Wijzigingsgeschiedenis
Wet van 24 juni 1939, houdende regelen met betrekking tot de medewerking van alle personen en lichamen aan de voorbereiding van de voorziening in geval van oorlog, oorlogsgevaar, daaraan verwante of daarmede verband houdende buitengewone omstandigheden in de behoeften van volkshuishouding en landsverdediging, zoomede aan de voorbereiding van de financiering dier voorziening
7 versions
· 2021-07-01
2021-07-01
Wet medewerking verdedigingsvoorbereiding — arts. 3, 4
2019-01-01
Wet medewerking verdedigingsvoorbereiding — arts. 3, 4
2014-01-25
Wet medewerking verdedigingsvoorbereiding — arts. 3, 4
Wijzigingen op 2014-01-25
@@ -22,33 +22,33 @@
##### Artikel 2
1. Alle personen en lichamen, wier medewerking naar het oordeel van Onze Ministers van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, van Defensie of van Financiën noodzakelijk is ter voorbereiding van de voorziening in geval van buitengewone omstandigheden in de behoeften van volkshuishouding en landsverdediging, zoomede ter voorbereiding van de financiering dier voorziening, zijn verplicht deze medewerking te verleenen, indien zij overeenkomstig de bepalingen dezer wet wordt gevorderd.
1. Alle personen en lichamen, wier medewerking naar het oordeel van Onze Ministers van Economische Zaken, van Defensie of van Financiën noodzakelijk is ter voorbereiding van de voorziening in geval van buitengewone omstandigheden in de behoeften van volkshuishouding en landsverdediging, zoomede ter voorbereiding van de financiering dier voorziening, zijn verplicht deze medewerking te verleenen, indien zij overeenkomstig de bepalingen dezer wet wordt gevorderd.
2. De medewerking wordt gevorderd:
- a. met betrekking tot de behoeften der volkshuishouding, door Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;
- a. met betrekking tot de behoeften der volkshuishouding, door Onze Minister van Economische Zaken;
- b. met betrekking tot de behoeften der landsverdediging, door Onzen Minister van Defensie;
- c. met betrekking tot de financiering der in het eerste lid bedoelde voorziening, door Onzen Minister van Financiën.
3. De besturen van provinciën en gemeenten verleenen de in deze wet bedoelde medewerking, indien daartoe door Onze Ministers van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, van Defensie of van Financiën het verzoek wordt gedaan. Het bepaalde in lid 2 vindt te dezen overeenkomstige toepassing.
3. De besturen van provinciën en gemeenten verleenen de in deze wet bedoelde medewerking, indien daartoe door Onze Ministers van Economische Zaken, van Defensie of van Financiën het verzoek wordt gedaan. Het bepaalde in lid 2 vindt te dezen overeenkomstige toepassing.
4. Ten aanzien van de in het vorige lid bedoelde medewerking vindt het bepaalde in de [artikel 120](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=120) en [121 van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=121) en in de [artikelen 123](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=123) en [124 van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=124) overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 3
1. Alvorens tot een vordering, als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001995&artikel=2&z=2013-01-01&g=2013-01-01), wordt besloten, zal Onze daartoe aangewezen Minister overleg plegen met den betrokken persoon of het betrokken lichaam.
1. Alvorens tot een vordering, als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001995&artikel=2&z=2014-01-25&g=2014-01-25), wordt besloten, zal Onze daartoe aangewezen Minister overleg plegen met den betrokken persoon of het betrokken lichaam.
2. Wanneer zoodanig overleg zou moeten plaats hebben met een groep van personen of lichamen, die eenzelfde beroep, bedrijf of werkzaamheid uitoefenen of bij wie met betrekking tot de te vorderen medewerking overeenkomstige belangen aanwezig zijn, kan de Minister het overleg plegen met enkele dier personen of lichamen, door hem aan te wijzen. De aanwijzing geschiedt bij voorkeur, nadat de beroeps- of bedrijfsorganisaties der betrokkenen terzake zijn gehoord.
