door deskundigen als bedoeld in de [artikelen 195a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=195a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [195b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=195b&z=2014-07-01&g=2014-07-01), zijn de bepalingen van de vijfde afdeling van de [derde Titel van het Tweede Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&z=2014-07-01&g=2014-07-01) van overeenkomstige toepassing, behoudens voor zover daarvan in de [artikelen 195a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=195a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [195b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=195b&z=2014-07-01&g=2014-07-01) wordt afgeweken.
Ten aanzien van het onderzoek door deskundigen als bedoeld in de [artikelen 195a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=195a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [195b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=195b&z=2014-11-01&g=2014-11-01), zijn de bepalingen van de vijfde afdeling van de [derde Titel van het Tweede Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&z=2014-11-01&g=2014-11-01) van overeenkomstige toepassing, behoudens voor zover daarvan in de [artikelen 195a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=195a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [195b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=195b&z=2014-11-01&g=2014-11-01) wordt afgeweken.
##### Artikel 195d
1. De rechter-commissaris kan, ambtshalve of op vordering van de officier van justitie, in het belang van het onderzoek bevelen dat van de verdachte van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-07-01&g=2014-07-01), tegen wie ernstige bezwaren bestaan, celmateriaal wordt afgenomen ten behoeve van een DNA-onderzoek als bedoeld in [artikel 195a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=195a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), indien hij zijn schriftelijke toestemming weigert. De artikelen 195a, tweede tot en met vijfde lid, [195b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=195b&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [195c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=195c&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
1. De rechter-commissaris kan, ambtshalve of op vordering van de officier van justitie, in het belang van het onderzoek bevelen dat van de verdachte van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-11-01&g=2014-11-01), tegen wie ernstige bezwaren bestaan, celmateriaal wordt afgenomen ten behoeve van een DNA-onderzoek als bedoeld in [artikel 195a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=195a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), indien hij zijn schriftelijke toestemming weigert. De artikelen 195a, tweede tot en met vijfde lid, [195b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=195b&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [195c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=195c&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
2. De rechter-commissaris geeft het bevel niet dan nadat de verdachte in de gelegenheid is gesteld, te worden gehoord. De verdachte is bevoegd zich bij het horen door een raadsman te doen bijstaan.
@@ -3154,11 +3154,11 @@
##### Artikel 196
Indien het noodzakelijk is dat een onderzoek naar de geestvermogens van de verdachte tegen wie voorlopige hechtenis is bevolen, zal worden ingesteld en dit niet voldoende op een andere wijze kan plaatsvinden, beveelt de rechter-commissaris hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte, dat de verdachte ter observatie zal worden overgebracht naar een in het bevel aan te duiden psychiatrisch ziekenhuis, bedoeld in [artikel 509f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Eerste&artikel=509f&z=2014-07-01&g=2014-07-01), of een inrichting tot klinische observatie bestemd.
Indien het noodzakelijk is dat een onderzoek naar de geestvermogens van de verdachte tegen wie voorlopige hechtenis is bevolen, zal worden ingesteld en dit niet voldoende op een andere wijze kan plaatsvinden, beveelt de rechter-commissaris hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte, dat de verdachte ter observatie zal worden overgebracht naar een in het bevel aan te duiden psychiatrisch ziekenhuis, bedoeld in [artikel 509f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Eerste&artikel=509f&z=2014-11-01&g=2014-11-01), of een inrichting tot klinische observatie bestemd.
##### Artikel 197
1. Het bevel, bedoeld bij [artikel 196](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=196&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is met redenen omkleed en wordt niet gegeven dan nadat het oordeel van een of meer deskundigen is ingewonnen en de verdachte ter zake is gehoord of behoorlijk opgeroepen. De rechter-commissaris nodigt de officier van justitie uit bij het verhoor tegenwoordig te zijn.
1. Het bevel, bedoeld bij [artikel 196](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=196&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is met redenen omkleed en wordt niet gegeven dan nadat het oordeel van een of meer deskundigen is ingewonnen en de verdachte ter zake is gehoord of behoorlijk opgeroepen. De rechter-commissaris nodigt de officier van justitie uit bij het verhoor tegenwoordig te zijn.
2. Het bevel houdende last tot overbrenging, en dat waarbij een daartoe strekkend verzoek van den verdachte is afgewezen, worden dezen onverwijld beteekend.
@@ -3172,7 +3172,7 @@
2. De rechter-commissaris kan, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den verdachte, te allen tijde bevelen dat het verblijf in de inrichting een einde zal nemen.
3. Onze Minister van Veiligheid en Justitie wijst de inrichtingen aan naar welke verdachten krachtens een bevel bedoeld bij [artikel 197](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=197&z=2014-07-01&g=2014-07-01) kunnen worden overgebracht.
3. Onze Minister van Veiligheid en Justitie wijst de inrichtingen aan naar welke verdachten krachtens een bevel bedoeld bij [artikel 197](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=197&z=2014-11-01&g=2014-11-01) kunnen worden overgebracht.
##### Artikel 199
@@ -3230,13 +3230,13 @@
1. De rechter-commissaris verhoort den getuige, wiens verhoor door hem wenschelijk wordt geoordeeld, door den rechter wordt bevolen of door den officier van justitie wordt gevorderd. Hij kan diens dagvaarding bevelen.
2. De officier van justitie kan bij met redenen omklede beslissing weigeren een bevel van de rechter-commissaris tot dagvaarding als bedoeld in het eerste lid ten uitvoer te leggen, indien de officier van justitie de getuige heeft toegezegd dat hij op geen andere wijze dan als bedreigde getuige of als afgeschermde getuige wiens identiteit verborgen wordt gehouden, zal worden gehoord. Na de weigering onverwijld en schriftelijk ter kennis van de rechter-commissaris en de verdachte te hebben gebracht, dient de officier van justitie, indien hij zulks nog niet heeft gedaan, de vordering, bedoeld in [artikel 226a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_A&artikel=226a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), of [artikel 226m, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_E&artikel=226m&z=2014-07-01&g=2014-07-01), in.
2. De officier van justitie kan bij met redenen omklede beslissing weigeren een bevel van de rechter-commissaris tot dagvaarding als bedoeld in het eerste lid ten uitvoer te leggen, indien de officier van justitie de getuige heeft toegezegd dat hij op geen andere wijze dan als bedreigde getuige of als afgeschermde getuige wiens identiteit verborgen wordt gehouden, zal worden gehoord. Na de weigering onverwijld en schriftelijk ter kennis van de rechter-commissaris en de verdachte te hebben gebracht, dient de officier van justitie, indien hij zulks nog niet heeft gedaan, de vordering, bedoeld in [artikel 226a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_A&artikel=226a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), of [artikel 226m, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_E&artikel=226m&z=2014-11-01&g=2014-11-01), in.
3. Het tweede lid blijft buiten toepassing in geval van dagvaarding van de getuige als bedreigde getuige of als afgeschermde getuige wiens identiteit verborgen wordt gehouden.
##### Artikel 211
De [artikelen 203](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Derde&artikel=203&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [204](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Derde&artikel=204&z=2014-07-01&g=2014-07-01) vinden ten aanzien van het verhoor van getuigen, die zich in Aruba, Curaçao of Sint Maarten dan wel in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba ophouden, overeenkomstige toepassing.
De [artikelen 203](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Derde&artikel=203&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [204](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Derde&artikel=204&z=2014-11-01&g=2014-11-01) vinden ten aanzien van het verhoor van getuigen, die zich in Aruba, Curaçao of Sint Maarten dan wel in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba ophouden, overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 212
@@ -3268,9 +3268,9 @@
- b. de overlegging van beëdigde verklaringen noodzakelijk is om de uitlevering van de verdachte te verkrijgen;
- c. een afspraak ingevolge [artikel 226h, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_B&artikel=226h&z=2014-07-01&g=2014-07-01), of [artikel 226k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_C&artikel=226k&z=2014-07-01&g=2014-07-01), eerste lid, rechtmatig is geoordeeld.
2. Onverminderd de beëdiging van een getuige op grond van het eerste lid en de [artikelen 226c, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_A&artikel=226c&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [226n, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_E&artikel=226n&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan de rechter-commissaris, indien hij dat noodzakelijk acht in verband met de betrouwbaarheid van de door de getuige af te leggen verklaring, overgaan tot beëdiging.
- c. een afspraak ingevolge [artikel 226h, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_B&artikel=226h&z=2014-11-01&g=2014-11-01), of [artikel 226k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_C&artikel=226k&z=2014-11-01&g=2014-11-01), eerste lid, rechtmatig is geoordeeld.
2. Onverminderd de beëdiging van een getuige op grond van het eerste lid en de [artikelen 226c, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_A&artikel=226c&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [226n, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_E&artikel=226n&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan de rechter-commissaris, indien hij dat noodzakelijk acht in verband met de betrouwbaarheid van de door de getuige af te leggen verklaring, overgaan tot beëdiging.
3. Indien de rechter-commissaris dit buiten de gevallen bedoeld in het eerste lid, onder a en b, noodzakelijk oordeelt, kan hij de deskundige bij zijn verhoor beëdigen.
@@ -3294,7 +3294,7 @@
##### Artikel 219a
De getuige die uit hoofde van zijn ambt of beroep betrokken is bij het verhoor van een bedreigde getuige of een verhoor waarbij [artikel 187d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=187d&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is toegepast, dan wel een daaraan voorafgaand verhoor, kan zich verschonen van het beantwoorden van een hem gestelde vraag, voor zover zulks ter bescherming van de in [artikel 187d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=187d&z=2014-07-01&g=2014-07-01), of [artikel 226a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_A&artikel=226a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), genoemde belangen noodzakelijk is.
De getuige die uit hoofde van zijn ambt of beroep betrokken is bij het verhoor van een bedreigde getuige of een verhoor waarbij [artikel 187d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=187d&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is toegepast, dan wel een daaraan voorafgaand verhoor, kan zich verschonen van het beantwoorden van een hem gestelde vraag, voor zover zulks ter bescherming van de in [artikel 187d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=187d&z=2014-11-01&g=2014-11-01), of [artikel 226a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_A&artikel=226a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), genoemde belangen noodzakelijk is.
##### Artikel 220
@@ -3320,7 +3320,7 @@
2. De rechtbank kan te allen tijde, hetzij ambtshalve, hetzij op het verslag van den rechter-commissaris, op de vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den getuige, diens ontslag uit de gijzeling bevelen. De getuige wordt gehoord, althans opgeroepen.
3. Ingeval zijn verzoek tot ontslag uit de gijzeling wordt afgewezen, staat den getuige binnen drie dagen na de beteekening der beschikking hooger beroep, en na afwijzing in hooger beroep, binnen gelijken termijn beroep in cassatie open. De [artikelen 447-455](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=IV&artikel=447&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Ingeval zijn verzoek tot ontslag uit de gijzeling wordt afgewezen, staat den getuige binnen drie dagen na de beteekening der beschikking hooger beroep, en na afwijzing in hooger beroep, binnen gelijken termijn beroep in cassatie open. De [artikelen 447-455](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=IV&artikel=447&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
4. In ieder geval gelast de officier van justitie het ontslag uit de gijzeling zodra het onderzoek door de rechter-commissaris is beëindigd.
@@ -3362,21 +3362,21 @@
##### Artikel 226b
1. De ingevolge [artikel 226a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_A&artikel=226a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), gegeven beschikking van de rechter-commissaris is met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend en wordt onverwijld schriftelijk ter kennis gebracht van de officier van justitie en betekend aan de verdachte en de getuige, met vermelding van de termijn waarbinnen en de wijze waarop het rechtsmiddel, dat tegen de beschikking openstaat, moet worden ingesteld.
1. De ingevolge [artikel 226a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_A&artikel=226a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), gegeven beschikking van de rechter-commissaris is met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend en wordt onverwijld schriftelijk ter kennis gebracht van de officier van justitie en betekend aan de verdachte en de getuige, met vermelding van de termijn waarbinnen en de wijze waarop het rechtsmiddel, dat tegen de beschikking openstaat, moet worden ingesteld.
2. Tegen de beschikking staat voor de officier van justitie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beschikking en voor de verdachte en de getuige binnen veertien dagen na de betekening daarvan hoger beroep open bij het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak wordt vervolgd.
3. Het gerecht beslist zo spoedig mogelijk. Indien het hoger beroep tegen een overeenkomstig [artikel 226a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_A&artikel=226a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), gegeven bevel gegrond wordt geoordeeld en de rechter-commissaris de getuige reeds met inachtneming van de [artikelen 226c-226f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_A&artikel=226c&z=2014-07-01&g=2014-07-01) heeft verhoord, draagt de rechter-commissaris zorg dat het proces-verbaal van verhoor van de getuige wordt vernietigd. De rechter-commissaris maakt hiervan proces-verbaal op. [Artikel 226f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_A&artikel=226f&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is van overeenkomstige toepassing.
3. Het gerecht beslist zo spoedig mogelijk. Indien het hoger beroep tegen een overeenkomstig [artikel 226a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_A&artikel=226a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), gegeven bevel gegrond wordt geoordeeld en de rechter-commissaris de getuige reeds met inachtneming van de [artikelen 226c-226f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_A&artikel=226c&z=2014-11-01&g=2014-11-01) heeft verhoord, draagt de rechter-commissaris zorg dat het proces-verbaal van verhoor van de getuige wordt vernietigd. De rechter-commissaris maakt hiervan proces-verbaal op. [Artikel 226f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_A&artikel=226f&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is van overeenkomstige toepassing.
4. Tegen de beschikking van het gerecht is beroep in cassatie niet toegelaten.
5. Indien in hoger beroep onherroepelijk is beslist dat de getuige een bedreigde getuige is, nemen de leden van het gerecht, op straffe van nietigheid, niet aan het onderzoek ter terechtzitting deel. [Artikel 21, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Zesde&artikel=21&z=2014-07-01&g=2014-07-01), blijft buiten toepassing.
5. Indien in hoger beroep onherroepelijk is beslist dat de getuige een bedreigde getuige is, nemen de leden van het gerecht, op straffe van nietigheid, niet aan het onderzoek ter terechtzitting deel. [Artikel 21, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Zesde&artikel=21&z=2014-11-01&g=2014-11-01), blijft buiten toepassing.
##### Artikel 226c
1. Voorafgaand aan het verhoor van een bedreigde getuige stelt de rechter-commissaris zich op de hoogte van diens identiteit en vermeldt in het proces-verbaal dit te hebben gedaan.
2. De getuige wordt overeenkomstig het bepaalde in [artikel 216](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=216&z=2014-07-01&g=2014-07-01) beëdigd of aangemaand.
2. De getuige wordt overeenkomstig het bepaalde in [artikel 216](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=216&z=2014-11-01&g=2014-11-01) beëdigd of aangemaand.
3. De rechter-commissaris verhoort de bedreigde getuige op een zodanige wijze dat zijn identiteit verborgen blijft.
@@ -3394,7 +3394,7 @@
##### Artikel 226f
1. De rechter-commissaris neemt, zoveel mogelijk in overleg met de officier van justitie, de maatregelen die redelijkerwijs nodig zijn om de identiteit van de bedreigde getuige en de getuige, ten aanzien van wie een verzoek of vordering als bedoeld in [artikel 226**a**, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_A&artikel=226a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is ingediend zolang daaromtrent nog niet onherroepelijk is beslist, verborgen te houden.
1. De rechter-commissaris neemt, zoveel mogelijk in overleg met de officier van justitie, de maatregelen die redelijkerwijs nodig zijn om de identiteit van de bedreigde getuige en de getuige, ten aanzien van wie een verzoek of vordering als bedoeld in [artikel 226**a**, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_A&artikel=226a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is ingediend zolang daaromtrent nog niet onherroepelijk is beslist, verborgen te houden.
2. Hij is bevoegd voor dat doel in processtukken gegevens betreffende de identiteit van de getuige onvermeld te laten of processtukken te anonimiseren.
@@ -3406,7 +3406,7 @@
1. De rechter-commissaris kan in het belang van het onderzoek ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte, een of meer deskundigen benoemen.
2. Bij het verzoek van de verdachte om een deskundige te benoemen kan hij een of meer personen als deskundige aanbevelen. Tenzij het belang van het onderzoek zich hiertegen verzet, kiest de rechter-commissaris een of meer der deskundigen uit de door de verdachte aanbevolen personen. [Artikel 51k, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIC&artikel=51k&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
2. Bij het verzoek van de verdachte om een deskundige te benoemen kan hij een of meer personen als deskundige aanbevelen. Tenzij het belang van het onderzoek zich hiertegen verzet, kiest de rechter-commissaris een of meer der deskundigen uit de door de verdachte aanbevolen personen. [Artikel 51k, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIC&artikel=51k&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 228
@@ -3426,19 +3426,19 @@
##### Artikel 230
1. Nadat de deskundige zijn rapport aan de rechter-commissaris heeft ingezonden, doet de rechter-commissaris daarvan een kopie toekomen aan de officier van justitie en de verdachte. [Artikel 228, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vijfde&artikel=228&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
1. Nadat de deskundige zijn rapport aan de rechter-commissaris heeft ingezonden, doet de rechter-commissaris daarvan een kopie toekomen aan de officier van justitie en de verdachte. [Artikel 228, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vijfde&artikel=228&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
2. De verdachte aan wie van de uitslag van het onderzoek is kennis gegeven, is bevoegd een deskundige aan te wijzen, die het recht heeft het toegezonden verslag te onderzoeken.
##### Artikel 231
1. Ingeval het rapport van de deskundige daartoe aanleiding geeft, kan de rechter-commissaris, ambtshalve, op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte, nader onderzoek opdragen aan dezelfde deskundige dan wel onderzoek aan een of meer andere deskundigen opdragen. De [artikelen 229](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vijfde&artikel=229&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [230](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vijfde&artikel=230&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
1. Ingeval het rapport van de deskundige daartoe aanleiding geeft, kan de rechter-commissaris, ambtshalve, op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte, nader onderzoek opdragen aan dezelfde deskundige dan wel onderzoek aan een of meer andere deskundigen opdragen. De [artikelen 229](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vijfde&artikel=229&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [230](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vijfde&artikel=230&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
2. De rechter-commissaris verstrekt aan de op grond van het eerste lid benoemde nieuwe deskundige een kopie van het verslag.
##### Artikel 232
De rechter-commissaris kan de deskundige ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte horen. De rechter-commissaris kan zijn dagvaarding bevelen. Ten aanzien van de deskundige en zijn verhoor vinden de [artikelen 211 tot en met 213](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=211&z=2014-07-01&g=2014-07-01) overeenkomstige toepassing.
De rechter-commissaris kan de deskundige ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte horen. De rechter-commissaris kan zijn dagvaarding bevelen. Ten aanzien van de deskundige en zijn verhoor vinden de [artikelen 211 tot en met 213](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=211&z=2014-11-01&g=2014-11-01) overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 233
@@ -3496,7 +3496,7 @@
##### Artikel 241c
In afwijking van [artikel 446, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=IV&artikel=446&z=2014-07-01&g=2014-07-01), staat voor het openbaar ministerie tegen een beschikking van de rechtbank, gegeven in hoger beroep ingesteld tegen een beschikking van de rechter-commissaris, waarbij een krachtens deze Titel genomen vordering niet is toegewezen, geen beroep in cassatie open.
In afwijking van [artikel 446, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=IV&artikel=446&z=2014-11-01&g=2014-11-01), staat voor het openbaar ministerie tegen een beschikking van de rechtbank, gegeven in hoger beroep ingesteld tegen een beschikking van de rechter-commissaris, waarbij een krachtens deze Titel genomen vordering niet is toegewezen, geen beroep in cassatie open.
## Titel IV. Beslissingen omtrent verdere vervolging
@@ -3516,7 +3516,7 @@
4. De officier van justitie doet in geval van vervolging wegens een misdrijf aan de rechtstreeks belanghebbende die hem bekend is, onverwijld schriftelijk mededeling van de kennisgeving van niet verdere vervolging.
5. Indien in de zaak een bevel krachtens de [artikelen 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=12&z=2014-07-01&g=2014-07-01) of [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=13&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is gevraagd of gegeven, doet de officier van justitie een mededeling dat van verdere vervolging wordt afgezien niet dan nadat daarin is bewilligd door het gerechtshof binnen wiens rechtsgebied de vervolging is ingesteld. De officier van justitie doet te dien einde de processtukken, vergezeld van een verslag houdende de gronden voor de mededeling dat van verdere vervolging wordt afgezien, toekomen aan het gerechtshof.
5. Indien in de zaak een bevel krachtens de [artikelen 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=12&z=2014-11-01&g=2014-11-01) of [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=13&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is gevraagd of gegeven, doet de officier van justitie een mededeling dat van verdere vervolging wordt afgezien niet dan nadat daarin is bewilligd door het gerechtshof binnen wiens rechtsgebied de vervolging is ingesteld. De officier van justitie doet te dien einde de processtukken, vergezeld van een verslag houdende de gronden voor de mededeling dat van verdere vervolging wordt afgezien, toekomen aan het gerechtshof.
##### Artikel 244
@@ -3586,7 +3586,7 @@
##### Artikel 255
1. De verdachte kan na zijn buitenvervolgingstelling, na de hem betekende beschikking, houdende verklaring dat de zaak geëindigd is, of na de hem betekende kennisgeving van niet verdere vervolging, in het laatste geval behoudens [artikel 12i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=12i&z=2014-07-01&g=2014-07-01) of [artikel 246](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=IV&artikel=246&z=2014-07-01&g=2014-07-01), ter zake van hetzelfde feit niet opnieuw in rechten worden betrokken tenzij nieuwe bezwaren bekend zijn geworden.
1. De verdachte kan na zijn buitenvervolgingstelling, na de hem betekende beschikking, houdende verklaring dat de zaak geëindigd is, of na de hem betekende kennisgeving van niet verdere vervolging, in het laatste geval behoudens [artikel 12i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=12i&z=2014-11-01&g=2014-11-01) of [artikel 246](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=IV&artikel=246&z=2014-11-01&g=2014-11-01), ter zake van hetzelfde feit niet opnieuw in rechten worden betrokken tenzij nieuwe bezwaren bekend zijn geworden.
2. Als nieuwe bezwaren kunnen enkel worden aangemerkt verklaringen van getuigen of van den verdachte en stukken, bescheiden en processen-verbaal, welke later zijn bekend geworden of niet zijn onderzocht.
@@ -3598,7 +3598,7 @@
##### Artikel 256
1. Indien aan de rechtbank blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd of verzuim of nietigheid van eene wettelijke voorgeschreven beteekening heeft plaats gehad, is [artikel 199](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=199&z=2014-07-01&g=2014-07-01) van overeenkomstige toepassing.
1. Indien aan de rechtbank blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd of verzuim of nietigheid van eene wettelijke voorgeschreven beteekening heeft plaats gehad, is [artikel 199](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=199&z=2014-11-01&g=2014-11-01) van overeenkomstige toepassing.
2. Is het onderzoek op de terechtzitting aangevangen, dan kan, verzuim van vormen bij het voorbereidende onderzoek niet meer tot nietigheid leiden.
@@ -3620,7 +3620,7 @@
5. Vervallen.
6. De personen, bedoeld in [artikel 51e, tweede lid, eerste volzin, derde, vijfde of zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Eerste&artikel=51e&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kunnen de voorzitter verzoeken of het hen toegekende spreekrecht mag worden uitgeoefend door hun raadsman of een daartoe bijzondere gemachtigde. Indien meer dan drie nabestaanden bedoeld onder 51e, vierde lid, onder b, hebben meegedeeld dat zij van hun spreekrecht gebruik willen maken, en zij het onderling niet eens kunnen worden over wie van hen het woord zal voeren, beslist de voorzitter welke drie personen van het spreekrecht gebruik kunnen maken.
6. De personen, bedoeld in [artikel 51e, tweede lid, eerste volzin, derde, vijfde of zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Eerste&artikel=51e&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kunnen de voorzitter verzoeken of het hen toegekende spreekrecht mag worden uitgeoefend door hun raadsman of een daartoe bijzondere gemachtigde. Indien meer dan drie nabestaanden bedoeld onder 51e, vierde lid, onder b, hebben meegedeeld dat zij van hun spreekrecht gebruik willen maken, en zij het onderling niet eens kunnen worden over wie van hen het woord zal voeren, beslist de voorzitter welke drie personen van het spreekrecht gebruik kunnen maken.
##### Artikel 259
@@ -3630,11 +3630,11 @@
1. De officier van justitie is bevoegd getuigen, slachtoffers of hun nabestaanden, deskundigen en tolken ter terechtzitting schriftelijk te doen oproepen. Een tolk wordt in ieder geval opgeroepen, indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst.
2. Indien de personen, bedoeld in [artikel 51e, tweede lid, eerste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Eerste&artikel=51e&z=2014-07-01&g=2014-07-01), of een nabestaande als bedoeld in artikel 51e, derde en vierde lid, en degenen die te kennen hebben gegeven gebruik te willen maken van het spreekrecht op grond van artikel 51e, zesde en zevende lid, schriftelijk verzoeken om oproeping voor de uitoefening van het spreekrecht, geeft de officier van justitie daaraan gehoor.
3. Bij de dagvaarding van de verdachte wordt opgave gedaan van de naam, het beroep en de woon- of verblijfplaats, of bij onbekendheid daarvan de aanduiding van de getuigen en deskundigen die door de officier van justitie zijn opgeroepen. Ook van de oproeping van het slachtoffer of een nabestaande voor de uitoefening van het spreekrecht, van de benadeelde partij voor zover dit nog niet op de voet van [artikel 51g, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Tweede&artikel=51g&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is geschied en van een tolk wordt opgave gedaan.
4. Aan de verdachte wordt daarbij kenbaar gemaakt dat hij het recht heeft getuigen en deskundigen schriftelijk te doen oproepen of op de terechtzitting mede te brengen; hij wordt daarbij tevens opmerkzaam gemaakt op de voorschriften van de [artikelen 262, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=262&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [263, eerste, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=263&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [278, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=278&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
2. Indien de personen, bedoeld in [artikel 51e, tweede lid, eerste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Eerste&artikel=51e&z=2014-11-01&g=2014-11-01), of een nabestaande als bedoeld in artikel 51e, derde en vierde lid, en degenen die te kennen hebben gegeven gebruik te willen maken van het spreekrecht op grond van artikel 51e, zesde en zevende lid, schriftelijk verzoeken om oproeping voor de uitoefening van het spreekrecht, geeft de officier van justitie daaraan gehoor.
3. Bij de dagvaarding van de verdachte wordt opgave gedaan van de naam, het beroep en de woon- of verblijfplaats, of bij onbekendheid daarvan de aanduiding van de getuigen en deskundigen die door de officier van justitie zijn opgeroepen. Ook van de oproeping van het slachtoffer of een nabestaande voor de uitoefening van het spreekrecht, van de benadeelde partij voor zover dit nog niet op de voet van [artikel 51g, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Tweede&artikel=51g&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is geschied en van een tolk wordt opgave gedaan.
4. Aan de verdachte wordt daarbij kenbaar gemaakt dat hij het recht heeft getuigen en deskundigen schriftelijk te doen oproepen of op de terechtzitting mede te brengen; hij wordt daarbij tevens opmerkzaam gemaakt op de voorschriften van de [artikelen 262, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=262&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [263, eerste, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=263&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [278, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=278&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
5. Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt hem onverwijld een schriftelijke vertaling van de dagvaarding verstrekt dan wel wordt hem in een voor hem begrijpelijke taal schriftelijk mededeling gedaan van de plaats, datum en het tijdstip waarop de verdachte ter terechtzitting moet verschijnen alsmede een korte omschrijving van het feit en de mededelingen, bedoeld in het derde lid, tweede volzin, en het vierde lid.
@@ -3646,15 +3646,15 @@
2. Zij behelst tevens de vermelding van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan.
3. Wanneer de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt krachtens een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding waarvan de geldigheidsduur niet meer kan worden verlengd op grond van [artikel 66, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=66&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan voor de opgave van het feit worden volstaan met de omschrijving die in dat bevel is gegeven.
3. Wanneer de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt krachtens een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding waarvan de geldigheidsduur niet meer kan worden verlengd op grond van [artikel 66, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=66&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan voor de opgave van het feit worden volstaan met de omschrijving die in dat bevel is gegeven.
##### Artikel 262
1. Tegen de dagvaarding kan de verdachte binnen acht dagen na de betekening een bezwaarschrift indienen bij de rechtbank.
2. Zolang de in het eerste lid gestelde termijn niet is verstreken, kan de rechtbank alleen met toestemming van de verdachte het onderzoek op de terechtzitting een aanvang doen nemen. Door het geven van toestemming doet de verdachte tevens afstand van het recht om een bezwaarschrift in te dienen. In het andere geval stelt de rechtbank de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting voor bepaalde of onbepaalde tijd uit. Behoudens ingeval de verdachte ten aanzien van de gehele tenlastelegging buiten vervolging is gesteld, wordt de verdachte, met verwijzing naar de inhoud van de dagvaarding, opgeroepen en worden de getuigen, deskundigen en tolken opnieuw gedagvaard of opgeroepen voor de dag van de terechtzitting bepaald, zodra op het gehele bezwaarschrift onherroepelijk is beslist. De [artikelen 263](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=263&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [265](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=265&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
3. De rechtbank kan, alvorens te beslissen, door de rechter-commissaris een onderzoek doen instellen en zich de daartoe betrekkelijke stukken doen overleggen. Dit onderzoek wordt overeenkomstig de bepalingen van de [tweede tot en met de vijfde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [zevende afdeling van de Derde Titel van dit Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Zevende&z=2014-07-01&g=2014-07-01) gevoerd.
2. Zolang de in het eerste lid gestelde termijn niet is verstreken, kan de rechtbank alleen met toestemming van de verdachte het onderzoek op de terechtzitting een aanvang doen nemen. Door het geven van toestemming doet de verdachte tevens afstand van het recht om een bezwaarschrift in te dienen. In het andere geval stelt de rechtbank de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting voor bepaalde of onbepaalde tijd uit. Behoudens ingeval de verdachte ten aanzien van de gehele tenlastelegging buiten vervolging is gesteld, wordt de verdachte, met verwijzing naar de inhoud van de dagvaarding, opgeroepen en worden de getuigen, deskundigen en tolken opnieuw gedagvaard of opgeroepen voor de dag van de terechtzitting bepaald, zodra op het gehele bezwaarschrift onherroepelijk is beslist. De [artikelen 263](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=263&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [265](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=265&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
3. De rechtbank kan, alvorens te beslissen, door de rechter-commissaris een onderzoek doen instellen en zich de daartoe betrekkelijke stukken doen overleggen. Dit onderzoek wordt overeenkomstig de bepalingen van de [tweede tot en met de vijfde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [zevende afdeling van de Derde Titel van dit Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Zevende&z=2014-11-01&g=2014-11-01) gevoerd.
4. Indien het feit niet tot de kennisneming der rechtbank behoort, verklaart zij zich onbevoegd.
@@ -3696,9 +3696,9 @@
##### Artikel 265
1. Tussen de dag waarop de dagvaarding aan de verdachte is betekend en die der terechtzitting moet een termijn van ten minste tien dagen verlopen. Ingeval door de rechter-commissaris overeenkomstig de [Zevende Titel van het Vierde Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VII&z=2014-07-01&g=2014-07-01) bevelen tot handhaving van de openbare orde zijn gegeven moet een termijn van ten minste vier dagen verlopen.
2. Geschiedt de betekening van de dagvaarding op de wijze als is voorzien in [artikel 587, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=587&z=2014-07-01&g=2014-07-01), dan kan de verdachte in de akte van uitreiking een verklaring, houdende zijn toestemming tot verkorting van deze termijnen, doen opnemen; hij moet de verklaring tekenen; indien hij niet kan tekenen wordt de oorzaak van het beletsel in de akte vermeld.
1. Tussen de dag waarop de dagvaarding aan de verdachte is betekend en die der terechtzitting moet een termijn van ten minste tien dagen verlopen. Ingeval door de rechter-commissaris overeenkomstig de [Zevende Titel van het Vierde Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VII&z=2014-11-01&g=2014-11-01) bevelen tot handhaving van de openbare orde zijn gegeven moet een termijn van ten minste vier dagen verlopen.
2. Geschiedt de betekening van de dagvaarding op de wijze als is voorzien in [artikel 587, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=587&z=2014-11-01&g=2014-11-01), dan kan de verdachte in de akte van uitreiking een verklaring, houdende zijn toestemming tot verkorting van deze termijnen, doen opnemen; hij moet de verklaring tekenen; indien hij niet kan tekenen wordt de oorzaak van het beletsel in de akte vermeld.
3. Bij gebreke van het een of ander schorst de rechtbank het onderzoek, tenzij de verdachte is verschenen. Is dit laatste het geval en verzoekt de verdachte in het belang van zijn verdediging uitstel, dan schorst de rechtbank het onderzoek voor bepaalde tijd, tenzij zij bij met redenen omklede beslissing van oordeel is dat de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging kan worden geschaad wanneer het onderzoek wordt voortgezet.
@@ -3708,11 +3708,11 @@
2. De officier van justitie draagt zorg dat de gedagvaarde getuigen en deskundigen tijdig schriftelijk met de intrekking worden bekend gemaakt.
3. Wordt bij of na de intrekking der dagvaarding van verdere vervolging afgezien, dan doet de officier van justitie den verdachte onverwijld kennis geven dat hij hem ter zake van het feit waarop de dagvaarding betrekking had, niet verder zal vervolgen. De [artikelen 246](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=IV&artikel=246&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [247](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=IV&artikel=247&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [255](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=IV&artikel=255&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van toepassing.
3. Wordt bij of na de intrekking der dagvaarding van verdere vervolging afgezien, dan doet de officier van justitie den verdachte onverwijld kennis geven dat hij hem ter zake van het feit waarop de dagvaarding betrekking had, niet verder zal vervolgen. De [artikelen 246](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=IV&artikel=246&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [247](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=IV&artikel=247&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [255](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=IV&artikel=255&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van toepassing.
##### Artikel 267
1. Indien de dagvaarding is ingetrokken, zonder dat den verdachte eene kennisgeving van niet verdere vervolging is beteekend, stelt de rechtbank, op het verzoek van den verdachte, den officier van justitie een termijn binnen welken hetzij tot dagvaarding, hetzij tot kennisgeving van niet verdere vervolging moet worden overgegaan. [Artikel 255, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=IV&artikel=255&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van toepassing.
1. Indien de dagvaarding is ingetrokken, zonder dat den verdachte eene kennisgeving van niet verdere vervolging is beteekend, stelt de rechtbank, op het verzoek van den verdachte, den officier van justitie een termijn binnen welken hetzij tot dagvaarding, hetzij tot kennisgeving van niet verdere vervolging moet worden overgegaan. [Artikel 255, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=IV&artikel=255&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van toepassing.
2. De termijn kan op de vordering van den officier van justitie door de rechtbank telkens voor een bepaalden tijd worden verlengd.
@@ -3724,7 +3724,7 @@
1. Strafzaken worden behandeld en beslist door een meervoudige kamer, behoudens in de wet genoemde uitzonderingen.
2. De rechter die als rechter-commissaris enig onderzoek in de zaak heeft verricht, neemt, behoudens bij toepassing van [artikel 316, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=316&z=2014-07-01&g=2014-07-01), op straffe van nietigheid aan het onderzoek op de terechtzitting geen deel.
2. De rechter die als rechter-commissaris enig onderzoek in de zaak heeft verricht, neemt, behoudens bij toepassing van [artikel 316, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=316&z=2014-11-01&g=2014-11-01), op straffe van nietigheid aan het onderzoek op de terechtzitting geen deel.
3. Behalve de rechters en de griffier neemt aan de tafel der rechtbank niemand plaats.
@@ -3732,13 +3732,13 @@
1. Het onderzoek ter terechtzitting geschiedt in het openbaar. Vanaf het uitroepen van de zaak kan de rechtbank gehele of gedeeltelijke behandeling met gesloten deuren bevelen. Dit bevel kan worden gegeven in het belang van de goede zeden, de openbare orde, de veiligheid van de staat, alsmede indien de belangen van minderjarigen, of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, andere procesdeelnemers of anderszins bij de zaak betrokkenen dit eisen. Een dergelijk bevel kan ook worden gegeven, indien de openbaarheid naar het oordeel van de rechtbank het belang van een goede rechtspleging ernstig zou schaden.
2. Een bevel als bedoeld in het eerste lid, wordt door de rechtbank ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte of andere procesdeelnemers gegeven. De rechtbank geeft het bevel niet dan na het openbaar ministerie, de verdachte en andere procesdeelnemers, zo nodig met gesloten deuren, hieromtrent te hebben gehoord. [Artikel 22, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Zesde&artikel=22&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
2. Een bevel als bedoeld in het eerste lid, wordt door de rechtbank ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte of andere procesdeelnemers gegeven. De rechtbank geeft het bevel niet dan na het openbaar ministerie, de verdachte en andere procesdeelnemers, zo nodig met gesloten deuren, hieromtrent te hebben gehoord. [Artikel 22, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Zesde&artikel=22&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
3. De beslissing tot het geven van het bevel, bedoeld in het eerste lid, wordt met redenen omkleed in het proces-verbaal van de terechtzitting vermeld.
4. Tot bijwoning van de niet openbare terechtzitting kan de voorzitter bijzondere toegang verlenen.
5. Tot bijwoning van een openbare terechtzitting worden, tenzij in bijzondere gevallen ter beoordeling van de voorzitter, als toehoorders niet toegelaten personen die de leeftijd van twaalf jaar nog niet hebben bereikt. De voorzitter heeft de bevoegdheid om toehoorders niet toe te laten, indien deze de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met uitzondering van slachtoffers van twaalf tot achttien jaar van het tenlastegelegde feit als bedoeld in [artikel 51e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Eerste&artikel=51e&z=2014-07-01&g=2014-07-01), die de terechtzitting wensen bij te wonen.
5. Tot bijwoning van een openbare terechtzitting worden, tenzij in bijzondere gevallen ter beoordeling van de voorzitter, als toehoorders niet toegelaten personen die de leeftijd van twaalf jaar nog niet hebben bereikt. De voorzitter heeft de bevoegdheid om toehoorders niet toe te laten, indien deze de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met uitzondering van slachtoffers van twaalf tot achttien jaar van het tenlastegelegde feit als bedoeld in [artikel 51e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Eerste&artikel=51e&z=2014-11-01&g=2014-11-01), die de terechtzitting wensen bij te wonen.
##### Artikel 270
@@ -3760,11 +3760,11 @@
##### Artikel 273
1. De voorzitter begint het onderzoek tegen de verdachte door de identiteit van de verdachte vast te stellen op de wijze, bedoeld in [artikel 27a, eerste lid, eerste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=27a&z=2014-07-01&g=2014-07-01). De voorzitter is tevens bevoegd de identiteit van de verdachte vast te stellen op de wijze, bedoeld in [artikel 27a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=27a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), indien over zijn identiteit twijfel bestaat.
1. De voorzitter begint het onderzoek tegen de verdachte door de identiteit van de verdachte vast te stellen op de wijze, bedoeld in [artikel 27a, eerste lid, eerste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=27a&z=2014-11-01&g=2014-11-01). De voorzitter is tevens bevoegd de identiteit van de verdachte vast te stellen op de wijze, bedoeld in [artikel 27a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=27a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), indien over zijn identiteit twijfel bestaat.
2. De voorzitter vermaant de verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en deelt hem mee dat hij niet tot antwoorden verplicht is.
3. Indien de verdachte de orde op de terechtzitting verstoort en vruchteloos door de voorzitter is gewaarschuwd, kan de voorzitter zijn verwijdering uit de zittingzaal bevelen en, zo nodig, bepalen dat hij gedurende het geheel of een gedeelte van de zitting in verzekering wordt gesteld. De behandeling van de zaak wordt op tegenspraak voortgezet. [Artikel 124, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Vierde&artikel=124&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van toepassing.
3. Indien de verdachte de orde op de terechtzitting verstoort en vruchteloos door de voorzitter is gewaarschuwd, kan de voorzitter zijn verwijdering uit de zittingzaal bevelen en, zo nodig, bepalen dat hij gedurende het geheel of een gedeelte van de zitting in verzekering wordt gesteld. De behandeling van de zaak wordt op tegenspraak voortgezet. [Artikel 124, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Vierde&artikel=124&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van toepassing.
##### Artikel 274
@@ -3772,7 +3772,7 @@
2. Indien de verdachte niet of slechts zeer gebrekkig kan spreken, wordt hij bijgestaan door een daartoe geschikte persoon als tolk dan wel geschieden de antwoorden schriftelijk. In het laatstgenoemde geval deelt de voorzitter de schriftelijke antwoorden mondeling mee.
3. De [artikelen 275](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=275&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [276](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=276&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
3. De [artikelen 275](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=275&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [276](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=276&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 275
@@ -3804,15 +3804,15 @@
1. De rechtbank onderzoekt de geldigheid van de uitreiking van de dagvaarding aan de niet verschenen verdachte. Indien blijkt dat deze niet op geldige wijze is uitgereikt, spreekt zij de nietigheid van de dagvaarding uit.
2. In geval de rechtbank het wenselijk acht dat de verdachte bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting aanwezig is, beveelt zij dat de verdachte in persoon zal verschijnen; zij kan daartoe tevens zijn medebrenging gelasten. In het geval, bedoeld in [artikel 260, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=260&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is [artikel 495a, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=II&afdeling=Tweede&artikel=495a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), van overeenkomstige toepassing.
3. Indien de verdachte heeft meegedeeld dat hij zijn verdediging in persoon wil voeren en hij om uitstel van de behandeling van zijn zaak heeft verzocht, beslist de rechtbank op het verzoek om uitstel. De rechtbank willigt het verzoek om uitstel in of wijst het af, waarna in het laatste geval het onderzoek met inachtneming van [artikel 280, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=280&z=2014-07-01&g=2014-07-01), wordt voortgezet.
2. In geval de rechtbank het wenselijk acht dat de verdachte bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting aanwezig is, beveelt zij dat de verdachte in persoon zal verschijnen; zij kan daartoe tevens zijn medebrenging gelasten. In het geval, bedoeld in [artikel 260, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=260&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is [artikel 495a, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=II&afdeling=Tweede&artikel=495a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), van overeenkomstige toepassing.
3. Indien de verdachte heeft meegedeeld dat hij zijn verdediging in persoon wil voeren en hij om uitstel van de behandeling van zijn zaak heeft verzocht, beslist de rechtbank op het verzoek om uitstel. De rechtbank willigt het verzoek om uitstel in of wijst het af, waarna in het laatste geval het onderzoek met inachtneming van [artikel 280, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=280&z=2014-11-01&g=2014-11-01), wordt voortgezet.
4. Bij toepassing van het tweede lid of inwilliging van het verzoek, bedoeld in het derde lid, beveelt de rechtbank de schorsing van het onderzoek en de oproeping van de verdachte tegen het tijdstip van hervatting van het onderzoek.
##### Artikel 279
1. De verdachte die niet is verschenen, kan zich ter terechtzitting laten verdedigen door een advocaat die verklaart daartoe uitdrukkelijk te zijn gemachtigd. De rechtbank stemt daarmee in, onverminderd het bepaalde in [artikel 278, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=278&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
1. De verdachte die niet is verschenen, kan zich ter terechtzitting laten verdedigen door een advocaat die verklaart daartoe uitdrukkelijk te zijn gemachtigd. De rechtbank stemt daarmee in, onverminderd het bepaalde in [artikel 278, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=278&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
2. De behandeling van de zaak tegen de verdachte die zijn advocaat tot zijn verdediging heeft gemachtigd, geldt als een procedure op tegenspraak.
@@ -3820,13 +3820,13 @@
1. In het geval dat de verdachte niet op de terechtzitting verschijnt en de rechtbank geen aanleiding ziet voor
- a. het nietig verklaren van de dagvaarding op grond van [artikel 278, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=278&z=2014-07-01&g=2014-07-01) of
- b. het verlenen van een bevel tot medebrenging van de verdachte, bedoeld in [artikel 278, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=278&z=2014-07-01&g=2014-07-01),
- **beveelt** zij dat tegen de verdachte verstek wordt verleend en dat de behandeling van de zaak buiten zijn aanwezigheid wordt voortgezet, tenzij zij heeft ingestemd met verdediging op de voet van [artikel 279](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=279&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
2. De rechtbank verklaart het verstek vervallen, indien de verdachte alsnog op de terechtzitting of na de hervatting daarvan in persoon verschijnt of zich alsnog laat verdedigen met inachtneming van [artikel 279, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=279&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
- a. het nietig verklaren van de dagvaarding op grond van [artikel 278, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=278&z=2014-11-01&g=2014-11-01) of
- b. het verlenen van een bevel tot medebrenging van de verdachte, bedoeld in [artikel 278, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=278&z=2014-11-01&g=2014-11-01),
- **beveelt** zij dat tegen de verdachte verstek wordt verleend en dat de behandeling van de zaak buiten zijn aanwezigheid wordt voortgezet, tenzij zij heeft ingestemd met verdediging op de voet van [artikel 279](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=279&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
2. De rechtbank verklaart het verstek vervallen, indien de verdachte alsnog op de terechtzitting of na de hervatting daarvan in persoon verschijnt of zich alsnog laat verdedigen met inachtneming van [artikel 279, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=279&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
3. Bij toepassing van het tweede lid, wordt het onderzoek opnieuw aangevangen, met dien verstande dat de rechtbank kan bepalen dat bepaalde onderzoekshandelingen niet opnieuw zullen plaats vinden.
@@ -3842,9 +3842,9 @@
3. De redenen voor schorsing worden in het proces-verbaal van de terechtzitting vermeld.
4. In geval van schorsing wordt er een proces-verbaal opgemaakt dat aan de eisen van [artikel 326](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=326&z=2014-07-01&g=2014-07-01) voldoet.
5. Bij hervatting van het onderzoek zijn de [artikelen 319 tot en met 322](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=319&z=2014-07-01&g=2014-07-01) van toepassing.
4. In geval van schorsing wordt er een proces-verbaal opgemaakt dat aan de eisen van [artikel 326](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=326&z=2014-11-01&g=2014-11-01) voldoet.
5. Bij hervatting van het onderzoek zijn de [artikelen 319 tot en met 322](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=319&z=2014-11-01&g=2014-11-01) van toepassing.
##### Artikel 282
@@ -3854,11 +3854,11 @@
3. Schorst de rechtbank het onderzoek op de terechtzitting voor onbepaalde tijd, dan stelt zij met overeenkomstige toepassing van het tweede lid, een uiterste termijn, waarbinnen het onderzoek moet worden hervat.
4. Wanneer de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt krachtens een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding waarvan de geldigheidsduur niet meer kan worden verlengd op grond van [artikel 66, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=66&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan de officier van justitie schorsing van het onderzoek op de terechtzitting vorderen, mits hij het voornemen daartoe aan de verdachte kenbaar heeft gemaakt bij de dagvaarding.
4. Wanneer de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt krachtens een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding waarvan de geldigheidsduur niet meer kan worden verlengd op grond van [artikel 66, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=66&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan de officier van justitie schorsing van het onderzoek op de terechtzitting vorderen, mits hij het voornemen daartoe aan de verdachte kenbaar heeft gemaakt bij de dagvaarding.
##### Artikel 283
1. In de gevallen waarin van nietigheid van de dagvaarding, onbevoegdheid van de rechtbank of niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie zonder onderzoek van de zaak zelf kan blijken, is de verdachte bevoegd dit verweer reeds dadelijk na de ondervraging bedoeld in [artikel 273](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=273&z=2014-07-01&g=2014-07-01), voor te dragen en toe te lichten.
1. In de gevallen waarin van nietigheid van de dagvaarding, onbevoegdheid van de rechtbank of niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie zonder onderzoek van de zaak zelf kan blijken, is de verdachte bevoegd dit verweer reeds dadelijk na de ondervraging bedoeld in [artikel 273](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=273&z=2014-11-01&g=2014-11-01), voor te dragen en toe te lichten.
2. De officier van justitie kan daarop antwoorden.
@@ -3874,7 +3874,7 @@
1. De officier van justitie draagt de zaak voor.
2. Indien de officier van justitie, hetzij naar aanleiding van een verweer bedoeld in [artikel 283, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=283&z=2014-07-01&g=2014-07-01), hetzij gehoord door de rechtbank ingevolge [artikel 283, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=283&z=2014-07-01&g=2014-07-01), van oordeel is dat de telastlegging behoort te worden gewijzigd, zijn de [artikelen 313](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=313&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [314](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=314&z=2014-07-01&g=2014-07-01) van toepassing.
2. Indien de officier van justitie, hetzij naar aanleiding van een verweer bedoeld in [artikel 283, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=283&z=2014-11-01&g=2014-11-01), hetzij gehoord door de rechtbank ingevolge [artikel 283, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=283&z=2014-11-01&g=2014-11-01), van oordeel is dat de telastlegging behoort te worden gewijzigd, zijn de [artikelen 313](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=313&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [314](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=314&z=2014-11-01&g=2014-11-01) van toepassing.
##### Artikel 285
@@ -3894,7 +3894,7 @@
4. Gedurende de verdere loop van het onderzoek kunnen aan de verdachte door de voorzitter, de rechters, de officier van justitie, de raadsman en de medeverdachte vragen worden gesteld.
5. [Artikel 293](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=293&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is van overeenkomstige toepassing.
5. [Artikel 293](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=293&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is van overeenkomstige toepassing.
6. Bij het verhoor van de verdachte wordt zo veel mogelijk onderzocht, of zijn verklaring op eigen wetenschap berust.
@@ -3902,19 +3902,19 @@
1. De voorzitter stelt vast welke personen, al dan niet daartoe opgeroepen, als getuige ter terechtzitting zijn verschenen.
2. De verschenen getuigen worden gehoord, tenzij daarvan wordt afgezien met toestemming van de officier van justitie en van de verdachte dan wel op de gronden genoemd in [artikel 288, eerste lid, onder b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=288&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
2. De verschenen getuigen worden gehoord, tenzij daarvan wordt afgezien met toestemming van de officier van justitie en van de verdachte dan wel op de gronden genoemd in [artikel 288, eerste lid, onder b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=288&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
3. Ten aanzien van de niet verschenen getuigen beveelt de rechtbank:
- a. de oproeping, indien de oproeping door de officier van justitie is verzuimd of op de voet van [artikel 264, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=264&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is geweigerd en de verdachte hierom verzoekt of de rechtbank oproeping wenselijk oordeelt;
- a. de oproeping, indien de oproeping door de officier van justitie is verzuimd of op de voet van [artikel 264, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=264&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is geweigerd en de verdachte hierom verzoekt of de rechtbank oproeping wenselijk oordeelt;
- b. de hernieuwde oproeping, indien de getuige aan de eerdere oproeping geen gevolg heeft gegeven. De rechtbank kan daarbij tevens zijn medebrenging gelasten.
4. Bij het horen van getuigen zijn de [artikelen 274 tot en met 276, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=274&z=2014-07-01&g=2014-07-01), van overeenkomstige toepassing.
4. Bij het horen van getuigen zijn de [artikelen 274 tot en met 276, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=274&z=2014-11-01&g=2014-11-01), van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 288
1. De rechtbank kan van de oproeping van niet verschenen getuigen als bedoeld in [artikel 287, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=287&z=2014-07-01&g=2014-07-01), bij met redenen omklede beslissing afzien, indien zij van oordeel is dat:
1. De rechtbank kan van de oproeping van niet verschenen getuigen als bedoeld in [artikel 287, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=287&z=2014-11-01&g=2014-11-01), bij met redenen omklede beslissing afzien, indien zij van oordeel is dat:
- a. het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen;
@@ -3922,11 +3922,11 @@
- c. redelijkerwijs valt aan te nemen dat daardoor het openbaar ministerie niet in zijn vervolging of de verdachte in zijn verdediging wordt geschaad.
2. Indien de officier van justitie op grond van [artikel 264, tweede lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=264&z=2014-07-01&g=2014-07-01), heeft geweigerd een door de verdachte opgegeven getuige te doen oproepen of een door de rechtbank gegeven bevel tot oproeping van een getuige ten uitvoer te leggen en ten aanzien van die getuige geen beschikking op grond van [artikel 226a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_A&artikel=226a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), of [226n, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_E&artikel=226n&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is gegeven, stelt de rechtbank de stukken in handen van de rechter-commissaris teneinde de getuige te doen verhoren. In geval van een door de verdachte opgegeven getuige blijft de vorige volzin buiten toepassing, indien de rechtbank bij met redenen omklede beslissing van oordeel is dat door het achterwege blijven van het verhoor de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging is geschaad. De officier van justitie dient onmiddellijk nadat de stukken in handen van de rechter-commissaris zijn gesteld, de vordering, bedoeld in [artikel 226a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_A&artikel=226a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), of [artikel 226m, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_E&artikel=226m&z=2014-07-01&g=2014-07-01), in. [Artikel 316](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=316&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is van overeenkomstige toepassing.
2. Indien de officier van justitie op grond van [artikel 264, tweede lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=264&z=2014-11-01&g=2014-11-01), heeft geweigerd een door de verdachte opgegeven getuige te doen oproepen of een door de rechtbank gegeven bevel tot oproeping van een getuige ten uitvoer te leggen en ten aanzien van die getuige geen beschikking op grond van [artikel 226a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_A&artikel=226a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), of [226n, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_E&artikel=226n&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is gegeven, stelt de rechtbank de stukken in handen van de rechter-commissaris teneinde de getuige te doen verhoren. In geval van een door de verdachte opgegeven getuige blijft de vorige volzin buiten toepassing, indien de rechtbank bij met redenen omklede beslissing van oordeel is dat door het achterwege blijven van het verhoor de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging is geschaad. De officier van justitie dient onmiddellijk nadat de stukken in handen van de rechter-commissaris zijn gesteld, de vordering, bedoeld in [artikel 226a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_A&artikel=226a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), of [artikel 226m, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_E&artikel=226m&z=2014-11-01&g=2014-11-01), in. [Artikel 316](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=316&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is van overeenkomstige toepassing.
3. De rechtbank kan voorts van de oproeping of hernieuwde oproeping van niet verschenen getuigen afzien, indien de officier van justitie en de verdachte daarmee uitdrukkelijk instemmen of hebben ingestemd.
4. [Artikel 226](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=226&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is van overeenkomstige toepassing.
4. [Artikel 226](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=226&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 289
@@ -3940,19 +3940,19 @@
- b. kennis nemen van eerder ter terechtzitting afgelegde verklaringen van andere getuigen en de verdachte.
4. De voorzitter bepaalt met inachtneming van [artikel 292, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=292&z=2014-07-01&g=2014-07-01), in welke volgorde de getuigen worden gehoord.
4. De voorzitter bepaalt met inachtneming van [artikel 292, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=292&z=2014-11-01&g=2014-11-01), in welke volgorde de getuigen worden gehoord.
##### Artikel 290
1. De voorzitter stelt voorafgaand aan het verhoor de identiteit van de getuige vast op de wijze, bedoeld in [artikel 27a, eerste lid, eerste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=27a&z=2014-07-01&g=2014-07-01). De voorzitter is tevens bevoegd de identiteit van de getuige vast te stellen op de wijze, bedoeld in [artikel 27a, eerste lid, tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=27a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), indien over zijn identiteit twijfel bestaat. [Artikel 29a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=29a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is ten aanzien van de getuige van overeenkomstige toepassing.
1. De voorzitter stelt voorafgaand aan het verhoor de identiteit van de getuige vast op de wijze, bedoeld in [artikel 27a, eerste lid, eerste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=27a&z=2014-11-01&g=2014-11-01). De voorzitter is tevens bevoegd de identiteit van de getuige vast te stellen op de wijze, bedoeld in [artikel 27a, eerste lid, tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=27a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), indien over zijn identiteit twijfel bestaat. [Artikel 29a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=29a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is ten aanzien van de getuige van overeenkomstige toepassing.
2. De voorzitter vraagt de getuige naar zijn beroep en of hij bloed- of aanverwant is van de verdachte en zo ja, in welke graad.
3. Indien er gegrond vermoeden bestaat dat de getuige in verband met het afleggen van zijn verklaring overlast zal ondervinden of in de uitoefening van zijn beroep zal worden belemmerd, kan de rechtbank bepalen dat het vragen naar een gegeven als bedoeld in het eerste of tweede lid, door de voorzitter achterwege zal worden gelaten. De rechtbank neemt de maatregelen die redelijkerwijs nodig zijn om de onthulling van dit gegeven te voorkomen.
4. De voorzitter beëdigt daarna de getuige dat hij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen. [Artikel 216a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=216a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) betreffende de vervanging van de beëdiging door een aanmaning is van overeenkomstige toepassing.
5. De [artikelen 217 tot en met 220](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=217&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
4. De voorzitter beëdigt daarna de getuige dat hij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen. [Artikel 216a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=216a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) betreffende de vervanging van de beëdiging door een aanmaning is van overeenkomstige toepassing.
5. De [artikelen 217 tot en met 220](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=217&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 291
@@ -3984,9 +3984,9 @@
3. Het bevel tot gijzeling is niet langer dan dertig dagen geldig; de rechtbank beveelt tevens op welk tijdstip de getuige opnieuw aan haar wordt voorgeleid. Tegen het bevel is geen rechtsmiddel toegelaten.
4. De rechtbank gelast het ontslag van de getuige uit de gijzeling, zodra hij aan zijn verplichtingen heeft voldaan of het onderzoek op de terechtzitting is gesloten. Zij is echter bevoegd het ontslag uit de gijzeling in elke stand van het onderzoek te bevelen, ook op verzoek van de getuige. [Artikel 223, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=223&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van toepassing.
5. De [artikelen 224](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=224&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [225](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=225&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van toepassing.
4. De rechtbank gelast het ontslag van de getuige uit de gijzeling, zodra hij aan zijn verplichtingen heeft voldaan of het onderzoek op de terechtzitting is gesloten. Zij is echter bevoegd het ontslag uit de gijzeling in elke stand van het onderzoek te bevelen, ook op verzoek van de getuige. [Artikel 223, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=223&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van toepassing.
5. De [artikelen 224](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=224&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [225](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=225&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van toepassing.
##### Artikel 295
@@ -3996,7 +3996,7 @@
3. De verklaring van de getuige wordt hem voorgelezen; daarna wordt hem gevraagd of hij bij zijn verklaring volhardt en zo ja, of hij deze wil ondertekenen. Bij gebreke van ondertekening vermeldt het proces-verbaal de weigering of de reden van verhindering.
4. De rechtbank kan tevens bevelen dat door de officier van justitie de vordering zal worden gedaan als bedoeld in [artikel 181](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=181&z=2014-07-01&g=2014-07-01), teneinde de rechter-commissaris bepaalde onderzoekshandelingen te laten verrichten.
4. De rechtbank kan tevens bevelen dat door de officier van justitie de vordering zal worden gedaan als bedoeld in [artikel 181](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=181&z=2014-11-01&g=2014-11-01), teneinde de rechter-commissaris bepaalde onderzoekshandelingen te laten verrichten.
5. Het proces-verbaal wordt door de rechtbank in handen gesteld van de officier van justitie.
@@ -4004,13 +4004,13 @@
1. Na het afleggen van zijn verklaring blijft de getuige in de zittingzaal, tenzij de rechtbank, met toestemming van de officier van justitie en de verdachte, hem vergunt zich te verwijderen, zo nodig met het bevel op een te bepalen tijdstip opnieuw aanwezig te zijn.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, is de toestemming van de verdachte niet vereist indien ten aanzien van de getuige het vermoeden bestaat, bedoeld in [artikel 290, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=290&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, is de toestemming van de verdachte niet vereist indien ten aanzien van de getuige het vermoeden bestaat, bedoeld in [artikel 290, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=290&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
##### Artikel 297
1. De rechtbank kan ambtshalve of op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte getuigen tegenover elkaar stellen.
2. De voorzitter kan, in afwijking van [artikel 296, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=296&z=2014-07-01&g=2014-07-01), bevelen dat na een afgelegde getuigenis een of meer getuigen de zittingzaal zullen verlaten en dat een of meer van hen opnieuw zullen worden binnengelaten teneinde hetzij afzonderlijk, hetzij in elkaars bijzijn, nogmaals te worden gehoord.
2. De voorzitter kan, in afwijking van [artikel 296, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=296&z=2014-11-01&g=2014-11-01), bevelen dat na een afgelegde getuigenis een of meer getuigen de zittingzaal zullen verlaten en dat een of meer van hen opnieuw zullen worden binnengelaten teneinde hetzij afzonderlijk, hetzij in elkaars bijzijn, nogmaals te worden gehoord.
3. De voorzitter kan bevelen dat op gelijke wijze als bedoeld in het tweede lid een of meer verdachten de zittingzaal zullen verlaten, opdat een getuige buiten hun tegenwoordigheid zal worden ondervraagd.
@@ -4022,7 +4022,7 @@
##### Artikel 299
Onverminderd [artikel 51m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIC&artikel=51m&z=2014-07-01&g=2014-07-01), zijn alle bepalingen in deze titel betreffende getuigen en hun verklaringen ook van toepassing ten aanzien van deskundigen en hun verklaringen.
Onverminderd [artikel 51m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIC&artikel=51m&z=2014-11-01&g=2014-11-01), zijn alle bepalingen in deze titel betreffende getuigen en hun verklaringen ook van toepassing ten aanzien van deskundigen en hun verklaringen.
##### Artikel 300
@@ -4048,11 +4048,11 @@
##### Artikel 303
1. De rechtbank hoort het slachtoffer, diens vertegenwoordiger op grond van [artikel 51e, zesde of zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Eerste&artikel=51e&z=2014-07-01&g=2014-07-01), of de nabestaande die op grond van [artikel 260, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=260&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is opgeroepen en verschenen.
2. [Artikel 258, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=258&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is na de aanvang van de terechtzitting van overeenkomstige toepassing.
3. De rechtbank kan bevelen dat het slachtoffer, diens vertegenwoordiger op grond van [artikel 51e, zesde of zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Eerste&artikel=51e&z=2014-07-01&g=2014-07-01), of diens nabestaande, indien deze na oproeping niet op de terechtzitting is verschenen, zal worden opgeroepen om op een nader te bepalen tijdstip op de terechtzitting te verschijnen. Indien deze ten tweede male niet op de terechtzitting verschijnt, kan de rechtbank van het horen van het slachtoffer diens vertegenwoordiger op grond van artikel 51e, zesde of zevende lid, of de nabestaande afzien.
1. De rechtbank hoort het slachtoffer, diens vertegenwoordiger op grond van [artikel 51e, zesde of zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Eerste&artikel=51e&z=2014-11-01&g=2014-11-01), of de nabestaande die op grond van [artikel 260, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=260&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is opgeroepen en verschenen.
2. [Artikel 258, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=258&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is na de aanvang van de terechtzitting van overeenkomstige toepassing.
3. De rechtbank kan bevelen dat het slachtoffer, diens vertegenwoordiger op grond van [artikel 51e, zesde of zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Eerste&artikel=51e&z=2014-11-01&g=2014-11-01), of diens nabestaande, indien deze na oproeping niet op de terechtzitting is verschenen, zal worden opgeroepen om op een nader te bepalen tijdstip op de terechtzitting te verschijnen. Indien deze ten tweede male niet op de terechtzitting verschijnt, kan de rechtbank van het horen van het slachtoffer diens vertegenwoordiger op grond van artikel 51e, zesde of zevende lid, of de nabestaande afzien.
##### Artikel 304
@@ -4076,17 +4076,17 @@
##### Artikel 309
1. De officier van justitie legt een lijst met op grond van [artikel 94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94&z=2014-07-01&g=2014-07-01) inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen over. Hij doet voorts mededeling van de opbrengst van de voorwerpen ten aanzien waarvan een machtiging op grond van [artikel 117, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=117&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is verleend.
1. De officier van justitie legt een lijst met op grond van [artikel 94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94&z=2014-11-01&g=2014-11-01) inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen over. Hij doet voorts mededeling van de opbrengst van de voorwerpen ten aanzien waarvan een machtiging op grond van [artikel 117, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=117&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is verleend.
2. De voorzitter toont zo nodig de voorwerpen die als stukken van overtuiging dienen, aan de verdachte en de getuigen en hoort hen daaromtrent.
##### Artikel 310
De rechtbank heeft gelijke bevoegdheid als in [artikel 147](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=147&z=2014-07-01&g=2014-07-01) aan het openbaar ministerie is toegekend. Zij oefent die uit hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van den officier van justitie of op verzoek van den verdachte. [Artikel 147, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=147&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
De rechtbank heeft gelijke bevoegdheid als in [artikel 147](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=147&z=2014-11-01&g=2014-11-01) aan het openbaar ministerie is toegekend. Zij oefent die uit hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van den officier van justitie of op verzoek van den verdachte. [Artikel 147, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=147&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 311
1. Nadat de ondervraging van de verdachte heeft plaatsgehad en de aanwezige getuigen en deskundigen zijn gehoord, kan de officier van justitie het woord voeren; hij legt zijn vordering na voorlezing aan de rechtbank over. De vordering omschrijft de straf en maatregel, indien oplegging daarvan wordt geëist; zij vermeldt in dat geval tevens welk strafbaar feit zou zijn begaan. De officier van justitie maakt, voor zover zulks aan de verdachte niet reeds eerder was gebleken, kenbaar of hij voornemens is een vordering als bedoeld in [artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=36e) aanhangig te maken, alsmede of daartoe een strafrechtelijk financieel onderzoek, als bedoeld in [artikel 126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Negende&artikel=126&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is ingesteld. Van deze mededeling van de officier van justitie wordt in het proces-verbaal van de terechtzitting aantekening gemaakt.
1. Nadat de ondervraging van de verdachte heeft plaatsgehad en de aanwezige getuigen en deskundigen zijn gehoord, kan de officier van justitie het woord voeren; hij legt zijn vordering na voorlezing aan de rechtbank over. De vordering omschrijft de straf en maatregel, indien oplegging daarvan wordt geëist; zij vermeldt in dat geval tevens welk strafbaar feit zou zijn begaan. De officier van justitie maakt, voor zover zulks aan de verdachte niet reeds eerder was gebleken, kenbaar of hij voornemens is een vordering als bedoeld in [artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=36e) aanhangig te maken, alsmede of daartoe een strafrechtelijk financieel onderzoek, als bedoeld in [artikel 126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Negende&artikel=126&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is ingesteld. Van deze mededeling van de officier van justitie wordt in het proces-verbaal van de terechtzitting aantekening gemaakt.
2. De verdachte kan hierop antwoorden.
@@ -4108,23 +4108,23 @@
##### Artikel 314
1. Indien de telastlegging overeenkomstig [artikel 313](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=313&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is gewijzigd, wordt aan de verdachte door de griffier een gewaarmerkt afschrift van de gewijzigde telastlegging op de terechtzitting verstrekt, tenzij de rechtbank oordeelt dat met de uitreiking van een door de griffier gewaarmerkt afschrift van de wijzigingen kan worden volstaan. Is tegen de verdachte verstek verleend, dan wordt het onderzoek op de gewijzigde telastlegging aanstonds voortgezet indien de verdachte door het achterwege laten van kennisgeving van de wijziging redelijkerwijze niet in zijn verdediging wordt geschaad. In het andere geval wordt de gewijzigde telastlegging hem zo spoedig mogelijk betekend. Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt hem in het laatstgenoemde geval tevens onverwijld een vertaling van de gewijzigde tenlastelegging verstrekt.
2. De rechtbank schorst het onderzoek zo nodig voor een bepaalde tijd; met toestemming van de verdachte of de raadsman die op grond van [artikel 279, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=279&z=2014-07-01&g=2014-07-01), tot de verdediging is toegelaten, kan het onderzoek echter aanstonds of na een korte onderbreking worden voortgezet.
1. Indien de telastlegging overeenkomstig [artikel 313](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=313&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is gewijzigd, wordt aan de verdachte door de griffier een gewaarmerkt afschrift van de gewijzigde telastlegging op de terechtzitting verstrekt, tenzij de rechtbank oordeelt dat met de uitreiking van een door de griffier gewaarmerkt afschrift van de wijzigingen kan worden volstaan. Is tegen de verdachte verstek verleend, dan wordt het onderzoek op de gewijzigde telastlegging aanstonds voortgezet indien de verdachte door het achterwege laten van kennisgeving van de wijziging redelijkerwijze niet in zijn verdediging wordt geschaad. In het andere geval wordt de gewijzigde telastlegging hem zo spoedig mogelijk betekend. Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt hem in het laatstgenoemde geval tevens onverwijld een vertaling van de gewijzigde tenlastelegging verstrekt.
2. De rechtbank schorst het onderzoek zo nodig voor een bepaalde tijd; met toestemming van de verdachte of de raadsman die op grond van [artikel 279, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=279&z=2014-11-01&g=2014-11-01), tot de verdediging is toegelaten, kan het onderzoek echter aanstonds of na een korte onderbreking worden voortgezet.
##### Artikel 314a
1. Indien in de telastlegging voor de opgave van het feit is volstaan met een omschrijving als bedoeld in [artikel 257a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=IVa&afdeling=Eerste&artikel=257a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), of [artikel 261, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=261&z=2014-07-01&g=2014-07-01), wordt die opgave alsnog in overeenstemming gebracht met de in het [eerste en tweede lid van artikel 261](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=261&z=2014-07-01&g=2014-07-01) gestelde eisen.
2. De [artikelen 313](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=313&z=2014-07-01&g=2014-07-01), met uitzondering van de laatste volzin, en [314](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=314&z=2014-07-01&g=2014-07-01) vinden overeenkomstige toepassing.
1. Indien in de telastlegging voor de opgave van het feit is volstaan met een omschrijving als bedoeld in [artikel 257a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=IVa&afdeling=Eerste&artikel=257a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), of [artikel 261, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=261&z=2014-11-01&g=2014-11-01), wordt die opgave alsnog in overeenstemming gebracht met de in het [eerste en tweede lid van artikel 261](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=261&z=2014-11-01&g=2014-11-01) gestelde eisen.
2. De [artikelen 313](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=313&z=2014-11-01&g=2014-11-01), met uitzondering van de laatste volzin, en [314](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=314&z=2014-11-01&g=2014-11-01) vinden overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 315
1. Indien aan de rechtbank de noodzakelijkheid blijkt van het verhoor van op de terechtzitting nog niet gehoorde getuigen of van de overlegging van bescheiden of stukken van overtuiging, die niet op de terechtzitting aanwezig zijn, beveelt zij, zoo noodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging, tegen een door haar te bepalen tijdstip de dagvaarding of schriftelijke oproeping dier getuigen of de overlegging van die bescheiden of die stukken van overtuiging.
2. [Artikel 288, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=288&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing op het bevel tot oproeping van getuigen, als bedoeld in het eerste lid en het daarbij gevoegde bevel tot medebrenging.
3. Indien de rechtbank het noodzakelijk acht een nog niet op de terechtzitting gehoorde deskundige omtrent door hem uitgebrachte rapportage te horen, beveelt zij diens oproeping overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid. Indien de rechtbank een nieuwe deskundige onderzoek wenst op te dragen, benoemt zij, gehoord de officier van justitie en de verdachte, een deskundige en verleent zij hem de opdracht tot het uitbrengen van een schriftelijk verslag. De rechtbank kan de zaak, al dan niet met toepassing van [artikel 316, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=316&z=2014-07-01&g=2014-07-01), voorts in handen stellen van de rechter-commissaris.
2. [Artikel 288, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=288&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing op het bevel tot oproeping van getuigen, als bedoeld in het eerste lid en het daarbij gevoegde bevel tot medebrenging.
3. Indien de rechtbank het noodzakelijk acht een nog niet op de terechtzitting gehoorde deskundige omtrent door hem uitgebrachte rapportage te horen, beveelt zij diens oproeping overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid. Indien de rechtbank een nieuwe deskundige onderzoek wenst op te dragen, benoemt zij, gehoord de officier van justitie en de verdachte, een deskundige en verleent zij hem de opdracht tot het uitbrengen van een schriftelijk verslag. De rechtbank kan de zaak, al dan niet met toepassing van [artikel 316, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=316&z=2014-11-01&g=2014-11-01), voorts in handen stellen van de rechter-commissaris.
##### Artikel 316
@@ -4132,39 +4132,39 @@
2. In het geval het onderzoek uitsluitend zal bestaan in het horen van getuigen of het verlenen van een opdracht aan, het benoemen en horen van deskundigen kan de rechtbank de zaak verwijzen naar de rechter-commissaris dan wel, indien de officier van justitie en de verdachte daarmee instemmen, de voorzitter of een der rechters die over de zaak oordelen als rechter-commissaris aanwijzen. Deze rechter kan aan het verdere onderzoek ter terechtzitting deelnemen, tenzij bij het horen van getuigen of deskundigen is bepaald dat de verdachte of diens raadsman daar niet bij tegenwoordig mag zijn.
3. Het onderzoek wordt overeenkomstig de bepalingen van de [tweede tot en met de vijfde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [zevende afdeling van de Derde Titel van dit Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Zevende&z=2014-07-01&g=2014-07-01) gevoerd.
3. Het onderzoek wordt overeenkomstig de bepalingen van de [tweede tot en met de vijfde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [zevende afdeling van de Derde Titel van dit Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Zevende&z=2014-11-01&g=2014-11-01) gevoerd.
##### Artikel 317
1. Indien het noodzakelijk is dat een onderzoek naar de geestvermogens van de verdachte tegen wie voorlopige hechtenis is bevolen, wordt ingesteld en dit niet voldoende op een andere wijze kan plaatsvinden, beveelt de rechtbank bij een met redenen omklede beslissing dat de verdachte ter observatie zal worden overgebracht naar een in het bevel aan te duiden psychiatrisch ziekenhuis, bedoeld in [artikel 509f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Eerste&artikel=509f&z=2014-07-01&g=2014-07-01), of een inrichting tot klinische observatie bestemd.
1. Indien het noodzakelijk is dat een onderzoek naar de geestvermogens van de verdachte tegen wie voorlopige hechtenis is bevolen, wordt ingesteld en dit niet voldoende op een andere wijze kan plaatsvinden, beveelt de rechtbank bij een met redenen omklede beslissing dat de verdachte ter observatie zal worden overgebracht naar een in het bevel aan te duiden psychiatrisch ziekenhuis, bedoeld in [artikel 509f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Eerste&artikel=509f&z=2014-11-01&g=2014-11-01), of een inrichting tot klinische observatie bestemd.
2. Het bevel wordt niet gegeven dan nadat het oordeel van een of meer deskundigen is ingewonnen en de officier van justitie, de verdachte en zijn raadsman in de gelegenheid zijn gesteld om ter zake te worden gehoord.
3. [Artikel 198](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=198&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is van overeenkomstige toepassing.
3. [Artikel 198](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=198&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 318
1. Indien de rechtbank het houden van eene schouw of het hooren van getuigen of verdachten elders dan in de gehoorzaal noodzakelijk acht, kan zij te dien einde, met schorsing der zaak, bevelen dat de terechtzitting tijdelijk zal worden verplaatst.
2. De rechtbank is bevoegd daartoe met de personen door haar aangewezen elke plaats te betreden. [Artikel 146, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=146&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is te haren aanzien van toepassing.
2. De rechtbank is bevoegd daartoe met de personen door haar aangewezen elke plaats te betreden. [Artikel 146, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=146&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is te haren aanzien van toepassing.
3. De rechtbank is bevoegd, naar aanleiding van de gesteldheid der plaats waar de tijdelijke terechtzitting zal worden gehouden, de noodige voorschriften te geven voor de wijze van behandeling der zaak op die terechtzitting.
##### Artikel 319
1. In alle gevallen waarin het onderzoek wordt onderbroken of voor een bepaalde tijd geschorst, wordt door de voorzitter aan de verdachte, diens raadsman, het slachtoffer, diens vertegenwoordiger op grond van [artikel 51e, zesde of zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Eerste&artikel=51e&z=2014-07-01&g=2014-07-01), of de nabestaande, en aan de tolken, getuigen en deskundigen voor zover zij nog niet op de terechtzitting zijn gehoord, het tijdstip aangezegd, waarop zij bij de hervatting van het onderzoek op de terechtzitting aanwezig moeten zijn. Aan de aanwezige benadeelde partij wordt door de voorzitter het tijdstip aangezegd waarop het onderzoek ter terechtzitting zal worden hervat. De aanzegging geldt als oproeping.
2. De verdachte, raadsman, het slachtoffer, diens vertegenwoordiger op grond van [artikel 51e, zesde of zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Eerste&artikel=51e&z=2014-07-01&g=2014-07-01), of de nabestaande, getuigen, deskundigen en tolken die bij de in het eerste lid bedoelde aanzegging niet op de terechtzitting aanwezig zijn, worden in het geval van schorsing voor de nadere terechtzitting opnieuw opgeroepen. De benadeelde partij die niet bij de aanzegging aanwezig is, wordt eveneens opgeroepen indien de rechtbank daartoe termen aanwezig acht.
1. In alle gevallen waarin het onderzoek wordt onderbroken of voor een bepaalde tijd geschorst, wordt door de voorzitter aan de verdachte, diens raadsman, het slachtoffer, diens vertegenwoordiger op grond van [artikel 51e, zesde of zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Eerste&artikel=51e&z=2014-11-01&g=2014-11-01), of de nabestaande, en aan de tolken, getuigen en deskundigen voor zover zij nog niet op de terechtzitting zijn gehoord, het tijdstip aangezegd, waarop zij bij de hervatting van het onderzoek op de terechtzitting aanwezig moeten zijn. Aan de aanwezige benadeelde partij wordt door de voorzitter het tijdstip aangezegd waarop het onderzoek ter terechtzitting zal worden hervat. De aanzegging geldt als oproeping.
