Wijzigingsgeschiedenis
Wet van 10 december 1969, houdende nieuwe regeling van de toekenning van uitkering en van pensioen aan politieke ambtsdragers, zomede van pensioen aan hun nabestaanden
53 versions
· 2026-02-20
2026-02-20
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers — art. 123
2025-02-12
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers — art. 123
2024-12-11
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers — art. 123
2023-07-01
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers — arts. 123,
2023-01-01
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers — arts. 123,
2022-10-12
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers — arts. 123,
Wijzigingen op 2022-10-12
@@ -30,23 +30,23 @@
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a. aanmelding: aanmelding als bedoeld in [artikel 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Eerste&hoofdstuk=1&artikel=2a&z=2022-10-01&g=2022-10-01);
- b. partner: de persoon die met een politieke ambtsdrager, gewezen politieke ambtsdrager of gepensioneerde een huwelijk of een geregistreerd partnerschap is aangegaan, dan wel de persoon, die is aangemeld op de wijze, bedoeld in [artikel 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Eerste&hoofdstuk=1&artikel=2a&z=2022-10-01&g=2022-10-01);
- c. partnerschap: het huwelijk, het geregistreerd partnerschap of de relatie tussen de aanmelder en degene die als zijn partner is aangemeld op de wijze, bedoeld in [artikel 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Eerste&hoofdstuk=1&artikel=2a&z=2022-10-01&g=2022-10-01);
- a. aanmelding: aanmelding als bedoeld in [artikel 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Eerste&hoofdstuk=1&artikel=2a&z=2022-10-12&g=2022-10-12);
- b. partner: de persoon die met een politieke ambtsdrager, gewezen politieke ambtsdrager of gepensioneerde een huwelijk of een geregistreerd partnerschap is aangegaan, dan wel de persoon, die is aangemeld op de wijze, bedoeld in [artikel 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Eerste&hoofdstuk=1&artikel=2a&z=2022-10-12&g=2022-10-12);
- c. partnerschap: het huwelijk, het geregistreerd partnerschap of de relatie tussen de aanmelder en degene die als zijn partner is aangemeld op de wijze, bedoeld in [artikel 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Eerste&hoofdstuk=1&artikel=2a&z=2022-10-12&g=2022-10-12);
- d. pensioengeldige tijd: de tijd waarover pensioenaanspraken zijn opgebouwd op grond van deze wet.
2. Onder politieke ambtsdrager wordt verstaan voor de toepassing van
- a. de [tweede afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&z=2022-10-01&g=2022-10-01) van deze wet: minister;
- b. de [derde afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&z=2022-10-01&g=2022-10-01) van deze wet: lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal;
- c. de [vierde afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&z=2022-10-01&g=2022-10-01) van deze wet: minister of lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal;
- d. de [vijfde afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&z=2022-10-01&g=2022-10-01) van deze wet: commissaris van de Koning, lid van gedeputeerde staten, burgemeester, wethouder, lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente in de zin van [hoofdstuk V, paragraaf 2, van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416¶graaf=2), zoals deze paragraaf luidde op de dag voorafgaand aan de datum van de verkiezing van de gemeenteraden in 2014, voorzitter of lid van het dagelijks bestuur van een waterschap of de Rijksvertegenwoordiger.
- a. de [tweede afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&z=2022-10-12&g=2022-10-12) van deze wet: minister;
- b. de [derde afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&z=2022-10-12&g=2022-10-12) van deze wet: lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal;
- c. de [vierde afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&z=2022-10-12&g=2022-10-12) van deze wet: minister of lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal;
- d. de [vijfde afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&z=2022-10-12&g=2022-10-12) van deze wet: commissaris van de Koning, lid van gedeputeerde staten, burgemeester, wethouder, lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente in de zin van [hoofdstuk V, paragraaf 2, van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416¶graaf=2), zoals deze paragraaf luidde op de dag voorafgaand aan de datum van de verkiezing van de gemeenteraden in 2014, voorzitter of lid van het dagelijks bestuur van een waterschap of de Rijksvertegenwoordiger.
3. Waar in deze wet betekenis toekomt aan het gegeven dat een belanghebbende gehuwd is, gehuwd is geweest of een huwelijk aangaat, wordt mede begrepen onder gehuwd: als partner geregistreerd, respectievelijk onder huwelijk: geregistreerd partnerschap.
@@ -60,7 +60,7 @@
##### Artikel 2a
1. De politieke ambtsdrager, bedoeld in [artikel 2, tweede lid, onder a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Eerste&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2022-10-01&g=2022-10-01), alsmede de Rijksvertegenwoordiger kan bij Onze Minister één man of vrouw aanmelden, indien hij en deze man of vrouw:
1. De politieke ambtsdrager, bedoeld in [artikel 2, tweede lid, onder a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Eerste&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2022-10-12&g=2022-10-12), alsmede de Rijksvertegenwoordiger kan bij Onze Minister één man of vrouw aanmelden, indien hij en deze man of vrouw:
- a. beiden als ingezetene met het zelfde woonadres in de basisregistratie personen zijn ingeschreven;
@@ -100,9 +100,9 @@
##### Artikel 2b
1. [Artikel 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Eerste&hoofdstuk=1&artikel=2a&z=2022-10-01&g=2022-10-01) is van overeenkomstige toepassing op de politieke ambtsdrager, bedoeld in [artikel 2, tweede lid, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Eerste&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2022-10-01&g=2022-10-01) met uitzondering van de Rijksvertegenwoordiger.
2. Voor de toepassing, bedoeld in het eerste lid, treden gedeputeerde staten, het college van burgemeester en wethouders onderscheidenlijk het dagelijks bestuur van het waterschap in de plaats van Onze Minister, uitgezonderd ten aanzien van diens bevoegdheid, gegeven in [artikel 2a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Eerste&hoofdstuk=1&artikel=2a&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
1. [Artikel 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Eerste&hoofdstuk=1&artikel=2a&z=2022-10-12&g=2022-10-12) is van overeenkomstige toepassing op de politieke ambtsdrager, bedoeld in [artikel 2, tweede lid, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Eerste&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2022-10-12&g=2022-10-12) met uitzondering van de Rijksvertegenwoordiger.
2. Voor de toepassing, bedoeld in het eerste lid, treden gedeputeerde staten, het college van burgemeester en wethouders onderscheidenlijk het dagelijks bestuur van het waterschap in de plaats van Onze Minister, uitgezonderd ten aanzien van diens bevoegdheid, gegeven in [artikel 2a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Eerste&hoofdstuk=1&artikel=2a&z=2022-10-12&g=2022-10-12).
##### Artikel 3. Bijzonder partnerpensioen
@@ -138,7 +138,7 @@
1. Een minister aan wie door Ons ontslag wordt verleend, heeft met ingang van de dag van zijn ontslag, indien hij nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en hij niet zonder onderbreking weer als minister optreedt, recht op een uitkering op de voet van de volgende artikelen.
2. De uitkering of, na verrekening ingevolge [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=9&z=2022-10-01&g=2022-10-01), het restant van de uitkering, wordt niet uitbetaald voor de periode dat:
2. De uitkering of, na verrekening ingevolge [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=9&z=2022-10-12&g=2022-10-12), het restant van de uitkering, wordt niet uitbetaald voor de periode dat:
- a. de belanghebbende Onze Minister daarom verzoekt;
@@ -156,7 +156,7 @@
- b. wegens enig strafbaar feit is veroordeeld waaruit naar Ons oordeel blijkt dat hij zich uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen.
4. Het niet uitbetalen van de uitkering op grond van het tweede lid, is niet van invloed op de met toepassing van [artikel 7, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=7&z=2022-10-01&g=2022-10-01), berekende duur waarvoor de uitkering is toegekend.
4. Het niet uitbetalen van de uitkering op grond van het tweede lid, is niet van invloed op de met toepassing van [artikel 7, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=7&z=2022-10-12&g=2022-10-12), berekende duur waarvoor de uitkering is toegekend.
##### Artikel 7. Duur van de uitkering
@@ -166,9 +166,9 @@
3. Als de belanghebbende op de datum van zijn ontslag of aftreden vijf jaren of minder verwijderd is van de voor hem van toepassing zijnde pensioengerechtigde leeftijd en hij in de daaraan voorafgaande periode van twaalf jaren ten minste tien jaren Minister is geweest, wordt de uitkering voortgezet tot de pensioengerechtigde leeftijd.
4. Voor de berekening van de uitkeringsduur, bedoeld in het eerste lid, en de tien jaren, bedoeld in het derde lid, wordt met tijd waarin de belanghebbende minister is geweest gelijkgesteld de tijd waarin hij een functie heeft bekleed als genoemd in [artikel 2, tweede lid, onder b en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Eerste&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2022-10-01&g=2022-10-01). Indien sprake is van gelijkgestelde tijd als bedoeld in de vorige zin wordt met betrekking tot die tijd op dezelfde wijze als in de tweede zin van het eerste lid rekening gehouden met onderbreking in de uitoefening van deze functies.
5. In geval van tussentijds vervallen van de uitkering krachtens [artikel 11, tweede lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=11&z=2022-10-01&g=2022-10-01), wordt de volgende uitkering toegekend ten minste tot het tijdstip waarop eerstgenoemde uitkering, indien zij niet was vervallen, zou zijn geëindigd.
4. Voor de berekening van de uitkeringsduur, bedoeld in het eerste lid, en de tien jaren, bedoeld in het derde lid, wordt met tijd waarin de belanghebbende minister is geweest gelijkgesteld de tijd waarin hij een functie heeft bekleed als genoemd in [artikel 2, tweede lid, onder b en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Eerste&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2022-10-12&g=2022-10-12). Indien sprake is van gelijkgestelde tijd als bedoeld in de vorige zin wordt met betrekking tot die tijd op dezelfde wijze als in de tweede zin van het eerste lid rekening gehouden met onderbreking in de uitoefening van deze functies.
