Wijzigingsgeschiedenis
Wet van 27 november 1968, houdende regelen inzake een minimumloon en een minimumvakantiebijslag
59 versions
· 2026-02-04
2026-02-04
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag
2026-01-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — art. 10
2025-07-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — art. 10
2025-01-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — art. 10
2024-07-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — art. 10
2024-01-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — art. 10
2023-07-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — art. 5
2023-01-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — art. 10
2022-08-02
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — art. 10
2022-07-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — art. 10
2022-05-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — art. 10
2022-01-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — art. 10
2021-07-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — art. 10
2021-01-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — art. 10
Wijzigingen op 2021-01-01
@@ -32,11 +32,11 @@
##### Artikel 3
Indien hiertoe in verband met de bijzondere aard van de arbeidsverhouding dan wel in verband met bijzondere omstandigheden aanleiding bestaat, kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald, dat de arbeidsverhouding van tot een daarbij aangewezen categorie behorende personen niet onder dienstbetrekking als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=I&artikel=2&z=2020-07-30&g=2020-07-30) wordt verstaan.
Indien hiertoe in verband met de bijzondere aard van de arbeidsverhouding dan wel in verband met bijzondere omstandigheden aanleiding bestaat, kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald, dat de arbeidsverhouding van tot een daarbij aangewezen categorie behorende personen niet onder dienstbetrekking als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=I&artikel=2&z=2021-01-01&g=2021-01-01) wordt verstaan.
##### Artikel 4
1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt onder werknemer verstaan de natuurlijke persoon, die overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=I&artikel=2&z=2020-07-30&g=2020-07-30) of [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=I&artikel=3&z=2020-07-30&g=2020-07-30) in dienstbetrekking staat.
1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt onder werknemer verstaan de natuurlijke persoon, die overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=I&artikel=2&z=2021-01-01&g=2021-01-01) of [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=I&artikel=3&z=2021-01-01&g=2021-01-01) in dienstbetrekking staat.
2. Wie zijn dienstbetrekking niet binnen het Rijk vervult, wordt slechts als werknemer beschouwd, indien hij binnen het Rijk woont en zijn werkgever eveneens binnen het Rijk woont of gevestigd is. Voor zover een werkgever binnen het Rijk een vaste inrichting voor de uitoefening van zijn bedrijf of beroep of een binnen het Rijk wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger heeft, wordt hij voor de toepassing van de vorige volzin gelijkgesteld met een binnen het Rijk gevestigde werkgever.
@@ -48,9 +48,9 @@
1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt onder werkgever verstaan de persoon, tot wie een werknemer in dienstbetrekking staat.
2. In het geval, bedoeld in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=I&artikel=2&z=2020-07-30&g=2020-07-30), wordt onder werkgever verstaan de persoon, met wie de overeenkomst van opdracht is gesloten.
3. Ingeval toepassing wordt gegeven aan [artikel 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=I&artikel=2&z=2020-07-30&g=2020-07-30), wordt tevens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald wie in de daarbij betrokken gevallen onder werkgever wordt verstaan.
2. In het geval, bedoeld in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=I&artikel=2&z=2021-01-01&g=2021-01-01), wordt onder werkgever verstaan de persoon, met wie de overeenkomst van opdracht is gesloten.
3. Ingeval toepassing wordt gegeven aan [artikel 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=I&artikel=2&z=2021-01-01&g=2021-01-01), wordt tevens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald wie in de daarbij betrokken gevallen onder werkgever wordt verstaan.
##### Artikel 6
@@ -86,7 +86,7 @@
1. De werknemer die de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt heeft voor de arbeid door hem in dienstbetrekking verricht, jegens de werkgever recht op een loon ten minste tot het bedrag, bij of krachtens de volgende artikelen onder de benaming minimumloon vastgesteld.
2. Indien daartoe naar Ons oordeel aanleiding bestaat op grond van de ontwikkeling in collectieve arbeidsovereenkomsten ter zake van de leeftijd waarop recht op een loon tenminste tot de in [artikel 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2020-07-30&g=2020-07-30), genoemde bedragen ontstaat, kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald, dat werknemers beneden de leeftijd van 21 jaar, die de leeftijd van 20 jaar dan wel die de leeftijd van 19 jaar hebben bereikt, eveneens het in het eerste lid bedoelde recht hebben.
2. Indien daartoe naar Ons oordeel aanleiding bestaat op grond van de ontwikkeling in collectieve arbeidsovereenkomsten ter zake van de leeftijd waarop recht op een loon tenminste tot de in [artikel 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2021-01-01&g=2021-01-01), genoemde bedragen ontstaat, kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald, dat werknemers beneden de leeftijd van 21 jaar, die de leeftijd van 20 jaar dan wel die de leeftijd van 19 jaar hebben bereikt, eveneens het in het eerste lid bedoelde recht hebben.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald, dat werknemers - dan wel dat werknemers, behorende tot een bij de maatregel aangewezen categorie - beneden de leeftijd van 21 jaar of, zo toepassing is gegeven aan het tweede lid, beneden de krachtens dat lid bepaalde leeftijd, die een bij de maatregel aangewezen lagere leeftijd hebben bereikt, eveneens het in het eerste lid bedoelde recht hebben.
@@ -100,15 +100,15 @@
1. Het minimumloon bedraagt over elke uitbetalingstermijn van:
- a. een maand of een veelvoud van een maand: € 1264,80 per 1 juli 2020: € 1.680,00, onderscheidenlijk een gelijk veelvoud hiervan;
- b. een week of een veelvoud van een week: € 291,90 per 1 juli 2020: € 387,70, onderscheidenlijk een gelijk veelvoud hiervan;
- c. een andere tijdsduur: € 58,38 per 1 juli 2020: € 77,54 vermenigvuldigd met het aantal van de in die termijn begrepen werkdagen. Onder werkdag wordt verstaan een dag, waarop de werknemer arbeid heeft verricht of waarover hij recht op loon heeft als bedoeld in [artikel 7, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=7&z=2020-07-30&g=2020-07-30).
2. Waar in deze wet wordt verwezen naar de in het vorige lid genoemde bedragen, worden als zodanig, indien toepassing is gegeven aan [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=14&z=2020-07-30&g=2020-07-30), de daarbij laatstelijk in hun plaats gestelde bedragen aangemerkt.
3. In afwijking van het eerste lid bedraagt het minimumloon voor werknemers aan wie het in [artikel 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=7&z=2020-07-30&g=2020-07-30), bedoelde recht is toegekend bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het derde lid van dat artikel, een bij die maatregel vast te stellen percentage van de in het eerste lid van het onderhavige artikel genoemde bedragen. Dit percentage kan voor naar leeftijd en tak van bedrijf of beroep te onderscheiden categorieën van deze werknemers verschillend zijn.
- a. een maand of een veelvoud van een maand: € 1264,80 per 1 januari 2021: € 1.684,80, onderscheidenlijk een gelijk veelvoud hiervan;
- b. een week of een veelvoud van een week: € 291,90 per 1 januari 2021: € 388,80, onderscheidenlijk een gelijk veelvoud hiervan;
- c. een andere tijdsduur: € 58,38 per 1 januari 2021: € 77,76 vermenigvuldigd met het aantal van de in die termijn begrepen werkdagen. Onder werkdag wordt verstaan een dag, waarop de werknemer arbeid heeft verricht of waarover hij recht op loon heeft als bedoeld in [artikel 7, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=7&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
2. Waar in deze wet wordt verwezen naar de in het vorige lid genoemde bedragen, worden als zodanig, indien toepassing is gegeven aan [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=14&z=2021-01-01&g=2021-01-01), de daarbij laatstelijk in hun plaats gestelde bedragen aangemerkt.
3. In afwijking van het eerste lid bedraagt het minimumloon voor werknemers aan wie het in [artikel 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=7&z=2021-01-01&g=2021-01-01), bedoelde recht is toegekend bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het derde lid van dat artikel, een bij die maatregel vast te stellen percentage van de in het eerste lid van het onderhavige artikel genoemde bedragen. Dit percentage kan voor naar leeftijd en tak van bedrijf of beroep te onderscheiden categorieën van deze werknemers verschillend zijn.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kan ten aanzien van de werknemer die werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst die is aangegaan in verband met een beroepsbegeleidende leerweg als bedoeld in [artikel 7.2.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.2) een percentage van de in het eerste lid genoemde bedragen worden vastgesteld. Dit percentage kan voor naar leeftijd te onderscheiden categorieën van deze werknemers verschillend zijn.
@@ -118,7 +118,7 @@
##### Artikel 10
1. Onze Minister kan op verzoek van een werkgever of van een rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie van werkgevers of werknemers het minimumloon van tot een door hem aangewezen categorie behorende werknemers in een onderneming dan wel een tak van bedrijf of beroep voor een door hem te bepalen termijn op lagere dan de krachtens [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2020-07-30&g=2020-07-30) geldende bedragen vaststellen, indien naar zijn oordeel het voortbestaan van of de omvang der bedrijvigheid in die onderneming dan wel die tak van bedrijf of beroep ernstig wordt bedreigd. Aan deze vaststelling kunnen voorwaarden worden verbonden. Op een verzoek wordt niet beslist, zolang niet is gebleken, dat de verzoeker met de naar het oordeel van Onze Minister representatieve organisaties van werknemers onderscheidenlijk werkgevers ter zake overleg heeft gepleegd.
