Besluit van 20 juli 1953, tot vaststelling van regelen ter uitvoering van de Inkwartieringswet

Type AMvB
Publication 2002-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 156
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
2.

Indien een onroerende zaak tengevolge van het gebruik verloren gaat, wordt de schadeloosstelling vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 84, onder aftrek van hetgeen reeds in de schadeloosstelling voor het gebruik als afschrijving, alsmede van hetgeen voor buitengewone waardevermindering is ontvangen.

3.

Indien een in gebruik gevorderd onroerende zaak door brand verloren gaat, wordt - voorzover niet uit andere hoofde aanspraken op vergoeding van de geleden schade geldend gemaakt kunnen worden - de in het voorgaande lid bedoelde schadeloosstelling verleend, tenzij de gebruiker bewijst dat de brand niet aan zijn schuld te wijten is.

Artikel 89

De vergoeding voor het voldoen aan een vordering tot het verrichten van enkele diensten, bedoeld in artikel 3 der wet, wordt vastgesteld op het daarvoor algemeen geldende tarief.

Artikel 90

De vergoeding voor het voldoen aan een vordering van een transport wordt vastgesteld op het daarvoor algemeen geldende tarief.

Artikel 91

De kosten, welke degene die aan een vordering heeft voldaan als rechtstreeks en onvermijdelijk gevolg van de vordering heeft moeten maken, worden boven de in de voorgaande artikelen bedoelde schadeloosstelling, voorzover zij geacht kunnen worden niet daarin begrepen te zijn, vergoed.

Artikel 92

1.

Indien tengevolge van het voldoen aan een vordering de exploitatie van een bedrijf of de zelfstandige uitoefening van een beroep wordt belet of belemmerd, wordt een schadeloosstelling verleend wegens bedrijfsschade.

2.

De in het voorgaande lid bedoelde schadeloosstelling wordt vastgesteld op het verschil tussen de als rechtstreeks en onvermijdelijk gevolg van de vordering gederfde bruto-opbrengsten van het bedrijf of bruto-inkomsten uit het beroep en de tengevolge van de vordering weggevallen kosten.

3.

Bij de vaststelling van het bedrag, bedoeld in het voorgaande lid, wordt rekening gehouden met hetgeen reeds krachtens de overige artikelen van dit hoofdstuk is ontvangen.

4.

Het bedrag, hetwelk overeenkomstig het tweede lid is vastgesteld, kan worden verminderd, indien en voorzover degene, aan wie uiteindelijk - hetzij middellijk, hetzij onmiddellijk - de schadeloosstelling geheel of gedeeltelijk ten goede komt, redelijkerwijs de mogelijkheid heeft gehad door het verrichten van andere werkzaamheden of anderszins de schade te beperken.

5.

Onder bedrijf in de zin van dit artikel wordt verstaan een zelfstandige, duurzaam bedoelde organisatie of een samenstel van bedrijfs-economisch samenhangende duurzaam bedoelde organisaties, regelmatig en openlijk aan het economisch verkeer deelnemende door het verstrekken van zaken of het verrichten van diensten, met het oogmerk winst te behalen dan wel met het doel zoveel mogelijk de baten en lasten met elkander in evenwicht te houden.

Artikel 93

Bij de vaststelling van de schadeloosstelling worden de van overheidswege gegeven prijsvoorschriften in acht genomen.

Artikel 94

Onze Minister is bevoegd van de bepalingen van dit hoofdstuk, behoudens het voorgaande artikel, af te wijken in gevallen, waarin blijkt dat de toepassing van die bepalingen tot uitkomsten leidt welke aanzienlijk verschillen van het bedrag der werkelijk geleden schade. Alsdan wordt de schadeloosstelling vastgesteld op het geldelijk nadeel hetwelk is ontstaan als rechtstreeks gevolg van de vordering.

Afdeling 2. Tarieven

Artikel 95

1.

