Besluit van 4 september 1969, tot uitvoering van de artikelen 16, 17, 19, eerste lid, en 21 van de Kernenergiewet
- h. een procedure voor de registratie van personen die toegang hebben of kunnen verlenen tot een daarbij aangewezen gebied.
Tot de plannen en maatregelen, bedoeld in het eerste lid, behoort per onderdeel een tijdstip waarop zij zijn uitgevoerd, met een daarop gericht plan van aanpak.
De houder van een vergunning voor een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet:
- a. treft de beveiligingsmaatregelen die redelijkerwijs nodig zijn om de alarmcentrale, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, te beveiligen tegen de dreigingen zoals omschreven in de referentiedreiging, bedoeld in artikel 22, eerste lid;
- b. verdeelt bij het treffen van de beveiligingsmaatregelen het terrein waarop de inrichting en de daarbij behorende gebouwen zich bevinden, voor zover van toepassing, in een observatiegebied, een beveiligd gebied en een vitaal gebied met een omschrijving van de wijze van beveiliging van deze gebieden en treft beveiligingsmaatregelen voor deze gebieden en de gebouwen daarbinnen.
Bij verordening van de Autoriteit worden nadere regels gesteld met betrekking tot het beveiligingspakket en de daarin opgenomen of op te nemen beveiligingsmaatregelen en het plan interne beveiligingsorganisatie.
Artikel 22b
Het beveiligingspakket, bedoeld in artikel 22a, eerste lid, en wijzigingen daarvan die een negatief effect hebben of kunnen hebben op het niveau van de beveiliging, behoeven goedkeuring van de Autoriteit.
Goedkeuring wordt in ieder geval geweigerd indien het beveiligingspakket niet voldoet aan de eisen die daaraan bij of krachtens dit besluit zijn gesteld.
De Autoriteit kan aan de goedkeuring voorschriften verbinden.
De Autoriteit kan de goedkeuring intrekken of de daaraan verbonden voorschriften intrekken of wijzigen, indien het beveiligingspakket niet meer voldoet aan de eisen die daaraan bij of krachtens dit besluit zijn gesteld.
Goedgekeurde wijzigingen worden geregistreerd en opgenomen in het beveiligingspakket.
Indien een aanvraag om goedkeuring betrekking heeft op een wijziging van het beveiligingspakket en voorafgaand aan die aanvraag reeds meerdere wijzigingen van dat pakket zijn goedgekeurd, kan de Autoriteit bepalen dat in plaats van die aanvraag een aanvraag om goedkeuring van een daarbij te overleggen, volledig herzien beveiligingspakket wordt ingediend.
Artikel 22c
De houder van een vergunning voor een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, wijzigt het beveiligingspakket, bedoeld in artikel 22a, nadat de referentiedreiging is gewijzigd, of wanneer de Autoriteit dit nodig acht en dit schriftelijk heeft medegedeeld aan de vergunninghouder, waarbij in de kennisgeving is aangegeven wat de aard is van de aan te brengen wijzigingen.
De houder van een vergunning voor een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet dient binnen een jaar nadat de referentiedreiging is gewijzigd, respectievelijk binnen een jaar nadat de Autoriteit kenbaar heeft gemaakt wijziging van het beveiligingspakket nodig te achten, een aanvraag om goedkeuring van het in overeenstemming met de referentiedreiging, respectievelijk de kennisgeving van de Autoriteit, gewijzigde beveiligingspakket in.
De termijnen, bedoeld in het tweede lid, kunnen door de Autoriteit worden gewijzigd indien:
- a. de wijziging van de referentiedreiging, respectievelijk de door de Autoriteit nodig geachte wijzigingen van het beveiligingspakket, deze gewijzigde termijnen rechtvaardigen, en
- b. de wijzigingen binnen de door de Autoriteit gestelde termijn door de houder van een vergunning van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, redelijkerwijs mogelijk zijn.
Artikel 22d
De houder van een vergunning voor een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, meldt gebeurtenissen die aan onverkorte toepassing van het beveiligingspakket in de weg staan, onmiddellijk aan de Autoriteit.
De vergunninghouder neemt onmiddellijk compenserende maatregelen en legt deze onverwijld voor aan de op grond van artikel 58, eerste lid, onderdeel a, van de wet aangewezen ambtenaren.
Artikel 22e
Het Geheimhoudingsbesluit Kernenergiewet is van toepassing op de referentiedreiging en het beveiligingspakket, bedoeld in artikel 22a.
Artikel 22f
De houder van een vergunning voor een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, voert het evaluatieprogramma, bedoeld in artikel 22a, eerste lid, onder g, uit.