5. In geval van tussentijds vervallen van de uitkering krachtens [artikel 11, tweede lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=11&z=2022-10-12&g=2022-10-12), wordt de volgende uitkering toegekend ten minste tot het tijdstip waarop eerstgenoemde uitkering, indien zij niet was vervallen, zou zijn geëindigd.
##### Artikel 18. Recht op wezenpensioen
@@ -212,7 +212,7 @@
##### Artikel 8a
1. Indien de belanghebbende op de dag waarop de duur van de uitkering eindigt geheel of gedeeltelijk algemeen invalide is, wordt, met inachtneming van [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=11&z=2022-10-01&g=2022-10-01), de uitkering voor de duur van de invaliditeit voortgezet op de voet van [artikel 8b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=8b&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
1. Indien de belanghebbende op de dag waarop de duur van de uitkering eindigt geheel of gedeeltelijk algemeen invalide is, wordt, met inachtneming van [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=11&z=2022-10-12&g=2022-10-12), de uitkering voor de duur van de invaliditeit voortgezet op de voet van [artikel 8b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=8b&z=2022-10-12&g=2022-10-12).
2. Algemeen invalide, geheel of gedeeltelijk, in de zin van deze wet is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekten of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. Onder de eerstgenoemde arbeid wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Onder deze arbeid wordt niet begrepen arbeid op grond van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in [hoofdstuk 2 van de Wet sociale werkvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008903&hoofdstuk=2).
@@ -226,7 +226,7 @@
1. De voortzetting van de uitkering vindt plaats als aangegeven in het tweede en derde lid en vervolgens als aangegeven in het vierde en het vijfde lid van dit artikel.
2. De uitkering bedraagt gedurende een periode als aangegeven in het derde lid 70% van de laatstelijk als minister genoten bezoldiging, bedoeld in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=8&z=2022-10-01&g=2022-10-01), bij een algemene invaliditeit van 80% of meer, 60% van deze bezoldiging bij een algemene invaliditeit van 55% tot 80% en 40% van die bezoldiging bij een algemene invaliditeit van 25% tot 55%.
2. De uitkering bedraagt gedurende een periode als aangegeven in het derde lid 70% van de laatstelijk als minister genoten bezoldiging, bedoeld in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=8&z=2022-10-12&g=2022-10-12), bij een algemene invaliditeit van 80% of meer, 60% van deze bezoldiging bij een algemene invaliditeit van 55% tot 80% en 40% van die bezoldiging bij een algemene invaliditeit van 25% tot 55%.
3. De in het tweede lid bedoelde periode is ten hoogste voor de betrokkene die op het tijdstip van voortzetting van de uitkering:
@@ -244,7 +244,7 @@
jonger is dan 33 jaar: nihil.
4. De uitkering bedraagt na afloop van de volgens het derde lid bepaalde periode een percentage, volgens het tweede lid, van een bedrag gelijk aan het minimumloon verhoogd met een percentage van het verschil tussen de laatstelijk als minister genoten bezoldiging, bedoeld in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=8&z=2022-10-01&g=2022-10-01), en het minimumloon.
4. De uitkering bedraagt na afloop van de volgens het derde lid bepaalde periode een percentage, volgens het tweede lid, van een bedrag gelijk aan het minimumloon verhoogd met een percentage van het verschil tussen de laatstelijk als minister genoten bezoldiging, bedoeld in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=8&z=2022-10-12&g=2022-10-12), en het minimumloon.
5. Voor de berekening van het in het vierde lid bedoelde bedrag geldt een percentage van 2 maal het aantal verstreken jaren tussen het 15e jaar en de leeftijd van de belanghebbende op het tijdstip van voortzetting van de uitkering.
@@ -254,17 +254,17 @@
8. De aanvulling is gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het zevende lid bedoelde percentage van de laatstelijk als minister genoten bezoldiging.
9. In afwijking van het achtste lid is de aanvulling gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het tiende lid aangegeven percentage van de laatstelijk als minister genoten bezoldiging, indien de belanghebbende de keuze heeft gemaakt voor een verlaging van de inhouding ingevolge [artikel 106, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=1&artikel=106&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
9. In afwijking van het achtste lid is de aanvulling gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het tiende lid aangegeven percentage van de laatstelijk als minister genoten bezoldiging, indien de belanghebbende de keuze heeft gemaakt voor een verlaging van de inhouding ingevolge [artikel 106, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=1&artikel=106&z=2022-10-12&g=2022-10-12).
10. Het in het negende lid bedoelde percentage bedraagt bij een algemene invaliditeit van 80% of meer 65%, bij een algemene invaliditeit van 55% tot 80%: 56% en bij een algemene invaliditeit van 25% tot 55%: 37%.
11. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in [artikel 106, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=1&artikel=106&z=2022-10-01&g=2022-10-01), worden regels gesteld met betrekking tot de verlaging, bedoeld in het negende lid. Onze Minister stelt regels met betrekking tot de wijze en het tijdstip waarop de minister of de gewezen minister de in het negende lid bedoelde keuze, die eenmalig is, kenbaar dient te maken.
12. Indien de wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering te zamen met inkomsten, bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=9&z=2022-10-01&g=2022-10-01), minder bedraagt dan het minimumloon wordt de uitkering verhoogd tot het minimumloon. De verhoging bedraagt niet meer dan het verschil tussen de uitkering en het bedrag waarvan deze is afgeleid en tevens niet meer dan 30% van het minimumloon.
11. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in [artikel 106, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=1&artikel=106&z=2022-10-12&g=2022-10-12), worden regels gesteld met betrekking tot de verlaging, bedoeld in het negende lid. Onze Minister stelt regels met betrekking tot de wijze en het tijdstip waarop de minister of de gewezen minister de in het negende lid bedoelde keuze, die eenmalig is, kenbaar dient te maken.
12. Indien de wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering te zamen met inkomsten, bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=9&z=2022-10-12&g=2022-10-12), minder bedraagt dan het minimumloon wordt de uitkering verhoogd tot het minimumloon. De verhoging bedraagt niet meer dan het verschil tussen de uitkering en het bedrag waarvan deze is afgeleid en tevens niet meer dan 30% van het minimumloon.
##### Artikel 8c
1. De voortzetting van de uitkering, bedoeld in [artikel 8a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=8a&z=2022-10-01&g=2022-10-01), geschiedt op aanvraag van de belanghebbende en voor termijnen van niet langer dan drie jaar, onverminderd het in deze wet bepaalde over herziening of intrekking van de uitkering.
1. De voortzetting van de uitkering, bedoeld in [artikel 8a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=8a&z=2022-10-12&g=2022-10-12), geschiedt op aanvraag van de belanghebbende en voor termijnen van niet langer dan drie jaar, onverminderd het in deze wet bepaalde over herziening of intrekking van de uitkering.
2. Onze Minister stelt de belanghebbende uiterlijk vier maanden voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn schriftelijk in kennis van de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag tot voortzetting van de uitkering na afloop van die termijn.
@@ -280,7 +280,7 @@
##### Artikel 8d
1. Binnen een jaar na het tijdstip waarop de uitkering voor de eerste maal met toepassing van [artikel 8a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=8a&z=2022-10-01&g=2022-10-01) is voortgezet, doet Onze Minister een onderzoek instellen ten einde te doen bezien of er als gevolg van gronden die invloed hebben op de mate van algemene invaliditeit redenen aanwezig zijn voor herziening of intrekking van de uitkering.
1. Binnen een jaar na het tijdstip waarop de uitkering voor de eerste maal met toepassing van [artikel 8a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=8a&z=2022-10-12&g=2022-10-12) is voortgezet, doet Onze Minister een onderzoek instellen ten einde te doen bezien of er als gevolg van gronden die invloed hebben op de mate van algemene invaliditeit redenen aanwezig zijn voor herziening of intrekking van de uitkering.
2. Onze Minister kan ten aanzien van bepaalde groepen algemeen invaliden bepalen dat geen termijn geldt dan wel een termijn zal gelden die afwijkt van de in het eerste lid genoemde termijn.
@@ -292,13 +292,13 @@
- b. indien de wijziging ambtshalve plaatsvindt, met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de beslissing tot wijziging is genomen.
5. De toepassing van [artikel 8a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=8a&z=2022-10-01&g=2022-10-01) wordt ten aanzien van een belanghebbende gestaakt indien en zolang hij niet voldoet aan een uitnodiging van Onze Minister zich te onderwerpen aan een onderzoek door een of meer door hem aangewezen geneeskundigen ter beantwoording van de vraag, of er nog sprake is van algemene invaliditeit.
6. Indien degene die recht heeft op wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering inkomsten uit of in verband met arbeid geniet, is Onze Minister bevoegd, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in [artikel 8a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=8a&z=2022-10-01&g=2022-10-01), kan worden aangemerkt, niet tot herziening of intrekking van de uitkering over te gaan. De toepassing van de eerste volzin vindt ten hoogste plaats over een aaneengesloten periode van drie jaren, aanvangende op de eerste dag waarover de inkomsten uit of in verband met arbeid als bedoeld in de eerste volzin worden genoten. Deze periode wordt geacht niet te zijn onderbroken indien korter dan een maand geen inkomsten uit of in verband met arbeid worden genoten. Na afloop van de in de tweede volzin genoemde periode wordt de in de eerste volzin bedoelde arbeid aangemerkt als arbeid, bedoeld in [artikel 8a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=8a&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
5. De toepassing van [artikel 8a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=8a&z=2022-10-12&g=2022-10-12) wordt ten aanzien van een belanghebbende gestaakt indien en zolang hij niet voldoet aan een uitnodiging van Onze Minister zich te onderwerpen aan een onderzoek door een of meer door hem aangewezen geneeskundigen ter beantwoording van de vraag, of er nog sprake is van algemene invaliditeit.
