Wijzigingsgeschiedenis
Wet van 15 maart 1928, houdende regeling van sommige van landgoederen geheven belastingen tot bevordering van behoud van natuurschoon
15 versions
· 2021-01-01
2021-01-01
Natuurschoonwet 1928 — arts. 3, 4
2019-01-01
Natuurschoonwet 1928 — arts. 3, 3, 4
2014-01-25
Natuurschoonwet 1928 — arts. 3, 3, 4
2014-01-01
Natuurschoonwet 1928 — arts. 3, 3, 4
2013-01-01
Natuurschoonwet 1928 — arts. 3, 3, 4
2012-02-08
Natuurschoonwet 1928 — arts. 3, 3, 4
2012-01-01
Natuurschoonwet 1928 — arts. 3, 3, 4
2011-01-01
Natuurschoonwet 1928 — arts. 3, 3, 4
Wijzigingen op 2011-01-01
@@ -68,11 +68,11 @@
- 1°. de eigendom van de onroerende zaak is overgedragen;
- 2°. het beperkt recht van vruchtgebruik of, behoudens ingeval de hoofdgerechtigde nog steeds als eigenaar wordt aangemerkt op grond van [artikel 1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=1&z=2010-01-01&g=2010-01-01), dat van erfpacht op de onroerende zaak is gevestigd of een zodanig recht op de onroerende zaak is geëindigd, waaronder begrepen de gevallen waarin de erfpachter door de toepassing van [artikel 1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=1&z=2010-01-01&g=2010-01-01), niet langer als eigenaar wordt aangemerkt. Met de vestiging van het recht van erfpacht wordt gelijkgesteld de overdracht van economische eigendom aan een erfpachter die aanvankelijk op grond van [artikel 1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=1&z=2010-01-01&g=2010-01-01), niet als eigenaar van de onroerende zaak werd aangemerkt;
- 2°. het beperkt recht van vruchtgebruik of, behoudens ingeval de hoofdgerechtigde nog steeds als eigenaar wordt aangemerkt op grond van [artikel 1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=1&z=2011-01-01&g=2011-01-01), dat van erfpacht op de onroerende zaak is gevestigd of een zodanig recht op de onroerende zaak is geëindigd, waaronder begrepen de gevallen waarin de erfpachter door de toepassing van [artikel 1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=1&z=2011-01-01&g=2011-01-01), niet langer als eigenaar wordt aangemerkt. Met de vestiging van het recht van erfpacht wordt gelijkgesteld de overdracht van economische eigendom aan een erfpachter die aanvankelijk op grond van [artikel 1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=1&z=2011-01-01&g=2011-01-01), niet als eigenaar van de onroerende zaak werd aangemerkt;
- 3°. de onroerende zaak bij verdeling is gesplitst en aan verschillende deelgenoten is toegedeeld;
- d. op grond van [artikel 1, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=1&z=2010-01-01&g=2010-01-01), de oppervlakte van een aangrenzende onroerende zaak in aanmerking is genomen en deze onroerende zaak of het aangrenzende gedeelte daarvan niet langer als een landgoed, onderscheidenlijk als een gedeelte daarvan, wordt aangemerkt.
- d. op grond van [artikel 1, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=1&z=2011-01-01&g=2011-01-01), de oppervlakte van een aangrenzende onroerende zaak in aanmerking is genomen en deze onroerende zaak of het aangrenzende gedeelte daarvan niet langer als een landgoed, onderscheidenlijk als een gedeelte daarvan, wordt aangemerkt.
2. Het eerste lid, aanhef en onderdeel **c**, vindt geen toepassing, voor zover Onze Ministers op verzoek van de eigenaar bij gezamenlijke beschikking beslissen dat de onroerende zaak blijft aangemerkt als een landgoed. Het verzoek dient binnen zes maanden na de overdracht, na de vestiging of het eindigen van het beperkt recht, onderscheidenlijk na de verdeling bij Onze Minister te worden ingediend. Onze Minister is bevoegd in bijzondere gevallen de termijn van zes maanden te verlengen.
@@ -80,7 +80,7 @@
4. In het geval waarin de onroerende zaak, naar het oordeel van Onze Ministers, niet langer als een landgoed wordt aangemerkt ingevolge het eerste lid, onderdeel **b**, beslissen Onze Ministers bij gezamenlijke beschikking dat de onroerende zaak niet langer als zodanig wordt beschouwd met ingang van de datum van die beschikking.
