Wijzigingsgeschiedenis
Besluit van 20 juli 1956, ter uitvoering van de Successiewet 1956
17 versions
· 2026-01-01
2026-01-01
Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 — art. 10
2024-01-01
Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 — arts. 10, 10
2023-01-01
Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 — arts. 10, 10
2020-01-01
Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 — arts. 10, 10
2016-09-23
Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 — arts. 10, 10, 10
2016-07-01
Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 — arts. 10, 10
2016-01-01
Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 — arts. 14, 14
2015-11-01
Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 — arts. 14, 14, 14
2015-01-01
Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956
2014-01-01
Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 — arts. 14, 14
2013-01-01
Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 — arts. 14, 14
2012-01-01
Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956
2011-01-01
Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 — arts. 14, 14, 14
Wijzigingen op 2011-01-01
@@ -87,7 +87,7 @@
##### Artikel 13
1. Er is een Adviescommissie beoordeling aangeboden cultuurbezit uit nalatenschappen, verder te noemen: de commissie, die tot taak heeft Onze Minister op zijn verzoek te adviseren omtrent verzoeken op grond van dit Besluit ter zake van de beoordeling of een voorwerp op grond van de cultuurhistorische of kunsthistorische voorwaarden die zijn opgenomen in [artikel 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002227&hoofdstuk=2&artikel=15&z=2010-01-01&g=2010-01-01), in aanmerking komt voor de toepassing van [artikel 67, derde lid, van de Successiewet 1956](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=67).
1. Er is een Adviescommissie beoordeling aangeboden cultuurbezit uit nalatenschappen, verder te noemen: de commissie, die tot taak heeft Onze Minister op zijn verzoek te adviseren omtrent verzoeken op grond van dit Besluit ter zake van de beoordeling of een voorwerp op grond van de cultuurhistorische of kunsthistorische voorwaarden die zijn opgenomen in [artikel 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002227&hoofdstuk=2&artikel=15&z=2011-01-01&g=2011-01-01), in aanmerking komt voor de toepassing van [artikel 67, derde lid, van de Successiewet 1956](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=67).
2. De commissie bestaat uit een voorzitter, tevens lid, en twee andere leden.
@@ -113,9 +113,9 @@
##### Artikel 12
1. Voor de beslissing op het in [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002227&hoofdstuk=2&artikel=11&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde verzoek laat Onze Minister zich adviseren door de in [artikel 13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002227&hoofdstuk=2&artikel=13&z=2010-01-01&g=2010-01-01), bedoelde commissie, behalve indien het verzoek kennelijk ongegrond of niet-ontvankelijk is.
2. Onze Minister wijst het verzoek af indien het voorwerp niet voldoet aan de in [artikel 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002227&hoofdstuk=2&artikel=15&z=2010-01-01&g=2010-01-01) opgenomen voorwaarden.
1. Voor de beslissing op het in [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002227&hoofdstuk=2&artikel=11&z=2011-01-01&g=2011-01-01) bedoelde verzoek laat Onze Minister zich adviseren door de in [artikel 13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002227&hoofdstuk=2&artikel=13&z=2011-01-01&g=2011-01-01), bedoelde commissie, behalve indien het verzoek kennelijk ongegrond of niet-ontvankelijk is.
2. Onze Minister wijst het verzoek af indien het voorwerp niet voldoet aan de in [artikel 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002227&hoofdstuk=2&artikel=15&z=2011-01-01&g=2011-01-01) opgenomen voorwaarden.
3. Indien Onze Minister besluit ter zake van de overdracht van het voorwerp aan de Staat kwijtschelding van erfbelasting te verlenen, vermeldt het besluit tevens de waarde in het economische verkeer die voor de berekening van de kwijtschelding aan het voorwerp zal worden toegekend.
@@ -139,9 +139,9 @@
##### Artikel 14
1. Een ieder die een voorwerp in eigendom heeft waarvan hij vermoedt dat het voldoet aan de voorwaarden die zijn opgenomen in [artikel 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002227&hoofdstuk=2&artikel=15&z=2010-01-01&g=2010-01-01), kan Onze Minister verzoeken te verklaren dat met betrekking tot dit voorwerp [artikel 67, derde lid, van de Successiewet 1956](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=67) toepassing kan vinden indien daarom na zijn overlijden door degene die dit voorwerp krachtens erfrecht uit zijn nalatenschap heeft verkregen zal worden verzocht.