2. De verdachte, raadsman, het slachtoffer, diens vertegenwoordiger op grond van [artikel 51e, zesde of zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Eerste&artikel=51e&z=2014-11-01&g=2014-11-01), of de nabestaande, getuigen, deskundigen en tolken die bij de in het eerste lid bedoelde aanzegging niet op de terechtzitting aanwezig zijn, worden in het geval van schorsing voor de nadere terechtzitting opnieuw opgeroepen. De benadeelde partij die niet bij de aanzegging aanwezig is, wordt eveneens opgeroepen indien de rechtbank daartoe termen aanwezig acht.
3. De rechtbank kan ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte, getuigen en deskundigen die reeds op de terechtzitting zijn gehoord, en tolken aanwijzen wier tegenwoordigheid bij de nadere behandeling wordt vereist. De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie, gehoord de verdachte, toe en willigt het verzoek van de verdachte, gehoord de officier van justitie, in, tenzij zij van oordeel is dat door het afwijzen van de vordering of het niet inwilligen van het verzoek redelijkerwijs noch het openbaar ministerie in de vervolging, noch de verdachte in zijn verdediging wordt geschaad.
##### Artikel 320
1. In alle gevallen waarin het onderzoek voor een onbepaalde tijd is geschorst, worden, zodra de oorzaak der schorsing is vervallen, de verdachte, het slachtoffer, diens vertegenwoordiger op grond van [artikel 51e, zesde of zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Eerste&artikel=51e&z=2014-07-01&g=2014-07-01), of de nabestaande, de getuigen, deskundigen en tolken, voor zover zij nog niet ter terechtzitting zijn gehoord, opnieuw opgeroepen. De ter terechtzitting verschenen benadeelde partij wordt eveneens opgeroepen indien de rechtbank daartoe termen aanwezig acht.
2. [Artikel 319, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=319&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van toepassing.
3. Met betrekking tot de oproeping van de verdachte is [artikel 265](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=265&z=2014-07-01&g=2014-07-01) van overeenkomstige toepassing.
1. In alle gevallen waarin het onderzoek voor een onbepaalde tijd is geschorst, worden, zodra de oorzaak der schorsing is vervallen, de verdachte, het slachtoffer, diens vertegenwoordiger op grond van [artikel 51e, zesde of zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Eerste&artikel=51e&z=2014-11-01&g=2014-11-01), of de nabestaande, de getuigen, deskundigen en tolken, voor zover zij nog niet ter terechtzitting zijn gehoord, opnieuw opgeroepen. De ter terechtzitting verschenen benadeelde partij wordt eveneens opgeroepen indien de rechtbank daartoe termen aanwezig acht.
2. [Artikel 319, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=319&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van toepassing.
3. Met betrekking tot de oproeping van de verdachte is [artikel 265](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=265&z=2014-11-01&g=2014-11-01) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 321
@@ -4172,13 +4172,13 @@
##### Artikel 322
1. Onverminderd het bepaalde in [artikel 280, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=280&z=2014-07-01&g=2014-07-01), wordt in alle gevallen waarin de schorsing van het onderzoek is bevolen, het onderzoek in de zaak op de nadere terechtzitting hervat in de stand waarin het zich op het tijdstip der schorsing bevond.
1. Onverminderd het bepaalde in [artikel 280, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=280&z=2014-11-01&g=2014-11-01), wordt in alle gevallen waarin de schorsing van het onderzoek is bevolen, het onderzoek in de zaak op de nadere terechtzitting hervat in de stand waarin het zich op het tijdstip der schorsing bevond.
2. De rechtbank is ook bij toepassing van het eerste lid bevoegd te bevelen dat het onderzoek op de terechtzitting opnieuw wordt aangevangen.
3. De rechtbank beveelt dat het onderzoek op de terechtzitting opnieuw wordt aangevangen in het geval de samenstelling van de rechtbank bij de hervatting gewijzigd is, tenzij de officier van justitie en de verdachte instemmen met hervatting in de stand waarin het onderzoek zich op het tijdstip van de schorsing bevond.
4. Ook in het geval het onderzoek ter terechtzitting opnieuw wordt aangevangen blijven beslissingen van de rechtbank inzake de geldigheid van de uitreiking van de dagvaarding uit hoofde van [artikel 278, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=278&z=2014-07-01&g=2014-07-01), beslissingen op verweren van de verdachte uit hoofde van [artikel 283, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=283&z=2014-07-01&g=2014-07-01), beslissingen op vorderingen tot wijziging van de telastlegging alsmede beslissingen inzake het horen of de oproeping van getuigen of deskundigen ter terechtzitting uit hoofde van [artikel 287](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=287&z=2014-07-01&g=2014-07-01) of [artikel 288](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=288&z=2014-07-01&g=2014-07-01) in stand.
4. Ook in het geval het onderzoek ter terechtzitting opnieuw wordt aangevangen blijven beslissingen van de rechtbank inzake de geldigheid van de uitreiking van de dagvaarding uit hoofde van [artikel 278, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=278&z=2014-11-01&g=2014-11-01), beslissingen op verweren van de verdachte uit hoofde van [artikel 283, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=283&z=2014-11-01&g=2014-11-01), beslissingen op vorderingen tot wijziging van de telastlegging alsmede beslissingen inzake het horen of de oproeping van getuigen of deskundigen ter terechtzitting uit hoofde van [artikel 287](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=287&z=2014-11-01&g=2014-11-01) of [artikel 288](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=288&z=2014-11-01&g=2014-11-01) in stand.
##### Artikel 323
@@ -4188,7 +4188,7 @@
1. Niettegenstaande de schorsing is de rechtbank bevoegd te allen tijde het onderzoek op de terechtzitting voor bepaalde spoedeischende maatregelen tijdelijk te heropenen.
2. De [artikelen 320](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=320&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [322](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=322&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van toepassing.
2. De [artikelen 320](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=320&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [322](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=322&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van toepassing.
##### Artikel 325
@@ -4206,17 +4206,17 @@
##### Artikel 327
Het proces-verbaal wordt door den voorzitter of door een der rechters, die over de zaak heeft geoordeeld, en den griffier vastgesteld en zoo spoedig mogelijk na de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting en in elk geval binnen den in het [eerste lid van artikel 365](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=365&z=2014-07-01&g=2014-07-01) vermelden termijn onderteekend. Voor zoover de griffier tot een en ander buiten staat is, geschiedt dit zonder zijne medewerking en wordt van zijne verhindering aan het slot van het proces-verbaal melding gemaakt.
Het proces-verbaal wordt door den voorzitter of door een der rechters, die over de zaak heeft geoordeeld, en den griffier vastgesteld en zoo spoedig mogelijk na de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting en in elk geval binnen den in het [eerste lid van artikel 365](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=365&z=2014-11-01&g=2014-11-01) vermelden termijn onderteekend. Voor zoover de griffier tot een en ander buiten staat is, geschiedt dit zonder zijne medewerking en wordt van zijne verhindering aan het slot van het proces-verbaal melding gemaakt.
##### Artikel 327a
1. Behoudens in het geval omschreven in het tweede lid, kan een verkort proces-verbaal worden opgemaakt.
2. Indien het vonnis bij verstek is gewezen en de dagvaarding niet in persoon is betekend en zich geen omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of nadere terechtzitting aan de verdachte bekend was, terwijl op de terechtzitting getuigen of deskundigen zijn gehoord dan wel een benadeelde partij zich in het strafproces heeft gevoegd, wordt, in afwijking van het eerste lid, een proces-verbaal opgemaakt dat aan de eisen van [artikel 326](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=326&z=2014-07-01&g=2014-07-01) voldoet.
3. Indien tegen het vonnis een gewoon rechtsmiddel wordt aangewend of aan een vordering of verzoek als omschreven in [artikel 365c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=365c&z=2014-07-01&g=2014-07-01) gevolg wordt gegeven, wordt het verkorte proces-verbaal zodanig aangevuld, dat het voldoet aan de in [artikel 326](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=326&z=2014-07-01&g=2014-07-01) gestelde eisen. De aanvulling vindt plaats binnen de in [artikel 365**a**, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=365a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), bepaalde termijnen.
4. [Artikel 365, derde tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=365&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
2. Indien het vonnis bij verstek is gewezen en de dagvaarding niet in persoon is betekend en zich geen omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of nadere terechtzitting aan de verdachte bekend was, terwijl op de terechtzitting getuigen of deskundigen zijn gehoord dan wel een benadeelde partij zich in het strafproces heeft gevoegd, wordt, in afwijking van het eerste lid, een proces-verbaal opgemaakt dat aan de eisen van [artikel 326](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=326&z=2014-11-01&g=2014-11-01) voldoet.
3. Indien tegen het vonnis een gewoon rechtsmiddel wordt aangewend of aan een vordering of verzoek als omschreven in [artikel 365c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=365c&z=2014-11-01&g=2014-11-01) gevolg wordt gegeven, wordt het verkorte proces-verbaal zodanig aangevuld, dat het voldoet aan de in [artikel 326](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=326&z=2014-11-01&g=2014-11-01) gestelde eisen. De aanvulling vindt plaats binnen de in [artikel 365**a**, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=365a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), bepaalde termijnen.
4. [Artikel 365, derde tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=365&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 328
@@ -4232,7 +4232,7 @@
##### Artikel 331
1. Elke bevoegdheid van de verdachte die bij deze Titel is toegekend, komt ook toe aan de raadsman die de ter terechtzitting aanwezige verdachte bijstaat ofwel op grond van [artikel 279, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=279&z=2014-07-01&g=2014-07-01), tot verdediging van de afwezige verdachte is toegelaten.
1. Elke bevoegdheid van de verdachte die bij deze Titel is toegekend, komt ook toe aan de raadsman die de ter terechtzitting aanwezige verdachte bijstaat ofwel op grond van [artikel 279, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=279&z=2014-11-01&g=2014-11-01), tot verdediging van de afwezige verdachte is toegelaten.
2. In alle gevallen waarin bij deze Titel de toestemming of het horen van de verdachte of diens raadsman wordt gevorderd, geldt dit alleen ten opzichte van de op de terechtzitting aanwezige verdachte of diens raadsman.
@@ -4252,7 +4252,7 @@
2. De benadeelde partij of degene die haar bijstaat kan aan de getuigen en deskundigen vragen stellen, doch alleen betreffende haar vordering tot schadevergoeding.
3. De benadeelde partij kan haar vordering, nadat de officier van justitie overeenkomstig [artikel 311](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=311&z=2014-07-01&g=2014-07-01) het woord heeft gevoerd, toelichten of doen toelichten. Zij kan andermaal het woord voeren telkens wanneer de officier van justitie het woord heeft gevoerd, dan wel tot het voeren daarvan in de gelegenheid is gesteld.
3. De benadeelde partij kan haar vordering, nadat de officier van justitie overeenkomstig [artikel 311](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=311&z=2014-11-01&g=2014-11-01) het woord heeft gevoerd, toelichten of doen toelichten. Zij kan andermaal het woord voeren telkens wanneer de officier van justitie het woord heeft gevoerd, dan wel tot het voeren daarvan in de gelegenheid is gesteld.
##### Artikel 335
@@ -4272,7 +4272,7 @@
- c. hetzij de last tot tenuitvoerlegging van het openbaar ministerie, dan wel een afschrift daarvan.
4. [Artikel 146, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=146&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van toepassing op alle ambtenaren door wie of op wier last de tenuitvoerlegging geschiedt.
4. [Artikel 146, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=146&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van toepassing op alle ambtenaren door wie of op wier last de tenuitvoerlegging geschiedt.
5. In het geval, bedoeld in het vorige lid, onder **c,** doet de ambtenaar die de last heeft gegeven, hetzij het proces-verbaal van de terechtzitting, dan wel een afschrift daarvan of uittreksel daaruit, hetzij het aan het dubbel van de dagvaarding of oproeping gehechte stuk, dan wel een afschrift daarvan, houdende aantekening van het mondelinge vonnis, ten spoedigste toekomen aan het hoofd van het gesticht.
@@ -4350,7 +4350,7 @@
- a. de getuige is een bedreigde getuige of een afgeschermde getuige en is als zodanig door de rechter-commissaris gehoord, en
- b. het ten laste gelegde feit, voor zover bewezen, betreft een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en levert gezien zijn aard, het georganiseerd verband waarin het is begaan, of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven, een ernstige inbreuk op de rechtsorde op.
- b. het ten laste gelegde feit, voor zover bewezen, betreft een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en levert gezien zijn aard, het georganiseerd verband waarin het is begaan, of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven, een ernstige inbreuk op de rechtsorde op.
3. Een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, kan, buiten het geval omschreven in het tweede lid, alleen meewerken tot het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, indien ten minste aan de volgende voorwaarden is voldaan:
@@ -4358,7 +4358,7 @@
- b. door of namens de verdachte is niet op enig moment in het geding de wens te kennen gegeven om de in de aanhef bedoelde persoon te ondervragen of te doen ondervragen.
4. Het bewijs dat de verdachte het telastegelegde feit heeft begaan, kan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op grond van verklaringen van getuigen met wie op grond van [artikel 226h, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_B&artikel=226h&z=2014-07-01&g=2014-07-01), of [226k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_C&artikel=226k&z=2014-07-01&g=2014-07-01) een afspraak is gemaakt.
4. Het bewijs dat de verdachte het telastegelegde feit heeft begaan, kan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op grond van verklaringen van getuigen met wie op grond van [artikel 226h, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_B&artikel=226h&z=2014-11-01&g=2014-11-01), of [226k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_C&artikel=226k&z=2014-11-01&g=2014-11-01) een afspraak is gemaakt.
### afdeling Zesde. De behandeling van het verzet
@@ -4382,7 +4382,7 @@
##### Artikel 347
1. Ook kan, in het geval bij het eerste lid van het voorgaande artikel bedoeld, de rechtbank overeenkomstig de bepalingen van [artikel 316](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=316&z=2014-07-01&g=2014-07-01) een onderzoek door den rechter-commissaris doen plaats vinden.
1. Ook kan, in het geval bij het eerste lid van het voorgaande artikel bedoeld, de rechtbank overeenkomstig de bepalingen van [artikel 316](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=316&z=2014-11-01&g=2014-11-01) een onderzoek door den rechter-commissaris doen plaats vinden.
2. In dit geval wordt gehandeld als ware het onderzoek voor onbepaalden tijd geschorst.
@@ -4394,13 +4394,13 @@
1. Indien het onderzoek in het voorgaande artikel bedoeld, daartoe aanleiding geeft, spreekt de rechtbank uit de nietigheid der dagvaarding, hare onbevoegdheid, de niet-ontvankelijkheid van den officier van justitie of de schorsing der vervolging.
2. Indien een feit dat ingevolge [artikel 382](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VIII&artikel=382&z=2014-07-01&g=2014-07-01) voor de kantonrechter moet worden vervolgd, bij een andere kamer van de rechtbank aanhangig is gemaakt, kan het feit op verzoek van de verdachte of ambtshalve worden verwezen naar de kantonrechter. Zodanige verwijzing is niet mogelijk, indien primair een feit is ten laste gelegd dat ingevolge [artikel 382](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VIII&artikel=382&z=2014-07-01&g=2014-07-01) niet voor de kantonrechter wordt vervolgd.
3. Ingeval de officier van justitie op grond van [artikel 264, tweede lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=264&z=2014-07-01&g=2014-07-01), weigert een door de rechter gegeven bevel tot dagvaarding of oproeping van een getuige ten uitvoer te leggen, terwijl die getuige ingevolge een onherroepelijke rechterlijke beslissing geen bedreigde getuige of afgeschermde getuige wiens identiteit verborgen wordt gehouden is, spreekt de rechtbank de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn vervolging uit.
2. Indien een feit dat ingevolge [artikel 382](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VIII&artikel=382&z=2014-11-01&g=2014-11-01) voor de kantonrechter moet worden vervolgd, bij een andere kamer van de rechtbank aanhangig is gemaakt, kan het feit op verzoek van de verdachte of ambtshalve worden verwezen naar de kantonrechter. Zodanige verwijzing is niet mogelijk, indien primair een feit is ten laste gelegd dat ingevolge [artikel 382](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VIII&artikel=382&z=2014-11-01&g=2014-11-01) niet voor de kantonrechter wordt vervolgd.
3. Ingeval de officier van justitie op grond van [artikel 264, tweede lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=264&z=2014-11-01&g=2014-11-01), weigert een door de rechter gegeven bevel tot dagvaarding of oproeping van een getuige ten uitvoer te leggen, terwijl die getuige ingevolge een onherroepelijke rechterlijke beslissing geen bedreigde getuige of afgeschermde getuige wiens identiteit verborgen wordt gehouden is, spreekt de rechtbank de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn vervolging uit.
##### Artikel 350
Indien het onderzoek in [artikel 348](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=348&z=2014-07-01&g=2014-07-01) bedoeld, niet leidt tot toepassing van [artikel 349, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=349&z=2014-07-01&g=2014-07-01), beraadslaagt de rechtbank op den grondslag der telastlegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting over de vraag of bewezen is dat het feit door den verdachte is begaan, en, zoo ja, welk strafbaar feit het bewezen verklaarde volgens de wet oplevert; indien wordt aangenomen dat het feit bewezen en strafbaar is, dan beraadslaagt de rechtbank over de strafbaarheid van den verdachte en over de oplegging van straf of maatregel, bij de wet bepaald.
Indien het onderzoek in [artikel 348](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=348&z=2014-11-01&g=2014-11-01) bedoeld, niet leidt tot toepassing van [artikel 349, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=349&z=2014-11-01&g=2014-11-01), beraadslaagt de rechtbank op den grondslag der telastlegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting over de vraag of bewezen is dat het feit door den verdachte is begaan, en, zoo ja, welk strafbaar feit het bewezen verklaarde volgens de wet oplevert; indien wordt aangenomen dat het feit bewezen en strafbaar is, dan beraadslaagt de rechtbank over de strafbaarheid van den verdachte en over de oplegging van straf of maatregel, bij de wet bepaald.
##### Artikel 351
@@ -4414,9 +4414,9 @@
##### Artikel 353
1. In het geval van toepassing van [artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=9a), van oplegging van straf of maatregel, van vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging neemt de rechtbank een beslissing over de met toepassing van [artikel 94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94&z=2014-07-01&g=2014-07-01) inbeslaggenomen voorwerpen ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven. Deze beslissing laat ieders rechten ten aanzien van het voorwerp onverlet.
2. De rechtbank gelast, onverminderd [artikel 351](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=351&z=2014-07-01&g=2014-07-01),
1. In het geval van toepassing van [artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=9a), van oplegging van straf of maatregel, van vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging neemt de rechtbank een beslissing over de met toepassing van [artikel 94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94&z=2014-11-01&g=2014-11-01) inbeslaggenomen voorwerpen ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven. Deze beslissing laat ieders rechten ten aanzien van het voorwerp onverlet.
2. De rechtbank gelast, onverminderd [artikel 351](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=351&z=2014-11-01&g=2014-11-01),
- a. de teruggave van het voorwerp aan degene bij wie het in beslag is genomen;
@@ -4424,13 +4424,13 @@
- c. indien geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt, de bewaring van het voorwerp ten behoeve van de rechthebbende.
3. Op een last als bedoeld in het tweede lid is [artikel 119](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=119&z=2014-07-01&g=2014-07-01) van overeenkomstige toepassing.
4. De rechtbank kan de teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen onder zekerheidstelling gelasten. [Artikel 118a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=118a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is van overeenkomstige toepassing.
3. Op een last als bedoeld in het tweede lid is [artikel 119](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=119&z=2014-11-01&g=2014-11-01) van overeenkomstige toepassing.
4. De rechtbank kan de teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen onder zekerheidstelling gelasten. [Artikel 118a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=118a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 587
1. De uitreiking van het gerechtelijk schrijven als bedoeld in [artikel 585, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=585&z=2014-07-01&g=2014-07-01), geschiedt door de post.
1. De uitreiking van het gerechtelijk schrijven als bedoeld in [artikel 585, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=585&z=2014-11-01&g=2014-11-01), geschiedt door de post.
2. De uitreiking kan in spoedeisende gevallen of, indien dit om enige andere reden wenselijk is, door het openbaar ministerie worden opgedragen aan een ambtenaar van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, dan wel een andere ambtenaar of functionaris, voor zover die ambtenaar of functionaris door Onze Minister van Veiligheid en Justitie daartoe is aangewezen.
@@ -4458,7 +4458,7 @@
1. Het vonnis bevat het ten laste gelegde alsmede de vordering van de officier van justitie.
2. De beslissingen vermeld in de [artikelen 349, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=349&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en 358, tweede en derde lid, zijn met redenen omkleed. Het vonnis geeft, indien de beslissing afwijkt van door de verdachte dan wel door de officier van justitie uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, in het bijzonder de redenen op die daartoe hebben geleid.
2. De beslissingen vermeld in de [artikelen 349, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=349&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en 358, tweede en derde lid, zijn met redenen omkleed. Het vonnis geeft, indien de beslissing afwijkt van door de verdachte dan wel door de officier van justitie uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, in het bijzonder de redenen op die daartoe hebben geleid.
3. De beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Voor zover de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend, kan een opgave van bewijsmiddelen volstaan, tenzij hij nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit.
@@ -4490,15 +4490,15 @@
1. Van het gebruik als bewijsmiddel van het proces-verbaal van een verhoor bij de rechter-commissaris of rechtbank, houdende de verklaring
- -. van de getuige, bedoeld in [artikel 216a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=216a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) of
- -. van de getuige, bedoeld in [artikel 216a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=216a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) of
- -. van de bedreigde of afgeschermde getuige, of
- -. van de getuige verhoord op de wijze als voorzien in de [artikelen 190, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=190&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [290, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=290&z=2014-07-01&g=2014-07-01),
of van schriftelijke bescheiden als bedoeld in [artikel 344a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Derde&artikel=344a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), geeft het vonnis in het bijzonder reden.
2. Indien het bewijs mede wordt aangenomen op de verklaring van een getuige met wie op grond van [artikel 226h, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_B&artikel=226h&z=2014-07-01&g=2014-07-01), of [226k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_C&artikel=226k&z=2014-07-01&g=2014-07-01) door de officier van justitie een afspraak is gemaakt, geeft het vonnis daarvan in het bijzonder reden.
- -. van de getuige verhoord op de wijze als voorzien in de [artikelen 190, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=190&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [290, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=290&z=2014-11-01&g=2014-11-01),
of van schriftelijke bescheiden als bedoeld in [artikel 344a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Derde&artikel=344a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), geeft het vonnis in het bijzonder reden.
2. Indien het bewijs mede wordt aangenomen op de verklaring van een getuige met wie op grond van [artikel 226h, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_B&artikel=226h&z=2014-11-01&g=2014-11-01), of [226k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_C&artikel=226k&z=2014-11-01&g=2014-11-01) door de officier van justitie een afspraak is gemaakt, geeft het vonnis daarvan in het bijzonder reden.
3. Indien na schorsing der vervolging wegens een geschilpunt van burgerlijk recht van de uitspraak van den burgerlijken rechter wordt afgeweken, geeft het vonnis ook daarvan in het bijzonder reden.
@@ -4506,7 +4506,7 @@
##### Artikel 361
1. Indien over de vordering van de benadeelde partij gelijktijdig met de strafzaak uitspraak dient te worden gedaan, beraadslaagt de rechtbank mede over de ontvankelijkheid van de benadeelde partij, over de gegrondheid van haar vordering en over de verwijzing in de kosten door die partij, de verdachte en, in het in [artikel 51g, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Tweede&artikel=51g&z=2014-07-01&g=2014-07-01) bedoelde geval, diens ouders of voogd gemaakt. De beraadslaging over de verwijzing in de kosten vindt ook plaats indien [artikel 333](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Tweede&artikel=333&z=2014-07-01&g=2014-07-01) toepassing heeft gevonden.
1. Indien over de vordering van de benadeelde partij gelijktijdig met de strafzaak uitspraak dient te worden gedaan, beraadslaagt de rechtbank mede over de ontvankelijkheid van de benadeelde partij, over de gegrondheid van haar vordering en over de verwijzing in de kosten door die partij, de verdachte en, in het in [artikel 51g, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Tweede&artikel=51g&z=2014-11-01&g=2014-11-01) bedoelde geval, diens ouders of voogd gemaakt. De beraadslaging over de verwijzing in de kosten vindt ook plaats indien [artikel 333](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Tweede&artikel=333&z=2014-11-01&g=2014-11-01) toepassing heeft gevonden.
2. De benadeelde partij zal alleen ontvankelijk zijn in haar vordering indien:
@@ -4516,11 +4516,11 @@
3. Indien behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, kan de rechtbank op verzoek van de verdachte of op vordering van de officier van justitie dan wel ambtshalve, bepalen dat de vordering in het geheel of ten dele niet ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering, of het deel van de vordering dat niet ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
4. Het vonnis houdt, tenzij de rechtbank met toepassing van [artikel 333](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Tweede&artikel=333&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zonder nader onderzoek van de zaak de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij heeft uitgesproken, ook in de beslissing van de rechtbank over de vordering van de benadeelde partij. Deze beslissing is met redenen omkleed.
5. Indien de rechtbank de in [artikel 51g, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Tweede&artikel=51g&z=2014-07-01&g=2014-07-01), bedoelde vordering van de benadeelde partij gegrond oordeelt, dan wijst zij de vordering toe ten laste van de ouders of de voogd en veroordeelt zij hen de schade te vergoeden.
6. Voorts bevat het vonnis de beslissing van de rechtbank over de verwijzing in de kosten door de benadeelde partij, de verdachte en, in het in [artikel 51g, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Tweede&artikel=51g&z=2014-07-01&g=2014-07-01) bedoelde geval, diens ouders of voogd gemaakt.
4. Het vonnis houdt, tenzij de rechtbank met toepassing van [artikel 333](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Tweede&artikel=333&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zonder nader onderzoek van de zaak de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij heeft uitgesproken, ook in de beslissing van de rechtbank over de vordering van de benadeelde partij. Deze beslissing is met redenen omkleed.
5. Indien de rechtbank de in [artikel 51g, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Tweede&artikel=51g&z=2014-11-01&g=2014-11-01), bedoelde vordering van de benadeelde partij gegrond oordeelt, dan wijst zij de vordering toe ten laste van de ouders of de voogd en veroordeelt zij hen de schade te vergoeden.
6. Voorts bevat het vonnis de beslissing van de rechtbank over de verwijzing in de kosten door de benadeelde partij, de verdachte en, in het in [artikel 51g, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Tweede&artikel=51g&z=2014-11-01&g=2014-11-01) bedoelde geval, diens ouders of voogd gemaakt.
##### Artikel 361a
@@ -4562,27 +4562,27 @@
6. De verdachte die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst en overeenkomstig het derde lid om een afschrift van het vonnis verzoekt, wordt in een voor hem begrijpelijke taal schriftelijk mededeling gedaan van:
- a. de beslissing op grond van [artikel 349](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=349&z=2014-07-01&g=2014-07-01) dan wel de beslissing tot veroordeling, vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging;
- a. de beslissing op grond van [artikel 349](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=349&z=2014-11-01&g=2014-11-01) dan wel de beslissing tot veroordeling, vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging;
- b. indien een veroordeling of ontslag van alle rechtsvervolging is uitgesproken, de benaming van het strafbare feit dat het bewezenverklaarde oplevert met vermelding van de plaats waar en het tijdstip waarop het is begaan;
- c. indien een straf of maatregel is opgelegd, de opgelegde straf of maatregel, alsmede de wettelijke voorschriften waarop deze is gegrond.
De schriftelijke mededeling blijft achterwege indien de verdachte bij de uitspraak aanwezig was en deze op grond van [artikel 362, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=362&z=2014-07-01&g=2014-07-01), voor hem is vertolkt dan wel indien de verdachte op grond van [artikel 366, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=366&z=2014-07-01&g=2014-07-01), in een voor hem begrijpelijke taal mededeling van het vonnis is gedaan.
De schriftelijke mededeling blijft achterwege indien de verdachte bij de uitspraak aanwezig was en deze op grond van [artikel 362, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=362&z=2014-11-01&g=2014-11-01), voor hem is vertolkt dan wel indien de verdachte op grond van [artikel 366, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=366&z=2014-11-01&g=2014-11-01), in een voor hem begrijpelijke taal mededeling van het vonnis is gedaan.
##### Artikel 365a
1. Zolang geen gewoon rechtsmiddel is aangewend kan worden volstaan met het wijzen van een verkort vonnis.
2. Een verkort vonnis waartegen een gewoon rechtsmiddel is aangewend wordt aangevuld met de bewijsmiddelen bedoeld in [artikel 359, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=359&z=2014-07-01&g=2014-07-01), dan wel, voor zover [artikel 359, derde lid, tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=359&z=2014-07-01&g=2014-07-01), wordt toegepast, een opgave van bewijsmiddelen tenzij het rechtsmiddel meer dan drie maanden na de uitspraak is aangewend of sprake is van een vonnis als bedoeld in [artikel 410a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=410a&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
2. Een verkort vonnis waartegen een gewoon rechtsmiddel is aangewend wordt aangevuld met de bewijsmiddelen bedoeld in [artikel 359, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=359&z=2014-11-01&g=2014-11-01), dan wel, voor zover [artikel 359, derde lid, tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=359&z=2014-11-01&g=2014-11-01), wordt toegepast, een opgave van bewijsmiddelen tenzij het rechtsmiddel meer dan drie maanden na de uitspraak is aangewend of sprake is van een vonnis als bedoeld in [artikel 410a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=410a&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
3. Aanvulling geschiedt binnen vier maanden na het aanwenden van het rechtsmiddel, of indien de verdachte zich alsdan terzake van het ter terechtzitting onderzochte feit in voorlopige hechtenis bevindt, binnen drie maanden, na het aanwenden van het rechtsmiddel.
##### Artikel 365b
1. De aanvulling bedoeld in [artikel 365**a**, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=365a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), wordt ondertekend door een van de rechters die het verkorte vonnis hebben gewezen of bij hun ontstentenis door de voorzitter van het gerecht.
2. [Artikel 365, derde tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=365&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
1. De aanvulling bedoeld in [artikel 365**a**, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=365a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), wordt ondertekend door een van de rechters die het verkorte vonnis hebben gewezen of bij hun ontstentenis door de voorzitter van het gerecht.
2. [Artikel 365, derde tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=365&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 365c
@@ -4594,7 +4594,7 @@
##### Artikel 366
1. De officier van justitie doet de mededeling van het vonnis dat de beslissing van de rechtbank op grond van [artikel 349](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=349&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [351](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=351&z=2014-07-01&g=2014-07-01) of [352, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=352&z=2014-07-01&g=2014-07-01), bevat en dat buiten de aanwezigheid van de verdachte is uitgesproken, zo spoedig mogelijk aan hem betekenen.
1. De officier van justitie doet de mededeling van het vonnis dat de beslissing van de rechtbank op grond van [artikel 349](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=349&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [351](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=351&z=2014-11-01&g=2014-11-01) of [352, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=352&z=2014-11-01&g=2014-11-01), bevat en dat buiten de aanwezigheid van de verdachte is uitgesproken, zo spoedig mogelijk aan hem betekenen.
2. Deze mededeling wordt niet gedaan
@@ -4612,9 +4612,9 @@
1. In geval [artikel 14a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=14a), [38v](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=38v), of [77x van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77x) is toegepast, kan vanwege het openbaar ministerie aan de verdachte aanstonds na de uitspraak op de terechtzitting een mededeling in persoon worden uitgereikt. De mededeling houdt in de straf of maatregel waartoe de verdachte is veroordeeld en alle beslissingen die betrekking hebben op de in [artikel 14c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=14c), [38v](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=38v) of [77z van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77z) bedoelde algemene en bijzondere voorwaarden of vrijheidsbeperkende maatregel. De mededeling houdt daarnaast de datum van ingang van de proeftijd dan wel de maatregel in, indien de verdachte afziet van een rechtsmiddel of indien de rechter beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
2. Indien van het vonnis op grond van [artikel 366, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=366&z=2014-07-01&g=2014-07-01), geen mededeling behoeft te worden gedaan en indien [artikel 14a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=14a), [38v](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=38v) of [77x van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77x) is toegepast, wordt de mededeling bedoeld in het eerste lid, aan de niet op de terechtzitting waarop de uitspraak wordt gedaan verschenen verdachte toegezonden over de post. Deze toezending geschiedt ook indien de uitreiking in persoon, bedoeld in het eerste lid, niet heeft plaats gevonden.
3. In alle overige gevallen wordt de mededeling, bedoeld in het eerste lid, aan de verdachte in persoon betekend. Deze mededeling bevat tevens de in [artikel 366, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=366&z=2014-07-01&g=2014-07-01), genoemde gegevens.
2. Indien van het vonnis op grond van [artikel 366, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=366&z=2014-11-01&g=2014-11-01), geen mededeling behoeft te worden gedaan en indien [artikel 14a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=14a), [38v](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=38v) of [77x van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77x) is toegepast, wordt de mededeling bedoeld in het eerste lid, aan de niet op de terechtzitting waarop de uitspraak wordt gedaan verschenen verdachte toegezonden over de post. Deze toezending geschiedt ook indien de uitreiking in persoon, bedoeld in het eerste lid, niet heeft plaats gevonden.
3. In alle overige gevallen wordt de mededeling, bedoeld in het eerste lid, aan de verdachte in persoon betekend. Deze mededeling bevat tevens de in [artikel 366, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=366&z=2014-11-01&g=2014-11-01), genoemde gegevens.
4. Het eerste tot en met derde lid is van overeenkomstige toepassing ingeval [artikel 22c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=22c) of [77m van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77m) is toegepast.
@@ -4622,7 +4622,7 @@
##### Artikel 367
Op het rechtsgeding voor de politierechter, bedoeld in [artikel 51 van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=51), vinden [titels V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [VI van Boek II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [titel IIIb van boek IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIIb&z=2014-07-01&g=2014-07-01) overeenkomstige toepassing, voor zover in deze Titel niet anders is bepaald, en met dien verstande dat de politierechter de bevoegdheden bezit die aan de voorzitter van de meervoudige kamer toekomen.
Op het rechtsgeding voor de politierechter, bedoeld in [artikel 51 van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=51), vinden [titels V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [VI van Boek II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [titel IIIb van boek IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIIb&z=2014-11-01&g=2014-11-01) overeenkomstige toepassing, voor zover in deze Titel niet anders is bepaald, en met dien verstande dat de politierechter de bevoegdheden bezit die aan de voorzitter van de meervoudige kamer toekomen.
##### Artikel 368
@@ -4638,29 +4638,29 @@
1. De termijn van dagvaarding is ten minste drie dagen.
2. Ingeval de termijn van dagvaarding korter is dan acht dagen moet het bezwaarschrift, bedoeld in [artikel 262, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=262&z=2014-07-01&g=2014-07-01), worden ingediend voor het tijdstip van de terechtzitting dat in de dagvaarding staat vermeld.
2. Ingeval de termijn van dagvaarding korter is dan acht dagen moet het bezwaarschrift, bedoeld in [artikel 262, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=262&z=2014-11-01&g=2014-11-01), worden ingediend voor het tijdstip van de terechtzitting dat in de dagvaarding staat vermeld.
##### Artikel 370a
1. Aan de verdachte die is aangehouden voor een strafbaar feit dat voor de politierechter wordt vervolgd, kan een verkorte dagvaarding worden uitgereikt. [Artikel 260, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=260&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
1. Aan de verdachte die is aangehouden voor een strafbaar feit dat voor de politierechter wordt vervolgd, kan een verkorte dagvaarding worden uitgereikt. [Artikel 260, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=260&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
2. De verkorte dagvaarding bevat:
- a. een oproeping om een bepaalde dag en uur op de terechtzitting voor de politierechter te verschijnen terzake van een kort omschreven feit;
- b. de mededeling van de rechten en bevoegdheden, op welke de verdachte ingevolge [artikel 260, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=260&z=2014-07-01&g=2014-07-01), opmerkzaam moet worden gemaakt;
- b. de mededeling van de rechten en bevoegdheden, op welke de verdachte ingevolge [artikel 260, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=260&z=2014-11-01&g=2014-11-01), opmerkzaam moet worden gemaakt;
- c. de aankondiging dat de verkorte dagvaarding zal worden aangevuld en een mededeling over de rechtsgevolgen die zijn verbonden aan het al dan niet verschijnen op de terechtzitting.
3. De verkorte dagvaarding wordt voor de terechtzitting aangevuld met een telastlegging die voldoet aan de eisen van [artikel 261, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=261&z=2014-07-01&g=2014-07-01); deze aanvulling wordt ten minste drie dagen voor de terechtzitting toegezonden aan het door de verdachte opgegeven adres.
3. De verkorte dagvaarding wordt voor de terechtzitting aangevuld met een telastlegging die voldoet aan de eisen van [artikel 261, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=261&z=2014-11-01&g=2014-11-01); deze aanvulling wordt ten minste drie dagen voor de terechtzitting toegezonden aan het door de verdachte opgegeven adres.
##### Artikel 371
In geval de verdachte is gedagvaard om voor de politierechter te verschijnen, kan de politierechter optreden als raadkamer met betrekking tot:
- a. de beslissing tot uitstel van het onderzoek op de terechtzitting, bedoeld in [artikel 262, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=262&z=2014-07-01&g=2014-07-01);
- b. de behandeling van de vordering van de officier van justitie, bedoeld in [artikel 68, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=68&z=2014-07-01&g=2014-07-01);
- a. de beslissing tot uitstel van het onderzoek op de terechtzitting, bedoeld in [artikel 262, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=262&z=2014-11-01&g=2014-11-01);
- b. de behandeling van de vordering van de officier van justitie, bedoeld in [artikel 68, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=68&z=2014-11-01&g=2014-11-01);
- c. de behandeling van het bezwaarschrift tegen de dagvaarding.
@@ -4674,29 +4674,29 @@
##### Artikel 374
1. Tenzij de ter terechtzitting verschenen verdachte of zijn aldaar aanwezige raadsman voorlezing of mededeling van de korte inhoud van bepaald aangeduide stukken verlangt, kan de politierechter in plaats van de voorlezing van de processen-verbaal, de verslagen van deskundigen of andere stukken vermeld in [artikel 301](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=301&z=2014-07-01&g=2014-07-01), gelasten dat in het proces-verbaal van de terechtzitting wordt aangetekend dat die stukken zijn overgelegd; daarop mag ook ten bezware van de verdachte acht worden geslagen.
1. Tenzij de ter terechtzitting verschenen verdachte of zijn aldaar aanwezige raadsman voorlezing of mededeling van de korte inhoud van bepaald aangeduide stukken verlangt, kan de politierechter in plaats van de voorlezing van de processen-verbaal, de verslagen van deskundigen of andere stukken vermeld in [artikel 301](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=301&z=2014-11-01&g=2014-11-01), gelasten dat in het proces-verbaal van de terechtzitting wordt aangetekend dat die stukken zijn overgelegd; daarop mag ook ten bezware van de verdachte acht worden geslagen.
2. De politierechter die tegen de niet verschenen verdachte verstek heeft verleend, kan afzien van het afzonderlijk melding maken van de in het eerste lid bedoelde stukken, dan wel afzien van het geven van de in het eerste lid bedoelde last.
##### Artikel 375
1. Indien de verdachte overeenkomstig [artikel 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=53&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is aangehouden en aan de officier van justitie is voorgeleid, kan hij worden gedagvaard om voor de politierechter te verschijnen en nog diezelfde dag ter terechtzitting worden geleid. [Artikel 279](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=279&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en de termijn bedoeld in [artikel 370](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VII&artikel=370&z=2014-07-01&g=2014-07-01) blijven in dit geval buiten toepassing.
2. Na aanhouding van de verdachte ingevolge [artikel 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=53&z=2014-07-01&g=2014-07-01) door een opsporingsambtenaar, kunnen door die ambtenaar mondeling getuigen worden uitgenodigd om te verschijnen voor de officier van justitie of de hulpofficier van justitie, aan wie de verdachte wordt voorgeleid.
3. Indien de verdachte op de wijze bedoeld in het eerste lid is gedagvaard, kan de dagvaarding, in afwijking van [artikel 261, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=261&z=2014-07-01&g=2014-07-01), bestaan in een korte aanduiding van het telastegelegde feit.
1. Indien de verdachte overeenkomstig [artikel 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=53&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is aangehouden en aan de officier van justitie is voorgeleid, kan hij worden gedagvaard om voor de politierechter te verschijnen en nog diezelfde dag ter terechtzitting worden geleid. [Artikel 279](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=279&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en de termijn bedoeld in [artikel 370](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VII&artikel=370&z=2014-11-01&g=2014-11-01) blijven in dit geval buiten toepassing.
2. Na aanhouding van de verdachte ingevolge [artikel 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=53&z=2014-11-01&g=2014-11-01) door een opsporingsambtenaar, kunnen door die ambtenaar mondeling getuigen worden uitgenodigd om te verschijnen voor de officier van justitie of de hulpofficier van justitie, aan wie de verdachte wordt voorgeleid.
3. Indien de verdachte op de wijze bedoeld in het eerste lid is gedagvaard, kan de dagvaarding, in afwijking van [artikel 261, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=261&z=2014-11-01&g=2014-11-01), bestaan in een korte aanduiding van het telastegelegde feit.
##### Artikel 376
1. Indien de dagvaarding overeenkomstig [artikel 375, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VII&artikel=375&z=2014-07-01&g=2014-07-01) heeft bestaan in een korte aanduiding van het telastegelegde feit, doet de officier van justitie ter terechtzitting bij de voordracht van de zaak mondeling en na voorlezing, schriftelijk nadere opgave van het feit.
2. De nadere opgave voldoet aan de eisen van [artikel 261, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=261&z=2014-07-01&g=2014-07-01); zij geldt voor wat betreft de grondslag van de verdere vervolging als dagvaarding.
1. Indien de dagvaarding overeenkomstig [artikel 375, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VII&artikel=375&z=2014-11-01&g=2014-11-01) heeft bestaan in een korte aanduiding van het telastegelegde feit, doet de officier van justitie ter terechtzitting bij de voordracht van de zaak mondeling en na voorlezing, schriftelijk nadere opgave van het feit.
2. De nadere opgave voldoet aan de eisen van [artikel 261, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=261&z=2014-11-01&g=2014-11-01); zij geldt voor wat betreft de grondslag van de verdere vervolging als dagvaarding.
##### Artikel 377
1. Bij toepassing van [artikel 369, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VII&artikel=369&z=2014-07-01&g=2014-07-01), wordt de zaak op de bestaande telastlegging voor de meervoudige kamer aanhangig gemaakt door aanzegging of oproeping van de verdachte vanwege de officier van justitie tegen de dag van de nadere terechtzitting. De [artikelen 260, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=260&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [263](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=263&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [265](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=265&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van toepassing.
2. De zaak wordt op de gewone wijze voortgezet, met dien verstande dat de beraadslaging bedoeld in de [artikelen 348](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=348&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [350](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=350&z=2014-07-01&g=2014-07-01), mede geschiedt naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting voor de politierechter, zoals dit volgens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft plaats gehad. [Artikel 322, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=322&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
1. Bij toepassing van [artikel 369, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VII&artikel=369&z=2014-11-01&g=2014-11-01), wordt de zaak op de bestaande telastlegging voor de meervoudige kamer aanhangig gemaakt door aanzegging of oproeping van de verdachte vanwege de officier van justitie tegen de dag van de nadere terechtzitting. De [artikelen 260, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=260&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [263](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=263&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [265](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=265&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van toepassing.
2. De zaak wordt op de gewone wijze voortgezet, met dien verstande dat de beraadslaging bedoeld in de [artikelen 348](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=348&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [350](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=350&z=2014-11-01&g=2014-11-01), mede geschiedt naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting voor de politierechter, zoals dit volgens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft plaats gehad. [Artikel 322, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=322&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
3. De rechtbank beveelt dat het onderzoek op de terechtzitting opnieuw wordt aangevangen, tenzij de officier van justitie en de verdachte instemmen met hervatting in de stand waarin het onderzoek zich op het tijdstip van de verwijzing bevond.
@@ -4710,19 +4710,19 @@
- b. indien de officier van justitie, de verdachte of zijn raadsman, dan wel de benadeelde partij uiterlijk drie maanden na de uitspraak daartoe een vordering indient of het verzoek doet;
- c. indien een gewoon rechtsmiddel tegen het vonnis is aangewend, tenzij het aanwenden van het rechtsmiddel meer dan drie maanden na de uitspraak is geschied of sprake is van een vonnis als bedoeld in [artikel 410a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=410a&z=2014-07-01&g=2014-07-01);
- d. indien het vonnis bij verstek is gewezen en de dagvaarding niet in persoon is betekend en zich geen omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of nadere terechtzitting aan de verdachte bekend was, terwijl op de terechtzitting getuigen of deskundigen zijn gehoord dan wel een benadeelde partij zich in het strafproces heeft gevoegd, tenzij sprake is van een vonnis als bedoeld in [artikel 410a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=410a&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
- c. indien een gewoon rechtsmiddel tegen het vonnis is aangewend, tenzij het aanwenden van het rechtsmiddel meer dan drie maanden na de uitspraak is geschied of sprake is van een vonnis als bedoeld in [artikel 410a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=410a&z=2014-11-01&g=2014-11-01);
- d. indien het vonnis bij verstek is gewezen en de dagvaarding niet in persoon is betekend en zich geen omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of nadere terechtzitting aan de verdachte bekend was, terwijl op de terechtzitting getuigen of deskundigen zijn gehoord dan wel een benadeelde partij zich in het strafproces heeft gevoegd, tenzij sprake is van een vonnis als bedoeld in [artikel 410a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=410a&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
3. Zodra het proces-verbaal der terechtzitting is getekend, kunnen de verdachte, zijn raadsman of de benadeelde partij daarvan kennis nemen. De politierechter verstrekt desgevraagd een afschrift van het proces-verbaal aan de verdachte, zijn raadsman of de benadeelde partij.
4. [Artikel 365, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=365&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
4. [Artikel 365, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=365&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 378a
1. Behoudens het bepaalde in [artikel 378, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VII&artikel=378&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en indien schriftelijk vonnis wordt gewezen, blijft het opmaken van het proces-verbaal der terechtzitting achterwege en wordt de uitspraak binnen tweemaal vier en twintig uur op een aan het dubbel van de dagvaarding te hechten stuk aangetekend. De aantekening wordt door de politierechter gewaarmerkt.
2. De gegevens die de aantekening, bedoeld in het vorige lid, moet bevatten, worden, onverminderd het bepaalde in [artikel 381, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VII&artikel=381&z=2014-07-01&g=2014-07-01), vastgesteld door Onze Minister van Veiligheid en Justitie. De aantekening vermeldt in ieder geval:
1. Behoudens het bepaalde in [artikel 378, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VII&artikel=378&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en indien schriftelijk vonnis wordt gewezen, blijft het opmaken van het proces-verbaal der terechtzitting achterwege en wordt de uitspraak binnen tweemaal vier en twintig uur op een aan het dubbel van de dagvaarding te hechten stuk aangetekend. De aantekening wordt door de politierechter gewaarmerkt.
2. De gegevens die de aantekening, bedoeld in het vorige lid, moet bevatten, worden, onverminderd het bepaalde in [artikel 381, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VII&artikel=381&z=2014-11-01&g=2014-11-01), vastgesteld door Onze Minister van Veiligheid en Justitie. De aantekening vermeldt in ieder geval:
- 1°. de naam van de politierechter, de dag van de uitspraak en de omstandigheid of de uitspraak bij verstek of op tegenspraak is gedaan;
@@ -4730,11 +4730,11 @@
- 3°. de opgelegde straf of maatregel, alsmede de wettelijke voorschriften waarop deze is gegrond.
3. Indien de aanduiding van het feit in de dagvaarding bij de nadere opgave van het feit op grond van [artikel 376, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VII&artikel=376&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is verbeterd of aangevuld, geschiedt de aantekening nadat de verbetering of aanvulling in het dubbel is verwerkt en door de politierechter is gewaarmerkt.
3. Indien de aanduiding van het feit in de dagvaarding bij de nadere opgave van het feit op grond van [artikel 376, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VII&artikel=376&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is verbeterd of aangevuld, geschiedt de aantekening nadat de verbetering of aanvulling in het dubbel is verwerkt en door de politierechter is gewaarmerkt.
4. Zodra de aantekening is gewaarmerkt, kunnen de verdachte en zijn raadsman daarvan kennis nemen. De politierechter verstrekt desgevraagd een afschrift van de aantekening aan de verdachte en zijn raadsman.
5. Wordt alsnog aan [artikel 378, tweede lid, onder b of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VII&artikel=378&z=2014-07-01&g=2014-07-01), toepassing gegeven, dan komt de in de vorige leden van dit artikel bedoelde aantekening te vervallen. De griffier haalt alsdan de aantekening door.
5. Wordt alsnog aan [artikel 378, tweede lid, onder b of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VII&artikel=378&z=2014-11-01&g=2014-11-01), toepassing gegeven, dan komt de in de vorige leden van dit artikel bedoelde aantekening te vervallen. De griffier haalt alsdan de aantekening door.
##### Artikel 379
@@ -4742,7 +4742,7 @@
2. De uitspraak mag alsdan in geen geval later plaatsvinden dan op de veertiende dag na sluiting van het onderzoek.
3. [Artikel 345, laatste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=345&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
3. [Artikel 345, laatste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=345&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 380
@@ -4754,7 +4754,7 @@
2. Afstand ter terechtzitting van rechtsmiddelen wordt in het proces-verbaal dier terechtzitting vermeld.
3. Indien het opmaken van het proces-verbaal van de terechtzitting achterwege is gebleven, geschiedt de vermelding, dat afstand van rechtsmiddelen is gedaan, in de aantekening, bedoeld in [artikel 378**a**, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VII&artikel=378&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
3. Indien het opmaken van het proces-verbaal van de terechtzitting achterwege is gebleven, geschiedt de vermelding, dat afstand van rechtsmiddelen is gedaan, in de aantekening, bedoeld in [artikel 378**a**, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VII&artikel=378&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
## Titel VIII. Bijzondere bepalingen voor het rechtsgeding voor de kantonrechter
@@ -4766,7 +4766,7 @@
- b. overtredingen, met uitzondering van:
- 1°. overtredingen, bedoeld in de artikelen 447c, 447d, [465–467](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=465&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [468, onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=468&z=2014-07-01&g=2014-07-01);
- 1°. overtredingen, bedoeld in de artikelen 447c, 447d, [465–467](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=465&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [468, onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=468&z=2014-11-01&g=2014-11-01);
- 2°. overtredingen inzake belastingen, tenzij het betreft een overtreding van voorschriften met betrekking tot parkeren als bedoeld in [artikel 225 van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=225);
@@ -4802,11 +4802,11 @@
4. Van de inhoud en van het uitreiken van de oproeping dan wel van het aanbieden en weigeren van de oproeping en de reden van weigering maakt de opsporingsambtenaar in zijn proces-verbaal melding.
5. In geval van aanhouding van de verdachte overeenkomstig [artikel 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=53&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan hem onverwijld een oproeping worden uitgereikt teneinde nog op diezelfde dag ter terechtzitting van de kantonrechter te verschijnen. De verdachte wordt eerst voor het bevoegde openbaar ministerie en vervolgens voor de kantonrechter geleid. [Artikelen 386, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VIII&artikel=386&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [398, onder 2°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VIII&artikel=398&z=2014-07-01&g=2014-07-01), blijven in dit geval buiten toepassing.
5. In geval van aanhouding van de verdachte overeenkomstig [artikel 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=53&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan hem onverwijld een oproeping worden uitgereikt teneinde nog op diezelfde dag ter terechtzitting van de kantonrechter te verschijnen. De verdachte wordt eerst voor het bevoegde openbaar ministerie en vervolgens voor de kantonrechter geleid. [Artikelen 386, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VIII&artikel=386&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [398, onder 2°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VIII&artikel=398&z=2014-11-01&g=2014-11-01), blijven in dit geval buiten toepassing.
##### Artikel 386
1. De oproeping voldoet aan de eisen die in [artikel 261, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=261&z=2014-07-01&g=2014-07-01), aan de dagvaarding zijn gesteld, met dien verstande dat met een korte aanduiding van het feit kan worden volstaan. [Artikel 260, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=260&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
1. De oproeping voldoet aan de eisen die in [artikel 261, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=261&z=2014-11-01&g=2014-11-01), aan de dagvaarding zijn gesteld, met dien verstande dat met een korte aanduiding van het feit kan worden volstaan. [Artikel 260, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=260&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
2. Bij de oproeping wordt vermeld dat de korte aanduiding van het feit bij de aanvang van het onderzoek op de zitting zal worden aangevuld of verbeterd. De schriftelijke aanvulling of verbetering kan tien dagen voor de aanvang van de terechtzitting op de griffie van de rechtbank worden ingezien.
@@ -4820,7 +4820,7 @@
1. De vereisten, waaraan het formulier van de oproeping van de verdachte om ter terechtzitting te verschijnen moet voldoen, worden vastgesteld door Onze Minister van Veiligheid en Justitie.
2. Onze Minister van Veiligheid en Justitie is bevoegd nadere voorschriften te geven ter uitvoering van de [artikelen 384–387](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VIII&artikel=384&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
2. Onze Minister van Veiligheid en Justitie is bevoegd nadere voorschriften te geven ter uitvoering van de [artikelen 384–387](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VIII&artikel=384&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
##### Artikel 389
@@ -4828,7 +4828,7 @@
##### Artikel 390
1. In zaken, welke door oproeping op den dag zelven ter terechtzitting aanhangig zijn gemaakt, kunnen getuigen door den ambtenaar, die het feit heeft opgespoord, worden uitgenoodigd om ter terechtzitting van de kantonrechter te verschijnen. De uitnoodiging wordt op de wijze als is voorzien in [artikel 587, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=587&z=2014-07-01&g=2014-07-01), uitgereikt aan den persoon van den getuige of te zijner woon- of verblijfplaats aan een zijner huisgenooten.
1. In zaken, welke door oproeping op den dag zelven ter terechtzitting aanhangig zijn gemaakt, kunnen getuigen door den ambtenaar, die het feit heeft opgespoord, worden uitgenoodigd om ter terechtzitting van de kantonrechter te verschijnen. De uitnoodiging wordt op de wijze als is voorzien in [artikel 587, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=587&z=2014-11-01&g=2014-11-01), uitgereikt aan den persoon van den getuige of te zijner woon- of verblijfplaats aan een zijner huisgenooten.
2. Een dubbel der uitnoodiging wordt bij de processtukken gevoegd.
@@ -4840,9 +4840,9 @@
##### Artikel 392
1. Indien de zaak aanhangig is gemaakt door oproeping, is [artikel 280, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=280&z=2014-07-01&g=2014-07-01), betreffende het verstek van toepassing.
2. De [artikelen 366](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=366&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [408](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=408&z=2014-07-01&g=2014-07-01) met betrekking tot een dagvaarding om ter terechtzitting te verschijnen, welke aan de verdachte in persoon is betekend, zijn van overeenkomstige toepassing op een oproeping die aan de verdachte in persoon is uitgereikt.
1. Indien de zaak aanhangig is gemaakt door oproeping, is [artikel 280, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=280&z=2014-11-01&g=2014-11-01), betreffende het verstek van toepassing.
2. De [artikelen 366](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=366&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [408](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=408&z=2014-11-01&g=2014-11-01) met betrekking tot een dagvaarding om ter terechtzitting te verschijnen, welke aan de verdachte in persoon is betekend, zijn van overeenkomstige toepassing op een oproeping die aan de verdachte in persoon is uitgereikt.
##### Artikel 393
@@ -4856,7 +4856,7 @@
##### Artikel 395
1. De kantonrechter geeft na de sluiting van het onderzoek op de terechtzitting hetzij onmiddellijk hetzij diezelfde dag op een door hem bij de sluiting van het onderzoek te bepalen uur mondeling vonnis. De [artikelen 357](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=357&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [359, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=359&z=2014-07-01&g=2014-07-01), blijven buiten toepassing.
1. De kantonrechter geeft na de sluiting van het onderzoek op de terechtzitting hetzij onmiddellijk hetzij diezelfde dag op een door hem bij de sluiting van het onderzoek te bepalen uur mondeling vonnis. De [artikelen 357](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=357&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [359, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=359&z=2014-11-01&g=2014-11-01), blijven buiten toepassing.
2. Het vonnis wordt in het proces-verbaal der terechtzitting aangetekend op de wijze door Onze Minister van Veiligheid en Justitie te bepalen
@@ -4864,19 +4864,19 @@
- b. indien de officier van justitie, de verdachte of zijn raadsman dan wel de benadeelde partij uiterlijk drie maanden na de uitspraak daartoe een vordering indient of het verzoek doet;
- c. indien een gewoon rechtsmiddel tegen het vonnis is aangewend, tenzij het aanwenden van het rechtsmiddel meer dan drie maanden na de uitspraak is geschied of sprake is van een vonnis als bedoeld in [artikel 410a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=410a&z=2014-07-01&g=2014-07-01);
- d. indien het vonnis bij verstek is gewezen en de dagvaarding niet in persoon is betekend en zich geen omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of nadere terechtzitting aan de verdachte bekend was, terwijl op de terechtzitting getuigen of deskundigen zijn gehoord dan wel een benadeelde partij zich in het strafproces heeft gevoegd, tenzij sprake is van een vonnis als bedoeld in [artikel 410a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=410a&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
- c. indien een gewoon rechtsmiddel tegen het vonnis is aangewend, tenzij het aanwenden van het rechtsmiddel meer dan drie maanden na de uitspraak is geschied of sprake is van een vonnis als bedoeld in [artikel 410a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=410a&z=2014-11-01&g=2014-11-01);
- d. indien het vonnis bij verstek is gewezen en de dagvaarding niet in persoon is betekend en zich geen omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of nadere terechtzitting aan de verdachte bekend was, terwijl op de terechtzitting getuigen of deskundigen zijn gehoord dan wel een benadeelde partij zich in het strafproces heeft gevoegd, tenzij sprake is van een vonnis als bedoeld in [artikel 410a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=410a&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
3. Zodra het proces-verbaal der terechtzitting is getekend, kunnen de verdachte, zijn raadsman of de benadeelde partij daarvan kennis nemen. De kantonrechter verstrekt desgevraagd een afschrift van het proces-verbaal aan de verdachte, zijn raadsman of de benadeelde partij.
4. [Artikel 365, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=365&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
4. [Artikel 365, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=365&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 395a
1. Behoudens het bepaalde in [artikel 395, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VIII&artikel=395&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en indien schriftelijk vonnis wordt gewezen, blijft het opmaken van het proces-verbaal der terechtzitting achterwege en wordt de uitspraak binnen tweemaal vier en twintig uur op een aan het dubbel van de dagvaarding te hechten stuk aangetekend. De aantekening wordt door de kantonrechter gewaarmerkt.
2. De gegevens die de aantekening, bedoeld in het vorige lid, moet bevatten, worden, onverminderd het bepaalde in [artikel 397a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VIII&artikel=397&z=2014-07-01&g=2014-07-01), vastgesteld door Onze Minister van Veiligheid en Justitie. De aantekening vermeldt in ieder geval:
1. Behoudens het bepaalde in [artikel 395, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VIII&artikel=395&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en indien schriftelijk vonnis wordt gewezen, blijft het opmaken van het proces-verbaal der terechtzitting achterwege en wordt de uitspraak binnen tweemaal vier en twintig uur op een aan het dubbel van de dagvaarding te hechten stuk aangetekend. De aantekening wordt door de kantonrechter gewaarmerkt.
2. De gegevens die de aantekening, bedoeld in het vorige lid, moet bevatten, worden, onverminderd het bepaalde in [artikel 397a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VIII&artikel=397&z=2014-11-01&g=2014-11-01), vastgesteld door Onze Minister van Veiligheid en Justitie. De aantekening vermeldt in ieder geval:
- 1°. de naam van de kantonrechter, de dag van de uitspraak en de omstandigheid of de uitspraak bij verstek of op tegenspraak is gedaan;
@@ -4886,7 +4886,7 @@
3. Zodra de aantekening is gewaarmerkt, kunnen de verdachte en zijn raadsman daarvan kennis nemen. De kantonrechter verstrekt desgevraagd een afschrift van de aantekening aan de verdachte en zijn raadsman.
4. Wordt alsnog aan [artikel 395, tweede lid, onder b of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VIII&artikel=395&z=2014-07-01&g=2014-07-01), toepassing gegeven, dan komt de in de vorige leden van dit artikel bedoelde aantekening te vervallen. De griffier haalt alsdan de aantekening door.
4. Wordt alsnog aan [artikel 395, tweede lid, onder b of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VIII&artikel=395&z=2014-11-01&g=2014-11-01), toepassing gegeven, dan komt de in de vorige leden van dit artikel bedoelde aantekening te vervallen. De griffier haalt alsdan de aantekening door.
##### Artikel 396
@@ -4894,7 +4894,7 @@
2. De uitspraak mag alsdan in geen geval later plaatsvinden dan op de veertiende dag na sluiting van het onderzoek.
3. [Artikel 345, laatste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=345&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
3. [Artikel 345, laatste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=345&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 397
@@ -4906,21 +4906,21 @@
2. Afstand ter terechtzitting van rechtsmiddelen wordt in het proces-verbaal dier terechtzitting vermeld.
3. Indien het opmaken van het proces-verbaal van de terechtzitting achterwege is gebleven, geschiedt de vermelding, dat afstand van rechtsmiddelen is gedaan, in de aantekening, bedoeld in [artikel 395**a,** eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VIII&artikel=395a&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
3. Indien het opmaken van het proces-verbaal van de terechtzitting achterwege is gebleven, geschiedt de vermelding, dat afstand van rechtsmiddelen is gedaan, in de aantekening, bedoeld in [artikel 395**a,** eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VIII&artikel=395a&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
##### Artikel 398
Op het rechtsgeding bij de kantonrechter zijn overigens de [Vijfde Titel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en de [Zesde Titel van dit Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&z=2014-07-01&g=2014-07-01) van overeenkomstige toepassing, behoudens de navolgende uitzonderingen:
- 1°. Indien door de rechter-commissaris overeenkomstig de [Zevende Titel van het Vierde Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VII&z=2014-07-01&g=2014-07-01) bevelen tot handhaving der openbare orde zijn gegeven, is de termijn van dagvaarding ten minste twee dagen. Deze termijn wordt, zo nodig, zoveel verlengd, dat daarin ten minste één dag voorkomt, die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.
Op het rechtsgeding bij de kantonrechter zijn overigens de [Vijfde Titel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en de [Zesde Titel van dit Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&z=2014-11-01&g=2014-11-01) van overeenkomstige toepassing, behoudens de navolgende uitzonderingen:
- 1°. Indien door de rechter-commissaris overeenkomstig de [Zevende Titel van het Vierde Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VII&z=2014-11-01&g=2014-11-01) bevelen tot handhaving der openbare orde zijn gegeven, is de termijn van dagvaarding ten minste twee dagen. Deze termijn wordt, zo nodig, zoveel verlengd, dat daarin ten minste één dag voorkomt, die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.
- 2°. De verdachte kan, tenzij hij vervolgd wordt ter zake van misdrijf of de kantonrechter beveelt dat hij in persoon zal verschijnen, zich op de terechtzitting doen vertegenwoordigen door een advocaat, indien deze aldaar verklaart daartoe bepaaldelijk gevolmachtigd te zijn, of wel door een daartoe bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde.
- 3°. De bepalingen betrekkelijk de voordracht van de zaak door het openbaar ministerie, de voorlopige hechtenis en het bezwaarschrift tegen de dagvaarding zijn niet van toepassing.
- 4°. In geval van [artikel 295](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=295&z=2014-07-01&g=2014-07-01) worden de stukken toegezonden aan de officier van justitie in het arrondissement waarin de rechtbank is gelegen die bevoegd is tot kennisneming van het misdrijf.
- 5°. Tenzij de ter terechtzitting verschenen verdachte of zijn aldaar aanwezige raadsman voorlezing of mededeling van de korte inhoud van bepaald aangeduide stukken verlangt, kan de kantonrechter in plaats van de voorlezing van de processen-verbaal, de verslagen van deskundigen of andere stukken vermeld in [artikel 301](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=301&z=2014-07-01&g=2014-07-01), gelasten dat in het proces-verbaal van de terechtzitting wordt aangetekend dat die stukken zijn overgelegd; daarop mag ook ten bezware van de verdachte acht worden geslagen.
- 4°. In geval van [artikel 295](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=295&z=2014-11-01&g=2014-11-01) worden de stukken toegezonden aan de officier van justitie in het arrondissement waarin de rechtbank is gelegen die bevoegd is tot kennisneming van het misdrijf.
- 5°. Tenzij de ter terechtzitting verschenen verdachte of zijn aldaar aanwezige raadsman voorlezing of mededeling van de korte inhoud van bepaald aangeduide stukken verlangt, kan de kantonrechter in plaats van de voorlezing van de processen-verbaal, de verslagen van deskundigen of andere stukken vermeld in [artikel 301](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=301&z=2014-11-01&g=2014-11-01), gelasten dat in het proces-verbaal van de terechtzitting wordt aangetekend dat die stukken zijn overgelegd; daarop mag ook ten bezware van de verdachte acht worden geslagen.
- 6°. Vervallen.
@@ -4938,7 +4938,7 @@
- 13°. Vervallen.
- 14°. De in [artikel 366](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=366&z=2014-07-01&g=2014-07-01) bedoelde mededeling behoeft niet te geschieden tenzij:
- 14°. De in [artikel 366](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=366&z=2014-11-01&g=2014-11-01) bedoelde mededeling behoeft niet te geschieden tenzij:
- a. ten aanzien van de verdachte [artikel 14**a** van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=14a) is toegepast, dan wel,
@@ -4984,7 +4984,7 @@
- b. geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan een geldboete tot een maximum – of, wanneer bij het vonnis twee of meer geldboetes werden opgelegd, geldboetes tot een gezamenlijk maximum – van € 50.
3. In afwijking van het tweede lid staat voor de verdachte hoger beroep open tegen een bij verstek gewezen vonnis als bedoeld in het tweede lid, onder a en b, indien de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting in eerste aanleg te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte niet in persoon is gedaan of betekend en zich geen andere omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was. De vorige zin is niet van toepassing in geval de dagvaarding of oproeping binnen zes weken nadat door de verdachte op de voet van [artikel 257e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=IVa&afdeling=Vijfde&artikel=257e&z=2014-07-01&g=2014-07-01) verzet is gedaan, rechtsgeldig aan de verdachte is betekend met inachtneming van [artikel 588a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=588a&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
3. In afwijking van het tweede lid staat voor de verdachte hoger beroep open tegen een bij verstek gewezen vonnis als bedoeld in het tweede lid, onder a en b, indien de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting in eerste aanleg te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte niet in persoon is gedaan of betekend en zich geen andere omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was. De vorige zin is niet van toepassing in geval de dagvaarding of oproeping binnen zes weken nadat door de verdachte op de voet van [artikel 257e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=IVa&afdeling=Vijfde&artikel=257e&z=2014-11-01&g=2014-11-01) verzet is gedaan, rechtsgeldig aan de verdachte is betekend met inachtneming van [artikel 588a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=588a&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
4. Tegen de in het tweede lid, onder a en b, bedoelde vonnissen waartegen geen hoger beroep openstaat, staat evenmin beroep in cassatie open, tenzij zij een overtreding betreffen van een verordening van een provincie, een gemeente, een waterschap of een met toepassing van de [Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740) ingesteld openbaar lichaam.
@@ -5016,7 +5016,7 @@
- c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was;
- d. de dagvaarding of oproeping binnen zes weken nadat door de verdachte op de voet van [artikel 257e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=IVa&afdeling=Vijfde&artikel=257e&z=2014-07-01&g=2014-07-01) verzet is gedaan, rechtsgeldig aan de verdachte is betekend met inachtneming van [artikel 588a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=588a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en in eerste aanleg geen onvoorwaardelijke straf of maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming van langere duur meebrengt dan zes maanden.
- d. de dagvaarding of oproeping binnen zes weken nadat door de verdachte op de voet van [artikel 257e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=IVa&afdeling=Vijfde&artikel=257e&z=2014-11-01&g=2014-11-01) verzet is gedaan, rechtsgeldig aan de verdachte is betekend met inachtneming van [artikel 588a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=588a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en in eerste aanleg geen onvoorwaardelijke straf of maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming van langere duur meebrengt dan zes maanden.
2. In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is.
@@ -5032,7 +5032,7 @@
##### Artikel 408a
Indien het hoger beroep is ingesteld door de verdachte in persoon of door een gemachtigde ingevolge [artikel 450, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=V&artikel=450&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan aanstonds een oproeping van de verdachte worden betekend om tegen een bepaalde datum ter terechtzitting te verschijnen, ten einde terecht te staan ter zake van een of meer van de feiten hem in eerste aanleg telastegelegd.
Indien het hoger beroep is ingesteld door de verdachte in persoon of door een gemachtigde ingevolge [artikel 450, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=V&artikel=450&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan aanstonds een oproeping van de verdachte worden betekend om tegen een bepaalde datum ter terechtzitting te verschijnen, ten einde terecht te staan ter zake van een of meer van de feiten hem in eerste aanleg telastegelegd.
##### Artikel 409
@@ -5040,7 +5040,7 @@
2. Indien hoger beroep alleen door de officier van justitie is ingesteld, geschiedt de inzending niet of wordt aan haar, heeft zij ten onrechte plaatsgehad, geen gevolg gegeven, dan nadat het beroep aan de verdachte is betekend.
3. Is het hoger beroep door de officier van justitie de verdachte niet in persoon betekend, dan vindt het tweede lid overeenkomstige toepassing, zolang de termijn voor het instellen van hoger beroep voor de verdachte niet is verstreken dan wel, indien de verdachte inmiddels hoger beroep heeft ingesteld, zolang de termijn voor het indienen van een schriftuur als bedoeld in [artikel 410](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=410&z=2014-07-01&g=2014-07-01) niet is verstreken.
3. Is het hoger beroep door de officier van justitie de verdachte niet in persoon betekend, dan vindt het tweede lid overeenkomstige toepassing, zolang de termijn voor het instellen van hoger beroep voor de verdachte niet is verstreken dan wel, indien de verdachte inmiddels hoger beroep heeft ingesteld, zolang de termijn voor het indienen van een schriftuur als bedoeld in [artikel 410](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=410&z=2014-11-01&g=2014-11-01) niet is verstreken.
4. Indien de officier van justitie hoger beroep heeft ingesteld tegen een vonnis waarbij de verdachte van de gehele telastlegging is vrijgesproken, terwijl het vonnis is gewezen nadat de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting in eerste aanleg te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte niet in persoon is gedaan of betekend en zich geen andere omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was, geschiedt de inzending niet of wordt aan haar, heeft zij ten onrechte plaatsgehad, geen gevolg gegeven, dan nadat het hoger beroep aan de verdachte in persoon is betekend.
@@ -5050,9 +5050,9 @@
2. De schriftuur wordt onverwijld bij de processtukken gevoegd.
3. De verdachte kan, onverminderd [artikel 414](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=414&z=2014-07-01&g=2014-07-01), in de schriftuur opgeven welke getuigen en deskundigen hij ter terechtzitting wil doen oproepen. Deze opgave wordt als een opgave in de zin van [artikel 263, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=263&z=2014-07-01&g=2014-07-01), aangemerkt. [Artikel 264](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=264&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is van overeenkomstige toepassing. De advocaat-generaal kan, in het geval de berechting in eerste aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden, oproeping voorts weigeren indien de getuige of deskundige ter terechtzitting in eerste aanleg dan wel door de rechter-commissaris is gehoord en horen ter terechtzitting niet noodzakelijk is te achten.
4. Ingeval door de verdachte geen schriftuur als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend, dient hij binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank als bedoeld in [artikel 410a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=410a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), een schriftuur in op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen, met een opgave van de redenen voor het instellen van het hoger beroep. Deze verplichting geldt niet in het geval, omschreven in [artikel 410a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=410a&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
3. De verdachte kan, onverminderd [artikel 414](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=414&z=2014-11-01&g=2014-11-01), in de schriftuur opgeven welke getuigen en deskundigen hij ter terechtzitting wil doen oproepen. Deze opgave wordt als een opgave in de zin van [artikel 263, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=263&z=2014-11-01&g=2014-11-01), aangemerkt. [Artikel 264](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=264&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is van overeenkomstige toepassing. De advocaat-generaal kan, in het geval de berechting in eerste aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden, oproeping voorts weigeren indien de getuige of deskundige ter terechtzitting in eerste aanleg dan wel door de rechter-commissaris is gehoord en horen ter terechtzitting niet noodzakelijk is te achten.
4. Ingeval door de verdachte geen schriftuur als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend, dient hij binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank als bedoeld in [artikel 410a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=410a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), een schriftuur in op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen, met een opgave van de redenen voor het instellen van het hoger beroep. Deze verplichting geldt niet in het geval, omschreven in [artikel 410a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=410a&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
##### Artikel 411
@@ -5066,43 +5066,43 @@
3. Indien de zaak naar het oordeel van de enkelvoudige kamer ongeschikt is voor behandeling en beslissing door de enkelvoudige kamer, verwijst zij deze naar de meervoudige kamer.
4. De zaak wordt bij verwijzing op de bestaande telastlegging aanhangig gemaakt door aanzegging aan de verdachte, vanwege het openbaar ministerie, van de dag van de nadere terechtzitting. Op deze aanzegging zijn de [artikelen 412, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=412&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [413](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=413&z=2014-07-01&g=2014-07-01) van overeenkomstige toepassing. Op de behandeling voor de meervoudige kamer is [artikel 377, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VII&artikel=377&z=2014-07-01&g=2014-07-01), mede van overeenkomstige toepassing.
4. De zaak wordt bij verwijzing op de bestaande telastlegging aanhangig gemaakt door aanzegging aan de verdachte, vanwege het openbaar ministerie, van de dag van de nadere terechtzitting. Op deze aanzegging zijn de [artikelen 412, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=412&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [413](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=413&z=2014-11-01&g=2014-11-01) van overeenkomstige toepassing. Op de behandeling voor de meervoudige kamer is [artikel 377, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VII&artikel=377&z=2014-11-01&g=2014-11-01), mede van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 411a
1. Indien tegen het vonnis in eerste aanleg hoger beroep is ingesteld, doch het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep nog niet is aangevangen, kan de rechter-commissaris behorende bij de rechtbank die in eerste aanleg heeft gevonnist of de raadsheer-commissaris behorende bij het gerechtshof, op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman, nader onderzoek verrichten.
2. Het onderzoek door de rechter-commissaris of raadsheer-commissaris vindt plaats overeenkomstig de [tweede tot en met vijfde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [zevende afdeling van de Derde Titel van het Tweede Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Zevende&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
2. Het onderzoek door de rechter-commissaris of raadsheer-commissaris vindt plaats overeenkomstig de [tweede tot en met vijfde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [zevende afdeling van de Derde Titel van het Tweede Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Zevende&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
##### Artikel 412
1. Zo mogelijk binnen acht dagen nadat de stukken op de griffie zijn overgebracht, bepaalt de voorzitter op voordracht van de advocaat-generaal, de dag van de terechtzitting, behoudens in geval van toepassing van [artikel 408a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=408a&z=2014-07-01&g=2014-07-01). [Artikel 258, tweede lid, tweede tot en met vierde volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=258&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
1. Zo mogelijk binnen acht dagen nadat de stukken op de griffie zijn overgebracht, bepaalt de voorzitter op voordracht van de advocaat-generaal, de dag van de terechtzitting, behoudens in geval van toepassing van [artikel 408a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=408a&z=2014-11-01&g=2014-11-01). [Artikel 258, tweede lid, tweede tot en met vierde volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=258&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
2. De zaak wordt in hoger beroep ter terechtzitting aanhangig gemaakt door een oproeping of dagvaarding vanwege de advocaat-generaal aan de verdachte betekend, ten einde terecht te staan ter zake van een of meer van de feiten hem in eerste aanleg telastegelegd.
3. Ten aanzien van die dagvaarding is [artikel 260](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=260&z=2014-07-01&g=2014-07-01) van toepassing, behoudens dat daarbij de verdachte, in plaats van op de voorschriften van [artikel 262, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=262&z=2014-07-01&g=2014-07-01), op die van [artikel 414](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=414&z=2014-07-01&g=2014-07-01) wordt opmerkzaam gemaakt.
4. Op de gronden in [artikel 259](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=259&z=2014-07-01&g=2014-07-01) vermeld, kunnen verschillende zaken gevoegd aanhangig worden gemaakt.
3. Ten aanzien van die dagvaarding is [artikel 260](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=260&z=2014-11-01&g=2014-11-01) van toepassing, behoudens dat daarbij de verdachte, in plaats van op de voorschriften van [artikel 262, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=262&z=2014-11-01&g=2014-11-01), op die van [artikel 414](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=414&z=2014-11-01&g=2014-11-01) wordt opmerkzaam gemaakt.
4. Op de gronden in [artikel 259](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=259&z=2014-11-01&g=2014-11-01) vermeld, kunnen verschillende zaken gevoegd aanhangig worden gemaakt.
##### Artikel 413
1. Tussen de dag waarop de dagvaarding aan de verdachte is betekend en die der terechtzitting moet een termijn van tenminste tien dagen verlopen. [Artikel 265, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=265&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
1. Tussen de dag waarop de dagvaarding aan de verdachte is betekend en die der terechtzitting moet een termijn van tenminste tien dagen verlopen. [Artikel 265, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=265&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
2. Heeft de benadeelde partij zich in eerste aanleg in het geding gevoegd, dan doet de advocaat-generaal haar den dag schriftelijk mededelen waarop de zaak op de terechtzitting zal worden behandeld.
3. Indien het slachtoffer of de nabestaande in eerste aanleg gebruik heeft gemaakt van zijn recht om te verklaren op grond van [artikel 51e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Eerste&artikel=51e&z=2014-07-01&g=2014-07-01), doet de advocaat-generaal deze schriftelijk mededeling van de datum en het tijdstip waarop de zaak op de terechtzitting zal worden behandeld.