5. Indien de oppervlakte van een onroerende zaak waarvoor door Onze Ministers een beschikking is afgegeven als bedoeld in het derde of het vierde lid, in aanmerking is genomen bij de toetsing van een andere onroerende zaak aan de voorwaarden, genoemd in [artikel 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=1&z=2010-01-01&g=2010-01-01), zenden Onze Ministers een afschrift van voornoemde beschikking ter kennisgeving aan de eigenaar of eigenaren van deze andere onroerende zaak.
5. Indien de oppervlakte van een onroerende zaak waarvoor door Onze Ministers een beschikking is afgegeven als bedoeld in het derde of het vierde lid, in aanmerking is genomen bij de toetsing van een andere onroerende zaak aan de voorwaarden, genoemd in [artikel 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=1&z=2011-01-01&g=2011-01-01), zenden Onze Ministers een afschrift van voornoemde beschikking ter kennisgeving aan de eigenaar of eigenaren van deze andere onroerende zaak.
6. Het eerste lid, aanhef en onderdeel d, vindt geen toepassing voorzover Onze Ministers op verzoek van de eigenaar bij gezamenlijke beschikking beslissen dat de onroerende zaak blijft aangemerkt als een landgoed. Het verzoek wordt binnen zes maanden na de datum van de kennisgeving, bedoeld in het vijfde lid, ingediend.
@@ -92,9 +92,9 @@
##### Artikel 3a
1. Indien de onroerende zaak, bedoeld in [artikel 1, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=1&z=2010-01-01&g=2010-01-01), na verloop van drie jaren nadat zij als een landgoed is aangemerkt, niet voldoet aan de in [artikel 1, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=1&z=2010-01-01&g=2010-01-01), bedoelde voorwaarden, dan wel indien zij naar het oordeel van Onze Minister na die termijn niet aan die voorwaarden zal voldoen, beslissen Onze Ministers bij gezamenlijke beschikking dat de onroerende zaak niet langer als een landgoed wordt aangemerkt met ingang van de datum van die beschikking. Onze Minister kan de termijn van drie jaren op grond van bijzondere omstandigheden met maximaal twee jaren verlengen.
2. Een eigenaar van een onroerende zaak die op de voet van [artikel 1, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=1&z=2010-01-01&g=2010-01-01), als een landgoed is aangemerkt, kan aan Onze Ministers een verklaring vragen dat aan de in [artikel 1, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=1&z=2010-01-01&g=2010-01-01), bedoelde voorwaarden is voldaan.
1. Indien de onroerende zaak, bedoeld in [artikel 1, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=1&z=2011-01-01&g=2011-01-01), na verloop van drie jaren nadat zij als een landgoed is aangemerkt, niet voldoet aan de in [artikel 1, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=1&z=2011-01-01&g=2011-01-01), bedoelde voorwaarden, dan wel indien zij naar het oordeel van Onze Minister na die termijn niet aan die voorwaarden zal voldoen, beslissen Onze Ministers bij gezamenlijke beschikking dat de onroerende zaak niet langer als een landgoed wordt aangemerkt met ingang van de datum van die beschikking. Onze Minister kan de termijn van drie jaren op grond van bijzondere omstandigheden met maximaal twee jaren verlengen.
2. Een eigenaar van een onroerende zaak die op de voet van [artikel 1, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=1&z=2011-01-01&g=2011-01-01), als een landgoed is aangemerkt, kan aan Onze Ministers een verklaring vragen dat aan de in [artikel 1, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=1&z=2011-01-01&g=2011-01-01), bedoelde voorwaarden is voldaan.
3. Het eerste en tweede lid vinden overeenkomstige toepassing met betrekking tot een gedeelte van de onroerende zaak.
@@ -102,23 +102,23 @@
1. Vanaf het tijdstip waarop een onroerende zaak of een gedeelte daarvan niet langer als een landgoed wordt aangemerkt, wordt die onroerende zaak of dat gedeelte binnen een termijn van 10 jaren niet opnieuw als zodanig aangemerkt ingeval het verzoek daartoe wordt gedaan door degene die op dat tijdstip eigenaar was of door een vennootschap waarvan hij middellijk of onmiddellijk aandeelhouder is.