6. Indien degene die recht heeft op wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering inkomsten uit of in verband met arbeid geniet, is Onze Minister bevoegd, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in [artikel 8a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=8a&z=2022-10-12&g=2022-10-12), kan worden aangemerkt, niet tot herziening of intrekking van de uitkering over te gaan. De toepassing van de eerste volzin vindt ten hoogste plaats over een aaneengesloten periode van drie jaren, aanvangende op de eerste dag waarover de inkomsten uit of in verband met arbeid als bedoeld in de eerste volzin worden genoten. Deze periode wordt geacht niet te zijn onderbroken indien korter dan een maand geen inkomsten uit of in verband met arbeid worden genoten. Na afloop van de in de tweede volzin genoemde periode wordt de in de eerste volzin bedoelde arbeid aangemerkt als arbeid, bedoeld in [artikel 8a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=8a&z=2022-10-12&g=2022-10-12).
##### Artikel 8e
1. Op verzoek van een minister doet Onze Minister een onderzoek instellen door een of meer door hem aangewezen geneeskundigen, ter beantwoording van de vraag of de minister die het verzoek deed algemene invalide is als bedoeld in [artikel 8**a**, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=8a&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
1. Op verzoek van een minister doet Onze Minister een onderzoek instellen door een of meer door hem aangewezen geneeskundigen, ter beantwoording van de vraag of de minister die het verzoek deed algemene invalide is als bedoeld in [artikel 8**a**, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=8a&z=2022-10-12&g=2022-10-12).
2. Onze Minister brengt de uitkomst van een onderzoek dat is ingesteld ingevolge het eerste lid ter kennis van de verzoeker.
@@ -316,19 +316,19 @@
Onder inkomsten bedoeld in de vorige volzin, wordt mede verstaan een arbeidsongeschiktheidsuitkering of een inkomensvoorziening krachtens de [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656) of de [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657).
3. De in het eerste lid bedoelde verrekening geschiedt aldus dat de uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmede de uitkering, vermeerderd met die inkomsten, de laatstelijk genoten bezoldiging, waarvan de uitkering is afgeleid, overschrijdt. Bij de verrekening wordt voor de hoogte van de uitkering de op grond van [artikel 7c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=7c&z=2022-10-01&g=2022-10-01), opgelegde inhouding buiten beschouwing gelaten.
3. De in het eerste lid bedoelde verrekening geschiedt aldus dat de uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmede de uitkering, vermeerderd met die inkomsten, de laatstelijk genoten bezoldiging, waarvan de uitkering is afgeleid, overschrijdt. Bij de verrekening wordt voor de hoogte van de uitkering de op grond van [artikel 7c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=7c&z=2022-10-12&g=2022-10-12), opgelegde inhouding buiten beschouwing gelaten.
4. Indien in het bedrag der inkomsten bedoeld in de vorige leden, is of geacht kan worden te zijn begrepen een vergoeding ter zake van de premie [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) en [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795), blijft deze vergoeding voor de toepassing van dit artikel buiten beschouwing. De vorige volzin is slechts van toepassing voor zover de daar bedoelde inkomsten betrekking hebben op een tijdvak gelegen voor 1 juni 1985.
5. Kinderbijslag wordt niet aangemerkt als inkomst.
6. Voor de toepassing van dit artikel ten aanzien van de voortgezette uitkering bedoeld in [artikel 7, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=7&z=2022-10-01&g=2022-10-01), en [artikel 8a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=8a&z=2022-10-01&g=2022-10-01), kan Onze Minister andere inkomsten aanmerken als te zijn genoten wegens activiteiten bedoeld in het tweede lid.
6. Voor de toepassing van dit artikel ten aanzien van de voortgezette uitkering bedoeld in [artikel 7, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=7&z=2022-10-12&g=2022-10-12), en [artikel 8a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=8a&z=2022-10-12&g=2022-10-12), kan Onze Minister andere inkomsten aanmerken als te zijn genoten wegens activiteiten bedoeld in het tweede lid.
##### Artikel 9a
1. De belanghebbende is verplicht van het ter hand nemen van enige activiteiten als bedoeld in [artikel 9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=9&z=2022-10-01&g=2022-10-01), terstond mededeling te doen aan Onze Minister onder opgave, voor zover mogelijk, van de inkomsten, die hij uit die activiteiten zal trekken. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven, dan doet hij tijdig vóór het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van de inkomsten, die hij sinds het ter hand nemen van de activiteiten of sinds de vorige opgave heeft genoten. Onze Minister geeft nadere voorschriften aangaande het doen van mededelingen door de belanghebbende met betrekking tot de activiteiten bedoeld in [artikel 9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=9&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
2. Brengt de aard van de activiteiten of van de inkomsten mede, dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt op de uitkering een vermindering toegepast van een voorlopig vastgesteld bedrag onder voorbehoud van verrekening aan het eind van de evenbedoelde termijn. Ten aanzien van deze verrekening is [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=9&z=2022-10-01&g=2022-10-01) van toepassing, met dien verstande, dat zij geschiedt over de in de vorige volzin bedoelde langere termijn in plaats van over iedere maand afzonderlijk.
1. De belanghebbende is verplicht van het ter hand nemen van enige activiteiten als bedoeld in [artikel 9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=9&z=2022-10-12&g=2022-10-12), terstond mededeling te doen aan Onze Minister onder opgave, voor zover mogelijk, van de inkomsten, die hij uit die activiteiten zal trekken. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven, dan doet hij tijdig vóór het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van de inkomsten, die hij sinds het ter hand nemen van de activiteiten of sinds de vorige opgave heeft genoten. Onze Minister geeft nadere voorschriften aangaande het doen van mededelingen door de belanghebbende met betrekking tot de activiteiten bedoeld in [artikel 9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=9&z=2022-10-12&g=2022-10-12).
2. Brengt de aard van de activiteiten of van de inkomsten mede, dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt op de uitkering een vermindering toegepast van een voorlopig vastgesteld bedrag onder voorbehoud van verrekening aan het eind van de evenbedoelde termijn. Ten aanzien van deze verrekening is [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=9&z=2022-10-12&g=2022-10-12) van toepassing, met dien verstande, dat zij geschiedt over de in de vorige volzin bedoelde langere termijn in plaats van over iedere maand afzonderlijk.
3. Onze Minister kan bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering van de opgave van de belanghebbende afwijken.
@@ -338,7 +338,7 @@
1. De uitkering, berekend over een maand, wordt in maandelijkse termijnen betaald.
2. De uitkering wordt niet uitbetaald zolang de belanghebbende niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van [artikel 9a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=9a&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
2. De uitkering wordt niet uitbetaald zolang de belanghebbende niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van [artikel 9a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=9a&z=2022-10-12&g=2022-10-12).
##### Artikel 11. Einde en verval van de uitkering
@@ -350,7 +350,7 @@
- b. met ingang van de dag waarop de gewezen minister wederom minister wordt.
3. De uitkering kan geheel of ten dele vervallen worden verklaard indien de belanghebbende herhaaldelijk niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van [artikel 9a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=9a&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
3. De uitkering kan geheel of ten dele vervallen worden verklaard indien de belanghebbende herhaaldelijk niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van [artikel 9a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=9a&z=2022-10-12&g=2022-10-12).
4. Voorts kunnen Wij, de Raad van State gehoord, de uitkering vervallen verklaren, indien de gewezen minister:
@@ -376,7 +376,7 @@
3. Het pensioen kan niet eerder in gaan dan op de eerste dag van de maand waarin betrokkene de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt.
4. Gedurende de tijd dat de betrokkene optreedt als minister en gedurende de tijd dat hij een uitkering geniet als bedoeld in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&z=2022-10-01&g=2022-10-01), kan het pensioen niet ingaan.
4. Gedurende de tijd dat de betrokkene optreedt als minister en gedurende de tijd dat hij een uitkering geniet als bedoeld in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&z=2022-10-12&g=2022-10-12), kan het pensioen niet ingaan.
5. Het pensioen gaat, zo nodig in afwijking van het vierde lid, niet later in dan het tijdstip waarop de betrokkene de leeftijd heeft bereikt, bedoeld in [artikel 18a, vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=18a).
@@ -400,9 +400,9 @@
- d. het bepalen van het pensioen;
- e. de herrekening, bedoeld in [artikel 13e, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13e&z=2022-10-01&g=2022-10-01);
- f. de beperkingen die bij toepassing van [artikel 13e, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13e&z=2022-10-01&g=2022-10-01), in acht worden genomen en de herrekening die bij die toepassing wordt gehanteerd;
- e. de herrekening, bedoeld in [artikel 13e, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13e&z=2022-10-12&g=2022-10-12);
- f. de beperkingen die bij toepassing van [artikel 13e, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13e&z=2022-10-12&g=2022-10-12), in acht worden genomen en de herrekening die bij die toepassing wordt gehanteerd;
- g. de verhoging van het pensioen door omzetting van partnerpensioen, waaronder de daarbij te hanteren ruilvoet;
@@ -472,13 +472,13 @@
- a. indien het partnerschap is aangegaan nadat de gepensioneerde minister de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt;
- b. bij overlijden van een gewezen minister vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, voor zover de pensioengeldige tijd is gelegen tussen 1 augustus 2003 en 1 juli 2022 en geen omzetting is gedaan als bedoeld in [artikel 13g, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13g&z=2022-10-01&g=2022-10-01);
- c. bij overlijden van een gepensioneerd minister, voor zover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 30 juni 1999 en de keuze is gedaan, bedoeld in [artikel 13f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13f&z=2022-10-01&g=2022-10-01);
- b. bij overlijden van een gewezen minister vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, voor zover de pensioengeldige tijd is gelegen tussen 1 augustus 2003 en 1 juli 2022 en geen omzetting is gedaan als bedoeld in [artikel 13g, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13g&z=2022-10-12&g=2022-10-12);
- c. bij overlijden van een gepensioneerd minister, voor zover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 30 juni 1999 en de keuze is gedaan, bedoeld in [artikel 13f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13f&z=2022-10-12&g=2022-10-12);
- d. indien de partner de minister, gewezen minister of gepensioneerd minister opzettelijk van het leven heeft beroofd of daaraan medeplichtig is en hiervoor is veroordeeld.