3. Indien het slachtoffer of de nabestaande in eerste aanleg gebruik heeft gemaakt van zijn recht om te verklaren op grond van [artikel 51e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Eerste&artikel=51e&z=2014-11-01&g=2014-11-01), doet de advocaat-generaal deze schriftelijk mededeling van de datum en het tijdstip waarop de zaak op de terechtzitting zal worden behandeld.
##### Artikel 414
1. De advocaat-generaal en de verdachte kunnen zoowel ter terechtzitting in eersten aanleg gehoorde als nieuwe getuigen en deskundigen doen dagvaarden of schriftelijk doen oproepen. Zij kunnen ook nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging overleggen.
2. De [artikelen 263, tweede tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=264&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [264](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=264&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing. Indien de verdachte hoger beroep heeft ingesteld kan de advocaat-generaal bij een met redenen omklede beslissing een niet bij schriftuur door de verdachte opgegeven getuige of deskundige weigeren te doen oproepen, indien horen ter terechtzitting niet noodzakelijk is te achten.
3. Het slachtoffer of de nabestaande die in eerste aanleg geen gebruik heeft gemaakt van zijn recht om te verklaren op grond van [artikel 51e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Eerste&artikel=51e&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan van zijn voornemen daartoe schriftelijk kennis geven aan de advocaat-generaal of het gerechtshof. [Artikel 260, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=260&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
2. De [artikelen 263, tweede tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=264&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [264](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=264&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van overeenkomstige toepassing. Indien de verdachte hoger beroep heeft ingesteld kan de advocaat-generaal bij een met redenen omklede beslissing een niet bij schriftuur door de verdachte opgegeven getuige of deskundige weigeren te doen oproepen, indien horen ter terechtzitting niet noodzakelijk is te achten.
3. Het slachtoffer of de nabestaande die in eerste aanleg geen gebruik heeft gemaakt van zijn recht om te verklaren op grond van [artikel 51e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Eerste&artikel=51e&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan van zijn voornemen daartoe schriftelijk kennis geven aan de advocaat-generaal of het gerechtshof. [Artikel 260, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=260&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 415
1. Behoudens de volgende artikelen van deze titel, zijn de [artikelen 268 tot en met 314](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=268&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [315 tot en met 353](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=315&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [356 tot en met 366a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=356&z=2014-07-01&g=2014-07-01) op het rechtsgeding voor het gerechtshof van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in afwijking van het tweede lid van [artikel 365a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=365a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) aanvulling ook plaats vindt indien het cassatieberoep meer dan drie maanden na de dag van de uitspraak is ingesteld of sprake is van een hoger beroep als bedoeld in [artikel 410a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=410a&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
1. Behoudens de volgende artikelen van deze titel, zijn de [artikelen 268 tot en met 314](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=268&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [315 tot en met 353](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=315&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [356 tot en met 366a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=356&z=2014-11-01&g=2014-11-01) op het rechtsgeding voor het gerechtshof van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in afwijking van het tweede lid van [artikel 365a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=365a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) aanvulling ook plaats vindt indien het cassatieberoep meer dan drie maanden na de dag van de uitspraak is ingesteld of sprake is van een hoger beroep als bedoeld in [artikel 410a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=410a&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
2. Het gerechtshof richt het onderzoek ter terechtzitting op de bezwaren die door de verdachte en het openbaar ministerie worden ingebracht tegen het vonnis, in eerste aanleg gewezen, en op hetgeen overigens nodig is.
@@ -5112,7 +5112,7 @@
2. Indien de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft, kan het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard.
3. Indien van de zijde van het openbaar ministerie geen schriftuur houdende grieven, als bedoeld in [artikel 410, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=410&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is ingediend, kan het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard.
3. Indien van de zijde van het openbaar ministerie geen schriftuur houdende grieven, als bedoeld in [artikel 410, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=410&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is ingediend, kan het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard.
##### Artikel 417
@@ -5122,7 +5122,7 @@
##### Artikel 418
1. De oproeping van niet verschenen getuigen kan worden geweigerd in de gevallen, genoemd in [artikel 288](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=288&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
1. De oproeping van niet verschenen getuigen kan worden geweigerd in de gevallen, genoemd in [artikel 288](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=288&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
2. In het geval de berechting in eerste aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden, kan oproeping ook worden geweigerd indien de getuige of deskundige ter terechtzitting in eerste aanleg dan wel door de rechter-commissaris is gehoord en het gerechtshof horen ter terechtzitting niet noodzakelijk oordeelt.
@@ -5130,13 +5130,13 @@
##### Artikel 419
In geval van [artikel 295](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=295&z=2014-07-01&g=2014-07-01) wordt het proces-verbaal met de andere processtukken door den advocaat-generaal toegezonden aan de officier van justitie in het arrondissement waarin de rechtbank is gelegen die in eerste aanleg heeft gevonnist, en is alleen die rechtbank bevoegd van het misdrijf kennis te nemen.
In geval van [artikel 295](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=295&z=2014-11-01&g=2014-11-01) wordt het proces-verbaal met de andere processtukken door den advocaat-generaal toegezonden aan de officier van justitie in het arrondissement waarin de rechtbank is gelegen die in eerste aanleg heeft gevonnist, en is alleen die rechtbank bevoegd van het misdrijf kennis te nemen.
##### Artikel 420
1. In de gevallen van de [artikelen 295](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=295&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [316](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=316&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [347](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=347&z=2014-07-01&g=2014-07-01) wordt het onderzoek gevoerd door een rechter-commissaris in de rechtbank die in eerste aanleg heeft gevonnist dan wel een raadsheer-commissaris bij het gerechtshof waar de zaak aanhangig is.
2. Het onderzoek door rechter- of raadsheer-commissaris, bedoeld in het eerste lid wordt overeenkomstig [de tweede tot en met de vijfde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en de [zevende afdeling van de Derde Titel van het Tweede Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Zevende&z=2014-07-01&g=2014-07-01) gevoerd. Bij het onderzoek door de raadsheer-commissaris is de [Tweede Titel van het Tweede Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=II&z=2014-07-01&g=2014-07-01) van overeenkomstige toepassing.
1. In de gevallen van de [artikelen 295](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=295&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [316](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=316&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [347](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=347&z=2014-11-01&g=2014-11-01) wordt het onderzoek gevoerd door een rechter-commissaris in de rechtbank die in eerste aanleg heeft gevonnist dan wel een raadsheer-commissaris bij het gerechtshof waar de zaak aanhangig is.
2. Het onderzoek door rechter- of raadsheer-commissaris, bedoeld in het eerste lid wordt overeenkomstig [de tweede tot en met de vijfde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en de [zevende afdeling van de Derde Titel van het Tweede Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Zevende&z=2014-11-01&g=2014-11-01) gevoerd. Bij het onderzoek door de raadsheer-commissaris is de [Tweede Titel van het Tweede Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=II&z=2014-11-01&g=2014-11-01) van overeenkomstige toepassing.
3. Indien het onderzoek geschiedt door een raadsheer-commissaris, geldt al hetgeen bepaald is omtrent de rechtbank, de rechter-commissaris, de officier van justitie en de griffier, ten aanzien van het gerechtshof, de raadsheer-commissaris, de advocaat-generaal en de griffier van het gerechtshof.
@@ -5144,21 +5144,21 @@
##### Artikel 421
1. De benadeelde partij die zich niet overeenkomstig [artikel 51g, eerste of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Tweede&artikel=51g&z=2014-07-01&g=2014-07-01), in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, is daartoe onbevoegd in het geding in hoger beroep.
1. De benadeelde partij die zich niet overeenkomstig [artikel 51g, eerste of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Tweede&artikel=51g&z=2014-11-01&g=2014-11-01), in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, is daartoe onbevoegd in het geding in hoger beroep.
2. Heeft de voeging in eerste aanleg plaats gehad, dan duurt zij, voor zover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen, van rechtswege voort in hoger beroep.
3. Voor zover de gevorderde schadevergoeding niet is toegewezen kan de benadeelde partij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering in hoger beroep voegen. [Titel IIIa van het Eerste Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is, met uitzondering van [artikel 51f, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Tweede&artikel=51f&z=2014-07-01&g=2014-07-01), van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de ingevolge [artikel 51g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Tweede&artikel=51g&z=2014-07-01&g=2014-07-01) vereiste opgave kan worden volstaan met een verwijzing naar de opgave van de eerste vordering, indien deze ongewijzigd is gebleven.
4. Indien geen hoger beroep is ingesteld, kan de benadeelde partij tegen het deel van het vonnis waarbij haar vordering is afgewezen, tegen deze afwijzing in hoger beroep komen bij het gerechtshof. De [tweede afdeling van de Zesde Titel van Boek II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Tweede&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is niet van toepassing. De bepalingen van het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827) inzake het rechtsgeding in hoger beroep en cassatie zijn van overeenkomstige toepassing. Voor het geding wordt geen griffierecht geheven.
5. Indien geen hoger beroep is ingesteld en tegen de vordering op de voet van [artikel 51g, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Tweede&artikel=51g&z=2014-07-01&g=2014-07-01), verweer is gevoerd door de ouders of voogd van de veroordeelde, kunnen deze tegen de toewijzing van de vordering in hoger beroep komen bij het gerechtshof. De [tweede afdeling van de Zesde Titel van Boek II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Tweede&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is niet van toepassing. De bepalingen van het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827) inzake het rechtsgeding in hoger beroep zijn van overeenkomstige toepassing. Voor het geding wordt geen griffierecht geheven.
3. Voor zover de gevorderde schadevergoeding niet is toegewezen kan de benadeelde partij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering in hoger beroep voegen. [Titel IIIa van het Eerste Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is, met uitzondering van [artikel 51f, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Tweede&artikel=51f&z=2014-11-01&g=2014-11-01), van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de ingevolge [artikel 51g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Tweede&artikel=51g&z=2014-11-01&g=2014-11-01) vereiste opgave kan worden volstaan met een verwijzing naar de opgave van de eerste vordering, indien deze ongewijzigd is gebleven.
4. Indien geen hoger beroep is ingesteld, kan de benadeelde partij tegen het deel van het vonnis waarbij haar vordering is afgewezen, tegen deze afwijzing in hoger beroep komen bij het gerechtshof. De [tweede afdeling van de Zesde Titel van Boek II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Tweede&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is niet van toepassing. De bepalingen van het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827) inzake het rechtsgeding in hoger beroep en cassatie zijn van overeenkomstige toepassing. Voor het geding wordt geen griffierecht geheven.
5. Indien geen hoger beroep is ingesteld en tegen de vordering op de voet van [artikel 51g, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Tweede&artikel=51g&z=2014-11-01&g=2014-11-01), verweer is gevoerd door de ouders of voogd van de veroordeelde, kunnen deze tegen de toewijzing van de vordering in hoger beroep komen bij het gerechtshof. De [tweede afdeling van de Zesde Titel van Boek II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Tweede&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is niet van toepassing. De bepalingen van het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827) inzake het rechtsgeding in hoger beroep zijn van overeenkomstige toepassing. Voor het geding wordt geen griffierecht geheven.
##### Artikel 422
1. Na sluiting van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep stelt het gerechtshof naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vast of de uitreiking van de dagvaarding of oproeping in hoger beroep geldig is alsmede of het hoger beroep is ingesteld overeenkomstig de eisen die dit wetboek daaraan stelt.
2. Indien de uitreiking van de dagvaarding of oproeping in hoger beroep geldig is en het hoger beroep overeenkomstig de eisen van dit wetboek is ingesteld, geschiedt de beraadslaging in hoger beroep, bedoeld in de [artikelen 348](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=348&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [350](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=350&z=2014-07-01&g=2014-07-01), naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep. De beraadslaging geschiedt voorts naar aanleiding van het onderzoek in eerste aanleg, zoals dit volgens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft plaatsgehad, tenzij [artikel 378a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VII&artikel=378a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) of [artikel 395a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VIII&artikel=395a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) in eerste aanleg is toegepast.
2. Indien de uitreiking van de dagvaarding of oproeping in hoger beroep geldig is en het hoger beroep overeenkomstig de eisen van dit wetboek is ingesteld, geschiedt de beraadslaging in hoger beroep, bedoeld in de [artikelen 348](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=348&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [350](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=350&z=2014-11-01&g=2014-11-01), naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep. De beraadslaging geschiedt voorts naar aanleiding van het onderzoek in eerste aanleg, zoals dit volgens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft plaatsgehad, tenzij [artikel 378a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VII&artikel=378a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) of [artikel 395a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VIII&artikel=395a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) in eerste aanleg is toegepast.
##### Artikel 422a
@@ -5186,7 +5186,7 @@
##### Artikel 425
1. Degene die zitting heeft in een enkelvoudige kamer als bedoeld in [artikel 411, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=411&z=2014-07-01&g=2014-07-01), heeft de bevoegdheden die aan de voorzitter van de meervoudige kamer toekomen.
1. Degene die zitting heeft in een enkelvoudige kamer als bedoeld in [artikel 411, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=411&z=2014-11-01&g=2014-11-01), heeft de bevoegdheden die aan de voorzitter van de meervoudige kamer toekomen.
2. De enkelvoudige kamer geeft na sluiting van het onderzoek op de terechtzitting hetzij onmiddellijk hetzij diezelfde dag op een door haar bij de sluiting van het onderzoek te bepalen uur mondeling arrest.
@@ -5202,11 +5202,11 @@
4. Zodra het proces-verbaal van de terechtzitting is getekend, kunnen de verdachte en zijn raadsman daarvan kennis nemen. De enkelvoudige kamer verstrekt desgevraagd een afschrift van het proces-verbaal aan de verdachte en zijn raadsman.
5. De [artikelen 365, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=365&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [381, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VII&artikel=381&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [397a, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VIII&artikel=397a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), zijn van overeenkomstige toepassing.
5. De [artikelen 365, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=365&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [381, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VII&artikel=381&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [397a, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VIII&artikel=397a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 426
1. Behoudens [artikel 425, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=425&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en indien er schriftelijk arrest wordt gewezen, blijft het opmaken van een proces-verbaal van de terechtzitting achterwege en wordt de uitspraak binnen twee maal vier en twintig uur op een aan het dubbel van de dagvaarding te hechten stuk aangetekend. De aantekening wordt door de enkelvoudige kamer gewaarmerkt.
1. Behoudens [artikel 425, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=425&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en indien er schriftelijk arrest wordt gewezen, blijft het opmaken van een proces-verbaal van de terechtzitting achterwege en wordt de uitspraak binnen twee maal vier en twintig uur op een aan het dubbel van de dagvaarding te hechten stuk aangetekend. De aantekening wordt door de enkelvoudige kamer gewaarmerkt.
2. De gegevens die de aantekening, bedoeld in het eerste lid, moet bevatten, worden vastgesteld door Onze Minister van Veiligheid en Justitie. De aantekening vermeldt in elk geval:
@@ -5218,7 +5218,7 @@
3. Zodra de aantekening is gewaarmerkt, kunnen de verdachte en zijn raadsman daarvan kennisnemen. De enkelvoudige kamer verstrekt desgevraagd een afschrift van de aantekening aan de verdachte en zijn raadsman.
4. Wordt alsnog aan [artikel 425, derde lid, onder b of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=425&z=2014-07-01&g=2014-07-01) toepassing gegeven, dan komt de in het eerste lid bedoelde aantekening te vervallen. De griffier haalt alsdan de aantekening door.
4. Wordt alsnog aan [artikel 425, derde lid, onder b of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=425&z=2014-11-01&g=2014-11-01) toepassing gegeven, dan komt de in het eerste lid bedoelde aantekening te vervallen. De griffier haalt alsdan de aantekening door.
5. De enkelvoudige kamer is bevoegd een schriftelijk arrest te wijzen. Op vordering van de advocaat-generaal of op verzoek van de verdachte of zijn raadsman of van de benadeelde partij is zij daartoe verplicht, tenzij naar haar oordeel daarmee geen redelijk belang is gediend. De uitspraak mag alsdan in geen geval later plaatsvinden dan op de veertiende dag na sluiting van het onderzoek. De uitspraak geschiedt zo veel mogelijk door de rechter die over de zaak heeft geoordeeld.
@@ -5236,7 +5236,7 @@
3. Tegen de arresten, bedoeld in het tweede lid, onder a en b, staat niettemin beroep in cassatie open indien zij een overtreding betreffen van een verordening van een provincie, een gemeente, een waterschap of een met toepassing van de [Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003916) ingesteld openbaar lichaam.
4. Hoger beroep schorst de rechtsgevolgen van beroep in cassatie; indien in de lagere aanleg een uitspraak wordt gegeven over een of meer van de vragen, bedoeld in de [artikelen 351](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=351&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [352](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=352&z=2014-07-01&g=2014-07-01) vervalt het ingestelde beroep in cassatie.
4. Hoger beroep schorst de rechtsgevolgen van beroep in cassatie; indien in de lagere aanleg een uitspraak wordt gegeven over een of meer van de vragen, bedoeld in de [artikelen 351](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=351&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [352](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=352&z=2014-11-01&g=2014-11-01) vervalt het ingestelde beroep in cassatie.
##### Artikel 428
@@ -5264,7 +5264,7 @@
- c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was;
- d. de dagvaarding of oproeping binnen zes weken nadat door de verdachte hoger beroep is ingesteld, rechtsgeldig aan de verdachte is betekend met inachtneming van [artikel 588a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=588a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en in hoger beroep geen onvoorwaardelijke straf of maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming van langere duur meebrengt dan zes maanden.
- d. de dagvaarding of oproeping binnen zes weken nadat door de verdachte hoger beroep is ingesteld, rechtsgeldig aan de verdachte is betekend met inachtneming van [artikel 588a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=588a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en in hoger beroep geen onvoorwaardelijke straf of maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming van langere duur meebrengt dan zes maanden.
2. In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet cassatie worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat het vonnis of arrest de verdachte bekend is.
@@ -5290,29 +5290,29 @@
2. Indien door het openbaar ministerie beroep in cassatie is ingesteld tegen een vonnis waartegen voor de verdachte nog hoger beroep openstaat, geschiedt de in het eerste lid bedoelde inzending niet of wordt zij, heeft zij ten onrechte plaatsgehad, geacht niet eerder te hebben plaatsgevonden, dan nadat de termijn voor het hoger beroep is verstreken.
3. Indien alleen het openbaar ministerie beroep in cassatie heeft ingesteld, geschiedt de inzending niet of wordt aan haar, heeft zij ten onrechte plaats gehad, geen gevolg gegeven, dan nadat de in het [eerste lid van artikel 433](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=III&artikel=433&z=2014-07-01&g=2014-07-01) bedoelde aanzegging heeft plaats gevonden of zich enige andere omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit dat het beroep de verdachte bekend is.
3. Indien alleen het openbaar ministerie beroep in cassatie heeft ingesteld, geschiedt de inzending niet of wordt aan haar, heeft zij ten onrechte plaats gehad, geen gevolg gegeven, dan nadat de in het [eerste lid van artikel 433](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=III&artikel=433&z=2014-11-01&g=2014-11-01) bedoelde aanzegging heeft plaats gevonden of zich enige andere omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit dat het beroep de verdachte bekend is.
##### Artikel 435
1. Na ontvangst van de stukken van het geding door de griffier van de Hoge Raad wordt door de procureur- generaal aan de verdachte dan wel, indien door het openbaar ministerie beroep in cassatie is ingesteld, aan het openbaar ministerie en aan de verdachte aangezegd dat de stukken van het geding bij de Hoge Raad zijn ingekomen onder mededeling dat de zaak door de Hoge Raad in behandeling zal worden genomen na verloop van de in het [tweede onderscheidenlijk eerste lid van artikel 437](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=III&artikel=437&z=2014-07-01&g=2014-07-01) bedoelde termijn. In de aanzegging wordt gewezen op [artikel 437](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=III&artikel=437&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
2. Van de ontvangst van de stukken, bedoeld in het eerste lid, wordt eveneens kennis gegeven aan de benadeelde partij indien deze zich in het geding heeft gevoegd. In de kennisgeving wordt gewezen op [artikel 437, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=III&artikel=437&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
3. In afwijking van [artikel 586, eerste lid, tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=586&z=2014-07-01&g=2014-07-01), geschiedt de aanzegging aan het openbaar ministerie door toezending van een gewone of aangetekende brief over de post.
1. Na ontvangst van de stukken van het geding door de griffier van de Hoge Raad wordt door de procureur- generaal aan de verdachte dan wel, indien door het openbaar ministerie beroep in cassatie is ingesteld, aan het openbaar ministerie en aan de verdachte aangezegd dat de stukken van het geding bij de Hoge Raad zijn ingekomen onder mededeling dat de zaak door de Hoge Raad in behandeling zal worden genomen na verloop van de in het [tweede onderscheidenlijk eerste lid van artikel 437](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=III&artikel=437&z=2014-11-01&g=2014-11-01) bedoelde termijn. In de aanzegging wordt gewezen op [artikel 437](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=III&artikel=437&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
2. Van de ontvangst van de stukken, bedoeld in het eerste lid, wordt eveneens kennis gegeven aan de benadeelde partij indien deze zich in het geding heeft gevoegd. In de kennisgeving wordt gewezen op [artikel 437, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=III&artikel=437&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
3. In afwijking van [artikel 586, eerste lid, tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=586&z=2014-11-01&g=2014-11-01), geschiedt de aanzegging aan het openbaar ministerie door toezending van een gewone of aangetekende brief over de post.
##### Artikel 436
1. Na de aanzegging bedoeld in [artikel 435, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=III&artikel=435&z=2014-07-01&g=2014-07-01), bepaalt de voorzitter een rechtsdag met inachtneming van de termijnen bedoeld in [artikel 437, eerste, onderscheidenlijk, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=III&artikel=437&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
1. Na de aanzegging bedoeld in [artikel 435, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=III&artikel=435&z=2014-11-01&g=2014-11-01), bepaalt de voorzitter een rechtsdag met inachtneming van de termijnen bedoeld in [artikel 437, eerste, onderscheidenlijk, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=III&artikel=437&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
2. Aan de verdachte dan wel, indien zich bij de Hoge Raad namens de verdachte een raadsman heeft gesteld, aan de raadsman wordt mededeling gedaan van de dag voor de behandeling van de zaak bepaald.
##### Artikel 437
1. Indien het openbaar ministerie beroep in cassatie heeft ingesteld, is het op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht binnen een maand nadat de in het [eerste lid van artikel 435](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=III&artikel=435&z=2014-07-01&g=2014-07-01) bedoelde aanzegging aan het openbaar ministerie is verzonden bij de Hoge Raad een schriftuur in te dienen, houdende zijn middelen van cassatie.
2. De verdachte door of namens wie beroep in cassatie is ingesteld, is op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht binnen twee maanden nadat de in het [eerste lid van artikel 435](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=III&artikel=435&z=2014-07-01&g=2014-07-01) bedoelde aanzegging is betekend, bij de Hoge Raad door zijn raadsman een schriftuur te doen indienen, houdende zijn middelen van cassatie.
3. De benadeelde partij is bevoegd binnen een maand nadat de in het [tweede lid van artikel 435](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=III&artikel=435&z=2014-07-01&g=2014-07-01) bedoelde kennisgeving is verzonden, harerzijds bij de Hoge Raad door een advocaat een schriftuur te doen indienen, houdende haar middelen over een rechtspunt hetwelk uitsluitend haar vordering betreft. Gedurende die tijd is zij bevoegd tot kennisneming van de processtukken.
1. Indien het openbaar ministerie beroep in cassatie heeft ingesteld, is het op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht binnen een maand nadat de in het [eerste lid van artikel 435](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=III&artikel=435&z=2014-11-01&g=2014-11-01) bedoelde aanzegging aan het openbaar ministerie is verzonden bij de Hoge Raad een schriftuur in te dienen, houdende zijn middelen van cassatie.
2. De verdachte door of namens wie beroep in cassatie is ingesteld, is op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht binnen twee maanden nadat de in het [eerste lid van artikel 435](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=III&artikel=435&z=2014-11-01&g=2014-11-01) bedoelde aanzegging is betekend, bij de Hoge Raad door zijn raadsman een schriftuur te doen indienen, houdende zijn middelen van cassatie.
3. De benadeelde partij is bevoegd binnen een maand nadat de in het [tweede lid van artikel 435](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=III&artikel=435&z=2014-11-01&g=2014-11-01) bedoelde kennisgeving is verzonden, harerzijds bij de Hoge Raad door een advocaat een schriftuur te doen indienen, houdende haar middelen over een rechtspunt hetwelk uitsluitend haar vordering betreft. Gedurende die tijd is zij bevoegd tot kennisneming van de processtukken.
##### Artikel 438
@@ -5324,7 +5324,7 @@
- b. wanneer de advocaat van de benadeelde partij te kennen heeft gegeven de middelen van de benadeelde partij mondeling te willen toelichten, en niet wordt volstaan met het overleggen van een schriftelijke toelichting;
- c. wanneer zij de dag voor de uitspraak bepaalt, behoudens in het geval, omschreven in [artikel 440, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=III&artikel=440&z=2014-07-01&g=2014-07-01);
- c. wanneer zij de dag voor de uitspraak bepaalt, behoudens in het geval, omschreven in [artikel 440, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=III&artikel=440&z=2014-11-01&g=2014-11-01);
- d. wanneer zij verwijzing wenselijk acht.
@@ -5378,7 +5378,7 @@
3. De procureur-generaal verstrekt desgevraagd een afschrift van het arrest van de Hoge Raad aan de verdachte en de benadeelde partij, bedoeld in het tweede lid.
4. [Artikel 365, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=365&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
4. [Artikel 365, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=365&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
## Titel I. Verzet tegen einduitspraken
@@ -5400,13 +5400,13 @@
2. Indien beroep in cassatie is ingesteld zendt de griffier van het gerecht dat de beschikking heeft gewezen de stukken zo spoedig mogelijk naar de griffier van de Hoge Raad.
3. Na ontvangst van de stukken van het geding door de griffier van de Hoge Raad wordt door de procureur-generaal aan de partij die cassatie heeft ingesteld aangezegd dat de stukken van het geding bij de Hoge Raad zijn ingekomen. In de aanzegging wordt gewezen op het vierde onderscheidenlijk vijfde lid. [Artikel 435, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=III&artikel=435&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
3. Na ontvangst van de stukken van het geding door de griffier van de Hoge Raad wordt door de procureur-generaal aan de partij die cassatie heeft ingesteld aangezegd dat de stukken van het geding bij de Hoge Raad zijn ingekomen. In de aanzegging wordt gewezen op het vierde onderscheidenlijk vijfde lid. [Artikel 435, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=III&artikel=435&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
4. Het openbaar ministerie is verplicht op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen een maand nadat de aanzegging is verzonden een schriftuur houdende middelen van cassatie in te dienen.
5. De verdachte of andere belanghebbende is op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht binnen een maand nadat de aanzegging is betekend, bij de Hoge Raad door zijn raadsman onderscheidenlijk door een advocaat een schriftuur te doen indienen, houdende zijn middelen van cassatie.
6. [Artikel 439, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=III&artikel=439&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
6. [Artikel 439, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=III&artikel=439&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
7. De schriftuur wordt onverwijld bij de processtukken gevoegd.
@@ -5432,7 +5432,7 @@
##### Artikel 450
1. Het aanwenden van de rechtsmiddelen, bedoeld in [artikel 449](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=V&artikel=449&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan ook geschieden door tussenkomst van:
1. Het aanwenden van de rechtsmiddelen, bedoeld in [artikel 449](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=V&artikel=449&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan ook geschieden door tussenkomst van:
- a. een advocaat, indien deze verklaart daartoe door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd;
@@ -5460,27 +5460,27 @@
##### Artikel 451a
1. Is degene die een rechtsmiddel wenst aan te wenden ingesloten in een huis van bewaring, gevangenis of justitiële rijksinrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden, als bedoeld in [artikel 90quinquies, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=90quinquies), in samenhang met [artikel 37d, eerste lid, onder b van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37d), dan wel in een inrichting waar een vrijheidsbenemende straf of maatregel wordt ten uitvoer gelegd, als bedoeld in [artikel 77h van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77h), dan kan hij de rechtsmiddelen bedoeld in [artikel 449](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=V&artikel=449&z=2014-07-01&g=2014-07-01) ook aanwenden door middel van een schriftelijke verklaring die hij doet toekomen aan het hoofd van het gesticht.
1. Is degene die een rechtsmiddel wenst aan te wenden ingesloten in een huis van bewaring, gevangenis of justitiële rijksinrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden, als bedoeld in [artikel 90quinquies, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=90quinquies), in samenhang met [artikel 37d, eerste lid, onder b van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37d), dan wel in een inrichting waar een vrijheidsbenemende straf of maatregel wordt ten uitvoer gelegd, als bedoeld in [artikel 77h van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77h), dan kan hij de rechtsmiddelen bedoeld in [artikel 449](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=V&artikel=449&z=2014-11-01&g=2014-11-01) ook aanwenden door middel van een schriftelijke verklaring die hij doet toekomen aan het hoofd van het gesticht.
2. Het hoofd van het gesticht doet deze verklaring onverwijld inschrijven in een daarvoor bestemd register en zendt haar vervolgens toe aan de griffie van het gerecht door of bij hetwelk de beslissing is gegeven onder kennisgeving van de datum van inschrijving in het register. Als dag waarop het rechtsmiddel is aangewend, geldt de dag van inschrijving van de verklaring in het register.
3. Onze Minister van Veiligheid en Justitie bepaalt het model van het register en kan omtrent het bijhouden daarvan nadere regels geven. Het register kan door de belanghebbenden worden ingezien.
4. De verklaring wordt na ontvangst op de griffie bij de processtukken gevoegd. Van het aanwenden van het rechtsmiddel wordt dadelijk aantekening gedaan in het op de griffie berustend register, bedoeld in [artikel 451, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=V&artikel=451&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
4. De verklaring wordt na ontvangst op de griffie bij de processtukken gevoegd. Van het aanwenden van het rechtsmiddel wordt dadelijk aantekening gedaan in het op de griffie berustend register, bedoeld in [artikel 451, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=V&artikel=451&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
##### Artikel 451b
1. De getuige stelt het hoger beroep als bedoeld in [artikel 226b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_A&artikel=226b&z=2014-07-01&g=2014-07-01), in door middel van een schriftelijke verklaring die hij doet toekomen aan de officier van justitie. De officier van justitie tekent dag en uur van ontvangst onverwijld op de ingekomen verklaring aan.
2. De officier van justitie doet onverwijld schriftelijk mededeling van het hoger beroep aan de griffie van het gerecht, bij hetwelk de beschikking is gegeven. De mededeling wordt na ontvangst op de griffie bij de processtukken gevoegd. Van de instelling van het hoger beroep wordt dadelijk aantekening gedaan in het op de griffie berustend register, bedoeld in [artikel 451, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=V&artikel=451&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
1. De getuige stelt het hoger beroep als bedoeld in [artikel 226b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_A&artikel=226b&z=2014-11-01&g=2014-11-01), in door middel van een schriftelijke verklaring die hij doet toekomen aan de officier van justitie. De officier van justitie tekent dag en uur van ontvangst onverwijld op de ingekomen verklaring aan.
2. De officier van justitie doet onverwijld schriftelijk mededeling van het hoger beroep aan de griffie van het gerecht, bij hetwelk de beschikking is gegeven. De mededeling wordt na ontvangst op de griffie bij de processtukken gevoegd. Van de instelling van het hoger beroep wordt dadelijk aantekening gedaan in het op de griffie berustend register, bedoeld in [artikel 451, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=V&artikel=451&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
3. Als dag van het hoger beroep geldt de dag van ontvangst van de schriftelijke verklaring door de officier van justitie.
##### Artikel 452
1. [Artikel 450](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=V&artikel=450&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is op de indiening van schrifturen van overeenkomstige toepassing, behoudens het bepaalde in het tweede lid.
2. In cassatie kunnen schrifturen, schriftelijke toelichtingen en het schriftelijk commentaar, bedoeld in [artikel 439, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=III&artikel=439&z=2014-07-01&g=2014-07-01), slechts worden ingediend door een advocaat die verklaart daartoe door degene namens wie hij optreedt, bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd.
1. [Artikel 450](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=V&artikel=450&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is op de indiening van schrifturen van overeenkomstige toepassing, behoudens het bepaalde in het tweede lid.
2. In cassatie kunnen schrifturen, schriftelijke toelichtingen en het schriftelijk commentaar, bedoeld in [artikel 439, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=III&artikel=439&z=2014-11-01&g=2014-11-01), slechts worden ingediend door een advocaat die verklaart daartoe door degene namens wie hij optreedt, bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd.
3. De griffier teekent dag en uur van ontvangst onverwijld op ingekomen stukken als bedoeld in het eerste en tweede lid aan.
@@ -5500,19 +5500,19 @@
1. Intrekking en afstand geschieden door eene verklaring, af te leggen op de griffie van het gerecht door of bij hetwelk de beslissing is gegeven of de handeling is verricht.
2. In het geval van [artikel 453, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=VI&artikel=453&z=2014-07-01&g=2014-07-01), wordt de verklaring afgelegd op de griffie van het gerechtshof. De griffier van het gerechtshof doet hiervan mededeling aan de griffier van het gerecht, bedoeld in het eerste lid.
3. De [artikelen 450](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=V&artikel=450&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [451](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=V&artikel=451&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
4. Intrekking en afstand kunnen door degene die is ingesloten in een van de in [artikel 451a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=V&artikel=451a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), genoemde gestichten ook geschieden door middel van een schriftelijke verklaring die hij doet toekomen aan het hoofd van het gesticht; [artikel 451a, tweede, derde, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=V&artikel=451a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
5. Met betrekking tot de intrekking en afstand van het hoger beroep, ingesteld door een getuige op de voet van het bepaalde in [artikel 226b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_A&artikel=226b&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is [artikel 451b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=V&artikel=451b&z=2014-07-01&g=2014-07-01) van overeenkomstige toepassing.
2. In het geval van [artikel 453, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=VI&artikel=453&z=2014-11-01&g=2014-11-01), wordt de verklaring afgelegd op de griffie van het gerechtshof. De griffier van het gerechtshof doet hiervan mededeling aan de griffier van het gerecht, bedoeld in het eerste lid.
3. De [artikelen 450](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=V&artikel=450&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [451](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=V&artikel=451&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
4. Intrekking en afstand kunnen door degene die is ingesloten in een van de in [artikel 451a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=V&artikel=451a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), genoemde gestichten ook geschieden door middel van een schriftelijke verklaring die hij doet toekomen aan het hoofd van het gesticht; [artikel 451a, tweede, derde, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=V&artikel=451a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
5. Met betrekking tot de intrekking en afstand van het hoger beroep, ingesteld door een getuige op de voet van het bepaalde in [artikel 226b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_A&artikel=226b&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is [artikel 451b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=V&artikel=451b&z=2014-11-01&g=2014-11-01) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 455
1. Van de intrekking, door het openbaar ministerie gedaan, geschiedt onverwijld schriftelijke mededeling aan de verdachte.
2. Indien aan de benadeelde partij overeenkomstig [artikel 413](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=413&z=2014-07-01&g=2014-07-01) of [433](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=III&artikel=433&z=2014-07-01&g=2014-07-01) kennisgeving is gedaan, wordt haar van elke intrekking van het beroep kennis gegeven vanwege het openbaar ministerie bij het gerecht dat het vonnis of arrest heeft gewezen.
2. Indien aan de benadeelde partij overeenkomstig [artikel 413](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=413&z=2014-11-01&g=2014-11-01) of [433](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=III&artikel=433&z=2014-11-01&g=2014-11-01) kennisgeving is gedaan, wordt haar van elke intrekking van het beroep kennis gegeven vanwege het openbaar ministerie bij het gerecht dat het vonnis of arrest heeft gewezen.
### B. Buitengewone rechtsmiddelen
@@ -5522,11 +5522,11 @@
1. Indien de procureur-generaal bij den Hoogen Raad beroep in cassatie "in het belang der wet" noodig oordeelt van eenige rechterlijke beslissing of handeling, waartegen eenig gewoon rechtsmiddel niet meer openstaat, doet hij zich de stukken van het geding opzenden door tusschenkomst van het openbaar ministerie en wordt hij, ten dage voor de behandeling der zaak op zijn verzoek door den voorzitter bepaald, op de terechtzitting in zijne voordracht en vordering gehoord; hij legt daarbij zijne vordering over.
2. [Artikel 443](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=III&artikel=443&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is ten deze van toepassing.
2. [Artikel 443](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=III&artikel=443&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is ten deze van toepassing.
3. De Hooge Raad verwerpt het beroep of beslist met vernietiging van de uitspraak, in het belang der wet, het rechtspunt, zooals de rechter had behooren te doen.
4. In geval van vernietiging wordt een afschrift als bedoeld bij [artikel 444](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=III&artikel=444&z=2014-07-01&g=2014-07-01), door den procureur-generaal gezonden aan het openbaar ministerie bij het gerecht welks uitspraak is vernietigd.
4. In geval van vernietiging wordt een afschrift als bedoeld bij [artikel 444](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=III&artikel=444&z=2014-11-01&g=2014-11-01), door den procureur-generaal gezonden aan het openbaar ministerie bij het gerecht welks uitspraak is vernietigd.
## Titel IV. Hooger beroep en beroep in cassatie van beschikkingen. Bezwaarschriften
@@ -5564,7 +5564,7 @@
##### Artikel 459
Het bestuur van de raad voor rechtsbijstand kan de gewezen verdachte alsmede de personen genoemd in [artikel 458](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=458&z=2014-07-01&g=2014-07-01) met overeenkomstige toepassing van de [artikelen 42, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=42&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=43&z=2014-07-01&g=2014-07-01) een raadsman toevoegen in geval van een herzieningsaanvraag of een verzoek als bedoeld in [artikel 461](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=461&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
Het bestuur van de raad voor rechtsbijstand kan de gewezen verdachte alsmede de personen genoemd in [artikel 458](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=458&z=2014-11-01&g=2014-11-01) met overeenkomstige toepassing van de [artikelen 42, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=42&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=43&z=2014-11-01&g=2014-11-01) een raadsman toevoegen in geval van een herzieningsaanvraag of een verzoek als bedoeld in [artikel 461](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=461&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
##### Artikel 460
@@ -5574,9 +5574,9 @@
##### Artikel 461
1. Ter voorbereiding van een herzieningsaanvraag kan een gewezen verdachte, die is veroordeeld voor een feit waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld en waardoor de rechtsorde ernstig is geschokt, door zijn raadsman aan de procureur-generaal doen verzoeken een nader onderzoek in te stellen naar de aanwezigheid van een grond voor herziening als bedoeld in [artikel 457, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=457&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
2. Het verzoek wordt schriftelijk ingediend en door de raadsman ondertekend. Het verzoek behelst een opgave van de onderzoekshandelingen die dienen te worden verricht, met bijvoeging van een kopie van de uitspraak waarvan de gewezen verdachte herziening wil aanvragen, en is met redenen omkleed. Het verzoek kan tevens strekken tot de instelling van een onderzoeksteam als bedoeld in [artikel 463](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=463&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
1. Ter voorbereiding van een herzieningsaanvraag kan een gewezen verdachte, die is veroordeeld voor een feit waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld en waardoor de rechtsorde ernstig is geschokt, door zijn raadsman aan de procureur-generaal doen verzoeken een nader onderzoek in te stellen naar de aanwezigheid van een grond voor herziening als bedoeld in [artikel 457, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=457&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
2. Het verzoek wordt schriftelijk ingediend en door de raadsman ondertekend. Het verzoek behelst een opgave van de onderzoekshandelingen die dienen te worden verricht, met bijvoeging van een kopie van de uitspraak waarvan de gewezen verdachte herziening wil aanvragen, en is met redenen omkleed. Het verzoek kan tevens strekken tot de instelling van een onderzoeksteam als bedoeld in [artikel 463](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=463&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
3. Indien het verzoek niet voldoet aan de in het eerste en tweede lid genoemde voorwaarden, verklaart de procureur-generaal het niet ontvankelijk. Indien het verzoek ontvankelijk is kan de procureur-generaal het verzoek slechts afwijzen indien:
@@ -5586,21 +5586,21 @@
4. De procureur-generaal beslist zo spoedig mogelijk. De beslissing is met redenen omkleed en wordt schriftelijk ter kennis gebracht van degene die het verzoek heeft ingediend. In geval van toewijzing van het verzoek vermeldt de beslissing de te verrichten onderzoekshandelingen.
5. [Artikel 457, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=457&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
5. [Artikel 457, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=457&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 462
1. In geval van een verzoek als bedoeld in artikel 461 kan de procureur-generaal ambtshalve of op verzoek van de gewezen verdachte advies inwinnen van een commissie belast met de advisering over de wenselijkheid van een nader onderzoek als bedoeld in [artikel 461, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=461&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
2. Tenzij het verzoek als bedoeld in [artikel 461](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=461&z=2014-07-01&g=2014-07-01) naar zijn oordeel niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, dan wel voor toewijzing vatbaar is, wint de procureur-generaal in ieder geval advies in van de commissie indien de gewezen verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren of meer.
3. Het advies van de commissie wordt schriftelijk uitgebracht en is openbaar. Indien de beslissing van de procureur-generaal over het in [artikel 461, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=461&z=2014-07-01&g=2014-07-01), bedoelde verzoek afwijkt van het advies van de commissie, wordt in de beslissing de reden voor die afwijking vermeld.
1. In geval van een verzoek als bedoeld in artikel 461 kan de procureur-generaal ambtshalve of op verzoek van de gewezen verdachte advies inwinnen van een commissie belast met de advisering over de wenselijkheid van een nader onderzoek als bedoeld in [artikel 461, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=461&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
2. Tenzij het verzoek als bedoeld in [artikel 461](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=461&z=2014-11-01&g=2014-11-01) naar zijn oordeel niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, dan wel voor toewijzing vatbaar is, wint de procureur-generaal in ieder geval advies in van de commissie indien de gewezen verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren of meer.
3. Het advies van de commissie wordt schriftelijk uitgebracht en is openbaar. Indien de beslissing van de procureur-generaal over het in [artikel 461, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=461&z=2014-11-01&g=2014-11-01), bedoelde verzoek afwijkt van het advies van de commissie, wordt in de beslissing de reden voor die afwijking vermeld.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld betreffende samenstelling, inrichting, bevoegdheden en werkwijze van de in het eerste lid bedoelde commissie. De algemene maatregel van bestuur bevat in ieder geval bepalingen over het aantal leden en de zittingsduur van deze leden, de vervulling van het secretariaat en de aan de commissie ter beschikking te stellen financiële middelen. De benoeming van de leden geschiedt door de Minister van Veiligheid en Justitie op voordracht van de procureur-generaal.
##### Artikel 463
1. In geval van toewijzing van het in [artikel 461](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=461&z=2014-07-01&g=2014-07-01) bedoelde verzoek, stelt de procureur-generaal het nader onderzoek in. Indien daarbij naar zijn oordeel enig onderzoek door de rechter-commissaris noodzakelijk is, kan hij dat onderzoek opdragen aan de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken, in een rechtbank die van de zaak nog geen kennis heeft genomen. [Artikel 469, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=469&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
1. In geval van toewijzing van het in [artikel 461](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=461&z=2014-11-01&g=2014-11-01) bedoelde verzoek, stelt de procureur-generaal het nader onderzoek in. Indien daarbij naar zijn oordeel enig onderzoek door de rechter-commissaris noodzakelijk is, kan hij dat onderzoek opdragen aan de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken, in een rechtbank die van de zaak nog geen kennis heeft genomen. [Artikel 469, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=469&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
2. Indien naar zijn oordeel het belang van het nader onderzoek dit vordert, kan de procureur-generaal zich bij het verrichten daarvan laten bijstaan door een onderzoeksteam.
@@ -5608,33 +5608,33 @@
4. De werkzaamheden van het onderzoeksteam geschieden onder leiding en verantwoordelijkheid van de procureur-generaal. [Artikel 111, derde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=111) is van overeenkomstige toepassing.
5. Indien tijdens het nader onderzoek getuigen of deskundigen worden gehoord, nodigt de procureur-generaal of degene die in diens opdracht met het verhoor is belast, de raadsman van gewezen verdachte tot bijwoning van het verhoor uit, voor zover dit met de bescherming van de in [artikel 187d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=187d&z=2014-07-01&g=2014-07-01), vermelde belangen verenigbaar is. De gewezen verdachte kan in de gelegenheid worden gesteld het verhoor bij te wonen. De gewezen verdachte en diens raadsman kunnen de vragen opgeven die zij gesteld wensen te zien. [Artikel 187, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=187&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [187b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=187b&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en 187d zijn van overeenkomstige toepassing.
5. Indien tijdens het nader onderzoek getuigen of deskundigen worden gehoord, nodigt de procureur-generaal of degene die in diens opdracht met het verhoor is belast, de raadsman van gewezen verdachte tot bijwoning van het verhoor uit, voor zover dit met de bescherming van de in [artikel 187d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=187d&z=2014-11-01&g=2014-11-01), vermelde belangen verenigbaar is. De gewezen verdachte kan in de gelegenheid worden gesteld het verhoor bij te wonen. De gewezen verdachte en diens raadsman kunnen de vragen opgeven die zij gesteld wensen te zien. [Artikel 187, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=187&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [187b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=187b&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en 187d zijn van overeenkomstige toepassing.
6. Nadat de onderzoekshandelingen zijn voltooid worden de daarop betrekking hebbende stukken aan de processtukken toegevoegd en wordt aan de verzoeker een afschrift van die stukken toegezonden.
##### Artikel 464
1. Ten aanzien van het in [artikel 463, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=463&z=2014-07-01&g=2014-07-01), bedoelde onderzoek vinden de a[rtikelen 28 tot en met 31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=28&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [94, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [96 tot en met 102a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [104 tot en met 116, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=3&artikel=104&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [124 tot en met 125o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Vierde&artikel=124&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126n tot en met 126nd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126n&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126nf tot en met 126ni](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nf&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126aa tot en met 126dd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Eerste&artikel=126aa&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [141](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=141&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [142](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=142&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [148](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=148&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [150 tot en met 151d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=150&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [152 tot en met 157](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=152&z=2014-07-01&g=2014-07-01) overeenkomstige toepassing met dien verstande dat daar waar wordt gesproken van de verdachte daaronder wordt verstaan de gewezen verdachte, voorzover niet uit enige bepaling het tegendeel volgt.
1. Ten aanzien van het in [artikel 463, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=463&z=2014-11-01&g=2014-11-01), bedoelde onderzoek vinden de a[rtikelen 28 tot en met 31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=28&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [94, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [96 tot en met 102a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [104 tot en met 116, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=3&artikel=104&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [124 tot en met 125o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Vierde&artikel=124&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126n tot en met 126nd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126n&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126nf tot en met 126ni](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nf&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126aa tot en met 126dd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Eerste&artikel=126aa&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [141](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=141&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [142](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=142&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [148](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=148&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [150 tot en met 151d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=150&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [152 tot en met 157](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=152&z=2014-11-01&g=2014-11-01) overeenkomstige toepassing met dien verstande dat daar waar wordt gesproken van de verdachte daaronder wordt verstaan de gewezen verdachte, voorzover niet uit enige bepaling het tegendeel volgt.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de inrichting van het onderzoek.
##### Artikel 465
1. De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag niet-ontvankelijk indien deze niet een onherroepelijke uitspraak van de rechter in Nederland houdende een veroordeling of een ontslag van alle rechtsvervolging als bedoeld in [artikel 457, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=457&z=2014-07-01&g=2014-07-01), betreft, dan wel niet voldoet aan de voorwaarden in [artikel 460](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=460&z=2014-07-01&g=2014-07-01) gesteld.
2. De Hoge Raad kan de herzieningsaanvraag betreffende het in [artikel 457, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=457&z=2014-07-01&g=2014-07-01), vermelde geval niet-ontvankelijk verklaren indien deze niet wordt ingediend binnen drie maanden nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de gewezen verdachte bekend is.
1. De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag niet-ontvankelijk indien deze niet een onherroepelijke uitspraak van de rechter in Nederland houdende een veroordeling of een ontslag van alle rechtsvervolging als bedoeld in [artikel 457, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=457&z=2014-11-01&g=2014-11-01), betreft, dan wel niet voldoet aan de voorwaarden in [artikel 460](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=460&z=2014-11-01&g=2014-11-01) gesteld.
2. De Hoge Raad kan de herzieningsaanvraag betreffende het in [artikel 457, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=457&z=2014-11-01&g=2014-11-01), vermelde geval niet-ontvankelijk verklaren indien deze niet wordt ingediend binnen drie maanden nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de gewezen verdachte bekend is.
3. Indien de herzieningsaanvraag kennelijk ongegrond is, wijst de Hoge Raad deze af.
4. In de overige gevallen zijn de navolgende bepalingen uit deze afdeling van toepassing.
5. De Hoge Raad kan alvorens een beslissing te nemen opdracht geven tot een nader onderzoek als bedoeld in de [artikelen 461](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=461&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [463](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=463&z=2014-07-01&g=2014-07-01) of tot het inwinnen van advies van de in [artikel 462](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=462&z=2014-07-01&g=2014-07-01) bedoelde commissie.
5. De Hoge Raad kan alvorens een beslissing te nemen opdracht geven tot een nader onderzoek als bedoeld in de [artikelen 461](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=461&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [463](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=463&z=2014-11-01&g=2014-11-01) of tot het inwinnen van advies van de in [artikel 462](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=462&z=2014-11-01&g=2014-11-01) bedoelde commissie.
##### Artikel 466
1. De Hoge Raad beveelt de verdere behandeling op de openbare terechtzitting op een daartoe door de voorzitter te bepalen dag.
2. Indien op de voet van [artikel 463, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=463&z=2014-07-01&g=2014-07-01), een afschrift is toegezonden van de resultaten van het onderzoek, wordt de dienende rechtsdag bepaald op een datum niet eerder dan zes weken na die toezending, en kan de gewezen verdachte of zijn raadsman de herzieningsaanvraag schriftelijk nader toelichten tot uiterlijk de laatste dag voor de dienende rechtsdag.
2. Indien op de voet van [artikel 463, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=463&z=2014-11-01&g=2014-11-01), een afschrift is toegezonden van de resultaten van het onderzoek, wordt de dienende rechtsdag bepaald op een datum niet eerder dan zes weken na die toezending, en kan de gewezen verdachte of zijn raadsman de herzieningsaanvraag schriftelijk nader toelichten tot uiterlijk de laatste dag voor de dienende rechtsdag.
3. De procureur-generaal doet ten minste tien dagen voor de dienende rechtsdag aan de gewezen verdachte aanzegging van die dag.
@@ -5656,7 +5656,7 @@
1. Op de terechtzitting van de enkelvoudige kamer, of op de terechtzitting van de meervoudige kamer wanneer de raadsman daar de herzieningsaanvraag mondeling heeft toegelicht, dan wel op een nadere terechtzitting neemt de procureur-generaal zijn conclusie, die hij aan de Hoge Raad overlegt.
2. Voorafgaand aan zijn conclusie kan de procureur-generaal ambtshalve een nader onderzoek instellen als bedoeld in de [artikelen 461](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=461&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [463](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=463&z=2014-07-01&g=2014-07-01) alsmede een advies inwinnen bij de commissie als bedoeld in [artikel 462](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=462&z=2014-07-01&g=2014-07-01). De artikelen 461, 462, eerste, derde en vierde lid, 463 en [464](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=464&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Voorafgaand aan zijn conclusie kan de procureur-generaal ambtshalve een nader onderzoek instellen als bedoeld in de [artikelen 461](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=461&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [463](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=463&z=2014-11-01&g=2014-11-01) alsmede een advies inwinnen bij de commissie als bedoeld in [artikel 462](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=462&z=2014-11-01&g=2014-11-01). De artikelen 461, 462, eerste, derde en vierde lid, 463 en [464](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=464&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Nadat de procureur-generaal zijn conclusie heeft genomen wordt de dag voor de uitspraak bepaald.
@@ -5666,17 +5666,17 @@
##### Artikel 469
1. Indien de Hoge Raad de noodzakelijkheid daarvan blijkt draagt hij aan de procureur-generaal op een nader onderzoek te verrichten als bedoeld in de [artikelen 461](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=461&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [463](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=463&z=2014-07-01&g=2014-07-01), dan wel advies in te winnen van de in [artikel 462](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=462&z=2014-07-01&g=2014-07-01) bedoelde commissie. De artikelen 463, tweede tot en met zesde lid, en [464](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=464&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing. Nadat het onderzoek is voltooid, doet de procureur-generaal de stukken toekomen aan de Hoge Raad.
1. Indien de Hoge Raad de noodzakelijkheid daarvan blijkt draagt hij aan de procureur-generaal op een nader onderzoek te verrichten als bedoeld in de [artikelen 461](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=461&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [463](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=463&z=2014-11-01&g=2014-11-01), dan wel advies in te winnen van de in [artikel 462](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=462&z=2014-11-01&g=2014-11-01) bedoelde commissie. De artikelen 463, tweede tot en met zesde lid, en [464](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=464&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van overeenkomstige toepassing. Nadat het onderzoek is voltooid, doet de procureur-generaal de stukken toekomen aan de Hoge Raad.
2. Tevens kan de Hoge Raad een nader onderzoek opdragen aan een daartoe uit zijn midden te benoemen raadsheer-commissaris, doch hij kan dit ook, indien de herziening niet betreft een door de Hoge Raad in eerste aanleg gewezen arrest, opdragen aan de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken, in een rechtbank die van de zaak nog geen kennis heeft genomen.
3. Het in het tweede lid bedoelde onderzoek wordt overeenkomstig de [tweede tot en met de vijfde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en de [achtste afdeling van de Derde Titel van het Tweede Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Achtste&z=2014-07-01&g=2014-07-01) gevoerd. De getuigen worden beëdigd of wel overeenkomstig [artikel 216, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=216&z=2014-07-01&g=2014-07-01), aangemaand. Indien het onderzoek geschiedt door een raadsheer-commissaris, geldt al hetgeen bepaald is over de rechtbank, de rechter-commissaris, de officier van justitie en de griffier, ten aanzien van de Hoge Raad, de raadsheer-commissaris, de procureur-generaal en de griffier van de Hoge Raad, behoudens dat de raadsheer-commissaris en de procureur-generaal zich bij het doorzoeken van plaatsen en bij een schouw kunnen doen vervangen door de rechter-commissaris en de officier van justitie in het arrondissement waarin de rechtbank is gelegen waar de doorzoeking of schouw moet plaatshebben. [Artikel 172](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=II&artikel=172&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is van overeenkomstige toepassing.
3. Het in het tweede lid bedoelde onderzoek wordt overeenkomstig de [tweede tot en met de vijfde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en de [achtste afdeling van de Derde Titel van het Tweede Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Achtste&z=2014-11-01&g=2014-11-01) gevoerd. De getuigen worden beëdigd of wel overeenkomstig [artikel 216, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=216&z=2014-11-01&g=2014-11-01), aangemaand. Indien het onderzoek geschiedt door een raadsheer-commissaris, geldt al hetgeen bepaald is over de rechtbank, de rechter-commissaris, de officier van justitie en de griffier, ten aanzien van de Hoge Raad, de raadsheer-commissaris, de procureur-generaal en de griffier van de Hoge Raad, behoudens dat de raadsheer-commissaris en de procureur-generaal zich bij het doorzoeken van plaatsen en bij een schouw kunnen doen vervangen door de rechter-commissaris en de officier van justitie in het arrondissement waarin de rechtbank is gelegen waar de doorzoeking of schouw moet plaatshebben. [Artikel 172](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=II&artikel=172&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is van overeenkomstige toepassing.
4. Na afloop van het onderzoek doet de raadsheer- of rechter-commissaris de stukken toekomen aan de Hoge Raad.
5. Aan de raadsman wordt een afschrift van de stukken van het onderzoek toegezonden.
6. Indien de procureur-generaal opnieuw een conclusie neemt is [artikel 468, eerste en derde tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=468&z=2014-07-01&g=2014-07-01), van overeenkomstige toepassing.
6. Indien de procureur-generaal opnieuw een conclusie neemt is [artikel 468, eerste en derde tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=468&z=2014-11-01&g=2014-11-01), van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 470
@@ -5684,17 +5684,17 @@
##### Artikel 471
1. Indien de Hoge Raad de herzieningsaanvraag betreffende het geval in [artikel 457, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=457&z=2014-07-01&g=2014-07-01), gegrond acht, vernietigt hij de arresten of vonnissen, met verwijzing van de zaken naar een gerechtshof dat daarvan nog geen kennis heeft genomen, ten einde die gelijktijdig opnieuw te onderzoeken en daarin bij een en dezelfde uitspraak recht te doen, zonder dat echter de straf de bij de vernietigde arresten of vonnissen opgelegde straffen te boven mag gaan. Hebben reeds alle gerechtshoven van de zaak kennis genomen, dan wordt niettemin één daarvan aangewezen.
2. Indien een van de onherroepelijke uitspraken door de Hoge Raad in eerste aanleg is gewezen, wordt de zaak verwezen naar de terechtzitting van de Hoge Raad samengesteld als in [artikel 477](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=477&z=2014-07-01&g=2014-07-01) vermeld.
3. De gewezen verdachte aan wie krachtens de vernietigde uitspraak zijn vrijheid is ontnomen, is van rechtswege vrij en wordt onverwijld in vrijheid gesteld, behoudens het bepaalde in [artikel 473](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=473&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
1. Indien de Hoge Raad de herzieningsaanvraag betreffende het geval in [artikel 457, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=457&z=2014-11-01&g=2014-11-01), gegrond acht, vernietigt hij de arresten of vonnissen, met verwijzing van de zaken naar een gerechtshof dat daarvan nog geen kennis heeft genomen, ten einde die gelijktijdig opnieuw te onderzoeken en daarin bij een en dezelfde uitspraak recht te doen, zonder dat echter de straf de bij de vernietigde arresten of vonnissen opgelegde straffen te boven mag gaan. Hebben reeds alle gerechtshoven van de zaak kennis genomen, dan wordt niettemin één daarvan aangewezen.
2. Indien een van de onherroepelijke uitspraken door de Hoge Raad in eerste aanleg is gewezen, wordt de zaak verwezen naar de terechtzitting van de Hoge Raad samengesteld als in [artikel 477](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=477&z=2014-11-01&g=2014-11-01) vermeld.
3. De gewezen verdachte aan wie krachtens de vernietigde uitspraak zijn vrijheid is ontnomen, is van rechtswege vrij en wordt onverwijld in vrijheid gesteld, behoudens het bepaalde in [artikel 473](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=473&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
##### Artikel 472
1. Indien de Hoge Raad de herzieningsaanvraag betreffende het geval, vermeld in [artikel 457, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=457&z=2014-07-01&g=2014-07-01), gegrond acht, doet hij bij wijze van herziening de zaak zelf af of beveelt hij de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van de onherroepelijke uitspraak en verwijst hij de zaak op de voet van [artikel 471](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=471&z=2014-07-01&g=2014-07-01), teneinde – met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad – hetzij de onherroepelijke uitspraak te handhaven hetzij met vernietiging daarvan recht te doen.
2. Indien de Hoge Raad de herzieningsaanvraag betreffende het geval genoemd in [artikel 457, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=457&z=2014-07-01&g=2014-07-01), gegrond acht, beveelt hij de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van de onherroepelijke uitspraak en verwijst hij de zaak op de voet van [artikel 471](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=471&z=2014-07-01&g=2014-07-01), teneinde hetzij de onherroepelijke uitspraak te handhaven, hetzij met vernietiging daarvan:
1. Indien de Hoge Raad de herzieningsaanvraag betreffende het geval, vermeld in [artikel 457, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=457&z=2014-11-01&g=2014-11-01), gegrond acht, doet hij bij wijze van herziening de zaak zelf af of beveelt hij de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van de onherroepelijke uitspraak en verwijst hij de zaak op de voet van [artikel 471](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=471&z=2014-11-01&g=2014-11-01), teneinde – met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad – hetzij de onherroepelijke uitspraak te handhaven hetzij met vernietiging daarvan recht te doen.
2. Indien de Hoge Raad de herzieningsaanvraag betreffende het geval genoemd in [artikel 457, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=457&z=2014-11-01&g=2014-11-01), gegrond acht, beveelt hij de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van de onherroepelijke uitspraak en verwijst hij de zaak op de voet van [artikel 471](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=471&z=2014-11-01&g=2014-11-01), teneinde hetzij de onherroepelijke uitspraak te handhaven, hetzij met vernietiging daarvan:
- a. het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren,
@@ -5704,11 +5704,11 @@
- d. de verdachte opnieuw te veroordelen met toepassing van de minder zware strafbepaling of met oplegging van een lagere straf.
3. [Artikel 471, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=471&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
3. [Artikel 471, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=471&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 473
1. Bij de verwijzing kan de Hoge Raad een bevel tot gevangenhouding tegen de gewezen verdachte uitvaardigen. Dit bevel is geldig voor onbepaalde termijn, doch kan door het gerechtshof worden geschorst of opgeheven. In geen geval zal deze gevangenhouding langer mogen duren dan de nog niet volbrachte vrijheidsstraf die de gewezen verdachte krachtens de onherroepelijke uitspraak dient te ondergaan. De [artikelen 62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=62&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [67a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=69&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=73&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [77 tot en met 86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=2&artikel=77&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
1. Bij de verwijzing kan de Hoge Raad een bevel tot gevangenhouding tegen de gewezen verdachte uitvaardigen. Dit bevel is geldig voor onbepaalde termijn, doch kan door het gerechtshof worden geschorst of opgeheven. In geen geval zal deze gevangenhouding langer mogen duren dan de nog niet volbrachte vrijheidsstraf die de gewezen verdachte krachtens de onherroepelijke uitspraak dient te ondergaan. De [artikelen 62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=62&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [67a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=69&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=73&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [77 tot en met 86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=2&artikel=77&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Indien bij de onherroepelijke uitspraak aan de gewezen verdachte een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel is opgelegd, kan het in het eerste lid bedoelde bevel tot gevangenhouding ten uitvoer worden gelegd in een inrichting die ingevolge de [Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709) of de [Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765) bestemd is voor de tenuitvoerlegging van de opgelegde maatregel. Voor de gewezen verdachte blijft de rechtspositie van de Penitentiaire beginselenwet of de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden onverminderd van toepassing.
@@ -5718,29 +5718,29 @@
##### Artikel 474
Beslissingen als bedoeld in de [artikelen 465](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=465&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [470 tot en met 472](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=470&z=2014-07-01&g=2014-07-01) worden gegeven bij met redenen omkleed arrest. Het arrest wordt op een openbare terechtzitting uitgesproken in aanwezigheid van de griffier en de procureur-generaal.
Beslissingen als bedoeld in de [artikelen 465](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=465&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [470 tot en met 472](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=470&z=2014-11-01&g=2014-11-01) worden gegeven bij met redenen omkleed arrest. Het arrest wordt op een openbare terechtzitting uitgesproken in aanwezigheid van de griffier en de procureur-generaal.
##### Artikel 475
De beslissingen van de Hoge Raad genoemd in de [artikelen 465](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=465&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [470 tot en met 473](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=470&z=2014-07-01&g=2014-07-01) worden zodra mogelijk vanwege de procureur-generaal aan de belanghebbende schriftelijk medegedeeld en in afschrift toegezonden aan de ambtenaar belast met de tenuitvoerlegging van de onherroepelijke uitspraak waarvan de herziening is gevraagd, of van het vernietigde arrest of vonnis.
De beslissingen van de Hoge Raad genoemd in de [artikelen 465](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=465&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [470 tot en met 473](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=470&z=2014-11-01&g=2014-11-01) worden zodra mogelijk vanwege de procureur-generaal aan de belanghebbende schriftelijk medegedeeld en in afschrift toegezonden aan de ambtenaar belast met de tenuitvoerlegging van de onherroepelijke uitspraak waarvan de herziening is gevraagd, of van het vernietigde arrest of vonnis.
##### Artikel 476
1. Het rechtsgeding in de verwezen zaak of zaken wordt bij het gerechtshof gevoerd met overeenkomstige toepassing van de [artikelen 412, eerste, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=412&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [413](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=413&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [414](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=414&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [415](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=415&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [417](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=417&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [418, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=418&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [419](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=419&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [420](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=420&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [421](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=421&z=2014-07-01&g=2014-07-01), met dien verstande dat [artikel 312](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=312&z=2014-07-01&g=2014-07-01) buiten toepassing blijft.
1. Het rechtsgeding in de verwezen zaak of zaken wordt bij het gerechtshof gevoerd met overeenkomstige toepassing van de [artikelen 412, eerste, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=412&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [413](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=413&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [414](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=414&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [415](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=415&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [417](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=417&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [418, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=418&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [419](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=419&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [420](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=420&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [421](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=421&z=2014-11-01&g=2014-11-01), met dien verstande dat [artikel 312](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=312&z=2014-11-01&g=2014-11-01) buiten toepassing blijft.
2. De raadsheer die enig onderzoek in de zaak heeft verricht, neemt op straffe van nietigheid aan het onderzoek op de terechtzitting geen deel.
3. In de gevallen bedoeld in de [artikelen 316](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=316&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [347](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=347&z=2014-07-01&g=2014-07-01) wordt het onderzoek gevoerd door een daartoe door het gerechtshof aangewezen rechter-commissaris of raadsheer-commissaris die nog geen onderzoek in de zaak heeft verricht.
4. Het onderzoek en de beraadslaging, bedoeld in de [artikelen 348](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=348&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [350](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=350&z=2014-07-01&g=2014-07-01), geschieden zowel naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in herziening als van het onderzoek in vorige terechtzittingen, zoals dat volgens daarvan opgemaakt proces-verbaal heeft plaats gehad.
5. Ten aanzien van de bij de verwijzing vernietigde uitspraken doet het gerechtshof opnieuw recht; ten aanzien van de bij de verwijzing niet vernietigde uitspraak handhaaft het gerechtshof deze met gehele of gedeeltelijke overneming, aanvulling of verbetering van de gronden of doet, met gehele of gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak, opnieuw recht met inachtneming van [artikel 472, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=472&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
3. In de gevallen bedoeld in de [artikelen 316](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=316&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [347](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=347&z=2014-11-01&g=2014-11-01) wordt het onderzoek gevoerd door een daartoe door het gerechtshof aangewezen rechter-commissaris of raadsheer-commissaris die nog geen onderzoek in de zaak heeft verricht.
4. Het onderzoek en de beraadslaging, bedoeld in de [artikelen 348](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=348&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [350](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=350&z=2014-11-01&g=2014-11-01), geschieden zowel naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in herziening als van het onderzoek in vorige terechtzittingen, zoals dat volgens daarvan opgemaakt proces-verbaal heeft plaats gehad.
5. Ten aanzien van de bij de verwijzing vernietigde uitspraken doet het gerechtshof opnieuw recht; ten aanzien van de bij de verwijzing niet vernietigde uitspraak handhaaft het gerechtshof deze met gehele of gedeeltelijke overneming, aanvulling of verbetering van de gronden of doet, met gehele of gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak, opnieuw recht met inachtneming van [artikel 472, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=472&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
##### Artikel 477
1. Indien de Hoge Raad ingevolge verwijzing op de voet van [artikel 471, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=471&z=2014-07-01&g=2014-07-01), of [artikel 472, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=472&z=2014-07-01&g=2014-07-01), zelf recht doet, oordeelt hij met een aantal van tien raadsheren. Bij het staken van de stemmen wordt een uitspraak gewezen ten voordele van de gewezen verdachte.
2. Het rechtsgeding in de verwezen zaak of zaken wordt bij de Hoge Raad gevoerd op de voet van [artikel 476, eerste en derde tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=476&z=2014-07-01&g=2014-07-01), met dien verstande dat in het geval van het derde lid van dat artikel het onderzoek ook kan worden opgedragen aan een daartoe door de Hoge Raad uit zijn midden aangewezen raadsheer-commissaris. Tegen de beslissingen van de Hoge Raad is geen beroep of bezwaar toegelaten.
1. Indien de Hoge Raad ingevolge verwijzing op de voet van [artikel 471, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=471&z=2014-11-01&g=2014-11-01), of [artikel 472, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=472&z=2014-11-01&g=2014-11-01), zelf recht doet, oordeelt hij met een aantal van tien raadsheren. Bij het staken van de stemmen wordt een uitspraak gewezen ten voordele van de gewezen verdachte.
2. Het rechtsgeding in de verwezen zaak of zaken wordt bij de Hoge Raad gevoerd op de voet van [artikel 476, eerste en derde tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=476&z=2014-11-01&g=2014-11-01), met dien verstande dat in het geval van het derde lid van dat artikel het onderzoek ook kan worden opgedragen aan een daartoe door de Hoge Raad uit zijn midden aangewezen raadsheer-commissaris. Tegen de beslissingen van de Hoge Raad is geen beroep of bezwaar toegelaten.
##### Artikel 478
@@ -5748,7 +5748,7 @@
2. Indien bij samenloop van meerdere feiten één hoofdstraf is uitgesproken en de herziening slechts gevraagd is ten aanzien van een of meer van die feiten, wordt, in geval van vernietiging, bij de uitspraak in herziening de straf voor het andere feit of de andere feiten bepaald.
3. Bij de uitspraak wordt bepaald dat de reeds vroeger krachtens de vernietigde uitspraak voor het feit ondergane straf, en de krachtens [artikel 473](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=473&z=2014-07-01&g=2014-07-01) ondergane voorlopige hechtenis in mindering zal worden gebracht.
3. Bij de uitspraak wordt bepaald dat de reeds vroeger krachtens de vernietigde uitspraak voor het feit ondergane straf, en de krachtens [artikel 473](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=473&z=2014-11-01&g=2014-11-01) ondergane voorlopige hechtenis in mindering zal worden gebracht.
##### Artikel 479
@@ -5758,13 +5758,13 @@
##### Artikel 480
1. Indien na de vernietiging van de onherroepelijke uitspraak geen straf of maatregel dan wel de maatregel, bedoeld in [artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37), wordt opgelegd, wordt, op verzoek van de gewezen verdachte of van zijn erfgenamen, wat betreft de ondergane straf of vrijheidsbenemende maatregel een schadevergoeding toegekend. De toekenning heeft plaats, voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, gronden van billijkheid aanwezig zijn op de voet van de [artikelen 89 tot en met 93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede_A&artikel=89&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
1. Indien na de vernietiging van de onherroepelijke uitspraak geen straf of maatregel dan wel de maatregel, bedoeld in [artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37), wordt opgelegd, wordt, op verzoek van de gewezen verdachte of van zijn erfgenamen, wat betreft de ondergane straf of vrijheidsbenemende maatregel een schadevergoeding toegekend. De toekenning heeft plaats, voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, gronden van billijkheid aanwezig zijn op de voet van de [artikelen 89 tot en met 93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede_A&artikel=89&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
2. Ten aanzien van de ondergane verzekering en van de ondergane voorlopige hechtenis vinden die artikelen overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 481
1. Indien er een herzieningsaanvraag of een verzoek tot een nader onderzoek als bedoeld in [artikel 461](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=461&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is ingediend, vraagt het openbaar ministerie zo mogelijk aan het slachtoffer of diens nabestaanden of hij op de hoogte wenst te worden gehouden van de voortgang van de herzieningsprocedure.
1. Indien er een herzieningsaanvraag of een verzoek tot een nader onderzoek als bedoeld in [artikel 461](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=461&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is ingediend, vraagt het openbaar ministerie zo mogelijk aan het slachtoffer of diens nabestaanden of hij op de hoogte wenst te worden gehouden van de voortgang van de herzieningsprocedure.
2. Op verzoek van het slachtoffer of diens nabestaanden wordt door het openbaar ministerie in ieder geval mededeling gedaan van de beslissing van de Hoge Raad over de herzieningsaanvraag en van de einduitspraak in de herzieningszaak tegen de verdachte. In daartoe aangewezen gevallen en in ieder geval indien het feit waarvoor de gewezen verdachte werd veroordeeld een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, of een van de misdrijven genoemd in de [artikelen 240b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=240b), [247](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=247), [248a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=248a), [248b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=248b), [249](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=249), [250](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=250), [273f, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=273f), [285](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=285), [285b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=285b), [300, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=300), [301, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=301), [306 tot en met 308](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=306) en [318 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=318) en [artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=6) doet het openbaar ministerie desgevraagd tevens mededeling van de invrijheidstelling van de gewezen verdachte.
@@ -5796,7 +5796,7 @@
- 4°. In geval van een doorzoeking van plaatsen of eene schouw, kan zich de raadsheer- commissaris doen vervangen door den rechter-commissaris, de procureur-generaal bij den Hoogen Raad door de officier van justitie in het arrondissement waar de doorzoeking of de schouw moet geschieden.
- 5°. In geval van vervolging, bedoeld in [artikel 483](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=I&artikel=483&z=2014-07-01&g=2014-07-01), zijn niet van toepassing de [artikelen 237](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Zesde&artikel=237&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [238](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Zesde&artikel=238&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [241c tot en met 255](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=IV&artikel=242&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [262](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=262&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [313](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=313&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [314](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=314&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en behelst de dagvaarding een opgave van het feit in de last tot vervolging uitgedrukt.
- 5°. In geval van vervolging, bedoeld in [artikel 483](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=I&artikel=483&z=2014-11-01&g=2014-11-01), zijn niet van toepassing de [artikelen 237](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Zesde&artikel=237&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [238](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Zesde&artikel=238&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [241c tot en met 255](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=IV&artikel=242&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [262](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=262&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [313](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=313&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [314](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=314&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en behelst de dagvaarding een opgave van het feit in de last tot vervolging uitgedrukt.
- 6°. Tegen de beslissingen van den Hoogen Raad is geen beroep of bezwaarschrift toegelaten.
@@ -5816,9 +5816,9 @@
##### Artikel 487
1. In gevallen waarin uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit dat iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren een strafbaar feit heeft begaan, zijn uitsluitend de [artikelen 52 tot en met 55b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=52&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=56&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [61, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=61&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [95 tot en met 102](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=95&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=118&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [119](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=119&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [552a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [552d tot en met 552g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552d&z=2014-07-01&g=2014-07-01) van toepassing. De [artikelen 116 tot en met 117a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=116&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Het afleggen van een verklaring als bedoeld in [artikel 116, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=116&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en het doen van beklag als bedoeld in [artikel 552a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) geschiedt voor de minderjarige, bedoeld in het eerste lid, door zijn wettelijke vertegenwoordiger in burgerlijke zaken.
1. In gevallen waarin uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit dat iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren een strafbaar feit heeft begaan, zijn uitsluitend de [artikelen 52 tot en met 55b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=52&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=56&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [61, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=61&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [95 tot en met 102](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=95&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=118&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [119](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=119&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [552a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [552d tot en met 552g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552d&z=2014-11-01&g=2014-11-01) van toepassing. De [artikelen 116 tot en met 117a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=116&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Het afleggen van een verklaring als bedoeld in [artikel 116, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=116&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en het doen van beklag als bedoeld in [artikel 552a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) geschiedt voor de minderjarige, bedoeld in het eerste lid, door zijn wettelijke vertegenwoordiger in burgerlijke zaken.
### afdeling Eerste. Algemene bepalingen
@@ -5854,11 +5854,11 @@
4. Het openbaar ministerie geeft aan de voorzitter van de rechtbank, dan wel van het gerechtshof, onverwijld schriftelijk kennis van de verplichting tot toevoeging ingevolge het eerste of van een verhoor als bedoeld in het tweede lid.
5. De [artikelen 42, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=42&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [43, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=43&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=44&z=2014-07-01&g=2014-07-01) blijven buiten toepassing.
5. De [artikelen 42, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=42&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [43, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=43&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=44&z=2014-11-01&g=2014-11-01) blijven buiten toepassing.
##### Artikel 490
Indien de verdachte rechtens zijn vrijheid is ontnomen en niet is geplaatst in een justitiële jeugdinrichting, is ten aanzien van zijn ouders of voogd [artikel 50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Derde&artikel=50&z=2014-07-01&g=2014-07-01) van overeenkomstige toepassing.
Indien de verdachte rechtens zijn vrijheid is ontnomen en niet is geplaatst in een justitiële jeugdinrichting, is ten aanzien van zijn ouders of voogd [artikel 50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Derde&artikel=50&z=2014-11-01&g=2014-11-01) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 490a
@@ -5866,7 +5866,7 @@
##### Artikel 491
1. In afwijking van [artikel 59, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=59&z=2014-07-01&g=2014-07-01), wordt de raad voor de kinderbescherming onverwijld van het bevel tot inverzekeringstelling in kennis gesteld.
1. In afwijking van [artikel 59, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=59&z=2014-11-01&g=2014-11-01), wordt de raad voor de kinderbescherming onverwijld van het bevel tot inverzekeringstelling in kennis gesteld.
2. Indien naar aanleiding van de in het vorige lid bedoelde kennisgeving wordt gerapporteerd, slaat de officier van justitie daarop acht alvorens een vordering tot bewaring te doen.
@@ -5886,7 +5886,7 @@
5. In de gevallen waarin verlof kan worden verleend op grond van het bepaalde bij of krachtens de [Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756), blijft het in het eerste en tweede lid inzake schorsing bepaalde buiten toepassing.
6. Schorsing van de voorlopige hechtenis vindt steeds plaats onder de algemene voorwaarden, genoemd in [artikel 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=4&artikel=80&z=2014-07-01&g=2014-07-01). De rechter kan, na advies te hebben ingewonnen van de raad voor de kinderbescherming, ook bijzondere voorwaarden aan de schorsing verbinden. De rechter verbindt slechts bijzondere voorwaarden aan de schorsing voor zover de jeugdige daarmee instemt. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke bijzondere voorwaarden aan de schorsing kunnen worden verbonden en aan welke eisen de instemming van de jeugdige moet voldoen. Bij algemene maatregel van bestuur, op de voordracht van Onze Ministers van Justitie en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, kunnen regels worden gesteld omtrent de aard en de omvang van de hulp en steun.