2. Indien in het geval als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=3&z=2010-01-01&g=2010-01-01), het karakter van landgoed niet in ernstige mate is aangetast kunnen Onze Ministers bij gezamenlijke beschikking, in afwijking in zoverre van het eerste lid, een kortere termijn van ten hoogste 5 jaren vaststellen en kunnen zij daarbij voorwaarden stellen. Alsdan vinden de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=8&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [9c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=9c&z=2010-01-01&g=2010-01-01) geen toepassing. Ingeval de in de eerste volzin bedoelde aantasting van het karakter van landgoed voortvloeit uit omstandigheden die het gevolg zijn van overmacht, wordt bovendien voor de toepassing van [artikel 5.7, eerste lid, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.7) en van [artikel 220d, eerste lid, onderdeel d, van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=220d) de onroerende zaak of het desbetreffende gedeelte daarvan gelijkgesteld met een landgoed.
3. Het eerste lid en de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=8&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [9c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=9c&z=2010-01-01&g=2010-01-01) vinden alsnog toepassing indien binnen de kortere termijn:
2. Indien in het geval als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=3&z=2011-01-01&g=2011-01-01), het karakter van landgoed niet in ernstige mate is aangetast kunnen Onze Ministers bij gezamenlijke beschikking, in afwijking in zoverre van het eerste lid, een kortere termijn van ten hoogste 5 jaren vaststellen en kunnen zij daarbij voorwaarden stellen. Alsdan vinden de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=8&z=2011-01-01&g=2011-01-01) en [9c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=9c&z=2011-01-01&g=2011-01-01) geen toepassing. Ingeval de in de eerste volzin bedoelde aantasting van het karakter van landgoed voortvloeit uit omstandigheden die het gevolg zijn van overmacht, wordt bovendien voor de toepassing van [artikel 5.7, eerste lid, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.7) en van [artikel 220d, eerste lid, onderdeel d, van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=220d) de onroerende zaak of het desbetreffende gedeelte daarvan gelijkgesteld met een landgoed.
3. Het eerste lid en de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=8&z=2011-01-01&g=2011-01-01) en [9c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=9c&z=2011-01-01&g=2011-01-01) vinden alsnog toepassing indien binnen de kortere termijn:
- a. de eigenaar Onze Minister schriftelijk mededeelt dat hij zijn onroerende zaak onderscheidenlijk het in het eerste lid bedoelde gedeelte na afloop van die termijn niet opnieuw wenst aangemerkt te zien als een landgoed;
- b. de krachtens het tweede lid gestelde voorwaarden niet worden nageleefd; dan wel
- c. zich wederom een geval als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=3&z=2010-01-01&g=2010-01-01), voordoet;
- d. een aangrenzende onroerende zaak, waarvan de oppervlakte in aanmerking is genomen als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=1&z=2010-01-01&g=2010-01-01), door toepassing van [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=3&z=2010-01-01&g=2010-01-01), niet meer als een landgoed in aanmerking wordt genomen, tenzij op deze aangrenzende onroerende zaak het tweede lid van toepassing is, dan wel
- e. zich met betrekking tot een aangrenzende onroerende zaak, waarvan de oppervlakte in aanmerking is genomen als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=1&z=2010-01-01&g=2010-01-01), en waarop het tweede lid toepassing heeft gevonden, een van de gebeurtenissen, bedoeld in de onderdelen a, b of c voordoet.
4. Met betrekking tot het derde lid, onderdeel a, en de onderdelen b, c, d en e vindt [artikel 3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=3&z=2010-01-01&g=2010-01-01), onderscheidenlijk vierde, vijfde en zevende tot en met negende lid, overeenkomstige toepassing.
5. Ingeval [artikel 3, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=3&z=2010-01-01&g=2010-01-01), toepassing heeft gevonden op een onroerende zaak ten gevolge van het feit dat deze onroerende zaak was aangemerkt als een landgoed rekening houdende met de oppervlakte van een aangrenzende onroerende zaak waarop het tweede lid is toegepast, is het tweede lid op de eerstgenoemde onroerende zaak van overeenkomstige toepassing.
- c. zich wederom een geval als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=3&z=2011-01-01&g=2011-01-01), voordoet;
- d. een aangrenzende onroerende zaak, waarvan de oppervlakte in aanmerking is genomen als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=1&z=2011-01-01&g=2011-01-01), door toepassing van [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=3&z=2011-01-01&g=2011-01-01), niet meer als een landgoed in aanmerking wordt genomen, tenzij op deze aangrenzende onroerende zaak het tweede lid van toepassing is, dan wel
- e. zich met betrekking tot een aangrenzende onroerende zaak, waarvan de oppervlakte in aanmerking is genomen als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=1&z=2011-01-01&g=2011-01-01), en waarop het tweede lid toepassing heeft gevonden, een van de gebeurtenissen, bedoeld in de onderdelen a, b of c voordoet.