1. Onze Minister kan op verzoek van een werkgever of van een rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie van werkgevers of werknemers het minimumloon van tot een door hem aangewezen categorie behorende werknemers in een onderneming dan wel een tak van bedrijf of beroep voor een door hem te bepalen termijn op lagere dan de krachtens [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2021-01-01&g=2021-01-01) geldende bedragen vaststellen, indien naar zijn oordeel het voortbestaan van of de omvang der bedrijvigheid in die onderneming dan wel die tak van bedrijf of beroep ernstig wordt bedreigd. Aan deze vaststelling kunnen voorwaarden worden verbonden. Op een verzoek wordt niet beslist, zolang niet is gebleken, dat de verzoeker met de naar het oordeel van Onze Minister representatieve organisaties van werknemers onderscheidenlijk werkgevers ter zake overleg heeft gepleegd.
2. Onze Minister kan een besluit van de in het eerste lid bedoelde strekking ten aanzien van tot door hem aangewezen categorieën behorende werknemers, die uitsluitend of in hoofdzaak huishoudelijke of persoonlijke diensten verrichten in de huishouding van natuurlijke personen, ook ambtshalve nemen.
@@ -126,13 +126,13 @@
##### Artikel 11
Indien bij publiekrechtelijke regeling of collectieve arbeidsovereenkomst een periode van afrekening, welke meerdere uitbetalingstermijnen omvat, is vastgesteld, wordt zodanige periode van afrekening voor de toepassing van de [artikelen 7, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=7&z=2020-07-30&g=2020-07-30), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2020-07-30&g=2020-07-30) en [13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=13a&z=2020-07-30&g=2020-07-30) als uitbetalingstermijn beschouwd. Een periode van afrekening kan ten hoogste twaalf maanden omvatten.
Indien bij publiekrechtelijke regeling of collectieve arbeidsovereenkomst een periode van afrekening, welke meerdere uitbetalingstermijnen omvat, is vastgesteld, wordt zodanige periode van afrekening voor de toepassing van de [artikelen 7, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=7&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2021-01-01&g=2021-01-01) en [13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=13a&z=2021-01-01&g=2021-01-01) als uitbetalingstermijn beschouwd. Een periode van afrekening kan ten hoogste twaalf maanden omvatten.
##### Artikel 12
1. Indien werkgever en werknemer een arbeidsduur zijn overeengekomen, welke korter onderscheidenlijk langer is dan de normale arbeidsduur, wordt het bedrag, dat krachtens de [artikelen 8 tot en met 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2020-07-30&g=2020-07-30) voor de werknemer als minimumloon geldt, naar evenredigheid verminderd onderscheidenlijk vermeerderd.
2. Indien de omvang van de arbeid niet is overeengekomen, wordt de feitelijke arbeidsduur van de werknemer voor de door hem verrichte arbeid in aanmerking genomen als grondslag voor de berekening van het minimumloon. Indien de feitelijke arbeidsduur korter onderscheidenlijk langer is dan de normale arbeidsduur, wordt het bedrag, dat krachtens de [artikelen 8 tot en met 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2020-07-30&g=2020-07-30) voor de werknemer als minimumloon geldt, naar evenredigheid verminderd onderscheidenlijk vermeerderd.
1. Indien werkgever en werknemer een arbeidsduur zijn overeengekomen, welke korter onderscheidenlijk langer is dan de normale arbeidsduur, wordt het bedrag, dat krachtens de [artikelen 8 tot en met 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2021-01-01&g=2021-01-01) voor de werknemer als minimumloon geldt, naar evenredigheid verminderd onderscheidenlijk vermeerderd.
2. Indien de omvang van de arbeid niet is overeengekomen, wordt de feitelijke arbeidsduur van de werknemer voor de door hem verrichte arbeid in aanmerking genomen als grondslag voor de berekening van het minimumloon. Indien de feitelijke arbeidsduur korter onderscheidenlijk langer is dan de normale arbeidsduur, wordt het bedrag, dat krachtens de [artikelen 8 tot en met 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2021-01-01&g=2021-01-01) voor de werknemer als minimumloon geldt, naar evenredigheid verminderd onderscheidenlijk vermeerderd.
3. Onder normale arbeidsduur als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt verstaan de arbeidsduur die in overeenkomstige arbeidsverhoudingen in de regel geacht wordt een volledige dienstbetrekking te vormen met dien verstande dat hierbij een arbeidsduur van ten hoogste 40 uren per week in aanmerking wordt genomen.
@@ -144,29 +144,29 @@
##### Artikel 13
1. Het minimumloon is niet vatbaar voor inhouding of verrekening door de werkgever met overeenkomstige toepassing van [artikel 631](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=631) onderscheidenlijk [artikel 632 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=632).
2. In afwijking van het eerste lid is inhouding toegestaan, met overeenkomstige toepassing van [artikel 631, derde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=631). Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen betalingsverplichtingen van de werknemer worden aangewezen ten aanzien waarvan hij bevoegd is om schriftelijke volmacht te verlenen aan de werkgever om uit het uit te betalen loon betalingen in zijn naam te verrichten, met inachtneming van hetgeen overigens in artikel 631 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is bepaald. Deze betalingsverplichtingen kunnen voor te onderscheiden categorieën van werknemers verschillend worden aangewezen. In afwijking van [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=I&artikel=3&z=2020-07-30&g=2020-07-30), kunnen tevens betalingsverplichtingen worden aangewezen van werknemers die op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst zijn genomen door of vanwege het Rijk of het bevoegde gezag van een provincie, gemeente, waterschap, veenschap en veenpolder, indien, op grond van [artikel 615 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=615), [titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&titeldeel=10) van toepassing is verklaard.
3. In afwijking van het eerste lid zijn voorschotten op het minimumloon, overeenkomstig [artikel 7a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=7a&z=2020-07-30&g=2020-07-30) aan de werknemer verstrekt, vatbaar voor verrekening met het minimumloon, mits dit vooraf schriftelijk met de werknemer is overeengekomen.
1. Het minimumloon is niet vatbaar voor inhouding of verrekening door de werkgever met overeenkomstige toepassing van [artikel 631](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=631) onderscheidenlijk [artikel 632, met uitzondering van het tweede lid, tweede zin, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=632).
2. In afwijking van het eerste lid is inhouding toegestaan, met overeenkomstige toepassing van [artikel 631, derde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=631). Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen betalingsverplichtingen van de werknemer worden aangewezen ten aanzien waarvan hij bevoegd is om schriftelijke volmacht te verlenen aan de werkgever om uit het uit te betalen loon betalingen in zijn naam te verrichten, met inachtneming van hetgeen overigens in artikel 631 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is bepaald. Deze betalingsverplichtingen kunnen voor te onderscheiden categorieën van werknemers verschillend worden aangewezen. In afwijking van [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=I&artikel=3&z=2021-01-01&g=2021-01-01), kunnen tevens betalingsverplichtingen worden aangewezen van werknemers die op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst zijn genomen door of vanwege het Rijk of het bevoegde gezag van een provincie, gemeente, waterschap, veenschap en veenpolder, indien, op grond van [artikel 615 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=615), [titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&titeldeel=10) van toepassing is verklaard.
3. In afwijking van het eerste lid zijn voorschotten op het minimumloon, overeenkomstig [artikel 7a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=7a&z=2021-01-01&g=2021-01-01) aan de werknemer verstrekt, vatbaar voor verrekening met het minimumloon, mits dit vooraf schriftelijk met de werknemer is overeengekomen.
##### Artikel 14
1. Het bedrag, genoemd in [artikel 8, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2020-07-30&g=2020-07-30), wordt telkens met ingang van 1 januari door Onze Minister herzien overeenkomstig:
1. Het bedrag, genoemd in [artikel 8, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2021-01-01&g=2021-01-01), wordt telkens met ingang van 1 januari door Onze Minister herzien overeenkomstig:
- a. de helft van de ontwikkeling van de contractlonen zoals deze voor het betrokken jaar, blijkens bekendmaking in de Macro-Economische Verkenningen in het voorafgaande jaar, is geraamd; en
- b. het verschil tussen de ontwikkeling van de contractlonen zoals deze voor het voorafgaande jaar, blijkens bekendmaking in het Centraal Economisch Plan in dat jaar, was geraamd en de ontwikkeling van de contractlonen zoals deze voor het voorafgaande jaar, blijkens bekendmaking in de Macro-Economische Verkenningen in dat jaar, nader is geraamd.
2. Het bedrag, genoemd in [artikel 8, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2020-07-30&g=2020-07-30), wordt telkens met ingang van 1 juli door Onze Minister opnieuw herzien overeenkomstig het verschil tussen de helft van de ontwikkeling van de contractlonen zoals deze voor het betrokken jaar, blijkens bekendmaking in de Macro-Economische Verkenningen in het voorafgaande jaar, was geraamd en de ontwikkeling van de contractlonen zoals deze voor het betrokken jaar, blijkens bekendmaking in het Centraal Economisch Plan in dat jaar, nader is geraamd.
2. Het bedrag, genoemd in [artikel 8, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2021-01-01&g=2021-01-01), wordt telkens met ingang van 1 juli door Onze Minister opnieuw herzien overeenkomstig het verschil tussen de helft van de ontwikkeling van de contractlonen zoals deze voor het betrokken jaar, blijkens bekendmaking in de Macro-Economische Verkenningen in het voorafgaande jaar, was geraamd en de ontwikkeling van de contractlonen zoals deze voor het betrokken jaar, blijkens bekendmaking in het Centraal Economisch Plan in dat jaar, nader is geraamd.
3. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt onder ontwikkeling van de contractlonen verstaan: het gemiddelde van de procentuele ontwikkeling van de contractlonen in marktsector, gepremieerde en gesubsidieerde sector, en bij de overheid, zoals deze door het Centraal Planbureau wordt bekend gemaakt.
4. Indien de toepassing van het eerste, dan wel het tweede lid zou leiden tot verlaging van het bedrag, genoemd in [artikel 8, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2020-07-30&g=2020-07-30), wordt dat bedrag ongewijzigd vastgesteld. Voor zover hierdoor geen toepassing wordt gegeven aan het eerste, dan wel het tweede lid wordt het daarmee gemoeide percentage bij de eerstvolgende herziening en voor zover nodig tevens bij de daarop volgende herzieningen, alsnog in aanmerking genomen.
5. Het bedrag, genoemd in [artikel 8, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2020-07-30&g=2020-07-30), kan met ingang van 1 januari en van 1 juli bij algemene maatregel van bestuur in afwijking van het eerste tot en met het vierde lid worden vastgesteld, naar gelang sprake is van een bovenmatige loonontwikkeling zodanig dat hiervan schade voor de werkgelegenheid kan worden verwacht dan wel van een zodanige volume-ontwikkeling in de sociale zekerheidsregelingen dat daardoor een betekenende premie- of belastingdrukverhoging noodzakelijk is.
6. Indien per 1 januari toepassing is gegeven aan het vijde lid, blijft per 1 juli van hetzelfde jaar de toepassing van het tweede lid achterwege. Indien echter inmiddels gebleken is dat de grond voor de toepassing van het vijfde lid niet langer aanwezig is, wordt het bedrag, genoemd in [artikel 8, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2020-07-30&g=2020-07-30), met ingang van 1 juli van hetzelfde jaar alsnog door Onze Minister herzien overeenkomstig het verschil tussen de ontwikkeling van de contractlonen zoals deze voor het betrokken jaar, blijkens bekendmaking in het Centraal Economisch Plan in dat jaar, is geraamd en de herziening die per 1 januari heeft plaatsgevonden.
4. Indien de toepassing van het eerste, dan wel het tweede lid zou leiden tot verlaging van het bedrag, genoemd in [artikel 8, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2021-01-01&g=2021-01-01), wordt dat bedrag ongewijzigd vastgesteld. Voor zover hierdoor geen toepassing wordt gegeven aan het eerste, dan wel het tweede lid wordt het daarmee gemoeide percentage bij de eerstvolgende herziening en voor zover nodig tevens bij de daarop volgende herzieningen, alsnog in aanmerking genomen.
5. Het bedrag, genoemd in [artikel 8, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2021-01-01&g=2021-01-01), kan met ingang van 1 januari en van 1 juli bij algemene maatregel van bestuur in afwijking van het eerste tot en met het vierde lid worden vastgesteld, naar gelang sprake is van een bovenmatige loonontwikkeling zodanig dat hiervan schade voor de werkgelegenheid kan worden verwacht dan wel van een zodanige volume-ontwikkeling in de sociale zekerheidsregelingen dat daardoor een betekenende premie- of belastingdrukverhoging noodzakelijk is.
6. Indien per 1 januari toepassing is gegeven aan het vijde lid, blijft per 1 juli van hetzelfde jaar de toepassing van het tweede lid achterwege. Indien echter inmiddels gebleken is dat de grond voor de toepassing van het vijfde lid niet langer aanwezig is, wordt het bedrag, genoemd in [artikel 8, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2021-01-01&g=2021-01-01), met ingang van 1 juli van hetzelfde jaar alsnog door Onze Minister herzien overeenkomstig het verschil tussen de ontwikkeling van de contractlonen zoals deze voor het betrokken jaar, blijkens bekendmaking in het Centraal Economisch Plan in dat jaar, is geraamd en de herziening die per 1 januari heeft plaatsgevonden.
7. Indien per 1 juli toepassing wordt gegeven aan het vijfde lid dan wel het zesde lid, eerste volzin, toepassing heeft gevonden, blijft per 1 januari van het eerstvolgende jaar de toepassing van het eerste lid, onder b, achterwege.
@@ -174,17 +174,17 @@
9. Het overeenkomstig het eerste tot en met het vierde en het zesde lid herziene bedrag wordt afgerond op het dichtstbijzijnde veelvoud van € 0,60. Indien het restbedrag € 0,30 bedraagt, geschiedt de afronding naar boven.
10. Bij een herziening overeenkomstig het eerste tot en met het zesde lid worden tevens de bedragen, genoemd in [artikel 8, eerste lid, onder b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2020-07-30&g=2020-07-30), herzien en wel in dier voege, dat het onder b genoemde bedrag wordt gesteld op 3/13 en het onder c genoemde bedrag op 3/65 van het herziene bedrag.
11. De overeenkomstig het eerste tot en met het zesde en het tiende lid herziene bedragen treden in de plaats van de bedragen, genoemd in [artikel 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2020-07-30&g=2020-07-30), met dien verstande dat de afronding, bedoeld in het negende lid, bij de eerstvolgende herziening buiten beschouwing blijft.
12. Indien te voorzien valt dat een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het vijfde lid niet tijdig voor 1 januari respectievelijk 1 juli tot stand zal kunnen komen, kan Onze Minister bepalen dat de laatstelijk vastgestelde bedragen, genoemd in [artikel 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2020-07-30&g=2020-07-30), nog gedurende een bij zijn besluit vast te stellen periode van ten hoogste drie maanden van kracht blijven en kan een algemene maatregel van bestuur in aansluiting op die periode worden vastgesteld.
13. Onze Minister gaat telkens na verloop van een termijn van ten hoogste vier jaar, voor het eerst uiterlijk in 1994, na of er omstandigheden aanwezig zijn die een bijzondere wijziging wenselijk maken van de bedragen, genoemd in [artikel 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2020-07-30&g=2020-07-30). Bij algemene maatregel van bestuur kunnen vervolgens bedragen worden vastgesteld die in de plaats treden van de bedragen, genoemd in [artikel 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2020-07-30&g=2020-07-30). Het achtste lid is van overeenkomstige toepassing.
14. Het bedrag, genoemd in [artikel 8, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2020-07-30&g=2020-07-30), wordt bij algemene maatregel van bestuur verlaagd in de mate waarin en met ingang van het tijdstip waarop de minimumvakantiebijslag met toepassing van [artikel 15, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=III&artikel=15&z=2020-07-30&g=2020-07-30), wordt verhoogd. Het negende, tiende en elfde lid zijn van overeenkomstige toepassing. Wanneer een verlaging op grond van dit lid samenvalt met een bijzondere wijziging op grond van het dertiende lid, worden de in [artikel 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2020-07-30&g=2020-07-30), genoemde bedragen in één algemene maatregel van bestuur opnieuw vastgesteld en is tevens het achtste lid van overeenkomstige toepassing.
15. Wanneer een bijzondere wijziging of een verlaging op grond van het dertiende en veertiende lid samenvalt met een toepassing van het eerste tot en met het zesde en het tiende lid, worden de in [artikel 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2020-07-30&g=2020-07-30), genoemde bedragen in één algemene maatregel van bestuur opnieuw vastgesteld, met dien verstande dat in dat geval voor de toepassing van het eerste tot en met het zesde en het tiende lid wordt uitgegaan van de op grond van het dertiende en veertiende lid herziene bedragen.
10. Bij een herziening overeenkomstig het eerste tot en met het zesde lid worden tevens de bedragen, genoemd in [artikel 8, eerste lid, onder b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2021-01-01&g=2021-01-01), herzien en wel in dier voege, dat het onder b genoemde bedrag wordt gesteld op 3/13 en het onder c genoemde bedrag op 3/65 van het herziene bedrag.
11. De overeenkomstig het eerste tot en met het zesde en het tiende lid herziene bedragen treden in de plaats van de bedragen, genoemd in [artikel 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2021-01-01&g=2021-01-01), met dien verstande dat de afronding, bedoeld in het negende lid, bij de eerstvolgende herziening buiten beschouwing blijft.
12. Indien te voorzien valt dat een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het vijfde lid niet tijdig voor 1 januari respectievelijk 1 juli tot stand zal kunnen komen, kan Onze Minister bepalen dat de laatstelijk vastgestelde bedragen, genoemd in [artikel 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2021-01-01&g=2021-01-01), nog gedurende een bij zijn besluit vast te stellen periode van ten hoogste drie maanden van kracht blijven en kan een algemene maatregel van bestuur in aansluiting op die periode worden vastgesteld.
13. Onze Minister gaat telkens na verloop van een termijn van ten hoogste vier jaar, voor het eerst uiterlijk in 1994, na of er omstandigheden aanwezig zijn die een bijzondere wijziging wenselijk maken van de bedragen, genoemd in [artikel 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2021-01-01&g=2021-01-01). Bij algemene maatregel van bestuur kunnen vervolgens bedragen worden vastgesteld die in de plaats treden van de bedragen, genoemd in [artikel 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2021-01-01&g=2021-01-01). Het achtste lid is van overeenkomstige toepassing.
14. Het bedrag, genoemd in [artikel 8, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2021-01-01&g=2021-01-01), wordt bij algemene maatregel van bestuur verlaagd in de mate waarin en met ingang van het tijdstip waarop de minimumvakantiebijslag met toepassing van [artikel 15, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=III&artikel=15&z=2021-01-01&g=2021-01-01), wordt verhoogd. Het negende, tiende en elfde lid zijn van overeenkomstige toepassing. Wanneer een verlaging op grond van dit lid samenvalt met een bijzondere wijziging op grond van het dertiende lid, worden de in [artikel 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2021-01-01&g=2021-01-01), genoemde bedragen in één algemene maatregel van bestuur opnieuw vastgesteld en is tevens het achtste lid van overeenkomstige toepassing.