Aan de tarieven, welke Onze Minister ingevolge het derde lid van artikel 11 en het eerste lid van artikel 44 der wet vaststelt, dienen de bepalingen van de eerste afdeling van dit hoofdstuk ten grondslag te liggen, met dien verstande dat bij de vaststelling wordt uitgegaan van krachtens de wet gedane verstrekkingen van deugdelijke hoedanigheid en normale aard.

2.

In de tarieven is niet begrepen een schadeloosstelling voor bedrijfsschade en buitengewone waardevermindering, noch een vergoeding van de kosten, bedoeld in artikel 91, tenzij het tegendeel is vermeld.

Afdeling 3. Bijzondere bepalingen

Artikel 96

1.

De afschrijvingspercentages, bedoeld in de artikelen 84 en 85, worden, voorzover zij betrekking hebben op motorrijtuigen, door Onze Minister vastgesteld na overleg met de daarvoor in aanmerking komende organen van het bedrijfsleven.

2.

De in het voorgaande lid bedoelde afschrijvingspercentages worden door de zorg van Onze Minister in de Staatscourant bekend gemaakt.

Artikel 97

De schadeloosstelling, bedoeld in artikel 48 der wet, wordt, voorzover deze betrekking heeft op motorrijtuigen, aan de hand van de gegevens van het rapport, bedoeld in artikel 53 dan wel artikel 82a, vierde lid, met overeenkomstige toepassing van artikel 84 vastgesteld op de vervangingswaarde op het tijdstip van de taxatie.

Artikel 98

1.

Indien de houder van een motorrijtuig tengevolge van de maatregelen, bedoeld in de derde en zevende afdeling van het vierde hoofdstuk van dit besluit, dan wel ten gevolge van een algemene vordering van motorrijtuigen in de zin van artikel 61 der wet, schade heeft geleden, wordt hem een schadeloosstelling verleend overeenkomstig een daarvoor door Onze Minister vastgesteld tarief.

2.

Dit tarief omvat een vergoeding voor het aantal verreden kilometers en een vergoeding gebaseerd op het loon van een bestuurder van een motorrijtuig.

Artikel 98a

Indien tengevolge van een keuring ter plaatse waar de zaken zich bevinden, als bedoeld in artikel 82i, eerste lid, schade is geleden, wordt op een daartoe strekkend verzoek een schadeloosstelling verleend.

Zo Onze Minister te dier zake een tarief heeft vastgesteld, wordt de schadeloosstelling vastgesteld overeenkomstig dat tarief.

Artikel 99

De als rechtstreeks en onvermijdelijk gevolg van de maatregelen, bedoeld in artikel 30 onder a en b van de wet, geleden schade en gemaakte kosten worden vergoed.

Artikel 100

Indien de burgemeester, dan wel de persoon die hem vervangt, optredend ter uitvoering van een hem bij dit besluit opgedragen taak, zich buiten zijn gemeente moet begeven, worden de noodzakelijk gemaakte reis- en verblijfkosten vergoed.

Artikel 101

De ingevolge de artikelen 79 en 81 noodzakelijk gemaakte kosten worden vergoed.

Artikel 102

De kosten, welke de gemeente ingevolge artikel 25 heeft gemaakt, worden vergoed.

Afdeling 4. De vaststelling en uitkering van de schadeloosstelling

Artikel 103

De vaststelling van de schadeloosstelling ingevolge het vierde lid van artikel 11 der wet geschiedt door de burgemeester met inachtneming van de bepalingen van dit hoofdstuk, met dien verstande dat schadeloosstellingen terzake van bedrijfsschade, welke meer bedragen dan een bedrag naar reden van € 2 270 per jaar, voorafgaande goedkeuring van Onze Minister behoeven.

Artikel 104

De vaststelling en uitkering van de schadeloosstelling ingevolge het derde lid van artikel 44 der wet geschiedt, voorzover zij niet strekt tot vergoeding van geleden bedrijfsschade, door daartoe door Onze Minister aangewezen officieren.

Artikel 105

1.

De vaststelling en uitkering van de schadeloosstelling ingevolge het derde lid van artikel 44 der wet geschiedt, voorzover zij strekt tot vergoeding van geleden bedrijfsschade, door Onze Minister.