6. Schorsing van de voorlopige hechtenis vindt steeds plaats onder de algemene voorwaarden, genoemd in [artikel 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=4&artikel=80&z=2014-11-01&g=2014-11-01). De rechter kan, na advies te hebben ingewonnen van de raad voor de kinderbescherming, ook bijzondere voorwaarden aan de schorsing verbinden. De rechter verbindt slechts bijzondere voorwaarden aan de schorsing voor zover de jeugdige daarmee instemt. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke bijzondere voorwaarden aan de schorsing kunnen worden verbonden en aan welke eisen de instemming van de jeugdige moet voldoen. Bij algemene maatregel van bestuur, op de voordracht van Onze Ministers van Justitie en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, kunnen regels worden gesteld omtrent de aard en de omvang van de hulp en steun.
##### Artikel 494
@@ -5896,7 +5896,7 @@
- b. de zaak voor de kantonrechter vervolgt.
2. Indien de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt of ingevolge [artikel 196](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=196&z=2014-07-01&g=2014-07-01) in een inrichting is opgenomen, geeft de officier van justitie onverwijld bericht aan de raad.
2. Indien de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt of ingevolge [artikel 196](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=196&z=2014-11-01&g=2014-11-01) in een inrichting is opgenomen, geeft de officier van justitie onverwijld bericht aan de raad.
3. De raad kan de officier van justitie ook uit eigen beweging adviseren.
@@ -5916,11 +5916,11 @@
3. In zaken welke voor een meervoudige kamer der rechtbank worden vervolgd neemt de kinderrechter aan het onderzoek der terechtzitting deel.
4. De kinderrechter is bevoegd kennis te nemen van een strafbaar feit of strafbare feiten die zijn begaan nadat de verdachte de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt indien de vervolging van dat feit of deze feiten gelijktijdig plaatsvindt met de vervolging van verdachte ter zake van een strafbaar feit bedoeld in [artikel 488, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=II&afdeling=Tweede&artikel=488&z=2014-07-01&g=2014-07-01). Het tweede en derde lid is van overeenkomstige toepassing.
4. De kinderrechter is bevoegd kennis te nemen van een strafbaar feit of strafbare feiten die zijn begaan nadat de verdachte de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt indien de vervolging van dat feit of deze feiten gelijktijdig plaatsvindt met de vervolging van verdachte ter zake van een strafbaar feit bedoeld in [artikel 488, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=II&afdeling=Tweede&artikel=488&z=2014-11-01&g=2014-11-01). Het tweede en derde lid is van overeenkomstige toepassing.
5. Bij toepassing van het vierde lid kan de rechter recht doen volgens de [artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77aa) indien hij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.
6. Het bepaalde in het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing wanneer het afzonderlijke strafbare feiten betreft die op grond van [artikel 263](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=263&z=2014-07-01&g=2014-07-01) of [artikel 287](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=287&z=2014-07-01&g=2014-07-01) gevoegd zijn behandeld.
6. Het bepaalde in het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing wanneer het afzonderlijke strafbare feiten betreft die op grond van [artikel 263](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=263&z=2014-11-01&g=2014-11-01) of [artikel 287](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=287&z=2014-11-01&g=2014-11-01) gevoegd zijn behandeld.
##### Artikel 495a
@@ -5942,7 +5942,7 @@
1. De ouders of de voogd zijn verplicht tot bijwoning van de terechtzitting. Zij worden daartoe opgeroepen. Bij de oproeping wordt hun kennisgegeven, dat, indien zij niet aan deze verplichting voldoen, het gerecht hun medebrenging kan gelasten.
2. Indien ouders of voogd op de terechtzitting zijn verschenen, worden zij, nadat de verdachte, een medeverdachte, een getuige of een deskundige zijn verklaring heeft afgelegd, in de gelegenheid gesteld daartegen in te brengen wat tot verdediging kan dienen. In het in [artikel 51g, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Tweede&artikel=51g&z=2014-07-01&g=2014-07-01), bedoelde geval kunnen de ouders of de voogd vragen stellen aan een getuige of deskundige, maar alleen betreffende de vordering tot schadevergoeding; zij worden in de gelegenheid gesteld verweer te voeren tegen die vordering.
2. Indien ouders of voogd op de terechtzitting zijn verschenen, worden zij, nadat de verdachte, een medeverdachte, een getuige of een deskundige zijn verklaring heeft afgelegd, in de gelegenheid gesteld daartegen in te brengen wat tot verdediging kan dienen. In het in [artikel 51g, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Tweede&artikel=51g&z=2014-11-01&g=2014-11-01), bedoelde geval kunnen de ouders of de voogd vragen stellen aan een getuige of deskundige, maar alleen betreffende de vordering tot schadevergoeding; zij worden in de gelegenheid gesteld verweer te voeren tegen die vordering.
3. Niettemin kan het gerecht ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de verdachte of diens raadsman bevelen, dat een verhoor van de verdachte, van een getuige of van een deskundige buiten tegenwoordigheid van ouders of voogd geschiedt, tenzij de zaak in het openbaar wordt behandeld. Het gerecht deelt in dat geval de zakelijke inhoud van een en ander aan de ouders of voogd mee, voor zover niet gewichtige redenen zich daartegen verzetten.
@@ -5974,7 +5974,7 @@
1. Het gerecht kan ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de verdachte of diens raadsman bepalen, dat vragen betreffende de persoonlijkheid of de levensomstandigheden van de verdachte buiten diens tegenwoordigheid zullen worden gesteld en behandeld en dat het openbaar ministerie of de raadsman buiten tegenwoordigheid van de verdachte daarover het woord zal voeren.
2. Het [tweede lid van artikel 300](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=300&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is van overeenkomstige toepassing.
2. Het [tweede lid van artikel 300](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=300&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 498
@@ -5986,15 +5986,15 @@
##### Artikel 499
1. Op het rechtsgeding voor de kinderrechter zijn de [Vijfde Titel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en de [Zesde Titel van het Tweede Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&z=2014-07-01&g=2014-07-01) van overeenkomstige toepassing, voor zover in deze Titel niet anders wordt bepaald en met dien verstande, dat de kinderrechter tevens de bevoegdheden bezit, die aan de voorzitter van een meervoudige kamer toekomen.
2. De [artikelen 370](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VII&artikel=370&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [376 tot en met 381](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VII&artikel=376&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de kinderrechter de zaak tevens naar de meervoudige kamer verwijst, indien naar zijn oordeel de toepassing van [artikel 77**s** van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77s) in overweging behoort te worden genomen.
1. Op het rechtsgeding voor de kinderrechter zijn de [Vijfde Titel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en de [Zesde Titel van het Tweede Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&z=2014-11-01&g=2014-11-01) van overeenkomstige toepassing, voor zover in deze Titel niet anders wordt bepaald en met dien verstande, dat de kinderrechter tevens de bevoegdheden bezit, die aan de voorzitter van een meervoudige kamer toekomen.
2. De [artikelen 370](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VII&artikel=370&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [376 tot en met 381](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VII&artikel=376&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de kinderrechter de zaak tevens naar de meervoudige kamer verwijst, indien naar zijn oordeel de toepassing van [artikel 77**s** van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77s) in overweging behoort te worden genomen.
##### Artikel 500
1. Op het rechtsgeding voor de kantonrechter zijn de [artikelen 495b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=II&afdeling=Tweede&artikel=495b&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [496, eerste lid, tweede volzin, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=II&afdeling=Tweede&artikel=496&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [497](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=II&afdeling=Tweede&artikel=497&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [498](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=II&afdeling=Tweede&artikel=498&z=2014-07-01&g=2014-07-01) van overeenkomstige toepassing.
2. Indien de zaak door oproeping aanhangig is gemaakt, wordt in de oproeping van de ouders of de voogd het ten laste gelegde feit opgenomen. In het geval, bedoeld in de [aanhef van artikel 390](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VIII&artikel=390&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is dat artikel van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de wijze van oproeping van ouders of voogd, en zo nodig van intrekking van deze oproeping.
1. Op het rechtsgeding voor de kantonrechter zijn de [artikelen 495b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=II&afdeling=Tweede&artikel=495b&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [496, eerste lid, tweede volzin, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=II&afdeling=Tweede&artikel=496&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [497](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=II&afdeling=Tweede&artikel=497&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [498](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=II&afdeling=Tweede&artikel=498&z=2014-11-01&g=2014-11-01) van overeenkomstige toepassing.
2. Indien de zaak door oproeping aanhangig is gemaakt, wordt in de oproeping van de ouders of de voogd het ten laste gelegde feit opgenomen. In het geval, bedoeld in de [aanhef van artikel 390](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VIII&artikel=390&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is dat artikel van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de wijze van oproeping van ouders of voogd, en zo nodig van intrekking van deze oproeping.
##### Artikel 500a
@@ -6046,15 +6046,15 @@
##### Artikel 501
In geval van hoger beroep bij het gerechtshof of bij de rechtbank zijn de [artikelen 495a tot en met 498](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=II&afdeling=Tweede&artikel=495a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) van overeenkomstige toepassing.
In geval van hoger beroep bij het gerechtshof of bij de rechtbank zijn de [artikelen 495a tot en met 498](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=II&afdeling=Tweede&artikel=495a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 502
1. Tegen een beslissing als bedoeld in de [artikelen 77t](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77t) en [77tc van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77tc) kunnen zowel het openbaar ministerie als de veroordeelde in hoger beroep komen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De [artikelen 509q](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Derde&artikel=509q&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [509v tot en met 509x](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Vierde&artikel=509v&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
1. Tegen een beslissing als bedoeld in de [artikelen 77t](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77t) en [77tc van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77tc) kunnen zowel het openbaar ministerie als de veroordeelde in hoger beroep komen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De [artikelen 509q](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Derde&artikel=509q&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [509v tot en met 509x](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Vierde&artikel=509v&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Tegen een beslissing als bedoeld in [artikel 77tb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77tb) en [77wd van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77wd) kunnen zowel het openbaar ministerie als de veroordeelde binnen veertien dagen na dagtekening van de beslissing in hoger beroep komen bij het gerechtshof in het ressort van het gerecht waar de beslissing is genomen.
3. Op het hoger beroep bedoeld in het tweede lid, zijn de [artikelen 509v, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Vierde&artikel=509v&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [509w](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Vierde&artikel=509w&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [509x](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Vierde&artikel=509x&z=2014-07-01&g=2014-07-01) van overeenkomstige toepassing.
3. Op het hoger beroep bedoeld in het tweede lid, zijn de [artikelen 509v, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Vierde&artikel=509v&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [509w](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Vierde&artikel=509w&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [509x](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Vierde&artikel=509x&z=2014-11-01&g=2014-11-01) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 503
@@ -6106,19 +6106,19 @@
1. Het gerecht kan, alvorens te beslissen, het openbaar ministerie opdragen een nader onderzoek in te stellen en aan het gerecht daaromtrent verslag te doen.
2. De beslissing van het gerecht, bij het [eerste lid van artikel 509a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIA&artikel=509a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) bedoeld, is niet aan eenig rechtsmiddel onderworpen, doch kan door het gerecht te allen tijde worden herroepen; ten aanzien der beslissing tot herroeping vinden de [artikelen 509a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIA&artikel=509a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [509d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIA&artikel=509d&z=2014-07-01&g=2014-07-01) overeenkomstige toepassing en al hetgeen bij of ingevolge eerstgenoemde beslissing tot de herroeping toe is verricht, blijft niettemin van kracht.
2. De beslissing van het gerecht, bij het [eerste lid van artikel 509a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIA&artikel=509a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) bedoeld, is niet aan eenig rechtsmiddel onderworpen, doch kan door het gerecht te allen tijde worden herroepen; ten aanzien der beslissing tot herroeping vinden de [artikelen 509a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIA&artikel=509a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [509d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIA&artikel=509d&z=2014-11-01&g=2014-11-01) overeenkomstige toepassing en al hetgeen bij of ingevolge eerstgenoemde beslissing tot de herroeping toe is verricht, blijft niettemin van kracht.
##### Artikel 509c
Ten spoedigste na de beslissing bedoeld in [artikel 509a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIA&artikel=509a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), geeft de voorzitter van het gerecht het bestuur van de raad voor rechtsbijstand last tot toevoeging van een raadsman aan de verdachte.
Ten spoedigste na de beslissing bedoeld in [artikel 509a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIA&artikel=509a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), geeft de voorzitter van het gerecht het bestuur van de raad voor rechtsbijstand last tot toevoeging van een raadsman aan de verdachte.
##### Artikel 509d
1. Van het oogenblik af der beslissing, bij het eerste lid van [artikel 509a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIA&artikel=509a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) bedoeld, en, behoudens herroeping, totdat de zaak door een in kracht van gewijsde gegaan arrest of vonnis is beëindigd, vinden de [artikelen 14a,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=14a&z=2014-07-01&g=2014-07-01)[490](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=II&afdeling=Tweede&artikel=490&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [493](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=II&afdeling=Tweede&artikel=493&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [495a tot en met 497](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=II&afdeling=Tweede&artikel=495a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [504](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=II&afdeling=Tweede&artikel=504&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [505](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=II&afdeling=Tweede&artikel=505&z=2014-07-01&g=2014-07-01) overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de bepalingen aangaande ouders of voogd slechts overeenkomstig worden toegepast, indien de verdachte een curator heeft, en in dit geval in dier voege dat zij uitsluitend dezen betreffen.
2. Bij niet-verschijning in persoon, als bedoeld bij het tweede lid van [artikel 495a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=II&afdeling=Tweede&artikel=495a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan de rechtbank of het gerechtshof, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van den raadsman, indien de rechtbank of het gerechtshof van oordeel is, dat de persoonlijke verschijning van den verdachte noch noodzakelijk noch gewenscht is en de raadsman is verschenen en zich daartegen niet verzet, de bepaling van dat lid buiten toepassing laten. In zoodanig geval wordt verstek verleend en het onderzoek der zaak voortgezet; de raadsman blijft met de verdediging belast.
3. De bevoegdheden, bij dit wetboek aan den verdachte toegekend, komen na de beslissing, bij het eerste lid van [artikel 509a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIA&artikel=509a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) bedoeld, steeds mede toe aan den raadsman.
1. Van het oogenblik af der beslissing, bij het eerste lid van [artikel 509a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIA&artikel=509a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) bedoeld, en, behoudens herroeping, totdat de zaak door een in kracht van gewijsde gegaan arrest of vonnis is beëindigd, vinden de [artikelen 14a,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=14a&z=2014-11-01&g=2014-11-01)[490](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=II&afdeling=Tweede&artikel=490&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [493](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=II&afdeling=Tweede&artikel=493&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [495a tot en met 497](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=II&afdeling=Tweede&artikel=495a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [504](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=II&afdeling=Tweede&artikel=504&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [505](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=II&afdeling=Tweede&artikel=505&z=2014-11-01&g=2014-11-01) overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de bepalingen aangaande ouders of voogd slechts overeenkomstig worden toegepast, indien de verdachte een curator heeft, en in dit geval in dier voege dat zij uitsluitend dezen betreffen.
2. Bij niet-verschijning in persoon, als bedoeld bij het tweede lid van [artikel 495a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=II&afdeling=Tweede&artikel=495a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan de rechtbank of het gerechtshof, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van den raadsman, indien de rechtbank of het gerechtshof van oordeel is, dat de persoonlijke verschijning van den verdachte noch noodzakelijk noch gewenscht is en de raadsman is verschenen en zich daartegen niet verzet, de bepaling van dat lid buiten toepassing laten. In zoodanig geval wordt verstek verleend en het onderzoek der zaak voortgezet; de raadsman blijft met de verdediging belast.
3. De bevoegdheden, bij dit wetboek aan den verdachte toegekend, komen na de beslissing, bij het eerste lid van [artikel 509a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIA&artikel=509a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) bedoeld, steeds mede toe aan den raadsman.
##### Artikel 509e
@@ -6140,7 +6140,7 @@
##### Artikel 509g
1. Indien de rechter toepassing van [artikel 37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37), [37b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37b) of [38c van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=38c) overweegt, kan hij bij een met redenen omklede beslissing bevel geven dat de betrokkene ter observatie zal worden overgebracht naar een in het bevel aan te wijzen psychiatrisch ziekenhuis of een inrichting tot klinische observatie bestemd, door Onze Minister van Veiligheid en Justitie overeenkomstig [artikel 198, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=198&z=2014-07-01&g=2014-07-01), aangewezen.
1. Indien de rechter toepassing van [artikel 37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37), [37b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37b) of [38c van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=38c) overweegt, kan hij bij een met redenen omklede beslissing bevel geven dat de betrokkene ter observatie zal worden overgebracht naar een in het bevel aan te wijzen psychiatrisch ziekenhuis of een inrichting tot klinische observatie bestemd, door Onze Minister van Veiligheid en Justitie overeenkomstig [artikel 198, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=198&z=2014-11-01&g=2014-11-01), aangewezen.
2. Het bevel wordt niet gegeven dan nadat het oordeel van een of meer deskundigen is ingewonnen en het openbaar ministerie, de betrokkene en zijn raadsman zijn gehoord.
@@ -6150,7 +6150,7 @@
##### Artikel 509h
1. Een ter beschikking gestelde kan, indien te zijnen aanzien een bevel als bedoeld in [artikel 509g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Eerste&artikel=509g&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is gegeven dan wel, indien zijn proefverlof is beëindigd, hervatting van zijn verpleging van overheidswege is bevolen, of met toepassing van [artikel 38c van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=38c) alsnog verpleging van overheidswege is bevolen, op bevel van de officier van justitie of een hulpofficier in het arrondissement waarin hij feitelijk verblijft, worden aangehouden.
1. Een ter beschikking gestelde kan, indien te zijnen aanzien een bevel als bedoeld in [artikel 509g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Eerste&artikel=509g&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is gegeven dan wel, indien zijn proefverlof is beëindigd, hervatting van zijn verpleging van overheidswege is bevolen, of met toepassing van [artikel 38c van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=38c) alsnog verpleging van overheidswege is bevolen, op bevel van de officier van justitie of een hulpofficier in het arrondissement waarin hij feitelijk verblijft, worden aangehouden.
2. Na de aanhouding wordt de ter beschikking gestelde onverwijld overgebracht naar een door Onze Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen inrichting.
@@ -6160,7 +6160,7 @@
2. Van de aanhouding wordt, indien het een ter beschikking gestelde betreft aan wie proefverlof is verleend, onverwijld kennis gegeven aan Onze Minister van Veiligheid en Justitie. Deze beslist daarna zo spoedig mogelijk omtrent de vrijlating, dan wel de beëindiging van het proefverlof.
3. In de overige gevallen dient de officier van justitie, indien hij de gedane aanhouding noodzakelijk blijft vinden, naast de vordering op de voet van [artikel 38k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=38k), de vordering op de voet van [artikel 38la, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=38la), of de vordering op de voet van [artikel 38c, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=38c), onverwijld een vordering tot voorlopige hervatting van de verpleging onderscheidenlijk een vordering tot voorlopige verpleging in bij de rechter-commissaris. De [artikelen 40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=40&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [509h, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Eerste&artikel=509h&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [509k, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Tweede&artikel=509k&z=2014-07-01&g=2014-07-01), zijn van overeenkomstige toepassing.
3. In de overige gevallen dient de officier van justitie, indien hij de gedane aanhouding noodzakelijk blijft vinden, naast de vordering op de voet van [artikel 38k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=38k), de vordering op de voet van [artikel 38la, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=38la), of de vordering op de voet van [artikel 38c, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=38c), onverwijld een vordering tot voorlopige hervatting van de verpleging onderscheidenlijk een vordering tot voorlopige verpleging in bij de rechter-commissaris. De [artikelen 40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=40&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [509h, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Eerste&artikel=509h&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [509k, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Tweede&artikel=509k&z=2014-11-01&g=2014-11-01), zijn van overeenkomstige toepassing.
4. De rechter-commissaris beslist binnen driemaal vierentwintig uur na aanhouding. De ter beschikking gestelde wordt door de rechter-commissaris gehoord.
@@ -6190,7 +6190,7 @@
7. Het openbaar ministerie doet vervolgens zo spoedig mogelijk de ter beschikking gestelde en de reclasseringsmedewerker tijdig tot het bijwonen van het onderzoek oproepen, onder betekening van de vordering of conclusie aan de ter beschikking gestelde. Oproeping van de reclasseringsmedewerker kan achterwege blijven, indien de vordering is gegrond op [artikel 38la, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=38la).
8. Indien het openbaar ministerie een vordering doet tot toepassing van [artikel 38la](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=38la), is [artikel 509q](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Derde&artikel=509q&z=2014-07-01&g=2014-07-01) van overeenkomstige toepassing.
8. Indien het openbaar ministerie een vordering doet tot toepassing van [artikel 38la](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=38la), is [artikel 509q](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Derde&artikel=509q&z=2014-11-01&g=2014-11-01) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 509k
@@ -6198,19 +6198,19 @@
2. De raadsman is bevoegd bij het onderzoek tegenwoordig te zijn en van alle daarop betrekking hebbende stukken kennis te nemen.
3. De [artikelen 38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=38&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=39&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [41, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=41&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [45-49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=45&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [50, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Derde&artikel=50&z=2014-07-01&g=2014-07-01), zijn van overeenkomstige toepassing.
3. De [artikelen 38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=38&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=39&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [41, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=41&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [45-49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=45&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [50, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Derde&artikel=50&z=2014-11-01&g=2014-11-01), zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 509l
1. Zowel het openbaar ministerie als de ter beschikking gestelde en diens raadsman zijn bevoegd getuigen en deskundigen te doen dagvaarden of schriftelijk te doen oproepen. De voorzitter kan voorts de dagvaarding of oproeping van getuigen en deskundigen vanwege het openbaar ministerie bevelen. Andere personen kunnen op zijn last door de griffier worden uitgenodigd om bij het onderzoek tegenwoordig te zijn.
2. De ter beschikking gestelde en de reclasseringsmedewerker kunnen, voor de aanvang van het onderzoek, ter griffie kennis nemen van de stukken. Het bepaalde bij en krachtens [artikel 32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=32&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is van toepassing.
2. De ter beschikking gestelde en de reclasseringsmedewerker kunnen, voor de aanvang van het onderzoek, ter griffie kennis nemen van de stukken. Het bepaalde bij en krachtens [artikel 32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=32&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is van toepassing.
3. De voorzitter kan indien hij ernstig gevaar voor de geestelijke gezondheid van de ter beschikking gestelde vreest, bepalen dat het inzien van geneeskundige en psychologische rapporten de ter beschikking gestelde persoonlijk niet wordt toegestaan, maar uitsluitend aan een gemachtigde, die reclasseringsmedewerker, arts of advocaat is, dan wel van de voorzitter bijzondere toestemming heeft verkregen.
##### Artikel 509m
1. Het onderzoek geschiedt met overeenkomstige toepassing van de [artikelen 269 tot en met 272](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=269&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [273, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=273&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [274 tot en met 277](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=274&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [278, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=278&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [281](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=281&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [284, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=284&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [286 tot en met 297](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=286&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [299 tot en met 301](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=299&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [309 tot en met 311](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=309&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [315](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=315&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [318 tot en met 322](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=318&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [324](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=324&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [326](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=326&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [328 tot en met 331](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=328&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [345, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=345&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [346](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=346&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
1. Het onderzoek geschiedt met overeenkomstige toepassing van de [artikelen 269 tot en met 272](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=269&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [273, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=273&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [274 tot en met 277](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=274&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [278, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=278&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [281](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=281&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [284, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=284&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [286 tot en met 297](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=286&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [299 tot en met 301](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=299&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [309 tot en met 311](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=309&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [315](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=315&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [318 tot en met 322](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=318&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [324](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=324&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [326](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=326&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [328 tot en met 331](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=328&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [345, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=345&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [346](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=346&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
2. Het openbaar ministerie en de ter beschikking gestelde zijn bevoegd, hangende het onderzoek, wijziging te brengen in de vordering of de conclusie, onderscheidenlijk het verzoek.
@@ -6242,7 +6242,7 @@
4. Indien het openbaar ministerie een verlenging vordert waardoor de totale duur van de terbeschikkingstelling een periode van zes jaar of van een veelvoud van zes jaar te boven gaat, legt het bij de vordering tevens over een recent opgemaakt, met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies van twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines - waaronder een psychiater - gezamenlijk, dan wel zodanige adviezen van ieder van hen afzonderlijk. Deze gedragsdeskundigen mogen op het ogenblik waarop zij het advies uitbrengen en ten tijde van het onderzoek dat zij daarvoor verrichten niet verbonden zijn aan de inrichting waarin de ter beschikking gestelde wordt verpleegd. Het voorgaande vindt geen toepassing indien de ter beschikking gestelde weigert medewerking te verlenen aan het onderzoek dat ten behoeve van het advies moet worden verricht. Voor zover mogelijk maken de gedragsdeskundigen gezamenlijk dan wel ieder van hen afzonderlijk over de reden van de weigering rapport op. Het openbaar ministerie legt zo mogelijk een ander advies of rapport omtrent de wenselijkheid of noodzakelijkheid van een verlenging van de terbeschikkingstelling, aan de totstandkoming waarvan de betrokkene wel bereid is om medewerking te verlenen, over.
5. De ter beschikking gestelde kan in het geval, bedoeld in het vierde lid, op last van Onze Minister van Veiligheid en Justitie, voor een periode van ten hoogste zeven weken ter observatie worden overgebracht naar een psychiatrisch ziekenhuis of een inrichting tot klinische observatie bestemd, door Onze Minister van Veiligheid en Justitie overeenkomstig [artikel 198, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=198&z=2014-07-01&g=2014-07-01), aangewezen. Het verblijf in de inrichting geldt als verpleging van overheidswege. De last tot overbrenging wordt niet gegeven dan nadat de ter beschikking gestelde en zijn raadsman ter zake zijn gehoord althans daartoe in de gelegenheid zijn gesteld. [Artikel 273, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=273&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
5. De ter beschikking gestelde kan in het geval, bedoeld in het vierde lid, op last van Onze Minister van Veiligheid en Justitie, voor een periode van ten hoogste zeven weken ter observatie worden overgebracht naar een psychiatrisch ziekenhuis of een inrichting tot klinische observatie bestemd, door Onze Minister van Veiligheid en Justitie overeenkomstig [artikel 198, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=198&z=2014-11-01&g=2014-11-01), aangewezen. Het verblijf in de inrichting geldt als verpleging van overheidswege. De last tot overbrenging wordt niet gegeven dan nadat de ter beschikking gestelde en zijn raadsman ter zake zijn gehoord althans daartoe in de gelegenheid zijn gesteld. [Artikel 273, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=273&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
6. Het openbaar ministerie brengt een afschrift van de vordering zo spoedig mogelijk schriftelijk ter kennis van de ter beschikking gestelde; geldt het een vordering als bedoeld in het derde lid, dan zendt het openbaar ministerie tevens een afschrift daarvan aan de reclasseringsmedewerker.
@@ -6250,9 +6250,9 @@
##### Artikel 509oa
1. Een vordering als bedoeld in [artikel 509o, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Derde&artikel=509o&z=2014-07-01&g=2014-07-01), die later dan één maand vóór het tijdstip waarop de terbeschikkingstelling door tijdsverloop zal eindigen, doch binnen een redelijke termijn is ingediend, is niettemin ontvankelijk, indien er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn waardoor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, ondanks het belang van de ter beschikking gestelde, verlenging van de terbeschikkingstelling eist.
2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, dient de officier van justitie, wanneer van het verzuim is gebleken na het tijdstip waarop de terbeschikkingstelling door tijdsverloop is geëindigd, naast de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling, onverwijld een vordering tot voorlopige voortzetting van de terbeschikkingstelling in bij de rechter-commissaris. De [artikelen 40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=40&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [509k, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Tweede&artikel=509k&z=2014-07-01&g=2014-07-01), zijn van overeenkomstige toepassing. In afwachting van de beslissing op de vordering tot voorlopige voortzetting van de terbeschikkingstelling wordt de ter beschikking gestelde niet in vrijheid gesteld.
1. Een vordering als bedoeld in [artikel 509o, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Derde&artikel=509o&z=2014-11-01&g=2014-11-01), die later dan één maand vóór het tijdstip waarop de terbeschikkingstelling door tijdsverloop zal eindigen, doch binnen een redelijke termijn is ingediend, is niettemin ontvankelijk, indien er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn waardoor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, ondanks het belang van de ter beschikking gestelde, verlenging van de terbeschikkingstelling eist.
2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, dient de officier van justitie, wanneer van het verzuim is gebleken na het tijdstip waarop de terbeschikkingstelling door tijdsverloop is geëindigd, naast de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling, onverwijld een vordering tot voorlopige voortzetting van de terbeschikkingstelling in bij de rechter-commissaris. De [artikelen 40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=40&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [509k, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Tweede&artikel=509k&z=2014-11-01&g=2014-11-01), zijn van overeenkomstige toepassing. In afwachting van de beslissing op de vordering tot voorlopige voortzetting van de terbeschikkingstelling wordt de ter beschikking gestelde niet in vrijheid gesteld.
3. De rechter-commissaris beslist binnen drie maal vierentwintig uur na de indiening van de vordering tot voorlopige voortzetting van de terbeschikkingstelling . De ter beschikking gestelde wordt zo mogelijk door de rechter-commissaris gehoord.
@@ -6262,7 +6262,7 @@
##### Artikel 509p
Tot kennisneming van de vordering is bij uitsluiting bevoegd de rechtbank die in eerste aanleg heeft kennis genomen van het misdrijf ter zake waarvan de terbeschikkingstelling is gelast. [Artikel 509**j**, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Tweede&artikel=509j&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van toepassing.
Tot kennisneming van de vordering is bij uitsluiting bevoegd de rechtbank die in eerste aanleg heeft kennis genomen van het misdrijf ter zake waarvan de terbeschikkingstelling is gelast. [Artikel 509**j**, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Tweede&artikel=509j&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van toepassing.
##### Artikel 509q
@@ -6274,13 +6274,13 @@
1. Aan de ter beschikking gestelde die van overheidswege wordt verpleegd, wordt, zo hij geen raadsman heeft, door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand op last van de voorzitter een raadsman toegevoegd.
2. [Artikel 509**k**, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Tweede&artikel=509k&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van toepassing.
2. [Artikel 509**k**, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Tweede&artikel=509k&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van toepassing.
##### Artikel 509s
1. De rechtbank bepaalt onverwijld een dag voor het onderzoek van de zaak. Aan de ter beschikking gestelde en de reclasseringsmedewerker wordt daarvan tijdig mededeling gedaan.
2. Het onderzoek heeft plaats met overeenkomstige toepassing van de [artikelen 509l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Tweede&artikel=509l&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [509m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Tweede&artikel=509m&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
2. Het onderzoek heeft plaats met overeenkomstige toepassing van de [artikelen 509l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Tweede&artikel=509l&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [509m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Tweede&artikel=509m&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
3. De rechtbank hoort, alvorens te beslissen, de ter beschikking gestelde.
@@ -6294,7 +6294,7 @@
2. De rechtbank kan, indien zij beslist tot verlenging van de terbeschikkingstelling voor de tijd van een jaar dan wel voor de tijd van twee jaren dan wel voor de tijd van twee jaren, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de ter beschikking gestelde of diens raadsman tevens de verpleging van overheidswege voorwaardelijk beëindigen. Beëindiging van de terbeschikkingstelling vindt niet plaats dan nadat de verpleging van overheidswege gedurende minimaal een jaar voorwaardelijk beëindigd is geweest.
3. Indien zich na de indiening van de vordering als bedoeld in [artikel 509o, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Derde&artikel=509o&z=2014-07-01&g=2014-07-01), een omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit dat de rechtbank, gelet op de in het eerste lid gestelde termijn waarbinnen zij op de vordering tot verlenging moet beslissen, niet kan voldoen aan de ingevolge [artikel 509s, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Derde&artikel=509s&z=2014-07-01&g=2014-07-01), voorgeschreven hoorplicht, vindt het eerste lid geen toepassing. De rechtbank beslist in dat geval op de vordering tot verlenging binnen twee maanden nadat het beletsel om aan de hoorplicht te voldoen is weggevallen.
3. Indien zich na de indiening van de vordering als bedoeld in [artikel 509o, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Derde&artikel=509o&z=2014-11-01&g=2014-11-01), een omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit dat de rechtbank, gelet op de in het eerste lid gestelde termijn waarbinnen zij op de vordering tot verlenging moet beslissen, niet kan voldoen aan de ingevolge [artikel 509s, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Derde&artikel=509s&z=2014-11-01&g=2014-11-01), voorgeschreven hoorplicht, vindt het eerste lid geen toepassing. De rechtbank beslist in dat geval op de vordering tot verlenging binnen twee maanden nadat het beletsel om aan de hoorplicht te voldoen is weggevallen.
4. De beslissing geeft de bijzondere redenen aan die de rechtbank doen besluiten tot de verlenging van de terbeschikkingstelling, dan wel tot afwijzing van de vordering.
@@ -6302,7 +6302,7 @@
##### Artikel 509u
1. De beslissingen bedoeld in [artikel 509t](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Derde&artikel=509t&z=2014-07-01&g=2014-07-01) worden onverwijld aan de ter beschikking gestelde betekend. Daarbij wordt kennis gegeven van het rechtsmiddel dat tegen de beslissing openstaat, en de termijn waarbinnen dat rechtsmiddel kan worden aangewend.
1. De beslissingen bedoeld in [artikel 509t](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Derde&artikel=509t&z=2014-11-01&g=2014-11-01) worden onverwijld aan de ter beschikking gestelde betekend. Daarbij wordt kennis gegeven van het rechtsmiddel dat tegen de beslissing openstaat, en de termijn waarbinnen dat rechtsmiddel kan worden aangewend.
2. Indien de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd, worden de beslissingen voorts onverwijld aan het hoofd van de inrichting medegedeeld.
@@ -6314,15 +6314,15 @@
##### Artikel 509v
1. Tegen de beslissing van de rechtbank, bedoeld in [artikel 38h van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=38h), en die, bedoeld in de [artikelen 509n, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Tweede&artikel=509n&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [509t, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Derde&artikel=509t&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan het openbaar ministerie binnen veertien dagen na dagtekening en de ter beschikking gestelde binnen veertien dagen na betekening daarvan beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
2. Indien de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling is toegewezen, doch [artikel 509t, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Derde&artikel=509t&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is toegepast, kan tegen de beslissing tot verlenging slechts gelijktijdig met de beslissing omtrent de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege beroep worden ingesteld.
3. De [artikelen 409, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=409&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [410](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=410&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [449, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=V&artikel=449&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [450-454](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=V&artikel=450&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [455, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=VI&artikel=455&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [509r](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Derde&artikel=509r&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
1. Tegen de beslissing van de rechtbank, bedoeld in [artikel 38h van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=38h), en die, bedoeld in de [artikelen 509n, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Tweede&artikel=509n&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [509t, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Derde&artikel=509t&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan het openbaar ministerie binnen veertien dagen na dagtekening en de ter beschikking gestelde binnen veertien dagen na betekening daarvan beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
2. Indien de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling is toegewezen, doch [artikel 509t, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Derde&artikel=509t&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is toegepast, kan tegen de beslissing tot verlenging slechts gelijktijdig met de beslissing omtrent de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege beroep worden ingesteld.
3. De [artikelen 409, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=409&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [410](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=410&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [449, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=V&artikel=449&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [450-454](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=V&artikel=450&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [455, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=VI&artikel=455&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [509r](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Derde&artikel=509r&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 509w
1. Op het onderzoek door het gerechtshof is [artikel 509**s**, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Derde&artikel=509s&z=2014-07-01&g=2014-07-01), van overeenkomstige toepassing.
1. Op het onderzoek door het gerechtshof is [artikel 509**s**, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Derde&artikel=509s&z=2014-11-01&g=2014-11-01), van overeenkomstige toepassing.
2. Indien het gerechtshof echter, na kennisneming van de stukken van het geding, van oordeel is, dat het beroep kennelijk niet ontvankelijk of ongegrond is, kan het, de advocaat-generaal, de ter beschikking gestelde en diens raadsman gehoord, zonder nader onderzoek op het beroep beslissen.
@@ -6370,19 +6370,19 @@
2. De advocaat is bevoegd bij het onderzoek tegenwoordig te zijn en van alle op de zaak betrekking hebbende stukken kennis te nemen.
3. De [artikelen 38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=38&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=39&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [41, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=41&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [45 tot en met 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=45&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [50, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Derde&artikel=50&z=2014-07-01&g=2014-07-01), zijn van overeenkomstige toepassing.
3. De [artikelen 38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=38&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=39&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [41, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=41&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [45 tot en met 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=45&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [50, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Derde&artikel=50&z=2014-11-01&g=2014-11-01), zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 509cc
1. Zowel het openbaar ministerie als de veroordeelde en diens advocaat zijn bevoegd getuigen en deskundigen te doen dagvaarden of schriftelijk te doen oproepen. De voorzitter kan voorts de dagvaarding of oproeping van getuigen en deskundigen vanwege het openbaar ministerie bevelen. Andere personen kunnen op zijn last door de griffier worden uitgenodigd om bij het onderzoek tegenwoordig te zijn.
2. De veroordeelde en de reclasseringswerker kunnen, voor de aanvang van het onderzoek, ter griffie kennisnemen van de stukken. Het bepaalde bij en krachtens [artikel 32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=32&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is van toepassing.
2. De veroordeelde en de reclasseringswerker kunnen, voor de aanvang van het onderzoek, ter griffie kennisnemen van de stukken. Het bepaalde bij en krachtens [artikel 32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=32&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is van toepassing.
##### Artikel 509dd
1. De behandeling van de zaak door de raadkamer vindt in het openbaar plaats.
2. Het onderzoek geschiedt met overeenkomstige toepassing van de artikelen [269 tot en met 272](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=269&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [273, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=273&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [274 tot en met 281](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=274&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [284, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=284&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [286 tot en met 297](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=286&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [299 tot en met 301](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=299&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [309 tot en met 311](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=309&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [315](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=315&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [318 tot en met 322](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=318&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [324](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=324&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [328 tot en met 331](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=328&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [345, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=345&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [346](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=346&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
2. Het onderzoek geschiedt met overeenkomstige toepassing van de artikelen [269 tot en met 272](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=269&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [273, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=273&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [274 tot en met 281](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=274&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [284, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=284&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [286 tot en met 297](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=286&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [299 tot en met 301](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=299&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [309 tot en met 311](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=309&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [315](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=315&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [318 tot en met 322](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=318&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [324](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=324&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [328 tot en met 331](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=328&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [345, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=345&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [346](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=346&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
3. Het openbaar ministerie en de veroordeelde zijn bevoegd, hangende het onderzoek, wijziging te brengen in de vordering of de conclusie, onderscheidenlijk het verzoek.
@@ -6404,11 +6404,11 @@
1. Tegen de beslissing van de rechtbank inzake de toepassing van de [artikelen 38r](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=38r) en [38s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=38s) kan het openbaar ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening en de veroordeelde binnen veertien dagen na betekening daarvan beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
2. De [artikelen 409, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=409&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [410](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=410&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [449, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=V&artikel=449&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [450 tot en met 454](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=V&artikel=450&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [455, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=VI&artikel=455&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [509z, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIC&artikel=509z&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [509aa tot en met 509dd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIC&artikel=509aa&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
2. De [artikelen 409, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=409&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [410](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=410&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [449, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=V&artikel=449&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [450 tot en met 454](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=V&artikel=450&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [455, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=VI&artikel=455&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [509z, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIC&artikel=509z&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [509aa tot en met 509dd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIC&artikel=509aa&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 509gg
1. Het gerechtshof beslist zo spoedig mogelijk. Het bevestigt de beslissing van de rechtbank of doet, met vernietiging daarvan, wat de rechtbank had behoren te doen. [Artikel 509ee, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIC&artikel=509ee&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
1. Het gerechtshof beslist zo spoedig mogelijk. Het bevestigt de beslissing van de rechtbank of doet, met vernietiging daarvan, wat de rechtbank had behoren te doen. [Artikel 509ee, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIC&artikel=509ee&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
2. De beslissing van het gerechtshof is niet aan enig gewoon rechtsmiddel onderworpen.
@@ -6440,13 +6440,13 @@
##### Artikel 511b
1. Een vordering van het openbaar ministerie als bedoeld in [artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=36e) wordt zo spoedig mogelijk doch uiterlijk twee jaren na de uitspraak in eerste aanleg bij de rechtbank aanhangig gemaakt. Indien het strafrechtelijk financieel onderzoek overeenkomstig het bepaalde in [artikel 126f, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Zesde&artikel=125f&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is gesloten en heropend, wordt de periode van twee jaren verlengd met de tijd verlopen tussen deze sluiting en heropening.
2. De officier van justitie doet bij zijn vordering de stukken waarop zij berust aan de rechtbank toekomen. [Artikel 258, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=258&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
1. Een vordering van het openbaar ministerie als bedoeld in [artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=36e) wordt zo spoedig mogelijk doch uiterlijk twee jaren na de uitspraak in eerste aanleg bij de rechtbank aanhangig gemaakt. Indien het strafrechtelijk financieel onderzoek overeenkomstig het bepaalde in [artikel 126f, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Zesde&artikel=125f&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is gesloten en heropend, wordt de periode van twee jaren verlengd met de tijd verlopen tussen deze sluiting en heropening.
2. De officier van justitie doet bij zijn vordering de stukken waarop zij berust aan de rechtbank toekomen. [Artikel 258, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=258&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
3. De vordering wordt aan degene op wie zij betrekking heeft betekend, onder mededeling van het recht op kennisneming van de stukken. Indien een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld wordt de vordering gelijktijdig met de sluiting van het strafrechtelijk financieel onderzoek aan degene tegen wie het is gericht betekend.
4. De vordering behelst mede de oproeping om op het daarin vermelde tijdstip ter terechtzitting te verschijnen. De [artikelen 260](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=260&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [263](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=263&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [265 tot en met 267](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=265&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
4. De vordering behelst mede de oproeping om op het daarin vermelde tijdstip ter terechtzitting te verschijnen. De [artikelen 260](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=260&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [263](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=263&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [265 tot en met 267](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=265&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 511c
@@ -6454,21 +6454,21 @@
##### Artikel 511d
1. Op de behandeling van een vordering van de officier van justitie zijn de bepalingen van de [eerste afdeling van Titel VI van het tweede Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&z=2014-07-01&g=2014-07-01) van overeenkomstige toepassing. De behandeling van de vordering ter terechtzitting kan worden voorafgegaan door een schriftelijke voorbereiding op de wijze als door de rechtbank te bepalen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de schriftelijke voorbereiding.
1. Op de behandeling van een vordering van de officier van justitie zijn de bepalingen van de [eerste afdeling van Titel VI van het tweede Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&z=2014-11-01&g=2014-11-01) van overeenkomstige toepassing. De behandeling van de vordering ter terechtzitting kan worden voorafgegaan door een schriftelijke voorbereiding op de wijze als door de rechtbank te bepalen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de schriftelijke voorbereiding.
2. Indien een strafrechtelijk financieel onderzoek dan wel een nader strafrechtelijk financieel onderzoek noodzakelijk blijkt, stelt de rechtbank met schorsing der zaak onder aanduiding van het onderwerp van het onderzoek en zo nodig de wijze waarop dit zal zijn in te stellen, de stukken in handen van de officier van justitie.
3. Het onderzoek geldt als een met rechterlijke machtiging ingesteld strafrechtelijk financieel onderzoek en wordt gevoerd overeenkomstig de bepalingen van de [negende afdeling van de vierde Titel van het eerste Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Negende&z=2014-07-01&g=2014-07-01), met uitzondering van [artikel 126f, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Negende&artikel=126f&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
3. Het onderzoek geldt als een met rechterlijke machtiging ingesteld strafrechtelijk financieel onderzoek en wordt gevoerd overeenkomstig de bepalingen van de [negende afdeling van de vierde Titel van het eerste Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Negende&z=2014-11-01&g=2014-11-01), met uitzondering van [artikel 126f, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Negende&artikel=126f&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
##### Artikel 511e
1. Op de beraadslaging en de uitspraak zijn de bepalingen van de [vierde afdeling van Titel VI van het tweede Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&z=2014-07-01&g=2014-07-01) van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
1. Op de beraadslaging en de uitspraak zijn de bepalingen van de [vierde afdeling van Titel VI van het tweede Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&z=2014-11-01&g=2014-11-01) van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
- a. de rechtbank naar aanleiding van de vordering en van het onderzoek ter terechtzitting beraadslaagt over de vraag of de in [artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=36e) bedoelde maatregel moet worden opgelegd en zo ja, op welk bedrag de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel is te schatten; en
- b. de uitspraak in geen geval later mag plaatsvinden dan zes weken na de dag waarop het onderzoek is gesloten.
2. De rechtbank kan, in geval onder de beraadslaging blijkt dat het onderzoek ter terechtzitting niet volledig is geweest, overeenkomstig de bepalingen van [artikel 511d, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIIb&artikel=511d&z=2014-07-01&g=2014-07-01), een onderzoek door de officier van justitie doen plaats vinden. In dit geval wordt gehandeld als ware het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst.
2. De rechtbank kan, in geval onder de beraadslaging blijkt dat het onderzoek ter terechtzitting niet volledig is geweest, overeenkomstig de bepalingen van [artikel 511d, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIIb&artikel=511d&z=2014-11-01&g=2014-11-01), een onderzoek door de officier van justitie doen plaats vinden. In dit geval wordt gehandeld als ware het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst.
##### Artikel 511f
@@ -6478,19 +6478,19 @@
1. Tegen de uitspraak van de rechtbank kan hoger beroep worden ingesteld.
2. [Titel II van het derde Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
2. [Titel II van het derde Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
- a. de zaak in hoger beroep aanhangig wordt gemaakt door een oproeping van de advocaat-generaal aan de verdachte of veroordeelde betekend;
- b. de behandeling van de vordering waarvan beroep is ingesteld voorafgegaan kan worden door een schriftelijke voorbereiding op de wijze als door het gerechtshof te bepalen;
- c. de [artikelen 511d, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIIb&artikel=511d&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [511e, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIIb&artikel=511e&z=2014-07-01&g=2014-07-01), van overeenkomstige toepassing zijn. In deze gevallen wordt het financieel onderzoek gevoerd door de officier van justitie in het arrondissement waarin de rechtbank is gelegen die in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan. Na afloop van het bevolen onderzoek deelt de officier van justitie de stukken mede aan de advocaat-generaal;
- d. [artikel 511e, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIIb&artikel=511e&z=2014-07-01&g=2014-07-01), van overeenkomstige toepassing is.
- c. de [artikelen 511d, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIIb&artikel=511d&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [511e, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIIb&artikel=511e&z=2014-11-01&g=2014-11-01), van overeenkomstige toepassing zijn. In deze gevallen wordt het financieel onderzoek gevoerd door de officier van justitie in het arrondissement waarin de rechtbank is gelegen die in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan. Na afloop van het bevolen onderzoek deelt de officier van justitie de stukken mede aan de advocaat-generaal;
- d. [artikel 511e, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIIb&artikel=511e&z=2014-11-01&g=2014-11-01), van overeenkomstige toepassing is.
##### Artikel 511h
Tegen de uitspraak in hoger beroep kan beroep in cassatie worden ingesteld. [Titel III van het derde Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=III&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is van overeenkomstige toepassing.
Tegen de uitspraak in hoger beroep kan beroep in cassatie worden ingesteld. [Titel III van het derde Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=III&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 511i
@@ -6536,7 +6536,7 @@
##### Artikel 517
1. Op grond van feiten of omstandigheden als bedoeld in [artikel 512](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IV&artikel=512&z=2014-07-01&g=2014-07-01) kan elk van de rechters die een zaak behandelen, verzoeken zich te mogen verschonen.
1. Op grond van feiten of omstandigheden als bedoeld in [artikel 512](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IV&artikel=512&z=2014-11-01&g=2014-11-01) kan elk van de rechters die een zaak behandelen, verzoeken zich te mogen verschonen.
2. Het verzoek geschiedt schriftelijk en is gemotiveerd. Tijdens de terechtzitting kan het ook mondeling geschieden.
@@ -6594,7 +6594,7 @@
3. Door de bij het voorgaande lid bedoelde kennisgeving wordt de vervolging geschorst. Niettemin kunnen spoedeischende maatregelen bij of door de gerechten tusschen welke het geschil bestaat, worden genomen. Ieder der rechters tusschen wie het geschil bestaat, is bevoegd tot het nemen van alle maatregelen die met betrekking tot de voorloopige hechtenis kunnen worden genomen.
4. De tot kennisneming van het geschil bevoegde rechter kan bevelen dat het onderzoek dat de rechter-commissaris verricht uit hoofde van de [artikelen 181 tot en met 183](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=181&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zal worden voortgezet.
4. De tot kennisneming van het geschil bevoegde rechter kan bevelen dat het onderzoek dat de rechter-commissaris verricht uit hoofde van de [artikelen 181 tot en met 183](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=181&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zal worden voortgezet.
5. De schorsing der vervolging eindigt, zoodra de beschikking over het geschil onherroepelijk is geworden.
@@ -6648,11 +6648,11 @@
##### Artikel 531
Heeft de uitreiking niet overeenkomstig [artikel 529, tweede of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VI&artikel=529&z=2014-07-01&g=2014-07-01), of [artikel 530, tweede of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VI&artikel=530&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kunnen plaatsvinden, dan wordt het schrijven teruggezonden aan de autoriteit van welke het is uitgegaan en vervolgens uitgereikt aan de griffier van de rechtbank waar of in welker rechtsgebied de zaak zal dienen of laatstelijk heeft gediend. Het openbaar ministerie zendt alsdan een afschrift van het schrijven onverwijld toe aan het in het schrijven vermelde adres, van welk feit aantekening wordt gedaan op de akte van uitreiking.
Heeft de uitreiking niet overeenkomstig [artikel 529, tweede of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VI&artikel=529&z=2014-11-01&g=2014-11-01), of [artikel 530, tweede of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VI&artikel=530&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kunnen plaatsvinden, dan wordt het schrijven teruggezonden aan de autoriteit van welke het is uitgegaan en vervolgens uitgereikt aan de griffier van de rechtbank waar of in welker rechtsgebied de zaak zal dienen of laatstelijk heeft gediend. Het openbaar ministerie zendt alsdan een afschrift van het schrijven onverwijld toe aan het in het schrijven vermelde adres, van welk feit aantekening wordt gedaan op de akte van uitreiking.
##### Artikel 532
Op de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan een rechtspersoon, maatschap of vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, een doelvermogen of rederij zijn de [artikelen 585-587](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=585&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [588, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=588&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [588a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=588a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [589, eerste, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=589&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [590, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=590&z=2014-07-01&g=2014-07-01), van overeenkomstige toepassing.
Op de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan een rechtspersoon, maatschap of vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, een doelvermogen of rederij zijn de [artikelen 585-587](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=585&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [588, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=588&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [588a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=588a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [589, eerste, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=589&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [590, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=590&z=2014-11-01&g=2014-11-01), van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 533
@@ -6696,7 +6696,7 @@
##### Artikel 539b
1. Anderen dan opsporingsambtenaren oefenen de bevoegdheden, in [artikel 539a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VIA&afdeling=Eerste&artikel=539a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) of in de [tweede afdeling van deze Titel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VIA&afdeling=Tweede&z=2014-07-01&g=2014-07-01) toegekend, niet uit dan op aanwijzing van de officier van justitie, tenzij zodanige aanwijzingen niet kunnen worden afgewacht.
1. Anderen dan opsporingsambtenaren oefenen de bevoegdheden, in [artikel 539a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VIA&afdeling=Eerste&artikel=539a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) of in de [tweede afdeling van deze Titel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VIA&afdeling=Tweede&z=2014-11-01&g=2014-11-01) toegekend, niet uit dan op aanwijzing van de officier van justitie, tenzij zodanige aanwijzingen niet kunnen worden afgewacht.
2. Ieder die een bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid heeft uitgeoefend, stelt de officier van justitie onverwijld en op de snelst mogelijke wijze in kennis van:
@@ -6728,9 +6728,9 @@
##### Artikel 539f
1. De commandant, de schipper of de gezagvoerder van een luchtvaartuig maakt, indien hij een van de bevoegdheden, in de [artikelen 539a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VIA&afdeling=Eerste&artikel=539a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) of [539c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VIA&afdeling=Eerste&artikel=539c&z=2014-07-01&g=2014-07-01) of in de tweede afdeling van deze Titel toegekend, uitoefent, persoonlijk ten spoedigste proces-verbaal op van zijn verrichtingen en bevindingen.
2. De officier, de scheepsofficier of het lid van de bemanning van een luchtvaartuig handelt ingeval van toepassing van [artikel 539e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VIA&afdeling=Eerste&artikel=539e&z=2014-07-01&g=2014-07-01) overeenkomstig het eerste lid.
1. De commandant, de schipper of de gezagvoerder van een luchtvaartuig maakt, indien hij een van de bevoegdheden, in de [artikelen 539a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VIA&afdeling=Eerste&artikel=539a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) of [539c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VIA&afdeling=Eerste&artikel=539c&z=2014-11-01&g=2014-11-01) of in de tweede afdeling van deze Titel toegekend, uitoefent, persoonlijk ten spoedigste proces-verbaal op van zijn verrichtingen en bevindingen.
2. De officier, de scheepsofficier of het lid van de bemanning van een luchtvaartuig handelt ingeval van toepassing van [artikel 539e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VIA&afdeling=Eerste&artikel=539e&z=2014-11-01&g=2014-11-01) overeenkomstig het eerste lid.
3. Wanneer de schipper of een scheepsofficier dan wel de gezagvoerder van een luchtvaartuig of een lid van de bemanning de verdachte of getuigen verhoort, zijn daarbij zo mogelijk twee opvarenden of inzittenden aanwezig, die het proces-verbaal van verhoor mede ondertekenen.
@@ -6742,7 +6742,7 @@
##### Artikel 539g
De bevoegdheid, omschreven in [artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=52&z=2014-07-01&g=2014-07-01), komt mede toe aan de commandant, de schipper en de gezagvoerder van een luchtvaartuig.
De bevoegdheid, omschreven in [artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=52&z=2014-11-01&g=2014-11-01), komt mede toe aan de commandant, de schipper en de gezagvoerder van een luchtvaartuig.
##### Artikel 539h
@@ -6776,7 +6776,7 @@
3. Degene die bevoegd is tot verhoor van de verdachte is ook bevoegd hem naar een plaats van verhoor te geleiden.
4. In geval van verhoor door de schipper of een scheepsofficier dan wel door de gezagvoerder van een luchtvaartuig of een lid van de bemanning is [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=29&z=2014-07-01&g=2014-07-01) van overeenkomstige toepassing.
4. In geval van verhoor door de schipper of een scheepsofficier dan wel door de gezagvoerder van een luchtvaartuig of een lid van de bemanning is [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=29&z=2014-11-01&g=2014-11-01) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 539k
@@ -6792,17 +6792,17 @@
##### Artikel 539l
1. Zodra de officier van justitie een besluit bedoeld in [artikel 539**k,** derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VIA&afdeling=Tweede&artikel=539k&z=2014-07-01&g=2014-07-01), heeft genomen, stelt hij een vordering tot bewaring in bij de rechter-commissaris.
2. Zodra de officier van justitie verneemt dat een opsporingsambtenaar, een commandant, een schipper of een gezagvoerder van een luchtvaartuig een besluit als bedoeld in [artikel 539**k**, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VIA&afdeling=Tweede&artikel=539k&z=2014-07-01&g=2014-07-01), heeft genomen, stelt hij een vordering tot bewaring in bij de rechter-commissaris of gelast hij de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte.
3. Heeft het in [artikel 539**k**, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VIA&afdeling=Tweede&artikel=539k&z=2014-07-01&g=2014-07-01), bedoelde besluit betrekking op een verdachte die aan boord van een luchtvaartuig is aangehouden, dan gelden de volgende bepalingen:
1. Zodra de officier van justitie een besluit bedoeld in [artikel 539**k,** derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VIA&afdeling=Tweede&artikel=539k&z=2014-11-01&g=2014-11-01), heeft genomen, stelt hij een vordering tot bewaring in bij de rechter-commissaris.
2. Zodra de officier van justitie verneemt dat een opsporingsambtenaar, een commandant, een schipper of een gezagvoerder van een luchtvaartuig een besluit als bedoeld in [artikel 539**k**, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VIA&afdeling=Tweede&artikel=539k&z=2014-11-01&g=2014-11-01), heeft genomen, stelt hij een vordering tot bewaring in bij de rechter-commissaris of gelast hij de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte.
3. Heeft het in [artikel 539**k**, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VIA&afdeling=Tweede&artikel=539k&z=2014-11-01&g=2014-11-01), bedoelde besluit betrekking op een verdachte die aan boord van een luchtvaartuig is aangehouden, dan gelden de volgende bepalingen:
- a. in het geval, bedoeld in het eerste lid, stelt de officier van justitie een vordering tot bewaring bij de rechter-commissaris in of beveelt hij de gezagvoerder, indien deze bevoegd is de verdachte over te dragen aan de autoriteiten van de staat waar het luchtvaartuig zal landen, van deze bevoegdheid gebruik te maken;
- b. in het geval, bedoeld in het tweede lid, neemt hij een van de onder **a** genoemde maatregelen of gelast hij de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte.
4. De verdachte kan zich bij de verhoren, bedoeld in de [artikelen 63, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=63&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [65, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=65&z=2014-07-01&g=2014-07-01), doen vertegenwoordigen door een raadsman.
4. De verdachte kan zich bij de verhoren, bedoeld in de [artikelen 63, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=63&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [65, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=65&z=2014-11-01&g=2014-11-01), doen vertegenwoordigen door een raadsman.
5. Indien de vordering tot bewaring wordt afgewezen, gelast de officier van justitie de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte. Hij gelast die invrijheidstelling tevens, zodra geen titel tot vrijheidsbeneming meer aanwezig is of de grond tot vrijheidsbeneming is vervallen.
@@ -6810,7 +6810,7 @@
##### Artikel 539m
1. De verdachte, ten aanzien van wie het [tweede lid van artikel 539k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VIA&afdeling=Tweede&artikel=539k&z=2014-07-01&g=2014-07-01) wordt toegepast,
1. De verdachte, ten aanzien van wie het [tweede lid van artikel 539k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VIA&afdeling=Tweede&artikel=539k&z=2014-11-01&g=2014-11-01) wordt toegepast,
wordt in het geval, bedoeld in dat lid onder a, zo spoedig mogelijk overgeleverd aan de officier van justitie;
@@ -6828,9 +6828,9 @@
##### Artikel 539o
1. De officier van justitie kan ten aanzien van een aangehoudene tegen wie ernstige bezwaren bestaan, een bevel geven als bedoeld in het [eerste of tweede lid van artikel 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=56&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
2. De bevoegdheid, vermeld in [artikel 56, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=56&z=2014-07-01&g=2014-07-01), komt, indien ter plaatse geen opsporingsambtenaar aanwezig is, mede toe aan de commandant, de schipper en de gezagvoerder van het luchtvaartuig.
1. De officier van justitie kan ten aanzien van een aangehoudene tegen wie ernstige bezwaren bestaan, een bevel geven als bedoeld in het [eerste of tweede lid van artikel 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=56&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
2. De bevoegdheid, vermeld in [artikel 56, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=56&z=2014-11-01&g=2014-11-01), komt, indien ter plaatse geen opsporingsambtenaar aanwezig is, mede toe aan de commandant, de schipper en de gezagvoerder van het luchtvaartuig.
##### Artikel 539p
@@ -6838,7 +6838,7 @@
2. In geval van ontdekking op heterdaad komen de bevoegdheden, genoemd in de eerste volzin van het vorige lid, toe aan de commandant, aan de schipper en aan de gezagvoerder van het luchtvaartuig, voorzover ter plaatse geen opsporingsambtenaar aanwezig is.
3. Met betrekking tot de overlevering van het inbeslaggenomen voorwerp is [artikel 539i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VIA&afdeling=Tweede&artikel=539i&z=2014-07-01&g=2014-07-01) van overeenkomstige toepassing.
3. Met betrekking tot de overlevering van het inbeslaggenomen voorwerp is [artikel 539i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VIA&afdeling=Tweede&artikel=539i&z=2014-11-01&g=2014-11-01) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 539q
@@ -6866,9 +6866,9 @@
1. De schipper geeft onverwijld en op de snelst mogelijke wijze kennis aan de officier van justitie van elk misdrijf, aan boord begaan, waardoor de veiligheid van het vaartuig of van de opvarenden in gevaar is gebracht of waardoor iemands dood of zwaar lichamelijk letsel is veroorzaakt.
2. Voor de toepassing van het vorige lid wordt onder vaartuig begrepen een overeenkomstig [artikel 136**a**, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VI&artikel=136a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), aangewezen installatie en wordt onder een misdrijf, aan boord begaan, begrepen een misdrijf, begaan op zulk een installatie.
3. [Artikel 539**b**, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VIA&afdeling=Eerste&artikel=539b&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
2. Voor de toepassing van het vorige lid wordt onder vaartuig begrepen een overeenkomstig [artikel 136**a**, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VI&artikel=136a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), aangewezen installatie en wordt onder een misdrijf, aan boord begaan, begrepen een misdrijf, begaan op zulk een installatie.
3. [Artikel 539**b**, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VIA&afdeling=Eerste&artikel=539b&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 539v
@@ -6876,9 +6876,9 @@
2. Hij zorgt dat in het register onverwijld wordt vermeld:
- 1°. elk te zijner kennis gekomen misdrijf als bedoeld in het [vorige artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VIA&afdeling=Derde&artikel=539u&z=2014-07-01&g=2014-07-01);
- 2°. elk strafbaar feit ten aanzien waarvan hij van een bevoegdheid als bedoeld in [artikel 539**b**, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VIA&afdeling=Eerste&artikel=539b&z=2014-07-01&g=2014-07-01), gebruik heeft gemaakt;
- 1°. elk te zijner kennis gekomen misdrijf als bedoeld in het [vorige artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VIA&afdeling=Derde&artikel=539u&z=2014-11-01&g=2014-11-01);
- 2°. elk strafbaar feit ten aanzien waarvan hij van een bevoegdheid als bedoeld in [artikel 539**b**, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VIA&afdeling=Eerste&artikel=539b&z=2014-11-01&g=2014-11-01), gebruik heeft gemaakt;
- 3°. elk strafbaar feit, aan boord van zijn schip of door een opvarende begaan, waarvan door een opvarende vermelding in het register wordt verlangd of waarvan hij zelf de vermelding wenselijk acht.
@@ -6918,21 +6918,21 @@
1. De officier van justitie is bij het onderzoek door den rechter-commissaris tegenwoordig en doet, na de zaak te hebben voorgedragen, de vorderingen welke hij in verband met de bepalingen van dezen Titel noodig oordeelt.
2. De rechter-commissaris onderzoekt aanstonds de zaak. Het onderzoek wordt overeenkomstig de bepalingen van de [tweede tot en met de vijfde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en de [zevende afdeling van den Derden Titel van het Tweede Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&z=2014-07-01&g=2014-07-01) gevoerd.
3. De rechter-commissaris is bevoegd, zoo noodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging, te gelasten dat door hem aangewezen getuigen, deskundigen en tolken voor hem zullen verschijnen. De oproeping geschiedt overeenkomstig het tweede lid van het [voorgaande artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VII&artikel=541&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
2. De rechter-commissaris onderzoekt aanstonds de zaak. Het onderzoek wordt overeenkomstig de bepalingen van de [tweede tot en met de vijfde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en de [zevende afdeling van den Derden Titel van het Tweede Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&z=2014-11-01&g=2014-11-01) gevoerd.
3. De rechter-commissaris is bevoegd, zoo noodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging, te gelasten dat door hem aangewezen getuigen, deskundigen en tolken voor hem zullen verschijnen. De oproeping geschiedt overeenkomstig het tweede lid van het [voorgaande artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VII&artikel=541&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
4. In dat geval kan de rechter-commissaris het onderzoek voor ten hoogste vier en twintig uren schorsen en kan hij bepalen dat de inverzekeringstelling met de duur van de schorsing verlengd wordt.
##### Artikel 543
1. Indien de rechter-commissaris geen termen vindt tot toepassing van eenigen maatregel op grond van [artikel 540](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VII&artikel=540&z=2014-07-01&g=2014-07-01), beveelt hij de onmiddellijke invrijheidstelling van den verdachte.
1. Indien de rechter-commissaris geen termen vindt tot toepassing van eenigen maatregel op grond van [artikel 540](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VII&artikel=540&z=2014-11-01&g=2014-11-01), beveelt hij de onmiddellijke invrijheidstelling van den verdachte.
2. Indien hij daartoe termen aanwezig acht, geeft de rechter-commissaris den verdachte voor een bepaalden termijn de noodige bevelen ter voorkoming van herhaling of voortzetting van het feit en vordert van hem eene bereidverklaring tot nakoming van die bevelen. De termijn eindigt van rechtswege op het oogenblik dat het ter zake van het strafbare feit gewezen vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, of, indien daarbij straf of maatregel is opgelegd, zoodra het vonnis kan worden tenuitvoergelegd.
3. De rechter-commissaris kan tevens verlangen dat voor de nakoming van de bevelen, in den vorm door hem te bepalen, zekerheid zal worden gesteld.
4. Omtrent de zekerheidstelling gelden de bepalingen van [artikel 80, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=4&artikel=80&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
4. Omtrent de zekerheidstelling gelden de bepalingen van [artikel 80, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=4&artikel=80&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
5. De bevelen mogen de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging dan wel de staatkundige vrijheid niet beperken.
@@ -6942,11 +6942,11 @@
##### Artikel 545
1. Indien de bereidverklaring niet wordt afgelegd, of de verlangde zekerheid niet gesteld, beveelt de rechter-commissaris dat de verdachte in verzekering zal worden gesteld. Eenzelfde bevel kan de rechter-commissaris bij verdenking van misdrijf geven indien hij van oordeel is dat het voorkomen van herhaling of voortzetting van het strafbare feit niet afdoende door bevelen als bedoeld in [artikel 543, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VII&artikel=543&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan worden verzekerd en de handhaving van de openbare orde de inverzekeringstelling dringend vordert. Het bevel tot inverzekeringstelling kan slechts worden gegeven indien aan de verdachte een dagvaarding is uitgereikt om binnen de periode van inverzekeringstelling voor de rechter te verschijnen.
2. De verzekering is van kracht gedurende een termijn van zeven dagen welke ingaat op den dag der tenuitvoerlegging. [Artikel 68, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=68&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing. Het bevel tot inverzekeringstelling is dadelijk uitvoerbaar.
3. De rechter-commissaris beslist met inachtneming van het eerste lid zoomede van de [artikelen 543](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VII&artikel=543&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [544](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VII&artikel=544&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
1. Indien de bereidverklaring niet wordt afgelegd, of de verlangde zekerheid niet gesteld, beveelt de rechter-commissaris dat de verdachte in verzekering zal worden gesteld. Eenzelfde bevel kan de rechter-commissaris bij verdenking van misdrijf geven indien hij van oordeel is dat het voorkomen van herhaling of voortzetting van het strafbare feit niet afdoende door bevelen als bedoeld in [artikel 543, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VII&artikel=543&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan worden verzekerd en de handhaving van de openbare orde de inverzekeringstelling dringend vordert. Het bevel tot inverzekeringstelling kan slechts worden gegeven indien aan de verdachte een dagvaarding is uitgereikt om binnen de periode van inverzekeringstelling voor de rechter te verschijnen.
2. De verzekering is van kracht gedurende een termijn van zeven dagen welke ingaat op den dag der tenuitvoerlegging. [Artikel 68, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=68&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing. Het bevel tot inverzekeringstelling is dadelijk uitvoerbaar.
3. De rechter-commissaris beslist met inachtneming van het eerste lid zoomede van de [artikelen 543](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VII&artikel=543&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [544](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VII&artikel=544&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
4. De verdachte kan van het bevel tot inverzekeringstelling binnen drie dagen na de tenuitvoerlegging in hooger beroep komen bij de rechtbank die zoo spoedig mogelijk doch uiterlijk op de terechtzitting beslist.
@@ -6956,11 +6956,11 @@
1. Zoodra het groote gevaar voor herhaling of voortzetting van het feit is geweken, beveelt de officier van justitie de onmiddellijke invrijheidstelling van den verdachte.
2. De rechter-commissaris kan te allen tijde, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den verdachte de invrijheidstelling van den verdachte bevelen. [Artikel 544](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VII&artikel=544&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is van toepassing.
3. De rechtbank kan, ambtshalve of op het verzoek van den verdachte, het bevel tot inverzekeringstelling opheffen. [Artikel 69, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=69&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van toepassing.
4. Het bevel kan mede worden opgeheven bij de uitspraak van het vonnis ter zake van het in [artikel 540](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VII&artikel=540&z=2014-07-01&g=2014-07-01) bedoelde feit gewezen. De opheffing wordt daarbij steeds bevolen, indien straf of maatregel ter zake van dat feit niet wordt opgelegd.
2. De rechter-commissaris kan te allen tijde, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den verdachte de invrijheidstelling van den verdachte bevelen. [Artikel 544](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VII&artikel=544&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is van toepassing.
3. De rechtbank kan, ambtshalve of op het verzoek van den verdachte, het bevel tot inverzekeringstelling opheffen. [Artikel 69, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=69&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van toepassing.
4. Het bevel kan mede worden opgeheven bij de uitspraak van het vonnis ter zake van het in [artikel 540](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VII&artikel=540&z=2014-11-01&g=2014-11-01) bedoelde feit gewezen. De opheffing wordt daarbij steeds bevolen, indien straf of maatregel ter zake van dat feit niet wordt opgelegd.
##### Artikel 547
@@ -6972,9 +6972,9 @@
##### Artikel 548
1. Indien de rechter-commissaris op grond van het onderzoek bedoeld in het [voorgaande artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VII&artikel=547&z=2014-07-01&g=2014-07-01), daartoe termen vindt, beveelt hij de onmiddellijke invrijheidstelling van den verdachte.
2. In het andere geval beveelt de rechter-commissaris, indien de verdachte zich aan overtreding der hem gegeven bevelen heeft schuldig gemaakt, dat deze in verzekering zal worden gesteld. De [artikelen 545, tweede, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VII&artikel=545&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [546, met uitzondering van den tweeden zin van het tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VII&artikel=546&z=2014-07-01&g=2014-07-01), zijn van toepassing.
1. Indien de rechter-commissaris op grond van het onderzoek bedoeld in het [voorgaande artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VII&artikel=547&z=2014-11-01&g=2014-11-01), daartoe termen vindt, beveelt hij de onmiddellijke invrijheidstelling van den verdachte.
2. In het andere geval beveelt de rechter-commissaris, indien de verdachte zich aan overtreding der hem gegeven bevelen heeft schuldig gemaakt, dat deze in verzekering zal worden gesteld. De [artikelen 545, tweede, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VII&artikel=545&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [546, met uitzondering van den tweeden zin van het tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VII&artikel=546&z=2014-11-01&g=2014-11-01), zijn van toepassing.
3. In elk geval kan de rechter-commissaris, indien hem blijkt dat de verdachte de hem gegeven bevelen niet is nagekomen, bij het bevel, bedoeld in het eerste of tweede lid, tevens de zekerheid vervallen verklaren aan den Staat.
@@ -6986,27 +6986,27 @@
##### Artikel 550
1. Ten aanzien van de ondergane inverzekeringstelling vinden de [artikelen 89-93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede_A&artikel=89&z=2014-07-01&g=2014-07-01) overeenkomstige toepassing.
2. [Artikel 40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=40&z=2014-07-01&g=2014-07-01) vindt ten aanzien van inverzekeringstelling door de officier van justitie en de rechter-commissaris uit hoofde van deze titel overeenkomstige toepassing.
1. Ten aanzien van de ondergane inverzekeringstelling vinden de [artikelen 89-93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede_A&artikel=89&z=2014-11-01&g=2014-11-01) overeenkomstige toepassing.
2. [Artikel 40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=40&z=2014-11-01&g=2014-11-01) vindt ten aanzien van inverzekeringstelling door de officier van justitie en de rechter-commissaris uit hoofde van deze titel overeenkomstige toepassing.
## Titel IIA. Berechting van verdachten bij wie een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens wordt vermoed
##### Artikel 551
1. In geval van verdenking van een strafbaar feit als omschreven in de [artikelen 92 tot en met 96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=92), [97a tot en met 98c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=98), [240](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=240), [240a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=240a), [240b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=240b), [248a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=248a), [250](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=250) en [273f van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=273f) zijn de in [artikel 141](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=141&z=2014-07-01&g=2014-07-01) bedoelde ambtenaren bevoegd ter inbeslagneming de uitlevering te vorderen van alle voor inbeslagneming vatbare voorwerpen, voor zover de vordering tot uitlevering ertoe strekt om hun verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer mogelijk te maken, en die voorwerpen na uitlevering in beslag te nemen. [Artikel 96a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
1. In geval van verdenking van een strafbaar feit als omschreven in de [artikelen 92 tot en met 96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=92), [97a tot en met 98c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=98), [240](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=240), [240a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=240a), [240b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=240b), [248a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=248a), [250](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=250) en [273f van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=273f) zijn de in [artikel 141](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=141&z=2014-11-01&g=2014-11-01) bedoelde ambtenaren bevoegd ter inbeslagneming de uitlevering te vorderen van alle voor inbeslagneming vatbare voorwerpen, voor zover de vordering tot uitlevering ertoe strekt om hun verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer mogelijk te maken, en die voorwerpen na uitlevering in beslag te nemen. [Artikel 96a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
2. Zij hebben toegang tot alle plaatsen, waar redelijkerwijs vermoed kan worden, dat een zodanig strafbaar feit wordt begaan.
##### Artikel 552
De in [artikel 141](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=141&z=2014-07-01&g=2014-07-01) bedoelde ambtenaren en de ambtenaren die krachtens [artikel 142](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=142&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn belast met de opsporing van de bij [artikel 437](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=437), [437bis](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=437bis) of [437ter van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=437ter) strafbaar gestelde feiten, hebben toegang tot elke plaats waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij wordt gebruikt door een handelaar als bedoeld in laatstgenoemde artikelen. [Artikel 90bis van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=90bis) is van toepassing.
De in [artikel 141](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=141&z=2014-11-01&g=2014-11-01) bedoelde ambtenaren en de ambtenaren die krachtens [artikel 142](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=142&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn belast met de opsporing van de bij [artikel 437](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=437), [437bis](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=437bis) of [437ter van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=437ter) strafbaar gestelde feiten, hebben toegang tot elke plaats waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij wordt gebruikt door een handelaar als bedoeld in laatstgenoemde artikelen. [Artikel 90bis van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=90bis) is van toepassing.
## Titel VIA. Strafvordering buiten het rechtsgebied van een rechtbank
##### Artikel 552a
1. De belanghebbenden kunnen zich schriftelijk beklagen over inbeslagneming, over het gebruik van in beslag genomen voorwerpen, over het uitblijven van een last tot teruggave, over het al dan niet toepassen van de in [artikel 116, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=116&z=2014-07-01&g=2014-07-01), neergelegde bevoegdheid, over de vordering van gegevens, over de vordering medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van gegevens, over de kennisneming of het gebruik van gegevens, vastgelegd tijdens een doorzoeking of op vordering verstrekt, over de kennisneming of het gebruik van gegevens, opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk en vastgelegd bij een onderzoek in zodanig werk, over de kennisneming of het gebruik van gegevens als bedoeld in de [artikelen 100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=100&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [101](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=101&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=3&artikel=114&z=2014-07-01&g=2014-07-01), over de vordering gegevens te bewaren en beschikbaar te houden, alsmede over de ontoegankelijkmaking van gegevens, aangetroffen in een geautomatiseerd werk, bedoeld in [artikel 125o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Zevende&artikel=125o&z=2014-07-01&g=2014-07-01), de opheffing van de desbetreffende maatregelen of het uitblijven van een last tot zodanige opheffing.
1. De belanghebbenden kunnen zich schriftelijk beklagen over inbeslagneming, over het gebruik van in beslag genomen voorwerpen, over het uitblijven van een last tot teruggave, over het al dan niet toepassen van de in [artikel 116, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=116&z=2014-11-01&g=2014-11-01), neergelegde bevoegdheid, over de vordering van gegevens, over de vordering medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van gegevens, over de kennisneming of het gebruik van gegevens, vastgelegd tijdens een doorzoeking of op vordering verstrekt, over de kennisneming of het gebruik van gegevens, opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk en vastgelegd bij een onderzoek in zodanig werk, over de kennisneming of het gebruik van gegevens als bedoeld in de [artikelen 100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=100&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [101](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=101&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=3&artikel=114&z=2014-11-01&g=2014-11-01), over de vordering gegevens te bewaren en beschikbaar te houden, alsmede over de ontoegankelijkmaking van gegevens, aangetroffen in een geautomatiseerd werk, bedoeld in [artikel 125o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Zevende&artikel=125o&z=2014-11-01&g=2014-11-01), de opheffing van de desbetreffende maatregelen of het uitblijven van een last tot zodanige opheffing.
2. De belanghebbenden kunnen schriftelijk verzoeken om vernietiging van gegevens, vastgelegd tijdens een doorzoeking of op vordering verstrekt.
@@ -7022,7 +7022,7 @@
##### Artikel 552ab
1. De belanghebbenden, anderen dan de verdachte, gewezen verdachte of veroordeelde, kunnen zich schriftelijk beklagen over het uitvaardigen van een strafbeschikking houdende aanwijzingen als bedoeld in [artikel 257a, derde lid, onder a, b of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=IVa&afdeling=Eerste&artikel=257a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en over een schikking als bedoeld in [artikel 511c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIIb&artikel=511c&z=2014-07-01&g=2014-07-01) op de grond dat deze betrekking hebben op hun toekomende voorwerpen en de officier van justitie die de aanwijzingen heeft gegeven, onderscheidenlijk de schikking is aangegaan, niet bereid is gebleken die voorwerpen terug te geven of de waarde die zij bij verkoop redelijkerwijs hadden moeten opbrengen te vergoeden.