15. Wanneer een bijzondere wijziging of een verlaging op grond van het dertiende en veertiende lid samenvalt met een toepassing van het eerste tot en met het zesde en het tiende lid, worden de in [artikel 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2021-01-01&g=2021-01-01), genoemde bedragen in één algemene maatregel van bestuur opnieuw vastgesteld, met dien verstande dat in dat geval voor de toepassing van het eerste tot en met het zesde en het tiende lid wordt uitgegaan van de op grond van het dertiende en veertiende lid herziene bedragen.
### Hoofdstuk III. Minimumvakantiebijslag
@@ -192,31 +192,31 @@
1. De werknemer heeft jegens de werkgever recht op een vakantiebijslag ten minste tot een bedrag van 8% van zijn ten laste van de werkgever komende loon, alsmede van de uitkeringen waarop hij tijdens de dienstbetrekking krachtens de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888), [hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008¶graaf=1) of [artikel 4:2b van de Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008&artikel=4:2b) en de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) aanspraak heeft, met dien verstande, dat het bedrag waarmede de som van dit loon en deze uitkeringen het drievoud van het minimumloon overschrijdt buiten beschouwing blijft.
2. De in het eerste lid bedoelde som wordt geacht het drievoud van het minimumloon te overschrijden indien deze over de uitbetalingstermijn, liggende in het tijdvak waarover het recht op vakantiebijslag bestaat, gemiddeld meer bedraagt dan het drievoud van het in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2020-07-30&g=2020-07-30) genoemde bedrag van het minimumloon.
2. De in het eerste lid bedoelde som wordt geacht het drievoud van het minimumloon te overschrijden indien deze over de uitbetalingstermijn, liggende in het tijdvak, bedoeld in [artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=III&artikel=17&z=2021-01-01&g=2021-01-01), waarover het recht op vakantiebijslag bestaat, gemiddeld meer bedraagt dan het drievoud van het in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2021-01-01&g=2021-01-01) genoemde bedrag van het minimumloon.
3. Beloningen die de werknemer voor arbeid, door hem in de dienstbetrekking verricht, van derden ontvangt, worden, voor zover zij deel uitmaken van de arbeidsvoorwaarden, voor de toepassing van de voorgaande leden geacht ten laste van de werkgever komend loon te zijn.
4. Gelijktijdig met de toepassing van [artikel 14, dertiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=14&z=2020-07-30&g=2020-07-30), gaat Onze Minister na of de ontwikkeling van het niveau van de in collectieve arbeidsovereenkomsten overeengekomen vakantiebijslag een verhoging van de minimumvakantiebijslag wenselijk maakt. Bij algemene maatregel van bestuur kan vervolgens het percentage, genoemd in het eerste lid, en dienovereenkomstig het percentage, genoemd in [artikel 16, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=III&artikel=16&z=2020-07-30&g=2020-07-30), worden verhoogd; daarbij kan tevens een minimum-bedrag worden vastgesteld voor het recht van de werknemer jegens zijn werkgever ingevolge het eerste lid.
4. Gelijktijdig met de toepassing van [artikel 14, dertiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=14&z=2021-01-01&g=2021-01-01), gaat Onze Minister na of de ontwikkeling van het niveau van de in collectieve arbeidsovereenkomsten overeengekomen vakantiebijslag een verhoging van de minimumvakantiebijslag wenselijk maakt. Bij algemene maatregel van bestuur kan vervolgens het percentage, genoemd in het eerste lid, en dienovereenkomstig het percentage, genoemd in [artikel 16, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=III&artikel=16&z=2021-01-01&g=2021-01-01), worden verhoogd; daarbij kan tevens een minimum-bedrag worden vastgesteld voor het recht van de werknemer jegens zijn werkgever ingevolge het eerste lid.
##### Artikel 16
1. Behoudens het bij het tweede, derde en vierde lid bepaalde kan bij publiekrechtelijke regeling of collectieve arbeidsovereenkomst worden bepaald, dat de werknemer geen recht heeft op vakantiebijslag dan wel recht heeft op een lager bedrag aan vakantiebijslag dan uit [artikel 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=III&artikel=15&z=2020-07-30&g=2020-07-30) voortvloeit.
2. Indien de som van het loon, waarop de werknemer op 1 juni van enig jaar over het daaraan voorafgaande tijdvak van een jaar recht heeft verworven, en de vakantiebijslag, voor zover de werknemer daarop over dat tijdvak recht heeft verworven, minder bedraagt dan 108% van het bedrag, waarop de werknemer over dat tijdvak als minimumloon recht heeft verworven, heeft de werknemer over dat tijdvak bovendien recht op een bedrag aan vakantiebijslag ter grootte van het bedrag waarmee genoemde 108% eerdergenoemde som te boven gaat.
3. Voor zover de werknemer over een tijdvak als bedoeld in het tweede lid aanspraak op uitkeringen krachtens de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888), [hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1](onbekend) of [artikel 4:2b van de Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008&artikel=4:2b)en de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) tijdens dienstbetrekking heeft verworven, heeft de werknemer over deze uitkeringen jegens de werkgever recht op een zodanig bedrag aan vakantiebijslag, dat dit bedrag vermeerderd met die uitkeringen ten minste 108% bedraagt van het bedrag waarop de werknemer over dit tijdvak aan uitkeringen krachtens de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888), hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1 of artikel 4:2b van de Wet arbeid en zorg en de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) berekend over het minimumloon, aanspraak heeft of zou hebben verworven.
4. Ingeval toepassing is gegeven aan [artikel 15, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=III&artikel=15&z=2020-07-30&g=2020-07-30), heeft de werknemer over een tijdvak als bedoeld in het tweede lid tenminste recht op een zodanig bedrag aan vakantiebijslag dat dit bedrag vermeerderd met het loon, respectievelijk de uitkeringen krachtens de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888), [hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1](onbekend) of [artikel 4:2b van de Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008&artikel=4:2b) en de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045), waarop de werknemer over dat tijdvak recht, dan wel aanspraak heeft verworven, niet lager is dan de som van het krachtens [artikel 15, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=III&artikel=15&z=2020-07-30&g=2020-07-30), vastgestelde minimumbedrag en het minimumloon, respectievelijk de uitkeringen krachtens de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888), [hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1 of artikel 4:2b van de Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008¶graaf=1) en de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) berekend over het minimumloon, waarop de werknemer over dat tijdvak recht, dan wel aanspraak heeft of zou hebben verworven.
5. Ingeval het door de werkgever en werknemer overeengekomen loon het drievoud van het minimumloon overschrijdt, kan ook bij schriftelijke overeenkomst worden bepaald, dat de werknemer geen recht heeft op vakantiebijslag dan wel recht heeft op een lager bedrag aan vakantiebijslag. [Artikel 15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=III&artikel=15&z=2020-07-30&g=2020-07-30), is van overeenkomstige toepassing.
6. Ingeval de werkgever die jegens zijn werknemers verplicht is tot toepassing van een publiekrechtelijke regeling of collectieve arbeidsovereenkomst, dan wel algemeen verbindend verklaarde bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomst, waarbij op grond van het eerste lid is afgeweken van [artikel 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=III&artikel=15&z=2020-07-30&g=2020-07-30), tevens werknemers in dienst heeft jegens wie die verplichting niet bestaat, kan ten aanzien van laatstbedoelde werknemers bij schriftelijke overeenkomst op overeenkomstige wijze van [artikel 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=III&artikel=15&z=2020-07-30&g=2020-07-30) worden afgeweken.
1. Behoudens het bij het tweede, derde en vierde lid bepaalde kan bij publiekrechtelijke regeling of collectieve arbeidsovereenkomst worden bepaald, dat de werknemer geen recht heeft op vakantiebijslag dan wel recht heeft op een lager bedrag aan vakantiebijslag dan uit [artikel 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=III&artikel=15&z=2021-01-01&g=2021-01-01) voortvloeit.
2. Indien de som van het ten laste van de werkgever komende loon en de vakantiebijslag, voldaan over het tijdvak, bedoeld in [artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=III&artikel=17&z=2021-01-01&g=2021-01-01), minder bedraagt dan 108% van het bedrag, waarop de werknemer over dat tijdvak als minimumloon recht heeft verworven, heeft de werknemer over dat tijdvak bovendien recht op een bedrag aan vakantiebijslag ter grootte van het bedrag liggende tussen het bedrag waarop de werknemer over dat tijdvak als minimumloon recht heeft verworven en het bedrag waarmee genoemde 108% eerdergenoemde som te boven gaat.
3. Voor zover de werknemer over een tijdvak als bedoeld in [artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=III&artikel=17&z=2021-01-01&g=2021-01-01) aanspraak op uitkeringen krachtens de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888), [hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1](onbekend) of [artikel 4:2b van de Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008&artikel=4:2b)en de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) tijdens dienstbetrekking heeft verworven, heeft de werknemer over deze uitkeringen jegens de werkgever recht op een zodanig bedrag aan vakantiebijslag, dat dit bedrag vermeerderd met die uitkeringen ten minste 108% bedraagt van het bedrag waarop de werknemer over dit tijdvak aan uitkeringen krachtens de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888), hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1 of artikel 4:2b van de Wet arbeid en zorg en de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) berekend over het minimumloon, aanspraak heeft of zou hebben verworven.