2.

Vervallen.

3.

Onze Minister is bevoegd de vaststelling en uitkering van de schadeloosstelling, bedoeld in het eerste lid, op te dragen aan de in het voorgaande artikel bedoelde officieren, tenzij de schadeloosstelling meer bedraagt dan een bedrag naar reden van € 2 270 per jaar.

Artikel 106

Vervallen

Artikel 107

Ter verkrijging van een schadeloosstelling voor bedrijfsschade of buitengewone waardevermindering, dan wel ter verkrijging van een vergoeding, bedoeld in de artikelen 91 en 99, dient de rechthebbende een verzoekschrift te richten tot Onze Minister.

Artikel 108

1.

Ter verkrijging van de schadeloosstelling, bedoeld in artikel 98, dient de houder van het motorrijtuig, behoudens het bepaalde bij artikel 82, een declaratie in bij een door Onze Minister aangewezen autoriteit.

2.

De uitbetaling van de schadeloosstelling geschiedt door de gemeente.

3.

Onze Minister draagt zorg dat aan de gemeente de nodige gelden beschikbaar worden gesteld.

Artikel 108a

1.

Ter verkrijging van schadeloosstelling terzake van vordering van roerende zaken in eigendom levert degene van wie gevorderd is, indien aan de vordering is voldaan krachtens een lastgeving als bedoeld in artikel 82l, de lastgeving, voorzien van de volledig ingevulde verklaring van ontvangst in ten gemeentehuize van de gemeente waar de gevorderde zaken zich bevonden.

2.

De burgemeester doet nagaan of de op de lastgeving voorkomende verklaring van ontvangst volledig is ingevuld en of de lastgeving en de daarop voorkomende verklaring van ontvangst overeenstemmen met het in zijn bezit zijnde afschrift van de lastgeving en het hem door de commandant toegezonden afschrift van de verklaring van ontvangst. In geval van overeenstemming, vult hij zowel op het origineel als op het afschrift van de lastgeving de akkoordverklaring in. Stemmen de gegevens niet overeen dan bericht hij zulks aan de commandant.

3.

Na invulling van de akkoordverklaring worden het originele exemplaar van de lastgeving met de daaraan gehechte verklaring van ontvangst aan degene van wie gevorderd is teruggegeven en het afschrift toegezonden aan de vorderingscommissaris.

4.

De vorderingscommissaris stelt zo spoedig mogelijk orde op de uitbetaling der schadeloosstelling.

5.

Uitbetaling van de schadeloosstelling geschiedt tegen inlevering van het volledig ingevulde originele exemplaar van de lastgeving. Indien het originele exemplaar van de lastgeving in het ongerede is geraakt, kan uitbetaling plaatsvinden tegen inlevering van het afschrift nadat daarop van de reden van het in ongerede raken is melding gemaakt.

6.

De in ontvangst genomen lastgeving en het door de burgemeester toegezonden afschrift daarvan worden door de zorg van de vorderingscommissaris ongeldig gestempeld.

Artikel 108b

De schadeloosstelling ter zake van vordering van roerende zaken in eigendom, welke heeft plaatsgehad met toepassing van artikel 82z en zonder contante betaling, wordt aan degene van wie gevorderd is uitgekeerd ten gemeentehuize van de gemeente waar de gevorderde zaken zijn ingeleverd, tegen inlevering van de in het zevende lid van dat artikel bedoelde bon.

Artikel 109

1.

Indien een schadeloosstelling voor het voldoen aan een vordering niet binnen een redelijke termijn is uitbetaald, wordt vanaf de datum, waarop deze termijn is verstreken, een rentevergoeding over het bedrag der schadeloosstelling gegeven van 4% per jaar.

2.

Als redelijke termijn, bedoeld in het eerste lid, geldt:

  • a. bij een schadeloosstelling waarvoor een tarief is voorgeschreven: drie maanden na het voldoen aan de vordering;
  • b. bij een schadeloosstelling waarvoor geen tarief is voorgeschreven: zes maanden na het voldoen aan de vordering.
3.