1. De belanghebbenden, anderen dan de verdachte, gewezen verdachte of veroordeelde, kunnen zich schriftelijk beklagen over het uitvaardigen van een strafbeschikking houdende aanwijzingen als bedoeld in [artikel 257a, derde lid, onder a, b of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=IVa&afdeling=Eerste&artikel=257a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en over een schikking als bedoeld in [artikel 511c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIIb&artikel=511c&z=2014-11-01&g=2014-11-01) op de grond dat deze betrekking hebben op hun toekomende voorwerpen en de officier van justitie die de aanwijzingen heeft gegeven, onderscheidenlijk de schikking is aangegaan, niet bereid is gebleken die voorwerpen terug te geven of de waarde die zij bij verkoop redelijkerwijs hadden moeten opbrengen te vergoeden.
2. Het klaagschrift wordt, niet later dan drie maanden nadat de verdachte, gewezen verdachte of veroordeelde aan de gegeven aanwijzingen of aan de termen van de schikking heeft voldaan, dan wel de klager daarmee bekend is geworden, ingediend ter griffie van de rechtbank waarbij de in het eerste lid bedoelde officier van justitie is geplaatst.
@@ -7038,31 +7038,31 @@
3. De behandeling van het klaagschrift door de raadkamer vindt plaats in het openbaar.
4. Acht het gerecht het beklag gegrond, dan herroept het de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer en geeft een last als bedoeld in [artikel 353, tweede lid, onderdeel a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=353&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
4. Acht het gerecht het beklag gegrond, dan herroept het de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer en geeft een last als bedoeld in [artikel 353, tweede lid, onderdeel a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=353&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
5. Bij de herroeping van een verbeurdverklaring kan het gerecht de voorwerpen aan het verkeer onttrokken verklaren, indien zij daarvoor vatbaar zijn. De [artikelen 33b,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=33b)[33c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=33c) en [35, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=35) zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 552c
Tot kennisneming van geschillen over de toepassing door het openbaar ministerie van zijn bevoegdheden uit hoofde van [artikel 94d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94d&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is de burgerlijke rechter bevoegd.
Tot kennisneming van geschillen over de toepassing door het openbaar ministerie van zijn bevoegdheden uit hoofde van [artikel 94d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94d&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is de burgerlijke rechter bevoegd.
##### Artikel 552ca
1. Zodra het openbaar ministerie reden heeft om aan te nemen dat een inbeslaggenomen voorwerp niet uitsluitend aan de verdachte toebehoort, doet het de nodige naspeuringen naar degene die als rechthebbende zou kunnen gelden en stelt het, wanneer het toepassing wil geven aan het bepaalde in [artikel 116, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=116&z=2014-07-01&g=2014-07-01), degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen in kennis van de bevoegdheden die deze heeft ingevolge [artikel 552a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552a&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
2. Indien een ander dan de beslagene het openbaar ministerie verzoekt om toepassing te geven aan het bepaalde in [artikel 116, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=116&z=2014-07-01&g=2014-07-01), stelt het deze ander, wanneer het zich daartoe buiten staat acht, in kennis van de bevoegdheden die deze heeft ingevolge de [artikelen 552a tot en met 552c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552a&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
3. De officier van justitie die van de griffier bericht ontvangt dat een klacht is ingediend ingevolge [artikel 552a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), deelt de voorzitter van het gerecht mede wie naar zijn oordeel als rechthebbende op het inbeslaggenomen voorwerp waarop de klacht betrekking heeft, kan gelden.
1. Zodra het openbaar ministerie reden heeft om aan te nemen dat een inbeslaggenomen voorwerp niet uitsluitend aan de verdachte toebehoort, doet het de nodige naspeuringen naar degene die als rechthebbende zou kunnen gelden en stelt het, wanneer het toepassing wil geven aan het bepaalde in [artikel 116, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=116&z=2014-11-01&g=2014-11-01), degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen in kennis van de bevoegdheden die deze heeft ingevolge [artikel 552a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552a&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
2. Indien een ander dan de beslagene het openbaar ministerie verzoekt om toepassing te geven aan het bepaalde in [artikel 116, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=116&z=2014-11-01&g=2014-11-01), stelt het deze ander, wanneer het zich daartoe buiten staat acht, in kennis van de bevoegdheden die deze heeft ingevolge de [artikelen 552a tot en met 552c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552a&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
3. De officier van justitie die van de griffier bericht ontvangt dat een klacht is ingediend ingevolge [artikel 552a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), deelt de voorzitter van het gerecht mede wie naar zijn oordeel als rechthebbende op het inbeslaggenomen voorwerp waarop de klacht betrekking heeft, kan gelden.
##### Artikel 552d
1. Een beschikking ingevolge [artikel 552a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [552ab](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552ab&z=2014-07-01&g=2014-07-01) of [552b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552b&z=2014-07-01&g=2014-07-01) wordt onverwijld aan de klager betekend.
1. Een beschikking ingevolge [artikel 552a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [552ab](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552ab&z=2014-11-01&g=2014-11-01) of [552b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552b&z=2014-11-01&g=2014-11-01) wordt onverwijld aan de klager betekend.
2. Beroep in cassatie kan door het openbaar ministerie worden ingesteld binnen veertien dagen na de dagtekening der beschikking, en door de klager binnen veertien dagen na de betekening.
##### Artikel 552e
1. Op een last, ingevolge deze titel gegeven met betrekking tot een voorwerp, is [artikel 119](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=119&z=2014-07-01&g=2014-07-01) van overeenkomstige toepassing.
1. Op een last, ingevolge deze titel gegeven met betrekking tot een voorwerp, is [artikel 119](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=119&z=2014-11-01&g=2014-11-01) van overeenkomstige toepassing.
2. Aan een last tot teruggave van een voorwerp, dat verbeurd verklaard of aan het verkeer onttrokken verklaard was met verlening van een geldelijke tegemoetkoming, wordt niet voldaan zolang het bedrag niet aan de Staat is terugbetaald.
@@ -7080,11 +7080,11 @@
6. De officier van justitie kan binnen veertien dagen na dagtekening van de beschikking beroep in cassatie instellen en de belanghebbende binnen veertien dagen na de betekening.
7. De belanghebbende die beroep in cassatie heeft ingesteld of ingevolge het vierde lid van dit artikel is gehoord, kan geen beklag doen overeenkomstig [artikel 552b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552b&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
7. De belanghebbende die beroep in cassatie heeft ingesteld of ingevolge het vierde lid van dit artikel is gehoord, kan geen beklag doen overeenkomstig [artikel 552b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552b&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
##### Artikel 552g
Met hetgeen onder de staat berust als verbeurdverklaarde of aan het verkeer onttrokken verklaarde voorwerpen, wordt, zolang de mogelijkheid van herroeping van de straf of maatregel bestaat, gehandeld naar de [artikelen 117](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=117&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=118&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
Met hetgeen onder de staat berust als verbeurdverklaarde of aan het verkeer onttrokken verklaarde voorwerpen, wordt, zolang de mogelijkheid van herroeping van de straf of maatregel bestaat, gehandeld naar de [artikelen 117](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=117&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=118&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
## Titel IIB. Rechtsplegingen in verband met de terbeschikkingstelling en de plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis
@@ -7100,7 +7100,7 @@
1. Het verzoek wordt, zo het niet tot een officier van justitie is gericht, door de geadresseerde onverwijld doorgezonden aan de officier van justitie in het arrondissement waarin de gevraagde handeling moet worden verricht, of waarin het verzoek is ontvangen, dan wel aan een officier van justitie bij het landelijk parket of bij het functioneel parket.
2. Indien uitsluitend om inlichtingen is gevraagd en voor het verkrijgen daarvan geen dwangmiddelen of bevoegdheden als bedoeld in de [artikelen 126g tot en met 126z](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Eerste&artikel=126g&z=2014-07-01&g=2014-07-01), de [artikelen 126zd tot en met 126zu](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Tweede&artikel=126zd&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [artikel 126gg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VE&artikel=126gg&z=2014-07-01&g=2014-07-01) dan wel toepassing van [artikel 126ff](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Vijfde&artikel=126ff&z=2014-07-01&g=2014-07-01) nodig zijn, kan de doorzending achterwege blijven.
2. Indien uitsluitend om inlichtingen is gevraagd en voor het verkrijgen daarvan geen dwangmiddelen of bevoegdheden als bedoeld in de [artikelen 126g tot en met 126z](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Eerste&artikel=126g&z=2014-11-01&g=2014-11-01), de [artikelen 126zd tot en met 126zu](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Tweede&artikel=126zd&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [artikel 126gg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VE&artikel=126gg&z=2014-11-01&g=2014-11-01) dan wel toepassing van [artikel 126ff](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Vijfde&artikel=126ff&z=2014-11-01&g=2014-11-01) nodig zijn, kan de doorzending achterwege blijven.
3. Van elke inwilliging van een verzoek overeenkomstig het tweede lid wordt aantekening gehouden in een register waarvan het model door onze Minister wordt vastgesteld. In de aantekening worden in ieder geval de aard van het verzoek, de hoedanigheid van de verzoeker en het gevolg dat aan het verzoek gegeven is opgenomen.
@@ -7122,7 +7122,7 @@
2. In gevallen waarin grond bestaat voor een vermoeden als bedoeld in het eerste lid wordt het verzoek voorgelegd aan de Minister van Veiligheid en Justitie.
3. Aan het verzoek wordt geen gevolg gegeven in gevallen waarin na overleg met de verzoekende autoriteit moet worden vastgesteld dat inwilliging zou strekken tot het verlenen van medewerking aan een vervolging of berechting welke onverenigbaar is met het aan [artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=68) en [artikel 255, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=IV&artikel=255&z=2014-07-01&g=2014-07-01), van dit wetboek ten grondslag liggende beginsel.
3. Aan het verzoek wordt geen gevolg gegeven in gevallen waarin na overleg met de verzoekende autoriteit moet worden vastgesteld dat inwilliging zou strekken tot het verlenen van medewerking aan een vervolging of berechting welke onverenigbaar is met het aan [artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=68) en [artikel 255, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=IV&artikel=255&z=2014-11-01&g=2014-11-01), van dit wetboek ten grondslag liggende beginsel.
4. Aan het verzoek wordt geen gevolg gegeven indien het is gedaan ten behoeve van een onderzoek naar feiten terzake waarvan de verdachte in Nederland wordt vervolgd en uit overleg met de verzoekende autoriteit is gebleken dat inwilliging van het verzoek niet verenigbaar zou zijn met de Nederlandse belangen bij de strafvervolging danwel zou leiden tot schending van het beginsel ne bis in idem.
@@ -7154,7 +7154,7 @@
##### Artikel 552o
1. Voor zover de in [artikel 552**n**, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Eerste&artikel=552n&z=2014-07-01&g=2014-07-01), bedoelde vordering is gedaan met het oog op de voldoening aan een voor inwilliging vatbaar en op een verdrag gegrond verzoek van een buitenlandse rechterlijke autoriteit, heeft zij dezelfde rechtsgevolgen als de vordering tot het verrichten van onderzoekshandelingen door de rechter-commissaris uit hoofde van [artikel 181](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=181&z=2014-07-01&g=2014-07-01), zulks voor wat betreft:
1. Voor zover de in [artikel 552**n**, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Eerste&artikel=552n&z=2014-11-01&g=2014-11-01), bedoelde vordering is gedaan met het oog op de voldoening aan een voor inwilliging vatbaar en op een verdrag gegrond verzoek van een buitenlandse rechterlijke autoriteit, heeft zij dezelfde rechtsgevolgen als de vordering tot het verrichten van onderzoekshandelingen door de rechter-commissaris uit hoofde van [artikel 181](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=181&z=2014-11-01&g=2014-11-01), zulks voor wat betreft:
- a. de bevoegdheden van de rechter-commissaris ten aanzien van de door hem te horen verdachten, getuigen en deskundigen, alsmede die tot het bevelen van de uitlevering of overbrenging van stukken van overtuiging, het nemen van maatregelen in het belang van het onderzoek, het laten verrichten van een DNA-onderzoek alsmede het daartoe bevelen van het afnemen van celmateriaal, het betreden van plaatsen, het doorzoeken van plaatsen en het in beslag nemen van stukken van overtuiging;
@@ -7166,7 +7166,7 @@
- e. de verrichtingen van de griffier.
2. In afwijking van het eerste lid heeft een vordering als bedoeld in [artikel 552n, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Eerste&artikel=552n&z=2014-07-01&g=2014-07-01), welke is gedaan met het oog op de voldoening aan een voor inwilliging vatbaar en op een verdrag gegrond verzoek van een buitenlandse rechterlijke autoriteit tot het meewerken aan een verhoor door hem of onder zijn leiding van een getuige of deskundige per videoconferentie, dezelfde rechtsgevolgen als een vordering tot het verrichten van onderzoekshandelingen door de rechter-commissaris uit hoofde van [artikel 181](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=181&z=2014-07-01&g=2014-07-01), zulks voor wat betreft de toepassing van de [artikelen 190, eerste, tweede en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=190&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [191](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=191&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [210, eerste lid, tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=210&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [213](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=213&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [214](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=214&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [215](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=215&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [217 tot en met 219a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=217&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [221 tot en met 225](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=221&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [226](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=226&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [226a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_A&artikel=226a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [226c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_A&artikel=226c&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [226f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_A&artikel=226f&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [236](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vijfde&artikel=236&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
2. In afwijking van het eerste lid heeft een vordering als bedoeld in [artikel 552n, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Eerste&artikel=552n&z=2014-11-01&g=2014-11-01), welke is gedaan met het oog op de voldoening aan een voor inwilliging vatbaar en op een verdrag gegrond verzoek van een buitenlandse rechterlijke autoriteit tot het meewerken aan een verhoor door hem of onder zijn leiding van een getuige of deskundige per videoconferentie, dezelfde rechtsgevolgen als een vordering tot het verrichten van onderzoekshandelingen door de rechter-commissaris uit hoofde van [artikel 181](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=181&z=2014-11-01&g=2014-11-01), zulks voor wat betreft de toepassing van de [artikelen 190, eerste, tweede en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=190&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [191](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=191&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [210, eerste lid, tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=210&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [213](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=213&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [214](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=214&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [215](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=215&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [217 tot en met 219a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=217&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [221 tot en met 225](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=221&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [226](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=226&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [226a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_A&artikel=226a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [226c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_A&artikel=226c&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [226f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_A&artikel=226f&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [236](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vijfde&artikel=236&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
3. Vatbaar voor inbeslagneming, overeenkomstig het eerste lid van dit artikel, zijn stukken van overtuiging die daarvoor vatbaar zouden zijn, indien het feit in verband waarmede de rechtshulp is gevraagd, in Nederland was begaan en dat feit aanleiding kan geven tot uitlevering aan de verzoekende staat.
@@ -7174,15 +7174,15 @@
##### Artikel 552oa
1. Voor zover een voor inwilliging vatbaar en op een verdrag gegrond verzoek van een buitenlandse autoriteit daartoe strekt, kunnen de in de [artikelen 126l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zesde&artikel=126l&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126m&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126nd, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126ne, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126ne&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126nf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nf&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126ng](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126ng&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126s&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [126t](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126t&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126ue, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126ue&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126uf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126uf&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126ug](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126ug&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126zf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde&artikel=126zf&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126zg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde&artikel=126zg&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126zm, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde_A&artikel=126zm&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126zn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde_A&artikel=126zn&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [126zo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde_A&artikel=126zo&z=2014-07-01&g=2014-07-01) omschreven bevoegdheden worden uitgeoefend.
2. Andere bevoegdheden, omschreven in de [titels IVa tot en met Vc](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [Ve van het Eerste Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VE&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kunnen worden uitgeoefend en aan [artikel 126ff](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Vijfde&artikel=126ff&z=2014-07-01&g=2014-07-01) kan toepassing worden gegeven, indien een voor inwilliging vatbaar rechtshulpverzoek daartoe strekt.
3. Tenzij het toepasselijke verdrag anders bepaalt kan, ter voldoening aan een verzoek om rechtshulp, geen gebruik van de in de [titels IVa tot en met Vc](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [Ve](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VE&z=2014-07-01&g=2014-07-01) omschreven bevoegdheden worden gemaakt en kan aan [artikel 126ff](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Vijfde&artikel=126ff&z=2014-07-01&g=2014-07-01) geen toepassing worden gegeven, anders dan overeenkomstig de voorgaande leden.
4. Processen-verbaal en andere voorwerpen, verkregen door toepassing van een in de [artikelen 126l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zesde&artikel=126l&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126m&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126nd, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126ne, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126ne&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126nf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nf&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126s&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126t](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126t&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126ue, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126ue&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [126uf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126uf&z=2014-07-01&g=2014-07-01) omschreven bevoegdheid, kunnen door de officier van justitie worden afgegeven aan de buitenlandse autoriteiten voor zover de rechtbank, met inachtneming van het toepasselijke verdrag, daartoe verlof verleent.
5. De [artikelen 126aa, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Eerste&artikel=126aa&z=2014-07-01&g=2014-07-01), alsmede [126bb tot en met 126dd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Tweede&artikel=126bb&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing. [Artikel 126cc](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Derde&artikel=126cc&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is slechts van toepassing voor zover de betreffende processen-verbaal en andere voorwerpen niet aan de buitenlandse autoriteiten zijn afgegeven. De officier van justitie draagt er zorg voor dat een betrokkene de processen-verbaal en andere voorwerpen die op hem betrekking hebben op enig moment kan inzien.
1. Voor zover een voor inwilliging vatbaar en op een verdrag gegrond verzoek van een buitenlandse autoriteit daartoe strekt, kunnen de in de [artikelen 126l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zesde&artikel=126l&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126m&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126nd, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126ne, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126ne&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126nf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nf&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126ng](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126ng&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126s&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [126t](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126t&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126ue, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126ue&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126uf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126uf&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126ug](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126ug&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126zf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde&artikel=126zf&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126zg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde&artikel=126zg&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126zm, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde_A&artikel=126zm&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126zn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde_A&artikel=126zn&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [126zo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde_A&artikel=126zo&z=2014-11-01&g=2014-11-01) omschreven bevoegdheden worden uitgeoefend.
2. Andere bevoegdheden, omschreven in de [titels IVa tot en met Vc](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [Ve van het Eerste Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VE&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kunnen worden uitgeoefend en aan [artikel 126ff](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Vijfde&artikel=126ff&z=2014-11-01&g=2014-11-01) kan toepassing worden gegeven, indien een voor inwilliging vatbaar rechtshulpverzoek daartoe strekt.
3. Tenzij het toepasselijke verdrag anders bepaalt kan, ter voldoening aan een verzoek om rechtshulp, geen gebruik van de in de [titels IVa tot en met Vc](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [Ve](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VE&z=2014-11-01&g=2014-11-01) omschreven bevoegdheden worden gemaakt en kan aan [artikel 126ff](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Vijfde&artikel=126ff&z=2014-11-01&g=2014-11-01) geen toepassing worden gegeven, anders dan overeenkomstig de voorgaande leden.
4. Processen-verbaal en andere voorwerpen, verkregen door toepassing van een in de [artikelen 126l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zesde&artikel=126l&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126m&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126nd, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126ne, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126ne&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126nf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nf&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126s&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126t](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126t&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126ue, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126ue&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [126uf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126uf&z=2014-11-01&g=2014-11-01) omschreven bevoegdheid, kunnen door de officier van justitie worden afgegeven aan de buitenlandse autoriteiten voor zover de rechtbank, met inachtneming van het toepasselijke verdrag, daartoe verlof verleent.
5. De [artikelen 126aa, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Eerste&artikel=126aa&z=2014-11-01&g=2014-11-01), alsmede [126bb tot en met 126dd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Tweede&artikel=126bb&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van overeenkomstige toepassing. [Artikel 126cc](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Derde&artikel=126cc&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is slechts van toepassing voor zover de betreffende processen-verbaal en andere voorwerpen niet aan de buitenlandse autoriteiten zijn afgegeven. De officier van justitie draagt er zorg voor dat een betrokkene de processen-verbaal en andere voorwerpen die op hem betrekking hebben op enig moment kan inzien.
##### Artikel 552p
@@ -7192,7 +7192,7 @@
3. Tenzij aannemelijk is dat de rechthebbenden op de in beslag genomen stukken van overtuiging niet in Nederland verblijf houden, wordt het krachtens het vorige lid vereiste verlof slechts verleend onder het voorbehoud, dat bij de afgifte aan de buitenlandse autoriteiten wordt bedongen, dat de stukken zullen worden teruggezonden zodra daarvan het voor de strafvordering nodige gebruik is gemaakt.
4. Het bepaalde bij en krachtens de [artikelen 116 tot en met 119](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=116&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [552a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [552ca tot en met 552e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552ca&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is ten aanzien van het gestelde in het eerste tot en met derde lid van overeenkomstige toepassing. In de plaats van het volgens die artikelen bevoegde gerecht treedt de rechtbank die bevoegd is tot het verlenen van het krachtens het tweede lid van dit artikel vereiste verlof.
4. Het bepaalde bij en krachtens de [artikelen 116 tot en met 119](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=116&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [552a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [552ca tot en met 552e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552ca&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is ten aanzien van het gestelde in het eerste tot en met derde lid van overeenkomstige toepassing. In de plaats van het volgens die artikelen bevoegde gerecht treedt de rechtbank die bevoegd is tot het verlenen van het krachtens het tweede lid van dit artikel vereiste verlof.
##### Artikel 552q
@@ -7204,11 +7204,11 @@
##### Artikel 552r
1. Wanneer het onderzoek, dat na de landing van een vreemd luchtvaartuig in Nederland ingevolge artikel 13, vierde lid, van het Verdrag inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen begaan aan boord van luchtvaartuigen ( Trb. 1964, 115) moet worden ingesteld naar hetgeen aan boord van het luchtvaartuig is voorgevallen, betrekking heeft op een feit ten aanzien waarvan de Nederlandse strafwet niet toepasselijk is, wordt het ingesteld overeenkomstig de bepalingen die gelden voor een opsporingsonderzoek met betrekking tot andere misdrijven dan die welke in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-07-01&g=2014-07-01), zijn omschreven. Voor de toepassing van [artikel 146](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=146&z=2014-07-01&g=2014-07-01) wordt het feit geacht te zijn begaan ter plaatse waar het luchtvaartuig is geland.
2. De opsporingsambtenaren die het onderzoek verrichten kunnen behalve de in [artikel 94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94&z=2014-07-01&g=2014-07-01) bedoelde voorwerpen in beslag nemen de voorwerpen die de gezagvoerder van het vreemde luchtvaartuig ingevolge artikel 9, derde lid, van het Verdrag na de landing overlevert.
3. Het bepaalde bij en krachtens de [artikelen 116-118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=116&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [119](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=119&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [552a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [552ca-552e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552ca&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is van overeenkomstige toepassing. In de plaats van het volgens [artikel 117, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=117&z=2014-07-01&g=2014-07-01), bevoegde gerecht treedt de rechtbank binnen welks rechtsgebied het luchtvaartuig is geland.
1. Wanneer het onderzoek, dat na de landing van een vreemd luchtvaartuig in Nederland ingevolge artikel 13, vierde lid, van het Verdrag inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen begaan aan boord van luchtvaartuigen ( Trb. 1964, 115) moet worden ingesteld naar hetgeen aan boord van het luchtvaartuig is voorgevallen, betrekking heeft op een feit ten aanzien waarvan de Nederlandse strafwet niet toepasselijk is, wordt het ingesteld overeenkomstig de bepalingen die gelden voor een opsporingsonderzoek met betrekking tot andere misdrijven dan die welke in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-11-01&g=2014-11-01), zijn omschreven. Voor de toepassing van [artikel 146](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=146&z=2014-11-01&g=2014-11-01) wordt het feit geacht te zijn begaan ter plaatse waar het luchtvaartuig is geland.
2. De opsporingsambtenaren die het onderzoek verrichten kunnen behalve de in [artikel 94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94&z=2014-11-01&g=2014-11-01) bedoelde voorwerpen in beslag nemen de voorwerpen die de gezagvoerder van het vreemde luchtvaartuig ingevolge artikel 9, derde lid, van het Verdrag na de landing overlevert.
3. Het bepaalde bij en krachtens de [artikelen 116-118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=116&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [119](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=119&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [552a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [552ca-552e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552ca&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is van overeenkomstige toepassing. In de plaats van het volgens [artikel 117, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=117&z=2014-11-01&g=2014-11-01), bevoegde gerecht treedt de rechtbank binnen welks rechtsgebied het luchtvaartuig is geland.
##### Artikel 552s
@@ -7230,11 +7230,11 @@
4. Indien de benadeelde partij te kennen heeft gegeven zich in het geding te willen voegen, kan een voorstel als bedoeld in het eerste lid slechts worden gedaan met haar schriftelijke instemming of, indien die instemming niet wordt verkregen, met machtiging van de bevoegde rechter. De machtiging wordt verleend op vordering van de officier van justitie.
5. Tegen een kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, kan de verdachte binnen veertien dagen schriftelijk beklag doen bij het gerechtshof. De [artikelen 12b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=12b&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [12c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=12c&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [12e, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=12e&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [12f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=12f&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [12h-12l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=12h&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat waar in die artikelen wordt gesproken van de klager of de persoon wiens vervolging wordt verlangd, daaronder voor de toepassing van deze bepaling de verdachte dient te worden verstaan.
5. Tegen een kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, kan de verdachte binnen veertien dagen schriftelijk beklag doen bij het gerechtshof. De [artikelen 12b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=12b&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [12c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=12c&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [12e, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=12e&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [12f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=12f&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [12h-12l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=12h&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat waar in die artikelen wordt gesproken van de klager of de persoon wiens vervolging wordt verlangd, daaronder voor de toepassing van deze bepaling de verdachte dient te worden verstaan.
6. Een voorstel als bedoeld in het eerste lid kan beperkt zijn tot het uitlokken van een strafvervolging in de vreemde Staat ten behoeve van de oplegging van een sanctie strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en de tenuitvoerlegging daarvan.
7. Bij toepassing van het eerste lid voegt de officier van justitie na de beëindiging van het onderzoek van telecommunicatie zo spoedig mogelijk en, ingeval een kennisgeving als bedoeld in het tweede lid verplicht is, uiterlijk op het tijdstip dat hij deze kennisgeving ter betekening aan de verdachte heeft doen uitgaan, de processen-verbaal of andere voorwerpen, bedoeld in [artikel 126aa, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Eerste&artikel=126aa&z=2014-07-01&g=2014-07-01), voor zover hij die voor het onderzoek in de zaak van betekenis acht, bij het strafdossier.
7. Bij toepassing van het eerste lid voegt de officier van justitie na de beëindiging van het onderzoek van telecommunicatie zo spoedig mogelijk en, ingeval een kennisgeving als bedoeld in het tweede lid verplicht is, uiterlijk op het tijdstip dat hij deze kennisgeving ter betekening aan de verdachte heeft doen uitgaan, de processen-verbaal of andere voorwerpen, bedoeld in [artikel 126aa, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Eerste&artikel=126aa&z=2014-11-01&g=2014-11-01), voor zover hij die voor het onderzoek in de zaak van betekenis acht, bij het strafdossier.
##### Artikel 552u
@@ -7242,11 +7242,11 @@
2. Behoudens de gevallen waarin een toepasselijk verdrag anders bepaalt, wordt een verzoek tot strafvervolging aan de autoriteiten van een vreemde staat door tussenkomst van de Minister van Buitenlandse Zaken gedaan.
3. Een aan de autoriteiten van een vreemde staat gedaan verzoek tot strafvervolging kan uiterlijk tot de ontvangst van een kennisgeving omtrent de daarop in die staat genomen beslissing worden ingetrokken. Een dergelijk verzoek wordt ingetrokken wanneer het gerechtshof ingevolge [het vijfde lid van artikel 552t](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=552t&z=2014-07-01&g=2014-07-01) beveelt dat de vervolging in Nederland zal worden voortgezet.
3. Een aan de autoriteiten van een vreemde staat gedaan verzoek tot strafvervolging kan uiterlijk tot de ontvangst van een kennisgeving omtrent de daarop in die staat genomen beslissing worden ingetrokken. Een dergelijk verzoek wordt ingetrokken wanneer het gerechtshof ingevolge [het vijfde lid van artikel 552t](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=552t&z=2014-11-01&g=2014-11-01) beveelt dat de vervolging in Nederland zal worden voortgezet.
##### Artikel 552v
1. Nadat hij een voorstel als bedoeld in [artikel 552t](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=552t&z=2014-07-01&g=2014-07-01) heeft gedaan, kan de officier van justitie de strafzaak tegen de verdachte niet ter terechtzitting aanhangig maken noch overgaan tot tenuitvoerlegging van een in de zaak tegen de verdachte gewezen vonnis, behoudens in geval van
1. Nadat hij een voorstel als bedoeld in [artikel 552t](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=552t&z=2014-11-01&g=2014-11-01) heeft gedaan, kan de officier van justitie de strafzaak tegen de verdachte niet ter terechtzitting aanhangig maken noch overgaan tot tenuitvoerlegging van een in de zaak tegen de verdachte gewezen vonnis, behoudens in geval van
- a. afwijzing van het voorstel,
@@ -7254,11 +7254,11 @@
- c. kennisgeving door de autoriteiten dat afwijzend op het verzoek is beslist dan wel een naar aanleiding van het verzoek ingestelde strafvervolging is gestaakt.
2. In dat geval trekt de officier van justitie een kennisgeving als bedoeld in [artikel 552t, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=552t&z=2014-07-01&g=2014-07-01), in. Van de intrekking doet hij mededeling aan de verdachte.
2. In dat geval trekt de officier van justitie een kennisgeving als bedoeld in [artikel 552t, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=552t&z=2014-11-01&g=2014-11-01), in. Van de intrekking doet hij mededeling aan de verdachte.
##### Artikel 552w
Onze Minister van Veiligheid en Justitie geeft de officier van justitie, die een voorstel als bedoeld in [artikel 552t](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=552t&z=2014-07-01&g=2014-07-01) heeft gedaan, schriftelijk kennis van de beslissing die hij terzake heeft genomen alsmede van door hem ontvangen mededelingen omtrent beslissingen van de autoriteiten van de vreemde staat naar aanleiding van het verzoek tot strafvervolging dat op voorstel van de officier van justitie is gedaan.
Onze Minister van Veiligheid en Justitie geeft de officier van justitie, die een voorstel als bedoeld in [artikel 552t](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=552t&z=2014-11-01&g=2014-11-01) heeft gedaan, schriftelijk kennis van de beslissing die hij terzake heeft genomen alsmede van door hem ontvangen mededelingen omtrent beslissingen van de autoriteiten van de vreemde staat naar aanleiding van het verzoek tot strafvervolging dat op voorstel van de officier van justitie is gedaan.
#### § 2. Overname van strafvervolging
@@ -7286,25 +7286,25 @@
- e. strafvervolging in Nederland in strijd zou zijn met het bepaalde in [artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=68).
2. De in het eerste lid, aanhef en onder **a**, bedoelde voorwaarde is niet van toepassing indien het verzoek strekt tot strafvordering ter zake van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, als bedoeld in [Titel IIIb van Boek IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIIb&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
2. De in het eerste lid, aanhef en onder **a**, bedoelde voorwaarde is niet van toepassing indien het verzoek strekt tot strafvordering ter zake van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, als bedoeld in [Titel IIIb van Boek IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIIb&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
##### Artikel 552z
1. Buiten het in het vorige artikel bedoelde geval zendt Onze Minister van Veiligheid en Justitie het verzoek tot strafvervolging met de daarbij gevoegde stukken aan de officier van justitie in het arrondissement waar degene op wie het verzoek betrekking heeft zijn vaste woon- of verblijfplaats heeft. Deze toezending blijft achterwege, indien die officier van justitie reeds overeenkomstig het bepaalde in [artikel 552x](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=552x&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn advies aan Onze Minister van Veiligheid en Justitie heeft uitgebracht.
2. In geval van een verzoek als bedoeld in [artikel 552y, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=552y&z=2014-07-01&g=2014-07-01), dat betrekking heeft op een vreemdeling die zijn vaste woon- of verblijfplaats buiten Nederland heeft, zendt de Minister het verzoek met de daarbij gevoegde stukken aan de officier van justitie in het arrondissement waarbinnen voorwerpen aanwezig zijn waarop de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten uitvoer kan worden gelegd.
1. Buiten het in het vorige artikel bedoelde geval zendt Onze Minister van Veiligheid en Justitie het verzoek tot strafvervolging met de daarbij gevoegde stukken aan de officier van justitie in het arrondissement waar degene op wie het verzoek betrekking heeft zijn vaste woon- of verblijfplaats heeft. Deze toezending blijft achterwege, indien die officier van justitie reeds overeenkomstig het bepaalde in [artikel 552x](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=552x&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn advies aan Onze Minister van Veiligheid en Justitie heeft uitgebracht.
2. In geval van een verzoek als bedoeld in [artikel 552y, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=552y&z=2014-11-01&g=2014-11-01), dat betrekking heeft op een vreemdeling die zijn vaste woon- of verblijfplaats buiten Nederland heeft, zendt de Minister het verzoek met de daarbij gevoegde stukken aan de officier van justitie in het arrondissement waarbinnen voorwerpen aanwezig zijn waarop de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten uitvoer kan worden gelegd.
##### Artikel 552aa
1. De officier van justitie aan wie het verzoek tot strafvervolging overeenkomstig het bepaalde in het vorige artikel is toegezonden brengt zijn advies terzake ter kennis van Onze Minister van Veiligheid en Justitie.
2. Degene op wie het verzoek betrekking heeft wordt daaromtrent door de officier van justitie gehoord, althans daartoe behoorlijk opgeroepen, indien het verzoek op een verdrag is gegrond en de bevoegdheid tot strafvervolging voor Nederland uit dat verdrag volgt. [Artikel 273, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=273&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
2. Degene op wie het verzoek betrekking heeft wordt daaromtrent door de officier van justitie gehoord, althans daartoe behoorlijk opgeroepen, indien het verzoek op een verdrag is gegrond en de bevoegdheid tot strafvervolging voor Nederland uit dat verdrag volgt. [Artikel 273, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=273&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 552bb
1. Zo spoedig mogelijk na de ontvangst van het advies van de officier van justitie neemt Onze Minister van Veiligheid en Justitie een beslissing, waarbij het verzoek tot strafvervolging wordt ingewilligd dan wel afgewezen.
2. De Minister wijst een verzoek in elk geval af, indien een van de in [artikel 552y](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=552y&z=2014-07-01&g=2014-07-01) genoemde gronden blijkt te bestaan.
2. De Minister wijst een verzoek in elk geval af, indien een van de in [artikel 552y](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=552y&z=2014-11-01&g=2014-11-01) genoemde gronden blijkt te bestaan.
3. De Minister wijst voorts een niet op een verdrag gegrond verzoek af, indien tegen degene op wie het betrekking heeft naar het oordeel van het openbaar ministerie in Nederland geen strafvervolging kan plaats hebben wegens het ten laste gelegde feit.
@@ -7328,13 +7328,13 @@
##### Artikel 552ff
Een persoon te wiens aanzien in Nederland geen bevoegdheid tot strafvervolging bestaat, kan niettemin worden aangehouden, voor zover een verdrag zulks toestaat. De [artikelen 52-93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=52&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
Een persoon te wiens aanzien in Nederland geen bevoegdheid tot strafvervolging bestaat, kan niettemin worden aangehouden, voor zover een verdrag zulks toestaat. De [artikelen 52-93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=52&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 552gg
1. De stukken betreffende ambtshandelingen terzake van opsporing en vervolging, die de autoriteiten van de staat waarvan het verzoek tot strafvervolging is uitgegaan naar aanleiding van hun verzoek overleggen, hebben de bewijskracht die toekomt aan stukken betreffende overeenkomstige door Nederlandse ambtenaren verrichte handelingen, met dien verstande dat hun bewijskracht niet uitgaat boven die welke zij in de vreemde staat hebben.
2. In geval van inwilliging van een verzoek als bedoeld in het tweede lid van [artikel 552y](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=552y&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan een strafrechtelijk financieel onderzoek worden ingesteld, overeenkomstig het bepaalde in de [negende afdeling van Titel IV van Boek I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Negende&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
2. In geval van inwilliging van een verzoek als bedoeld in het tweede lid van [artikel 552y](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=552y&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan een strafrechtelijk financieel onderzoek worden ingesteld, overeenkomstig het bepaalde in de [negende afdeling van Titel IV van Boek I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Negende&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
##### Artikel 552hh
@@ -7346,9 +7346,9 @@
- –. de artikelen 5, 6, 7 en 9 van het Europees Verdrag ter voorkoming van terrorisme (Trb. 2006, 34).
3. Op een verzoek als bedoeld in de laatste zinsnede van het eerste lid is het bepaalde in [artikel 552y, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=552y&z=2014-07-01&g=2014-07-01), niet van toepassing.
4. Voorts is het bepaalde in [artikel 552y, eerste lid, aanhef en onder b, 2e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VIII&artikel=552&z=2014-07-01&g=2014-07-01), niet van toepassing op verzoeken gegrond op het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme en op de Overeenkomst betreffende de toepassing van dat Verdrag tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen (**Trb.** 1980, 14).
3. Op een verzoek als bedoeld in de laatste zinsnede van het eerste lid is het bepaalde in [artikel 552y, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=552y&z=2014-11-01&g=2014-11-01), niet van toepassing.
4. Voorts is het bepaalde in [artikel 552y, eerste lid, aanhef en onder b, 2e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VIII&artikel=552&z=2014-11-01&g=2014-11-01), niet van toepassing op verzoeken gegrond op het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme en op de Overeenkomst betreffende de toepassing van dat Verdrag tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen (**Trb.** 1980, 14).
## Boek Vijfde. Tenuitvoerlegging en kosten
@@ -7372,11 +7372,11 @@
##### Artikel 556
1. Het openbaar ministerie kan voor de tenuitvoerlegging van rechterlijke of eigen beslissingen de nodige bijzondere of algemene last geven aan de gerechtsdeurwaarders en aan de ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de militairen van de Koninklijke marechaussee, dan wel andere ambtenaren of functionarissen, voor zover zij door Onze Minister van Veiligheid en Justitie daartoe zijn aangewezen, alsmede voor de tenuitvoerlegging aan boord van een Nederlands schip of zeevissersvaartuig dan wel op een overeenkomstig [artikel 136**a**, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VI&artikel=136a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), aangewezen installatie aan de schipper, een en ander voorzover het volkenrecht en het interregionale recht dit toelaten. Voor de tenuitvoerlegging van bevelen tot inbeslagneming van aandelen en effecten op naam en tot inbeslagneming en teruggave van onroerende registergoederen wordt de bijzondere last tot de gerechtsdeurwaarder gericht.
1. Het openbaar ministerie kan voor de tenuitvoerlegging van rechterlijke of eigen beslissingen de nodige bijzondere of algemene last geven aan de gerechtsdeurwaarders en aan de ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de militairen van de Koninklijke marechaussee, dan wel andere ambtenaren of functionarissen, voor zover zij door Onze Minister van Veiligheid en Justitie daartoe zijn aangewezen, alsmede voor de tenuitvoerlegging aan boord van een Nederlands schip of zeevissersvaartuig dan wel op een overeenkomstig [artikel 136**a**, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VI&artikel=136a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), aangewezen installatie aan de schipper, een en ander voorzover het volkenrecht en het interregionale recht dit toelaten. Voor de tenuitvoerlegging van bevelen tot inbeslagneming van aandelen en effecten op naam en tot inbeslagneming en teruggave van onroerende registergoederen wordt de bijzondere last tot de gerechtsdeurwaarder gericht.
2. Het openbaar ministerie roept voor die tenuitvoerlegging zoo noodig de tusschenkomst in van het openbaar ministerie in andere rechtsgebieden, dat dan gelijken last kan geven, als in het voorgaande lid bedoeld.
3. [Artikel 146, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=146&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is ten aanzien van alle ambtenaren door of op wier last de tenuitvoerlegging geschiedt, van toepassing.
3. [Artikel 146, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=146&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is ten aanzien van alle ambtenaren door of op wier last de tenuitvoerlegging geschiedt, van toepassing.
### afdeling Tweede. Toepassing van enige bijzondere dwangmiddelen
@@ -7384,7 +7384,7 @@
1. Voor zoover niet anders is bepaald, mag geen beslissing worden ten uitvoer gelegd, zoolang daartegen nog eenig gewoon rechtsmiddel openstaat en, zoo dit is aangewend, totdat het is ingetrokken of daarop is beslist.
2. Is een mededeling als bedoeld in [artikel 366](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=366&z=2014-07-01&g=2014-07-01) voorgeschreven, dan kan de tenuitvoerlegging van het vonnis of arrest geschieden na de betekening van die mededeling. Bij vonnissen of arresten bij verstek gewezen, waarbij zodanige mededeling niet behoeft te geschieden, kan de tenuitvoerlegging geschieden na de uitspraak. Door hoger beroep of beroep in cassatie wordt de tenuitvoerlegging geschorst of opgeschort.
2. Is een mededeling als bedoeld in [artikel 366](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=366&z=2014-11-01&g=2014-11-01) voorgeschreven, dan kan de tenuitvoerlegging van het vonnis of arrest geschieden na de betekening van die mededeling. Bij vonnissen of arresten bij verstek gewezen, waarbij zodanige mededeling niet behoeft te geschieden, kan de tenuitvoerlegging geschieden na de uitspraak. Door hoger beroep of beroep in cassatie wordt de tenuitvoerlegging geschorst of opgeschort.
3. De laatste volzin van het tweede lid geldt niet:
@@ -7426,7 +7426,7 @@
##### Artikel 559
[Artikel 558a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=558a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) blijft buiten toepassing indien:
[Artikel 558a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=558a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) blijft buiten toepassing indien:
- a. de veroordeelde ongeoorloofd afwezig is;
@@ -7454,13 +7454,13 @@
##### Artikel 560a
Verzoeken strekkende tot vermindering, verandering of kwijtschelding van andere door de Nederlandse strafrechter opgelegde maatregelen dan genoemd in [artikel 558, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=558&z=2014-07-01&g=2014-07-01), worden in handen gesteld van de autoriteit, die wettelijk bevoegd is de tenuitvoerlegging van die maatregelen te beëindigen of de daarbij opgelegde verplichtingen te wijzigen of te niet te doen, ten einde daarop te beslissen.
Verzoeken strekkende tot vermindering, verandering of kwijtschelding van andere door de Nederlandse strafrechter opgelegde maatregelen dan genoemd in [artikel 558, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=558&z=2014-11-01&g=2014-11-01), worden in handen gesteld van de autoriteit, die wettelijk bevoegd is de tenuitvoerlegging van die maatregelen te beëindigen of de daarbij opgelegde verplichtingen te wijzigen of te niet te doen, ten einde daarop te beslissen.
##### Artikel 560b
Indien gunstig wordt beschikt op een verzoekschrift om gratie terzake van een straf of maatregel, waarvan de tenuitvoerlegging reeds is aangevangen of voltooid, wordt het bedrag van de betaalde geldboete of van het reeds betaalde gedeelte van het door de rechter vastgestelde bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel teruggegeven.
Voorwerpen die verbeurd zijn verklaard of aan het verkeer zijn onttrokken, worden na een gunstige beslissing op een verzoekschrift om gratie van die straf of maatregel door de bewaarder teruggegeven. [Artikel 119, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=119&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
Voorwerpen die verbeurd zijn verklaard of aan het verkeer zijn onttrokken, worden na een gunstige beslissing op een verzoekschrift om gratie van die straf of maatregel door de bewaarder teruggegeven. [Artikel 119, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=119&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 561
@@ -7478,13 +7478,13 @@
1. Indien vóór de tenuitvoerlegging van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest, houdende veroordeling tot vrijheidsstraf, de veroordeelde is gaan lijden aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, kan het gerecht dat het vonnis of arrest heeft uitgesproken, de opschorting der tenuitvoerlegging bevelen.
2. De opschorting wordt bevolen, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie, hetzij op het verzoekschrift van den raadsman van den veroordeelde. Ten aanzien van den raadsman gelden de bepalingen van den [Derden Titel van het Eerste Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
2. De opschorting wordt bevolen, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie, hetzij op het verzoekschrift van den raadsman van den veroordeelde. Ten aanzien van den raadsman gelden de bepalingen van den [Derden Titel van het Eerste Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
3. Na het herstel wordt het bevel tot opschorting door hetzelfde gerecht, op vordering van het openbaar ministerie, ingetrokken.
##### Artikel 563
1. Indien, ondanks de ziekelijke stoornis van de geestvermogens van den veroordeelde, de tenuitvoerlegging van een andere dan bij het [voorgaand artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=562&z=2014-07-01&g=2014-07-01) bedoelde straf mogelijk is, wordt de curator op de gewone wijze tot voldoening aan het vonnis of arrest uitgenoodigd. Zoo de veroordeelde nog geen curator heeft, wordt deze zoo noodig te dien einde benoemd op de vordering van het openbaar ministerie op welks last de tenuitvoerlegging moet plaats hebben.
1. Indien, ondanks de ziekelijke stoornis van de geestvermogens van den veroordeelde, de tenuitvoerlegging van een andere dan bij het [voorgaand artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=562&z=2014-11-01&g=2014-11-01) bedoelde straf mogelijk is, wordt de curator op de gewone wijze tot voldoening aan het vonnis of arrest uitgenoodigd. Zoo de veroordeelde nog geen curator heeft, wordt deze zoo noodig te dien einde benoemd op de vordering van het openbaar ministerie op welks last de tenuitvoerlegging moet plaats hebben.
2. Ten aanzien van de vervangende straf is het voorgaand artikel van toepassing.
@@ -7500,7 +7500,7 @@
4. Hij die overeenkomstig de last een persoon heeft aangehouden, geleidt deze onverwijld naar de plaats of voor de rechter of ambtenaar, in de last vermeld.
5. Geschiedt de aanhouding buiten het rechtsgebied van een rechtbank, dan zijn de [artikelen 539b, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VIA&afdeling=Eerste&artikel=539b&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [539n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VIA&afdeling=Tweede&artikel=539n&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [539o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VIA&afdeling=Tweede&artikel=539o&z=2014-07-01&g=2014-07-01) van overeenkomstige toepassing.
5. Geschiedt de aanhouding buiten het rechtsgebied van een rechtbank, dan zijn de [artikelen 539b, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VIA&afdeling=Eerste&artikel=539b&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [539n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VIA&afdeling=Tweede&artikel=539n&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [539o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=VIA&afdeling=Tweede&artikel=539o&z=2014-11-01&g=2014-11-01) van overeenkomstige toepassing.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent het geven van een last als bedoeld in het eerste lid.
@@ -7512,7 +7512,7 @@
1. De met de tenuitvoerlegging belaste ambtenaar kan ter aanhouding van de te vatten persoon elke plaats betreden en doorzoeken.
2. Met het oog op de vaststelling van de verblijfplaats van de aan te houden persoon kan de officier van justitie, of, indien de artikelen de hulpofficier of de opsporingsambtenaar als bevoegd aanwijzen, deze ambtenaar, de in de [artikelen 96 tot en met 102a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [125i tot en met 125m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Zevende&artikel=125i&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Eerste&artikel=126g&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126k tot en met 126ni](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Vijfde&artikel=126k&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [126ui](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126ui&z=2014-07-01&g=2014-07-01) bedoelde bevoegdheden toepassen, en kan de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie de bevoegdheid van [artikel 110](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=3&artikel=110&z=2014-07-01&g=2014-07-01) toepassen, met dien verstande dat:
2. Met het oog op de vaststelling van de verblijfplaats van de aan te houden persoon kan de officier van justitie, of, indien de artikelen de hulpofficier of de opsporingsambtenaar als bevoegd aanwijzen, deze ambtenaar, de in de [artikelen 96 tot en met 102a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [125i tot en met 125m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Zevende&artikel=125i&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Eerste&artikel=126g&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126k tot en met 126ni](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Vijfde&artikel=126k&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [126ui](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126ui&z=2014-11-01&g=2014-11-01) bedoelde bevoegdheden toepassen, en kan de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie de bevoegdheid van [artikel 110](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=3&artikel=110&z=2014-11-01&g=2014-11-01) toepassen, met dien verstande dat:
- a. een bevoegdheid slechts met het oog op de vaststelling van de verblijfplaats van de aan te houden persoon wordt toegepast in geval de aan te houden persoon wordt vervolgd of is veroordeeld tot een vrijheidsstraf dan wel hem een vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd voor een misdrijf van dezelfde ernst als waarvoor de bevoegdheid in gevolge het desbetreffende artikel mag worden toegepast;
@@ -7586,7 +7586,7 @@
##### Artikel 570a
Indien de veroordeelde meer dan een straf achtereenvolgens moet ondergaan, worden zij voor de toepassing van [artikel 570, eerste lid, aanhef en onder **a, b** of **c,**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=570&z=2014-07-01&g=2014-07-01) als één straf aangemerkt.
Indien de veroordeelde meer dan een straf achtereenvolgens moet ondergaan, worden zij voor de toepassing van [artikel 570, eerste lid, aanhef en onder **a, b** of **c,**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=570&z=2014-11-01&g=2014-11-01) als één straf aangemerkt.
##### Artikel 570b
@@ -7598,7 +7598,7 @@
##### Artikel 571
1. De rechtbanken waken voor de nakoming van de voorschriften der [artikelen 566-570](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=566&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en doen te dien einde de gevangenissen, tuchtscholen en inrichtingen, waarin de straf van arrest wordt ten uitvoer gelegd, binnen haar rechtsgebied door commissarissen uit haar midden op onbepaalde tijden, doch ten minste tweemaal ’s jaars, bezoeken.
1. De rechtbanken waken voor de nakoming van de voorschriften der [artikelen 566-570](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=566&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en doen te dien einde de gevangenissen, tuchtscholen en inrichtingen, waarin de straf van arrest wordt ten uitvoer gelegd, binnen haar rechtsgebied door commissarissen uit haar midden op onbepaalde tijden, doch ten minste tweemaal ’s jaars, bezoeken.
2. Van de bevindingen wordt telkenmale schriftelijk verslag gedaan aan Onze Minister van Veiligheid en Justitie.
@@ -7616,7 +7616,7 @@
##### Artikel 573
1. Bij gebreke van volledige betaling binnen de ingevolge [artikel 561](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=561&z=2014-07-01&g=2014-07-01) bepaalde termijn wordt het verschuldigde bedrag, vermeerderd met de verhogingen voorzien in [artikel 24**b** van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=24b), na voorgaande schriftelijke waarschuwing, op de voorwerpen van de veroordeelde verhaald. In verband met het verhaal kan woonplaats worden gekozen ten parkette van het openbaar ministerie dat met de tenuitvoerlegging is belast.
1. Bij gebreke van volledige betaling binnen de ingevolge [artikel 561](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=561&z=2014-11-01&g=2014-11-01) bepaalde termijn wordt het verschuldigde bedrag, vermeerderd met de verhogingen voorzien in [artikel 24**b** van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=24b), na voorgaande schriftelijke waarschuwing, op de voorwerpen van de veroordeelde verhaald. In verband met het verhaal kan woonplaats worden gekozen ten parkette van het openbaar ministerie dat met de tenuitvoerlegging is belast.
2. Het met de tenuitvoerlegging belaste openbaar ministerie kan van het nemen van verhaal afzien.
@@ -7626,7 +7626,7 @@
##### Artikel 574
1. Op voorwerpen, inbeslaggenomen op grond van [artikel 94a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), geschiedt het verhaal op de wijze voorzien in het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827) krachtens het onherroepelijke vonnis of arrest of de onherroepelijke strafbeschikking waarbij de geldboete, de verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in [artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=36e) en de verplichting tot betaling aan de staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer als bedoeld in [artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=36f) is opgelegd.
1. Op voorwerpen, inbeslaggenomen op grond van [artikel 94a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), geschiedt het verhaal op de wijze voorzien in het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827) krachtens het onherroepelijke vonnis of arrest of de onherroepelijke strafbeschikking waarbij de geldboete, de verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in [artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=36e) en de verplichting tot betaling aan de staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer als bedoeld in [artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=36f) is opgelegd.
2. Dit vonnis of arrest of deze strafbeschikking geldt als de titel bedoeld in [artikel 704, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=704). Betekening van deze titel aan de veroordeelde en, zo het beslag onder een derde is gelegd, ook aan deze, kan plaatsvinden door betekening van een kennisgeving inhoudende de bij het vonnis of arrest dan wel de strafbeschikking opgelegde straf, voor zover voor het nemen van verhaal van belang.
@@ -7634,7 +7634,7 @@
##### Artikel 575
1. Op voorwerpen van de veroordeelde die niet op grond van [artikel 94a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) in beslag zijn genomen geschiedt verhaal krachtens een dwangbevel, medebrengende het recht om die goederen zonder vonnis aan te tasten. Verhaal kan mede worden genomen op voorwerpen als bedoeld in artikel 94a, derde en vierde lid, die niet reeds voor het onherroepelijk worden van het vonnis of arrest in beslag zijn genomen.
1. Op voorwerpen van de veroordeelde die niet op grond van [artikel 94a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) in beslag zijn genomen geschiedt verhaal krachtens een dwangbevel, medebrengende het recht om die goederen zonder vonnis aan te tasten. Verhaal kan mede worden genomen op voorwerpen als bedoeld in artikel 94a, derde en vierde lid, die niet reeds voor het onherroepelijk worden van het vonnis of arrest in beslag zijn genomen.
2. Het dwangbevel wordt in naam des Konings uitgevaardigd door het openbaar ministerie, dat met de tenuitvoerlegging van het vonnis, het arrest of de strafbeschikking is belast. Het wordt ten uitvoer gelegd als een vonnis van de burgerlijke rechter.
@@ -7662,7 +7662,7 @@
5. Indien verhaal is genomen op vordering van de veroordeelde tot periodieke betalingen als bedoeld in het eerste lid, onder **a** en **b**, zijn de [artikelen 475a tot en met 475g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=475a) van overeenkomstige toepassing.
6. Iedere belanghebbende kan zich binnen zeven dagen na de betekening van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde kennisgeving bij met redenen omkleed bezwaarschrift verzetten tegen het verhaal. [Artikel 575, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=575&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is op dit verzet van toepassing.
6. Iedere belanghebbende kan zich binnen zeven dagen na de betekening van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde kennisgeving bij met redenen omkleed bezwaarschrift verzetten tegen het verhaal. [Artikel 575, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=575&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is op dit verzet van toepassing.
7. De kosten van het verhaal krachtens dit artikel worden op gelijke voet als de geldboete, onderscheidenlijk de maatregel van [artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=36f), verhaald op de veroordeelde. Onder de kosten van verhaal zijn begrepen de invorderingskosten.
@@ -7672,9 +7672,9 @@
##### Artikel 577
1. Indien niet in beslag genomen voorwerpen verbeurd zijn verklaard, dan wel openbaarmaking van de uitspraak op kosten van de veroordeelde is bevolen, vinden de [artikelen 561, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=561&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [572, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=572&z=2014-07-01&g=2014-07-01), overeenkomstige toepassing.
2. Wanneer binnen de daarvoor bepaalde termijn noch uitlevering van de voorwerpen noch betaling van de geschatte waarde plaats heeft, dan wel de kosten van openbaarmaking niet worden betaald, vinden de [artikelen 573](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=573&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [575](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=575&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [576](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=576&z=2014-07-01&g=2014-07-01) overeenkomstige toepassing.
1. Indien niet in beslag genomen voorwerpen verbeurd zijn verklaard, dan wel openbaarmaking van de uitspraak op kosten van de veroordeelde is bevolen, vinden de [artikelen 561, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=561&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [572, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=572&z=2014-11-01&g=2014-11-01), overeenkomstige toepassing.
2. Wanneer binnen de daarvoor bepaalde termijn noch uitlevering van de voorwerpen noch betaling van de geschatte waarde plaats heeft, dan wel de kosten van openbaarmaking niet worden betaald, vinden de [artikelen 573](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=573&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [575](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=575&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [576](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=576&z=2014-11-01&g=2014-11-01) overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 577a
@@ -7682,7 +7682,7 @@
##### Artikel 577b
1. Indien de maatregel bedoeld in [artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=36e) is opgelegd, vinden de [artikelen 561, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=561&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [572, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=572&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [573, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=573&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [574 tot en met 576](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=574&z=2014-07-01&g=2014-07-01)overeenkomstige toepassing.
1. Indien de maatregel bedoeld in [artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=36e) is opgelegd, vinden de [artikelen 561, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=561&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [572, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=572&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [573, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=573&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [574 tot en met 576](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=574&z=2014-11-01&g=2014-11-01)overeenkomstige toepassing.
2. Op vordering van het openbaar ministerie dat met de tenuitvoerlegging is belast, of op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de veroordeelde of van een benadeelde derde kan de rechter die de in het eerste lid genoemde maatregel heeft opgelegd, het daarin vastgestelde bedrag verminderen of kwijtschelden. Is het bedrag reeds betaald of verhaald, dan kan de rechter bevelen dat het geheel of gedeeltelijk zal worden teruggegeven of aan een door hem aangewezen derde zal worden uitgekeerd. Het bevel laat ieders recht op het teruggegeven of uitgekeerde bedrag onverlet.
@@ -7700,7 +7700,7 @@
##### Artikel 577c
1. Indien de veroordeelde niet aan het vonnis of arrest waarbij de verplichting is opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel voldoet en volledig verhaal op grond van de [artikelen 574 tot en met 576](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=574&z=2014-07-01&g=2014-07-01) op diens vermogen niet mogelijk is gebleken, kan de rechter op vordering van de officier van justitie verlof tot de tenuitvoerlegging van lijfsdwang van ten hoogste drie jaar verlenen.
1. Indien de veroordeelde niet aan het vonnis of arrest waarbij de verplichting is opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel voldoet en volledig verhaal op grond van de [artikelen 574 tot en met 576](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=574&z=2014-11-01&g=2014-11-01) op diens vermogen niet mogelijk is gebleken, kan de rechter op vordering van de officier van justitie verlof tot de tenuitvoerlegging van lijfsdwang van ten hoogste drie jaar verlenen.
2. De vordering tot het verlenen van het verlof wordt ingesteld en behandeld door de raadkamer van het gerecht waarbij de zaak in laatste feitelijke aanleg is behandeld.
@@ -7708,27 +7708,27 @@
4. De vordering wordt niet toegewezen indien de veroordeelde aannemelijk maakt dat hij buiten staat is aan de betalingsverplichting te voldoen.
5. Bij de beoordeling van de vordering houdt de raadkamer rekening met gedeeltelijke betalingen die door de veroordeelde zijn verricht en het verhaal dat reeds ingevolge de [artikelen 574 tot en met 576](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=574&z=2014-07-01&g=2014-07-01) door het openbaar ministerie is genomen.
6. Bij toewijzing van de vordering bepaalt de raadkamer de duur van de lijfsdwang. Op vordering van de officier van justitie, op verzoek van de verdachte of ambtshalve kan de raadkamer de omvang van het nog verschuldigde bedrag vaststellen. De toepassing van de lijfsdwang heft de verschuldigdheid niet op. De beslissing van de raadkamer wordt aan de veroordeelde betekend. [Artikel 564](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=564&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is van overeenkomstige toepassing.
7. De lijfsdwang kan te allen tijde worden beëindigd door de officier van justitie. De lijfsdwang eindigt indien de veroordeelde alsnog volledig voldoet aan de verplichting tot betaling van het verschuldigde bedrag. De veroordeelde kan de rechter verzoeken om opheffing van de lijfsdwang. [Artikel 577b, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=577b&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
5. Bij de beoordeling van de vordering houdt de raadkamer rekening met gedeeltelijke betalingen die door de veroordeelde zijn verricht en het verhaal dat reeds ingevolge de [artikelen 574 tot en met 576](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=574&z=2014-11-01&g=2014-11-01) door het openbaar ministerie is genomen.
6. Bij toewijzing van de vordering bepaalt de raadkamer de duur van de lijfsdwang. Op vordering van de officier van justitie, op verzoek van de verdachte of ambtshalve kan de raadkamer de omvang van het nog verschuldigde bedrag vaststellen. De toepassing van de lijfsdwang heft de verschuldigdheid niet op. De beslissing van de raadkamer wordt aan de veroordeelde betekend. [Artikel 564](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=564&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is van overeenkomstige toepassing.
7. De lijfsdwang kan te allen tijde worden beëindigd door de officier van justitie. De lijfsdwang eindigt indien de veroordeelde alsnog volledig voldoet aan de verplichting tot betaling van het verschuldigde bedrag. De veroordeelde kan de rechter verzoeken om opheffing van de lijfsdwang. [Artikel 577b, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=577b&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 578
1. Indien het openbaar ministerie overeenkomstig [artikel 257a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=IVa&afdeling=Eerste&artikel=257a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) aanwijzingen geeft, bepaalt het daarbij de termijn binnen welke aan die aanwijzingen moet zijn voldaan, en zo nodig tevens de plaats waar zulks moet geschieden. De gestelde termijn kan worden verlengd.
2. Wanneer, binnen drie jaren na voldoening van een bedrag of overdracht van voorwerpen, als bedoeld in [artikel 257a, tweede lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=IVa&afdeling=Eerste&artikel=257a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) of in [artikel 511c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIIb&artikel=511c&z=2014-07-01&g=2014-07-01), blijkt dat dit een hogere waarde vertegenwoordigt dan de som van het werkelijke voordeel verkregen door middel of uit de baten van het strafbare feit of soortgelijke feiten, beveelt het openbaar ministerie - hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de gewezen verdachte of veroordeelde - de teruggave van een geldbedrag gelijk aan het verschil.
1. Indien het openbaar ministerie overeenkomstig [artikel 257a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=IVa&afdeling=Eerste&artikel=257a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) aanwijzingen geeft, bepaalt het daarbij de termijn binnen welke aan die aanwijzingen moet zijn voldaan, en zo nodig tevens de plaats waar zulks moet geschieden. De gestelde termijn kan worden verlengd.
2. Wanneer, binnen drie jaren na voldoening van een bedrag of overdracht van voorwerpen, als bedoeld in [artikel 257a, tweede lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=IVa&afdeling=Eerste&artikel=257a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) of in [artikel 511c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIIb&artikel=511c&z=2014-11-01&g=2014-11-01), blijkt dat dit een hogere waarde vertegenwoordigt dan de som van het werkelijke voordeel verkregen door middel of uit de baten van het strafbare feit of soortgelijke feiten, beveelt het openbaar ministerie - hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de gewezen verdachte of veroordeelde - de teruggave van een geldbedrag gelijk aan het verschil.
3. Binnen veertien dagen nadat de gewezen verdachte of veroordeelde kennis heeft gekregen van de beslissing op een overeenkomstig het vorige lid gedaan verzoek, kan hij schriftelijk beklag doen bij het gerecht ter griffie waarvan het bedrag is voldaan of het voorwerp is overgedragen.
4. Het beklag kan ook worden gedaan wanneer dertig dagen zijn verstreken sedert de indiening van het verzoek en daarop inmiddels nog niet is beslist.
5. De behandeling van het klaagschrift door de raadkamer vindt plaats in het openbaar. Acht het gerecht het beklag gegrond, dan beveelt het de teruggave van het in het tweede lid bedoelde verschil. [Artikel 577b, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=577b&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing. Tegen de beslissing van de raadkamer staat geen rechtsmiddel open.
5. De behandeling van het klaagschrift door de raadkamer vindt plaats in het openbaar. Acht het gerecht het beklag gegrond, dan beveelt het de teruggave van het in het tweede lid bedoelde verschil. [Artikel 577b, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=577b&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing. Tegen de beslissing van de raadkamer staat geen rechtsmiddel open.
##### Artikel 578a
1. Indien de officier van justitie overeenkomstig [artikel 511c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIIb&artikel=511c&z=2014-07-01&g=2014-07-01) een schikking met de verdachte of veroordeelde aangaat, bepaalt hij de termijn waarbinnen aan de termen van die schikking moet worden voldaan. Tot dat tijdstip is de termijn waarbinnen ingevolge [artikel 511b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIIb&artikel=511b&z=2014-07-01&g=2014-07-01), een vordering aanhangig moet zijn gemaakt geschorst. Door voldoening aan die termen vervalt het recht tot indiening van de vordering of is, indien die vordering reeds is ingediend, de zaak van rechtswege geëindigd.
1. Indien de officier van justitie overeenkomstig [artikel 511c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIIb&artikel=511c&z=2014-11-01&g=2014-11-01) een schikking met de verdachte of veroordeelde aangaat, bepaalt hij de termijn waarbinnen aan de termen van die schikking moet worden voldaan. Tot dat tijdstip is de termijn waarbinnen ingevolge [artikel 511b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIIb&artikel=511b&z=2014-11-01&g=2014-11-01), een vordering aanhangig moet zijn gemaakt geschorst. Door voldoening aan die termen vervalt het recht tot indiening van de vordering of is, indien die vordering reeds is ingediend, de zaak van rechtswege geëindigd.
2. Wanneer na voldoening aan die termen blijkt van omstandigheden die de toepasselijkheid van de maatregel bedoeld in [artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=36e) zouden hebben uitgesloten, kan de gewezen verdachte of veroordeelde de officier van justitie verzoeken om teruggave van betaalde geldbedragen of overgedragen voorwerpen.
@@ -7752,15 +7752,15 @@
1. Tot het onderzoek wordt, op de vordering van het openbaar ministerie, in eene door het gerecht te bepalen terechtzitting met den meesten spoed overgegaan.
2. Het openbaar ministerie doet de aangehoudene, de getuigen en deskundigen die van zijnentwege zullen worden gehoord en die waarop de aangehoudene zich beroept, dagvaarden of oproepen. Het [tweede lid van artikel 260](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=260&z=2014-07-01&g=2014-07-01) vindt met betrekking tot al deze getuigen overeenkomstige toepassing.
3. Indien het openbaar ministerie weigert een getuige of deskundige te doen oproepen, kan het gerecht op verzoek van de aangehoudene de oproeping van die getuige of deskundige bevelen. De [artikelen 263](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=263&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [264](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=264&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
4. Indien de zaak bij een rechterlijk college is aangebracht, wordt de aangehoudene door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand op last van de voorzitter een raadsman toegevoegd. Ten aanzien van de raadsman gelden de bepalingen van de [derde titel van het Eerste Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
2. Het openbaar ministerie doet de aangehoudene, de getuigen en deskundigen die van zijnentwege zullen worden gehoord en die waarop de aangehoudene zich beroept, dagvaarden of oproepen. Het [tweede lid van artikel 260](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=260&z=2014-11-01&g=2014-11-01) vindt met betrekking tot al deze getuigen overeenkomstige toepassing.
3. Indien het openbaar ministerie weigert een getuige of deskundige te doen oproepen, kan het gerecht op verzoek van de aangehoudene de oproeping van die getuige of deskundige bevelen. De [artikelen 263](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=263&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [264](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=264&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
4. Indien de zaak bij een rechterlijk college is aangebracht, wordt de aangehoudene door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand op last van de voorzitter een raadsman toegevoegd. Ten aanzien van de raadsman gelden de bepalingen van de [derde titel van het Eerste Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
##### Artikel 581
1. Het onderzoek en de beslissing geschieden overeenkomstig de bepalingen van [Titel VI van het Tweede Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=IV&z=2014-07-01&g=2014-07-01) of van [Titel I van het Vierde Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=I&z=2014-07-01&g=2014-07-01), naar gelang de zaak bij een rechtbank of bij de Hoge Raad is aangebracht. [Artikel 394](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VIII&artikel=394&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is van overeenkomstige toepassing.
1. Het onderzoek en de beslissing geschieden overeenkomstig de bepalingen van [Titel VI van het Tweede Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=IV&z=2014-11-01&g=2014-11-01) of van [Titel I van het Vierde Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=I&z=2014-11-01&g=2014-11-01), naar gelang de zaak bij een rechtbank of bij de Hoge Raad is aangebracht. [Artikel 394](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VIII&artikel=394&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is van overeenkomstige toepassing.
2. Voor zover de in het eerste lid genoemde bepalingen betrekking hebben op een getuige wiens identiteit niet of slechts ten dele blijkt, vinden zij geen toepassing.
@@ -7772,7 +7772,7 @@
1. De vonnissen en arresten, houdende beslissingen omtrent de identiteit, zijn vatbaar voor zoodanig beroep als tegen de vonnissen of arresten waarbij over het strafbaar feit uitspraak werd gedaan, openstond.
2. Het beroep wordt naar de gewone regelen ingesteld en vervolgd. Het onderzoek en de beslissing geschieden overeenkomstig den [Tweeden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&z=2014-07-01&g=2014-07-01) of [Derden Titel van het Derde Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=III&z=2014-07-01&g=2014-07-01), naar gelang hooger beroep dan wel beroep in cassatie is ingesteld.
2. Het beroep wordt naar de gewone regelen ingesteld en vervolgd. Het onderzoek en de beslissing geschieden overeenkomstig den [Tweeden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&z=2014-11-01&g=2014-11-01) of [Derden Titel van het Derde Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=III&z=2014-11-01&g=2014-11-01), naar gelang hooger beroep dan wel beroep in cassatie is ingesteld.
##### Artikel 584
@@ -7830,13 +7830,13 @@
- b. niemand wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan de geadresseerde of aan een door deze gemachtigde op de plaats die vermeld wordt in een schriftelijk bericht dat op het in de mededeling vermelde adres wordt achtergelaten. Uitreiking aan een door de geadresseerde schriftelijk gemachtigde geldt als betekening in persoon;
- c. geen uitreiking heeft kunnen geschieden, wordt de mededeling teruggezonden aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Indien blijkt dat de geadresseerde op de dag van aanbieding en tenminste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisregistratie personen was ingeschreven op het in de mededeling vermelde adres, wordt de mededeling vervolgens uitgereikt aan de griffier van de rechtbank van het arrondissement waar de zaak zal dienen of laatstelijk heeft gediend. Het openbaar ministerie zendt alsdan een afschrift van de mededeling onverwijld toe aan dat adres, van welk feit aantekening wordt gedaan op de akte van uitreiking, bedoeld in [artikel 589](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=589&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
- c. geen uitreiking heeft kunnen geschieden, wordt de mededeling teruggezonden aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Indien blijkt dat de geadresseerde op de dag van aanbieding en tenminste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisregistratie personen was ingeschreven op het in de mededeling vermelde adres, wordt de mededeling vervolgens uitgereikt aan de griffier van de rechtbank van het arrondissement waar de zaak zal dienen of laatstelijk heeft gediend. Het openbaar ministerie zendt alsdan een afschrift van de mededeling onverwijld toe aan dat adres, van welk feit aantekening wordt gedaan op de akte van uitreiking, bedoeld in [artikel 589](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=589&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
4. In het belang van een goede uitvoering van dit artikel kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld.
##### Artikel 589
1. Van iedere uitreiking als bedoeld in [artikel 585, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=585&z=2014-07-01&g=2014-07-01), wordt een akte opgemaakt, waarin zijn vermeld:
1. Van iedere uitreiking als bedoeld in [artikel 585, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=585&z=2014-11-01&g=2014-11-01), wordt een akte opgemaakt, waarin zijn vermeld:
- 1°. de autoriteit van welke het gerechtelijk schrijven uitgaat;
@@ -7850,7 +7850,7 @@
- 6°. de dag en het uur van uitreiking.
2. Wordt met het gerechtelijk schrijven gehandeld overeenkomstig de eerste volzin van [artikel 588, derde lid, aanhef en onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=588&z=2014-07-01&g=2014-07-01), dan vermeldt de akte de dag van aanbieding van het stuk aan het adres van degene voor wie het bestemd is.
2. Wordt met het gerechtelijk schrijven gehandeld overeenkomstig de eerste volzin van [artikel 588, derde lid, aanhef en onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=588&z=2014-11-01&g=2014-11-01), dan vermeldt de akte de dag van aanbieding van het stuk aan het adres van degene voor wie het bestemd is.
3. De akte wordt door hen die met de uitreiking zijn belast, ieder voor zover het zijn bevindingen en handelingen betreft, ter plaatse van die bevindingen en handelingen naar waarheid opgemaakt en terstond ondertekend.
@@ -7858,11 +7858,11 @@
##### Artikel 590
1. De rechter kan, indien de uitreiking niet heeft plaats gehad overeenkomstig het bepaalde in [artikel 588, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=588&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [589](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=589&z=2014-07-01&g=2014-07-01), de betekening nietig verklaren.
1. De rechter kan, indien de uitreiking niet heeft plaats gehad overeenkomstig het bepaalde in [artikel 588, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=588&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [589](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=589&z=2014-11-01&g=2014-11-01), de betekening nietig verklaren.
2. Indien de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, doch ter terechtzitting blijkt dat hij feitelijk op een ander adres verblijft, kan de rechter de oproeping van de niet verschenen verdachte bevelen.
3. Indien aan de verzendplicht ingevolge [artikel 588a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=588a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) niet of niet tijdig is voldaan, beveelt de rechter de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting tenzij:
3. Indien aan de verzendplicht ingevolge [artikel 588a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=588a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) niet of niet tijdig is voldaan, beveelt de rechter de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting tenzij:
- a. zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was, dan wel
@@ -7880,9 +7880,9 @@
4. Uitbetaling geschiedt door de griffier.
5. Een en ander vindt overeenkomstige toepassing op rechtsgedingen tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen, op de behandeling van vorderingen als bedoeld in de [artikelen 509j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Tweede&artikel=509j&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [509o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Derde&artikel=509o&z=2014-07-01&g=2014-07-01) of het beroep als bedoeld in artikel
509**v** en op de behandeling van klaagschriften als bedoeld in de [artikelen 552a tot en met 552b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552a&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
5. Een en ander vindt overeenkomstige toepassing op rechtsgedingen tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen, op de behandeling van vorderingen als bedoeld in de [artikelen 509j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Tweede&artikel=509j&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [509o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Derde&artikel=509o&z=2014-11-01&g=2014-11-01) of het beroep als bedoeld in artikel
509**v** en op de behandeling van klaagschriften als bedoeld in de [artikelen 552a tot en met 552b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552a&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
##### Artikel 591a
@@ -7890,9 +7890,9 @@
2. Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan [artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=9a) kan aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen uit ’s Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor de schade welke hij tengevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede, behoudens voorzover [artikel 44a van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=44a) van toepassing is, in de kosten van een raadsman. Een vergoeding voor de kosten van een raadsman gedurende de verzekering en de voorlopige hechtenis is hierin begrepen. Een vergoeding voor deze kosten kan voorts worden toegekend in het geval dat de zaak eindigt met oplegging van straf of maatregel op grond van een feit, waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten.
3. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing voor ouders van een minderjarige verdachte, die zijn opgeroepen ingevolge [artikel 496, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=II&afdeling=Tweede&artikel=496&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
4. De [artikelen 90](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede_A&artikel=90&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede_A&artikel=91&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [591, tweede tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=II&artikel=591&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
3. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing voor ouders van een minderjarige verdachte, die zijn opgeroepen ingevolge [artikel 496, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=II&afdeling=Tweede&artikel=496&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
4. De [artikelen 90](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede_A&artikel=90&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede_A&artikel=91&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [591, tweede tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=II&artikel=591&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
5. Indien de gewezen verdachte na het indienen van zijn verzoek overleden is, geschiedt de toekenning ten behoeve van zijn erfgenamen.
@@ -7900,21 +7900,21 @@
1. De kosten van uitlevering of overbrenging van voorwerpen ingevolge een bevel van de rechter-commissaris of van de officier van justitie kunnen de betrokken persoon op de begroting van de rechter-commissaris of van de officier van justitie uit ’s Rijks kas worden vergoed.
2. De kosten van het nakomen van een vordering tot het verstrekken van gegevens of tot het medewerking verlenen aan het ontsleutelen van gegevens krachtens de [artikelen 126m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126m&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126n&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126nc tot en met 126ni](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nc&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126t](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126t&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126u](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126u&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126uc tot en met 126ui](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126uc&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [126zja tot en met 126zp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde&artikel=126zja&z=2014-07-01&g=2014-07-01) kunnen de betrokkene uit ’s Rijks kas worden vergoed. Hierbij kan een lager bedrag worden vergoed voor zover degene tot wie het bevel zich richt, niet de administratie heeft gevoerd en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers heeft bewaard als voorgeschreven in [artikel 10 van Boek 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=10) en [artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=15i).
2. De kosten van het nakomen van een vordering tot het verstrekken van gegevens of tot het medewerking verlenen aan het ontsleutelen van gegevens krachtens de [artikelen 126m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126m&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126n&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126nc tot en met 126ni](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nc&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126t](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126t&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126u](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126u&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126uc tot en met 126ui](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126uc&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [126zja tot en met 126zp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde&artikel=126zja&z=2014-11-01&g=2014-11-01) kunnen de betrokkene uit ’s Rijks kas worden vergoed. Hierbij kan een lager bedrag worden vergoed voor zover degene tot wie het bevel zich richt, niet de administratie heeft gevoerd en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers heeft bewaard als voorgeschreven in [artikel 10 van Boek 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=10) en [artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=15i).
