← Geldende tekst · Geschiedenis

Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965

Geldende tekst a fecha 2004-01-01

Gelet op de artikelen 9 en 10 van de Wet op de dividendbelasting 1965 (Stb. 621) en artikel 62 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Stb. 1959, 301),

Besluit:

Artikel 1

Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 4, tweede lid, 4c, vierde lid, 9 en 10 van de Wet op de dividendbelasting 1965.

Artikel 1a

Indien een inhoudingsplichtige op de voet van artikel 4, tweede lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 inhouding van belasting achterwege laat, dient hij de volgende gegevens op overzichtelijk wijze te administreren:

Artikel 1aa
1.

Indien een inhoudingsplichtige die aandelen inkoopt, in het jaar van de inkoop, of in een of meer van de zeven daaraan voorafgaande jaren onder algemene titel vermogen heeft verkregen in het kader van een juridische fusie:

2.

Indien een inhoudingsplichtige die aandelen inkoopt, in het jaar van inkoop of in een of meer van de zeven daaraan voorafgaande kalenderjaren onder algemene titel vermogen heeft verkregen in het kader van een juridische splitsing:

3.

Indien een inhoudingsplichtige die aandelen inkoopt, in het jaar van de inkoop of in de zeven voorafgaande jaren in het kader van een bedrijfsfusie als bedoeld in artikel 14 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 vermogen heeft verkregen van een rechtspersoon (overdrager):

4.

De vorige leden zijn niet van toepassing indien, in geval van een juridische fusie, een juridische splitsing of een bedrijfsfusie in de zin van artikel 14 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 het nominaal gestorte kapitaal in respectievelijk de verdwijnende rechtspersoon, de splitsende rechtspersoon of de overdrager, in het jaar van inkoop of in de vier daaraan voorafgaande kalenderjaren is vergroot anders dan in situaties als genoemd in artikel 4c, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de dividendbelasting 1965.

5.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een evenredig gedeelte verstaan:

6.

De correctie met een inflatiebijstelling, bedoeld in artikel 4c, tweede lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965, vindt plaats door het bedrag van het uitgekeerde dividend in een voorafgaand kalenderjaar te vermenigvuldigen met het produkt van de tabelcorrectiefactoren, bedoeld in artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van het op dat jaar volgende jaar tot en met het jaar waarin de inkoop plaatsvindt.

Artikel 1b

De in artikel 9, eerste lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 bedoelde nota – hierna te noemen: dividendnota – houdt in:

Artikel 2

Ingeval degene die ingevolge artikel 9 van de Wet op de dividendbelasting 1965 gehouden is een dividendnota uit te reiken, tevens de rechthebbende is, vervaardigt hij een dividendnota voor zich zelf.

Artikel 3
1.

Degene die ingevolge artikel 9 van de Wet op de dividendbelasting 1965 gehouden is dividendnota's uit te reiken, moet:

2.

Van de in het eerste lid genoemde verplichtingen kan door de minister gehele of gedeeltelijke ontheffing worden verleend.

Artikel 4

Vervallen

Artikel 5
1.

Deze beschikking treedt in werking met ingang van 1 januari 1966.

2.

Deze beschikking kan worden aangehaald als: Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965.

Bijlage

Vervallen

Bijlage A

Vervallen

Bijlage B

Vervallen