4. Voor de toepassing van het derde lid, onder b, geldt niet als gewezen minister de gewezen minister die recht heeft op een uitkering als bedoeld in [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=6&z=2022-10-01&g=2022-10-01), of [artikel 8a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=8a&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
4. Voor de toepassing van het derde lid, onder b, geldt niet als gewezen minister de gewezen minister die recht heeft op een uitkering als bedoeld in [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=6&z=2022-10-12&g=2022-10-12), of [artikel 8a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=8a&z=2022-10-12&g=2022-10-12).
##### Artikel 16
@@ -500,7 +500,7 @@
- c. bij overlijden van een minister of gewezen minister vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, voor zover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen tussen 31 juli 2003 en 1 juli 2022;
- d. bij overlijden van een gepensioneerd minister voor zover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 30 juni 1999 en de keuze is gedaan, bedoeld in [artikel 13f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13f&z=2022-10-01&g=2022-10-01);
- d. bij overlijden van een gepensioneerd minister voor zover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 30 juni 1999 en de keuze is gedaan, bedoeld in [artikel 13f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13f&z=2022-10-12&g=2022-10-12);
- e. indien de gewezen partner de minister, gewezen minister of gepensioneerd minister opzettelijk van het leven heeft beroofd of daaraan medeplichtig is, en hiervoor is veroordeeld;
@@ -530,11 +530,11 @@
##### Artikel 22. Berekening partnerpensioen
1. Het partnerpensioen, bedoeld in [artikel 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=15&z=2022-10-01&g=2022-10-01), bedraagt 70 procent van het ouderdomspensioen, waarop de overleden minister als zodanig aanspraak zou hebben gehad indien hij met ingang van de dag na die van zijn overlijden was ontslagen of waarop de overleden gewezen minister als zodanig recht of uitzicht had, een en ander met inachtneming van artikel 15, tweede lid, onder b en c.
1. Het partnerpensioen, bedoeld in [artikel 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=15&z=2022-10-12&g=2022-10-12), bedraagt 70 procent van het ouderdomspensioen, waarop de overleden minister als zodanig aanspraak zou hebben gehad indien hij met ingang van de dag na die van zijn overlijden was ontslagen of waarop de overleden gewezen minister als zodanig recht of uitzicht had, een en ander met inachtneming van artikel 15, tweede lid, onder b en c.
2. In afwijking van het vorige lid bedraagt het partnerpensioen:
- a. bij overlijden van een minister vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, 70 procent van het ouderdomspensioen waarop die minister aanspraak zou hebben kunnen maken, indien hij zijn ambt tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd zou hebben bekleed, zonder rekening te houden met [artikel 13e, tweede of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13e&z=2022-10-01&g=2022-10-01);
- a. bij overlijden van een minister vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, 70 procent van het ouderdomspensioen waarop die minister aanspraak zou hebben kunnen maken, indien hij zijn ambt tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd zou hebben bekleed, zonder rekening te houden met [artikel 13e, tweede of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13e&z=2022-10-12&g=2022-10-12);
- b. bij overlijden van een gewezen minister in de periode, waarover hem een uitkering is toegekend, 70 procent van het ouderdomspensioen waarop de gewezen minister aanspraak zou hebben kunnen maken, indien hij tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd recht op uitkering zou hebben gehad, met dien verstande, dat voor de berekening van het ouderdomspensioen de diensttijd wordt doorgeteld naar de mate van medetelling van diensttijd op de dag van overlijden.
@@ -554,13 +554,13 @@
1. Het bijzonder partnerpensioen bedraagt 70 procent van een ouderdomspensioen, waarbij in aanmerking wordt genomen:
- a. de berekeningsgrondslag waarnaar het ouderdomspensioen van de minister, gewezen minister of gepensioneerde zou zijn berekend indien deze op de dag van het beëindigen van het partnerschap recht op ouderdomspensioen zou hebben verkregen, zonder rekening te houden met [artikel 13e, tweede of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13e&z=2022-10-01&g=2022-10-01);
- a. de berekeningsgrondslag waarnaar het ouderdomspensioen van de minister, gewezen minister of gepensioneerde zou zijn berekend indien deze op de dag van het beëindigen van het partnerschap recht op ouderdomspensioen zou hebben verkregen, zonder rekening te houden met [artikel 13e, tweede of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13e&z=2022-10-12&g=2022-10-12);
- b. pensioengeldige tijd die is gelegen vóór de onder a bedoelde dag, met dien verstande dat:
- i. bij overlijden van een minister of gewezen minister voor de pensioengerechtigde leeftijd, uitsluitend tijd vóór 1 augustus 2003 en na 1 juli 2022, in aanmerking wordt genomen;
- ii. bij overlijden van een gepensioneerd minister uitsluitend tijd vóór 1 juli 1999 in aanmerking wordt genomen, indien de keuze is gedaan, bedoeld in [artikel 13f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13f&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
- ii. bij overlijden van een gepensioneerd minister uitsluitend tijd vóór 1 juli 1999 in aanmerking wordt genomen, indien de keuze is gedaan, bedoeld in [artikel 13f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13f&z=2022-10-12&g=2022-10-12).
2. Indien er bij overlijden recht bestaat op meer dan een bijzonder partnerpensioen vindt het eerste lid overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de berekening van het bijzonder partnerpensioen ontleend aan elk partnerschap waaraan een eerder partnerschap voorafgaat slechts de diensttijd meetelt die samenloopt of geacht kan worden samen te lopen met de duur van het partnerschap.
@@ -572,17 +572,17 @@
##### Artikel 25. Berekening wezenpensioen
1. Het wezenpensioen bedraagt 14 procent van het ouderdomspensioen als de wees een verzorger als bedoeld in [artikel 18, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=18&z=2022-10-01&g=2022-10-01), heeft.
2. Het wezenpensioen bedraagt 28 procent van het ouderdomspensioen als er geen sprake is van een verzorger als bedoeld in [artikel 18, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=18&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
3. Onze Minister stelt het wezenpensioen, bedoeld in het eerste lid, opnieuw vast als de wees geen verzorger als bedoeld in [artikel 18, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=18&z=2022-10-01&g=2022-10-01), meer heeft. Het gewijzigde bedrag van het wezenpensioen gaat in met ingang van de eerste dag van de maand na de maand waarin de verzorger is overleden.
1. Het wezenpensioen bedraagt 14 procent van het ouderdomspensioen als de wees een verzorger als bedoeld in [artikel 18, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=18&z=2022-10-12&g=2022-10-12), heeft.
2. Het wezenpensioen bedraagt 28 procent van het ouderdomspensioen als er geen sprake is van een verzorger als bedoeld in [artikel 18, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=18&z=2022-10-12&g=2022-10-12).
3. Onze Minister stelt het wezenpensioen, bedoeld in het eerste lid, opnieuw vast als de wees geen verzorger als bedoeld in [artikel 18, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=18&z=2022-10-12&g=2022-10-12), meer heeft. Het gewijzigde bedrag van het wezenpensioen gaat in met ingang van de eerste dag van de maand na de maand waarin de verzorger is overleden.
4. Voor de toepassing van dit artikel is het ouderdomspensioen het ouderdomspensioen:
- a. voordat het pensioen is verlaagd of verhoogd met toepassing van [artikel 13e, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13e&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [13f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13f&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [13g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13g&z=2022-10-01&g=2022-10-01);
- b. zonder rekening te houden met de toepassing [13e, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13e&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
- a. voordat het pensioen is verlaagd of verhoogd met toepassing van [artikel 13e, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13e&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [13f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13f&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [13g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13g&z=2022-10-12&g=2022-10-12);
- b. zonder rekening te houden met de toepassing [13e, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13e&z=2022-10-12&g=2022-10-12).
##### Artikel 25a
@@ -622,7 +622,7 @@
##### Artikel 30. Herstel van uitzicht op pensioen
1. In bijzondere gevallen kunnen Wij, de Raad van State gehoord, een door of als gevolg van de toepassing van [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=6&artikel=29&z=2022-10-01&g=2022-10-01) vervallen uitzicht of recht op pensioen geheel of gedeeltelijk herstellen.
1. In bijzondere gevallen kunnen Wij, de Raad van State gehoord, een door of als gevolg van de toepassing van [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=6&artikel=29&z=2022-10-12&g=2022-10-12) vervallen uitzicht of recht op pensioen geheel of gedeeltelijk herstellen.
2. Wanneer een vervallen recht op pensioen geheel of gedeeltelijk wordt hersteld gaat het pensioen in op de eerste dag van de maand waarin het herstel heeft plaatsgevonden.