3. De rechter-commissaris of de officier van justitie geeft een bevelschrift van tenuitvoerlegging af.
##### Artikel 592a
Indien een benadeelde partij zich in het geding heeft gevoegd, beslist de rechter die een uitspraak als bedoeld in [artikel 333](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Tweede&artikel=333&z=2014-07-01&g=2014-07-01) of [335](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Tweede&artikel=335&z=2014-07-01&g=2014-07-01) doet, over de kosten door de benadeelde partij, de verdachte en, in het in [artikel 51g, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Tweede&artikel=51g&z=2014-07-01&g=2014-07-01) bedoelde geval, diens ouders of voogd gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Indien een benadeelde partij zich in het geding heeft gevoegd, beslist de rechter die een uitspraak als bedoeld in [artikel 333](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Tweede&artikel=333&z=2014-11-01&g=2014-11-01) of [335](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Tweede&artikel=335&z=2014-11-01&g=2014-11-01) doet, over de kosten door de benadeelde partij, de verdachte en, in het in [artikel 51g, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Tweede&artikel=51g&z=2014-11-01&g=2014-11-01) bedoelde geval, diens ouders of voogd gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
#### § 2a. Overname van strafvervolging door de officier van justitie
##### Artikel 593
1. De [Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448) is niet van toepassing op de termijnen, gesteld in de [artikelen 50, tweede lid, tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Derde&artikel=50&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [345](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=345&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [379](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VII&artikel=379&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [396](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VIII&artikel=396&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
2. Voor de toepassing van de [Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448) worden de termijnen, gesteld in de [artikelen 265, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=265&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [370, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VII&artikel=370&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [398, sub 1°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VIII&artikel=398&z=2014-07-01&g=2014-07-01), als termijnen in de zin van [artikel 1, tweede lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448&artikel=1) aangemerkt.
1. De [Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448) is niet van toepassing op de termijnen, gesteld in de [artikelen 50, tweede lid, tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=III&afdeling=Derde&artikel=50&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [345](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=345&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [379](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VII&artikel=379&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [396](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VIII&artikel=396&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
2. Voor de toepassing van de [Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448) worden de termijnen, gesteld in de [artikelen 265, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=265&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [370, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VII&artikel=370&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [398, sub 1°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VIII&artikel=398&z=2014-11-01&g=2014-11-01), als termijnen in de zin van [artikel 1, tweede lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448&artikel=1) aangemerkt.
##### Slotbepaling
@@ -8138,13 +8138,13 @@
##### Artikel 151d
1. De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek bevelen dat een DNA-onderzoek plaatsvindt dat gericht is op het vaststellen van uiterlijk waarneembare persoonskenmerken van de onbekende verdachte of het onbekende slachtoffer. [Artikel 151a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
1. De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek bevelen dat een DNA-onderzoek plaatsvindt dat gericht is op het vaststellen van uiterlijk waarneembare persoonskenmerken van de onbekende verdachte of het onbekende slachtoffer. [Artikel 151a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
2. Het DNA-onderzoek kan slechts gericht zijn op het vaststellen van het geslacht, het ras of andere bij algemene maatregel van bestuur aangewezen uiterlijk waarneembare persoonskenmerken.
3. De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
4. Het DNA-onderzoek kan slechts worden bevolen in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
4. Het DNA-onderzoek kan slechts worden bevolen in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze van uitvoering van het DNA-onderzoek.
@@ -8164,13 +8164,13 @@
##### Artikel 195f
1. De rechter-commissaris kan in het belang van het onderzoek bevelen dat een DNA-onderzoek plaatsvindt dat gericht is op het vaststellen van uiterlijk waarneembare persoonskenmerken van de onbekende verdachte of het onbekende slachtoffer. [Artikel 195a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=195a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
1. De rechter-commissaris kan in het belang van het onderzoek bevelen dat een DNA-onderzoek plaatsvindt dat gericht is op het vaststellen van uiterlijk waarneembare persoonskenmerken van de onbekende verdachte of het onbekende slachtoffer. [Artikel 195a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=195a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
2. Het DNA-onderzoek kan slechts gericht zijn op het vaststellen van het geslacht, het ras of andere bij algemene maatregel van bestuur aangewezen uiterlijk waarneembare persoonskenmerken.
3. De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
4. Het DNA-onderzoek kan slechts worden bevolen in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
4. Het DNA-onderzoek kan slechts worden bevolen in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze van uitvoering van het DNA-onderzoek.
@@ -8332,7 +8332,7 @@
##### Artikel 577d
1. Indien, bij een strafbeschikking of een bevel als bedoeld in [artikel 14a van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=14a), storting van een waarborgsom als aanwijzing of bijzondere voorwaarde is gesteld, vinden de [artikelen 561, tweede lid, en derde lid, eerste zin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=561&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [572, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=572&z=2014-07-01&g=2014-07-01) overeenkomstige toepassing.
1. Indien, bij een strafbeschikking of een bevel als bedoeld in [artikel 14a van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=14a), storting van een waarborgsom als aanwijzing of bijzondere voorwaarde is gesteld, vinden de [artikelen 561, tweede lid, en derde lid, eerste zin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=561&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [572, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=572&z=2014-11-01&g=2014-11-01) overeenkomstige toepassing.
2. Voor de storting wordt in geen geval een langere termijn gesteld dan drie maanden, te rekenen van de dag waarop het vonnis, het arrest of de strafbeschikking voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden.
@@ -8356,17 +8356,17 @@
##### Artikel 126nb
1. Teneinde toepassing te kunnen geven aan [artikel 126m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126m&z=2014-07-01&g=2014-07-01) of [artikel 126n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126n&z=2014-07-01&g=2014-07-01) kan de officier van justitie met inachtneming van [artikel 3.22, eerste lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.22) bevelen dat met behulp van in dat artikel bedoelde apparatuur het nummer waarmee de gebruiker van een communicatiedienst kan worden geïdentificeerd, wordt verkregen.
1. Teneinde toepassing te kunnen geven aan [artikel 126m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126m&z=2014-11-01&g=2014-11-01) of [artikel 126n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126n&z=2014-11-01&g=2014-11-01) kan de officier van justitie met inachtneming van [artikel 3.22, eerste lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.22) bevelen dat met behulp van in dat artikel bedoelde apparatuur het nummer waarmee de gebruiker van een communicatiedienst kan worden geïdentificeerd, wordt verkregen.
2. Het bevel wordt gegeven aan een ambtenaar als bedoeld in [artikel 3.22, eerste lid, onder a, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.22) en is schriftelijk. Bij dringende noodzaak kan het bevel mondeling worden gegeven. In dat geval stelt de officier van justitie het bevel binnen drie dagen op schrift.
3. Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste een week en vermeldt:
- a. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden voor toepassing van [artikel 126m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126m&z=2014-07-01&g=2014-07-01) of [artikel 126n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126n&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en
- a. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden voor toepassing van [artikel 126m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126m&z=2014-11-01&g=2014-11-01) of [artikel 126n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126n&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en
- b. de naam of een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de gebruiker van een communicatiedienst van wie het nummer moet worden verkregen.
4. De officier van justitie doet te zijnen overstaan de processen-verbaal of andere voorwerpen, waaraan een gegeven kan worden ontleend dat is verkregen door toepassing van het eerste lid vernietigen indien dat gegeven niet gebruikt wordt voor de toepassing van [artikel 126m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126m&z=2014-07-01&g=2014-07-01) of [artikel 126n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126n&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
4. De officier van justitie doet te zijnen overstaan de processen-verbaal of andere voorwerpen, waaraan een gegeven kan worden ontleend dat is verkregen door toepassing van het eerste lid vernietigen indien dat gegeven niet gebruikt wordt voor de toepassing van [artikel 126m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126m&z=2014-11-01&g=2014-11-01) of [artikel 126n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126n&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
### afdeling Eerste. Stelselmatige observatie
@@ -8374,17 +8374,17 @@
##### Artikel 126ub
Teneinde toepassing te kunnen geven aan [artikel 126t](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126t&z=2014-07-01&g=2014-07-01) of [artikel 126u](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126u&z=2014-07-01&g=2014-07-01) kan de officier van justitie met inachtneming van [artikel 3.22, eerste lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.22) bevelen dat met behulp van in dat artikel bedoelde apparatuur het nummer waarmee een gebruiker van een communicatiedienst kan worden geïdentificeerd, wordt verkregen. [Artikel 126nb, tweede tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126nb&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
Teneinde toepassing te kunnen geven aan [artikel 126t](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126t&z=2014-11-01&g=2014-11-01) of [artikel 126u](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126u&z=2014-11-01&g=2014-11-01) kan de officier van justitie met inachtneming van [artikel 3.22, eerste lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.22) bevelen dat met behulp van in dat artikel bedoelde apparatuur het nummer waarmee een gebruiker van een communicatiedienst kan worden geïdentificeerd, wordt verkregen. [Artikel 126nb, tweede tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126nb&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 126uc
1. In een geval als bedoeld in [artikel 126o, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126o&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan de opsporingsambtenaar in het belang van het onderzoek van degene die daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komt en die anders dan ten behoeve van persoonlijk gebruik gegevens verwerkt, vorderen bepaalde opgeslagen of vastgelegde identificerende gegevens van een persoon te verstrekken.
2. [Artikel 126nc, tweede tot en met vijfde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nc&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
1. In een geval als bedoeld in [artikel 126o, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126o&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan de opsporingsambtenaar in het belang van het onderzoek van degene die daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komt en die anders dan ten behoeve van persoonlijk gebruik gegevens verwerkt, vorderen bepaalde opgeslagen of vastgelegde identificerende gegevens van een persoon te verstrekken.
2. [Artikel 126nc, tweede tot en met vijfde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nc&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
3. Van de verstrekking van identificerende gegevens maakt de opsporingsambtenaar proces-verbaal op, waarin hij vermeldt:
- a. de gegevens, bedoeld in [artikel 126nc, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nc&z=2014-07-01&g=2014-07-01);
- a. de gegevens, bedoeld in [artikel 126nc, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nc&z=2014-11-01&g=2014-11-01);
- b. de verstrekte gegevens;
@@ -8394,13 +8394,13 @@
##### Artikel 126ud
1. In een geval als bedoeld in [artikel 126o, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126o&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot bepaalde opgeslagen of vastgelegde gegevens, vorderen deze gegevens te verstrekken.
2. [Artikel 126nd, tweede tot en met vierde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
1. In een geval als bedoeld in [artikel 126o, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126o&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot bepaalde opgeslagen of vastgelegde gegevens, vorderen deze gegevens te verstrekken.
2. [Artikel 126nd, tweede tot en met vierde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
3. De officier van justitie doet van de verstrekking van gegevens proces-verbaal opmaken, waarin worden vermeld:
- a. de gegevens, bedoeld in [artikel 126nd, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-07-01&g=2014-07-01);
- a. de gegevens, bedoeld in [artikel 126nd, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-11-01&g=2014-11-01);
- b. de verstrekte gegevens;
@@ -8412,21 +8412,21 @@
##### Artikel 126ue
1. In een geval als bedoeld in [artikel 126o, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126o&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek bepalen dat een vordering als bedoeld in [artikel 126ud, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126ud&z=2014-07-01&g=2014-07-01), van degene die anders dan ten behoeve van persoonlijk gebruik gegevens verwerkt, betrekking kan hebben op gegevens die eerst na het tijdstip van de vordering worden verwerkt. De periode waarover de vordering zich uitstrekt is maximaal vier weken en kan telkens met maximaal vier weken worden verlengd. De officier van justitie vermeldt deze periode in de vordering. De [artikelen 126nd, tweede tot en met vierde lid en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en 126ud, derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
2. In een geval als bedoeld in het eerste lid bepaalt de officier van justitie dat de uitvoering van de vordering wordt beëindigd zodra niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in [artikel 126ud, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126ud&z=2014-07-01&g=2014-07-01). Een wijziging, aanvulling, verlenging of beëindiging van de vordering vindt schriftelijk plaats. [Artikel 126nd, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
3. Indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert, kan de officier van justitie in een geval als bedoeld in het eerste lid in de vordering bepalen dat degene tot wie de vordering is gericht de gegevens direct na de verwerking verstrekt, dan wel telkens binnen een bepaalde periode na de verwerking verstrekt. De officier van justitie behoeft hiervoor een voorafgaande schriftelijke machtiging, op zijn vordering te verlenen door de rechter-commissaris, evenals voor een wijziging, aanvulling of verlenging van de vordering. [Artikel 126l, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zesde&artikel=126l&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
1. In een geval als bedoeld in [artikel 126o, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126o&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek bepalen dat een vordering als bedoeld in [artikel 126ud, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126ud&z=2014-11-01&g=2014-11-01), van degene die anders dan ten behoeve van persoonlijk gebruik gegevens verwerkt, betrekking kan hebben op gegevens die eerst na het tijdstip van de vordering worden verwerkt. De periode waarover de vordering zich uitstrekt is maximaal vier weken en kan telkens met maximaal vier weken worden verlengd. De officier van justitie vermeldt deze periode in de vordering. De [artikelen 126nd, tweede tot en met vierde lid en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en 126ud, derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
2. In een geval als bedoeld in het eerste lid bepaalt de officier van justitie dat de uitvoering van de vordering wordt beëindigd zodra niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in [artikel 126ud, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126ud&z=2014-11-01&g=2014-11-01). Een wijziging, aanvulling, verlenging of beëindiging van de vordering vindt schriftelijk plaats. [Artikel 126nd, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
3. Indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert, kan de officier van justitie in een geval als bedoeld in het eerste lid in de vordering bepalen dat degene tot wie de vordering is gericht de gegevens direct na de verwerking verstrekt, dan wel telkens binnen een bepaalde periode na de verwerking verstrekt. De officier van justitie behoeft hiervoor een voorafgaande schriftelijke machtiging, op zijn vordering te verlenen door de rechter-commissaris, evenals voor een wijziging, aanvulling of verlenging van de vordering. [Artikel 126l, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zesde&artikel=126l&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 126uf
1. In een geval als bedoeld in [artikel 126o, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126o&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan de officier van justitie indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert, van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot gegevens als bedoeld in [artikel 126nd, tweede lid, derde volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-07-01&g=2014-07-01), deze gegevens vorderen.
2. De [artikelen 126nf, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nf&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [126nd, derde, vierde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-07-01&g=2014-07-01), zijn van overeenkomstige toepassing.
1. In een geval als bedoeld in [artikel 126o, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126o&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan de officier van justitie indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert, van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot gegevens als bedoeld in [artikel 126nd, tweede lid, derde volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-11-01&g=2014-11-01), deze gegevens vorderen.
2. De [artikelen 126nf, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nf&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [126nd, derde, vierde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-11-01&g=2014-11-01), zijn van overeenkomstige toepassing.
3. De officier van justitie doet van de verstrekking van gegevens proces-verbaal opmaken, waarin worden vermeld:
- a. de gegevens, bedoeld in [artikel 126nd, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-07-01&g=2014-07-01);
- a. de gegevens, bedoeld in [artikel 126nd, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-11-01&g=2014-11-01);
- b. de verstrekte gegevens;
@@ -8580,15 +8580,15 @@
##### Artikel 552ob
1. Voor zover een verdrag daarin voorziet, kan op verzoek van een buitenlandse autoriteit telecommunicatie worden afgetapt met het oog op de rechtstreekse doorgeleiding naar het buitenland. [Artikel 126m, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126m&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [artikel 126t, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126t&z=2014-07-01&g=2014-07-01), zijn van overeenkomstige toepassing.
1. Voor zover een verdrag daarin voorziet, kan op verzoek van een buitenlandse autoriteit telecommunicatie worden afgetapt met het oog op de rechtstreekse doorgeleiding naar het buitenland. [Artikel 126m, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126m&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [artikel 126t, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126t&z=2014-11-01&g=2014-11-01), zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Indien de afgetapte en rechtstreeks doorgeleide telecommunicatie betrekking heeft op een gebruiker van telecommunicatie die zich op Nederlands grondgebied bevindt, worden aan de doorgeleiding de voorwaarden verbonden, dat de gegevens verkregen door het aftappen van de telecommunicatie:
- a. voor zover deze mededelingen bevatten, gedaan door of aan een persoon die zich op grond van [artikel 218](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=218&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zou kunnen verschonen indien hij als getuige naar de inhoud van die mededelingen zou worden gevraagd, niet mogen worden gebruikt en dienen te worden vernietigd; en
- a. voor zover deze mededelingen bevatten, gedaan door of aan een persoon die zich op grond van [artikel 218](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=218&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zou kunnen verschonen indien hij als getuige naar de inhoud van die mededelingen zou worden gevraagd, niet mogen worden gebruikt en dienen te worden vernietigd; en
- b. alleen mogen worden gebruikt voor het strafrechtelijk onderzoek in het kader waarvan het rechtshulpverzoek is gedaan en dat voor het gebruik voor enig ander doel voorafgaand toestemming dient te worden gevraagd en te zijn verkregen.
3. [Artikel 126bb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Tweede&artikel=126bb&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is van overeenkomstige toepassing.
3. [Artikel 126bb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Tweede&artikel=126bb&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 552oc
@@ -8596,15 +8596,15 @@
2. De officier van justitie stelt de kennisgeving onverwijld in handen van de rechter-commissaris bij een schriftelijke vordering waarin, binnen de in het toepasselijke verdrag gestelde termijn, machtiging tot het verlenen van instemming met het voornemen tot aftappen of het aftappen door de bevoegde buitenlandse autoriteiten wordt verlangd.
3. De rechter-commissaris neemt een beslissing op de vordering met inachtneming van het bepaalde in het toepasselijke verdrag en het bepaalde bij of krachtens [artikel 126m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126m&z=2014-07-01&g=2014-07-01) of [126t](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126t&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
3. De rechter-commissaris neemt een beslissing op de vordering met inachtneming van het bepaalde in het toepasselijke verdrag en het bepaalde bij of krachtens [artikel 126m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126m&z=2014-11-01&g=2014-11-01) of [126t](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126t&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
4. Indien de machtiging wordt verleend, deelt de officier van justitie de autoriteiten van wie de kennisgeving afkomstig is, binnen de in het toepasselijke verdrag gestelde termijn, mede dat met het voornemen tot aftappen of het aftappen van telecommunicatie van een gebruiker die zich op Nederlands grondgebied bevindt, wordt ingestemd. Hij verbindt daaraan de voorwaarden die de rechter-commissaris heeft gesteld, alsmede de voorwaarden, dat de gegevens verkregen door het aftappen van de telecommunicatie van de gebruiker tijdens diens verblijf op Nederlands grondgebied:
- a. voor zover deze mededelingen bevatten, gedaan door of aan een persoon die zich op grond van [artikel 218](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=218&z=2014-07-01&g=2014-07-01) kan verschonen indien hij als getuige naar de inhoud van die mededelingen zou worden gevraagd, niet mogen worden gebruikt en dienen te worden vernietigd, en
- a. voor zover deze mededelingen bevatten, gedaan door of aan een persoon die zich op grond van [artikel 218](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=218&z=2014-11-01&g=2014-11-01) kan verschonen indien hij als getuige naar de inhoud van die mededelingen zou worden gevraagd, niet mogen worden gebruikt en dienen te worden vernietigd, en
- b. alleen mogen worden gebruikt voor het strafrechtelijk onderzoek in het kader waarvan de kennisgeving is gedaan en dat voor het gebruik voor enig ander doel voorafgaand toestemming dient te worden gevraagd en te zijn verkregen.
5. Indien de machtiging wordt verleend, is [artikel 126bb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Tweede&artikel=126bb&z=2014-07-01&g=2014-07-01) van overeenkomstige toepassing.
5. Indien de machtiging wordt verleend, is [artikel 126bb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Tweede&artikel=126bb&z=2014-11-01&g=2014-11-01) van overeenkomstige toepassing.
6. Indien de machtiging niet wordt verleend, deelt de officier van justitie de autoriteiten van wie de kennisgeving afkomstig is, binnen de in het toepasselijke verdrag gestelde termijn, mede dat niet wordt ingestemd met het voornemen tot aftappen of het aftappen en eist hij, voor zover nodig, dat het aftappen onmiddellijk wordt stopgezet.
@@ -8690,7 +8690,7 @@
- d. in geval van een rechtspersoon, in plaats van de gegevens, bedoeld onder a en b: naam, adres, postadres, rechtsvorm en vestigingsplaats.
3. Een vordering als bedoeld in het eerste lid kan niet worden gericht tot de verdachte. [Artikel 96a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing. De vordering kan geen betrekking hebben op persoonsgegevens betreffende iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid, seksuele leven of lidmaatschap van een vakvereniging.
3. Een vordering als bedoeld in het eerste lid kan niet worden gericht tot de verdachte. [Artikel 96a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing. De vordering kan geen betrekking hebben op persoonsgegevens betreffende iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid, seksuele leven of lidmaatschap van een vakvereniging.
4. Een vordering als bedoeld in het eerste lid is schriftelijk en vermeldt:
@@ -8718,9 +8718,9 @@
##### Artikel 126nd
1. In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot bepaalde opgeslagen of vastgelegde gegevens, vorderen deze gegevens te verstrekken.
2. Een vordering als bedoeld in het eerste lid kan niet worden gericht tot de verdachte. [Artikel 96a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing. De vordering kan niet betrekking hebben op persoonsgegevens betreffende iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid, seksuele leven of lidmaatschap van een vakvereniging.
1. In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot bepaalde opgeslagen of vastgelegde gegevens, vorderen deze gegevens te verstrekken.
2. Een vordering als bedoeld in het eerste lid kan niet worden gericht tot de verdachte. [Artikel 96a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing. De vordering kan niet betrekking hebben op persoonsgegevens betreffende iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid, seksuele leven of lidmaatschap van een vakvereniging.
3. Een vordering als bedoeld in het eerste lid is schriftelijk en vermeldt:
@@ -8744,27 +8744,27 @@
- e. de reden waarom de gegevens in het belang van het onderzoek worden gevorderd.
6. In geval van verdenking van een ander strafbaar feit dan bedoeld in het eerste lid, kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek een vordering als bedoeld in dat lid doen met voorafgaande schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris. De rechter-commissaris verleent de machtiging op vordering van de officier van justitie. Het tweede tot en met vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing. [Artikel 126l, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zesde&artikel=126l&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
6. In geval van verdenking van een ander strafbaar feit dan bedoeld in het eerste lid, kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek een vordering als bedoeld in dat lid doen met voorafgaande schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris. De rechter-commissaris verleent de machtiging op vordering van de officier van justitie. Het tweede tot en met vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing. [Artikel 126l, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zesde&artikel=126l&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de gegevens worden gevorderd en verstrekt.
##### Artikel 126ne
1. De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek bepalen dat een vordering als bedoeld in [artikel 126nd, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-07-01&g=2014-07-01), van degene die anders dan ten behoeve van persoonlijk gebruik gegevens verwerkt, betrekking kan hebben op gegevens die eerst na het tijdstip van de vordering worden verwerkt. De periode waarover de vordering zich uitstrekt is maximaal vier weken en kan telkens met maximaal vier weken worden verlengd. De officier van justitie vermeldt deze periode in de vordering. Artikel 126nd, tweede tot en met vijfde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. In een geval als bedoeld in het eerste lid bepaalt de officier van justitie dat de uitvoering van de vordering wordt beëindigd zodra niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in [artikel 126nd, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-07-01&g=2014-07-01). Een wijziging, aanvulling, verlenging of beëindiging van de vordering vindt schriftelijk plaats. Artikel 126nd, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. Indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert, kan de officier van justitie in een geval als bedoeld in het eerste lid in de vordering bepalen dat degene tot wie de vordering is gericht de gegevens direct na de verwerking verstrekt, dan wel telkens binnen een bepaalde periode na de verwerking verstrekt. De officier van justitie behoeft hiervoor een voorafgaande schriftelijke machtiging, op zijn vordering te verlenen door de rechter-commissaris, evenals voor een wijziging, aanvulling of verlenging van de vordering. [Artikel 126l, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zesde&artikel=126l&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
1. De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek bepalen dat een vordering als bedoeld in [artikel 126nd, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-11-01&g=2014-11-01), van degene die anders dan ten behoeve van persoonlijk gebruik gegevens verwerkt, betrekking kan hebben op gegevens die eerst na het tijdstip van de vordering worden verwerkt. De periode waarover de vordering zich uitstrekt is maximaal vier weken en kan telkens met maximaal vier weken worden verlengd. De officier van justitie vermeldt deze periode in de vordering. Artikel 126nd, tweede tot en met vijfde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. In een geval als bedoeld in het eerste lid bepaalt de officier van justitie dat de uitvoering van de vordering wordt beëindigd zodra niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in [artikel 126nd, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-11-01&g=2014-11-01). Een wijziging, aanvulling, verlenging of beëindiging van de vordering vindt schriftelijk plaats. Artikel 126nd, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. Indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert, kan de officier van justitie in een geval als bedoeld in het eerste lid in de vordering bepalen dat degene tot wie de vordering is gericht de gegevens direct na de verwerking verstrekt, dan wel telkens binnen een bepaalde periode na de verwerking verstrekt. De officier van justitie behoeft hiervoor een voorafgaande schriftelijke machtiging, op zijn vordering te verlenen door de rechter-commissaris, evenals voor een wijziging, aanvulling of verlenging van de vordering. [Artikel 126l, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zesde&artikel=126l&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 126nf
1. In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-07-01&g=2014-07-01), dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert, van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot gegevens als bedoeld in [artikel 126nd, tweede lid, derde volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-07-01&g=2014-07-01), deze gegevens vorderen.
2. Een vordering als bedoeld in het eerste lid kan niet worden gericht tot de verdachte. [Artikel 96a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
3. Een vordering als bedoeld in het eerste lid kan slechts worden gedaan na voorafgaande schriftelijke machtiging, op vordering van de officier van justitie te verlenen door de rechter-commissaris. [Artikel 126l, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zesde&artikel=126l&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
4. [Artikel 126nd, derde tot en met vijfde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
1. In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-11-01&g=2014-11-01), dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert, van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot gegevens als bedoeld in [artikel 126nd, tweede lid, derde volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-11-01&g=2014-11-01), deze gegevens vorderen.
2. Een vordering als bedoeld in het eerste lid kan niet worden gericht tot de verdachte. [Artikel 96a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
3. Een vordering als bedoeld in het eerste lid kan slechts worden gedaan na voorafgaande schriftelijke machtiging, op vordering van de officier van justitie te verlenen door de rechter-commissaris. [Artikel 126l, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zesde&artikel=126l&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
4. [Artikel 126nd, derde tot en met vijfde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
## Titel V. Bijzondere bevoegdheden tot opsporing voor het onderzoek naar het beramen of plegen van ernstige misdrijven in georganiseerd verband
@@ -8958,35 +8958,35 @@
2. De instelling van een gemeenschappelijk onderzoeksteam wordt door de officier van justitie met de bevoegde autoriteiten van de betrokken landen schriftelijk overeengekomen.
3. In de overeenkomst, bedoeld in het tweede lid, worden in elk geval het doel, de bestaansperiode, de plaats van vestiging en de samenstelling van het gemeenschappelijke onderzoeksteam, de door Nederlandse ambtenaren op buitenlands grondgebied en de door buitenlandse opsporingsambtenaren op Nederlands grondgebied uit te oefenen opsporingsbevoegdheden alsmede de verplichting voor buitenlandse opsporingsambtenaren om gehoor te geven aan een dagvaarding als bedoeld in [artikel 210](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=210&z=2014-07-01&g=2014-07-01) of een oproeping als bedoeld in de [artikel 260](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=260&z=2014-07-01&g=2014-07-01), vastgelegd.
3. In de overeenkomst, bedoeld in het tweede lid, worden in elk geval het doel, de bestaansperiode, de plaats van vestiging en de samenstelling van het gemeenschappelijke onderzoeksteam, de door Nederlandse ambtenaren op buitenlands grondgebied en de door buitenlandse opsporingsambtenaren op Nederlands grondgebied uit te oefenen opsporingsbevoegdheden alsmede de verplichting voor buitenlandse opsporingsambtenaren om gehoor te geven aan een dagvaarding als bedoeld in [artikel 210](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=210&z=2014-11-01&g=2014-11-01) of een oproeping als bedoeld in de [artikel 260](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=260&z=2014-11-01&g=2014-11-01), vastgelegd.
##### Artikel 552qb
De uitoefening van opsporingsbevoegdheden op Nederlands grondgebied ten behoeve van het onderzoek van het gemeenschappelijk onderzoeksteam, bedoeld in [artikel 552qa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Eerste_A&artikel=552qa&z=2014-07-01&g=2014-07-01), geschiedt met inachtneming van het bepaalde bij en krachtens dit wetboek en de tussen de bij het gemeenschappelijke onderzoeksteam betrokken landen geldende verdragen.
De uitoefening van opsporingsbevoegdheden op Nederlands grondgebied ten behoeve van het onderzoek van het gemeenschappelijk onderzoeksteam, bedoeld in [artikel 552qa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Eerste_A&artikel=552qa&z=2014-11-01&g=2014-11-01), geschiedt met inachtneming van het bepaalde bij en krachtens dit wetboek en de tussen de bij het gemeenschappelijke onderzoeksteam betrokken landen geldende verdragen.
##### Artikel 552qc
Stukken die buitenlandse leden van het gemeenschappelijk onderzoeksteam, bedoeld in [artikel 552qa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Eerste_A&artikel=552qa&z=2014-07-01&g=2014-07-01), hebben opgesteld betreffende ambtshandelingen ter zake van opsporing en vervolging die zij in het kader van het onderzoek van het onderzoeksteam in het buitenland hebben verricht, hebben in Nederland de bewijskracht die toekomt aan stukken betreffende overeenkomstige, door Nederlandse ambtenaren in Nederland verrichte handelingen, met dien verstande dat hun bewijskracht niet uitgaat boven die welke zij naar het recht van de staat waaruit de buitenlandse leden afkomstig zijn, hebben.
Stukken die buitenlandse leden van het gemeenschappelijk onderzoeksteam, bedoeld in [artikel 552qa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Eerste_A&artikel=552qa&z=2014-11-01&g=2014-11-01), hebben opgesteld betreffende ambtshandelingen ter zake van opsporing en vervolging die zij in het kader van het onderzoek van het onderzoeksteam in het buitenland hebben verricht, hebben in Nederland de bewijskracht die toekomt aan stukken betreffende overeenkomstige, door Nederlandse ambtenaren in Nederland verrichte handelingen, met dien verstande dat hun bewijskracht niet uitgaat boven die welke zij naar het recht van de staat waaruit de buitenlandse leden afkomstig zijn, hebben.
##### Artikel 552qd
1. Stukken van overtuiging en gegevensdragers waarop gegevens zijn opgenomen die in Nederland in beslag zijn genomen of zijn vergaard met gebruikmaking van enige strafvorderlijke bevoegdheid ten behoeve van het onderzoek van het gemeenschappelijk onderzoeksteam, bedoeld in [artikel 552qa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Eerste_A&artikel=552qa&z=2014-07-01&g=2014-07-01), dat buiten Nederland is gevestigd, kunnen onmiddellijk, voorlopig ter beschikking worden gesteld van het onderzoeksteam.
1. Stukken van overtuiging en gegevensdragers waarop gegevens zijn opgenomen die in Nederland in beslag zijn genomen of zijn vergaard met gebruikmaking van enige strafvorderlijke bevoegdheid ten behoeve van het onderzoek van het gemeenschappelijk onderzoeksteam, bedoeld in [artikel 552qa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Eerste_A&artikel=552qa&z=2014-11-01&g=2014-11-01), dat buiten Nederland is gevestigd, kunnen onmiddellijk, voorlopig ter beschikking worden gesteld van het onderzoeksteam.
2. De officier van justitie die betrokken is bij het gemeenschappelijk onderzoeksteam verbindt aan de voorlopige terbeschikkingstelling, bedoeld in het eerste lid, de voorwaarden dat het Nederlandse recht onverkort blijft gelden ten aanzien van die stukken en gegevensdragers en dat het gebruik daarvan als bewijsmiddel pas mogelijk is, nadat deze definitief ter beschikking worden gesteld.
3. De officier van justitie kan de stukken en gegevensdragers, bedoeld in het eerste lid, definitief ter beschikking stellen van het gemeenschappelijk onderzoeksteam dat in het buitenland is gevestigd, voor zover de rechtbank daartoe verlof heeft verleend. [Artikel 552oa, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Eerste&artikel=552oa&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [artikel 552p, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Eerste&artikel=552p&z=2014-07-01&g=2014-07-01), zijn van overeenkomstige toepassing.
3. De officier van justitie kan de stukken en gegevensdragers, bedoeld in het eerste lid, definitief ter beschikking stellen van het gemeenschappelijk onderzoeksteam dat in het buitenland is gevestigd, voor zover de rechtbank daartoe verlof heeft verleend. [Artikel 552oa, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Eerste&artikel=552oa&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [artikel 552p, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Eerste&artikel=552p&z=2014-11-01&g=2014-11-01), zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 552qe
1. De officier van justitie die betrokken is bij het gemeenschappelijk onderzoeksteam, bedoeld in [artikel 552qa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Eerste_A&artikel=552qa&z=2014-07-01&g=2014-07-01), dat buiten Nederland is gevestigd, kan een bevel als bedoeld in [artikel 126m, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126m&z=2014-07-01&g=2014-07-01), of [artikel 126t, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126t&z=2014-07-01&g=2014-07-01), eveneens geven met het oog op het rechtstreeks doorgeleiden aan en het opnemen van telecommunicatie met een technisch hulpmiddel door het gemeenschappelijk onderzoeksteam.
1. De officier van justitie die betrokken is bij het gemeenschappelijk onderzoeksteam, bedoeld in [artikel 552qa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Eerste_A&artikel=552qa&z=2014-11-01&g=2014-11-01), dat buiten Nederland is gevestigd, kan een bevel als bedoeld in [artikel 126m, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126m&z=2014-11-01&g=2014-11-01), of [artikel 126t, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126t&z=2014-11-01&g=2014-11-01), eveneens geven met het oog op het rechtstreeks doorgeleiden aan en het opnemen van telecommunicatie met een technisch hulpmiddel door het gemeenschappelijk onderzoeksteam.
2. Indien de telecommunicatie betrekking heeft op een gebruiker van telecommunicatie die zich op Nederlands grondgebied bevindt, worden aan het bevel bedoeld in het eerste lid, de voorwaarden verbonden, dat de gegevens verkregen door het aftappen van de telecommunicatie:
- a. voor zover deze mededelingen bevatten, gedaan door of aan een persoon die zich op grond van [artikel 218](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=218&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zou kunnen verschonen indien hij als getuige naar de inhoud van die mededelingen zou worden gevraagd, niet mogen worden gebruikt en dienen te worden vernietigd, en
- a. voor zover deze mededelingen bevatten, gedaan door of aan een persoon die zich op grond van [artikel 218](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=218&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zou kunnen verschonen indien hij als getuige naar de inhoud van die mededelingen zou worden gevraagd, niet mogen worden gebruikt en dienen te worden vernietigd, en
- b. alleen mogen worden gebruikt voor het onderzoek van het onderzoeksteam en dat voor het gebruik voor enig ander doel voorafgaand toestemming dient te worden gevraagd en te zijn verkregen.
3. [Artikel 126bb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Tweede&artikel=126bb&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is van overeenkomstige toepassing.
3. [Artikel 126bb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Tweede&artikel=126bb&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is van overeenkomstige toepassing.
### afdeling Eerste. Algemeen
@@ -8996,7 +8996,7 @@
##### Artikel 552wa
Voor zover het toepasselijke verdrag uitdrukkelijk voorziet in de rechtstreekse toezending door justitiële autoriteiten van verzoeken tot strafvervolging, is de officier van justitie bevoegd, indien hij het in het belang van een goede rechtsbedeling gewenst acht dat een vreemde staat een strafvervolging instelt tegen een verdachte ter zake van een strafbaar feit met de opsporing waarvan hij is belast, aan buitenlandse justitiële autoriteiten verzoeken tot strafvervolging te doen. De [artikelen 552t, tweede tot en met zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=552t&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [552u, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=552u&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [552v](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=552v&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
Voor zover het toepasselijke verdrag uitdrukkelijk voorziet in de rechtstreekse toezending door justitiële autoriteiten van verzoeken tot strafvervolging, is de officier van justitie bevoegd, indien hij het in het belang van een goede rechtsbedeling gewenst acht dat een vreemde staat een strafvervolging instelt tegen een verdachte ter zake van een strafbaar feit met de opsporing waarvan hij is belast, aan buitenlandse justitiële autoriteiten verzoeken tot strafvervolging te doen. De [artikelen 552t, tweede tot en met zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=552t&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [552u, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=552u&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [552v](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=552v&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
#### § 2. Overname van strafvervolging door Onze Minister van Justitie
@@ -9004,9 +9004,9 @@
##### Artikel 552ii
1. Voor zover het toepasselijke verdrag uitdrukkelijk voorziet in rechtstreekse toezending van verzoeken tot overname van de strafvervolging door justitiële autoriteiten, is de officier van justitie bevoegd zelfstandig op een verzoek om overname van de strafvervolging van een buitenlandse justitiële autoriteit te beslissen. De [artikelen 552y](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=552y&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [552aa, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=552aa&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [552bb, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=552bb&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [552cc tot en met 552gg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=552cc&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Voor zover het toepasselijke verdrag uitdrukkelijk voorziet in rechtstreekse toezending van verzoeken tot overname van de strafvervolging door justitiële autoriteiten, wordt het verzoek, zo het is gericht tot een andere officier van justitie dan bedoeld in het [eerste of tweede lid van artikel 552z](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=552z&z=2014-07-01&g=2014-07-01), onverwijld aan die officier van justitie doorgezonden.
1. Voor zover het toepasselijke verdrag uitdrukkelijk voorziet in rechtstreekse toezending van verzoeken tot overname van de strafvervolging door justitiële autoriteiten, is de officier van justitie bevoegd zelfstandig op een verzoek om overname van de strafvervolging van een buitenlandse justitiële autoriteit te beslissen. De [artikelen 552y](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=552y&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [552aa, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=552aa&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [552bb, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=552bb&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [552cc tot en met 552gg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=552cc&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Voor zover het toepasselijke verdrag uitdrukkelijk voorziet in rechtstreekse toezending van verzoeken tot overname van de strafvervolging door justitiële autoriteiten, wordt het verzoek, zo het is gericht tot een andere officier van justitie dan bedoeld in het [eerste of tweede lid van artikel 552z](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=552z&z=2014-11-01&g=2014-11-01), onverwijld aan die officier van justitie doorgezonden.
## Boek Vijfde. Tenuitvoerlegging en kosten
@@ -9048,9 +9048,9 @@
##### Artikel 282a
1. De rechtbank kan, de officier van justitie gehoord, de zaak naar de politierechter verwijzen. De zaak wordt in dat geval onder aanzegging van het tijdstip op dezelfde dag verder behandeld dan wel voor bepaalde of onbepaalde tijd geschorst en op de bestaande telastlegging voor de politierechter aanhangig gemaakt door aanzegging of oproeping van de verdachte vanwege de officier van justitie tegen de dag van de nadere terechtzitting. De [artikelen 260, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=260&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [263](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=263&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [265, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=265&z=2014-07-01&g=2014-07-01), alsmede [370](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VII&artikel=370&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van toepassing.
2. De zaak wordt op de gewone wijze voortgezet, met dien verstande dat de beraadslaging bedoeld in de [artikelen 348](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=348&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [350](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=350&z=2014-07-01&g=2014-07-01) mede geschiedt naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting door de meervoudige kamer, zoals dit volgens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft plaatsgehad. [Artikel 322, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=322&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
1. De rechtbank kan, de officier van justitie gehoord, de zaak naar de politierechter verwijzen. De zaak wordt in dat geval onder aanzegging van het tijdstip op dezelfde dag verder behandeld dan wel voor bepaalde of onbepaalde tijd geschorst en op de bestaande telastlegging voor de politierechter aanhangig gemaakt door aanzegging of oproeping van de verdachte vanwege de officier van justitie tegen de dag van de nadere terechtzitting. De [artikelen 260, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=260&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [263](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=263&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [265, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=265&z=2014-11-01&g=2014-11-01), alsmede [370](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VII&artikel=370&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van toepassing.
2. De zaak wordt op de gewone wijze voortgezet, met dien verstande dat de beraadslaging bedoeld in de [artikelen 348](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=348&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [350](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=350&z=2014-11-01&g=2014-11-01) mede geschiedt naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting door de meervoudige kamer, zoals dit volgens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft plaatsgehad. [Artikel 322, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=322&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
3. Indien de politierechter deel uitmaakte van de meervoudige kamer op het moment van de verwijzing, wordt het onderzoek hervat alsof geen wijziging van samenstelling van de rechtbank heeft plaatsgevonden. In het andere geval beveelt de politierechter dat het onderzoek op de terechtzitting opnieuw wordt aangevangen, tenzij de officier van justitie en de verdachte instemmen met hervatting in de stand waarin het onderzoek zich op het tijdstip van de verwijzing bevond.
@@ -9058,7 +9058,7 @@
1. De voorzitter bepaalt in welke volgorde hij de verschenen getuigen, deskundigen en het slachtoffer of de nabestaande, zal horen. Indien hij daartoe aanleiding ziet, neemt hij maatregelen dat de verschillende procesdeelnemers naar afzonderlijke ruimten worden geleid.
2. De voorzitter draagt zorg voor een correcte bejegening van het slachtoffer, diens vertegenwoordiger op grond van [artikel 51e, zesde of zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Eerste&artikel=51e&z=2014-07-01&g=2014-07-01), of de nabestaanden.
2. De voorzitter draagt zorg voor een correcte bejegening van het slachtoffer, diens vertegenwoordiger op grond van [artikel 51e, zesde of zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Eerste&artikel=51e&z=2014-11-01&g=2014-11-01), of de nabestaanden.
##### Artikel 336
@@ -9310,7 +9310,7 @@
- b. de verdachte, nadat hij bij een eerdere gelegenheid als bedoeld in het eerste lid een adres heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden, bij een volgende gelegenheid uitdrukkelijk te kennen geeft dit adres niet te willen handhaven;
- c. de dagvaarding of oproeping inmiddels aan de verdachte in persoon dan wel aan een andere persoon als bedoeld in [artikel 588, derde lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=588&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is uitgereikt.
- c. de dagvaarding of oproeping inmiddels aan de verdachte in persoon dan wel aan een andere persoon als bedoeld in [artikel 588, derde lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=588&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is uitgereikt.
4. Bij de verzending, bedoeld in het eerste lid, wordt de voor de dagvaarding of oproeping geldende termijn in acht genomen.
@@ -9370,41 +9370,41 @@
##### Artikel 126ng
1. Een vordering als bedoeld in [artikel 126nc, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nc&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126nd, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-07-01&g=2014-07-01), of [126ne, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126ne&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [artikel 126nf, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nf&z=2014-07-01&g=2014-07-01) kan worden gericht tot de aanbieder van een communicatiedienst in de zin van [artikel 126la](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126la&z=2014-07-01&g=2014-07-01), voor zover de vordering betrekking heeft op andere gegevens dan die welke gevorderd kunnen worden door toepassing van de [artikelen 126n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126n&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [126na](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126na&z=2014-07-01&g=2014-07-01). De vordering kan geen betrekking hebben op gegevens die zijn opgeslagen in het geautomatiseerde werk van de aanbieder en niet voor deze bestemd of van deze afkomstig zijn.
2. In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-07-01&g=2014-07-01), dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert, van de aanbieder van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot gegevens als bedoeld in de laatste volzin van het eerste lid, deze gegevens vorderen, voor zover zij klaarblijkelijk van de verdachte afkomstig zijn, voor hem bestemd zijn, op hem betrekking hebben of tot het begaan van het strafbare feit hebben gediend, of klaarblijkelijk met betrekking tot die gegevens het strafbare feit is gepleegd.
3. Een vordering als bedoeld in het tweede lid kan niet worden gericht tot de verdachte. [Artikel 96a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
4. Een vordering als bedoeld in het tweede lid kan slechts worden gedaan na voorafgaande schriftelijke machtiging, op vordering van de officier van justitie te verlenen door de rechter-commissaris. [Artikel 126l, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zesde&artikel=126l&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
5. [Artikel 126nd, derde tot en met vijfde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
1. Een vordering als bedoeld in [artikel 126nc, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nc&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126nd, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-11-01&g=2014-11-01), of [126ne, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126ne&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [artikel 126nf, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nf&z=2014-11-01&g=2014-11-01) kan worden gericht tot de aanbieder van een communicatiedienst in de zin van [artikel 126la](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126la&z=2014-11-01&g=2014-11-01), voor zover de vordering betrekking heeft op andere gegevens dan die welke gevorderd kunnen worden door toepassing van de [artikelen 126n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126n&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [126na](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126na&z=2014-11-01&g=2014-11-01). De vordering kan geen betrekking hebben op gegevens die zijn opgeslagen in het geautomatiseerde werk van de aanbieder en niet voor deze bestemd of van deze afkomstig zijn.
2. In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-11-01&g=2014-11-01), dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert, van de aanbieder van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot gegevens als bedoeld in de laatste volzin van het eerste lid, deze gegevens vorderen, voor zover zij klaarblijkelijk van de verdachte afkomstig zijn, voor hem bestemd zijn, op hem betrekking hebben of tot het begaan van het strafbare feit hebben gediend, of klaarblijkelijk met betrekking tot die gegevens het strafbare feit is gepleegd.
3. Een vordering als bedoeld in het tweede lid kan niet worden gericht tot de verdachte. [Artikel 96a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
4. Een vordering als bedoeld in het tweede lid kan slechts worden gedaan na voorafgaande schriftelijke machtiging, op vordering van de officier van justitie te verlenen door de rechter-commissaris. [Artikel 126l, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zesde&artikel=126l&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
5. [Artikel 126nd, derde tot en met vijfde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 126nh
1. De officier van justitie kan, indien het belang van het onderzoek dit vordert, bij of terstond na de toepassing van [artikel 126nd, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126ne, eerste of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126ne&z=2014-07-01&g=2014-07-01), of [126nf, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nf&z=2014-07-01&g=2014-07-01), degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij kennis draagt van de wijze van versleuteling van de in deze artikelen bedoelde gegevens, bevelen medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van de gegevens door de versleuteling ongedaan te maken, dan wel deze kennis ter beschikking te stellen.
2. Het bevel wordt niet gegeven aan de verdachte. [Artikel 96a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
1. De officier van justitie kan, indien het belang van het onderzoek dit vordert, bij of terstond na de toepassing van [artikel 126nd, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126ne, eerste of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126ne&z=2014-11-01&g=2014-11-01), of [126nf, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nf&z=2014-11-01&g=2014-11-01), degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij kennis draagt van de wijze van versleuteling van de in deze artikelen bedoelde gegevens, bevelen medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van de gegevens door de versleuteling ongedaan te maken, dan wel deze kennis ter beschikking te stellen.
2. Het bevel wordt niet gegeven aan de verdachte. [Artikel 96a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
## Titel V. Bijzondere bevoegdheden tot opsporing voor het onderzoek naar het beramen of plegen van ernstige misdrijven in georganiseerd verband
##### Artikel 126ug
1. Een vordering als bedoeld in [artikel 126uc, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126uc&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126ud, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126ud&z=2014-07-01&g=2014-07-01), of [126ue, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126ue&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [artikel 126uf, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126uf&z=2014-07-01&g=2014-07-01) kan worden gericht tot de aanbieder van een openbaar of een niet-openbaar telecommunicatienetwerk, onderscheidenlijk de aanbieder van een openbare of een niet-openbare telecommunicatiedienst, voor zover de vordering betrekking heeft op andere gegevens dan die welke gevorderd kunnen worden door toepassing van de [artikelen 126u](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126u&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [126ua](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126ua&z=2014-07-01&g=2014-07-01). De vordering kan geen betrekking hebben op gegevens die zijn opgeslagen in het geautomatiseerde werk van de aanbieder en niet voor deze bestemd of van deze afkomstig zijn.
2. In een geval als bedoeld in [artikel 126o, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126o&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert, van de aanbieder van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot gegevens als bedoeld in de laatste volzin van het eerste lid, deze gegevens vorderen, voor zover zij klaarblijkelijk afkomstig zijn van een persoon ten aanzien van wie uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit dat deze betrokken is bij het in georganiseerd verband beramen of plegen van misdrijven, voor hem bestemd zijn, op hem betrekking hebben of hebben gediend tot het in dat georganiseerd verband beramen of plegen van een misdrijf, of klaarblijkelijk met betrekking tot die gegevens in dat georganiseerd verband een misdrijf wordt beraamd of gepleegd.
3. Een vordering als bedoeld in het tweede lid kan niet worden gericht tot de verdachte. [Artikel 96a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
4. Een vordering als bedoeld in het tweede lid kan slechts worden gedaan na voorafgaande schriftelijke machtiging, op vordering van de officier van justitie te verlenen door de rechter-commissaris. [Artikel 126l, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zesde&artikel=126l&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
5. [Artikel 126nd, derde tot en met vijfde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
1. Een vordering als bedoeld in [artikel 126uc, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126uc&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126ud, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126ud&z=2014-11-01&g=2014-11-01), of [126ue, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126ue&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [artikel 126uf, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126uf&z=2014-11-01&g=2014-11-01) kan worden gericht tot de aanbieder van een openbaar of een niet-openbaar telecommunicatienetwerk, onderscheidenlijk de aanbieder van een openbare of een niet-openbare telecommunicatiedienst, voor zover de vordering betrekking heeft op andere gegevens dan die welke gevorderd kunnen worden door toepassing van de [artikelen 126u](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126u&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [126ua](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126ua&z=2014-11-01&g=2014-11-01). De vordering kan geen betrekking hebben op gegevens die zijn opgeslagen in het geautomatiseerde werk van de aanbieder en niet voor deze bestemd of van deze afkomstig zijn.
2. In een geval als bedoeld in [artikel 126o, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126o&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert, van de aanbieder van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot gegevens als bedoeld in de laatste volzin van het eerste lid, deze gegevens vorderen, voor zover zij klaarblijkelijk afkomstig zijn van een persoon ten aanzien van wie uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit dat deze betrokken is bij het in georganiseerd verband beramen of plegen van misdrijven, voor hem bestemd zijn, op hem betrekking hebben of hebben gediend tot het in dat georganiseerd verband beramen of plegen van een misdrijf, of klaarblijkelijk met betrekking tot die gegevens in dat georganiseerd verband een misdrijf wordt beraamd of gepleegd.
3. Een vordering als bedoeld in het tweede lid kan niet worden gericht tot de verdachte. [Artikel 96a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
4. Een vordering als bedoeld in het tweede lid kan slechts worden gedaan na voorafgaande schriftelijke machtiging, op vordering van de officier van justitie te verlenen door de rechter-commissaris. [Artikel 126l, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zesde&artikel=126l&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
5. [Artikel 126nd, derde tot en met vijfde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 126uh
1. De officier van justitie kan, indien het belang van het onderzoek dit vordert, bij of terstond na de toepassing van [artikel 126ud, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126ud&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126ue, eerste of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126ue&z=2014-07-01&g=2014-07-01), of [126uf, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126uf&z=2014-07-01&g=2014-07-01), degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij kennis draagt van de wijze van versleuteling van de in deze artikelen bedoelde gegevens, bevelen medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van de gegevens door de versleuteling ongedaan te maken, dan wel deze kennis ter beschikking te stellen.
2. Het bevel wordt niet gegeven aan de verdachte. [Artikel 96a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
1. De officier van justitie kan, indien het belang van het onderzoek dit vordert, bij of terstond na de toepassing van [artikel 126ud, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126ud&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126ue, eerste of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126ue&z=2014-11-01&g=2014-11-01), of [126uf, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126uf&z=2014-11-01&g=2014-11-01), degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij kennis draagt van de wijze van versleuteling van de in deze artikelen bedoelde gegevens, bevelen medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van de gegevens door de versleuteling ongedaan te maken, dan wel deze kennis ter beschikking te stellen.
2. Het bevel wordt niet gegeven aan de verdachte. [Artikel 96a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
### afdeling Derde. Burgerpseudo-koop of -dienstverlening
@@ -9594,19 +9594,19 @@
##### Artikel 552ll
1. Een voor erkenning en tenuitvoerlegging vatbaar bevel wordt door de officier van justitie erkend en ten uitvoer gelegd overeenkomstig het bepaalde in [artikel 552nn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=XI&afdeling=Eerste&paragraaf=1&artikel=552nn&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
1. Een voor erkenning en tenuitvoerlegging vatbaar bevel wordt door de officier van justitie erkend en ten uitvoer gelegd overeenkomstig het bepaalde in [artikel 552nn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=XI&afdeling=Eerste&paragraaf=1&artikel=552nn&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
2. De officier van justitie kan de tenuitvoerlegging slechts weigeren indien:
- a. na verloop van de termijn, bedoeld in [artikel 552kk, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=XI&afdeling=Eerste&paragraaf=1&artikel=552kk&z=2014-07-01&g=2014-07-01), het certificaat niet is overgelegd, onvolledig is of kennelijk niet in overeenstemming is met het bevel;
- a. na verloop van de termijn, bedoeld in [artikel 552kk, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=XI&afdeling=Eerste&paragraaf=1&artikel=552kk&z=2014-11-01&g=2014-11-01), het certificaat niet is overgelegd, onvolledig is of kennelijk niet in overeenstemming is met het bevel;
- b. de erkenning en tenuitvoerlegging van het bevel onverenigbaar is met een krachtens Nederlands recht geldend voorrecht of immuniteit;
- c. de inwilliging van een verzoek als bedoeld in [artikel 552kk, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=XI&afdeling=Eerste&paragraaf=1&artikel=552kk&z=2014-07-01&g=2014-07-01), zou strekken tot het verlenen van medewerking aan een vervolging of berechting welke onverenigbaar is met het aan [artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=68) en [artikel 255, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=IV&artikel=255&z=2014-07-01&g=2014-07-01), van dit wetboek ten grondslag liggende beginsel;
- c. de inwilliging van een verzoek als bedoeld in [artikel 552kk, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=XI&afdeling=Eerste&paragraaf=1&artikel=552kk&z=2014-11-01&g=2014-11-01), zou strekken tot het verlenen van medewerking aan een vervolging of berechting welke onverenigbaar is met het aan [artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=68) en [artikel 255, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=IV&artikel=255&z=2014-11-01&g=2014-11-01), van dit wetboek ten grondslag liggende beginsel;
- d. het bevel is gegeven ten behoeve van een onderzoek, ingesteld met betrekking tot een feit dat, indien het in Nederland was begaan, naar Nederlands recht niet strafbaar zou zijn;
- e. aanstonds blijkt dat aan een verzoek als bedoeld in [artikel 552kk, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=XI&afdeling=Eerste&paragraaf=1&artikel=552kk&z=2014-07-01&g=2014-07-01), geen gevolg kan worden gegeven.
- e. aanstonds blijkt dat aan een verzoek als bedoeld in [artikel 552kk, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=XI&afdeling=Eerste&paragraaf=1&artikel=552kk&z=2014-11-01&g=2014-11-01), geen gevolg kan worden gegeven.
3. De tenuitvoerlegging van een bevel wordt niet geweigerd op grond van het tweede lid, onderdeel d, indien het feit dat ten grondslag ligt aan het bevel, is vermeld op of valt onder de daartoe bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde lijst met feiten en soorten van feiten en dat feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat wordt bedreigd met een maximale vrijheidsstraf van ten minste drie jaren.
@@ -9620,7 +9620,7 @@
- b. in het kader van een strafrechtelijk onderzoek reeds een beslissing is genomen tot inbeslagneming van het voorwerp waarop het bevel betrekking heeft;
- c. het een bevel als bedoeld in [artikel 552jj, tweede lid, onderdeel b of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=XI&afdeling=Eerste&paragraaf=1&artikel=552jj&z=2014-07-01&g=2014-07-01) betreft en in een ander kader dan bedoeld in onderdeel b reeds een beslissing is genomen tot inbeslagneming van het voorwerp waarop het bevel betrekking heeft en deze beslissing naar Nederlands recht voorrang heeft boven inbeslagneming in het kader van een strafrechtelijk onderzoek.
- c. het een bevel als bedoeld in [artikel 552jj, tweede lid, onderdeel b of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=XI&afdeling=Eerste&paragraaf=1&artikel=552jj&z=2014-11-01&g=2014-11-01) betreft en in een ander kader dan bedoeld in onderdeel b reeds een beslissing is genomen tot inbeslagneming van het voorwerp waarop het bevel betrekking heeft en deze beslissing naar Nederlands recht voorrang heeft boven inbeslagneming in het kader van een strafrechtelijk onderzoek.
2. Indien de officier van justitie de tenuitvoerlegging opschort, geeft hij hiervan onverwijld schriftelijk kennis aan de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat, onder vermelding van de gronden en zo mogelijk van de verwachte duur van de opschorting.
@@ -9630,15 +9630,15 @@
##### Artikel 552nn
1. De tenuitvoerlegging van het bevel tot inbeslagneming geschiedt in opdracht van de officier van justitie of de rechter-commissaris met overeenkomstige toepassing van de [derde afdeling van titel IV van het Eerste Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&z=2014-07-01&g=2014-07-01), tenzij in deze titel anders is bepaald.
1. De tenuitvoerlegging van het bevel tot inbeslagneming geschiedt in opdracht van de officier van justitie of de rechter-commissaris met overeenkomstige toepassing van de [derde afdeling van titel IV van het Eerste Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&z=2014-11-01&g=2014-11-01), tenzij in deze titel anders is bepaald.
2. De officier van justitie neemt bij de tenuitvoerlegging van het bevel zo veel mogelijk de door de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat in het bevel aangegeven vormvereisten in acht, zulks voorzover niet strijdig met de grondbeginselen van het Nederlandse recht.
3. Indien de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat de plaats waar het in beslag te nemen voorwerp zich bevindt onvoldoende nauwkeurig hebben aangegeven, verzoekt de officier van justitie deze autoriteiten om aanvullende inlichtingen.
4. Indien voor de uitvoering van het bevel gebruikmaking van andere strafvorderlijke bevoegdheden is vereist, kunnen deze bevoegdheden niet worden toegepast anders dan overeenkomstig [artikel 552o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Eerste&artikel=552o&z=2014-07-01&g=2014-07-01) van dit wetboek onderscheidenlijk [artikel 13a van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004028&artikel=13a).
5. [Artikel 117, eerste tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=117&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de machtiging, bedoeld in het eerste lid, niet wordt verleend dan na overleg met de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat.
4. Indien voor de uitvoering van het bevel gebruikmaking van andere strafvorderlijke bevoegdheden is vereist, kunnen deze bevoegdheden niet worden toegepast anders dan overeenkomstig [artikel 552o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Eerste&artikel=552o&z=2014-11-01&g=2014-11-01) van dit wetboek onderscheidenlijk [artikel 13a van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004028&artikel=13a).
5. [Artikel 117, eerste tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=4&artikel=117&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de machtiging, bedoeld in het eerste lid, niet wordt verleend dan na overleg met de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat.
6. De officier van justitie zendt de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat onverwijld een schriftelijke kennisgeving, indien:
@@ -9650,13 +9650,13 @@
##### Artikel 552oo
1. De [artikelen 552a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [552c tot en met 552d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552c&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [552e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552e&z=2014-07-01&g=2014-07-01), zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de rechter niet treedt in een onderzoek naar de grondslag van het bevel.
1. De [artikelen 552a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [552c tot en met 552d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552c&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [552e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552e&z=2014-11-01&g=2014-11-01), zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de rechter niet treedt in een onderzoek naar de grondslag van het bevel.
2. Indien een klaagschrift is ingediend of een rechtsgeding aanhangig is gemaakt, stelt de officier van justitie de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat hiervan onverwijld in kennis, onder vermelding van de gronden van het klaagschrift onderscheidenlijk het rechtsgeding. Zodra de rechter op het klaagschrift onderscheidenlijk het rechtsgeding heeft beslist, worden de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat van de beslissing in kennis gesteld.
##### Artikel 552pp
1. Het beslag duurt ten minste voort totdat een beslissing is genomen op het verzoek, bedoeld in [artikel 552kk, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=XI&afdeling=Eerste&paragraaf=1&artikel=552kk&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en deze beslissing is uitgevoerd, tenzij
1. Het beslag duurt ten minste voort totdat een beslissing is genomen op het verzoek, bedoeld in [artikel 552kk, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=XI&afdeling=Eerste&paragraaf=1&artikel=552kk&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en deze beslissing is uitgevoerd, tenzij
- a. het beslag reeds is beëindigd als gevolg van een door de rechter gegeven last;
@@ -9668,15 +9668,15 @@
##### Artikel 552qq
1. De officier van justitie willigt een verzoek als bedoeld in [artikel 552kk, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=XI&afdeling=Eerste&paragraaf=1&artikel=552kk&z=2014-07-01&g=2014-07-01), in, voorzover de rechtbank, met inachtneming van het toepasselijke verdrag, daartoe verlof verleent. [Artikel 552ll, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=XI&afdeling=Eerste&paragraaf=1&artikel=552ll&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
1. De officier van justitie willigt een verzoek als bedoeld in [artikel 552kk, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=XI&afdeling=Eerste&paragraaf=1&artikel=552kk&z=2014-11-01&g=2014-11-01), in, voorzover de rechtbank, met inachtneming van het toepasselijke verdrag, daartoe verlof verleent. [Artikel 552ll, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=XI&afdeling=Eerste&paragraaf=1&artikel=552ll&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
2. Tenzij aannemelijk is dat de rechthebbende op de in beslag genomen voorwerpen niet in Nederland verblijf houdt, wordt het krachtens het eerste lid vereiste verlof slechts verleend onder het voorbehoud dat bij de afgifte aan de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat wordt bedongen, dat de voorwerpen zullen worden teruggezonden zodra daarvan het voor de strafvordering nodige gebruik is gemaakt.
3. De [artikelen 552a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [552ca](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552ca&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [552d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552d&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [552e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552e&z=2014-07-01&g=2014-07-01), zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het klaagschrift wordt ingediend bij de griffie van de rechtbank die bevoegd is tot het verlenen van het krachtens het eerste lid vereiste verlof.
3. De [artikelen 552a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [552ca](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552ca&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [552d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552d&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [552e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552e&z=2014-11-01&g=2014-11-01), zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het klaagschrift wordt ingediend bij de griffie van de rechtbank die bevoegd is tot het verlenen van het krachtens het eerste lid vereiste verlof.
##### Artikel 552rr
De officier van justitie kan een bevel uitvaardigen strekkende tot inbeslagneming als bedoeld in [artikel 94, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94&z=2014-07-01&g=2014-07-01), of [artikel 94a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), van voorwerpen welke zich bevinden op het grondgebied van een andere lidstaat van de Europese Unie, en dit bevel zenden aan de autoriteiten van die andere lidstaat met het oog op de erkenning en tenuitvoerlegging ervan in die lidstaat.
De officier van justitie kan een bevel uitvaardigen strekkende tot inbeslagneming als bedoeld in [artikel 94, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94&z=2014-11-01&g=2014-11-01), of [artikel 94a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), van voorwerpen welke zich bevinden op het grondgebied van een andere lidstaat van de Europese Unie, en dit bevel zenden aan de autoriteiten van die andere lidstaat met het oog op de erkenning en tenuitvoerlegging ervan in die lidstaat.
##### Artikel 552ss
@@ -9704,7 +9704,7 @@
##### Artikel 552uu
1. De belanghebbenden kunnen zich schriftelijk beklagen over het uitvaardigen van het bevel. De [artikelen 552a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [552d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552d&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het klaagschrift wordt ingediend bij de griffie van de rechtbank in het arrondissement, binnen hetwelk de officier van justitie het bevel heeft uitgevaardigd.
1. De belanghebbenden kunnen zich schriftelijk beklagen over het uitvaardigen van het bevel. De [artikelen 552a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [552d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552d&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het klaagschrift wordt ingediend bij de griffie van de rechtbank in het arrondissement, binnen hetwelk de officier van justitie het bevel heeft uitgevaardigd.
2. Indien de rechter het beklag gegrond acht, trekt de officier van justitie het bevel onmiddellijk in en stelt deze de autoriteiten van de uitvoerende lidstaat hiervan onverwijld in kennis.
@@ -9738,7 +9738,7 @@
##### Artikel 226g
1. De officier van justitie geeft aan de rechter-commissaris kennis van de afspraak die hij voornemens is te maken met een verdachte die bereid is een getuigenverklaring af te leggen in de strafzaak tegen een andere verdachte in ruil voor de toezegging dat bij de vervolging in zijn eigen strafzaak strafvermindering met toepassing van [artikel 44a van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=44a) zal worden gevorderd. De afspraak heeft uitsluitend betrekking op het afleggen van een getuigenverklaring in het kader van een opsporingsonderzoek naar misdrijven, als omschreven in [artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-07-01&g=2014-07-01) die gepleegd zijn in georganiseerd verband en gezien hun aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren of naar misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld. De afspraak heeft uitsluitend betrekking op strafvermindering als bedoeld in [artikel 44a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=44a).
1. De officier van justitie geeft aan de rechter-commissaris kennis van de afspraak die hij voornemens is te maken met een verdachte die bereid is een getuigenverklaring af te leggen in de strafzaak tegen een andere verdachte in ruil voor de toezegging dat bij de vervolging in zijn eigen strafzaak strafvermindering met toepassing van [artikel 44a van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=44a) zal worden gevorderd. De afspraak heeft uitsluitend betrekking op het afleggen van een getuigenverklaring in het kader van een opsporingsonderzoek naar misdrijven, als omschreven in [artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-11-01&g=2014-11-01) die gepleegd zijn in georganiseerd verband en gezien hun aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren of naar misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld. De afspraak heeft uitsluitend betrekking op strafvermindering als bedoeld in [artikel 44a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=44a).
2. De voorgenomen afspraak is op schrift gesteld en bevat een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van:
@@ -9756,17 +9756,17 @@
##### Artikel 226h
1. De getuige die met de officier van justitie overlegt over het maken van een afspraak op de voet van [artikel 226g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_B&artikel=226g&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan zich laten bijstaan door een advocaat. Aan de getuige die nog geen rechtsbijstand heeft, wordt een advocaat toegevoegd. De toevoeging geschiedt op last van de rechter-commissaris door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand.
2. De rechter-commissaris hoort de getuige, bedoeld in [artikel 226g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_B&artikel=226g&z=2014-07-01&g=2014-07-01), eerste lid, over de voorgenomen afspraak.
1. De getuige die met de officier van justitie overlegt over het maken van een afspraak op de voet van [artikel 226g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_B&artikel=226g&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan zich laten bijstaan door een advocaat. Aan de getuige die nog geen rechtsbijstand heeft, wordt een advocaat toegevoegd. De toevoeging geschiedt op last van de rechter-commissaris door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand.
2. De rechter-commissaris hoort de getuige, bedoeld in [artikel 226g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_B&artikel=226g&z=2014-11-01&g=2014-11-01), eerste lid, over de voorgenomen afspraak.
3. De rechter-commissaris beoordeelt de rechtmatigheid van de afspraak; hij houdt daarbij rekening met de dringende noodzaak en met het belang van het verkrijgen van de door de getuige af te leggen verklaring. Hij geeft tevens een oordeel over de betrouwbaarheid van de getuige. Hij legt zijn oordeel neer in een beschikking. Indien hij de afspraak rechtmatig oordeelt, komt deze tot stand.
4. De officier van justitie voegt de processen-verbaal en andere voorwerpen waaraan gegevens kunnen worden ontleend die zijn verkregen door het maken van een afspraak als bedoeld in [artikel 226g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_B&artikel=226g&z=2014-07-01&g=2014-07-01) niet bij de processtukken voordat de rechter-commissaris de afspraak rechtmatig heeft geoordeeld.
4. De officier van justitie voegt de processen-verbaal en andere voorwerpen waaraan gegevens kunnen worden ontleend die zijn verkregen door het maken van een afspraak als bedoeld in [artikel 226g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_B&artikel=226g&z=2014-11-01&g=2014-11-01) niet bij de processtukken voordat de rechter-commissaris de afspraak rechtmatig heeft geoordeeld.
##### Artikel 226i
1. De beschikking van de rechter-commissaris op grond van [artikel 226h, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_B&artikel=226h&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend en wordt onverwijld schriftelijk ter kennis gebracht van de officier van justitie en de getuige.
1. De beschikking van de rechter-commissaris op grond van [artikel 226h, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_B&artikel=226h&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend en wordt onverwijld schriftelijk ter kennis gebracht van de officier van justitie en de getuige.
2. Tegen de beschikking van de rechter-commissaris waarin de voorgenomen afspraak niet rechtmatig wordt geoordeeld, staat voor de officier van justitie binnen veertien dagen na dagtekening van de beschikking hoger beroep open bij de rechtbank. De rechtbank beslist zo spoedig mogelijk.
@@ -9774,25 +9774,25 @@
##### Artikel 226j
1. Nadat de afspraak rechtmatig is geoordeeld wordt de getuige bedoeld in [artikel 226g, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_B&artikel=226g&z=2014-07-01&g=2014-07-01), door de rechter-commissaris gehoord.
2. Deze getuige kan niet worden gehoord met toepassing van de [artikelen 226a tot en met 226f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_A&artikel=226a&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
3. Zodra het belang van het onderzoek dat toelaat, geeft de rechter-commissaris van het totstandkomen van de afspraak en de inhoud daarvan kennis aan de verdachte, te wiens laste de verklaring is afgelegd, met dien verstande dat geen mededeling behoeft te worden gedaan van de maatregelen, bedoeld in [artikel 226l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_D&artikel=226l&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
1. Nadat de afspraak rechtmatig is geoordeeld wordt de getuige bedoeld in [artikel 226g, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_B&artikel=226g&z=2014-11-01&g=2014-11-01), door de rechter-commissaris gehoord.
2. Deze getuige kan niet worden gehoord met toepassing van de [artikelen 226a tot en met 226f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_A&artikel=226a&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
3. Zodra het belang van het onderzoek dat toelaat, geeft de rechter-commissaris van het totstandkomen van de afspraak en de inhoud daarvan kennis aan de verdachte, te wiens laste de verklaring is afgelegd, met dien verstande dat geen mededeling behoeft te worden gedaan van de maatregelen, bedoeld in [artikel 226l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_D&artikel=226l&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
4. De rechter-commissaris kan in het belang van het onderzoek ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de getuige bevelen dat de identiteit van de getuige voor een bepaalde termijn voor de verdachte verborgen wordt gehouden. Het bevel wordt voor de beëindiging van het onderzoek door de rechter-commissaris opgeheven.
##### Artikel 226k
1. De [artikelen 226g tot en met 226j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_B&artikel=226g&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing indien de officier van justitie voornemens is een afspraak te maken met een veroordeelde die bereid is een getuigenverklaring af te leggen, in ruil voor de toezegging van de officier van justitie dat deze bij de indiening van een verzoekschrift om gratie een positief advies tot vermindering van de opgelegde straf met maximaal de helft zal uitbrengen. De voorwaarden voor het uitbrengen van een positief advies zijn dezelfde als genoemd in [artikel 44a van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=44a) voor het vorderen en toepassen van strafvermindering.
2. Bij het op schrift stellen van de voorgenomen afspraak geldt niet het vereiste genoemd in [artikel 226g, tweede lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_B&artikel=226g&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
1. De [artikelen 226g tot en met 226j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_B&artikel=226g&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van overeenkomstige toepassing indien de officier van justitie voornemens is een afspraak te maken met een veroordeelde die bereid is een getuigenverklaring af te leggen, in ruil voor de toezegging van de officier van justitie dat deze bij de indiening van een verzoekschrift om gratie een positief advies tot vermindering van de opgelegde straf met maximaal de helft zal uitbrengen. De voorwaarden voor het uitbrengen van een positief advies zijn dezelfde als genoemd in [artikel 44a van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=44a) voor het vorderen en toepassen van strafvermindering.
2. Bij het op schrift stellen van de voorgenomen afspraak geldt niet het vereiste genoemd in [artikel 226g, tweede lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_B&artikel=226g&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
### Vierde afdeling B. Toezeggingen aan getuigen die tevens verdachte zijn
##### Artikel 226l
1. Onze Minister van Veiligheid en Justitie kan op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze specifieke maatregelen treffen voor de feitelijke bescherming van getuigen, bedoeld in de [artikelen 226a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_A&artikel=226a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [226g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_B&artikel=226g&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [226k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_C&artikel=226k&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [226m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_E&artikel=226m&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
1. Onze Minister van Veiligheid en Justitie kan op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze specifieke maatregelen treffen voor de feitelijke bescherming van getuigen, bedoeld in de [artikelen 226a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_A&artikel=226a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [226g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_B&artikel=226g&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [226k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_C&artikel=226k&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [226m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_E&artikel=226m&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een persoon die medewerking heeft verleend aan de met opsporing en vervolging van strafbare feiten belaste autoriteiten, voor zover daartoe een dringende noodzaak is ontstaan als gevolg van die medewerking en daarmee verband houdend overheidsoptreden.
@@ -9936,19 +9936,19 @@
##### Artikel 126ma
1. Indien bij de afgifte van een bevel als bedoeld in [artikel 126m, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126m&z=2014-07-01&g=2014-07-01), bekend is dat de gebruiker van het nummer, bedoeld in [artikel 126m, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126m&z=2014-07-01&g=2014-07-01), zich op het grondgebied van een andere staat bevindt, wordt, voor zover een verdrag dit voorschrijft en met toepassing van dat verdrag, die andere staat van het voornemen tot het opnemen van telecommunicatie in kennis gesteld en de instemming van die staat verworven voordat het bevel ten uitvoer wordt gelegd.
1. Indien bij de afgifte van een bevel als bedoeld in [artikel 126m, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126m&z=2014-11-01&g=2014-11-01), bekend is dat de gebruiker van het nummer, bedoeld in [artikel 126m, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126m&z=2014-11-01&g=2014-11-01), zich op het grondgebied van een andere staat bevindt, wordt, voor zover een verdrag dit voorschrijft en met toepassing van dat verdrag, die andere staat van het voornemen tot het opnemen van telecommunicatie in kennis gesteld en de instemming van die staat verworven voordat het bevel ten uitvoer wordt gelegd.
2. Indien na aanvang van het opnemen van de telecommunicatie op grond van het bevel bekend wordt dat de gebruiker zich op het grondgebied van een andere staat bevindt, wordt, voor zover een verdrag dit voorschrijft en met toepassing van dat verdrag, die andere staat van het opnemen van telecommunicatie in kennis gesteld en de instemming van die staat verworven.
3. De officier van justite kan een bevel als bedoeld in [artikel 126m, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126m&z=2014-07-01&g=2014-07-01), eveneens geven, indien het bestaan van het bevel noodzakelijk is om een andere staat te kunnen verzoeken telecommunicatie met een technisch hulpmiddel op te nemen of telecommunicatie af te tappen en rechtstreeks naar Nederland door te geleiden ter fine van opname met een technisch hulpmiddel in Nederland.
3. De officier van justite kan een bevel als bedoeld in [artikel 126m, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126m&z=2014-11-01&g=2014-11-01), eveneens geven, indien het bestaan van het bevel noodzakelijk is om een andere staat te kunnen verzoeken telecommunicatie met een technisch hulpmiddel op te nemen of telecommunicatie af te tappen en rechtstreeks naar Nederland door te geleiden ter fine van opname met een technisch hulpmiddel in Nederland.
### afdeling Tweede. Infiltratie
##### Artikel 126ni
1. In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-07-01&g=2014-07-01), dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert, van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot bepaalde gegevens die ten tijde van de vordering zijn opgeslagen in een geautomatiseerd werk en waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij in het bijzonder vatbaar zijn voor verlies of wijziging, vorderen dat deze gegevens gedurende een periode van ten hoogste negentig dagen worden bewaard en beschikbaar gehouden. De vordering kan niet worden gericht tot de verdachte.
2. Indien de vordering is gericht tot de aanbieder van een communicatiedienst in de zin van [artikel 126la](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126la&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en de vordering betrekking of mede betrekking heeft op gegevens als bedoeld in [artikel 126n, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126n&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is de aanbieder verplicht zo spoedig mogelijk de gegevens te verschaffen die nodig zijn om de identiteit te achterhalen van andere aanbieders van wier dienst bij de communicatie gebruik is gemaakt.
1. In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-11-01&g=2014-11-01), dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert, van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot bepaalde gegevens die ten tijde van de vordering zijn opgeslagen in een geautomatiseerd werk en waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij in het bijzonder vatbaar zijn voor verlies of wijziging, vorderen dat deze gegevens gedurende een periode van ten hoogste negentig dagen worden bewaard en beschikbaar gehouden. De vordering kan niet worden gericht tot de verdachte.
2. Indien de vordering is gericht tot de aanbieder van een communicatiedienst in de zin van [artikel 126la](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126la&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en de vordering betrekking of mede betrekking heeft op gegevens als bedoeld in [artikel 126n, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126n&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is de aanbieder verplicht zo spoedig mogelijk de gegevens te verschaffen die nodig zijn om de identiteit te achterhalen van andere aanbieders van wier dienst bij de communicatie gebruik is gemaakt.
3. De vordering wordt schriftelijk of mondeling gedaan. Indien de vordering mondeling wordt gedaan, doet de officier van justitie de vordering zo spoedig mogelijk op schrift stellen en doet hij binnen drie dagen nadat de vordering mondeling is gedaan, een gewaarmerkt afschrift daarvan verstrekken aan degene tot wie de vordering is gericht. Bij de vordering en bij het op schrift stellen daarvan worden vermeld:
@@ -9976,17 +9976,17 @@
##### Artikel 126ta
1. Indien bij de afgifte van een bevel als bedoeld in [artikel 126t, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126t&z=2014-07-01&g=2014-07-01), bekend is dat de gebruiker van het nummer, bedoeld in [artikel 126t, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126t&z=2014-07-01&g=2014-07-01), zich op het grondgebied van een andere staat bevindt, wordt, voor zover een verdrag dit voorschrijft en met toepassing van dat verdrag, die andere staat van het voornemen tot het opnemen van telecommunicatie in kennis gesteld en de instemming van die staat verworven voordat het bevel ten uitvoer wordt gelegd.
1. Indien bij de afgifte van een bevel als bedoeld in [artikel 126t, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126t&z=2014-11-01&g=2014-11-01), bekend is dat de gebruiker van het nummer, bedoeld in [artikel 126t, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126t&z=2014-11-01&g=2014-11-01), zich op het grondgebied van een andere staat bevindt, wordt, voor zover een verdrag dit voorschrijft en met toepassing van dat verdrag, die andere staat van het voornemen tot het opnemen van telecommunicatie in kennis gesteld en de instemming van die staat verworven voordat het bevel ten uitvoer wordt gelegd.