Bij een schadeloosstelling, waarvoor het indienen van een verzoekschrift is voorgeschreven, begint de in het tweede lid bedoelde termijn te lopen vanaf de datum van de indiening van het verzoekschrift, met dien verstande dat bij een schadeloosstelling voor geleden bedrijfsschade als redelijke termijn geldt: een jaar.

4.

Indien het betreft schadeloosstellingen, welke in gelijke maandelijkse of andere termijnen worden uitbetaald, geldt, na verloop van de in het tweede en derde lid genoemde termijnen, voor iedere volgende uitbetaling als redelijke termijn: een maand.

5.

De rentevergoeding wordt niet gegeven indien en voorzover de te late uitkering is te wijten aan gemis aan medewerking van de rechthebbende of aan overmacht.

Hoofdstuk VI. Uitkering in geval van tijdelijke of blijvende vermindering van arbeidsgeschiktheid of overlijden

Artikel 110

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a. de getroffene: degene die, als gevolg van het voldoen aan een vordering krachtens de wet of de medewerking aan het voldoen, tijdelijk of blijvend verminderd arbeidsgeschikt is geworden;
  • b. de overledene: degene die, als gevolg van het voldoen aan een vordering krachtens de wet of de medewerking aan het voldoen, overleden is;
  • c. de nabestaande: elk der personen, bedoeld in de artikelen 36 en 37 van de Pensioenwet voor de landmacht 1922;
  • d. de inkomsten: de inkomsten welke de getroffene of de overledene uit de eigen arbeid rechtmatig genoot, met inbegrip van de in verband daarmede regelmatig toegevallen baten.

Artikel 111

1.

Ten laste van het Rijk wordt, naar regelen en onder voorwaarden bij of krachtens de bepalingen van dit hoofdstuk gesteld, aan de getroffene of de nabestaanden een uitkering toegekend.

2.

De in het eerste lid bedoelde uitkering is een tijdelijke in het geval van verminderde arbeidsgeschiktheid voor de duur van de verminderde arbeidsgeschiktheid, doch uiterlijk tot aan het tijdstip waarop vastgesteld is dat de verminderde arbeidsgeschiktheid van blijvende aard is.

3.

De in het eerste lid bedoelde uitkering is een voortdurende in het geval van verminderde arbeidsgeschiktheid, vanaf het tijdstip waarop vastgesteld is dat de verminderde arbeidsgeschiktheid van blijvende aard is, en in het geval van overlijden.

Artikel 112

Geen uitkering zal worden toegekend voor zover de getroffene of de overledene een zodanige wijze van voldoening aan de vordering of vorm van medewerking heeft gekozen, dat daardoor onevenredige of nodeloze risico's geschapen zijn.

Artikel 113

1.

Een tijdelijke uitkering krachtens artikel 111 heeft alleen plaats indien en voor zover de getroffene tengevolge van de verminderde arbeidsgeschiktheid schade lijdt door gehele of gedeeltelijke derving van inkomsten.

2.

Onze Minister stelt de tijdelijke uitkering vast, met dien verstande dat de uitkering niet mag worden vastgesteld op een bedrag hoger dan naar reden van € 2 178,15 per jaar.

Artikel 114

1.

De ingevolge het voorgaande artikel vastgestelde uitkering kan te allen tijde worden herzien, indien het Onze Minister mocht blijken dat de vaststelling op grond van onjuiste gegevens is geschied.

2.

Indien mocht blijken dat terzake van een uitkering, bedoeld in het voorgaande artikel, teveel is uitbetaald, heeft geen terugvordering plaats tenzij zulks aan onjuiste opgaven van de getroffene is te wijten.