@@ -652,7 +652,7 @@
1. Indien een wees die reeds recht op een wezenpensioen heeft, hetzij krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere regeling, daarna eveneens recht op enig ander wezenpensioen verkrijgt, hetzij krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere regeling, wordt voor de berekening van de ouderdomspensioenen waarvan die wezenpensioenen zijn of geacht moeten worden te zijn afgeleid, samenlopende tijd slechts medegeteld bij de berekening van het pensioen, waarbij die tijd het hoogste bedrag oplevert.
2. [Artikel 34, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=7&artikel=34&z=2022-10-01&g=2022-10-01), is van overeenkomstige toepassing.
2. [Artikel 34, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=7&artikel=34&z=2022-10-12&g=2022-10-12), is van overeenkomstige toepassing.
### Hoofdstuk 8. Overgangsbepalingen
@@ -744,7 +744,7 @@
1. Een kamerlid heeft met ingang van de dag van zijn aftreden, indien hij nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en hij niet zonder onderbreking weer als kamerlid optreedt, recht op een uitkering op de voet van de volgende artikelen.
2. De uitkering of, na verrekening ingevolge [artikel 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=54&z=2022-10-01&g=2022-10-01), het restant van de uitkering wordt niet uitbetaald:
2. De uitkering of, na verrekening ingevolge [artikel 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=54&z=2022-10-12&g=2022-10-12), het restant van de uitkering wordt niet uitbetaald:
- a. voor zover en voor de periode dat de belanghebbende daarom verzoekt;
@@ -756,7 +756,7 @@
- e. voor de periode dat de belanghebbende vakantie geniet buiten de bij algemene maatregel van bestuur gestelde periode.
3. Het niet uitbetalen van de uitkering op grond van het tweede lid, is niet van invloed op de met toepassing van [artikel 52, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=52&z=2022-10-01&g=2022-10-01), berekende duur waarvoor de uitkering is toegekend.
3. Het niet uitbetalen van de uitkering op grond van het tweede lid, is niet van invloed op de met toepassing van [artikel 52, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=52&z=2022-10-12&g=2022-10-12), berekende duur waarvoor de uitkering is toegekend.
4. Een tijdelijk ontslag als bedoeld in [artikel X 10 van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=X_10), wordt niet aangemerkt als aftreden als bedoeld in het eerste lid.
@@ -768,13 +768,13 @@
2. In afwijking van het eerste lid wordt de uitkering toegekend voor de duur van zes maanden, indien de belanghebbende korter dan drie maanden kamerlid is geweest.
3. Als de belanghebbende op de datum van zijn aftreden vijf jaren of minder verwijderd is van de voor hem van toepassing zijnde pensioengerechtigde leeftijd en hij in de daaraan voorafgaande periode hij in het tijdvak van twaalf jaren dat direct aan zijn aftreden voorafgaat ten minste tien jaren een functie heeft bekleed als genoemd in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Eerste&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2022-10-01&g=2022-10-01), wordt de uitkering voortgezet tot de pensioengerechtigde leeftijd.
4. Voor de berekening van de uitkeringsduur, bedoeld in het eerste lid, en de tien jaren, bedoeld in het derde lid, wordt met tijd waarin de belanghebbende kamerlid is geweest gelijkgesteld de tijd waarin hij een functie heeft bekleed als genoemd in [artikel 2, tweede lid, onder a en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Eerste&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2022-10-01&g=2022-10-01). Indien sprake is van gelijkgestelde tijd als bedoeld in de vorige zin wordt met betrekking tot die tijd op dezelfde wijze als in de tweede zin van het eerste lid rekening gehouden met onderbrekingen in de uitoefening van deze functies.
3. Als de belanghebbende op de datum van zijn aftreden vijf jaren of minder verwijderd is van de voor hem van toepassing zijnde pensioengerechtigde leeftijd en hij in de daaraan voorafgaande periode hij in het tijdvak van twaalf jaren dat direct aan zijn aftreden voorafgaat ten minste tien jaren een functie heeft bekleed als genoemd in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Eerste&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2022-10-12&g=2022-10-12), wordt de uitkering voortgezet tot de pensioengerechtigde leeftijd.
4. Voor de berekening van de uitkeringsduur, bedoeld in het eerste lid, en de tien jaren, bedoeld in het derde lid, wordt met tijd waarin de belanghebbende kamerlid is geweest gelijkgesteld de tijd waarin hij een functie heeft bekleed als genoemd in [artikel 2, tweede lid, onder a en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Eerste&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2022-10-12&g=2022-10-12). Indien sprake is van gelijkgestelde tijd als bedoeld in de vorige zin wordt met betrekking tot die tijd op dezelfde wijze als in de tweede zin van het eerste lid rekening gehouden met onderbrekingen in de uitoefening van deze functies.
5. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder kamerlid mede begrepen lid van het Europees Parlement, voorzover dat lidmaatschap niet gelijktijdig werd vervuld met het kamerlidmaatschap. Voor de vaststelling van de tijd gedurende welke de belanghebbende kamerlid is geweest, telt niet mee de tijd gedurende welke de schadeloosstelling als kamerlid niet werd genoten.
6. In geval van tussentijds vervallen van de uitkering krachtens [artikel 56, tweede lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=56&z=2022-10-01&g=2022-10-01), wordt de volgende uitkering toegekend ten minste tot het tijdstip waarop eerstgenoemde uitkering, indien zij niet was vervallen, zou zijn geëindigd.
6. In geval van tussentijds vervallen van de uitkering krachtens [artikel 56, tweede lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=56&z=2022-10-12&g=2022-10-12), wordt de volgende uitkering toegekend ten minste tot het tijdstip waarop eerstgenoemde uitkering, indien zij niet was vervallen, zou zijn geëindigd.
##### Artikel 52a
@@ -784,7 +784,7 @@
1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- a. een pensioen: een pensioen of een gedeelte van een pensioen voor zover berekend over tijd voor 1 januari 1986 dat is toegekend of geacht wordt te zijn toegekend krachtens de [tweede](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&z=2022-10-01&g=2022-10-01) en [derde afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&z=2022-10-01&g=2022-10-01) van deze wet, met uitzondering van de overgangstoeslag bedoeld in artikel 4 van de derde afdeling van de Pensioenmaatregelen 1963;
- a. een pensioen: een pensioen of een gedeelte van een pensioen voor zover berekend over tijd voor 1 januari 1986 dat is toegekend of geacht wordt te zijn toegekend krachtens de [tweede](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&z=2022-10-12&g=2022-10-12) en [derde afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&z=2022-10-12&g=2022-10-12) van deze wet, met uitzondering van de overgangstoeslag bedoeld in artikel 4 van de derde afdeling van de Pensioenmaatregelen 1963;
- b. een algemeen pensioen:
@@ -798,7 +798,7 @@
2. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder het algemeen pensioen van de belanghebbende die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, mede begrepen het algemeen pensioen waarop zijn echtgenoot recht heeft, tenzij het echtpaar duurzaam gescheiden leeft. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt mede als echtgenoot aangemerkt degene die voor de toepassing van de [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) als echtgenoot van de belanghebbende wordt aangemerkt.
3. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt een pensioen als bedoeld in [artikel 101, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=17&artikel=101&z=2022-10-01&g=2022-10-01), dan wel enig ander pensioen als bedoeld in [artikel 102, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=17&artikel=102&z=2022-10-01&g=2022-10-01), voorzover dit pensioen of gedeelte daarvan is berekend over tijd voor 1 januari 1986, in aanmerking genomen.
3. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt een pensioen als bedoeld in [artikel 101, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=17&artikel=101&z=2022-10-12&g=2022-10-12), dan wel enig ander pensioen als bedoeld in [artikel 102, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=17&artikel=102&z=2022-10-12&g=2022-10-12), voorzover dit pensioen of gedeelte daarvan is berekend over tijd voor 1 januari 1986, in aanmerking genomen.
##### Artikel 53. Bedrag van de uitkering
@@ -812,7 +812,7 @@
##### Artikel 53a
1. Indien de belanghebbende op de dag waarop de duur van de uitkering eindigt geheel of gedeeltelijk algemeen invalide is, wordt, met inachtneming van [artikel 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=56&z=2022-10-01&g=2022-10-01), de uitkering voor de duur van de invaliditeit voortgezet op de voet van [artikel 53b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=53b&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
1. Indien de belanghebbende op de dag waarop de duur van de uitkering eindigt geheel of gedeeltelijk algemeen invalide is, wordt, met inachtneming van [artikel 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=56&z=2022-10-12&g=2022-10-12), de uitkering voor de duur van de invaliditeit voortgezet op de voet van [artikel 53b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=53b&z=2022-10-12&g=2022-10-12).
2. Algemeen invalide, geheel of gedeeltelijk, in de zin van deze wet is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekten of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. Onder de eerstgenoemde arbeid wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Onder deze arbeid wordt niet begrepen arbeid op grond van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in [hoofdstuk 2 van de Wet sociale werkvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008903&hoofdstuk=2).
@@ -826,7 +826,7 @@
1. De voortzetting van de uitkering vindt plaats als aangegeven in het tweede en derde lid en vervolgens als aangegeven in het vierde en het vijfde lid van dit artikel.
2. De uitkering bedraagt gedurende een periode als aangegeven in het derde lid 70% van de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd en aangepast volgens [artikel 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=53&z=2022-10-01&g=2022-10-01), bij een algemene invaliditeit van 80% of meer, 60% van die berekeningsgrondslag bij een algemene invaliditeit van 55% tot 80% en 40% van die berekeningsgrondslag bij een algemene invaliditeit van 25% tot 55%.