4. Ingeval toepassing is gegeven aan [artikel 15, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=III&artikel=15&z=2021-01-01&g=2021-01-01), heeft de werknemer over een tijdvak als bedoeld in het tweede lid tenminste recht op een zodanig bedrag aan vakantiebijslag dat dit bedrag vermeerderd met het loon, respectievelijk de uitkeringen krachtens de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888), [hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1](onbekend) of [artikel 4:2b van de Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008&artikel=4:2b) en de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045), waarop de werknemer over dat tijdvak recht, dan wel aanspraak heeft verworven, niet lager is dan de som van het krachtens [artikel 15, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=III&artikel=15&z=2021-01-01&g=2021-01-01), vastgestelde minimumbedrag en het minimumloon, respectievelijk de uitkeringen krachtens de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888), [hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1 of artikel 4:2b van de Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008¶graaf=1) en de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) berekend over het minimumloon, waarop de werknemer over dat tijdvak recht, dan wel aanspraak heeft of zou hebben verworven.
5. Ingeval het door de werkgever en werknemer overeengekomen loon het drievoud van het minimumloon overschrijdt, kan ook bij schriftelijke overeenkomst worden bepaald, dat de werknemer geen recht heeft op vakantiebijslag dan wel recht heeft op een lager bedrag aan vakantiebijslag. [Artikel 15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=III&artikel=15&z=2021-01-01&g=2021-01-01), is van overeenkomstige toepassing.
6. Ingeval de werkgever die jegens zijn werknemers verplicht is tot toepassing van een publiekrechtelijke regeling of collectieve arbeidsovereenkomst, dan wel algemeen verbindend verklaarde bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomst, waarbij op grond van het eerste lid is afgeweken van [artikel 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=III&artikel=15&z=2021-01-01&g=2021-01-01), tevens werknemers in dienst heeft jegens wie die verplichting niet bestaat, kan ten aanzien van laatstbedoelde werknemers bij schriftelijke overeenkomst op overeenkomstige wijze van [artikel 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=III&artikel=15&z=2021-01-01&g=2021-01-01) worden afgeweken.
7. Indien de werknemer recht heeft op loon over een periode, waarin hij geen arbeid verricht, worden de uitkeringen krachtens de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888), [hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008¶graaf=1) of [artikel 4:2b van de Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008&artikel=4:2b) en de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045), waarmee het loon overeenkomstig die bepaling wordt verminderd, voor de toepassing van dit artikel geacht ten laste van de werkgever komend loon te zijn.
##### Artikel 17
1. De vakantiebijslag, waarop de werknemer over het loon en de uitkeringen krachtens de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888), [hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008¶graaf=1) of [artikel 4:2b van de Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008&artikel=4:2b) en de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045), voor zover een en ander tot en met 31 mei van het lopende jaar opeisbaar is geworden, recht heeft verworven, wordt behoudens het bepaalde in de volgende leden in de maand juni uitbetaald.
1. De vakantiebijslag, waarop de werknemer over het loon en de uitkeringen krachtens de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888), [hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008¶graaf=1) of [artikel 4:2b van de Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008&artikel=4:2b) en de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045), voor zover een en ander over het tijdvak tot en met 31 mei van het lopende jaar opeisbaar is geworden, recht heeft verworven, wordt behoudens het bepaalde in de volgende leden in de maand juni uitbetaald.
2. Bij publiekrechtelijke regeling of schriftelijke overeenkomst kan ter zake van het tijdstip van uitbetaling van het eerste lid worden afgeweken, met dien verstande, dat uitbetaling ten minste eenmaal per kalenderjaar dient te geschieden.
@@ -224,7 +224,7 @@
##### Artikel 18
1. Indien hierin bij publiekrechtelijke regeling of collectieve arbeidsovereenkomst is voorzien, kan de werkgever aan zijn verplichtingen tegenover de werknemer betreffende de vakantiebijslag voldoen hetzij door aan de werknemer vakantiebonnen over te dragen ten laste van een fonds, hetzij door betaling van de vakantiebijslag aan een fonds ten laste waarvan de werknemer het recht op vakantiebijslag verwerft, mits het bedrag, waarop de werknemer door deze overdracht onderscheidenlijk deze betaling, op dat fonds recht verwerft, niet lager ligt dan het bedrag, waarop de werknemer krachtens de[artikelen 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=III&artikel=15&z=2020-07-30&g=2020-07-30) en [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=III&artikel=16&z=2020-07-30&g=2020-07-30) recht heeft.
1. Indien hierin bij publiekrechtelijke regeling of collectieve arbeidsovereenkomst is voorzien, kan de werkgever aan zijn verplichtingen tegenover de werknemer betreffende de vakantiebijslag voldoen hetzij door aan de werknemer vakantiebonnen over te dragen ten laste van een fonds, hetzij door betaling van de vakantiebijslag aan een fonds ten laste waarvan de werknemer het recht op vakantiebijslag verwerft, mits het bedrag, waarop de werknemer door deze overdracht onderscheidenlijk deze betaling, op dat fonds recht verwerft, niet lager ligt dan het bedrag, waarop de werknemer krachtens de[artikelen 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=III&artikel=15&z=2021-01-01&g=2021-01-01) en [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=III&artikel=16&z=2021-01-01&g=2021-01-01) recht heeft.
2. Een fonds als bedoeld in het eerste lid dient te zijn ingericht overeenkomstig de voorwaarden, gesteld krachtens [artikel 631, derde lid, onder c, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=631).
@@ -244,15 +244,15 @@
1. Als overtreding wordt aangemerkt:
- a. het door een werkgever niet of onvoldoende nakomen van de op hem rustende verplichting tot girale voldoening van het minimumloon, bedoeld in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=7&z=2020-07-30&g=2020-07-30) en [7a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=7a&z=2020-07-30&g=2020-07-30);
- b. het door een werkgever niet of onvoldoende nakomen van de op hem rustende verplichting tot voldoening van de minimumvakantiebijslag, bedoeld in [artikel 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=III&artikel=15&z=2020-07-30&g=2020-07-30);
- c. het door een werkgever verrichten van inhouding op of verrekening met het minimumloon, in strijd met het bepaalde bij of krachtens [artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=13&z=2020-07-30&g=2020-07-30);
- d. het door een werkgever niet of onvoldoende nakomen van de op hem rustende verplichting de werkzaamheden schriftelijk overeen te komen op grond van [artikel 12b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=12b&z=2020-07-30&g=2020-07-30); en
- e. het door een werkgever niet of onvoldoende nakomen van de op hem rustende verplichting de langere arbeidsduur geheel of gedeeltelijk in tijd te compenseren of te betalen, bedoeld in [artikel 13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=13a&z=2020-07-30&g=2020-07-30).
- a. het door een werkgever niet of onvoldoende nakomen van de op hem rustende verplichting tot girale voldoening van het minimumloon, bedoeld in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=7&z=2021-01-01&g=2021-01-01) en [7a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=7a&z=2021-01-01&g=2021-01-01);
- b. het door een werkgever niet of onvoldoende nakomen van de op hem rustende verplichting tot voldoening van de minimumvakantiebijslag, bedoeld in de [artikelen 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=III&artikel=15&z=2021-01-01&g=2021-01-01) of [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=III&artikel=16&z=2021-01-01&g=2021-01-01);
- c. het door een werkgever verrichten van inhouding op of verrekening met het minimumloon, in strijd met het bepaalde bij of krachtens [artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=13&z=2021-01-01&g=2021-01-01);
- d. het door een werkgever niet of onvoldoende nakomen van de op hem rustende verplichting de werkzaamheden schriftelijk overeen te komen op grond van [artikel 12b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=12b&z=2021-01-01&g=2021-01-01); en
- e. het door een werkgever niet of onvoldoende nakomen van de op hem rustende verplichting de langere arbeidsduur geheel of gedeeltelijk in tijd te compenseren of te betalen, bedoeld in [artikel 13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=13a&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
2. Als overtreding wordt tevens aangemerkt het door de werkgever desgevraagd niet of niet tijdig aan de toezichthouder verstrekken van:
@@ -262,15 +262,15 @@
- c. bescheiden waaruit blijkt hoeveel uren de werknemer heeft gewerkt;
- d. bescheiden waaruit de betalingsverplichtingen of voorschotten blijken welke met in achtneming van [artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=13&z=2020-07-30&g=2020-07-30) zijn ingehouden op of verrekend met het minimumloon;
- e. bescheiden waaruit voor de toepassing van [artikel 12b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=12b&z=2020-07-30&g=2020-07-30) de volgende gegevens blijken:
- d. bescheiden waaruit de betalingsverplichtingen of voorschotten blijken welke met in achtneming van [artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=13&z=2021-01-01&g=2021-01-01) zijn ingehouden op of verrekend met het minimumloon;
- e. bescheiden waaruit voor de toepassing van [artikel 12b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=12b&z=2021-01-01&g=2021-01-01) de volgende gegevens blijken:
- 1°. de schriftelijke overeenkomst, bedoeld in dat artikel;
- 2°. de omvang van de productie van de werknemer, waar nodig uitgesplitst naar de verschillende onderdelen per stukloonnorm op grond van [artikel 12a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=12a&z=2020-07-30&g=2020-07-30), die hierop van toepassing is, in een uitbetalingstermijn;
- f. bescheiden waaruit voor de toepassing van [artikel 13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=13a&z=2020-07-30&g=2020-07-30) de volgende gegevens blijken:
- 2°. de omvang van de productie van de werknemer, waar nodig uitgesplitst naar de verschillende onderdelen per stukloonnorm op grond van [artikel 12a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=12a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), die hierop van toepassing is, in een uitbetalingstermijn;
- f. bescheiden waaruit voor de toepassing van [artikel 13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=13a&z=2021-01-01&g=2021-01-01) de volgende gegevens blijken:
- 1°. de periode waarin de langere feitelijke arbeidsduur is ontstaan;
@@ -296,7 +296,7 @@
##### Artikel 20
Ieder vorderingsrecht tot betaling van vakantiebijslag als bedoeld in [Hoofdstuk III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=III&z=2020-07-30&g=2020-07-30) verjaart na verloop van vijf jaren na het tijdstip, waarop de uitbetaling had moeten geschieden.