##### Artikel 4
Indien op grond van het overleg, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001995&artikel=3&z=2013-01-01&g=2013-01-01), vrijwillige medewerking wordt toegezegd, kan een vordering achterwege blijven.
Indien op grond van het overleg, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001995&artikel=3&z=2014-01-25&g=2014-01-25), vrijwillige medewerking wordt toegezegd, kan een vordering achterwege blijven.
##### Artikel 5
1. De in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001995&artikel=2&z=2013-01-01&g=2013-01-01) bedoelde medewerking kan uitsluitend bestaan in:
1. De in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001995&artikel=2&z=2014-01-25&g=2014-01-25) bedoelde medewerking kan uitsluitend bestaan in:
- a. het verstrekken van zoodanige opgaven en inlichtingen, als met het oog op de in dat artikel bedoelde voorbereiding door den betrokken Minister noodzakelijk worden geacht;
@@ -76,7 +76,7 @@
##### Artikel 7
1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001995&artikel=2&z=2013-01-01&g=2013-01-01) zijn belast de ambtenaren en personen, aangewezen bij besluit van Onze Minister, bedoeld in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001995&artikel=2&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001995&artikel=2&z=2014-01-25&g=2014-01-25) zijn belast de ambtenaren en personen, aangewezen bij besluit van Onze Minister, bedoeld in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001995&artikel=2&z=2014-01-25&g=2014-01-25).
2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de **Staatscourant**.
@@ -104,11 +104,11 @@
2. Hij aan wiens schuld te wijten is, dat aan een vordering tot medewerking of aan de daaruit voortvloeiende verplichtingen niet wordt voldaan, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.
3. Hij die opzettelijk een toegezegde vrijwillige medewerking, als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001995&artikel=4&z=2013-01-01&g=2013-01-01), niet verleent, dan wel door handelen of nalaten opzettelijk bewerkt of opzettelijk medebewerkt, dat een zoodanige medewerking niet wordt verleend, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.
3. Hij die opzettelijk een toegezegde vrijwillige medewerking, als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001995&artikel=4&z=2014-01-25&g=2014-01-25), niet verleent, dan wel door handelen of nalaten opzettelijk bewerkt of opzettelijk medebewerkt, dat een zoodanige medewerking niet wordt verleend, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.
4. Hij aan wiens schuld te wijten is, dat een toegezegde vrijwillige medewerking, als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001995&artikel=4&z=2013-01-01&g=2013-01-01), niet wordt verleend, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.
4. Hij aan wiens schuld te wijten is, dat een toegezegde vrijwillige medewerking, als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001995&artikel=4&z=2014-01-25&g=2014-01-25), niet wordt verleend, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.
5. Hij die - door zijn ambt, beroep of werkzaamheid betrokken bij de voldoening aan een vordering tot medewerking, aan een ander gedaan, of bij de verleening van door een ander toegezegde vrijwillige medewerking, als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001995&artikel=4&z=2013-01-01&g=2013-01-01), - iets doet of nalaat, waardoor het voldoen aan die vordering of aan de daaruit voortvloeiende verplichtingen, dan wel het verleenen van die medewerking in gevaar wordt gebracht, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.
5. Hij die - door zijn ambt, beroep of werkzaamheid betrokken bij de voldoening aan een vordering tot medewerking, aan een ander gedaan, of bij de verleening van door een ander toegezegde vrijwillige medewerking, als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001995&artikel=4&z=2014-01-25&g=2014-01-25), - iets doet of nalaat, waardoor het voldoen aan die vordering of aan de daaruit voortvloeiende verplichtingen, dan wel het verleenen van die medewerking in gevaar wordt gebracht, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.
##### Artikel 12a
2013-01-01
Wet medewerking verdedigingsvoorbereiding — arts. 3, 4
2012-02-08
Wet medewerking verdedigingsvoorbereiding — arts. 3, 4
2005-03-16
Wet medewerking verdedigingsvoorbereiding — arts. 3, 4
1998-01-01
Wet medewerking verdedigingsvoorbereiding
original version
Tekst op deze datum