2. De uitkering bedraagt gedurende een periode als aangegeven in het derde lid 70% van de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd en aangepast volgens [artikel 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=53&z=2022-10-12&g=2022-10-12), bij een algemene invaliditeit van 80% of meer, 60% van die berekeningsgrondslag bij een algemene invaliditeit van 55% tot 80% en 40% van die berekeningsgrondslag bij een algemene invaliditeit van 25% tot 55%.
3. De in het tweede lid bedoelde periode is ten hoogste voor de belanghebbende die op het tijdstip van voortzetting van de uitkering:
@@ -844,27 +844,27 @@
jonger is dan 33 jaar: nihil.
4. De uitkering bedraagt na afloop van de volgens het derde lid bepaalde periode een percentage, volgens het tweede lid, van een bedrag gelijk aan het minimumloon verhoogd met een percentage van het verschil tussen de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd en aangepast volgens [artikel 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=53&z=2022-10-01&g=2022-10-01), en het minimumloon.
4. De uitkering bedraagt na afloop van de volgens het derde lid bepaalde periode een percentage, volgens het tweede lid, van een bedrag gelijk aan het minimumloon verhoogd met een percentage van het verschil tussen de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd en aangepast volgens [artikel 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=53&z=2022-10-12&g=2022-10-12), en het minimumloon.
5. Voor de berekening van het in het vierde lid bedoelde bedrag geldt een percentage van 2 maal het aantal verstreken jaren tussen het 15e jaar en de leeftijd van de betrokkene op het tijdstip van voortzetting van de uitkering.
6. Het minimumloon, bedoeld in het vierde lid, is het tot een jaarbedrag herleide minimumloon per maand, bedoeld in [artikel 8, eerste lid, onderdeel **a**, van de Wet mimimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=8) of, indien het een betrokkene jonger dan 23 jaar betreft, het tot een jaarbedrag herleide voor zijn leeftijd geldende minimumloon per maand, bedoeld in [artikel 7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=7), en [artikel 8, derde lid, van de genoemde wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=8), beide vermeerderd met de daarover berekende vakantietoeslag, bedoeld in [artikel 15 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=15).
7. De belanghebbende heeft recht op een aanvulling van de uitkering, indien die uitkering minder bedraagt dan het volgens het tweede lid vastgestelde percentage van de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd en aangepast volgens [artikel 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=53&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
8. De aanvulling is gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het zevende lid bedoelde percentage van de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd en aangepast volgens [artikel 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=53&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
9. In afwijking van het achtste lid is de aanvulling gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het tiende lid aangegeven percentage van de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd en aangepast volgens [artikel 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=53&z=2022-10-01&g=2022-10-01), indien de belanghebbende de keuze heeft gemaakt voor een verlaging van de inhouding ingevolge [artikel 106, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=1&artikel=106&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
7. De belanghebbende heeft recht op een aanvulling van de uitkering, indien die uitkering minder bedraagt dan het volgens het tweede lid vastgestelde percentage van de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd en aangepast volgens [artikel 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=53&z=2022-10-12&g=2022-10-12).
8. De aanvulling is gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het zevende lid bedoelde percentage van de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd en aangepast volgens [artikel 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=53&z=2022-10-12&g=2022-10-12).
9. In afwijking van het achtste lid is de aanvulling gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het tiende lid aangegeven percentage van de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd en aangepast volgens [artikel 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=53&z=2022-10-12&g=2022-10-12), indien de belanghebbende de keuze heeft gemaakt voor een verlaging van de inhouding ingevolge [artikel 106, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=1&artikel=106&z=2022-10-12&g=2022-10-12).
10. Het in het negende lid bedoelde percentage bedraagt bij een algemene invaliditeit van 80% of meer 65%, bij een algemene invaliditeit van 55% tot 80%: 56% en bij een algemene invaliditeit van 25% tot 55%: 37%.
11. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in [artikel 106, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=1&artikel=106&z=2022-10-01&g=2022-10-01), worden regels gesteld met betrekking tot de verlaging, bedoeld in het negende lid. Onze Minister stelt regels met betrekking tot de wijze en het tijdstip waarop het lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal of het gewezen lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal de in het negende lid bedoelde keuze, die eenmalig is, kenbaar dient te maken.
12. Indien de wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering te zamen met inkomsten, bedoeld in [artikel 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=54&z=2022-10-01&g=2022-10-01), minder bedraagt dan het minimumloon wordt de uitkering verhoogd tot het minimumloon. De verhoging bedraagt niet meer dan het verschil tussen de uitkering en het bedrag waarvan deze is afgeleid en tevens niet meer dan 30% van het minimumloon.
11. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in [artikel 106, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=1&artikel=106&z=2022-10-12&g=2022-10-12), worden regels gesteld met betrekking tot de verlaging, bedoeld in het negende lid. Onze Minister stelt regels met betrekking tot de wijze en het tijdstip waarop het lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal of het gewezen lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal de in het negende lid bedoelde keuze, die eenmalig is, kenbaar dient te maken.
12. Indien de wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering te zamen met inkomsten, bedoeld in [artikel 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=54&z=2022-10-12&g=2022-10-12), minder bedraagt dan het minimumloon wordt de uitkering verhoogd tot het minimumloon. De verhoging bedraagt niet meer dan het verschil tussen de uitkering en het bedrag waarvan deze is afgeleid en tevens niet meer dan 30% van het minimumloon.
##### Artikel 53c
1. De voortzetting van de uitkering, bedoeld in [artikel 53a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=53a&z=2022-10-01&g=2022-10-01), geschiedt op aanvraag van de belanghebbende en voor termijnen van niet langer dan drie jaar, onverminderd het in deze wet bepaalde over herziening of intrekking van de uitkering.
1. De voortzetting van de uitkering, bedoeld in [artikel 53a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=53a&z=2022-10-12&g=2022-10-12), geschiedt op aanvraag van de belanghebbende en voor termijnen van niet langer dan drie jaar, onverminderd het in deze wet bepaalde over herziening of intrekking van de uitkering.
2. Onze Minister stelt de belanghebbende uiterlijk vier maanden voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn schriftelijk in kennis van de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag tot voortzetting van de uitkering na afloop van die termijn.
@@ -880,7 +880,7 @@
##### Artikel 53d
1. Binnen een jaar na het tijdstip waarop de uitkering voor de eerste maal met toepassing van [artikel 53a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=53a&z=2022-10-01&g=2022-10-01) is voortgezet, doet Onze Minister een onderzoek instellen ten einde te doen bezien of er als gevolg van gronden die invloed hebben op de mate van algemene invaliditeit redenen aanwezig zijn voor herziening of intrekking van de uitkering.
1. Binnen een jaar na het tijdstip waarop de uitkering voor de eerste maal met toepassing van [artikel 53a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=53a&z=2022-10-12&g=2022-10-12) is voortgezet, doet Onze Minister een onderzoek instellen ten einde te doen bezien of er als gevolg van gronden die invloed hebben op de mate van algemene invaliditeit redenen aanwezig zijn voor herziening of intrekking van de uitkering.
2. Onze Minister kan ten aanzien van bepaalde groepen algemeen invaliden bepalen dat geen termijn geldt dan wel een termijn zal gelden die afwijkt van de in het eerste lid genoemde termijn.
@@ -892,13 +892,13 @@
- b. indien de wijziging ambtshalve plaatsvindt, met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de beslissing tot wijziging is genomen.
5. De toepassing van [artikel 53a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=53a&z=2022-10-01&g=2022-10-01) wordt ten aanzien van een belanghebbende gestaakt indien en zolang hij niet voldoet aan een uitnodiging van Onze Minister zich te onderwerpen aan een onderzoek door een of meer door hem aangewezen geneeskundigen ter beantwoording van de vraag, of er nog sprake is van algemene invaliditeit.
6. Indien degene die recht heeft op wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering inkomsten uit of in verband met arbeid geniet, is Onze Minister bevoegd, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in [artikel 53a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=53a&z=2022-10-01&g=2022-10-01), kan worden aangemerkt, niet tot herziening of intrekking van de uitkering over te gaan. De toepassing van de eerste volzin vindt ten hoogste plaats over een aaneengesloten periode van drie jaren, aanvangende op de eerste dag waarover de inkomsten uit of in verband met arbeid als bedoeld in de eerste volzin worden genoten. Deze periode wordt geacht niet te zijn onderbroken indien korter dan een maand geen inkomsten uit of in verband worden genoten. Na afloop van de in de tweede volzin genoemde periode wordt de in de eerste volzin bedoelde arbeid aangemerkt als arbeid, bedoeld in [artikel 53a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=53a&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
5. De toepassing van [artikel 53a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=53a&z=2022-10-12&g=2022-10-12) wordt ten aanzien van een belanghebbende gestaakt indien en zolang hij niet voldoet aan een uitnodiging van Onze Minister zich te onderwerpen aan een onderzoek door een of meer door hem aangewezen geneeskundigen ter beantwoording van de vraag, of er nog sprake is van algemene invaliditeit.
6. Indien degene die recht heeft op wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering inkomsten uit of in verband met arbeid geniet, is Onze Minister bevoegd, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in [artikel 53a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=53a&z=2022-10-12&g=2022-10-12), kan worden aangemerkt, niet tot herziening of intrekking van de uitkering over te gaan. De toepassing van de eerste volzin vindt ten hoogste plaats over een aaneengesloten periode van drie jaren, aanvangende op de eerste dag waarover de inkomsten uit of in verband met arbeid als bedoeld in de eerste volzin worden genoten. Deze periode wordt geacht niet te zijn onderbroken indien korter dan een maand geen inkomsten uit of in verband worden genoten. Na afloop van de in de tweede volzin genoemde periode wordt de in de eerste volzin bedoelde arbeid aangemerkt als arbeid, bedoeld in [artikel 53a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=53a&z=2022-10-12&g=2022-10-12).