Ieder vorderingsrecht tot betaling van vakantiebijslag als bedoeld in [Hoofdstuk III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=III&z=2021-01-01&g=2021-01-01) verjaart na verloop van vijf jaren na het tijdstip, waarop de uitbetaling had moeten geschieden.
##### Artikel 21
@@ -342,17 +342,17 @@
- b. het officiële nummer waaronder het betreffende vervoermiddel is geregistreerd, voor zover in verband met de overtreding van belang.
2. Het rapport wordt toegezonden aan de op grond van [artikel 18c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=IV¶graaf=2&artikel=18c&z=2020-07-30&g=2020-07-30), aangewezen ambtenaar.
2. Het rapport wordt toegezonden aan de op grond van [artikel 18c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=IV¶graaf=2&artikel=18c&z=2021-01-01&g=2021-01-01), aangewezen ambtenaar.
##### Artikel 18f
1. De bestuurlijke boete die voor een overtreding kan worden opgelegd bedraagt ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in [artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=23).
2. Onverminderd het eerste lid verhoogt de op grond van [artikel 18c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=IV¶graaf=2&artikel=18c&z=2020-07-30&g=2020-07-30), aangewezen ambtenaar de op te leggen bestuurlijke boete met 100 procent van het boetebedrag, vastgesteld op grond van het zesde lid, indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van constatering van de overtreding een eerdere overtreding, bestaande uit het niet naleven van eenzelfde wettelijke verplichting of het niet naleven van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen soortgelijke verplichtingen, is geconstateerd en de bestuurlijke boete wegens de eerdere overtreding onherroepelijk is geworden.
2. Onverminderd het eerste lid verhoogt de op grond van [artikel 18c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=IV¶graaf=2&artikel=18c&z=2021-01-01&g=2021-01-01), aangewezen ambtenaar de op te leggen bestuurlijke boete met 100 procent van het boetebedrag, vastgesteld op grond van het zesde lid, indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van constatering van de overtreding een eerdere overtreding, bestaande uit het niet naleven van eenzelfde wettelijke verplichting of het niet naleven van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen soortgelijke verplichtingen, is geconstateerd en de bestuurlijke boete wegens de eerdere overtreding onherroepelijk is geworden.
3. De verhoging van de bestuurlijke boete, bedoeld in het tweede lid, bedraagt 200 procent indien zowel de overtreding als de eerdere overtreding, bedoeld in dat lid, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen als ernstige overtredingen.
4. Onverminderd het eerste lid verhoogt de op grond van [artikel 18c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=IV¶graaf=2&artikel=18c&z=2020-07-30&g=2020-07-30), aangewezen ambtenaar de op te leggen bestuurlijke boete met 200 procent van het boetebedrag, vastgesteld op grond van het zesde lid, indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van constatering van de overtreding twee maal een eerdere overtreding, bestaande uit het niet naleven van eenzelfde wettelijke verplichting of het niet naleven van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen soortgelijke verplichtingen, is geconstateerd en de bestuurlijke boeten wegens de eerdere overtredingen onherroepelijk zijn geworden.
4. Onverminderd het eerste lid verhoogt de op grond van [artikel 18c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=IV¶graaf=2&artikel=18c&z=2021-01-01&g=2021-01-01), aangewezen ambtenaar de op te leggen bestuurlijke boete met 200 procent van het boetebedrag, vastgesteld op grond van het zesde lid, indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van constatering van de overtreding twee maal een eerdere overtreding, bestaande uit het niet naleven van eenzelfde wettelijke verplichting of het niet naleven van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen soortgelijke verplichtingen, is geconstateerd en de bestuurlijke boeten wegens de eerdere overtredingen onherroepelijk zijn geworden.
5. In afwijking van het tweede en vierde lid is het tijdvak van vijf jaar in die leden tien jaar indien de onherroepelijke boetes, bedoeld in die leden, zijn opgelegd wegens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen ernstige overtredingen.
@@ -362,7 +362,7 @@
##### Artikel 18g
Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, verstrekt desgevraagd aan de daartoe op grond van [artikel 18c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=IV¶graaf=2&artikel=18c&z=2020-07-30&g=2020-07-30), aangewezen ambtenaar de inlichtingen die redelijkerwijs voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete nodig zijn.
Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, verstrekt desgevraagd aan de daartoe op grond van [artikel 18c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=IV¶graaf=2&artikel=18c&z=2021-01-01&g=2021-01-01), aangewezen ambtenaar de inlichtingen die redelijkerwijs voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete nodig zijn.
##### Artikel 18h
@@ -370,7 +370,7 @@
##### Artikel 18i
1. Een daartoe door Onze Minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar kan, nadat een overtreding van een voorschrift bij of krachtens deze wet is geconstateerd die bestuurlijk beboetbaar is gesteld, aan de werkgever een schriftelijke waarschuwing geven dat bij herhaling van de overtreding of bij een latere overtreding van eenzelfde in de waarschuwing aangegeven wettelijke verplichting of het niet naleven van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen soortgelijke verplichtingen, door hem een bevel kan worden opgelegd dat door hem aangewezen werkzaamheden voor ten hoogste drie maanden worden gestaakt dan wel niet mogen worden aangevangen. [Artikel 18a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=IV¶graaf=1&artikel=18a&z=2020-07-30&g=2020-07-30), is van overeenkomstige toepassing.
1. Een daartoe door Onze Minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar kan, nadat een overtreding van een voorschrift bij of krachtens deze wet is geconstateerd die bestuurlijk beboetbaar is gesteld, aan de werkgever een schriftelijke waarschuwing geven dat bij herhaling van de overtreding of bij een latere overtreding van eenzelfde in de waarschuwing aangegeven wettelijke verplichting of het niet naleven van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen soortgelijke verplichtingen, door hem een bevel kan worden opgelegd dat door hem aangewezen werkzaamheden voor ten hoogste drie maanden worden gestaakt dan wel niet mogen worden aangevangen. [Artikel 18a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=IV¶graaf=1&artikel=18a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), is van overeenkomstige toepassing.
2. Indien een waarschuwing als bedoeld in het eerste lid is gegeven en herhaling van de overtreding of een latere overtreding als bedoeld in het eerste lid is geconstateerd, kan door de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, aan de werkgever bij beschikking een bevel als bedoeld in het eerste lid worden opgelegd dat wordt opgevolgd met ingang van het in de beschikking aangeven tijdstip. Deze beschikking wordt niet gegeven zolang wegens de eerste overtreding, bedoeld in het eerste lid, nog niet een bestuurlijke boete is opgelegd.
@@ -404,7 +404,7 @@
##### Artikel 18n
1. Een daartoe door Onze Minister aangewezen onder hem ressorterende ambtenaar kan een werkgever die de op hem op grond van [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=7&z=2020-07-30&g=2020-07-30) rustende verplichting aangaande het voldoen van hetgeen in [hoofdstuk II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&z=2020-07-30&g=2020-07-30) is aangeduid als minimumloon niet of onvoldoende nakomt, een werkgever die inhoudt op of verrekent met het minimumloon in strijd met [artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=13&z=2020-07-30&g=2020-07-30), alsmede een werkgever die de op hem op grond van [artikel 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=III&artikel=15&z=2020-07-30&g=2020-07-30) rustende verplichting niet of onvoldoende nakomt, een last onder dwangsom opleggen.
1. Een daartoe door Onze Minister aangewezen onder hem ressorterende ambtenaar kan een werkgever die de op hem op grond van [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=7&z=2021-01-01&g=2021-01-01) rustende verplichting aangaande het voldoen van hetgeen in [hoofdstuk II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&z=2021-01-01&g=2021-01-01) is aangeduid als minimumloon niet of onvoldoende nakomt, een werkgever die inhoudt op of verrekent met het minimumloon in strijd met [artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=13&z=2021-01-01&g=2021-01-01), alsmede een werkgever die de op hem op grond van [artikel 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=III&artikel=15&z=2021-01-01&g=2021-01-01) rustende verplichting niet of onvoldoende nakomt, een last onder dwangsom opleggen.
2. De last onder dwangsom kan voor ten hoogste een periode van 2 jaar gelden.
@@ -418,21 +418,21 @@
##### Artikel 18p
1. Bestuursorganen zijn bevoegd uit eigen beweging en verplicht desgevraagd aan Onze Minister en de ambtenaren, bedoeld in [artikel 18a, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=IV¶graaf=1&artikel=18a&z=2020-07-30&g=2020-07-30), kosteloos alle gegevens en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering en het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet en dit noodzakelijk is ten behoeve van een samenwerkingsverband tussen twee of meer van de voornoemde instanties.