2. Het in het eerste lid bedoelde verzoek omvat mede een omschrijving van het voorwerp en voorts zijn de bepalingen van [artikel 12, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002227&hoofdstuk=2&artikel=12&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat aan de verklaring voorwaarden kunnen worden verbonden.
1. Een ieder die een voorwerp in eigendom heeft waarvan hij vermoedt dat het voldoet aan de voorwaarden die zijn opgenomen in [artikel 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002227&hoofdstuk=2&artikel=15&z=2011-01-01&g=2011-01-01), kan Onze Minister verzoeken te verklaren dat met betrekking tot dit voorwerp [artikel 67, derde lid, van de Successiewet 1956](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=67) toepassing kan vinden indien daarom na zijn overlijden door degene die dit voorwerp krachtens erfrecht uit zijn nalatenschap heeft verkregen zal worden verzocht.
2. Het in het eerste lid bedoelde verzoek omvat mede een omschrijving van het voorwerp en voorts zijn de bepalingen van [artikel 12, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002227&hoofdstuk=2&artikel=12&z=2011-01-01&g=2011-01-01), van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat aan de verklaring voorwaarden kunnen worden verbonden.
##### Artikel 15
@@ -192,13 +192,13 @@
3. De jaarlijkse huur, bedoeld in het tweede lid, wordt gesteld op twaalf maal de maandelijkse huur, zoals die geldt aan het begin van de verhuurperiode in het kalenderjaar. Indien de huurprijs zoals die tussen gelieerde partijen is overeengekomen zodanig is dat deze tussen willekeurige derden niet overeengekomen zou zijn, wordt de huurprijs voor de toepassing van het tweede lid gesteld op 3,5% van de WOZ-waarde.
4. Indien de woning een gedeelte van een gebouwd eigendom is als bedoeld in [artikel 16, onderdeel c, van de Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=16), en niet als een afzonderlijke zaak vervreemd kan worden, bedraagt de leegwaarderatio 60%.
4. Indien de woning een gedeelte van een gebouwd eigendom is als bedoeld in [artikel 16, onderdeel c, van de Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=16), en niet als een afzonderlijke zaak vervreemd kan worden, wordt voor de toepassing van het eerste en het tweede lid de WOZ-waarde van die woning verlaagd met een bedrag van € 20 000.
5. Indien van een woning een gedeelte verhuurd is, wordt slechts de WOZ-waarde van dat deel vermenigvuldigd met de leegwaarderatio. Indien de WOZ-waarde van dat deel niet is vastgesteld, wordt deze bepaald door de totale WOZ-waarde van de woning te vermenigvuldigen met de verhuurde vierkante meters en te delen door de totale oppervlakte van de woning.
##### Artikel 10b
De waarde van een erfpachtcanon als bedoeld in [artikel 21, negende lid, van de Successiewet 1956](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=21) wordt gesteld op het zeventienvoud van het jaarlijkse bedrag.
De waarde van een erfpachtcanon als bedoeld in [artikel 21, negende lid, van de Successiewet 1956](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=21) wordt gesteld op het zeventienvoud van het jaarlijkse bedrag. In afwijking van de eerste volzin wordt het deel van een erfpachtcanon dat kan worden toegerekend aan een verhuurde woning als bedoeld in [artikel 10a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002227&hoofdstuk=1&artikel=10a&z=2011-01-01&g=2011-01-01), gesteld op het twintigvoud van het jaarlijkse bedrag. De toerekening van de erfpachtcanon, bedoeld in de vorige volzin, geschiedt naar rato van de, met inachtneming van artikel 10a, vierde lid, berekende, WOZ-waarden van de onderscheiden zelfstandige onderdelen van het gebouwd eigendom waarop de erfpachtcanon betrekking heeft.
### Hoofdstuk 2. Kwijtschelding van Successierecht
2010-01-01
Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956
2002-09-25
Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 — arts. 12, 14
2002-01-01
Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 — arts. 10, 7, 9
2002-01-01
Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956
original version
Tekst op deze datum