2. Indien na aanvang van het opnemen van de telecommunicatie op grond van het bevel bekend wordt dat de gebruiker zich op het grondgebied van een andere staat bevindt, wordt, voor zover een verdrag dit voorschrijft en met toepassing van dat verdrag, die andere staat van het opnemen van telecommunicatie in kennis gesteld en de instemming van die staat verworven.
3. De officier van justitie kan een bevel als bedoeld in [artikel 126t, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126t&z=2014-07-01&g=2014-07-01), eveneens geven, indien het bestaan van het bevel noodzakelijk is om een andere staat te kunnen verzoeken telecommunicatie met een technisch hulpmiddel op te nemen of telecommunicatie af te tappen en rechtstreeks naar Nederland door te geleiden ter fine van opname met een technisch hulpmiddel in Nederland.
3. De officier van justitie kan een bevel als bedoeld in [artikel 126t, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126t&z=2014-11-01&g=2014-11-01), eveneens geven, indien het bestaan van het bevel noodzakelijk is om een andere staat te kunnen verzoeken telecommunicatie met een technisch hulpmiddel op te nemen of telecommunicatie af te tappen en rechtstreeks naar Nederland door te geleiden ter fine van opname met een technisch hulpmiddel in Nederland.
##### Artikel 126ui
1. In een geval als bedoeld in [artikel 126o, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126o&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert, van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot bepaalde gegevens die ten tijde van de vordering zijn opgeslagen in een geautomatiseerd werk en waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij in het bijzonder vatbaar zijn voor verlies of wijziging, vorderen dat deze gegevens gedurende een periode van ten hoogste negentig dagen worden bewaard en beschikbaar gehouden. De vordering kan niet worden gericht tot de verdachte.
2. [Artikel 126ni, tweede tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126ni&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat bij de in [artikel 126ni, vierde lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126ni&z=2014-07-01&g=2014-07-01), bedoelde feiten en omstandigheden ook een omschrijving van het in [artikel 126o, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126o&z=2014-07-01&g=2014-07-01), bedoelde georganiseerde verband wordt opgenomen.
1. In een geval als bedoeld in [artikel 126o, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126o&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert, van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot bepaalde gegevens die ten tijde van de vordering zijn opgeslagen in een geautomatiseerd werk en waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij in het bijzonder vatbaar zijn voor verlies of wijziging, vorderen dat deze gegevens gedurende een periode van ten hoogste negentig dagen worden bewaard en beschikbaar gehouden. De vordering kan niet worden gericht tot de verdachte.
2. [Artikel 126ni, tweede tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126ni&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat bij de in [artikel 126ni, vierde lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126ni&z=2014-11-01&g=2014-11-01), bedoelde feiten en omstandigheden ook een omschrijving van het in [artikel 126o, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=V&artikel=126o&z=2014-11-01&g=2014-11-01), bedoelde georganiseerde verband wordt opgenomen.
## Titel VA. Bijstand aan opsporing door burgers
@@ -10042,7 +10042,7 @@
##### Artikel 255a
1. Indien tegen de verdachte een strafbeschikking is uitgevaardigd die volledig ten uitvoer is gelegd, kan hij, behoudens het bepaalde bij [artikel 12i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=12i&z=2014-07-01&g=2014-07-01), ter zake van hetzelfde feit niet opnieuw in rechten worden betrokken.
1. Indien tegen de verdachte een strafbeschikking is uitgevaardigd die volledig ten uitvoer is gelegd, kan hij, behoudens het bepaalde bij [artikel 12i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Vierde&artikel=12i&z=2014-11-01&g=2014-11-01), ter zake van hetzelfde feit niet opnieuw in rechten worden betrokken.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien de officier van justitie een strafbeschikking intrekt.
@@ -10066,7 +10066,7 @@
##### Artikel 354
1. In de gevallen, bedoeld in [artikel 353, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=353&z=2014-07-01&g=2014-07-01), neemt de rechtbank tevens een beslissing over de met toepassing van [artikel 125o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Zevende&artikel=125o&z=2014-07-01&g=2014-07-01) ontoegankelijk gemaakte gegevens indien de desbetreffende maatregelen nog niet zijn opgeheven.
1. In de gevallen, bedoeld in [artikel 353, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=353&z=2014-11-01&g=2014-11-01), neemt de rechtbank tevens een beslissing over de met toepassing van [artikel 125o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Zevende&artikel=125o&z=2014-11-01&g=2014-11-01) ontoegankelijk gemaakte gegevens indien de desbetreffende maatregelen nog niet zijn opgeheven.
2. De rechtbank kan gelasten dat de gegevens worden vernietigd indien het gegevens betreft met betrekking tot welke of met behulp waarvan een strafbaar feit is begaan, voor zover de vernietiging noodzakelijk is ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten. In alle andere gevallen gelast zij dat de gegevens weer ter beschikking van de beheerder van het geautomatiseerd werk worden gesteld.
@@ -10126,11 +10126,11 @@
##### Artikel 552fa
1. Bij een afzonderlijke rechterlijke beschikking op vordering van de officier van justitie kan worden gelast dat de met toepassing van [artikel 125o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Zevende&artikel=125o&z=2014-07-01&g=2014-07-01) ontoegankelijk gemaakte gegevens worden vernietigd indien het gegevens betreft met betrekking tot welke of met behulp waarvan een strafbaar feit is begaan, voor zover de vernietiging noodzakelijk is ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten.
1. Bij een afzonderlijke rechterlijke beschikking op vordering van de officier van justitie kan worden gelast dat de met toepassing van [artikel 125o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Zevende&artikel=125o&z=2014-11-01&g=2014-11-01) ontoegankelijk gemaakte gegevens worden vernietigd indien het gegevens betreft met betrekking tot welke of met behulp waarvan een strafbaar feit is begaan, voor zover de vernietiging noodzakelijk is ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten.
2. Aan de beheerder van het geautomatiseerd werk waarin de gegevens zijn of waren opgeslagen wordt een afschrift van de vordering betekend.
3. [Artikel 552f, eerste, vierde, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552f&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
3. [Artikel 552f, eerste, vierde, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552f&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
4. Indien het gerecht de vordering afwijst, gelast het dat de gegevens weer ter beschikking van de beheerder van het geautomatiseerd werk worden gesteld.
@@ -10176,7 +10176,7 @@
##### Artikel 136d
Onder afgeschermde getuige wordt verstaan een getuige die door de rechter op grond van [artikel 226m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_E&artikel=226m&z=2014-07-01&g=2014-07-01) als zodanig is aangemerkt.
Onder afgeschermde getuige wordt verstaan een getuige die door de rechter op grond van [artikel 226m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_E&artikel=226m&z=2014-11-01&g=2014-11-01) als zodanig is aangemerkt.
## Boek Tweede. Strafvordering in eersten aanleg
@@ -10218,7 +10218,7 @@
1. De rechter-commissaris beveelt hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte of van de getuige, dat ter gelegenheid van het verhoor van de afgeschermde getuige diens identiteit verborgen wordt gehouden, indien een zwaarwegend belang van de getuige of een ander dan wel het belang van de staatsveiligheid dat vereist. In dat geval stelt hij zich voorafgaand aan het verhoor van de afgeschermde getuige op de hoogte van diens identiteit en vermeldt hij in het proces-verbaal dit te hebben gedaan.
2. De getuige wordt overeenkomstig [artikel 216](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=216&z=2014-07-01&g=2014-07-01) beëdigd of aangemaand.
2. De getuige wordt overeenkomstig [artikel 216](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=216&z=2014-11-01&g=2014-11-01) beëdigd of aangemaand.
3. Indien de rechter-commissaris het in het eerste lid omschreven bevel geeft, hoort hij de afgeschermde getuige op een zodanige wijze dat zijn identiteit verborgen blijft.
@@ -10228,15 +10228,15 @@
##### Artikel 226p
1. Indien een belang als bedoeld in [artikel 226n, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_E&artikel=226n&z=2014-07-01&g=2014-07-01), dat vereist, kan de rechter-commissaris bepalen dat de verdachte of diens raadsman dan wel beiden het verhoor van de afgeschermde getuige niet mogen bijwonen. In het laatste geval is ook de officier van justitie niet bevoegd daarbij aanwezig te zijn.
2. De rechter-commissaris draagt er zorg voor dat het proces-verbaal van verhoor van de afgeschermde getuige geen verklaring bevat die strijdig is met een belang als bedoeld in [artikel 226n, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_E&artikel=226n&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
1. Indien een belang als bedoeld in [artikel 226n, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_E&artikel=226n&z=2014-11-01&g=2014-11-01), dat vereist, kan de rechter-commissaris bepalen dat de verdachte of diens raadsman dan wel beiden het verhoor van de afgeschermde getuige niet mogen bijwonen. In het laatste geval is ook de officier van justitie niet bevoegd daarbij aanwezig te zijn.
2. De rechter-commissaris draagt er zorg voor dat het proces-verbaal van verhoor van de afgeschermde getuige geen verklaring bevat die strijdig is met een belang als bedoeld in [artikel 226n, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_E&artikel=226n&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
3. De rechter-commissaris verstrekt, indien de getuige daarmee instemt, het proces-verbaal aan de officier van justitie, de verdachte alsmede diens raadsman. De getuige kan zijn instemming slechts onthouden indien het belang van de staatsveiligheid dit vereist. In geval de getuige zijn instemming onthoudt, draagt de rechter-commissaris er zorg voor dat het proces-verbaal van verhoor en alle andere gegevens betreffende het verhoor onverwijld worden vernietigd. De rechter-commissaris maakt hiervan proces-verbaal op.
4. De rechter-commissaris biedt de officier van justitie, de verdachte of diens raadsman, indien deze het verhoor van de getuige niet heeft bijgewoond, de gelegenheid door middel van telecommunicatie of, indien zulks zich niet verdraagt met een belang als bedoeld in het eerste lid, schriftelijk de vragen op te geven, die hij gesteld wenst te zien. Tenzij het belang van het onderzoek geen uitstel van het verhoor gedoogt, kunnen vragen reeds voor de aanvang van het verhoor worden opgegeven.
5. [Artikel 226d, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_A&artikel=226d&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
5. [Artikel 226d, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_A&artikel=226d&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 226q
@@ -10244,15 +10244,15 @@
##### Artikel 226r
1. De rechter-commissaris neemt, indien hij het in [artikel 226n, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_E&artikel=226n&z=2014-07-01&g=2014-07-01), omschreven bevel geeft, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van de officier van justitie, de maatregelen die redelijkerwijs nodig zijn om de identiteit van de afgeschermde getuige en de persoon ten aanzien van wie een verzoek of een vordering als bedoeld in [artikel 226n, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_E&artikel=226n&z=2014-07-01&g=2014-07-01), wordt gedaan, verborgen te houden.
2. [Artikel 226f, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_A&artikel=226f&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
1. De rechter-commissaris neemt, indien hij het in [artikel 226n, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_E&artikel=226n&z=2014-11-01&g=2014-11-01), omschreven bevel geeft, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van de officier van justitie, de maatregelen die redelijkerwijs nodig zijn om de identiteit van de afgeschermde getuige en de persoon ten aanzien van wie een verzoek of een vordering als bedoeld in [artikel 226n, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_E&artikel=226n&z=2014-11-01&g=2014-11-01), wordt gedaan, verborgen te houden.
2. [Artikel 226f, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_A&artikel=226f&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 226s
1. De rechter-commissaris voegt, indien de afgeschermde getuige daarmee instemt, het proces-verbaal van verhoor bij de processtukken.
2. [Artikel 226p, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_E&artikel=226p&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is, behoudens de eerste volzin, van overeenkomstige toepassing.
2. [Artikel 226p, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde_E&artikel=226p&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is, behoudens de eerste volzin, van overeenkomstige toepassing.
### afdeeling Vijfde. Deskundigen
@@ -10546,7 +10546,7 @@
##### Artikel 126zc
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen personen in de openbare dienst van een vreemde staat die voldoen aan daarin te stellen eisen voor de toepassing van de bevoegdheden van [artikel 126zd, eerste lid, onder a, b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Tweede&artikel=126zd&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [artikel 126ze](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Tweede&artikel=126ze&z=2014-07-01&g=2014-07-01) met een opsporingsambtenaar gelijk worden gesteld.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen personen in de openbare dienst van een vreemde staat die voldoen aan daarin te stellen eisen voor de toepassing van de bevoegdheden van [artikel 126zd, eerste lid, onder a, b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Tweede&artikel=126zd&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [artikel 126ze](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Tweede&artikel=126ze&z=2014-11-01&g=2014-11-01) met een opsporingsambtenaar gelijk worden gesteld.
##### Artikel 126zd
@@ -10572,9 +10572,9 @@
1. In geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf kan de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, bevelen dat een opsporingsambtenaar deelneemt of medewerking verleent aan een groep van personen ten aanzien waarvan aanwijzingen bestaan dat daarbinnen een terroristisch misdrijf wordt beraamd of gepleegd.
2. [Artikel 126h, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Tweede&artikel=126h&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
3. Het bevel vermeldt, behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 126za](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Eerste&artikel=126za&z=2014-07-01&g=2014-07-01), tevens:
2. [Artikel 126h, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Tweede&artikel=126h&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
3. Het bevel vermeldt, behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 126za](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Eerste&artikel=126za&z=2014-11-01&g=2014-11-01), tevens:
- a. een omschrijving van de groep van personen;
@@ -10588,7 +10588,7 @@
2. De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek bepalen dat ter uitvoering van het bevel een besloten plaats, niet zijnde een woning, wordt betreden zonder toestemming van de rechthebbende. Hij kan, na uitdrukkelijke op zijn vordering door de rechter-commissaris verleende machtiging, bepalen dat ter uitvoering van het bevel een woning zonder toestemming van de rechthebbende wordt betreden, indien het onderzoek dit dringend vordert. [Artikel 2, eerste lid, laatste volzin, van de Algemene wet op het binnentreden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006763&artikel=2) is niet van toepassing.
3. Het bevel vermeldt, behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 126za](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Eerste&artikel=126za&z=2014-07-01&g=2014-07-01), tevens:
3. Het bevel vermeldt, behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 126za](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Eerste&artikel=126za&z=2014-11-01&g=2014-11-01), tevens:
- a. ten minste een van de personen die aan de communicatie deelnemen dan wel, indien het bevel communicatie betreft op een besloten plaats of in een vervoermiddel, een van de personen die aan de communicatie deelnemen of een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van die plaats of dat vervoermiddel;
@@ -10602,9 +10602,9 @@
##### Artikel 126zg
1. In geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf kan de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, aan een opsporingsambtenaar bevelen dat met een technisch hulpmiddel niet voor het publiek bestemde communicatie die plaatsvindt met gebruikmaking van diensten van een aanbieder van een communicatie in de zin van [artikel 126la](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126la&z=2014-07-01&g=2014-07-01), wordt opgenomen.
2. Het bevel vermeldt, behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 126za](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Eerste&artikel=126za&z=2014-07-01&g=2014-07-01), tevens:
1. In geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf kan de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, aan een opsporingsambtenaar bevelen dat met een technisch hulpmiddel niet voor het publiek bestemde communicatie die plaatsvindt met gebruikmaking van diensten van een aanbieder van een communicatie in de zin van [artikel 126la](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126la&z=2014-11-01&g=2014-11-01), wordt opgenomen.
2. Het bevel vermeldt, behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 126za](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Eerste&artikel=126za&z=2014-11-01&g=2014-11-01), tevens:
- a. zo mogelijk het nummer of een andere aanduiding waarmee de individuele gebruiker van de communicatiedienst wordt geïdentificeerd alsmede, voor zover bekend, de naam en het adres van de gebruiker;
@@ -10616,43 +10616,43 @@
4. Indien het bevel betrekking heeft op andere communicatie dan bedoeld in het derde lid, wordt – tenzij zulks niet mogelijk is of het belang van strafvordering zich daartegen verzet – de aanbieder in de gelegenheid gesteld medewerking te verlenen bij de tenuitvoerlegging van het bevel.
5. [Artikel 126m, vijfde tot en met negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126m&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
5. [Artikel 126m, vijfde tot en met negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126m&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 126zga
1. Indien bij de afgifte van een bevel als bedoel in [artikel 126zg, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde&artikel=126zg&z=2014-07-01&g=2014-07-01), bekend is dat de gebruiker van het nummer, bedoeld in [artikel 126zg, tweede lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde&artikel=126zg&z=2014-07-01&g=2014-07-01), zich op het grondgebied van een andere staat bevindt, wordt voor zover een verdrag dit voorschrijft en met toepassing van dat verdrag, die andere staat van het voornemen tot het opnemen van telecommunicatie in kennis gesteld en de instemming van die staat verworven voordat het bevel ten uitvoer wordt gelegd.
1. Indien bij de afgifte van een bevel als bedoel in [artikel 126zg, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde&artikel=126zg&z=2014-11-01&g=2014-11-01), bekend is dat de gebruiker van het nummer, bedoeld in [artikel 126zg, tweede lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde&artikel=126zg&z=2014-11-01&g=2014-11-01), zich op het grondgebied van een andere staat bevindt, wordt voor zover een verdrag dit voorschrijft en met toepassing van dat verdrag, die andere staat van het voornemen tot het opnemen van telecommunicatie in kennis gesteld en de instemming van die staat verworven voordat het bevel ten uitvoer wordt gelegd.
2. Indien na aanvang van het opnemen van de telecommunicatie op grond van het bevel bekend wordt dat de gebruiker zich op het grondgebied van een andere staat bevindt, wordt, voor zover een verdrag dit voorschrijft en met toepassing van dat verdrag, die andere staat van het opnemen van telecommunicatie in kennis gesteld en de instemming van die staat verworven.
3. De officier van justitie kan een bevel als bedoeld in [artikel 126zg, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde&artikel=126zg&z=2014-07-01&g=2014-07-01), eveneens geven, indien het bestaan van het bevel noodzakelijk is om een andere staat te kunnen verzoeken telecommunicatie met een technisch hulpmiddel op te nemen of telecommunicatie af te tappen en rechtstreeks naar Nederland door te geleiden ter fine van opname met een technisch hulpmiddel in Nederland.
3. De officier van justitie kan een bevel als bedoeld in [artikel 126zg, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde&artikel=126zg&z=2014-11-01&g=2014-11-01), eveneens geven, indien het bestaan van het bevel noodzakelijk is om een andere staat te kunnen verzoeken telecommunicatie met een technisch hulpmiddel op te nemen of telecommunicatie af te tappen en rechtstreeks naar Nederland door te geleiden ter fine van opname met een technisch hulpmiddel in Nederland.
##### Artikel 126zh
1. In geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek een vordering doen gegevens te verstrekken over een gebruiker van een communicatiedienst in de zin van [artikel 126la](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126la&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en het communicatieverkeer met betrekking tot die gebruiker. De vordering kan slechts betrekking hebben op gegevens die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen en kan gegevens betreffen die:
1. In geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek een vordering doen gegevens te verstrekken over een gebruiker van een communicatiedienst in de zin van [artikel 126la](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126la&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en het communicatieverkeer met betrekking tot die gebruiker. De vordering kan slechts betrekking hebben op gegevens die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen en kan gegevens betreffen die:
- a. ten tijde van de vordering zijn verwerkt, dan wel
- b. na het tijdstip van de vordering worden verwerkt.
2. [Artikel 126n, tweede tot en met zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126n&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
2. [Artikel 126n, tweede tot en met zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126n&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 126zi
1. In geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf kan de opsporingsambtenaar in het belang van het onderzoek een vordering doen gegevens te verstrekken terzake van naam, adres, postcode, woonplaats, nummer en soort dienst van een gebruiker van een communicatiedienst in de zin van [artikel 126la](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126la&z=2014-07-01&g=2014-07-01). [Artikel 126n, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126n&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van toepassing.
2. Indien de gegevens, bedoeld in het eerste lid, bij de aanbieder niet bekend zijn en zij nodig zijn voor de toepassing van [artikel 126zf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde&artikel=126zf&z=2014-07-01&g=2014-07-01) of [artikel 126zg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde&artikel=126zg&z=2014-07-01&g=2014-07-01) kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek vorderen dat de aanbieder de gevorderde gegevens op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze achterhaalt en verstrekt.
3. [Artikel 126na, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126na&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
1. In geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf kan de opsporingsambtenaar in het belang van het onderzoek een vordering doen gegevens te verstrekken terzake van naam, adres, postcode, woonplaats, nummer en soort dienst van een gebruiker van een communicatiedienst in de zin van [artikel 126la](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126la&z=2014-11-01&g=2014-11-01). [Artikel 126n, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126n&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van toepassing.
2. Indien de gegevens, bedoeld in het eerste lid, bij de aanbieder niet bekend zijn en zij nodig zijn voor de toepassing van [artikel 126zf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde&artikel=126zf&z=2014-11-01&g=2014-11-01) of [artikel 126zg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde&artikel=126zg&z=2014-11-01&g=2014-11-01) kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek vorderen dat de aanbieder de gevorderde gegevens op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze achterhaalt en verstrekt.
3. [Artikel 126na, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126na&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 126zj
Teneinde toepassing te kunnen geven aan [artikel 126zg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde&artikel=126zg&z=2014-07-01&g=2014-07-01) of [artikel 126zh](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde&artikel=126zh&z=2014-07-01&g=2014-07-01) kan de officier van justitie met inachtneming van [artikel 3.22, eerste lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.22) bevelen dat met behulp van in dat artikel bedoelde apparatuur het nummer waarmee de gebruiker van een communicatiedienst kan worden geïdentificeerd, wordt verkregen. [Artikel 126nb, tweede tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126nb&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
Teneinde toepassing te kunnen geven aan [artikel 126zg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde&artikel=126zg&z=2014-11-01&g=2014-11-01) of [artikel 126zh](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde&artikel=126zh&z=2014-11-01&g=2014-11-01) kan de officier van justitie met inachtneming van [artikel 3.22, eerste lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.22) bevelen dat met behulp van in dat artikel bedoelde apparatuur het nummer waarmee de gebruiker van een communicatiedienst kan worden geïdentificeerd, wordt verkregen. [Artikel 126nb, tweede tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126nb&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 126zja
1. In geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert, van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot bepaalde gegevens die ten tijde van de vordering zijn opgeslagen in een geautomatiseerd werk en waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij in het bijzonder vatbaar zijn voor verlies of wijziging, vorderen dat deze gegevens gedurende een periode van ten hoogste negentig dagen worden bewaard en beschikbaar gehouden. De vordering kan niet worden gericht tot de verdachte.
2. [Artikel 126ni, tweede tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126ni&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing
2. [Artikel 126ni, tweede tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126ni&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing
### afdeling Eerste. Algemene bepalingen
@@ -10660,41 +10660,41 @@
1. In geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf kan de opsporingsambtenaar in het belang van het onderzoek van degene die daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komt en die anders dan ten behoeve van persoonlijk gebruik gegevens verwerkt, vorderen bepaalde opgeslagen gegevens of vastgelegde identificerende gegevens van een persoon te verstrekken.
2. [Artikel 126nc, tweede tot en met zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nc&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
2. [Artikel 126nc, tweede tot en met zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nc&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 126zl
1. In geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot bepaalde opgeslagen gegevens of vastgelegde gegevens, vorderen deze gegevens te verstrekken.
2. [Artikel 126nd, tweede tot en met vijfde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
2. [Artikel 126nd, tweede tot en met vijfde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 126zm
1. In geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek bepalen dat een vordering als bedoeld in [artikel 126zl, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde_A&artikel=126zl&z=2014-07-01&g=2014-07-01), van degene die anders dan ten behoeve van persoonlijk gebruik gegevens verwerkt, betrekking kan hebben op gegevens die eerst na het tijdstip van de vordering worden verwerkt. De periode waarover de vordering zich uitstrekt is maximaal vier weken en kan telkens met maximaal vier weken worden verlengd. De officier van justitie vermeldt deze periode in de vordering. [Artikel 126nd, tweede tot en met vijfde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
2. In een geval als bedoeld in het eerste lid bepaalt de officier van justitie dat de uitvoering van de vordering wordt beëindigd zodra niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in [artikel 126zl, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde_A&artikel=126zl&z=2014-07-01&g=2014-07-01). Van een wijziging, aanvulling, verlenging of beëindiging van de vordering doet de officier van justitie proces-verbaal opmaken.
1. In geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek bepalen dat een vordering als bedoeld in [artikel 126zl, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde_A&artikel=126zl&z=2014-11-01&g=2014-11-01), van degene die anders dan ten behoeve van persoonlijk gebruik gegevens verwerkt, betrekking kan hebben op gegevens die eerst na het tijdstip van de vordering worden verwerkt. De periode waarover de vordering zich uitstrekt is maximaal vier weken en kan telkens met maximaal vier weken worden verlengd. De officier van justitie vermeldt deze periode in de vordering. [Artikel 126nd, tweede tot en met vijfde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
2. In een geval als bedoeld in het eerste lid bepaalt de officier van justitie dat de uitvoering van de vordering wordt beëindigd zodra niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in [artikel 126zl, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde_A&artikel=126zl&z=2014-11-01&g=2014-11-01). Van een wijziging, aanvulling, verlenging of beëindiging van de vordering doet de officier van justitie proces-verbaal opmaken.
3. Indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert, kan de officier van justitie in een geval als bedoeld in het eerste lid bepalen dat degene tot wie de vordering is gericht de gegevens direct na de verwerking verstrekt, dan wel telkens binnen een bepaalde periode na de verwerking verstrekt. De officier van justitie behoeft hiervoor een voorafgaande schriftelijke machtiging, op zijn vordering te verlenen door de rechter-commissaris.
##### Artikel 126zn
1. In geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert, van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot gegevens als bedoeld in [artikel 126nd, tweede lid, derde volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-07-01&g=2014-07-01), deze gegevens vorderen.
2. [Artikel 126nd, derde tot en met vijfde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [126nf, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nf&z=2014-07-01&g=2014-07-01), zijn van overeenkomstige toepassing.
1. In geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert, van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot gegevens als bedoeld in [artikel 126nd, tweede lid, derde volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-11-01&g=2014-11-01), deze gegevens vorderen.
2. [Artikel 126nd, derde tot en met vijfde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [126nf, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nf&z=2014-11-01&g=2014-11-01), zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 126zo
1. Een vordering als bedoeld in [artikel 126zk, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde_A&artikel=126zk&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126zl, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde_A&artikel=126zl&z=2014-07-01&g=2014-07-01), of [126zm, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde_A&artikel=126zm&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan worden gericht tot de aanbieder van een communicatiedienst in de zin van [artikel 126la](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126la&z=2014-07-01&g=2014-07-01), voor zover de vordering betrekking heeft op andere gegevens dan die welke gevorderd kunnen worden door toepassing van de [artikelen 126zh](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde&artikel=126zh&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [126zi](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde&artikel=126zi&z=2014-07-01&g=2014-07-01). De vordering kan geen betrekking hebben op gegevens die zijn opgeslagen in het geautomatiseerde werk van de aanbieder en niet voor deze bestemd of van deze afkomstig zijn.
1. Een vordering als bedoeld in [artikel 126zk, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde_A&artikel=126zk&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126zl, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde_A&artikel=126zl&z=2014-11-01&g=2014-11-01), of [126zm, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde_A&artikel=126zm&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan worden gericht tot de aanbieder van een communicatiedienst in de zin van [artikel 126la](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126la&z=2014-11-01&g=2014-11-01), voor zover de vordering betrekking heeft op andere gegevens dan die welke gevorderd kunnen worden door toepassing van de [artikelen 126zh](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde&artikel=126zh&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [126zi](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde&artikel=126zi&z=2014-11-01&g=2014-11-01). De vordering kan geen betrekking hebben op gegevens die zijn opgeslagen in het geautomatiseerde werk van de aanbieder en niet voor deze bestemd of van deze afkomstig zijn.
2. Indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert, kan de officier van justitie van de aanbieder van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot gegevens als bedoeld in het eerste lid, laatste volzin, deze gegevens vorderen.
3. [Artikel 126nd, derde tot en met vijfde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [126nf, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nf&z=2014-07-01&g=2014-07-01), zijn van overeenkomstige toepassing.
3. [Artikel 126nd, derde tot en met vijfde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [126nf, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nf&z=2014-11-01&g=2014-11-01), zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 126zp
1. De officier van justitie kan, indien het belang van het onderzoek dit vordert, bij of terstond na de toepassing van [artikel 126zl, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde_A&artikel=126zl&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [126zm, eerste of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde_A&artikel=126zm&z=2014-07-01&g=2014-07-01), of [126zn, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde_A&artikel=126zn&z=2014-07-01&g=2014-07-01), degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij kennis draagt van de wijze van versleuteling van de in deze artikelen bedoelde gegevens, bevelen medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van de gegevens door de versleuteling ongedaan te maken, dan wel deze kennis ter beschikking te stellen.
2. [Artikel 126nh, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nh&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
1. De officier van justitie kan, indien het belang van het onderzoek dit vordert, bij of terstond na de toepassing van [artikel 126zl, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde_A&artikel=126zl&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [126zm, eerste of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde_A&artikel=126zm&z=2014-11-01&g=2014-11-01), of [126zn, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Derde_A&artikel=126zn&z=2014-11-01&g=2014-11-01), degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij kennis draagt van de wijze van versleuteling van de in deze artikelen bedoelde gegevens, bevelen medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van de gegevens door de versleuteling ongedaan te maken, dan wel deze kennis ter beschikking te stellen.
2. [Artikel 126nh, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nh&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
### afdeling Derde. Opnemen en onderzoek communicatie
@@ -10720,7 +10720,7 @@
- c. van de bestuurder van een voertuig of van de schipper van een vaartuig te vorderen dat deze zijn vervoermiddel stilhoudt en naar een door hem aangewezen plaats overbrengt.
3. [Artikel 126zq, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Vierde&artikel=126zq&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
3. [Artikel 126zq, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Vierde&artikel=126zq&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 126zs
@@ -10728,7 +10728,7 @@
2. De opsporingsambtenaar is bij een dergelijk bevel voorts bevoegd gebruik te maken van detectieapparatuur of andere hulpmiddelen.
3. [Artikel 126zq, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Vierde&artikel=126zq&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
3. [Artikel 126zq, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Vierde&artikel=126zq&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze van uitvoering van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.
@@ -10742,15 +10742,15 @@
- b. stelselmatig informatie in te winnen omtrent een persoon.
2. De [artikelen 126za](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Eerste&artikel=126za&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [126zd, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Tweede&artikel=126zd&z=2014-07-01&g=2014-07-01), zijn van overeenkomstige toepassing, alsmede [artikel 126ij, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VA&afdeling=Derde&artikel=126ij&z=2014-07-01&g=2014-07-01), voor zover het eerste lid, onder a, toepassing vindt. Toepassing van het eerste lid, onder a, vindt alleen plaats indien geen bevel als bedoeld in [artikel 126zd, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Tweede&artikel=126zd&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan worden gegeven.
2. De [artikelen 126za](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Eerste&artikel=126za&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [126zd, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Tweede&artikel=126zd&z=2014-11-01&g=2014-11-01), zijn van overeenkomstige toepassing, alsmede [artikel 126ij, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VA&afdeling=Derde&artikel=126ij&z=2014-11-01&g=2014-11-01), voor zover het eerste lid, onder a, toepassing vindt. Toepassing van het eerste lid, onder a, vindt alleen plaats indien geen bevel als bedoeld in [artikel 126zd, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Tweede&artikel=126zd&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan worden gegeven.
3. De overeenkomst is schriftelijk en vermeldt de rechten en plichten van de persoon die bijstand verleent aan de opsporing, de wijze waarop aan de overeenkomst uitvoering dient te worden gegeven, alsmede de geldigheidsduur van de overeenkomst. De overeenkomst kan schriftelijk worden gewijzigd, aangevuld, verlengd of beëindigd.
##### Artikel 126zu
1. In geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert en geen bevel als bedoeld in [artikel 126ze, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Tweede&artikel=126ze&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan worden gegeven, met een persoon die geen opsporingsambtenaar is, overeenkomen dat deze bijstand verleent aan de opsporing door deel te nemen aan of medewerking te verlenen aan een groep van personen ten aanzien waarvan aanwijzingen bestaan dat daarbinnen een terroristisch misdrijf wordt beraamd of gepleegd.
2. De [artikelen 126zt, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VC&artikel=126zt&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [126w, derde, vierde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VA&afdeling=Tweede&artikel=126w&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn overeenkomstige toepassing.
1. In geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert en geen bevel als bedoeld in [artikel 126ze, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VB&afdeling=Tweede&artikel=126ze&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan worden gegeven, met een persoon die geen opsporingsambtenaar is, overeenkomen dat deze bijstand verleent aan de opsporing door deel te nemen aan of medewerking te verlenen aan een groep van personen ten aanzien waarvan aanwijzingen bestaan dat daarbinnen een terroristisch misdrijf wordt beraamd of gepleegd.
2. De [artikelen 126zt, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VC&artikel=126zt&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [126w, derde, vierde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VA&afdeling=Tweede&artikel=126w&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn overeenkomstige toepassing.
### Derde afdeling A. Vorderen van gegevens
@@ -10760,7 +10760,7 @@
##### Artikel 126hh
1. Indien een onderzoek als bedoeld in [artikel 126gg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VE&artikel=126gg&z=2014-07-01&g=2014-07-01) de voorbereiding van de opsporing van terroristische misdrijven tot doel heeft, kan de officier van justitie na voorafgaande schriftelijke machtiging, op zijn vordering te verlenen door de rechter-commissaris, in het belang van het onderzoek van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot een geautomatiseerd gegevensbestand schriftelijk vorderen dit bestand, of delen daarvan, te verstrekken, teneinde de hierin opgenomen gegevens te doen bewerken. De personen, bedoeld in [artikel 218](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=218&z=2014-07-01&g=2014-07-01), zijn niet verplicht aan de vordering te voldoen, voor zover de uitlevering met hun plicht tot geheimhouding in strijd zou zijn.
1. Indien een onderzoek als bedoeld in [artikel 126gg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VE&artikel=126gg&z=2014-11-01&g=2014-11-01) de voorbereiding van de opsporing van terroristische misdrijven tot doel heeft, kan de officier van justitie na voorafgaande schriftelijke machtiging, op zijn vordering te verlenen door de rechter-commissaris, in het belang van het onderzoek van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot een geautomatiseerd gegevensbestand schriftelijk vorderen dit bestand, of delen daarvan, te verstrekken, teneinde de hierin opgenomen gegevens te doen bewerken. De personen, bedoeld in [artikel 218](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=218&z=2014-11-01&g=2014-11-01), zijn niet verplicht aan de vordering te voldoen, voor zover de uitlevering met hun plicht tot geheimhouding in strijd zou zijn.
2. De bewerking kan bestaan uit het onderling vergelijken dan wel het in combinatie met elkaar verwerken van de gegevens uit het verstrekte bestand, gegevens uit de politieregisters en gegevens uit andere bestanden. Beperkingen gesteld bij of krachtens de [Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463) blijven buiten toepassing. De officier van justitie stelt de wijze waarop de bewerking wordt uitgevoerd vast.
@@ -10786,9 +10786,9 @@
##### Artikel 126ii
1. Indien een onderzoek als bedoeld in [artikel 126gg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VE&artikel=126gg&z=2014-07-01&g=2014-07-01) de voorbereiding van de opsporing van terroristische misdrijven tot doel heeft, kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek van degene die daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komt en die anders dan ten behoeve van persoonlijk gebruik gegevens verwerkt, vorderen bepaalde opgeslagen of vastgelegde identificerende gegevens van een persoon te verstrekken. [Artikel 126nc, tweede tot en met vijfde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nc&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
2. In geval van een onderzoek als bedoeld in het eerste lid kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek jegens een aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst een vordering doen gegevens te verstrekken terzake van naam, adres, postcode, woonplaats, nummer en soort dienst van een gebruiker van telecommunicatie. [Artikel 126n, tweede lid en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126n&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [126na, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126na&z=2014-07-01&g=2014-07-01), zijn van overeenkomstige toepassing. [Artikel 126bb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Tweede&artikel=126bb&z=2014-07-01&g=2014-07-01) blijft buiten toepassing.
1. Indien een onderzoek als bedoeld in [artikel 126gg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VE&artikel=126gg&z=2014-11-01&g=2014-11-01) de voorbereiding van de opsporing van terroristische misdrijven tot doel heeft, kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek van degene die daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komt en die anders dan ten behoeve van persoonlijk gebruik gegevens verwerkt, vorderen bepaalde opgeslagen of vastgelegde identificerende gegevens van een persoon te verstrekken. [Artikel 126nc, tweede tot en met vijfde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nc&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
2. In geval van een onderzoek als bedoeld in het eerste lid kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek jegens een aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst een vordering doen gegevens te verstrekken terzake van naam, adres, postcode, woonplaats, nummer en soort dienst van een gebruiker van telecommunicatie. [Artikel 126n, tweede lid en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126n&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [126na, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126na&z=2014-11-01&g=2014-11-01), zijn van overeenkomstige toepassing. [Artikel 126bb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Tweede&artikel=126bb&z=2014-11-01&g=2014-11-01) blijft buiten toepassing.
3. Van de verstrekking van identificerende gegevens of gegevens als bedoeld in het tweede lid doet de officier van justitie proces-verbaal opmaken, waarin worden vermeld:
@@ -10932,13 +10932,13 @@
1. Ingeval hoger beroep openstaat en is ingesteld tegen een vonnis betreffende uitsluitend een of meer overtredingen of misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van niet meer dan vier jaren is gesteld, waarbij geen andere straf of maatregel is opgelegd dan een geldboete tot een maximum – of, wanneer bij het vonnis twee of meer geldboetes werden opgelegd, geldboetes tot een gezamenlijk maximum – van € 500, wordt het ingestelde hoger beroep slechts ter terechtzitting aanhangig gemaakt en behandeld indien zulks naar het oordeel van de voorzitter in het belang van een goede rechtsbedeling is vereist.
2. De behandeling ter terechtzitting van een ingesteld hoger beroep tegen een bij verstek gewezen vonnis van de rechtbank, niet zijnde de kantonrechter, is in ieder geval in het belang van een goede rechtsbedeling vereist indien de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting in eerste aanleg te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte niet in persoon is gedaan of betekend en zich geen andere omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was. De vorige zin is niet van toepassing in geval de dagvaarding of oproeping binnen zes weken nadat door de verdachte op de voet van [artikel 257e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=IVa&afdeling=Vijfde&artikel=257e&z=2014-07-01&g=2014-07-01) verzet is gedaan, rechtsgeldig aan de verdachte is betekend met inachtneming van [artikel 588a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=588a&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
3. Indien de voorzitter op grond van de ingediende schriftuur en de stukken van het geding, waaronder het verkorte vonnis of de aantekening van het vonnis, oordeelt dat in het belang van een goede rechtsbedeling behandeling in hoger beroep vereist is, beveelt deze dat de zaak op de voet van [artikel 412](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=412&z=2014-07-01&g=2014-07-01) in hoger beroep ter terechtzitting aanhangig wordt gemaakt.
4. In het andere geval beslist de voorzitter bij een met redenen omklede beschikking dat het hoger beroep buiten behandeling wordt gelaten. Deze beschikking geldt als een beslissing op het rechtsmiddel als bedoeld in [artikel 557, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=557&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
5. Indien de verdachte ingevolge [artikel 408a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=408a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) in de zaak is opgeroepen om tegen een bepaalde datum ter terechtzitting te verschijnen geldt de oproeping als ingetrokken door de in het vierde lid bedoelde beschikking.
2. De behandeling ter terechtzitting van een ingesteld hoger beroep tegen een bij verstek gewezen vonnis van de rechtbank, niet zijnde de kantonrechter, is in ieder geval in het belang van een goede rechtsbedeling vereist indien de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting in eerste aanleg te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte niet in persoon is gedaan of betekend en zich geen andere omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was. De vorige zin is niet van toepassing in geval de dagvaarding of oproeping binnen zes weken nadat door de verdachte op de voet van [artikel 257e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=IVa&afdeling=Vijfde&artikel=257e&z=2014-11-01&g=2014-11-01) verzet is gedaan, rechtsgeldig aan de verdachte is betekend met inachtneming van [artikel 588a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Vijfde&artikel=588a&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
3. Indien de voorzitter op grond van de ingediende schriftuur en de stukken van het geding, waaronder het verkorte vonnis of de aantekening van het vonnis, oordeelt dat in het belang van een goede rechtsbedeling behandeling in hoger beroep vereist is, beveelt deze dat de zaak op de voet van [artikel 412](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=412&z=2014-11-01&g=2014-11-01) in hoger beroep ter terechtzitting aanhangig wordt gemaakt.
4. In het andere geval beslist de voorzitter bij een met redenen omklede beschikking dat het hoger beroep buiten behandeling wordt gelaten. Deze beschikking geldt als een beslissing op het rechtsmiddel als bedoeld in [artikel 557, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=557&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
5. Indien de verdachte ingevolge [artikel 408a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&artikel=408a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) in de zaak is opgeroepen om tegen een bepaalde datum ter terechtzitting te verschijnen geldt de oproeping als ingetrokken door de in het vierde lid bedoelde beschikking.
6. Een beschikking als bedoeld in het derde en vierde lid wordt aan de verdachte betekend.
@@ -11058,7 +11058,7 @@
- a. de naam en het van de verdachte bekende adres;
- b. een opgave van het feit als bedoeld in [artikel 261, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=261&z=2014-07-01&g=2014-07-01), dan wel een korte omschrijving van de gedraging ter zake waarvan de strafbeschikking wordt uitgevaardigd, alsmede de tijd waarop en de plaats waar deze gedraging werd verricht;
- b. een opgave van het feit als bedoeld in [artikel 261, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=261&z=2014-11-01&g=2014-11-01), dan wel een korte omschrijving van de gedraging ter zake waarvan de strafbeschikking wordt uitgevaardigd, alsmede de tijd waarop en de plaats waar deze gedraging werd verricht;
- c. het strafbare feit dat deze gedraging oplevert;
@@ -11102,7 +11102,7 @@
3. Van het horen van de verdachte overeenkomstig het eerste of tweede lid wordt een schriftelijk verslag opgemaakt. Indien de strafbeschikking afwijkt van door de verdachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, worden de redenen die tot afwijken hebben geleid aan dit verslag toegevoegd, voor zover deze redenen niet reeds mondeling zijn opgegeven.
4. In het geval een strafbeschikking zal worden uitgevaardigd tegen de verdachte, reikt de opsporingsambtenaar de verdachte zo mogelijk een aankondiging van de strafbeschikking uit. Deze aankondiging kan bij verdenking van een overtreding die met een motorrijtuig is begaan, ook worden achtergelaten in of aan het motorrijtuig. Het model van de aankondiging wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
4. In het geval een strafbeschikking zal worden uitgevaardigd tegen de verdachte, kan de opsporingsambtenaar de verdachte een aankondiging van de strafbeschikking uitreiken. Deze aankondiging kan bij verdenking van een overtreding die met een motorrijtuig is begaan, ook worden achtergelaten in of aan het motorrijtuig. Het model van de aankondiging wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen aan het opleggen en ten uitvoer leggen van straffen, maatregelen en aanwijzingen in een strafbeschikking nadere voorwaarden worden gesteld.
@@ -11116,7 +11116,7 @@
4. Toezending vindt plaats bij brief. Toezending van strafbeschikkingen houdende betalingsverplichtingen uit hoofde van geldboete en schadevergoedingsmaatregel die afzonderlijk of gezamenlijk meer belopen dan € 2000, geschiedt bij aangetekende brief. Van elke uitreiking of toezending wordt aantekening gehouden op de wijze, bij algemene maatregel van bestuur bepaald.
5. Indien bij de officier van justitie een verzoek als bedoeld in [artikel 51a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Eerste&artikel=51a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is gedaan, wordt aan het slachtoffer een afschrift van de strafbeschikking toegezonden. Voorts wordt een afschrift toegezonden aan de rechtstreeks belanghebbende die de officier van justitie bekend is.
5. Indien bij de officier van justitie een verzoek als bedoeld in [artikel 51a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Eerste&artikel=51a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is gedaan, wordt aan het slachtoffer een afschrift van de strafbeschikking toegezonden. Voorts wordt een afschrift toegezonden aan de rechtstreeks belanghebbende die de officier van justitie bekend is.
### afdeling Vijfde. Het doen van verzet
@@ -11136,19 +11136,19 @@
7. Uiterlijk tot de aanvang van de behandeling van het verzet ter terechtzitting kan degene die het heeft gedaan, dat intrekken. Deze intrekking brengt mede afstand van de bevoegdheid om het rechtsmiddel opnieuw aan te wenden. Intrekking geschiedt met overeenkomstige toepassing van het tweede tot en met zesde lid.
8. De strafbeschikking kan schriftelijk worden ingetrokken of gewijzigd door een officier van justitie die bevoegd is om een daartegen gedaan verzet ter kennis van de rechtbank of de kantonrechter te brengen. Een wijziging waardoor de feitsomschrijving niet langer hetzelfde feit, in de zin van [artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=68), zou inhouden, is niet toegestaan. Een afschrift van de beschikking waarbij de strafbeschikking wordt ingetrokken of gewijzigd wordt aan de verdachte uitgereikt of aan hem toegezonden met overeenkomstige toepassing van [artikel 257d, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=IVa&afdeling=Vierde&artikel=257d&z=2014-07-01&g=2014-07-01). Indien de verdachte bij het doen van verzet een ander adres heeft opgegeven, wordt een afschrift aan dat adres toegezonden en blijft toezending aan het bij het eerste verhoor opgegeven adres achterwege. Tegen een gewijzigde strafbeschikking kan verzet worden gedaan met overeenkomstige toepassing van het tweede tot en met zesde lid. Een reeds gedaan verzet wordt geacht te zijn gericht tegen de gewijzigde strafbeschikking, tenzij vrijwillig aan de gewijzigde strafbeschikking wordt voldaan.
8. De strafbeschikking kan schriftelijk worden ingetrokken of gewijzigd door een officier van justitie die bevoegd is om een daartegen gedaan verzet ter kennis van de rechtbank of de kantonrechter te brengen. Een wijziging waardoor de feitsomschrijving niet langer hetzelfde feit, in de zin van [artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=68), zou inhouden, is niet toegestaan. Een afschrift van de beschikking waarbij de strafbeschikking wordt ingetrokken of gewijzigd wordt aan de verdachte uitgereikt of aan hem toegezonden met overeenkomstige toepassing van [artikel 257d, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=IVa&afdeling=Vierde&artikel=257d&z=2014-11-01&g=2014-11-01). Indien de verdachte bij het doen van verzet een ander adres heeft opgegeven, wordt een afschrift aan dat adres toegezonden en blijft toezending aan het bij het eerste verhoor opgegeven adres achterwege. Tegen een gewijzigde strafbeschikking kan verzet worden gedaan met overeenkomstige toepassing van het tweede tot en met zesde lid. Een reeds gedaan verzet wordt geacht te zijn gericht tegen de gewijzigde strafbeschikking, tenzij vrijwillig aan de gewijzigde strafbeschikking wordt voldaan.
### afdeling Zesde. De behandeling van het verzet
##### Artikel 257f
1. De officier van justitie brengt, tenzij hij de strafbeschikking intrekt, het verzet en de processtukken ter kennis van de rechtbank. Hij roept de verdachte voor de terechtzitting op; tussen de dag waarop de oproeping aan de verdachte is betekend en die der terechtzitting moeten ten minste tien dagen verlopen. De [artikelen 260, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=260&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [265, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=265&z=2014-07-01&g=2014-07-01), zijn van overeenkomstige toepassing. Indien bij het verzet een adres in Nederland is opgegeven dat afwijkt van het adres waar de verdachte als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, wordt een afschrift van de oproeping aan het opgegeven adres toegezonden, tenzij de oproeping inmiddels aan de verdachte in persoon is uitgereikt.
1. De officier van justitie brengt, tenzij hij de strafbeschikking intrekt, het verzet en de processtukken ter kennis van de rechtbank. Hij roept de verdachte voor de terechtzitting op; tussen de dag waarop de oproeping aan de verdachte is betekend en die der terechtzitting moeten ten minste tien dagen verlopen. De [artikelen 260, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=260&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [265, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=265&z=2014-11-01&g=2014-11-01), zijn van overeenkomstige toepassing. Indien bij het verzet een adres in Nederland is opgegeven dat afwijkt van het adres waar de verdachte als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, wordt een afschrift van de oproeping aan het opgegeven adres toegezonden, tenzij de oproeping inmiddels aan de verdachte in persoon is uitgereikt.
2. Bij gebreke van een betekening overeenkomstig het eerste lid, wordt door de rechter de oproeping tegen een nieuwe rechtsdag bevolen, tenzij de verdachte is verschenen. In dit laatste geval wordt, indien de verdachte in het belang van zijn verdediging uitstel verzoekt, het onderzoek voor bepaalde tijd geschorst.
3. De behandeling der zaak vindt plaats overeenkomstig de [zesde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [zevende](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VII&z=2014-07-01&g=2014-07-01) of [achtste titel van het Tweede Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VIII&z=2014-07-01&g=2014-07-01). De omschrijving van de gedraging in de oproeping wordt daarbij als tenlastelegging aangemerkt. Deze is gelijk aan de korte omschrijving van de gedraging in de strafbeschikking of betreft een opgave van hetzelfde feit die aan de eisen van [artikel 261, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=261&z=2014-07-01&g=2014-07-01), beantwoordt. In afwijking in zoverre van [artikel 349, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=349&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan de nietigheid van de oproeping worden uitgesproken.
4. Indien het verzet niet tijdig of onbevoegdelijk is gedaan dan wel niet aan de vereisten van [artikel 257e, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=IVa&afdeling=Vijfde&artikel=257e&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is voldaan, wordt het niet ontvankelijk verklaard. Indien de rechter de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie uitspreekt, dan wel de verdachte vrijspreekt, ontslaat van alle rechtsvervolging of veroordeelt, vernietigt hij de strafbeschikking.
3. De behandeling der zaak vindt plaats overeenkomstig de [zesde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [zevende](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VII&z=2014-11-01&g=2014-11-01) of [achtste titel van het Tweede Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VIII&z=2014-11-01&g=2014-11-01). De omschrijving van de gedraging in de oproeping wordt daarbij als tenlastelegging aangemerkt. Deze is gelijk aan de korte omschrijving van de gedraging in de strafbeschikking of betreft een opgave van hetzelfde feit die aan de eisen van [artikel 261, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=261&z=2014-11-01&g=2014-11-01), beantwoordt. In afwijking in zoverre van [artikel 349, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=349&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan de nietigheid van de oproeping worden uitgesproken.
4. Indien het verzet niet tijdig of onbevoegdelijk is gedaan dan wel niet aan de vereisten van [artikel 257e, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=IVa&afdeling=Vijfde&artikel=257e&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is voldaan, wordt het niet ontvankelijk verklaard. Indien de rechter de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie uitspreekt, dan wel de verdachte vrijspreekt, ontslaat van alle rechtsvervolging of veroordeelt, vernietigt hij de strafbeschikking.
### afdeling Zevende. De tenuitvoerlegging
@@ -11166,7 +11166,7 @@
2. De officier van justitie verstrekt desgevraagd een afschrift van een strafbeschikking aan ieder ander dan de verdachte of zijn raadsman, tenzij verstrekking naar het oordeel van de officier van justitie ter bescherming van de belangen van degene ten aanzien van wie de strafbeschikking is uitgevaardigd of van de derden die in de strafbeschikking worden genoemd, geheel of gedeeltelijk dient te worden geweigerd. In het laatste geval kan de officier van justitie een geanonimiseerd afschrift van de strafbeschikking verstrekken.
3. Indien binnen veertien dagen geen afschrift dan wel een geanonimiseerd afschrift wordt verstrekt, kan de verzoeker een klaagschrift indienen bij de officier van justitie, die het klaagschrift en de processtukken onverwijld ter kennis brengt van de rechtbank. De procesdeelnemers zijn, in afwijking van [artikel 23, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Zesde&artikel=23&z=2014-07-01&g=2014-07-01), niet bevoegd van de inhoud van de processtukken kennis te nemen dan voorzover de rechtbank zulks toestaat.
3. Indien binnen veertien dagen geen afschrift dan wel een geanonimiseerd afschrift wordt verstrekt, kan de verzoeker een klaagschrift indienen bij de officier van justitie, die het klaagschrift en de processtukken onverwijld ter kennis brengt van de rechtbank. De procesdeelnemers zijn, in afwijking van [artikel 23, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=I&afdeling=Zesde&artikel=23&z=2014-11-01&g=2014-11-01), niet bevoegd van de inhoud van de processtukken kennis te nemen dan voorzover de rechtbank zulks toestaat.
## Titel V. Aanhangig maken der zaak ter terechtzitting
@@ -11202,7 +11202,7 @@
##### Artikel 488a
[Artikel 94a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is van overeenkomstige toepassing op personen die ten tijde van het begaan van het feit de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat inbeslagneming tot bewaring van het recht tot verhaal ten aanzien van jeugdigen mogelijk is in geval van verdenking van onderscheidenlijk verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd.
[Artikel 94a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=1&artikel=94a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is van overeenkomstige toepassing op personen die ten tijde van het begaan van het feit de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat inbeslagneming tot bewaring van het recht tot verhaal ten aanzien van jeugdigen mogelijk is in geval van verdenking van onderscheidenlijk verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd.
##### Artikel 496a
@@ -11254,11 +11254,11 @@
##### Artikel 578b
1. De officier van justitie kan, indien niet of niet volledig verhaal heeft plaatsgevonden overeenkomstig de [artikelen 574](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=574&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [575](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=575&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [576](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=576&z=2014-07-01&g=2014-07-01), bij de kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement waar het adres is van degene aan wie in een strafbeschikking de geldboete is opgelegd waarvoor verhaal is gezocht, een vordering instellen om te worden gemachtigd het dwangmiddel gijzeling jegens deze toe te passen. Als het adres van degene aan wie de geldboete is opgelegd wordt aangemerkt het in de basisregistratie personen vermelde adres alsmede het adres dat de verdachte bij het doen van verzet heeft opgegeven. Indien degene aan wie de geldboete is opgelegd niet als ingezetene staat ingeschreven in de basisregistratie personen, kan de vordering tevens door de officier van justitie in het arrondissement Noord-Nederland bij de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland worden ingesteld.
1. De officier van justitie kan, indien niet of niet volledig verhaal heeft plaatsgevonden overeenkomstig de [artikelen 574](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=574&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [575](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=575&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [576](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=576&z=2014-11-01&g=2014-11-01), bij de kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement waar het adres is van degene aan wie in een strafbeschikking de geldboete is opgelegd waarvoor verhaal is gezocht, een vordering instellen om te worden gemachtigd het dwangmiddel gijzeling jegens deze toe te passen. Als het adres van degene aan wie de geldboete is opgelegd wordt aangemerkt het in de basisregistratie personen vermelde adres alsmede het adres dat de verdachte bij het doen van verzet heeft opgegeven. Indien degene aan wie de geldboete is opgelegd niet als ingezetene staat ingeschreven in de basisregistratie personen, kan de vordering tevens door de officier van justitie in het arrondissement Noord-Nederland bij de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland worden ingesteld.
2. De kantonrechter bepaalt de duur van de gijzeling, die ten minste één dag en ten hoogste een week beloopt per strafbaar feit. Voor elke volle € 25 van het bedrag waarvoor verhaal is gezocht, wordt niet meer dan één dag opgelegd.
3. Op de vordering wordt niet beslist dan nadat degene aan wie de geldboete is opgelegd door de kantonrechter is gehoord, althans behoorlijk is opgeroepen. Indien degene aan wie de geldboete is opgelegd niet bekend is met de vervolging, wordt de oproeping betekend. Tegen de beslissing van de kantonrechter staat geen rechtsmiddel open. [Artikel 273, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=273&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
3. Op de vordering wordt niet beslist dan nadat degene aan wie de geldboete is opgelegd door de kantonrechter is gehoord, althans behoorlijk is opgeroepen. Indien degene aan wie de geldboete is opgelegd niet bekend is met de vervolging, wordt de oproeping betekend. Tegen de beslissing van de kantonrechter staat geen rechtsmiddel open. [Artikel 273, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=273&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
4. De officier van justitie of de ambtenaar die door hem is belast met de toepassing van de gijzeling heeft voor het in gijzeling stellen van degene aan wie de geldboete is opgelegd toegang tot elke plaats.
@@ -11340,7 +11340,7 @@
## Titel VE. Verkennend onderzoek
## Titel VD. Algemene regels betreffende de bevoegdheden in de [titels IVA tot en met VC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&z=2014-07-01&g=2014-07-01)
## Titel VD. Algemene regels betreffende de bevoegdheden in de [titels IVA tot en met VC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&z=2014-11-01&g=2014-11-01)
## Boek Tweede. Strafvordering in eersten aanleg
@@ -11368,7 +11368,7 @@
##### Artikel 150c
1. Indien de officier van justitie op grond van [artikel 150a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=150a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), of de rechter-commissaris op grond van [artikel 150b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=150b&z=2014-07-01&g=2014-07-01), een tegenonderzoek gelast, verleent hij daartoe opdracht aan een deskundige. Hij doet daarvan schriftelijk mededeling aan de verdachte.
1. Indien de officier van justitie op grond van [artikel 150a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=150a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), of de rechter-commissaris op grond van [artikel 150b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=150b&z=2014-11-01&g=2014-11-01), een tegenonderzoek gelast, verleent hij daartoe opdracht aan een deskundige. Hij doet daarvan schriftelijk mededeling aan de verdachte.
2. De deskundige die het tegenonderzoek verricht, wordt in staat gesteld dit uit te voeren; hij verkrijgt daartoe toegang tot het onderzoeksmateriaal en de desbetreffende gegevens uit het eerste onderzoek.
@@ -11490,7 +11490,7 @@
##### Artikel 27a
1. De verdachte wordt ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit gevraagd naar zijn naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum, het adres waarop hij in de basisregistratie personen is ingeschreven en het adres van zijn feitelijke verblijfplaats. Het vaststellen van zijn identiteit omvat tevens een onderzoek van een identiteitsbewijs als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006297&artikel=1). In de gevallen, bedoeld in [artikel 55c, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=55c&z=2014-07-01&g=2014-07-01), omvat het vaststellen van zijn identiteit tevens het nemen van een of meer foto’s en vingerafdrukken.
1. De verdachte wordt ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit gevraagd naar zijn naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum, het adres waarop hij in de basisregistratie personen is ingeschreven en het adres van zijn feitelijke verblijfplaats. Het vaststellen van zijn identiteit omvat tevens een onderzoek van een identiteitsbewijs als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006297&artikel=1). In de gevallen, bedoeld in [artikel 55c, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=55c&z=2014-11-01&g=2014-11-01), omvat het vaststellen van zijn identiteit tevens het nemen van een of meer foto’s en vingerafdrukken.
2. In de gevallen waarin van de verdachte overeenkomstig dit wetboek vingerafdrukken zijn genomen en verwerkt, omvat het vaststellen van zijn identiteit ter verificatie het nemen van zijn vingerafdrukken en het vergelijken van die vingerafdrukken met de van hem verwerkte vingerafdrukken. In de andere gevallen omvat het vaststellen van zijn identiteit een onderzoek van een identiteitsbewijs als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006297&artikel=1).
@@ -11542,9 +11542,9 @@
2. De rechter kan de deskundige geheimhouding opleggen.
3. De deskundige kan zich verschonen in de gevallen bedoeld in de [artikelen 217 tot en met 219a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=217&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
4. De deskundige ontvangt uit ’s rijks kas een vergoeding op de wijze bij de wet bepaald. De rechter-commissaris kan, onverminderd [artikel 591](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=II&artikel=591&z=2014-07-01&g=2014-07-01), beslissen dat een deskundige die onderzoek op verzoek van de verdachte heeft uitgevoerd dat in het belang van het onderzoek is gebleken, uit ’s rijks kas een vergoeding ontvangt. Deze vergoeding bedraagt niet meer dan die welke de op vordering van de officier van justitie benoemde deskundige ontvangt.
3. De deskundige kan zich verschonen in de gevallen bedoeld in de [artikelen 217 tot en met 219a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=217&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
4. De deskundige ontvangt uit ’s rijks kas een vergoeding op de wijze bij de wet bepaald. De rechter-commissaris kan, onverminderd [artikel 591](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=II&artikel=591&z=2014-11-01&g=2014-11-01), beslissen dat een deskundige die onderzoek op verzoek van de verdachte heeft uitgevoerd dat in het belang van het onderzoek is gebleken, uit ’s rijks kas een vergoeding ontvangt. Deze vergoeding bedraagt niet meer dan die welke de op vordering van de officier van justitie benoemde deskundige ontvangt.
##### Artikel 51k
@@ -11562,7 +11562,7 @@
##### Artikel 51m
1. De rechter kan de deskundige ambtshalve horen, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte. De rechter kan zijn dagvaarding bevelen. Ten aanzien van de deskundige en zijn verhoor vinden de [artikelen 211 tot en met 213](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=211&z=2014-07-01&g=2014-07-01) overeenkomstige toepassing.
1. De rechter kan de deskundige ambtshalve horen, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte. De rechter kan zijn dagvaarding bevelen. Ten aanzien van de deskundige en zijn verhoor vinden de [artikelen 211 tot en met 213](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=211&z=2014-11-01&g=2014-11-01) overeenkomstige toepassing.
2. De deskundige wordt bij zijn verhoor op de terechtzitting beëdigd dat hij naar waarheid en zijn geweten zal verklaren.
@@ -11574,9 +11574,9 @@
##### Artikel 55c
1. De ambtenaren, bedoeld in [artikel 141](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=141&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), die tevens buitengewoon opsporingsambtenaar als bedoeld in [artikel 142](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=142&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn, stellen de identiteit van de aangehouden verdachte vast op de wijze, bedoeld in [artikel 27a, eerste lid, eerste en tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=27a&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
2. De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, nemen met het oog op het vaststellen van de identiteit van een verdachte die is aangehouden wegens een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-07-01&g=2014-07-01), of die wordt verhoord wegens een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, zonder dat hij is aangehouden, een of meer foto’s en vingerafdrukken. De vingerafdrukken worden vergeleken met de van verdachten overeenkomstig dit wetboek verwerkte vingerafdrukken en, indien vermoed wordt dat de verdachte een vreemdeling is, met de overeenkomstig de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) verwerkte vingerafdrukken.
1. De ambtenaren, bedoeld in [artikel 141](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=141&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), die tevens buitengewoon opsporingsambtenaar als bedoeld in [artikel 142](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=142&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn, stellen de identiteit van de aangehouden verdachte vast op de wijze, bedoeld in [artikel 27a, eerste lid, eerste en tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=27a&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
2. De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, nemen met het oog op het vaststellen van de identiteit van een verdachte die is aangehouden wegens een misdrijf als omschreven in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-11-01&g=2014-11-01), of die wordt verhoord wegens een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, zonder dat hij is aangehouden, een of meer foto’s en vingerafdrukken. De vingerafdrukken worden vergeleken met de van verdachten overeenkomstig dit wetboek verwerkte vingerafdrukken en, indien vermoed wordt dat de verdachte een vreemdeling is, met de overeenkomstig de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) verwerkte vingerafdrukken.
3. De officier van justitie of de hulpofficier beveelt dat van iedere andere verdachte dan de verdachte, bedoeld in het tweede lid, over wiens identiteit twijfel bestaat, een of meer foto’s en vingerafdrukken worden genomen. Het tweede lid, laatste volzin, is van overeenkomstige toepassing.
@@ -11660,9 +11660,9 @@
##### Artikel 151f
1. Het onderzoek, bedoeld in [artikel 151e, eerste, tweede, en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151e&z=2014-07-01&g=2014-07-01), wordt door de officier van justitie opgedragen aan een deskundige, verbonden aan een laboratorium, dat op grond van het vijfde lid is aangewezen. De deskundige brengt zo spoedig mogelijk een met redenen omkleed verslag van zijn onderzoek uit aan de officier van justitie.
2. De officier van justitie geeft degene wiens celmateriaal is onderzocht en het slachtoffer zo spoedig mogelijk kennis van de uitslag van het onderzoek, bedoeld in [artikel 151e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151e&z=2014-07-01&g=2014-07-01). Hij doet tevens mededeling van de uitslag van het onderzoek, bedoeld in [artikel 151e, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151e&z=2014-07-01&g=2014-07-01), aan het slachtoffer, en aan de verdachte indien diens identiteit bekend is. Hij doet beide mededelingen alleen aan de betrokkene die daarom heeft verzocht. Hij wijst voorts de verdachte op de mogelijkheid van het doen verrichten van een tegenonderzoek.
1. Het onderzoek, bedoeld in [artikel 151e, eerste, tweede, en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151e&z=2014-11-01&g=2014-11-01), wordt door de officier van justitie opgedragen aan een deskundige, verbonden aan een laboratorium, dat op grond van het vijfde lid is aangewezen. De deskundige brengt zo spoedig mogelijk een met redenen omkleed verslag van zijn onderzoek uit aan de officier van justitie.
2. De officier van justitie geeft degene wiens celmateriaal is onderzocht en het slachtoffer zo spoedig mogelijk kennis van de uitslag van het onderzoek, bedoeld in [artikel 151e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151e&z=2014-11-01&g=2014-11-01). Hij doet tevens mededeling van de uitslag van het onderzoek, bedoeld in [artikel 151e, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151e&z=2014-11-01&g=2014-11-01), aan het slachtoffer, en aan de verdachte indien diens identiteit bekend is. Hij doet beide mededelingen alleen aan de betrokkene die daarom heeft verzocht. Hij wijst voorts de verdachte op de mogelijkheid van het doen verrichten van een tegenonderzoek.
3. De verdachte kan binnen veertien dagen nadat hem de uitslag is medegedeeld de officier van justitie verzoeken een andere door hem aangewezen deskundige, verbonden aan een van de aangewezen laboratoria, te benoemen met de opdracht tot het verrichten van dit onderzoek. De deskundige brengt aan de officier van justitie een met redenen omkleed verslag uit. De officier van justitie doet mededeling van de uitslag aan de verdachte en aan het slachtoffer dat daarom heeft verzocht.
@@ -11672,7 +11672,7 @@
##### Artikel 151g
1. Het slachtoffer van een misdrijf als bedoeld in [artikel 151e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151e&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan de officier van justitie verzoeken het onderzoek bedoeld in [artikel 151e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151e&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [artikel 151h, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151h&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [artikel 151i, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151i&z=2014-07-01&g=2014-07-01), te bevelen.
1. Het slachtoffer van een misdrijf als bedoeld in [artikel 151e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151e&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan de officier van justitie verzoeken het onderzoek bedoeld in [artikel 151e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151e&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [artikel 151h, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151h&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [artikel 151i, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151i&z=2014-11-01&g=2014-11-01), te bevelen.
2. De officier van justitie doet mededeling van zijn gemotiveerde beslissing op het verzoek binnen twaalf uur nadat hij het verzoek heeft ontvangen.
@@ -11680,19 +11680,19 @@
##### Artikel 151h
1. Indien de uitslag van het onderzoek als bedoeld in [artikel 151e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151e&z=2014-07-01&g=2014-07-01), negatief is, kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek na een periode van drie tot zes maanden na de eerste test opnieuw aan de verdachte verzoeken celmateriaal af te staan. Als de verdachte zijn medewerking weigert, kan het bevel tot medewerking slechts worden gegeven na schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie.
2. Indien de verdachte zijn medewerking aan dit onderzoek weigert, kan de officier van justitie zijn aanhouding bevelen. [Artikel 55, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=55&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [artikel 151e, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151e&z=2014-07-01&g=2014-07-01), zijn van overeenkomstige toepassing. Zodra het monster is afgenomen, maar uiterlijk binnen zes uur na aanhouding, wordt de verdachte in vrijheid gesteld.
3. [Artikel 151f, tweede tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151f&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
1. Indien de uitslag van het onderzoek als bedoeld in [artikel 151e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151e&z=2014-11-01&g=2014-11-01), negatief is, kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek na een periode van drie tot zes maanden na de eerste test opnieuw aan de verdachte verzoeken celmateriaal af te staan. Als de verdachte zijn medewerking weigert, kan het bevel tot medewerking slechts worden gegeven na schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie.
2. Indien de verdachte zijn medewerking aan dit onderzoek weigert, kan de officier van justitie zijn aanhouding bevelen. [Artikel 55, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=55&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [artikel 151e, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151e&z=2014-11-01&g=2014-11-01), zijn van overeenkomstige toepassing. Zodra het monster is afgenomen, maar uiterlijk binnen zes uur na aanhouding, wordt de verdachte in vrijheid gesteld.
3. [Artikel 151f, tweede tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151f&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels omtrent de uitvoering van dit artikel gegeven.
##### Artikel 151i
1. Indien de uitslag van het in [artikel 151e, eerste of vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151e&z=2014-07-01&g=2014-07-01), of [artikel 151h, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151h&z=2014-07-01&g=2014-07-01), bedoelde onderzoek positief is en nadien blijkt dat het slachtoffer met dezelfde ziekte is besmet, kan de officier van justitie een deskundige, verbonden aan een ingevolge het derde lid aangewezen laboratorium, benoemen met de opdracht om het bewaarde celmateriaal te onderzoeken teneinde vast te stellen of de besmetting daadwerkelijk is overgedragen, en hem een met redenen omkleed verslag uit te brengen.
2. [Artikel 151f, tweede tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151f&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
1. Indien de uitslag van het in [artikel 151e, eerste of vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151e&z=2014-11-01&g=2014-11-01), of [artikel 151h, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151h&z=2014-11-01&g=2014-11-01), bedoelde onderzoek positief is en nadien blijkt dat het slachtoffer met dezelfde ziekte is besmet, kan de officier van justitie een deskundige, verbonden aan een ingevolge het derde lid aangewezen laboratorium, benoemen met de opdracht om het bewaarde celmateriaal te onderzoeken teneinde vast te stellen of de besmetting daadwerkelijk is overgedragen, en hem een met redenen omkleed verslag uit te brengen.
2. [Artikel 151f, tweede tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151f&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels omtrent de uitvoering van dit artikel gegeven.
@@ -11704,15 +11704,15 @@
##### Artikel 177b
1. Het slachtoffer van een misdrijf als bedoeld in [artikel 151e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151e&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan aan de rechter-commissaris schriftelijk verzoeken om een onderzoek als bedoeld in [artikel 151e, eerste of vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151e&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [artikel 151h, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151h&z=2014-07-01&g=2014-07-01), of [artikel 151i, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151i&z=2014-07-01&g=2014-07-01), nadat dit door de officier van justitie is geweigerd.
1. Het slachtoffer van een misdrijf als bedoeld in [artikel 151e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151e&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan aan de rechter-commissaris schriftelijk verzoeken om een onderzoek als bedoeld in [artikel 151e, eerste of vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151e&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [artikel 151h, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151h&z=2014-11-01&g=2014-11-01), of [artikel 151i, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151i&z=2014-11-01&g=2014-11-01), nadat dit door de officier van justitie is geweigerd.
2. De rechter-commissaris stelt de officier van justitie, het slachtoffer en degene ten aanzien van wie onderzoek wordt verlangd in de gelegenheid te worden gehoord.
3. Het slachtoffer kan zich doen bijstaan of zich doen vertegenwoordigen door een advocaat indien deze verklaart daartoe bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd.
4. De rechter-commissaris beslist zo spoedig mogelijk; hij weigert het verzoek van het slachtoffer of wijst het toe en beveelt het onderzoek bedoeld in [artikel 151e, eerste of vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151e&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [artikel 151h, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151h&z=2014-07-01&g=2014-07-01), of [artikel 151i, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151i&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
5. [Artikel 151f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151f&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is van overeenkomstige toepassing nadat het bevel is gegeven.
4. De rechter-commissaris beslist zo spoedig mogelijk; hij weigert het verzoek van het slachtoffer of wijst het toe en beveelt het onderzoek bedoeld in [artikel 151e, eerste of vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151e&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [artikel 151h, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151h&z=2014-11-01&g=2014-11-01), of [artikel 151i, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151i&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
5. [Artikel 151f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151f&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is van overeenkomstige toepassing nadat het bevel is gegeven.
## Titel III. Gang van het gerechtelijk vooronderzoek
@@ -11858,7 +11858,7 @@
3. De rechtbank doet zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen drie dagen na indiening van de vordering, uitspraak op een vordering als bedoeld in het eerste of tweede lid. Deze uitspraak is dadelijk uitvoerbaar.
4. [Artikel 509j, tweede tot en met vierde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Tweede&artikel=509j&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing op een vordering als bedoeld in het eerste of tweede lid.
4. [Artikel 509j, tweede tot en met vierde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IIB&afdeling=Tweede&artikel=509j&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing op een vordering als bedoeld in het eerste of tweede lid.
##### Artikel 509hh
@@ -11948,11 +11948,11 @@
##### Artikel 51g
1. Bij de mededeling op grond van [artikel 51a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Eerste&artikel=51a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), dat vervolging tegen een verdachte wordt ingesteld, zendt de officier van justitie een formulier voor voeging toe. Voor de aanvang van de terechtzitting geschiedt de voeging door een opgave van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust, bij de officier van justitie die met de vervolging van het strafbare feit is belast. Deze opgave vindt plaats door middel van een door Onze Minister van Veiligheid en Justitie vastgesteld formulier.
1. Bij de mededeling op grond van [artikel 51a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IIIA&afdeling=Eerste&artikel=51a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), dat vervolging tegen een verdachte wordt ingesteld, zendt de officier van justitie een formulier voor voeging toe. Voor de aanvang van de terechtzitting geschiedt de voeging door een opgave van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust, bij de officier van justitie die met de vervolging van het strafbare feit is belast. Deze opgave vindt plaats door middel van een door Onze Minister van Veiligheid en Justitie vastgesteld formulier.
2. De officier van justitie doet van de voeging zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan de verdachte en, in het in het vierde lid bedoelde geval, aan diens ouders of voogd.
3. Ter terechtzitting geschiedt de voeging door de opgave, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, bij de rechter uiterlijk voordat de officier van justitie in de gelegenheid is gesteld overeenkomstig [artikel 311](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=311&z=2014-07-01&g=2014-07-01) het woord te voeren. Deze opgave kan ook mondeling worden gedaan.
3. Ter terechtzitting geschiedt de voeging door de opgave, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, bij de rechter uiterlijk voordat de officier van justitie in de gelegenheid is gesteld overeenkomstig [artikel 311](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Eerste&artikel=311&z=2014-11-01&g=2014-11-01) het woord te voeren. Deze opgave kan ook mondeling worden gedaan.
4. Indien de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft op een als doen te beschouwen gedraging van een verdachte die de leeftijd van veertien jaren nog niet heeft bereikt en aan wie deze gedraging als een onrechtmatige daad zou kunnen worden toegerekend als zijn leeftijd daaraan niet in de weg zou staan, wordt zij geacht te zijn gericht tegen diens ouders of voogd.
@@ -12090,7 +12090,7 @@
3. Het gerecht kan slechts bevelen dat het onderzoek niet wordt aangehouden, en dat een bevel tot medebrenging niet wordt verleend indien:
- a. het aanstonds een van de uitspraken bedoeld in [artikel 349, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=349&z=2014-07-01&g=2014-07-01), doet,
- a. het aanstonds een van de uitspraken bedoeld in [artikel 349, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&afdeling=Vierde&artikel=349&z=2014-11-01&g=2014-11-01), doet,
- b. de ouders of voogd geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland hebben, of
@@ -12148,7 +12148,7 @@
##### Artikel 126fa
1. Behoudens in de gevallen, bedoeld in [artikel 126f, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Negende&artikel=126f&z=2014-07-01&g=2014-07-01), kan op vordering van de officier van justitie een strafrechtelijk financieel onderzoek worden ingesteld of heropend, indien een einduitspraak op de vordering als bedoeld in [artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=36e) is gedaan.
1. Behoudens in de gevallen, bedoeld in [artikel 126f, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Negende&artikel=126f&z=2014-11-01&g=2014-11-01), kan op vordering van de officier van justitie een strafrechtelijk financieel onderzoek worden ingesteld of heropend, indien een einduitspraak op de vordering als bedoeld in [artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=36e) is gedaan.
2. De officier van justitie sluit het onderzoek zodra de uitspraak in kracht van gewijsde gaat.
@@ -12270,17 +12270,17 @@
##### Artikel 577ba
1. Bij gebreke van volledige betaling binnen de ingevolge [artikel 561, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=561&z=2014-07-01&g=2014-07-01), bedoelde termijn kan krachtens een met redenen omklede machtiging van de rechter-commissaris, op vordering van de officier van justitie, een onderzoek worden ingesteld naar het vermogen van de veroordeelde.
1. Bij gebreke van volledige betaling binnen de ingevolge [artikel 561, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=561&z=2014-11-01&g=2014-11-01), bedoelde termijn kan krachtens een met redenen omklede machtiging van de rechter-commissaris, op vordering van de officier van justitie, een onderzoek worden ingesteld naar het vermogen van de veroordeelde.
2. Het onderzoek is gericht op de vaststelling van de omvang van het vermogen van de veroordeelde waarop verhaal kan worden genomen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de maatregel, bedoeld in [artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=36e).
3. De vordering is met redenen omkleed en vermeldt de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting, het bedrag dat de veroordeelde ter voldoening daarvan reeds heeft betaald en of er een vordering als bedoeld in [artikel 577b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=577b&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is gedaan.
3. De vordering is met redenen omkleed en vermeldt de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting, het bedrag dat de veroordeelde ter voldoening daarvan reeds heeft betaald en of er een vordering als bedoeld in [artikel 577b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=577b&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is gedaan.