De houder van een vergunning voor een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet beoordeelt het beveiligingspakket jaarlijks op doeltreffendheid en meldt binnen een maand na die beoordeling de resultaten ervan aan de Autoriteit.
De houder van een vergunning voor een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, wijzigt het beveiligingspakket voor zover de resultaten van de in het tweede lid bedoelde beoordeling daartoe aanleiding geven. Hij biedt de wijziging binnen een jaar na het ontstaan van de aanleiding tot wijziging ter goedkeuring aan de Autoriteit aan. Artikel 22c, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 22g
De houder van een vergunning voor een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, beoordeelt elke tien jaar of het beveiligingspakket, bedoeld in artikel 22a, eerste lid, voldoet aan de stand van de techniek. Daartoe worden de getroffen beveiligingsmaatregelen vergeleken met de op dat moment meest doeltreffende technieken die economisch en technisch gezien redelijkerwijs haalbaar zijn voor het bereiken van een hoog niveau van beveiliging. Indien de houder van een vergunning voor een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet op grond van de voorschriften in de vergunning een tienjaarlijkse evaluatie voor de nucleaire veiligheid en stralingsbescherming moet uitvoeren, dan wordt de beoordeling tegelijkertijd met deze evaluatie uitgevoerd.
De houder van een vergunning voor een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet de past het beveiligingspakket, bedoeld in artikel 22a, eerste lid, aan voor zover de resultaten van de in het eerste lid bedoelde beoordeling daartoe aanleiding geven.
De Autoriteit kan de houder van een vergunning voor een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet opdragen een of meer extra beoordelingen binnen het tijdvak van tien jaar te doen indien dat naar zijn oordeel met het oog op het niveau van beveiliging noodzakelijk is.
Artikel 22h
Met het oog op een goede uitvoering van de artikelen 22a tot en met 22g kunnen bij verordening van de Autoriteit nadere regels worden gesteld.
§ 4. Beveiliging van splijtstoffen of ertsen door de houder van een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder a, van de wet
Artikel 22i
De houder van een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder a, van de wet, treft de beveiligingsmaatregelen die redelijkerwijs noodzakelijk nodig zijn om categorie I-, II- of III-materiaal en de daarop betrekking hebbende informatie en processen te beveiligen tegen diefstal en sabotage.
De houder van een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder a, van de wet, houdt op persoonlijke of elektronische wijze toezicht op het categorie I-, II- of III- materiaal.
De beveiligingsmaatregelen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden afgestemd op:
- a. de aard van het categorie I-, II-, of III-materiaal;
- b. de manier waarop het categorie I-, II-, of III-materiaal wordt gebruikt of opgeslagen;
- c. de verplaatsbaarheid van het categorie I-, II-, of III-materiaal;
- d. de mogelijke gevolgen voor mensen, dieren, planten en goederen door blootstelling aan ioniserende straling of het vrijkomen van het categorie I-, II-, of III-materiaal in geval van diefstal of sabotage;
- e. de maatregelen die zijn of worden getroffen om de nadelige gevolgen van ioniserende straling voor mensen, dieren, planten en goederen te voorkomen of te beperken.
Artikel 22j
De houder van een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder a, van de wet beschikt over een beveiligingsplan met een beschrijving van de wijze waarop het categorie I-, II- of III-materiaal wordt beveiligd. De eerste volzin geldt niet indien de vergunninghouder tevens houder van een vergunning voor een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet is en voor de desbetreffende inrichting voldaan wordt aan paragraaf 3.
Het beveiligingsplan bevat ten minste een beschrijving van:
- a. de aanwijzing van een vakbekwame beveiligingsverantwoordelijke en diens plaatsvervanger,
- b. de indeling van de te beveiligen splijtstoffen in categorie I-, II- of III-materiaal;
- c. de manier waarop en de plaats waar het categorie I-, II- of III- materiaal wordt gebruikt of opgeslagen;
- d. de getroffen en te treffen beveiligingsmaatregelen;
- e. de organisatie van de beveiliging en het toezicht, waaronder taken en bevoegdheden, de te volgen procedures in geval van diefstal of sabotage van het categorie I-, II- of III- materiaal of een poging daartoe en afspraken met de politie of een particuliere beveiligingsdienst;
- f. een evaluatieprogramma om de beveiligingsmaatregelen te beoordelen.
De houder van een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder a, van de wet handelt in overeenstemming met het beveiligingsplan.
De houder van een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder a, van de wet draagt er zorg voor dat van het beveiligingsplan alleen personen kennis kunnen nemen voor wie dit noodzakelijk is voor het goed uitvoeren van hun functie en dat deze personen voorafgaand aan het kennisnemen een verklaring omtrent het gedrag of een verklaring als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet veiligheidsonderzoeken overleggen.