##### Artikel 53e
1. Op verzoek van een kamerlid doet Onze Minister een onderzoek instellen door een of meer door hem aangewezen geneeskundigen, ter beantwoording van de vraag of het kamerlid dat het verzoek deed algemene invalide is als bedoeld in [artikel 53**a**, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=53a&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
1. Op verzoek van een kamerlid doet Onze Minister een onderzoek instellen door een of meer door hem aangewezen geneeskundigen, ter beantwoording van de vraag of het kamerlid dat het verzoek deed algemene invalide is als bedoeld in [artikel 53**a**, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=53a&z=2022-10-12&g=2022-10-12).
2. Onze Minister brengt de uitkomst van een onderzoek dat is ingesteld ingevolge het eerste lid ter kennis van de verzoeker.
@@ -916,21 +916,21 @@
Onder inkomsten bedoeld in de vorige volzin, wordt mede verstaan een arbeidsongeschiktheidsuitkering of een inkomensvoorziening krachtens de [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656) of de [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657).
3. De in het eerste lid bedoelde verrekening geschiedt aldus dat de uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmede de uitkering, vermeerderd met die inkomsten, het bedrag, waarvan de uitkering is afgeleid, overschrijdt. Bij de verrekening wordt voor de hoogte van de uitkering de op grond van [artikel 52c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=52c&z=2022-10-01&g=2022-10-01), opgelegde inhouding buiten beschouwing gelaten. Wanneer naast recht op een uitkering krachtens deze afdeling recht bestaat op een wachtgeld of uitkering krachtens een andere regeling, niet zijnde een uitkering krachtens de [Wet schadeloosstelling, uitkering en pensioen leden Europees Parlement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003251), vindt het vorenstaande ten aanzien van bedoeld wachtgeld of uitkering geen toepassing, indien de uitkering krachtens deze afdeling elders voor verrekening met wachtgeld of uitkering in aanmerking komt.
3. De in het eerste lid bedoelde verrekening geschiedt aldus dat de uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmede de uitkering, vermeerderd met die inkomsten, het bedrag, waarvan de uitkering is afgeleid, overschrijdt. Bij de verrekening wordt voor de hoogte van de uitkering de op grond van [artikel 52c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=52c&z=2022-10-12&g=2022-10-12), opgelegde inhouding buiten beschouwing gelaten. Wanneer naast recht op een uitkering krachtens deze afdeling recht bestaat op een wachtgeld of uitkering krachtens een andere regeling, niet zijnde een uitkering krachtens de [Wet schadeloosstelling, uitkering en pensioen leden Europees Parlement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003251), vindt het vorenstaande ten aanzien van bedoeld wachtgeld of uitkering geen toepassing, indien de uitkering krachtens deze afdeling elders voor verrekening met wachtgeld of uitkering in aanmerking komt.
4. Indien in het bedrag der inkomsten bedoeld in de vorige leden, is of geacht kan worden te zijn begrepen een vergoeding ter zake van de premie [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) en [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795), blijft deze vergoeding voor de toepassing van dit artikel buiten beschouwing. De vorige volzin is slechts van toepassing voor zover de daar bedoelde inkomsten betrekking hebben op een tijdvak gelegen voor 1 juni 1985.
5. Kinderbijslag wordt niet aangemerkt als inkomst.
6. Voor de toepassing van dit artikel ten aanzien van de voortgezette uitkering bedoeld in [artikel 52, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=52&z=2022-10-01&g=2022-10-01), en [artikel 53a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=53a&z=2022-10-01&g=2022-10-01), kan Onze Minister andere inkomsten aanmerken als te zijn genoten wegens activiteiten bedoeld in het tweede lid.
6. Voor de toepassing van dit artikel ten aanzien van de voortgezette uitkering bedoeld in [artikel 52, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=52&z=2022-10-12&g=2022-10-12), en [artikel 53a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=53a&z=2022-10-12&g=2022-10-12), kan Onze Minister andere inkomsten aanmerken als te zijn genoten wegens activiteiten bedoeld in het tweede lid.
##### Artikel 54a
1. De belanghebbende is verplicht van het ter hand nemen van enige activiteiten als bedoeld in [artikel 54, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=54&z=2022-10-01&g=2022-10-01), terstond mededeling te doen aan Onze Minister, onder opgave, voor zover mogelijk, van de inkomsten, die hij uit die activiteiten zal trekken. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven, dan doet hij tijdig vóór het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van de inkomsten, die hij sinds het ter hand nemen van de activiteiten of sinds de vorige opgave heeft genoten. Onze Minister geeft nadere voorschriften aangaande het doen van mededelingen door de belanghebbende met betrekking tot de activiteiten, bedoeld in [artikel 54, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=54&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
1. De belanghebbende is verplicht van het ter hand nemen van enige activiteiten als bedoeld in [artikel 54, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=54&z=2022-10-12&g=2022-10-12), terstond mededeling te doen aan Onze Minister, onder opgave, voor zover mogelijk, van de inkomsten, die hij uit die activiteiten zal trekken. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven, dan doet hij tijdig vóór het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van de inkomsten, die hij sinds het ter hand nemen van de activiteiten of sinds de vorige opgave heeft genoten. Onze Minister geeft nadere voorschriften aangaande het doen van mededelingen door de belanghebbende met betrekking tot de activiteiten, bedoeld in [artikel 54, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=54&z=2022-10-12&g=2022-10-12).
2. Brengt de aard van de activiteiten of van de inkomsten mede, dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt op de uitkering een vermindering toegepast van een voorlopig vastgesteld bedrag onder voorbehoud van verrekening aan het einde van de evenbedoelde termijn.
Ten aanzien van deze verrekening is [artikel 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=54&z=2022-10-01&g=2022-10-01) van toepassing, met dien verstande, dat zij geschiedt over de in de vorige volzin bedoelde langere termijn in plaats van over iedere maand afzonderlijk.
Ten aanzien van deze verrekening is [artikel 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=54&z=2022-10-12&g=2022-10-12) van toepassing, met dien verstande, dat zij geschiedt over de in de vorige volzin bedoelde langere termijn in plaats van over iedere maand afzonderlijk.
3. Onze Minister kan bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering van de opgave van de belanghebbende afwijken.
@@ -940,7 +940,7 @@
1. De uitkering, berekend over een maand, wordt in maandelijkse termijnen betaald.
2. De uitkering wordt niet uitbetaald zolang de belanghebbende niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van [artikel 54a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=54a&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
2. De uitkering wordt niet uitbetaald zolang de belanghebbende niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van [artikel 54a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=54a&z=2022-10-12&g=2022-10-12).
##### Artikel 56. Einde en verval van de uitkering
@@ -952,7 +952,7 @@
- b. met ingang van de dag waarop het gewezen kamerlid wederom als kamerlid optreedt dan wel lid wordt van het Europees Parlement.
3. De uitkering kan geheel of ten dele vervallen worden verklaard indien de belanghebbende herhaaldelijk niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van [artikel 54a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=54a&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
3. De uitkering kan geheel of ten dele vervallen worden verklaard indien de belanghebbende herhaaldelijk niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van [artikel 54a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=54a&z=2022-10-12&g=2022-10-12).
##### Artikel 57. Uitkering bij overlijden
@@ -966,11 +966,11 @@
##### Artikel 58. Het recht op ouderdomspensioen
Een persoon die kamerlid is of kamerlid is geweest, heeft met overeenkomstige toepassing van [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&z=2022-10-01&g=2022-10-01) en de [artikelen 39c tot en met 40c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=8&artikel=40&z=2022-10-01&g=2022-10-01) recht op ouderdomspensioen, met dien verstande dat:
Een persoon die kamerlid is of kamerlid is geweest, heeft met overeenkomstige toepassing van [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&z=2022-10-12&g=2022-10-12) en de [artikelen 39c tot en met 40c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=8&artikel=40&z=2022-10-12&g=2022-10-12) recht op ouderdomspensioen, met dien verstande dat:
- 1. voor «dienstjaar» gelezen wordt «kamerlidjaar»; en
- 2. voor «[hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&z=2022-10-01&g=2022-10-01)»gelezen wordt «[hoofdstuk 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&z=2022-10-01&g=2022-10-01)».
- 2. voor «[hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&z=2022-10-12&g=2022-10-12)»gelezen wordt «[hoofdstuk 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&z=2022-10-12&g=2022-10-12)».
##### Artikel 58a. Bedrag van het eigen pensioen per jaar als kamerlid
@@ -1002,11 +1002,11 @@
##### Artikel 60. Recht op partnerpensioen en bijzonder partnerpensioen
De partner en de gewezen partner van een kamerlid, gewezen kamerlid of gepensioneerd kamerlid heeft met overeenkomstige toepassing van de [artikelen 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=15&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=17&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=21&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [22 tot en met 23a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=22&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=28&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=6&artikel=31&z=2022-10-01&g=2022-10-01) en [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=7&artikel=34&z=2022-10-01&g=2022-10-01), alsmede de [artikelen 40d tot en met 40f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=8&artikel=40d&z=2022-10-01&g=2022-10-01) en de nadere regels op grond van [artikel 45a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=8&artikel=45a&z=2022-10-01&g=2022-10-01) recht op partnerpensioen of bijzonder partnerpensioen, met dien verstande dat in [artikel 40c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=8&artikel=40c&z=2022-10-01&g=2022-10-01) voor «diensttijd» gelezen wordt «kamerlidtijd».