4. Met betrekking tot het derde lid, onderdeel a, en de onderdelen b, c, d en e vindt [artikel 3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=3&z=2011-01-01&g=2011-01-01), onderscheidenlijk vierde, vijfde en zevende tot en met negende lid, overeenkomstige toepassing.
5. Ingeval [artikel 3, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=3&z=2011-01-01&g=2011-01-01), toepassing heeft gevonden op een onroerende zaak ten gevolge van het feit dat deze onroerende zaak was aangemerkt als een landgoed rekening houdende met de oppervlakte van een aangrenzende onroerende zaak waarop het tweede lid is toegepast, is het tweede lid op de eerstgenoemde onroerende zaak van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 5
@@ -132,7 +132,7 @@
1. Indien tot een verkrijging in de zin van de [Successiewet 1956](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226) een onroerende zaak behoort, die is aangemerkt als een landgoed vindt - mits aan de in het volgende lid gestelde voorwaarden is voldaan - geen invordering plaats van het verschil tussen de volgens de aanslag verschuldigde schenkbelasting onderscheidenlijk erfbelasting en de belasting, welke verschuldigd zou zijn, indien de onroerende zaak wordt gesteld op de helft van de waarde in het economische verkeer, welke op het tijdstip van de verkrijging aan de zaak zou moeten worden toegekend, in geval daarop de last rustte om het gedurende een tijdvak van 25 jaren als zodanig in stand te houden en geen opgaand hout te vellen, dan volgens de regels van normaal bosbeheer noodzakelijk of gebruikelijk is. Voor zover het landgoed overeenkomstig door Onze Ministers goedgekeurde regelen voor het publiek is opengesteld, wordt, in afwijking in zoverre van de vorige volzin, de waarde van dat landgoed gesteld op nihil.
2. Het vorige lid is slechts van toepassing, indien in de aangifte behalve de naar [artikel 21 van de voormelde wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=21) bepaalde waarde in het economische verkeer worden opgegeven de in dat lid bedoelde waarde in het economische verkeer en de in [artikel 2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=2&z=2010-01-01&g=2010-01-01), bedoelde beschikking, zomede, indien en voor zover het een opengesteld landgoed betreft, de beschikking, waarbij de regelen voor de openstelling zijn goedgekeurd.
2. Het vorige lid is slechts van toepassing, indien in de aangifte behalve de naar [artikel 21 van de voormelde wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=21) bepaalde waarde in het economische verkeer worden opgegeven de in dat lid bedoelde waarde in het economische verkeer en de in [artikel 2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=2&z=2011-01-01&g=2011-01-01), bedoelde beschikking, zomede, indien en voor zover het een opengesteld landgoed betreft, de beschikking, waarbij de regelen voor de openstelling zijn goedgekeurd.
3. Het in het eerste lid bepaalde geldt ook, indien de hiervoor bedoelde beschikkingen op verzoek van de verkrijgers eerst na het overlijden of de schenking zijn afgegeven.
@@ -142,7 +142,7 @@
##### Artikel 7a
1. Voor de heffing van de schenk- en erfbelasting, geheven krachtens de [Successiewet 1956](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226)en voor de toepassing van [artikel 8a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=8a&z=2010-01-01&g=2010-01-01), worden de bezittingen en schulden van een naamloze vennootschap of van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid als bezittingen en schulden harer gezamenlijke aandeelhouders beschouwd, indien:
1. Voor de heffing van de schenk- en erfbelasting, geheven krachtens de [Successiewet 1956](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226)en voor de toepassing van [artikel 8a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=8a&z=2011-01-01&g=2011-01-01), worden de bezittingen en schulden van een naamloze vennootschap of van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid als bezittingen en schulden harer gezamenlijke aandeelhouders beschouwd, indien:
- a. de werkzaamheden der naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid uitsluitend of hoofdzakelijk bestaan in de instandhouding en exploitatie van onroerende zaken als landgoederen;
@@ -156,35 +156,35 @@
##### Artikel 8
1. In het geval waarin een beschikking is genomen als bedoeld in [artikel 3a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=3a&z=2010-01-01&g=2010-01-01), dan wel indien binnen een tijdvak van 25 jaren na het overlijden of de schenking zich één van de in [artikel 3, derde, vierde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=3&z=2010-01-01&g=2010-01-01), genoemde gevallen voordoet, wordt de belasting - waarvan ingevolge [artikel 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=7&z=2010-01-01&g=2010-01-01), invordering achterwege is gebleven - alsnog ingevorderd, verminderd met de reeds op grond van [artikel 8a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=8a&z=2010-01-01&g=2010-01-01) ingevorderde belasting.