2. Onze Minister en de ambtenaren, bedoeld in [artikel 18a, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=IV¶graaf=1&artikel=18a&z=2020-07-30&g=2020-07-30), verstrekken andere bestuursorganen kosteloos alle gegevens en inlichtingen, die zijn verkregen door de uitvoering of het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, welke noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun wettelijke taak en dit noodzakelijk is ten behoeve van een samenwerkingsverband tussen twee of meer van de voornoemde instanties.
3. Onze Minister, bestuursorganen en de ambtenaren, bedoeld in [artikel 18a, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=IV¶graaf=1&artikel=18a&z=2020-07-30&g=2020-07-30), kunnen bij het verwerken van persoonsgegevens gebruik maken van het burgerservicenummer.
1. Bestuursorganen zijn bevoegd uit eigen beweging en verplicht desgevraagd aan Onze Minister en de ambtenaren, bedoeld in [artikel 18a, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=IV¶graaf=1&artikel=18a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), kosteloos alle gegevens en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering en het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet en dit noodzakelijk is ten behoeve van een samenwerkingsverband tussen twee of meer van de voornoemde instanties.
2. Onze Minister en de ambtenaren, bedoeld in [artikel 18a, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=IV¶graaf=1&artikel=18a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), verstrekken andere bestuursorganen kosteloos alle gegevens en inlichtingen, die zijn verkregen door de uitvoering of het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, welke noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun wettelijke taak en dit noodzakelijk is ten behoeve van een samenwerkingsverband tussen twee of meer van de voornoemde instanties.
3. Onze Minister, bestuursorganen en de ambtenaren, bedoeld in [artikel 18a, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=IV¶graaf=1&artikel=18a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), kunnen bij het verwerken van persoonsgegevens gebruik maken van het burgerservicenummer.
4. De gegevensverstrekking, bedoeld in het eerste en tweede lid, vindt niet plaats indien de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene daardoor onevenredig wordt geschaad.
5. De door Onze Minister aangewezen ambtenaren, bedoeld in [artikel 18a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=IV¶graaf=1&artikel=18a&z=2020-07-30&g=2020-07-30), kunnen kosteloos aan een naar het oordeel van Onze Minister in aanmerking komende rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die door de organisaties van werkgevers en werknemers is belast of mede is belast met het toezicht op de naleving van collectieve arbeidsovereenkomsten gegevens verstrekken omtrent opgelegde bestuurlijke boeten voor het niet naleven van de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=7&z=2020-07-30&g=2020-07-30), [7a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=7a&z=2020-07-30&g=2020-07-30), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=13&z=2020-07-30&g=2020-07-30), [13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=13a&z=2020-07-30&g=2020-07-30), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=III&artikel=15&z=2020-07-30&g=2020-07-30) of [18b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=IV¶graaf=2&artikel=18b&z=2020-07-30&g=2020-07-30), van deze wet.
5. De door Onze Minister aangewezen ambtenaren, bedoeld in [artikel 18a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=IV¶graaf=1&artikel=18a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), kunnen kosteloos aan een naar het oordeel van Onze Minister in aanmerking komende rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die door de organisaties van werkgevers en werknemers is belast of mede is belast met het toezicht op de naleving van collectieve arbeidsovereenkomsten gegevens verstrekken omtrent opgelegde bestuurlijke boeten voor het niet naleven van de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=7&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [7a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=7a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=13&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=13a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=III&artikel=15&z=2021-01-01&g=2021-01-01) of [18b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=IV¶graaf=2&artikel=18b&z=2021-01-01&g=2021-01-01), van deze wet.
6. Indien aan een werkgever een boete is opgelegd worden de daarvoor in aanmerking komende verenigingen van werknemers en werkgevers daarvan in kennis gesteld.
7. De ambtenaren, bedoeld in [artikel 18a, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=IV¶graaf=1&artikel=18a&z=2020-07-30&g=2020-07-30), kunnen aan de daarvoor in aanmerking komende organisaties van werknemers en werkgevers, aan een naar het oordeel van Onze Minister in aanmerking komende rechtspersoon, bedoeld in het vijfde lid, of de stichting, bedoeld in [artikel 14b, vijfde lid, van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009616&artikel=14b), de naam en vestigingsplaats van de werkgever en de locatie waar het onderzoek heeft plaatsgevonden verstrekken, indien bij de uitvoering van het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009616) informatie over die werkgever wordt verkregen, die noodzakelijk is voor het toezicht op de collectieve arbeidsovereenkomst door die organisaties of rechtspersoon of voor de beoordeling van de geldigheid van een door de certificerende instelling afgegeven certificaat.
8. Indien naar aanleiding van onderzoek naar de naleving van deze wet wordt vermoed dat de berekening van de tijd, bedoeld in [artikel 12a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=12a&z=2020-07-30&g=2020-07-30), ten aanzien van de uitvoering van de desbetreffende specifieke werkzaamheden niet de tijd is, die redelijkerwijs met de uitvoering van de te verrichten arbeid is gemoeid, verstrekt Onze Minister een verslag aan de Stichting van de Arbeid. Het verslag bevat geen gegevens waaruit de identiteit van de in het onderzoek betrokken werknemers kan worden afgeleid.
7. De ambtenaren, bedoeld in [artikel 18a, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=IV¶graaf=1&artikel=18a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), kunnen aan de daarvoor in aanmerking komende organisaties van werknemers en werkgevers, aan een naar het oordeel van Onze Minister in aanmerking komende rechtspersoon, bedoeld in het vijfde lid, of de stichting, bedoeld in [artikel 14b, vijfde lid, van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009616&artikel=14b), de naam en vestigingsplaats van de werkgever en de locatie waar het onderzoek heeft plaatsgevonden verstrekken, indien bij de uitvoering van het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009616) informatie over die werkgever wordt verkregen, die noodzakelijk is voor het toezicht op de collectieve arbeidsovereenkomst door die organisaties of rechtspersoon of voor de beoordeling van de geldigheid van een door de certificerende instelling afgegeven certificaat.
8. Indien naar aanleiding van onderzoek naar de naleving van deze wet wordt vermoed dat de berekening van de tijd, bedoeld in [artikel 12a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=12a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), ten aanzien van de uitvoering van de desbetreffende specifieke werkzaamheden niet de tijd is, die redelijkerwijs met de uitvoering van de te verrichten arbeid is gemoeid, verstrekt Onze Minister een verslag aan de Stichting van de Arbeid. Het verslag bevat geen gegevens waaruit de identiteit van de in het onderzoek betrokken werknemers kan worden afgeleid.
9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de gevallen waarin en de wijze waarop in ieder geval gegevens worden verstrekt.
@@ -442,7 +442,7 @@
##### Artikel 18q
Een beschikking op grond van deze wet van de ambtenaar, bedoeld in de [artikelen 18c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=IV¶graaf=2&artikel=18c&z=2020-07-30&g=2020-07-30), [18i, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=IV¶graaf=2a&artikel=18i&z=2020-07-30&g=2020-07-30), [18n, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=IV¶graaf=3&artikel=18n&z=2020-07-30&g=2020-07-30), en [18pa, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=IV¶graaf=5&artikel=18pa&z=2020-07-30&g=2020-07-30), wordt genomen namens Onze Minister.
Een beschikking op grond van deze wet van de ambtenaar, bedoeld in de [artikelen 18c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=IV¶graaf=2&artikel=18c&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [18i, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=IV¶graaf=2a&artikel=18i&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [18n, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=IV¶graaf=3&artikel=18n&z=2021-01-01&g=2021-01-01), en [18pa, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=IV¶graaf=5&artikel=18pa&z=2021-01-01&g=2021-01-01), wordt genomen namens Onze Minister.
Lasten en bevelen, dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
@@ -480,7 +480,7 @@
##### Artikel 18pa
1. De door Onze Minister aangewezen ambtenaren, bedoeld in [artikel 18a, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=IV¶graaf=1&artikel=18a&z=2020-07-30&g=2020-07-30), of [18c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=IV¶graaf=2&artikel=18c&z=2020-07-30&g=2020-07-30), maken het feit dat een bestuurlijke boete is opgelegd wegens overtreding van deze wet als bedoeld in [artikel 18b, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=IV¶graaf=2&artikel=18b&z=2020-07-30&g=2020-07-30), dat een besluit is genomen als bedoeld in [artikel 18i, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=IV¶graaf=2a&artikel=18i&z=2020-07-30&g=2020-07-30), of dat na een afgerond onderzoek geen overtreding is geconstateerd openbaar teneinde de naleving van deze wet te bevorderen en inzicht te geven in het uitvoeren van het toezicht op grond van deze wet.
1. De door Onze Minister aangewezen ambtenaren, bedoeld in [artikel 18a, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=IV¶graaf=1&artikel=18a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), of [18c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=IV¶graaf=2&artikel=18c&z=2021-01-01&g=2021-01-01), maken het feit dat een bestuurlijke boete is opgelegd wegens overtreding van deze wet als bedoeld in [artikel 18b, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=IV¶graaf=2&artikel=18b&z=2021-01-01&g=2021-01-01), dat een besluit is genomen als bedoeld in [artikel 18i, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=IV¶graaf=2a&artikel=18i&z=2021-01-01&g=2021-01-01), of dat na een afgerond onderzoek geen overtreding is geconstateerd openbaar teneinde de naleving van deze wet te bevorderen en inzicht te geven in het uitvoeren van het toezicht op grond van deze wet.
2. Bij de openbaarmaking, bedoeld in het eerste lid, is [artikel 10, eerste lid, onderdelen c en d, van de Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252&artikel=10) van overeenkomstige toepassing.