De houder van een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder a, van de wet voert jaarlijks en na elke inbreuk op de beveiliging het evaluatieprogramma uit. Daarbij worden in ieder geval de beveiligingsmaatregelen gecontroleerd en getest en wordt het beveiligingsplan in een oefening toegepast. De vergunninghouder wijzigt het beveiligingsplan voor zover de resultaten van het evaluatieprogramma daartoe aanleiding geven.
Bij verordening van de Autoriteit worden nadere regels gesteld met betrekking tot de uitvoering van artikel 22i en het eerste tot en met vijfde lid, waaronder in elk geval het beveiligingsplan en de beveiligingsmaatregelen.
§ 5. Toepassing van het Besluit zware ongevallen 2015
§ 4. Energievoorziening
§ 5. Het zeker stellen van de betaling van de vergoeding, aan derden toekomend voor schade, hun toegebracht
§ 6. Nakoming van internationale verplichtingen
Hoofdstuk IVa. Nationaal programma
Hoofdstuk V. Vrijstellingen van het in artikel 15 van de wet vervatte verbod
§ 1. Splijtstoffen en ertsen
§ 2. Inrichtingen
Hoofdstuk Va. Aanvragen om goedkeuring van financiële zekerheid en aanwijzing van nucleaire inrichtingen zonder kernreactor als bedoeld in artikel 15f van de wet
Hoofdstuk VI. Slotbepalingen
Bijlage 1. behorende bij de artikelen 1 en 22, derde lid, onder a, van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen
Splijtstoffen en ertsen als bedoeld in artikel 22 zijn:
-
- Onbestraald plutonium in hoeveelheden van meer dan 15 gram, tenzij het isotoopgehalte aan plutonium-238 meer bedraagt dan 80%
-
- Onbestraald uranium, verrijkt tot 20% uranium-235 of meer, in hoeveelheden van meer dan 15 gram
-
- Onbestraald uranium, verrijkt tot 10% uranium-235 of meer, maar tot minder dan 20% uranium-235, in hoeveelheden van meer dan 1 kilogram
-
- Onbestraald uranium, verrijkt tot boven het natuurlijk gehalte, maar tot minder dan 10% uranium-235, in hoeveelheden van 10 kilogram of meer
-
- Onbestraald uranium-233 in hoeveelheden van meer dan 15 gram
-
- Bestraalde splijtstoffen
Bijlage 2. behorende bij artikel 22, derde lid, onder b, van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen
De maximale waarde voor de hoeveelheid radioactiviteit geëmitteerd naar de lucht bedraagt het radiologische equivalent van 10 terabecquerels I-131.
Dit radiologische equivalent wordt bepaald met behulp van onderstaande tabel. Hierbij wordt de activiteit van ieder geëmitteerd isotoop vermenigvuldigd met de daarbij in de tabel aangegeven factor. Vervolgens worden de aldus gevonden waarden gesommeerd.
| Isotoop | Factor |
|---|---|
| Am-241 | 8000 |
| Co-60 | 50 |
| Cs-134 | 3 |
| Cs-137 | 40 |
| H-3 | 0,02 |
| I-131 | 1 |
| Ir-192 | 2 |
| Mn-54 | 4 |
| Mo-99 | 0,08 |
| P-32 | 0,2 |
| Pu-239 | 10000 |
| Ru-106 | 6 |
| Sr-90 | 20 |
| Te-132 | 0,3 |
| U-235(S) | 1000 |
| U-235(M)1 | 600 |
| U-235(F)1 | 500 |
| U-238(S)1 | 900 |
| U-238(M)1 | 600 |
| U-238(F)1 | 400 |
| U nat | 1000 |
| Edelgassen | 0 |
1 Long-absorptieklassen: S – langzaam; M – gemiddeld; F – snel. Bij onduidelijkheid wordt de meest conservatieve waarde gebruikt.
Maximale waarden voor de effectieve dosis ontvangen door een lid van de bevolking of een werknemer:
– een effectieve dosis, met een waarschijnlijk optreden van een dodelijk deterministisch effect voor 1 of meer leden van de bevolking of werknemers;
– een effectieve dosis met een waarschijnlijk optreden van een niet- dodelijke deterministisch effect voor 3 of meer leden van de bevolking of werknemers;
– een effectieve dosis van 200 mSv voor 10 of meer leden van de bevolking of werknemers;
– een effectieve dosis van 10 mSv voor 100 of meer leden van de bevolking;
– een effectieve dosis van 20 mSv voor 100 of meer werknemers.
Onze Ministers van Economische Zaken en van Sociale Zaken en Volksgezondheid zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)