2. Indien een van de in het eerste lid bedoelde gevallen zich heeft voorgedaan met betrekking tot een gedeelte van de onroerende zaak, wordt de belasting herrekend naar de helft van de waarde in het economische verkeer (of, voor zover de onroerende zaak volgens goedgekeurde regelen blijft opengesteld, de op nihil gestelde waarde in het economische verkeer), ten dage, waarop zich één van die gevallen heeft voorgedaan, aan de onroerende zaak, voor zover die als landgoed blijft aangemerkt, overeenkomstig [artikel 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=7&z=2010-01-01&g=2010-01-01), toe te kennen, vermeerderd met de waarde in het economische verkeer, welke op dat tijdstip ingevolge [artikel 21 van de Successiewet 1956](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=21) aan het overige gedeelte van de onroerende zaak, met inbegrip van het gevelde opgaande hout, moet worden toegekend, zonder dat de som van die waarden de in [artikel 7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=7&z=2010-01-01&g=2010-01-01), eerstbedoelde waarde te boven gaat. In dat geval wordt de aldus herrekende belasting, verminderd met de reeds ingevorderde belasting, alsnog ingevorderd. Teruggave van belasting heeft deze bepaling niet tengevolge.
3. Indien door Onze Ministers wordt beslist, dat, te rekenen van een tijdstip, liggende binnen een tijdvak van 25 jaren na het overlijden of de schenking, de onroerende zaak niet langer volgens goedgekeurde regelen is opengesteld, en de vorige twee leden niet van toepassing zijn, vindt alsnog invordering plaats van de belasting berekend naar de helft van de in [artikel 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=7&z=2010-01-01&g=2010-01-01), bedoelde waarde in het economische verkeer, verminderd met de reeds ingevorderde belasting.
4. Indien het in het vorige lid bedoelde geval zich voordoet ten aanzien van een gedeelte van de onroerende zaak en het tweede lid niet van toepassing is, wordt de belasting herrekend naar de op nihil gestelde waarde in het economische verkeer, op het in het vorige lid bedoelde tijdstip aan de onroerende zaak, voor zover die volgens goedgekeurde regelen blijft opengesteld, overeenkomstig [artikel 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=7&z=2010-01-01&g=2010-01-01), toe te kennen, vermeerderd met de helft van de waarde in het economische verkeer, welke op dat tijdstip ingevolge laatstgemelde bepaling aan het overige gedeelte van de onroerende zaak moet worden toegekend, zonder dat deze som de in [artikel 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=7&z=2010-01-01&g=2010-01-01), bedoelde waarde te boven gaat. De aldus herrekende belasting, verminderd met de reeds ingevorderde belasting, wordt alsnog ingevorderd. Teruggave van belasting heeft deze bepaling niet tengevolge.
1. In het geval waarin een beschikking is genomen als bedoeld in [artikel 3a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=3a&z=2011-01-01&g=2011-01-01), dan wel indien binnen een tijdvak van 25 jaren na het overlijden of de schenking zich één van de in [artikel 3, derde, vierde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=3&z=2011-01-01&g=2011-01-01), genoemde gevallen voordoet, wordt de belasting - waarvan ingevolge [artikel 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=7&z=2011-01-01&g=2011-01-01), invordering achterwege is gebleven - alsnog ingevorderd, verminderd met de reeds op grond van [artikel 8a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=8a&z=2011-01-01&g=2011-01-01) ingevorderde belasting.
2. Indien een van de in het eerste lid bedoelde gevallen zich heeft voorgedaan met betrekking tot een gedeelte van de onroerende zaak, wordt de belasting herrekend naar de helft van de waarde in het economische verkeer (of, voor zover de onroerende zaak volgens goedgekeurde regelen blijft opengesteld, de op nihil gestelde waarde in het economische verkeer), ten dage, waarop zich één van die gevallen heeft voorgedaan, aan de onroerende zaak, voor zover die als landgoed blijft aangemerkt, overeenkomstig [artikel 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=7&z=2011-01-01&g=2011-01-01), toe te kennen, vermeerderd met de waarde in het economische verkeer, welke op dat tijdstip ingevolge [artikel 21 van de Successiewet 1956](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=21) aan het overige gedeelte van de onroerende zaak, met inbegrip van het gevelde opgaande hout, moet worden toegekend, zonder dat de som van die waarden de in [artikel 7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=7&z=2011-01-01&g=2011-01-01), eerstbedoelde waarde te boven gaat. In dat geval wordt de aldus herrekende belasting, verminderd met de reeds ingevorderde belasting, alsnog ingevorderd. Teruggave van belasting heeft deze bepaling niet tengevolge.