@@ -490,7 +490,7 @@
5. De openbaarmaking, bedoeld in het eerste lid, geschiedt niet eerder dan nadat tien werkdagen zijn verstreken na de dag waarop het besluit aan belanghebbende bekend is gemaakt.
6. Bij de openbaarmaking wordt vermeld of tegen een besluit tot oplegging van een bestuurlijke boete of een besluit als bedoeld in [artikel 18i, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=IV¶graaf=2a&artikel=18i&z=2020-07-30&g=2020-07-30), een rechtsmiddel is ingesteld dan wel of daartoe de mogelijkheid bestaat.
6. Bij de openbaarmaking wordt vermeld of tegen een besluit tot oplegging van een bestuurlijke boete of een besluit als bedoeld in [artikel 18i, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=IV¶graaf=2a&artikel=18i&z=2021-01-01&g=2021-01-01), een rechtsmiddel is ingesteld dan wel of daartoe de mogelijkheid bestaat.
7. Indien wordt verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in [artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:81), wordt de openbaarmaking opgeschort totdat de voorzieningenrechter een uitspraak heeft gedaan.
@@ -502,7 +502,7 @@
##### Artikel 12a
1. Bij ministeriële regeling kunnen op verzoek van de Stichting van de Arbeid specifieke werkzaamheden in een bedrijfstak worden aangewezen voor welke, in afwijking van [artikel 12, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=12&z=2020-07-30&g=2020-07-30), voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde als arbeidsduur wordt aangemerkt, de tijd die redelijkerwijs met de uitvoering van de te verrichten arbeid is gemoeid, indien dat noodzakelijk wordt geacht, gelet op:
1. Bij ministeriële regeling kunnen op verzoek van de Stichting van de Arbeid specifieke werkzaamheden in een bedrijfstak worden aangewezen voor welke, in afwijking van [artikel 12, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=12&z=2021-01-01&g=2021-01-01), voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde als arbeidsduur wordt aangemerkt, de tijd die redelijkerwijs met de uitvoering van de te verrichten arbeid is gemoeid, indien dat noodzakelijk wordt geacht, gelet op:
- a. de vrijheid van de werknemer bij de inrichting van de werkzaamheden; en
@@ -526,17 +526,17 @@
##### Artikel 12b
Indien de werkgever schriftelijk met de werknemer overeenkomt specifieke werkzaamheden te verrichten die zijn aangewezen op grond van [artikel 12a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=12a&z=2020-07-30&g=2020-07-30), wordt in afwijking van [artikel 12, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=12&z=2020-07-30&g=2020-07-30), voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde als arbeidsduur aangemerkt: de tijd die overeenkomstig de door de Stichting van de Arbeid bekendgemaakte berekening, bedoeld in [artikel 12a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=12a&z=2020-07-30&g=2020-07-30), met de uitvoering van de te verrichten arbeid is gemoeid.
Indien de werkgever schriftelijk met de werknemer overeenkomt specifieke werkzaamheden te verrichten die zijn aangewezen op grond van [artikel 12a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=12a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), wordt in afwijking van [artikel 12, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=12&z=2021-01-01&g=2021-01-01), voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde als arbeidsduur aangemerkt: de tijd die overeenkomstig de door de Stichting van de Arbeid bekendgemaakte berekening, bedoeld in [artikel 12a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=12a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), met de uitvoering van de te verrichten arbeid is gemoeid.
##### Artikel 13a
1. Indien de feitelijke arbeidsduur van de werknemer binnen een uitbetalingstermijn, bedoeld in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2020-07-30&g=2020-07-30), in samenhang met [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=11&z=2020-07-30&g=2020-07-30), langer is dan de overeengekomen arbeidsduur, bedoeld in [artikel 12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=12&z=2020-07-30&g=2020-07-30), wordt het bedrag, dat krachtens de [artikelen 8 tot en met 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2020-07-30&g=2020-07-30) voor de werknemer als minimumloon geldt, naar evenredigheid vermeerderd. De langere arbeidsduur wordt uitbetaald uiterlijk in de eerstvolgende uitbetalingstermijn na de uitbetalingstermijn waarin deze is ontstaan.
1. Indien de feitelijke arbeidsduur van de werknemer binnen een uitbetalingstermijn, bedoeld in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2021-01-01&g=2021-01-01), in samenhang met [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=11&z=2021-01-01&g=2021-01-01), langer is dan de overeengekomen arbeidsduur, bedoeld in [artikel 12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=12&z=2021-01-01&g=2021-01-01), wordt het bedrag, dat krachtens de [artikelen 8 tot en met 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2021-01-01&g=2021-01-01) voor de werknemer als minimumloon geldt, naar evenredigheid vermeerderd. De langere arbeidsduur wordt uitbetaald uiterlijk in de eerstvolgende uitbetalingstermijn na de uitbetalingstermijn waarin deze is ontstaan.
2. In geval van een langere arbeidsduur als bedoeld in het eerste lid, kan de werkgever, in afwijking van het eerste lid, een langere arbeidsduur niet of gedeeltelijk uitbetalen, maar geheel of gedeeltelijk compenseren in betaalde vrije tijd conform het minimumloon binnen de overeengekomen arbeidsduur, indien dit met de werknemer schriftelijk is overeengekomen voordat een langere arbeidsduur wordt aangevangen.
3. Een gehele of gedeeltelijke compensatie in betaalde vrije tijd als bedoeld in het tweede lid kan alleen worden overeengekomen en opgebouwd voor zover in deze mogelijkheid is voorzien in de collectieve arbeidsovereenkomst. Indien het een werknemer betreft die aan een derde ter beschikking wordt gesteld voor het onder diens toezicht en leiding verrichten van arbeid kan een gehele of gedeeltelijke compensatie in betaalde vrije tijd als bedoeld in het tweede lid alleen worden overeengekomen en opgebouwd indien in deze mogelijkheid is voorzien in de collectieve arbeidsovereenkomst die van toepassing is op die derde.
4. De langere arbeidsduur, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk voor 1 juli van het jaar na het kalenderjaar waarin deze is ontstaan, in betaalde vrije tijd gecompenseerd dan wel uiterlijk in de eerste uitbetalingstermijn, bedoeld in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2020-07-30&g=2020-07-30), in samenhang met [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=11&z=2020-07-30&g=2020-07-30), na juni van dat jaar giraal uitbetaald. Indien de compensatie in tijd of in geld niet of niet volledig heeft plaatsgevonden bij het einde van de dienstbetrekking wordt de langere arbeidstijd dienovereenkomstig giraal uitbetaald. De uitbetaling vindt plaats overeenkomstig de bedragen, genoemd in [artikel 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2020-07-30&g=2020-07-30), die gelden in de termijn waarin de uitbetaling plaatsvindt.
4. De langere arbeidsduur, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk voor 1 juli van het jaar na het kalenderjaar waarin deze is ontstaan, in betaalde vrije tijd gecompenseerd dan wel uiterlijk in de eerste uitbetalingstermijn, bedoeld in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2021-01-01&g=2021-01-01), in samenhang met [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=11&z=2021-01-01&g=2021-01-01), na juni van dat jaar giraal uitbetaald. Indien de compensatie in tijd of in geld niet of niet volledig heeft plaatsgevonden bij het einde van de dienstbetrekking wordt de langere arbeidstijd dienovereenkomstig giraal uitbetaald. De uitbetaling vindt plaats overeenkomstig de bedragen, genoemd in [artikel 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2021-01-01&g=2021-01-01), die gelden in de termijn waarin de uitbetaling plaatsvindt.
5. Indien de arbeidsduur niet eenduidig schriftelijk is overeengekomen in de overeenkomst wordt voor de toepassing van het eerste en tweede lid, uitgegaan van de maximale overeengekomen arbeidsduur.
2020-07-30
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — art. 10
2020-07-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — art. 10
2020-01-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — art. 10
2019-07-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — art. 10
2019-01-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — art. 10
2018-07-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — art. 10
2018-01-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — art. 10
2017-07-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag
2017-01-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — arts. 5, 11
2016-07-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — arts. 5, 11
2016-01-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — arts. 5, 11
2015-12-11
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — arts. 5, 11
2015-07-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag
2015-01-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — arts. 5, 11
2014-07-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — arts. 5, 5, 11, 11
2014-01-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — arts. 5, 5, 11, 11
2013-07-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — arts. 5, 11
2013-01-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag
2012-12-28
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — arts. 5, 11
2012-07-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — arts. 5, 11
2012-03-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — arts. 5, 11
2012-01-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — arts. 5, 11
2011-07-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — arts. 5, 11
2011-04-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — arts. 5, 11
2011-02-11
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — arts. 5, 11
2011-01-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — arts. 5, 11
2010-07-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — arts. 5, 11
2010-01-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — arts. 5, 11
2009-08-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — arts. 5, 11
2009-07-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — arts. 5, 11
2009-01-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — arts. 5, 11
2008-07-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — arts. 5, 11
2008-01-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag
2007-07-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — arts. 5, 11
2007-05-04
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag
2007-01-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — arts. 5, 11, 23
2006-07-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — arts. 5, 11, 23
2006-01-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — arts. 5, 11, 23
2005-01-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — arts. 5, 11, 23
2004-01-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — arts. 5, 11, 23
2003-07-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — arts. 5, 11, 23
2003-01-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag
2002-07-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — arts. 5, 11, 23
2002-01-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag — arts. 5, 9, 11 y 5 más
2002-01-01
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag
original version
Tekst op deze datum