Artikel 115

Onze Minister is bevoegd de tijdelijke uitkering geheel of ten dele niet te verlenen, indien de getroffene:

  • a. weigert of nalaat inlichtingen te verschaffen, welke door Onze Minister nodig worden geoordeeld ter vaststelling van de tijdelijke uitkering;
  • b. weigert of nalaat zich te onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek of geneeskundige contrôle, door Onze Minister nodig geoordeeld ter vaststelling van de mate van zijn verminderde arbeidsgeschiktheid;
  • c. weigert of nalaat zich voor observatie op te laten nemen in een ziekeninrichting, indien Onze Minister zulks nodig oordeelt ter vaststelling van de mate van zijn verminderde arbeidsgeschiktheid;
  • d. weigert of nalaat zich voor geneeskundige behandeling - uitgezonderd operatief ingrijpen - op te laten nemen in een ziekeninrichting, indien Onze Minister dit nodig oordeelt;
  • e. zich schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd.

Artikel 116

1.

Een voortdurende uitkering wordt vastgesteld naar dezelfde regelen en maatstaven als die, waarnaar krachtens de bepalingen van de Pensioenwet voor de landmacht 1922 aan dienstplichtige militairen der Koninklijke Landmacht of hun nabestaanden een pensioen kan worden toegekend.

2.

De bepalingen van de Pensioenwet voor de landmacht 1922, alsmede de uitvoeringsbepalingen van die wet zijn in daartoe leidend geval ten deze van overeenkomstige toepassing.

Artikel 117

1.

Ten laste van het Rijk komen de kosten van noodzakelijke genees- en heelkundige behandeling van de getroffene terzake van tijdelijke of blijvende vermindering van arbeidsgeschiktheid als gevolg van het voldoen aan een vordering krachtens de wet of de medewerking aan het voldoen, alsmede de redelijke kosten van lijkbezorging van de overledene, welke ten laste van de nabestaanden zouden komen.

2.

Onder geneeskundige behandeling worden mede begrepen: tandheelkundige behandeling, verpleging in een ziekeninrichting, ziekenvervoer, alsmede verstrekking van genees- en verbandmiddelen en medische kunst- of hulpmiddelen.

3.

De kosten, bedoeld in het eerste lid, komen niet ten laste van het Rijk, indien en voor zover uit hoofde van een wettelijke of andere algemene regeling aanspraken op genees- en heelkundige behandeling of op vergoeding van de daaraan verbonden kosten geldend gemaakt kunnen worden.

4.

Het in artikel 112 ten aanzien van de uitkering bepaalde is eveneens van toepassing op de kosten, bedoeld in het eerste lid van dit artikel.

5.

Ten aanzien van de genees- en heelkundige behandeling kan Onze Minister in voorkomende gevallen bepalen, dat deze wordt verleend door de militair geneeskundige dienst.

Hoofdstuk VII. Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 118

De Inspecteurs van 's Rijksbelastingen verschaffen de inlichtingen, welke Onze Minister nodig heeft voor de uitvoering van de bepalingen van dit besluit.

Artikel 119

Het Koninklijk besluit van 10 November 1892, Stb. 253, wordt ingetrokken.

Artikel 120

De verplichtingen, welke op grond van de artikelen 43 M-71 M van het Koninklijk besluit van 10 November 1892, Stb. 253, zijn opgelegd, blijven van kracht totdat zij zijn vervangen door de verplichtingen krachtens het vierde hoofdstuk van dit besluit, dan wel zijn ingetrokken.

Artikel 121

Indien na de inwerkingtreding van dit besluit de maatregelen, bedoeld in de afdelingen 3-7 van het vierde hoofdstuk, nog niet zijn getroffen, kan niettemin een algemene vordering van motorrijtuigen in de zin van artikel 61 der wet plaats vinden, met dien verstande dat een lastgeving als bedoeld in artikel 62 aan de houders dient te zijn uitgereikt.

Artikel 122

Dit besluit kan worden aangehaald onder de titel "Inkwartieringsbesluit".

Artikel 123

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 Augustus 1953.

Artikel 124

Gelijktijdig met dit besluit treedt de Inkwartieringswet in werking.

Onze Ministers van Oorlog, van Marine, van Binnenlandse Zaken en van Financiën zijn, ieder voor zoveel hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)