3. Indien door Onze Ministers wordt beslist, dat, te rekenen van een tijdstip, liggende binnen een tijdvak van 25 jaren na het overlijden of de schenking, de onroerende zaak niet langer volgens goedgekeurde regelen is opengesteld, en de vorige twee leden niet van toepassing zijn, vindt alsnog invordering plaats van de belasting berekend naar de helft van de in [artikel 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=7&z=2011-01-01&g=2011-01-01), bedoelde waarde in het economische verkeer, verminderd met de reeds ingevorderde belasting.
4. Indien het in het vorige lid bedoelde geval zich voordoet ten aanzien van een gedeelte van de onroerende zaak en het tweede lid niet van toepassing is, wordt de belasting herrekend naar de op nihil gestelde waarde in het economische verkeer, op het in het vorige lid bedoelde tijdstip aan de onroerende zaak, voor zover die volgens goedgekeurde regelen blijft opengesteld, overeenkomstig [artikel 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=7&z=2011-01-01&g=2011-01-01), toe te kennen, vermeerderd met de helft van de waarde in het economische verkeer, welke op dat tijdstip ingevolge laatstgemelde bepaling aan het overige gedeelte van de onroerende zaak moet worden toegekend, zonder dat deze som de in [artikel 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=7&z=2011-01-01&g=2011-01-01), bedoelde waarde te boven gaat. De aldus herrekende belasting, verminderd met de reeds ingevorderde belasting, wordt alsnog ingevorderd. Teruggave van belasting heeft deze bepaling niet tengevolge.
5. Indien één van de gevallen, in dit artikel bedoeld, zich voordoet, zijn zij, die tot het doen van aangifte van de verkrijging zijn of waren gehouden, verplicht binnen twee maanden, nadat zij daartoe schriftelijk door de inspecteur zijn uitgenodigd, bij nadere aangifte de gegevens te verstrekken, welke voor de invordering of herrekening ingevolge dit artikel nodig zijn, voor zover deze nog niet aan de inspecteur bekend zijn. [Artikel 11 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=11) is van toepassing. Het bedrag van de in te vorderen belasting wordt bij aanslag vastgesteld.
6. Op het bedrag van de belasting, dat ingevolge [artikel 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=7&z=2010-01-01&g=2010-01-01), niet wordt ingevorderd, blijft [Hoofdstuk V van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&hoofdstuk=V) van toepassing. De aldaar bedoelde rente wordt evenwel slechts in rekening gebracht over en tegelijk met de belasting, waarvan op grond van dit artikel alsnog invordering plaatsheeft.
6. Op het bedrag van de belasting, dat ingevolge [artikel 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=7&z=2011-01-01&g=2011-01-01), niet wordt ingevorderd, blijft [Hoofdstuk V van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&hoofdstuk=V) van toepassing. De aldaar bedoelde rente wordt evenwel slechts in rekening gebracht over en tegelijk met de belasting, waarvan op grond van dit artikel alsnog invordering plaatsheeft.
7. Onze Minister van Financiën kan in bijzondere gevallen beslissen, dat de vorige bepalingen van dit artikel geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijven.
##### Artikel 8a
1. Indien degene ten aanzien van wie [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=7&z=2010-01-01&g=2010-01-01) toepassing heeft gevonden, binnen een tijdvak van 25 jaren na het overlijden of de schenking:
1. Indien degene ten aanzien van wie [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=7&z=2011-01-01&g=2011-01-01) toepassing heeft gevonden, binnen een tijdvak van 25 jaren na het overlijden of de schenking:
- a. de eigendom van het landgoed overdraagt, of
- b. het recht van vruchtgebruik of, behoudens ingeval de hoofdgerechtigde nog steeds als eigenaar wordt aangemerkt op grond van [artikel 1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=1&z=2010-01-01&g=2010-01-01), dat van erfpacht op de onroerende zaak vestigt, overdraagt of daarvan afstand doet, waaronder begrepen de gevallen waarin de erfpachter door de toepassing van [artikel 1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=1&z=2010-01-01&g=2010-01-01), niet langer als eigenaar wordt aangemerkt,
vindt alsnog invordering plaats overeenkomstig de volgende leden van de belasting waarvan bij hem ingevolge [artikel 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=7&z=2010-01-01&g=2010-01-01), invordering achterwege is gebleven.