4. De rechter-commissaris verleent de machtiging, bedoeld in het eerste lid, indien:
- a. de hoogte van de resterende betalingsverplichting van aanzienlijk belang is, en;
- b. er aanwijzingen bestaan dat aan de veroordeelde voorwerpen toebehoren waarop krachtens [artikel 577b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=577b&z=2014-07-01&g=2014-07-01) verhaal kan worden genomen.
- b. er aanwijzingen bestaan dat aan de veroordeelde voorwerpen toebehoren waarop krachtens [artikel 577b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=577b&z=2014-11-01&g=2014-11-01) verhaal kan worden genomen.
5. De machtiging geldt voor ten hoogste zes maanden en kan op vordering van de officier van justitie telkens met een zelfde duur worden verlengd, totdat de maximale duur van twee jaren is bereikt.
@@ -12300,29 +12300,29 @@
- a. van eenieder te vorderen op te geven of, en zo ja welke, vermogensbestanddelen hij onder zich heeft of heeft gehad, die toebehoren of hebben toebehoord aan degene tegen wie het onderzoek is gericht;
- b. van degene die daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komt en die anders dan ten behoeve van persoonlijk gebruik gegevens verwerkt, te vorderen bepaalde opgeslagen of vastgelegde identificerende gegevens, in de zin van [artikel 126nc, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nc&z=2014-07-01&g=2014-07-01), van een persoon te verstrekken;
- c. aan iedere aanbieder van een communicatiedienst een vordering te doen gegevens te verstrekken terzake van naam, adres, postcode, woonplaats, nummer en soort dienst van een gebruik van een communicatiedienst in de zin van [artikel 126la](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126la&z=2014-07-01&g=2014-07-01);
- b. van degene die daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komt en die anders dan ten behoeve van persoonlijk gebruik gegevens verwerkt, te vorderen bepaalde opgeslagen of vastgelegde identificerende gegevens, in de zin van [artikel 126nc, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nc&z=2014-11-01&g=2014-11-01), van een persoon te verstrekken;
- c. aan iedere aanbieder van een communicatiedienst een vordering te doen gegevens te verstrekken terzake van naam, adres, postcode, woonplaats, nummer en soort dienst van een gebruik van een communicatiedienst in de zin van [artikel 126la](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126la&z=2014-11-01&g=2014-11-01);
- d. een persoon stelselmatig te volgen of stelselmatig de aanwezigheid of het gedrag van een persoon waar te nemen;
- e. zonder toestemming van de rechthebbende een besloten plaats, niet zijnde een woning, te betreden dan wel een technisch hulpmiddel aan te wenden teneinde die plaats op te nemen, aldaar sporen veilig te stellen of aldaar een technisch hulpmiddel te plaatsen teneinde de aanwezigheid of verplaatsing van een goed vast te kunnen stellen.
2. Op de vordering bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is [artikel 126a, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Negende&artikel=126a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) van overeenkomstige toepassing.
3. Op de vordering bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is [artikel 126nc, derde tot en met vijfde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nc&z=2014-07-01&g=2014-07-01), van overeenkomstige toepassing.
2. Op de vordering bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is [artikel 126a, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Negende&artikel=126a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) van overeenkomstige toepassing.
3. Op de vordering bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is [artikel 126nc, derde tot en met vijfde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nc&z=2014-11-01&g=2014-11-01), van overeenkomstige toepassing.
4. De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek bepalen dat bij de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, onder d, een technisch hulpmiddel kan worden aangewend, voor zover daarmee geen vertrouwelijke communicatie wordt opgenomen. Een technisch hulpmiddel wordt niet op een persoon bevestigd, tenzij met diens toestemming.
5. De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek bepalen dat bij de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, onder d, een besloten plaats, niet zijnde een woning, kan worden betreden zonder toestemming van de rechthebbende.
6. Op het bevel, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, is [artikel 126g, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Eerste&artikel=126g&z=2014-07-01&g=2014-07-01), van overeenkomstige toepassing.
6. Op het bevel, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, is [artikel 126g, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Eerste&artikel=126g&z=2014-11-01&g=2014-11-01), van overeenkomstige toepassing.
7. De opsporingsambtenaar kan in afwachting van de komst van de deurwaarder de maatregelen nemen die redelijkerwijs nodig zijn om voor verhaal vatbare voorwerpen veilig te stellen. Deze maatregelen kunnen de vrijheid van personen die zich ter plaatse bevinden beperken.
##### Artikel 577bc
1. Een bevel van de officier van justitie als bedoeld in [artikel 577bb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=577bb&z=2014-07-01&g=2014-07-01) alsmede een wijziging, aanvulling, verlenging of intrekking daarvan, wordt schriftelijk gegeven. Aan een schriftelijk bevel staat gelijk een mondeling bevel dat onverwijld op schrift is gesteld.
1. Een bevel van de officier van justitie als bedoeld in [artikel 577bb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=577bb&z=2014-11-01&g=2014-11-01) alsmede een wijziging, aanvulling, verlenging of intrekking daarvan, wordt schriftelijk gegeven. Aan een schriftelijk bevel staat gelijk een mondeling bevel dat onverwijld op schrift is gesteld.
2. Een bevel kan worden gewijzigd, aangevuld, verlengd of ingetrokken.
@@ -12338,7 +12338,7 @@
- a. de plaats waarop het bevel betrekking heeft;
- b. bij toepassing van [artikel 577bb, eerste lid, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=577bb&z=2014-07-01&g=2014-07-01), voorts het tijdstip waarop of de periode waarbinnen aan het bevel uitvoering wordt gegeven.
- b. bij toepassing van [artikel 577bb, eerste lid, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=577bb&z=2014-11-01&g=2014-11-01), voorts het tijdstip waarop of de periode waarbinnen aan het bevel uitvoering wordt gegeven.
5. De opsporingsambtenaar maakt van de uitvoering van het bevel proces-verbaal op. Het proces-verbaal vermeldt:
@@ -12348,7 +12348,7 @@
- c. de gegevens die naar aanleiding van een bevel of op een vordering zijn verstrekt;
- d. de feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat aan de voorwaarden genoemd in [artikel 577bb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=577bb&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is voldaan.
- d. de feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat aan de voorwaarden genoemd in [artikel 577bb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=577bb&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is voldaan.
6. Indien een bevel mondeling is gegeven en een wijziging, aanvulling, verlenging of intrekking van een bevel, als bedoeld in het tweede lid, niet op schrift is gesteld, wordt daarvan melding gemaakt in het proces-verbaal.
@@ -12356,11 +12356,11 @@
1. De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot bepaalde opgeslagen of vastgelegde gegevens, vorderen deze gegevens te verstrekken.
2. [Artikel 126nd, tweede tot en met vierde lid en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
2. [Artikel 126nd, tweede tot en met vierde lid en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
3. De officier van justitie doet van de verstrekking van gegevens proces-verbaal opmaken, waarin worden vermeld:
- a. de gegevens bedoeld in [artikel 126nd, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-07-01&g=2014-07-01);
- a. de gegevens bedoeld in [artikel 126nd, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Achtste&artikel=126nd&z=2014-11-01&g=2014-11-01);
- b. de naar aanleiding van de vordering verstrekte gegevens;
@@ -12372,13 +12372,13 @@
6. De officier van justitie kan indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert bepalen dat degene tot wie de vordering is gericht de gegevens direct na de verwerking verstrekt, dan wel telkens binnen een bepaalde periode na de verwerking verstrekt. De officier van justitie behoeft hiervoor voorafgaande schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris.
7. De officier van justitie kan indien het belang van het onderzoek dit vordert bij of terstond na de toepassing van het eerste of het vierde lid, degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij kennis draagt van de wijze van versleuteling van de in het eerste en vierde lid bedoelde gegevens, bevelen medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van de gegevens door de versleuteling ongedaan te maken dan wel deze kennis ter beschikking te stellen. Dit bevel wordt niet gegeven aan de veroordeelde. [Artikel 96a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
7. De officier van justitie kan indien het belang van het onderzoek dit vordert bij of terstond na de toepassing van het eerste of het vierde lid, degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij kennis draagt van de wijze van versleuteling van de in het eerste en vierde lid bedoelde gegevens, bevelen medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van de gegevens door de versleuteling ongedaan te maken dan wel deze kennis ter beschikking te stellen. Dit bevel wordt niet gegeven aan de veroordeelde. [Artikel 96a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 577be
1. De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek een vordering doen gegevens te verstrekken over een gebruiker van een communicatiedienst en het communicatieverkeer met betrekking tot die gebruiker in de zin van [artikel 126la](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126la&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
2. [Artikel 126n, eerste lid, tweede volzin, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126n&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
1. De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek een vordering doen gegevens te verstrekken over een gebruiker van een communicatiedienst en het communicatieverkeer met betrekking tot die gebruiker in de zin van [artikel 126la](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126la&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
2. [Artikel 126n, eerste lid, tweede volzin, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126n&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
3. De officier van justitie doet van de vordering, bedoeld in het eerste lid, proces-verbaal opmaken, waarin worden vermeld:
@@ -12390,15 +12390,15 @@
- d. indien de vordering betrekking heeft op gegevens die na het tijdstip van de vordering worden verwerkt, de periode waarover de vordering zich uitstrekt.
4. [Artikel 126n, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126n&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
4. [Artikel 126n, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126n&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 577bf
1. De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek aan een opsporingsambtenaar bevelen dat met een technisch hulpmiddel niet voor het publiek bestemde communicatie die plaatsvindt met gebruikmaking van de diensten van een aanbieder van een communicatiedienst, in de zin van [artikel 126la](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126la&z=2014-07-01&g=2014-07-01), wordt opgenomen.
2. Het bevel, bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden gegeven na voorafgaande schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris. De [artikelen 126m, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126m&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [126ma](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126ma&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Het bevel wordt gegeven voor een duur van ten hoogste vier weken. Naast de gegevens bedoeld in [artikel 577bc, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=577bc&z=2014-07-01&g=2014-07-01), vermeldt het bevel:
1. De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek aan een opsporingsambtenaar bevelen dat met een technisch hulpmiddel niet voor het publiek bestemde communicatie die plaatsvindt met gebruikmaking van de diensten van een aanbieder van een communicatiedienst, in de zin van [artikel 126la](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126la&z=2014-11-01&g=2014-11-01), wordt opgenomen.
2. Het bevel, bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden gegeven na voorafgaande schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris. De [artikelen 126m, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126m&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [126ma](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126ma&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Het bevel wordt gegeven voor een duur van ten hoogste vier weken. Naast de gegevens bedoeld in [artikel 577bc, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=577bc&z=2014-11-01&g=2014-11-01), vermeldt het bevel:
- a. zo mogelijk het nummer of een andere aanduiding waarmee de individuele gebruiker van de communicatiedienst wordt geïdentificeerd, en:
@@ -12406,17 +12406,17 @@
- c. de aard van het technisch hulpmiddel of de technische hulpmiddelen waarmee de communicatie wordt opgenomen.
4. De officier van justitie kan, indien de in het eerste lid bedoelde communicatie wordt opgenomen, indien het belang van het onderzoek dit vordert, tot degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij kennis draagt van de wijze van versleuteling van de communicatie, de vordering richten medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van de gegevens door hetzij deze kennis ter beschikking te stellen, hetzij de versleuteling ongedaan te maken. De vordering wordt niet gericht tot de veroordeelde. [Artikel 96a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
4. De officier van justitie kan, indien de in het eerste lid bedoelde communicatie wordt opgenomen, indien het belang van het onderzoek dit vordert, tot degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij kennis draagt van de wijze van versleuteling van de communicatie, de vordering richten medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van de gegevens door hetzij deze kennis ter beschikking te stellen, hetzij de versleuteling ongedaan te maken. De vordering wordt niet gericht tot de veroordeelde. [Artikel 96a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
5. De vordering, bedoeld in het vierde lid, kan slechts worden gedaan na voorafgaande schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris.
6. [Artikel 577bc, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=577bc&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
6. [Artikel 577bc, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=577bc&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 577bg
1. Indien het onderzoek naar het vermogen van de veroordeelde is geëindigd, zijn de [artikelen 126bb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Tweede&artikel=126bb&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [126dd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Derde&artikel=126dd&z=2014-07-01&g=2014-07-01) van overeenkomstige toepassing.
2. Zodra twee maanden zijn verstreken nadat het onderzoek is geëindigd en aan de betrokkenen mededeling, bedoeld in [artikel 126bb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Tweede&artikel=126bb&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is gedaan, draagt de officier van justitie ervoor zorg dat processen-verbaal en voorwerpen waaraan gegevens kunnen worden ontleend en die zijn verkregen met toepassing van de in de [artikelen 577ba tot en met 577bf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=577ba&z=2014-07-01&g=2014-07-01) genoemde bevoegdheden, worden vernietigd. Van de vernietiging wordt proces-verbaal opgemaakt.
1. Indien het onderzoek naar het vermogen van de veroordeelde is geëindigd, zijn de [artikelen 126bb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Tweede&artikel=126bb&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [126dd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Derde&artikel=126dd&z=2014-11-01&g=2014-11-01) van overeenkomstige toepassing.
2. Zodra twee maanden zijn verstreken nadat het onderzoek is geëindigd en aan de betrokkenen mededeling, bedoeld in [artikel 126bb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=VD&afdeling=Tweede&artikel=126bb&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is gedaan, draagt de officier van justitie ervoor zorg dat processen-verbaal en voorwerpen waaraan gegevens kunnen worden ontleend en die zijn verkregen met toepassing van de in de [artikelen 577ba tot en met 577bf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde&titeldeel=I&afdeling=Derde&artikel=577ba&z=2014-11-01&g=2014-11-01) genoemde bevoegdheden, worden vernietigd. Van de vernietiging wordt proces-verbaal opgemaakt.
### Derde afdeling A. Gijzeling
@@ -12446,25 +12446,25 @@
1. De officier van justitie is tijdens het opsporingsonderzoek verantwoordelijk voor de samenstelling van de processtukken.
2. Tot de processtukken behoren alle stukken die voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn, behoudens het bepaalde in [artikel 149b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=149b&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
2. Tot de processtukken behoren alle stukken die voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn, behoudens het bepaalde in [artikel 149b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=149b&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gesteld over de wijze waarop de processtukken worden samengesteld en ingericht.
##### Artikel 149b
1. De officier van justitie is bevoegd, indien hij dit met het oog op de in [artikel 187d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=187d&z=2014-07-01&g=2014-07-01), vermelde belangen noodzakelijk acht, de voeging van bepaalde stukken of gedeelten daarvan bij de processtukken achterwege te laten. Hij behoeft daartoe een schriftelijke machtiging, op diens vordering te verlenen door de rechter-commissaris. De vordering en de beschikking worden bij de processtukken gevoegd.
2. De officier van justitie doet van de toepassing van het eerste lid en, voor zover de in [artikel 187d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=187d&z=2014-07-01&g=2014-07-01), vermelde belangen dat toelaten, de redenen waarom, proces-verbaal opmaken. Dit proces-verbaal wordt bij de processtukken gevoegd.
1. De officier van justitie is bevoegd, indien hij dit met het oog op de in [artikel 187d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=187d&z=2014-11-01&g=2014-11-01), vermelde belangen noodzakelijk acht, de voeging van bepaalde stukken of gedeelten daarvan bij de processtukken achterwege te laten. Hij behoeft daartoe een schriftelijke machtiging, op diens vordering te verlenen door de rechter-commissaris. De vordering en de beschikking worden bij de processtukken gevoegd.
2. De officier van justitie doet van de toepassing van het eerste lid en, voor zover de in [artikel 187d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=187d&z=2014-11-01&g=2014-11-01), vermelde belangen dat toelaten, de redenen waarom, proces-verbaal opmaken. Dit proces-verbaal wordt bij de processtukken gevoegd.
3. Zolang de zaak niet is geëindigd, bewaart de officier van justitie de in het eerste lid bedoelde stukken.
##### Artikel 151da
1. In afwijking van [artikel 21, vierde lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=21) kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek bevelen dat een DNA-onderzoek verricht wordt dat gericht is op het vaststellen van verwantschap. Ingeval het DNA-onderzoek verricht wordt met behulp van de DNA-profielen, die overeenkomstig dit wetboek, de Wet bescherming persoonsgegevens en de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden verwerkt zijn, kan het bevel slechts worden gegeven na schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie. [Artikel 151a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
1. In afwijking van [artikel 21, vierde lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=21) kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek bevelen dat een DNA-onderzoek verricht wordt dat gericht is op het vaststellen van verwantschap. Ingeval het DNA-onderzoek verricht wordt met behulp van de DNA-profielen, die overeenkomstig dit wetboek, de Wet bescherming persoonsgegevens en de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden verwerkt zijn, kan het bevel slechts worden gegeven na schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie. [Artikel 151a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
2. Celmateriaal dat ingevolge dit wetboek, de [Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468) of de [Wet DNA-onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017212) bij veroordeelden is afgenomen ten behoeve van het bepalen en verwerken van een DNA-profiel, mag worden gebruikt voor het vaststellen van verwantschap. Celmateriaal van een derde kan, behoudens het geval, bedoeld in de volgende volzin, slechts met zijn schriftelijke toestemming worden afgenomen en gebruikt voor het vaststellen van verwantschap. Ingeval een derde minderjarig is en vermoed wordt dat hij voorwerp is van een misdrijf als omschreven in [artikel 197a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=197a), [242](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=242), [243](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=243), [244](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=244), [245](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=245), [246](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=246), [247](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=247), [248](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=248), [248a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=248a), [248b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=248b), [249](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=249), [256](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=256), [273f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=273f), [278](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=278), [287](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=287), [289](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=289), [290](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=290) of [291 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=291), kan in het belang van het onderzoek celmateriaal bij de derde op bevel van de officier van justitie na schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris worden afgenomen en gebruikt voor het vaststellen van verwantschap.
3. Het DNA-onderzoek kan slechts worden verricht in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld en een van de misdrijven omschreven in de [artikelen 109](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=109), [110](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=110), [141, tweede lid, onder 1°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=141), [181, onder 2°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=181), [182](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=182), [247](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=247), [248a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=248a), [248b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=248b), [249](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=249), [281, eerste lid, onder 1°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=281), [290](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=290), [300, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=300), en [301, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=301). Indien een DNA-onderzoek als bedoeld in [artikel 151a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), leidt tot het vaststellen van verwantschap, kan de officier van justitie dit resultaat in het opsporingsonderzoek gebruiken.
3. Het DNA-onderzoek kan slechts worden verricht in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld en een van de misdrijven omschreven in de [artikelen 109](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=109), [110](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=110), [141, tweede lid, onder 1°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=141), [181, onder 2°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=181), [182](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=182), [247](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=247), [248a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=248a), [248b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=248b), [249](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=249), [281, eerste lid, onder 1°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=281), [290](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=290), [300, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=300), en [301, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=301). Indien een DNA-onderzoek als bedoeld in [artikel 151a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=I&afdeling=Tweede&artikel=151a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), leidt tot het vaststellen van verwantschap, kan de officier van justitie dit resultaat in het opsporingsonderzoek gebruiken.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze van uitvoering van het DNA-onderzoek.
@@ -12478,11 +12478,11 @@
##### Artikel 195g
1. In afwijking van [artikel 21, vierde lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=21) kan de rechter-commissaris in het belang van het onderzoek bevelen dat een DNA-onderzoek verricht wordt dat gericht is op het vaststellen van verwantschap. [Artikel 195a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=195a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
1. In afwijking van [artikel 21, vierde lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=21) kan de rechter-commissaris in het belang van het onderzoek bevelen dat een DNA-onderzoek verricht wordt dat gericht is op het vaststellen van verwantschap. [Artikel 195a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=195a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
2. Celmateriaal dat ingevolge dit wetboek, de [Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468) of de [Wet DNA-onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017212) bij veroordeelden is afgenomen ten behoeve van het bepalen en verwerken van een DNA-profiel, mag worden gebruikt voor het vaststellen van verwantschap. Celmateriaal van een derde kan, behoudens het geval, bedoeld in de volgende volzin, slechts met zijn schriftelijke toestemming worden afgenomen en gebruikt voor het vaststellen van verwantschap. Ingeval een derde minderjarig is en vermoed wordt dat hij voorwerp is van een misdrijf als omschreven in [artikel 197a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=197a), [242](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=242), [243](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=243), [244](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=244), [245](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=245), [246](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=246), [247](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=247), [248](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=248), [248a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=248a), [248b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=248b), [249](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=249), [256](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=256), [273f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=273f), [278](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=278), [287](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=287), [289](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=289), [290](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=290) of 2[91 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=291), kan in het belang van het onderzoek celmateriaal bij de derde op bevel van de rechter-commissaris worden afgenomen en gebruikt voor het vaststellen van verwantschap.
3. Het DNA-onderzoek kan slechts worden verricht in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld en een van de misdrijven omschreven in de [artikelen 109](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=109), [110](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=110), [141, tweede lid, onder 1°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=141), [181, onder 2°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=181), [182](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=182), [247](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=247), [248a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=248a), [248b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=248b), [249](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=249), [281, eerste lid, onder 1°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=281), [290](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=290), 3[00, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=300), en [301, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=301). Indien een DNA-onderzoek als bedoeld in [artikel 195a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=195a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), leidt tot het vaststellen van verwantschap, kan de rechter-commissaris dit resultaat gebruiken bij onderzoekshandelingen die hij uit hoofde van de [artikelen 181 tot en met 183](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=181&z=2014-07-01&g=2014-07-01) verricht.
3. Het DNA-onderzoek kan slechts worden verricht in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld en een van de misdrijven omschreven in de [artikelen 109](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=109), [110](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=110), [141, tweede lid, onder 1°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=141), [181, onder 2°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=181), [182](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=182), [247](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=247), [248a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=248a), [248b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=248b), [249](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=249), [281, eerste lid, onder 1°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=281), [290](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=290), 3[00, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=300), en [301, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=301). Indien een DNA-onderzoek als bedoeld in [artikel 195a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Tweede&artikel=195a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), leidt tot het vaststellen van verwantschap, kan de rechter-commissaris dit resultaat gebruiken bij onderzoekshandelingen die hij uit hoofde van de [artikelen 181 tot en met 183](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=181&z=2014-11-01&g=2014-11-01) verricht.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze van uitvoering van het DNA-onderzoek.
@@ -12582,7 +12582,7 @@
##### Artikel 572a
De officier van justitie kan van een ieder vorderen de gegevens te verstrekken die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de tenuitvoerlegging van een vonnis, een arrest of een strafbeschikking houdende veroordeling tot geldboete of tot een maatregel als bedoeld in [artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=36f). [Artikel 96a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
De officier van justitie kan van een ieder vorderen de gegevens te verstrekken die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de tenuitvoerlegging van een vonnis, een arrest of een strafbeschikking houdende veroordeling tot geldboete of tot een maatregel als bedoeld in [artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=36f). [Artikel 96a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=96a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is van overeenkomstige toepassing.
### Derde afdeling A. Gijzeling
@@ -12620,7 +12620,7 @@
##### Artikel 552iie
De [artikelen 552dd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=552dd&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [552gg, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=552gg&z=2014-07-01&g=2014-07-01), zijn van overeenkomstige toepassing bij de overname van strafvervolging van een internationaal gerecht.
De [artikelen 552dd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=552dd&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [552gg, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=X&afdeling=Derde&paragraaf=2&artikel=552gg&z=2014-11-01&g=2014-11-01), zijn van overeenkomstige toepassing bij de overname van strafvervolging van een internationaal gerecht.
## Boek Vijfde. Tenuitvoerlegging en kosten
@@ -12642,9 +12642,9 @@
##### Artikel 464a
1. In gevallen waarin de Hoge Raad beslist op een herzieningsaanvraag die betrekking heeft op een uitspraak als bedoeld in [artikel 457, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=457&z=2014-07-01&g=2014-07-01), waartegen beroep in cassatie als bedoeld in de Derde Titel van het Derde Boek is ingesteld, is hij samengesteld uit raadsheren die niet op het beroep in cassatie hebben beslist.
2. In gevallen waarin de procureur-generaal, de plaatsvervangend procureur-generaal of een advocaat-generaal met betrekking tot een uitspraak als bedoeld in [artikel 457, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=457&z=2014-07-01&g=2014-07-01), eerder bevoegdheden heeft uitgeoefend die op grond van de [Derde Titel van het Derde Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=III&z=2014-07-01&g=2014-07-01) aan de procureur-generaal zijn toegekend, worden de bevoegdheden die in deze Titel aan de procureur-generaal zijn toegekend bij voorkeur uitgeoefend door:
1. In gevallen waarin de Hoge Raad beslist op een herzieningsaanvraag die betrekking heeft op een uitspraak als bedoeld in [artikel 457, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=457&z=2014-11-01&g=2014-11-01), waartegen beroep in cassatie als bedoeld in de Derde Titel van het Derde Boek is ingesteld, is hij samengesteld uit raadsheren die niet op het beroep in cassatie hebben beslist.
2. In gevallen waarin de procureur-generaal, de plaatsvervangend procureur-generaal of een advocaat-generaal met betrekking tot een uitspraak als bedoeld in [artikel 457, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=457&z=2014-11-01&g=2014-11-01), eerder bevoegdheden heeft uitgeoefend die op grond van de [Derde Titel van het Derde Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=III&z=2014-11-01&g=2014-11-01) aan de procureur-generaal zijn toegekend, worden de bevoegdheden die in deze Titel aan de procureur-generaal zijn toegekend bij voorkeur uitgeoefend door:
- a. in geval het de procureur-generaal betreft: de plaatsvervangend procureur-generaal of een advocaat-generaal;
@@ -12772,13 +12772,13 @@
2. Met een door een bevoegde justitiële autoriteit uitgevaardigd Europees bewijsverkrijgingsbevel als bedoeld in het eerste lid wordt gelijk gesteld een Europees bewijsverkrijgingsbevel dat is uitgevaardigd door een andere autoriteit die door de uitvaardigende lidstaat is aangewezen als bevoegd tot het uitvaardigen van een Europees bewijsverkrijgingsbevel, voor zover de uitvoering van dat bevel kan geschieden zonder toepassing van dwangmiddelen. Indien voor de uitvoering van het bevel toepassing van dwangmiddelen is vereist, is het bevel slechts voor erkenning en tenuitvoerlegging vatbaar indien het is bekrachtigd door een justitiële autoriteit van de uitvaardigende lidstaat.
3. Niet voor erkenning en tenuitvoerlegging vatbaar is een Europees bewijsverkrijgingsbevel strekkende tot het verkrijgen van opgeslagen of vastgelegde gegevens over het communicatieverkeer van een gebruiker van een communicatiedienst als bedoeld in [artikel 126la](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126la&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
3. Niet voor erkenning en tenuitvoerlegging vatbaar is een Europees bewijsverkrijgingsbevel strekkende tot het verkrijgen van opgeslagen of vastgelegde gegevens over het communicatieverkeer van een gebruiker van een communicatiedienst als bedoeld in [artikel 126la](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126la&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
##### Artikel 552xx
1. Een voor erkenning en tenuitvoerlegging vatbaar Europees bewijsverkrijgingsbevel wordt door de officier van justitie erkend en ten uitvoer gelegd overeenkomstig het bepaalde in [artikel 552aaa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=XI&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=552aaa&z=2014-07-01&g=2014-07-01), tenzij de tenuitvoerlegging wordt geweigerd op grond van [artikel 552yy](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=XI&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=552yy&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
2. Indien het bevel onvolledig of kennelijk onjuist is of in het geval, bedoeld in [artikel 552ww, tweede lid, tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=XI&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=552ww&z=2014-07-01&g=2014-07-01), niet door een justitiële autoriteit is bekrachtigd, stelt de officier van justitie de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat in de gelegenheid binnen een door hem te stellen redelijke termijn het bevel alsnog aan te vullen, te verbeteren of door een justitiële autoriteit te laten bekrachtigen.
1. Een voor erkenning en tenuitvoerlegging vatbaar Europees bewijsverkrijgingsbevel wordt door de officier van justitie erkend en ten uitvoer gelegd overeenkomstig het bepaalde in [artikel 552aaa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=XI&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=552aaa&z=2014-11-01&g=2014-11-01), tenzij de tenuitvoerlegging wordt geweigerd op grond van [artikel 552yy](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=XI&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=552yy&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
2. Indien het bevel onvolledig of kennelijk onjuist is of in het geval, bedoeld in [artikel 552ww, tweede lid, tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=XI&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=552ww&z=2014-11-01&g=2014-11-01), niet door een justitiële autoriteit is bekrachtigd, stelt de officier van justitie de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat in de gelegenheid binnen een door hem te stellen redelijke termijn het bevel alsnog aan te vullen, te verbeteren of door een justitiële autoriteit te laten bekrachtigen.
3. Het bevel wordt, zo dit niet aan een officier van justitie is gezonden, door de geadresseerde onverwijld doorgezonden aan de officier van justitie. De geadresseerde stelt de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat schriftelijk in kennis van de doorzending.
@@ -12786,15 +12786,15 @@
1. De tenuitvoerlegging van een Europees bewijsverkrijgingsbevel wordt geweigerd, indien:
- a. de uitvoering van het bevel zou strekken tot het verlenen van medewerking aan een vervolging of berechting die onverenigbaar is met het aan [artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=68) en [artikel 255, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=IV&artikel=255&z=2014-07-01&g=2014-07-01), van dit wetboek ten grondslag liggende beginsel;
- a. de uitvoering van het bevel zou strekken tot het verlenen van medewerking aan een vervolging of berechting die onverenigbaar is met het aan [artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=68) en [artikel 255, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=IV&artikel=255&z=2014-11-01&g=2014-11-01), van dit wetboek ten grondslag liggende beginsel;
- b. onverminderd het bepaalde in het derde lid, het feit waarvoor het bevel is uitgevaardigd, indien het in Nederland was begaan, naar Nederlands recht niet strafbaar zou zijn en voor de uitvoering van het bevel toepassing van dwangmiddelen is vereist;
- c. onverminderd het bepaalde in het derde lid, de uitvoering van het bevel noopt tot toepassing van bevoegdheden die, indien het feit waarvoor het bevel is uitgevaardigd in Nederland was begaan, naar Nederlands recht niet zouden kunnen worden toegepast;
- d. de uitvoering van het bevel onverenigbaar is met een krachtens Nederlands recht geldend voorrecht of immuniteit, waaronder mede wordt verstaan het verschoningsrecht, bedoeld in [artikel 218](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=218&z=2014-07-01&g=2014-07-01);
- e. het bevel niet door een justitiële autoriteit is uitgevaardigd en ook na verloop van de termijn, bedoeld in [artikel 552xx, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=XI&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=552xx&z=2014-07-01&g=2014-07-01), niet door een zodanige autoriteit is bekrachtigd terwijl voor de uitvoering van het bevel toepassing van dwangmiddelen is vereist.
- d. de uitvoering van het bevel onverenigbaar is met een krachtens Nederlands recht geldend voorrecht of immuniteit, waaronder mede wordt verstaan het verschoningsrecht, bedoeld in [artikel 218](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Vierde&artikel=218&z=2014-11-01&g=2014-11-01);
- e. het bevel niet door een justitiële autoriteit is uitgevaardigd en ook na verloop van de termijn, bedoeld in [artikel 552xx, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=XI&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=552xx&z=2014-11-01&g=2014-11-01), niet door een zodanige autoriteit is bekrachtigd terwijl voor de uitvoering van het bevel toepassing van dwangmiddelen is vereist.
2. Voorts kan de tenuitvoerlegging van een Europees bewijsverkrijgingsbevel worden geweigerd, indien:
@@ -12806,7 +12806,7 @@
- b. door de uitvoering van het bevel wezenlijke belangen van nationale veiligheid worden geschaad of de bron van informatie in gevaar wordt gebracht dan wel het bevel strekt tot verstrekking van gegevens van inlichtingendiensten die als geclassificeerd zijn aangemerkt;
- c. na verloop van de termijn, bedoeld in [artikel 552xx, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=XI&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=552xx&z=2014-07-01&g=2014-07-01), het bevel onvolledig of kennelijk onjuist is.
- c. na verloop van de termijn, bedoeld in [artikel 552xx, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=XI&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=552xx&z=2014-11-01&g=2014-11-01), het bevel onvolledig of kennelijk onjuist is.
3. De tenuitvoerlegging van een bevel wordt niet geweigerd op grond van het eerste lid, onderdelen b of c, indien het feit waarvoor het bevel is uitgevaardigd, is vermeld op of valt onder de lijst met feiten en soorten van feiten, genoemd in artikel 14 van het kaderbesluit nr. 2008/978/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 18 december 2008 betreffende het Europees bewijsverkrijgingsbevel ter verkrijging van voorwerpen, documenten en gegevens voor gebruik in strafprocedures (PbEU L 350), en op dat feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
@@ -12814,7 +12814,7 @@
5. Indien de officier van justitie overweegt de tenuitvoerlegging te weigeren op grond van het tweede lid, onderdeel a, onder 1°, raadpleegt hij Eurojust. Besluit de officier van justitie, in afwijking van het advies van Eurojust, de tenuitvoerlegging te weigeren, dan wordt daarvan het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie in kennis gesteld.
6. Onverminderd het bepaalde in [artikel 552xx, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=XI&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=552xx&z=2014-07-01&g=2014-07-01), beslist de officier van justitie zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen dertig dagen na ontvangst van het bevel, over de erkenning en tenuitvoerlegging ervan. Hij stelt de uitvaardigende autoriteit onverwijld van zijn beslissing in kennis. Indien het redelijkerwijs niet mogelijk is binnen dertig dagen te beslissen, stelt hij de uitvaardigende autoriteit hiervan met opgaaf van redenen in kennis alsmede van de termijn waarbinnen naar verwachting zal worden beslist. Indien de officier van justitie de tenuitvoerlegging van het bevel weigert, geschiedt de kennisgeving schriftelijk en met redenen omkleed.
6. Onverminderd het bepaalde in [artikel 552xx, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=XI&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=552xx&z=2014-11-01&g=2014-11-01), beslist de officier van justitie zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen dertig dagen na ontvangst van het bevel, over de erkenning en tenuitvoerlegging ervan. Hij stelt de uitvaardigende autoriteit onverwijld van zijn beslissing in kennis. Indien het redelijkerwijs niet mogelijk is binnen dertig dagen te beslissen, stelt hij de uitvaardigende autoriteit hiervan met opgaaf van redenen in kennis alsmede van de termijn waarbinnen naar verwachting zal worden beslist. Indien de officier van justitie de tenuitvoerlegging van het bevel weigert, geschiedt de kennisgeving schriftelijk en met redenen omkleed.
##### Artikel 552zz
@@ -12832,11 +12832,11 @@
1. De tenuitvoerlegging van een Europees bewijsverkrijgingsbevel geschiedt in opdracht van de officier van justitie overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van dit wetboek, tenzij in deze titel anders is bepaald.
2. De officier van justitie stelt een Europees bewijsverkrijgingsbevel in handen van de rechter-commissaris, indien de uitvoering ervan noopt tot toepassing van bevoegdheden die aan de rechter-commissaris zijn voorbehouden. De overlegging geschiedt bij een schriftelijke vordering, waarin wordt omschreven welke verrichtingen van de rechter-commissaris worden verlangd. Deze vordering heeft dezelfde rechtsgevolgen als een vordering tot het verrichten van onderzoekshandelingen door de rechter-commissaris uit hoofde van [artikel 181](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=181&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
3. Voor zover het Europees bewijsverkrijgingsbevel betrekking heeft op een feit als bedoeld in [artikel 552yy](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=XI&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=552yy&z=2014-07-01&g=2014-07-01), derde lid, kunnen de voor de uitvoering van het bevel benodigde bevoegdheden worden uitgeoefend ook buiten de in de toepasselijke bepalingen genoemde gevallen.
4. Tenzij de tenuitvoerlegging op grond van [artikel 552zz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=XI&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=552zz&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is opgeschort, geschiedt deze binnen zestig dagen na ontvangst van het bevel. Indien dit redelijkerwijs niet mogelijk is, stelt de officier van justitie de uitvaardigende autoriteit hiervan met opgaaf van redenen in kennis alsmede van de termijn waarbinnen tenuitvoerlegging naar verwachting zal plaatsvinden.
2. De officier van justitie stelt een Europees bewijsverkrijgingsbevel in handen van de rechter-commissaris, indien de uitvoering ervan noopt tot toepassing van bevoegdheden die aan de rechter-commissaris zijn voorbehouden. De overlegging geschiedt bij een schriftelijke vordering, waarin wordt omschreven welke verrichtingen van de rechter-commissaris worden verlangd. Deze vordering heeft dezelfde rechtsgevolgen als een vordering tot het verrichten van onderzoekshandelingen door de rechter-commissaris uit hoofde van [artikel 181](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=III&afdeling=Eerste&artikel=181&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
3. Voor zover het Europees bewijsverkrijgingsbevel betrekking heeft op een feit als bedoeld in [artikel 552yy](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=XI&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=552yy&z=2014-11-01&g=2014-11-01), derde lid, kunnen de voor de uitvoering van het bevel benodigde bevoegdheden worden uitgeoefend ook buiten de in de toepasselijke bepalingen genoemde gevallen.
4. Tenzij de tenuitvoerlegging op grond van [artikel 552zz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=XI&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=552zz&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is opgeschort, geschiedt deze binnen zestig dagen na ontvangst van het bevel. Indien dit redelijkerwijs niet mogelijk is, stelt de officier van justitie de uitvaardigende autoriteit hiervan met opgaaf van redenen in kennis alsmede van de termijn waarbinnen tenuitvoerlegging naar verwachting zal plaatsvinden.
5. De officier van justitie of rechter-commissaris neemt bij de tenuitvoerlegging van het bevel zo veel mogelijk de door de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat in het bevel aangegeven termijnen en vormvereisten in acht, zulks voor zover niet strijdig met de grondbeginselen van het Nederlandse recht. Onder vormvereiste kan mede worden verstaan het verzoek van de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat om bij de uitvoering van het bevel aanwezig te zijn.
@@ -12858,9 +12858,9 @@
##### Artikel 552bbb
1. De [artikelen 552a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [552d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552d&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [552e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552e&z=2014-07-01&g=2014-07-01), zijn van toepassing, met dien verstande dat de rechter geen onderzoek doet naar de gronden voor het uitvaardigen van het Europees bewijsverkrijgingsbevel dat heeft geleid tot de toepassing van de bevoegdheid met betrekking tot welke het klaagschrift is ingediend.
2. Zodra de officier van justitie redenen heeft om aan te nemen dat een inbeslaggenomen voorwerp niet uitsluitend aan de beslagene toebehoort, doet hij de nodige naspeuringen naar andere rechthebbenden in Nederland en stelt hij deze in kennis van de bevoegdheid binnen veertien dagen na ontvangst van de kennisgeving een klaagschrift ingevolge [artikel 552a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) in te dienen.
1. De [artikelen 552a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [552d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552d&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [552e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552e&z=2014-11-01&g=2014-11-01), zijn van toepassing, met dien verstande dat de rechter geen onderzoek doet naar de gronden voor het uitvaardigen van het Europees bewijsverkrijgingsbevel dat heeft geleid tot de toepassing van de bevoegdheid met betrekking tot welke het klaagschrift is ingediend.
2. Zodra de officier van justitie redenen heeft om aan te nemen dat een inbeslaggenomen voorwerp niet uitsluitend aan de beslagene toebehoort, doet hij de nodige naspeuringen naar andere rechthebbenden in Nederland en stelt hij deze in kennis van de bevoegdheid binnen veertien dagen na ontvangst van de kennisgeving een klaagschrift ingevolge [artikel 552a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) in te dienen.
3. Indien een klaagschrift is ingediend, stelt de officier van justitie de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat hiervan onverwijld in kennis, onder vermelding van de gronden van het klaagschrift. De autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat worden van de beslissing op het klaagschrift in kennis gesteld.
@@ -12882,7 +12882,7 @@
2. Een Europees bewijsverkrijgingsbevel kan slechts worden uitgevaardigd voor zover de voorwerpen, bescheiden of gegevens waarop het bevel betrekking heeft, indien zij zich in Nederland hadden bevonden, naar Nederlands recht hadden kunnen worden verkregen.
3. Een Europees bewijsverkrijgingsbevel kan niet worden uitgevaardigd ter verkrijging van in een andere lidstaat van de Europese Unie opgeslagen of vastgelegde gegevens over het communicatieverkeer van een gebruiker van een communicatiedienst als bedoeld in[artikel 126la](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126la&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
3. Een Europees bewijsverkrijgingsbevel kan niet worden uitgevaardigd ter verkrijging van in een andere lidstaat van de Europese Unie opgeslagen of vastgelegde gegevens over het communicatieverkeer van een gebruiker van een communicatiedienst als bedoeld in[artikel 126la](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IVA&afdeling=Zevende&artikel=126la&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
##### Artikel 552eee
@@ -12892,7 +12892,7 @@
3. De officier van justitie of rechter-commissaris kan in het bevel vormvereisten opnemen die de autoriteiten van de uitvoerende lidstaat bij de tenuitvoerlegging zo veel mogelijk in acht nemen. Dit kan mede omvatten het verzoek om bij de uitvoering van het bevel aanwezig te zijn.
4. Indien een Europees bewijsverkrijgingsbevel wordt uitgevaardigd als aanvulling op een eerder uitgevaardigd Europees bewijsverkrijgingsbevel of als vervolg op een eerder uitgevaardigd bevel als bedoeld in [artikel 552rr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=XI&afdeling=Eerste&paragraaf=2&artikel=552rr&z=2014-07-01&g=2014-07-01), wordt dit in het bevel aangegeven.
4. Indien een Europees bewijsverkrijgingsbevel wordt uitgevaardigd als aanvulling op een eerder uitgevaardigd Europees bewijsverkrijgingsbevel of als vervolg op een eerder uitgevaardigd bevel als bedoeld in [artikel 552rr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=XI&afdeling=Eerste&paragraaf=2&artikel=552rr&z=2014-11-01&g=2014-11-01), wordt dit in het bevel aangegeven.
##### Artikel 552fff
@@ -12904,7 +12904,7 @@
##### Artikel 552ggg
1. Belanghebbenden kunnen zich schriftelijk beklagen over het uitvaardigen van het Europees bewijsverkrijgingsbevel. De [artikelen 552a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [552d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552d&z=2014-07-01&g=2014-07-01), zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het klaagschrift wordt ingediend bij de griffie van de rechtbank in het arrondissement, binnen hetwelk de officier van justitie of rechter-commissaris het bevel heeft uitgevaardigd.
1. Belanghebbenden kunnen zich schriftelijk beklagen over het uitvaardigen van het Europees bewijsverkrijgingsbevel. De [artikelen 552a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [552d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vierde&titeldeel=IX&artikel=552d&z=2014-11-01&g=2014-11-01), zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het klaagschrift wordt ingediend bij de griffie van de rechtbank in het arrondissement, binnen hetwelk de officier van justitie of rechter-commissaris het bevel heeft uitgevaardigd.
2. Indien de rechter het beklag gegrond acht, trekt de officier van justitie of rechter-commissaris het Europees bewijsverkrijgingsbevel onmiddellijk in en stelt deze de autoriteiten van de uitvoerende lidstaat hiervan onverwijld in kennis.
@@ -12934,7 +12934,7 @@
##### Artikel 29b
1. In alle gevallen waarin de verdachte wordt gehoord of een verhoor bijwoont, stelt de rechterlijk ambtenaar de identiteit van de verdachte vast op de wijze, bedoeld in [artikel 27a, eerste lid, eerste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=27a&z=2014-07-01&g=2014-07-01). De rechterlijk ambtenaar is tevens bevoegd de identiteit van de verdachte vast te stellen op de wijze, bedoeld in [artikel 27a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=27a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), indien over zijn identiteit twijfel bestaat.
1. In alle gevallen waarin de verdachte wordt gehoord of een verhoor bijwoont, stelt de rechterlijk ambtenaar de identiteit van de verdachte vast op de wijze, bedoeld in [artikel 27a, eerste lid, eerste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=27a&z=2014-11-01&g=2014-11-01). De rechterlijk ambtenaar is tevens bevoegd de identiteit van de verdachte vast te stellen op de wijze, bedoeld in [artikel 27a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=27a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), indien over zijn identiteit twijfel bestaat.
2. De verdachte is verplicht op bevel van een rechterlijk ambtenaar een identiteitsbewijs als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006297&artikel=1) ter inzage aan te bieden en zijn medewerking te verlenen aan het nemen van zijn vingerafdrukken.
@@ -13054,7 +13054,7 @@
- b. de resultaten van technisch onderzoek.
4. Indien de in [artikel 482b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Tweede&artikel=482b&z=2014-07-01&g=2014-07-01), bedoelde bewijsmiddelen het resultaat zijn van onderzoek dat niet overeenkomstig de wettelijke voorschriften heeft plaatsgevonden en waarbij een inbreuk is gemaakt op een recht van de gewezen verdachte worden deze bewijsmiddelen niet in aanmerking genomen bij de beoordeling van de herzieningsaanvraag en niet als bewijs in de strafzaak gebruikt.
4. Indien de in [artikel 482b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Tweede&artikel=482b&z=2014-11-01&g=2014-11-01), bedoelde bewijsmiddelen het resultaat zijn van onderzoek dat niet overeenkomstig de wettelijke voorschriften heeft plaatsgevonden en waarbij een inbreuk is gemaakt op een recht van de gewezen verdachte worden deze bewijsmiddelen niet in aanmerking genomen bij de beoordeling van de herzieningsaanvraag en niet als bewijs in de strafzaak gebruikt.
5. Onder een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, onder a, is niet begrepen de medeplichtigheid aan, poging tot en voorbereiding van dat misdrijf.
@@ -13070,19 +13070,19 @@
- b. op het moment waarop de herzieningsaanvraag wordt ingediend het recht tot strafvordering voor het strafbare feit waarop de aanvraag betrekking heeft is vervallen door verjaring of door het overlijden van de gewezen verdachte;
- c. de herzieningsaanvraag het in [artikel 482a, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Tweede&artikel=482a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), vermelde geval betreft en voor hetzelfde feit reeds eerder een herziening van een onherroepelijke einduitspraak van de rechter in Nederland is gevorderd, of
- c. de herzieningsaanvraag het in [artikel 482a, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Tweede&artikel=482a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), vermelde geval betreft en voor hetzelfde feit reeds eerder een herziening van een onherroepelijke einduitspraak van de rechter in Nederland is gevorderd, of
- d. de herzieningsaanvraag niet een onherroepelijke einduitspraak van de rechter in Nederland betreft.
4. De Hoge Raad wijst de herzieningsaanvraag af indien deze kennelijk ongegrond is.
5. In de overige gevallen zijn de [artikelen 466, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=466&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [467](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=467&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [468, eerste en derde tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=468&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [470](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=470&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [474](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=474&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [481](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=481&z=2014-07-01&g=2014-07-01) van overeenkomstige toepassing alsmede de navolgende bepalingen van deze afdeling.
6. [Artikel 464a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=464a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is van overeenkomstige toepassing.
5. In de overige gevallen zijn de [artikelen 466, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=466&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [467](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=467&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [468, eerste en derde tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=468&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [470](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=470&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [474](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=474&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [481](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=481&z=2014-11-01&g=2014-11-01) van overeenkomstige toepassing alsmede de navolgende bepalingen van deze afdeling.
6. [Artikel 464a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=464a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 482c
1. Behoudens het bepaalde in [artikel 482e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Tweede&artikel=482e&z=2014-07-01&g=2014-07-01) worden bij een onderzoek naar de aanwezigheid van een grond voor herziening als bedoeld in [artikel 482a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Tweede&artikel=482a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) de bevoegdheden die door de wet aan opsporingsambtenaren zijn toegekend, niet tegen de gewezen verdachte uitgeoefend.
1. Behoudens het bepaalde in [artikel 482e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Tweede&artikel=482e&z=2014-11-01&g=2014-11-01) worden bij een onderzoek naar de aanwezigheid van een grond voor herziening als bedoeld in [artikel 482a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Tweede&artikel=482a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) de bevoegdheden die door de wet aan opsporingsambtenaren zijn toegekend, niet tegen de gewezen verdachte uitgeoefend.
2. Ter voorbereiding van een herzieningsaanvraag kan een daartoe door het College van procureurs-generaal aangewezen officier van justitie bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in een rechtbank die nog geen kennis heeft genomen van de zaak en die niet gelegen is binnen het ressort van een gerechtshof dat kennis heeft genomen van de zaak, een vordering indienen tot een nader onderzoek indien:
@@ -13102,7 +13102,7 @@
##### Artikel 482d
1. De rechter-commissaris beslist zo spoedig mogelijk over de in [artikel 482c, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Tweede&artikel=482c&z=2014-07-01&g=2014-07-01), bedoelde vordering. De beschikking is met redenen omkleed en wordt schriftelijk ter kennis gebracht van de officier van justitie en betekend aan de gewezen verdachte, met vermelding van de termijn waarbinnen en de wijze waarop het rechtsmiddel, dat tegen de beschikking openstaat, moet worden ingesteld. Indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert kan de rechter-commissaris betekening van de beschikking aan de gewezen verdachte uitstellen.
1. De rechter-commissaris beslist zo spoedig mogelijk over de in [artikel 482c, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Tweede&artikel=482c&z=2014-11-01&g=2014-11-01), bedoelde vordering. De beschikking is met redenen omkleed en wordt schriftelijk ter kennis gebracht van de officier van justitie en betekend aan de gewezen verdachte, met vermelding van de termijn waarbinnen en de wijze waarop het rechtsmiddel, dat tegen de beschikking openstaat, moet worden ingesteld. Indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert kan de rechter-commissaris betekening van de beschikking aan de gewezen verdachte uitstellen.
2. Voor de officier van justitie staat binnen veertien dagen na de beschikking en voor de gewezen verdachte binnen veertien dagen na de betekening van die beschikking hoger beroep open bij de rechtbank.
@@ -13110,15 +13110,15 @@
##### Artikel 482e
1. In geval van toewijzing van de in [artikel 482c, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Tweede&artikel=482c&z=2014-07-01&g=2014-07-01), bedoelde vordering verricht de rechter-commissaris zo spoedig mogelijk de verzochte onderzoekshandelingen alsmede andere handelingen die hij noodzakelijk acht. De rechter-commissaris gaat niet over tot het verrichten van de onderzoekshandelingen zolang tegen zijn beschikking nog hoger beroep openstaat en zo dit is ingesteld, totdat het is ingetrokken of daarop is beslist, tenzij het belang van het onderzoek geen uitstel van de voorgenomen onderzoekshandelingen gedoogt. Indien de rechtbank het beroep tegen een beschikking tot het instellen van een onderzoek gegrond oordeelt en de rechter-commissaris reeds onderzoekshandelingen heeft verricht, draagt de rechter-commissaris zorg dat de resultaten van dit onderzoek worden vernietigd.
2. Aan de rechter-commissaris komen tijdens het nader onderzoek de aan hem krachtens dit wetboek toekomende bevoegdheden toe, met dien verstande dat hij onverminderd het in de [artikelen 63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=63&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=64&z=2014-07-01&g=2014-07-01) bepaalde alleen met verlof van de rechtbank op de vordering van de officier van justitie verleend, een bevel tot bewaring van de gewezen verdachte kan verlenen indien:
1. In geval van toewijzing van de in [artikel 482c, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Tweede&artikel=482c&z=2014-11-01&g=2014-11-01), bedoelde vordering verricht de rechter-commissaris zo spoedig mogelijk de verzochte onderzoekshandelingen alsmede andere handelingen die hij noodzakelijk acht. De rechter-commissaris gaat niet over tot het verrichten van de onderzoekshandelingen zolang tegen zijn beschikking nog hoger beroep openstaat en zo dit is ingesteld, totdat het is ingetrokken of daarop is beslist, tenzij het belang van het onderzoek geen uitstel van de voorgenomen onderzoekshandelingen gedoogt. Indien de rechtbank het beroep tegen een beschikking tot het instellen van een onderzoek gegrond oordeelt en de rechter-commissaris reeds onderzoekshandelingen heeft verricht, draagt de rechter-commissaris zorg dat de resultaten van dit onderzoek worden vernietigd.
2. Aan de rechter-commissaris komen tijdens het nader onderzoek de aan hem krachtens dit wetboek toekomende bevoegdheden toe, met dien verstande dat hij onverminderd het in de [artikelen 63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=63&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=64&z=2014-11-01&g=2014-11-01) bepaalde alleen met verlof van de rechtbank op de vordering van de officier van justitie verleend, een bevel tot bewaring van de gewezen verdachte kan verlenen indien:
- a. uit bepaalde gedragingen van de verdachte of uit bepaalde, hem persoonlijk betreffende omstandigheden, blijkt van een ernstig gevaar voor vlucht of
- b. de voorlopige hechtenis in redelijkheid noodzakelijk is voor het, anders dan door verklaringen van de gewezen verdachte, aan de dag brengen van de waarheid.
3. In afwijking van het bepaalde in [artikel 66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=66&z=2014-07-01&g=2014-07-01) kan de rechter-commissaris het bevel tot bewaring één keer verlengen met verlof van de rechtbank op de vordering van de officier van justitie verleend. De verdachte wordt in de gelegenheid gesteld op de vordering te worden gehoord.
3. In afwijking van het bepaalde in [artikel 66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=66&z=2014-11-01&g=2014-11-01) kan de rechter-commissaris het bevel tot bewaring één keer verlengen met verlof van de rechtbank op de vordering van de officier van justitie verleend. De verdachte wordt in de gelegenheid gesteld op de vordering te worden gehoord.
4. Nadat de onderzoekshandelingen zijn voltooid, zendt de rechter-commissaris de daarop betrekking hebbende stukken aan de officier van justitie. Een afschrift zendt hij aan de gewezen verdachte en diens raadsman.
@@ -13126,7 +13126,7 @@
##### Artikel 482f
1. Hangende de beslissing op de herzieningsaanvraag kan de Hoge Raad op schriftelijke vordering van het College van procureurs-generaal of ambtshalve een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding tegen de gewezen verdachte uitvaardigen. Dit bevel blijft van kracht tot zestig dagen na de dag waarop een beslissing is genomen op de herzieningsaanvraag, doch kan door de Hoge Raad worden geschorst of opgeheven. De [artikelen 62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=62&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [67a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=69&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=73&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [77 tot en met 86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=2&artikel=77&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het bevel tot voorlopige hechtenis slechts kan worden gegeven indien:
1. Hangende de beslissing op de herzieningsaanvraag kan de Hoge Raad op schriftelijke vordering van het College van procureurs-generaal of ambtshalve een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding tegen de gewezen verdachte uitvaardigen. Dit bevel blijft van kracht tot zestig dagen na de dag waarop een beslissing is genomen op de herzieningsaanvraag, doch kan door de Hoge Raad worden geschorst of opgeheven. De [artikelen 62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Eerste&artikel=62&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [67a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67a&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=69&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=73&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [77 tot en met 86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=2&artikel=77&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het bevel tot voorlopige hechtenis slechts kan worden gegeven indien:
- a. uit bepaalde gedragingen van de verdachte of uit bepaalde, hem persoonlijk betreffende omstandigheden, blijkt van een ernstig gevaar voor vlucht of
@@ -13134,25 +13134,25 @@
2. Indien de herzieningsaanvraag niet ontvankelijk of ongegrond wordt verklaard wordt de gewezen verdachte onverwijld in vrijheid gesteld.
3. Indien de herzieningsaanvraag niet ontvankelijk of ongegrond wordt verklaard kan de Hoge Raad op verzoek van de gewezen verdachte hem een vergoeding ten laste van de Staat toekennen voor de schade welke hij ten gevolge van de krachtens het eerste lid of [artikel 482e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Tweede&artikel=482e&z=2014-07-01&g=2014-07-01) ondergane voorlopige hechtenis heeft geleden. De [artikelen 89](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede_A&artikel=89&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [90](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede_A&artikel=90&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede_A&artikel=93&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Indien de herzieningsaanvraag niet ontvankelijk of ongegrond wordt verklaard kan de Hoge Raad op verzoek van de gewezen verdachte hem een vergoeding ten laste van de Staat toekennen voor de schade welke hij ten gevolge van de krachtens het eerste lid of [artikel 482e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Tweede&artikel=482e&z=2014-11-01&g=2014-11-01) ondergane voorlopige hechtenis heeft geleden. De [artikelen 89](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede_A&artikel=89&z=2014-11-01&g=2014-11-01), [90](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede_A&artikel=90&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede_A&artikel=93&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 482g
1. Indien de Hoge Raad de herzieningsaanvraag gegrond acht, verwijst hij de zaak naar een rechtbank die daarvan nog geen kennis heeft genomen en die niet gelegen is binnen het ressort van een gerechtshof dat kennis heeft genomen van de zaak, teneinde hetzij de onherroepelijke uitspraak te handhaven hetzij met vernietiging daarvan opnieuw recht te doen.
2. Het rechtsgeding in de verwezen zaak wordt gevoerd met overeenkomstige toepassing van de [Zesde Titel van het Tweede Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&z=2014-07-01&g=2014-07-01), de [Tweede](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [Derde Titel van het Derde Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=III&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [artikel 476, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=476&z=2014-07-01&g=2014-07-01). Het opsporingsonderzoek wordt verricht volgens de daarvoor geldende bepalingen voor zover deze afdeling geen afwijkende bepalingen bevat.
2. Het rechtsgeding in de verwezen zaak wordt gevoerd met overeenkomstige toepassing van de [Zesde Titel van het Tweede Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Tweede&titeldeel=VI&z=2014-11-01&g=2014-11-01), de [Tweede](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=II&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [Derde Titel van het Derde Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=A&titeldeel=III&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en [artikel 476, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Eerste&artikel=476&z=2014-11-01&g=2014-11-01). Het opsporingsonderzoek wordt verricht volgens de daarvoor geldende bepalingen voor zover deze afdeling geen afwijkende bepalingen bevat.
3. De rechter die enig onderzoek in de zaak heeft verricht, neemt op straffe van nietigheid aan het onderzoek op de terechtzitting geen deel.
4. In afwijking van het bepaalde in [artikel 67a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67a&z=2014-07-01&g=2014-07-01) kan een bevel tot voorlopige hechtenis alleen worden verleend op de in [artikel 482f, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Tweede&artikel=482f&z=2014-07-01&g=2014-07-01), genoemde gronden.
5. Indien na de vernietiging van de onherroepelijke uitspraak geen straf of maatregel dan wel de maatregel, bedoeld in [artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37), wordt opgelegd, kan de rechter op verzoek van de gewezen verdachte hem een vergoeding ten laste van de Staat toekennen voor de schade welke hij ten gevolge van de krachtens deze afdeling ondergane voorlopige hechtenis heeft geleden. De [artikelen 89 tot en met 93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede_A&artikel=89&z=2014-07-01&g=2014-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
4. In afwijking van het bepaalde in [artikel 67a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=1&artikel=67a&z=2014-11-01&g=2014-11-01) kan een bevel tot voorlopige hechtenis alleen worden verleend op de in [artikel 482f, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Tweede&artikel=482f&z=2014-11-01&g=2014-11-01), genoemde gronden.
5. Indien na de vernietiging van de onherroepelijke uitspraak geen straf of maatregel dan wel de maatregel, bedoeld in [artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37), wordt opgelegd, kan de rechter op verzoek van de gewezen verdachte hem een vergoeding ten laste van de Staat toekennen voor de schade welke hij ten gevolge van de krachtens deze afdeling ondergane voorlopige hechtenis heeft geleden. De [artikelen 89 tot en met 93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede_A&artikel=89&z=2014-11-01&g=2014-11-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 482h
1. Indien de onherroepelijke uitspraak in eerste aanleg door de Hoge Raad is gewezen, verwijst hij de zaak, in zoverre in afwijking van [482g, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Tweede&artikel=482g&z=2014-07-01&g=2014-07-01), naar de terechtzitting van de Hoge Raad.
2. De Hoge Raad voert het rechtsgeding in de verwezen zaak op de voet van [artikel 482g, tweede, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Tweede&artikel=482g&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en met een aantal van tien raadsheren. Bij het staken van de stemmen wordt een uitspraak ten voordele van de gewezen verdachte gedaan.
1. Indien de onherroepelijke uitspraak in eerste aanleg door de Hoge Raad is gewezen, verwijst hij de zaak, in zoverre in afwijking van [482g, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Tweede&artikel=482g&z=2014-11-01&g=2014-11-01), naar de terechtzitting van de Hoge Raad.
2. De Hoge Raad voert het rechtsgeding in de verwezen zaak op de voet van [artikel 482g, tweede, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Tweede&artikel=482g&z=2014-11-01&g=2014-11-01), en met een aantal van tien raadsheren. Bij het staken van de stemmen wordt een uitspraak ten voordele van de gewezen verdachte gedaan.
3. Tegen de beslissingen van de Hoge Raad is geen beroep of bezwaar toegelaten.
@@ -13160,11 +13160,11 @@
1. Aan de gewezen verdachte die geen raadsman heeft, wordt door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand een raadsman toegevoegd:
- a. op ambtshalve last van de voorzitter van de rechtbank in het geval van een vordering als bedoeld in [artikel 482c, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Tweede&artikel=482c&z=2014-07-01&g=2014-07-01);
- b. op ambtshalve last van de voorzitter van de Hoge Raad in het geval van een herzieningsaanvraag als bedoeld in [artikel 482a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Tweede&artikel=482a&z=2014-07-01&g=2014-07-01);
- c. op ambtshalve last van de voorzitter van de rechtbank, van het gerechtshof of van de Hoge Raad waar de zaak dient in het geval de zaak op de voet van [artikel 482g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Tweede&artikel=482g&z=2014-07-01&g=2014-07-01) of [482h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Tweede&artikel=482h&z=2014-07-01&g=2014-07-01) is verwezen.
- a. op ambtshalve last van de voorzitter van de rechtbank in het geval van een vordering als bedoeld in [artikel 482c, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Tweede&artikel=482c&z=2014-11-01&g=2014-11-01);
- b. op ambtshalve last van de voorzitter van de Hoge Raad in het geval van een herzieningsaanvraag als bedoeld in [artikel 482a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Tweede&artikel=482a&z=2014-11-01&g=2014-11-01);
- c. op ambtshalve last van de voorzitter van de rechtbank, van het gerechtshof of van de Hoge Raad waar de zaak dient in het geval de zaak op de voet van [artikel 482g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Tweede&artikel=482g&z=2014-11-01&g=2014-11-01) of [482h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Derde&hoofdstuk=B&titeldeel=VIII&afdeling=Tweede&artikel=482h&z=2014-11-01&g=2014-11-01) is verwezen.
2. De in het eerste lid, onder a, bedoelde toevoeging geschiedt voor de duur van de behandeling door de rechter-commissaris. De in het eerste lid, onder b, bedoelde toevoeging geschiedt voor de duur van de behandeling door de Hoge Raad van de herzieningsaanvraag. De in het eerste lid, onder c, bedoelde toevoeging geschiedt voor de gehele aanleg waarin zij heeft plaatsgehad.
@@ -13244,7 +13244,7 @@
- b. toezichtbeslissing: een uitvoerbare beslissing van een bevoegde autoriteit, genomen in het kader van een strafrechtelijke procedure, waarbij aan een natuurlijke persoon als alternatief voor voorlopige hechtenis of als voorwaarde van de schorsing van de voorlopige hechtenis, een of meer toezichtmaatregelen zijn opgelegd;
- c. toezichtmaatregel: een verplichting als bedoeld in [artikel 5:3:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vijfde&titeldeel=3&afdeling=Eerste&artikel=5:3:3&z=2014-07-01&g=2014-07-01) die overeenkomstig het recht van de uitvaardigende lidstaat is opgelegd;
- c. toezichtmaatregel: een verplichting als bedoeld in [artikel 5:3:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vijfde&titeldeel=3&afdeling=Eerste&artikel=5:3:3&z=2014-11-01&g=2014-11-01) die overeenkomstig het recht van de uitvaardigende lidstaat is opgelegd;
- d. uitvaardigende lidstaat: lidstaat van de Europese Unie waarin een toezichtbeslissing is genomen, die met het oog op tenuitvoerlegging daarvan aan een andere lidstaat is of wordt toegezonden;
@@ -13314,9 +13314,9 @@
2. De beslissing van het openbaar ministerie kan slechts worden uitgesteld:
- a. totdat een vertaling beschikbaar is als bedoeld in [artikel 5:3:7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vijfde&titeldeel=3&afdeling=Tweede&artikel=5:3:7&z=2014-07-01&g=2014-07-01);
- b. totdat binnen redelijke termijn is voldaan aan het verzoek, bedoeld in [artikel 5:3:7, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vijfde&titeldeel=3&afdeling=Tweede&artikel=5:3:7&z=2014-07-01&g=2014-07-01);
- a. totdat een vertaling beschikbaar is als bedoeld in [artikel 5:3:7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vijfde&titeldeel=3&afdeling=Tweede&artikel=5:3:7&z=2014-11-01&g=2014-11-01);
- b. totdat binnen redelijke termijn is voldaan aan het verzoek, bedoeld in [artikel 5:3:7, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vijfde&titeldeel=3&afdeling=Tweede&artikel=5:3:7&z=2014-11-01&g=2014-11-01);
- c. indien het vanwege uitzonderlijke omstandigheden niet mogelijk is de termijn, bedoeld in het eerste lid, te halen.
@@ -13332,9 +13332,9 @@
1. Het openbaar ministerie weigert de erkenning van de toezichtbeslissing, indien:
- a. het certificaat niet is overgelegd, onvolledig is of kennelijk niet in overeenstemming is met de toezichtbeslissing en niet binnen redelijke termijn aan het verzoek, bedoeld in [artikel 5:3:7, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vijfde&titeldeel=3&afdeling=Tweede&artikel=5:3:7&z=2014-07-01&g=2014-07-01), is voldaan;
- b. niet is voldaan aan de voorwaarden voor erkenning, bedoeld in de [artikelen 5:3:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vijfde&titeldeel=3&afdeling=Eerste&artikel=5:3:3&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [5:3:5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vijfde&titeldeel=3&afdeling=Tweede&artikel=5:3:5&z=2014-07-01&g=2014-07-01);
- a. het certificaat niet is overgelegd, onvolledig is of kennelijk niet in overeenstemming is met de toezichtbeslissing en niet binnen redelijke termijn aan het verzoek, bedoeld in [artikel 5:3:7, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vijfde&titeldeel=3&afdeling=Tweede&artikel=5:3:7&z=2014-11-01&g=2014-11-01), is voldaan;
- b. niet is voldaan aan de voorwaarden voor erkenning, bedoeld in de [artikelen 5:3:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vijfde&titeldeel=3&afdeling=Eerste&artikel=5:3:3&z=2014-11-01&g=2014-11-01) en [5:3:5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vijfde&titeldeel=3&afdeling=Tweede&artikel=5:3:5&z=2014-11-01&g=2014-11-01);
- c. de tenuitvoerlegging van de toezichtbeslissing onverenigbaar is met het aan [artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=68) en [artikel 255, eerste lid, van dit Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=255) ten grondslag liggende beginsel;
@@ -13356,11 +13356,11 @@
##### Artikel 5:3:11
1. Nadat de toezichtbeslissing is erkend en de bevoegde autoriteit in de uitvaardigende lidstaat niet binnen tien dagen na de kennisgeving, bedoeld in [artikel 5:3:8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vijfde&titeldeel=3&afdeling=Tweede&artikel=5:3:8&z=2014-07-01&g=2014-07-01), het certificaat heeft ingetrokken, draagt het openbaar ministerie er zorg voor dat de toezichtbeslissing zo spoedig mogelijk, overeenkomstig het Nederlandse recht en met inachtneming van de erkenningsbeslissing, ten uitvoer wordt gelegd.
1. Nadat de toezichtbeslissing is erkend en de bevoegde autoriteit in de uitvaardigende lidstaat niet binnen tien dagen na de kennisgeving, bedoeld in [artikel 5:3:8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vijfde&titeldeel=3&afdeling=Tweede&artikel=5:3:8&z=2014-11-01&g=2014-11-01), het certificaat heeft ingetrokken, draagt het openbaar ministerie er zorg voor dat de toezichtbeslissing zo spoedig mogelijk, overeenkomstig het Nederlandse recht en met inachtneming van de erkenningsbeslissing, ten uitvoer wordt gelegd.
2. Het openbaar ministerie geeft aan een krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de aan de betrokkene opgelegde toezichtmaatregelen en hem ten behoeve daarvan te begeleiden. De betrokkene is verplicht zijn medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.
3. Bij het houden van toezicht op de naleving van de toezichtmaatregelen stelt de reclasseringsinstelling de identiteit van de betrokkene vast op de wijze, bedoeld in [artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=27a&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
3. Bij het houden van toezicht op de naleving van de toezichtmaatregelen stelt de reclasseringsinstelling de identiteit van de betrokkene vast op de wijze, bedoeld in [artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=II&artikel=27a&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
4. Indien een toezichtmaatregel niet wordt nageleefd, doet de reclasseringsinstelling daarvan onverwijld melding aan het openbaar ministerie.
@@ -13384,7 +13384,7 @@
##### Artikel 5:3:14
1. Indien de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat het openbaar ministerie in kennis stelt van een wijziging van de toezichtmaatregelen, erkent het openbaar ministerie deze wijziging, voor zover de gewijzigde toezichtmaatregel op grond van [artikel 5:3:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vijfde&titeldeel=3&afdeling=Eerste&artikel=5:3:3&z=2014-07-01&g=2014-07-01) in Nederland ten uitvoer kan worden gelegd, zo nodig onder toepassing van [artikel 5:3:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vijfde&titeldeel=3&afdeling=Tweede&artikel=5:3:9&z=2014-07-01&g=2014-07-01).
1. Indien de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat het openbaar ministerie in kennis stelt van een wijziging van de toezichtmaatregelen, erkent het openbaar ministerie deze wijziging, voor zover de gewijzigde toezichtmaatregel op grond van [artikel 5:3:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vijfde&titeldeel=3&afdeling=Eerste&artikel=5:3:3&z=2014-11-01&g=2014-11-01) in Nederland ten uitvoer kan worden gelegd, zo nodig onder toepassing van [artikel 5:3:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vijfde&titeldeel=3&afdeling=Tweede&artikel=5:3:9&z=2014-11-01&g=2014-11-01).
2. Het openbaar ministerie erkent de wijziging van de toezichtmaatregelen niet dan nadat een afschrift van de wijzigingsbeslissing waarvan de echtheid kan worden vastgesteld, is ontvangen.
@@ -13394,7 +13394,7 @@
1. Het openbaar ministerie beëindigt het toezicht op de naleving van de aan de betrokkene opgelegde toezichtmaatregelen:
- a. indien meermalen een kennisgeving als bedoeld in [artikel 5:3:12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vijfde&titeldeel=3&afdeling=Tweede&artikel=5:3:12&z=2014-07-01&g=2014-07-01), aan de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat is verzonden en naar aanleiding daarvan binnen redelijke termijn geen beslissing is genomen omtrent de toezichtmaatregelen;
- a. indien meermalen een kennisgeving als bedoeld in [artikel 5:3:12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vijfde&titeldeel=3&afdeling=Tweede&artikel=5:3:12&z=2014-11-01&g=2014-11-01), aan de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat is verzonden en naar aanleiding daarvan binnen redelijke termijn geen beslissing is genomen omtrent de toezichtmaatregelen;
- b. zodra een kennisgeving van de bevoegde autoriteit in de uitvaardigende lidstaat is ontvangen dat de toezichtmaatregelen zijn beëindigd;
@@ -13406,11 +13406,11 @@
##### Artikel 5:3:16
1. Een bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis als bedoeld in [artikel 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=4&artikel=80&z=2014-07-01&g=2014-07-01) kan door het openbaar ministerie worden toegezonden aan de lidstaat van de Europese Unie waar de verdachte zijn vaste woon- of verblijfplaats heeft, indien hij ermee instemt naar die staat terug te keren.
1. Een bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis als bedoeld in [artikel 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=4&artikel=80&z=2014-11-01&g=2014-11-01) kan door het openbaar ministerie worden toegezonden aan de lidstaat van de Europese Unie waar de verdachte zijn vaste woon- of verblijfplaats heeft, indien hij ermee instemt naar die staat terug te keren.
2. Op verzoek van de verdachte kan het openbaar ministerie het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis toezenden aan een andere lidstaat dan de lidstaat, bedoeld in het eerste lid, indien de bevoegde autoriteit van die lidstaat daarmee instemt.
3. Het openbaar ministerie geeft geen toepassing aan het eerste of tweede lid, dan nadat de rechter, bedoeld in [artikel 86, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=4&artikel=86&z=2014-07-01&g=2014-07-01), daartoe de opdracht heeft gegeven.
3. Het openbaar ministerie geeft geen toepassing aan het eerste of tweede lid, dan nadat de rechter, bedoeld in [artikel 86, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste&titeldeel=IV&afdeling=Tweede&paragraaf=4&artikel=86&z=2014-11-01&g=2014-11-01), daartoe de opdracht heeft gegeven.
##### Artikel 5:3:17
@@ -13428,7 +13428,7 @@
##### Artikel 5:3:18
1. Het openbaar ministerie kan het certificaat intrekken in opdracht van de rechter, bedoeld in [artikel 5:3:16, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vijfde&titeldeel=3&afdeling=Derde&artikel=5:3:16&z=2014-07-01&g=2014-07-01), naar aanleiding van:
1. Het openbaar ministerie kan het certificaat intrekken in opdracht van de rechter, bedoeld in [artikel 5:3:16, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Vijfde&titeldeel=3&afdeling=Derde&artikel=5:3:16&z=2014-11-01&g=2014-11-01), naar aanleiding van:
- a. de kennisgeving betreffende de maximumtermijn gedurende welke in de uitvoerende lidstaat toezicht kan worden gehouden op de naleving van de aan de schorsing van de voorlopige hechtenis verbonden voorwaarden;
2014-07-01
Wetboek van Strafvordering — arts. 77, 83, 135 y 5 más
2014-05-01
Wetboek van Strafvordering — arts. 77, 83, 135 y 5 más
2014-04-01
Wetboek van Strafvordering — arts. 77, 83, 135 y 5 más
2014-01-06
Wetboek van Strafvordering — arts. 77, 83, 135 y 5 más
2014-01-01
Wetboek van Strafvordering — arts. 77, 83, 135 y 5 más
2013-11-01
Wetboek van Strafvordering
2013-10-01
Wetboek van Strafvordering
2013-07-26
Wetboek van Strafvordering — arts. 77, 83, 135 y 5 más
2013-07-01
Wetboek van Strafvordering
2013-04-01
Wetboek van Strafvordering — arts. 77, 83, 135 y 5 más
2013-03-15
Wetboek van Strafvordering
2013-01-01
Wetboek van Strafvordering
2012-11-01
Wetboek van Strafvordering — arts. 28, 31, 77 y 10 más
2012-10-01
Wetboek van Strafvordering
2012-09-01
Wetboek van Strafvordering — arts. 28, 31, 77 y 12 más
2012-07-01
Wetboek van Strafvordering — arts. 28, 31, 77 y 12 más
2012-04-01
Wetboek van Strafvordering
2012-01-01
Wetboek van Strafvordering
2011-08-01
Wetboek van Strafvordering — arts. 28, 28, 31 y 27 más
2011-07-02
Wetboek van Strafvordering — arts. 28, 28, 31 y 27 más
2011-07-01
Wetboek van Strafvordering
2011-02-01
Wetboek van Strafvordering — arts. 28, 31, 77 y 12 más
2011-01-01
Wetboek van Strafvordering
2010-11-01
Wetboek van Strafvordering — arts. 28, 31, 77 y 12 más
2010-10-10
Wetboek van Strafvordering — arts. 28, 31, 77 y 12 más
2010-10-01
Wetboek van Strafvordering — arts. 28, 31, 77 y 12 más
2010-09-01
Wetboek van Strafvordering
2010-07-01
Wetboek van Strafvordering — arts. 28, 31, 77 y 13 más
2010-04-01
Wetboek van Strafvordering — arts. 28, 31, 77 y 13 más
2010-01-01
Wetboek van Strafvordering
2009-07-01
Wetboek van Strafvordering — arts. 28, 31, 77 y 16 más
2009-06-01
Wetboek van Strafvordering — arts. 28, 31, 77 y 16 más
2009-04-01
Wetboek van Strafvordering — arts. 28, 31, 77 y 16 más
2009-03-25
Wetboek van Strafvordering
2009-01-01
Wetboek van Strafvordering — arts. 28, 31, 77 y 16 más
2008-09-01
Wetboek van Strafvordering — arts. 28, 31, 77 y 16 más
2008-07-01
Wetboek van Strafvordering — arts. 28, 31, 77 y 16 más
2008-05-09
Wetboek van Strafvordering — arts. 28, 31, 77 y 16 más
2008-03-26
Wetboek van Strafvordering — arts. 28, 31, 77 y 16 más
2008-02-01
Wetboek van Strafvordering
2008-01-01
Wetboek van Strafvordering — arts. 28, 31, 77 y 16 más
2007-12-01
Wetboek van Strafvordering — arts. 28, 31, 77 y 16 más
2007-07-04
Wetboek van Strafvordering — arts. 28, 31, 77 y 16 más
2007-07-01
Wetboek van Strafvordering — arts. 28, 31, 77 y 16 más
2007-06-01
Wetboek van Strafvordering — arts. 28, 31, 77 y 16 más
2007-05-09
Wetboek van Strafvordering — arts. 28, 31, 77 y 16 más
2007-03-01
Wetboek van Strafvordering
2007-02-01
Wetboek van Strafvordering
2007-01-01
Wetboek van Strafvordering
2006-11-01
Wetboek van Strafvordering
2006-09-01
Wetboek van Strafvordering
2006-04-01
Wetboek van Strafvordering
original version Tekst op deze datum