- b. het recht van vruchtgebruik of, behoudens ingeval de hoofdgerechtigde nog steeds als eigenaar wordt aangemerkt op grond van [artikel 1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=1&z=2011-01-01&g=2011-01-01), dat van erfpacht op de onroerende zaak vestigt, overdraagt of daarvan afstand doet, waaronder begrepen de gevallen waarin de erfpachter door de toepassing van [artikel 1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=1&z=2011-01-01&g=2011-01-01), niet langer als eigenaar wordt aangemerkt,
vindt alsnog invordering plaats overeenkomstig de volgende leden van de belasting waarvan bij hem ingevolge [artikel 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=7&z=2011-01-01&g=2011-01-01), invordering achterwege is gebleven.
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder overdracht mede begrepen de overdracht van de economische eigendom.
3. De ingevolge het eerste lid in te vorderen belasting bedraagt het product van de ten tijde van de in het eerste lid, onderdeel **a** of **b**, bedoelde gebeurtenis nog niet verstreken volle jaren van het in het eerste lid bedoelde tijdvak en 1/25 gedeelte van de belasting waarvan ingevolge [artikel 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=7&z=2010-01-01&g=2010-01-01), invordering achterwege is gebleven.
4. Indien een van de in het eerste lid bedoelde gevallen zich voordoet met betrekking tot een gedeelte van het landgoed wordt een bedrag aan recht ingevorderd dat gelijk is aan het overeenkomstig het derde lid berekende bedrag vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan de waarde van het betrokken gedeelte van het landgoed en de noemer gelijk is aan de waarde van het gehele landgoed. Voor de in de vorige volzin bedoelde waarde van het betrokken gedeelte van het landgoed respectievelijk die van het gehele landgoed wordt in aanmerking genomen de waarde in het economische verkeer op het moment dat de in het eerste lid bedoelde gebeurtenissen zich voordoen.
3. De ingevolge het eerste lid in te vorderen belasting bedraagt het product van de ten tijde van de in het eerste lid, onderdeel **a** of **b**, bedoelde gebeurtenis nog niet verstreken volle jaren van het in het eerste lid bedoelde tijdvak en 1/25 gedeelte van de belasting waarvan ingevolge [artikel 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=7&z=2011-01-01&g=2011-01-01), invordering achterwege is gebleven.
4. Indien een van de in het eerste lid bedoelde gevallen zich voordoet met betrekking tot een gedeelte van het landgoed wordt een bedrag aan belasting ingevorderd dat gelijk is aan het overeenkomstig het derde lid berekende bedrag vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan de waarde van het betrokken gedeelte van het landgoed en de noemer gelijk is aan de waarde van het gehele landgoed. Voor de in de vorige volzin bedoelde waarde van het betrokken gedeelte van het landgoed respectievelijk die van het gehele landgoed wordt in aanmerking genomen de waarde in het economische verkeer op het moment dat de in het eerste lid bedoelde gebeurtenissen zich voordoen.
5. In afwijking van het eerste lid wordt de belasting niet ingevorderd voorzover tegenover de in de onderdelen **a** of **b** bedoelde gebeurtenis geen directe of indirecte tegenprestatie staat. Indien sprake is van een tegenprestatie die afwijkt van hetgeen in het economische verkeer door onafhankelijke partijen zou zijn overeengekomen, wordt het bedrag aan belasting ingevorderd dat gelijk is aan het overeenkomstig het derde of vierde lid berekende bedrag vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan de waarde van de tegenprestatie en de noemer gelijk is aan de waarde van de tegenprestatie die tussen onafhankelijke partijen zou zijn overeengekomen.
@@ -192,11 +192,11 @@
7. Indien degene die een landgoed of een beperkt recht van vruchtgebruik of van erfpacht daarop heeft verkregen ten gevolge van de verdeling van een nalatenschap, dat landgoed of dat beperkt recht binnen de in het eerste lid bedoelde periode van 25 jaar overdraagt aan een van de deelgenoten of voormalige deelgenoten in die nalatenschap, blijft met betrekking tot die overdracht het eerste lid buiten toepassing. De deelgenoot of voormalige deelgenoot aan wie het in de vorige volzin bedoelde landgoed of beperkt recht is overgedragen wordt voor de toepassing van dit artikel geacht dat landgoed of beperkt recht te hebben verkregen krachtens verdeling van de eerder genoemde nalatenschap.
8. [Artikel 8, vijfde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=8&z=2010-01-01&g=2010-01-01), is van overeenkomstige toepassing.
8. [Artikel 8, vijfde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=8&z=2011-01-01&g=2011-01-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 9
Op de ingevolge de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=7&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=8&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [8a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=8a&z=2010-01-01&g=2010-01-01) aan te geven waarden en op te leggen aanslagen zijn de wettelijke bepalingen betreffende de schenk- en erfbelasting en de bepalingen van de [Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320) voor zoveel mogelijk van toepassing.
Op de ingevolge de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=7&z=2011-01-01&g=2011-01-01), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=8&z=2011-01-01&g=2011-01-01) en [8a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=8a&z=2011-01-01&g=2011-01-01) aan te geven waarden en op te leggen aanslagen zijn de wettelijke bepalingen betreffende de schenk- en erfbelasting en de bepalingen van de [Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320) voor zoveel mogelijk van toepassing.
##### Artikel 9a
@@ -208,13 +208,13 @@
##### Artikel 9c
De belasting die door toepassing van [artikel 9a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=9a&z=2010-01-01&g=2010-01-01) niet is geheven, is alsnog verschuldigd indien met betrekking tot het landgoed een beschikking wordt genomen als bedoeld in [artikel 3a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=3a&z=2010-01-01&g=2010-01-01), dan wel binnen een tijdvak van 25 jaren na de verkrijging zich een van de in [artikel 3, derde, vierde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=3&z=2010-01-01&g=2010-01-01), genoemde gevallen voordoet.
De belasting die door toepassing van [artikel 9a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=9a&z=2011-01-01&g=2011-01-01) niet is geheven, is alsnog verschuldigd indien met betrekking tot het landgoed een beschikking wordt genomen als bedoeld in [artikel 3a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=3a&z=2011-01-01&g=2011-01-01), dan wel binnen een tijdvak van 25 jaren na de verkrijging zich een van de in [artikel 3, derde, vierde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=3&z=2011-01-01&g=2011-01-01), genoemde gevallen voordoet.
##### Artikel 10
1. Voor de toepassing van de [artikelen 7a, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=7a&z=2010-01-01&g=2010-01-01), en [8a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=8a&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en de [artikelen 9a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=9a&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [9c van deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=9c&z=2010-01-01&g=2010-01-01), alsmede van [artikel 5, onderdeel a, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=5) (Stb. 469) en [artikel 10.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.9) worden onroerende zaken die gedurende de op de voet van [artikel 4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=4&z=2010-01-01&g=2010-01-01), vastgestelde termijn niet opnieuw kunnen worden aangemerkt als een landgoed, gelijkgesteld met landgoederen.
2. Indien op de voet van [artikel 4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=4&z=2010-01-01&g=2010-01-01), een termijn is vastgesteld, wordt het tijdvak van 25 jaren als bedoeld in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=8&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en in [artikel 9c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=9c&z=2010-01-01&g=2010-01-01) met die termijn verlengd.
1. Voor de toepassing van de [artikelen 7a, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=7a&z=2011-01-01&g=2011-01-01), en [8a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=8a&z=2011-01-01&g=2011-01-01) en de [artikelen 9a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=9a&z=2011-01-01&g=2011-01-01) en [9c van deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=9c&z=2011-01-01&g=2011-01-01), alsmede van [artikel 5, onderdeel a, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=5) (Stb. 469) en [artikel 10.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.9) worden onroerende zaken die gedurende de op de voet van [artikel 4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=4&z=2011-01-01&g=2011-01-01), vastgestelde termijn niet opnieuw kunnen worden aangemerkt als een landgoed, gelijkgesteld met landgoederen.
2. Indien op de voet van [artikel 4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=4&z=2011-01-01&g=2011-01-01), een termijn is vastgesteld, wordt het tijdvak van 25 jaren als bedoeld in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=8&z=2011-01-01&g=2011-01-01) en in [artikel 9c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=9c&z=2011-01-01&g=2011-01-01) met die termijn verlengd.
##### Artikel 11
2010-01-01
Natuurschoonwet 1928 — arts. 3, 3, 3 y 3 más
2009-12-22
Natuurschoonwet 1928 — arts. 3, 3, 4 y 5 más
2008-07-11
Natuurschoonwet 1928 — arts. 3, 3, 4 y 5 más
2008-01-01
Natuurschoonwet 1928 — arts. 3, 3, 4 y 5 más
2007-06-01
Natuurschoonwet 1928 — arts. 1, 2, 3 y 7 más
2006-01-01
Natuurschoonwet 1928 — art. 3
2001-01-01
Natuurschoonwet 1928
original version
Tekst op deze datum