De partner en de gewezen partner van een kamerlid, gewezen kamerlid of gepensioneerd kamerlid heeft met overeenkomstige toepassing van de [artikelen 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=15&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=17&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=21&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [22 tot en met 23a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=22&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=28&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=6&artikel=31&z=2022-10-12&g=2022-10-12) en [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=7&artikel=34&z=2022-10-12&g=2022-10-12), alsmede de [artikelen 40d tot en met 40f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=8&artikel=40d&z=2022-10-12&g=2022-10-12) en de nadere regels op grond van [artikel 45a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=8&artikel=45a&z=2022-10-12&g=2022-10-12) recht op partnerpensioen of bijzonder partnerpensioen, met dien verstande dat in [artikel 40c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=8&artikel=40c&z=2022-10-12&g=2022-10-12) voor «diensttijd» gelezen wordt «kamerlidtijd».
##### Artikel 61. Recht op wezenpensioen
Na het overlijden van een kamerlid, gewezen kamerlid of gepensioneerd kamerlid hebben zijn wezen met overeenkomstige toepassing van de [artikelen 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=18&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=21&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=25&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=27&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=28&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [28a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=28a&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=6&artikel=31&z=2022-10-01&g=2022-10-01) en [34a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=7&artikel=34a&z=2022-10-01&g=2022-10-01) alsmede de [artikelen 40g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=8&artikel=40g&z=2022-10-01&g=2022-10-01) en [40h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=8&artikel=40h&z=2022-10-01&g=2022-10-01) en de nadere regels op grond van [45a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=8&artikel=45a&z=2022-10-01&g=2022-10-01) recht op een wezenpensioen.
Na het overlijden van een kamerlid, gewezen kamerlid of gepensioneerd kamerlid hebben zijn wezen met overeenkomstige toepassing van de [artikelen 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=18&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=21&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=25&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=27&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=28&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [28a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=28a&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=6&artikel=31&z=2022-10-12&g=2022-10-12) en [34a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=7&artikel=34a&z=2022-10-12&g=2022-10-12) alsmede de [artikelen 40g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=8&artikel=40g&z=2022-10-12&g=2022-10-12) en [40h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=8&artikel=40h&z=2022-10-12&g=2022-10-12) en de nadere regels op grond van [45a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=8&artikel=45a&z=2022-10-12&g=2022-10-12) recht op een wezenpensioen.
##### Artikel 62. Bijzonder nabestaandenpensioen
@@ -1218,7 +1218,7 @@
4. Ten aanzien van hem die op het tijdstip met ingang waarvan voor hem recht op algemeen pensioen ontstaat, reeds recht op pensioen heeft, vindt het vorige lid toepassing met ingang van de eerste dag van de maand waarin het recht op algemeen pensioen is ontstaan, of zo veel later als het pensioen is ingegaan.
5. Op een nabestaandenpensioen, niet zijnde een pensioen als bedoeld in [artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=17&z=2022-10-01&g=2022-10-01) of [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=12&artikel=62&z=2022-10-01&g=2022-10-01), dat is afgeleid van een pensioen waarop, in verband met het recht op een algemeen pensioen voor gehuwden, het eerste lid van toepassing was, vindt dat lid niet eerder toepassing dan met ingang van de eerste dag van de maand, volgend op die waarin dat pensioen krachtens het bepaalde in [artikel 115, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=3&artikel=115&z=2022-10-01&g=2022-10-01), is geëindigd.
5. Op een nabestaandenpensioen, niet zijnde een pensioen als bedoeld in [artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=17&z=2022-10-12&g=2022-10-12) of [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=12&artikel=62&z=2022-10-12&g=2022-10-12), dat is afgeleid van een pensioen waarop, in verband met het recht op een algemeen pensioen voor gehuwden, het eerste lid van toepassing was, vindt dat lid niet eerder toepassing dan met ingang van de eerste dag van de maand, volgend op die waarin dat pensioen krachtens het bepaalde in [artikel 115, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=3&artikel=115&z=2022-10-12&g=2022-10-12), is geëindigd.
6. Het inbouwbedrag overschrijdt niet het bedrag van het algemeen pensioen, dat geacht kan worden betrekking te hebben op het tijdvak, liggende tussen de aanvang en het einde van de diensttijd waarnaar het pensioen is of geacht wordt te zijn berekend.
@@ -1230,11 +1230,11 @@
##### Artikel 99. Algemeen pensioen en diensttijd
Voor de toepassing van [artikel 97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=17&artikel=97&z=2022-10-01&g=2022-10-01) geldt het volgende:
Voor de toepassing van [artikel 97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=17&artikel=97&z=2022-10-12&g=2022-10-12) geldt het volgende:
- a. Het algemeen pensioen wordt geacht betrekking te hebben op het tijdvak liggende tussen de tijdstippen waarop belanghebbende de aanvangsleeftijd en de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in [artikel 1 van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=1) heeft bereikt met dien verstande dat, indien een belanghebbende recht heeft op nabestaanden- of wezenpensioen, het vorenstaande overeenkomstige toepassing vindt in verband met degene aan wiens overlijden het recht op pensioen wordt ontleend.
- b. Het recht op een algemeen pensioen, dat bestond op de dag waarop de rechthebbende is overleden of sedert welke hij is vermist, wordt geacht voort te duren tot het tijdstip waarop diens pensioen krachtens het bepaalde in [artikel 115, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=3&artikel=115&z=2022-10-01&g=2022-10-01), is geëindigd.
- b. Het recht op een algemeen pensioen, dat bestond op de dag waarop de rechthebbende is overleden of sedert welke hij is vermist, wordt geacht voort te duren tot het tijdstip waarop diens pensioen krachtens het bepaalde in [artikel 115, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=3&artikel=115&z=2022-10-12&g=2022-10-12), is geëindigd.
- c. Indien een nabestaande recht heeft op nabestaandenuitkering op grond van [artikel 14, eerste lid, onder a, van de Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=14), maar geen van de kinderen aan welke de nabestaande het recht op die nabestaandenuitkering ontleent recht heeft op pensioen, wordt uitsluitend uitgegaan van het bedrag van de nabestaandenuitkering, bedoeld in [artikel 17, eerste lid, van de Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=17).
@@ -1242,7 +1242,7 @@
- e. Als diensttijd wordt uitsluitend in aanmerking genomen de diensttijd, gelegen tussen de tijdstippen, waarop de aanvangsleeftijd en de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in [artikel 1 van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=1) is bereikt.
- f. De diensttijd, waarnaar een pensioen is berekend op grond van artikel 68, tweede lid, van de Pensioenwet 1922, **Stb.** 240, zoals dit artikel luidde op 31 augustus 1956, van hem die na het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet de wens te kennen geeft als bedoeld in [artikel 38, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=8&artikel=38&z=2022-10-01&g=2022-10-01), wordt tot een maximum van 2,4 jaar vermenigvuldigd met 4,76.
- f. De diensttijd, waarnaar een pensioen is berekend op grond van artikel 68, tweede lid, van de Pensioenwet 1922, **Stb.** 240, zoals dit artikel luidde op 31 augustus 1956, van hem die na het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet de wens te kennen geeft als bedoeld in [artikel 38, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=8&artikel=38&z=2022-10-12&g=2022-10-12), wordt tot een maximum van 2,4 jaar vermenigvuldigd met 4,76.
- g. Een pensioen dat niet is berekend naar diensttijd wordt geacht te zijn berekend naar een diensttijd van 40 jaren.
@@ -1254,7 +1254,7 @@
##### Artikel 100. Gehuwde vrouw met recht op pensioen
Indien de belanghebbende een gehuwde vrouw is, wordt voor de toepassing van [artikel 97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=17&artikel=97&z=2022-10-01&g=2022-10-01) uitgegaan van het algemeen pensioen voor een ongehuwde pensioengerechtigde.
Indien de belanghebbende een gehuwde vrouw is, wordt voor de toepassing van [artikel 97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=17&artikel=97&z=2022-10-12&g=2022-10-12) uitgegaan van het algemeen pensioen voor een ongehuwde pensioengerechtigde.
##### Artikel 101. Vermindering inbouwbedragen bij samenvallende diensttijd
@@ -1270,11 +1270,11 @@
5. Onder een pensioen krachtens een andere regeling als bedoeld in het vorige lid wordt verstaan een pensioen ten laste van de Nederlandse schatkist - anders dan ingevolge wettelijke garanties of ingevolge overneming van de verplichting tot betaling -, ten laste van Aruba, van Curaçao, van Sint Maarten, van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, van een publiekrechtelijk lichaam in Nederland of in evengenoemde landen, dan wel ten laste van een door het openbaar gezag in Nederland, in die landen of in die openbare lichamen ingesteld fonds.
6. Op verzoek van de belanghebbende wordt dit artikel overeenkomstig toegepast, indien aan diens echtgenoot een of meer pensioenen zijn of geacht worden te zijn toegekend, hetzij krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere regeling als bedoeld in het vijfde lid. [Artikel 102, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=17&artikel=102&z=2022-10-01&g=2022-10-01), is daarbij van overeenkomstige toepassing.
6. Op verzoek van de belanghebbende wordt dit artikel overeenkomstig toegepast, indien aan diens echtgenoot een of meer pensioenen zijn of geacht worden te zijn toegekend, hetzij krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere regeling als bedoeld in het vijfde lid. [Artikel 102, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=17&artikel=102&z=2022-10-12&g=2022-10-12), is daarbij van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 102. Vermindering inbouwbedragen bij korting op particulier pensioen
1. Op verzoek van degene die aantoont, dat uit hoofde van zijn recht op algemeen pensioen een vermindering plaatsvindt van enig ander pensioen dan bedoeld in [artikel 101, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=17&artikel=101&z=2022-10-01&g=2022-10-01), wordt het bedrag van die vermindering voor zoveel mogelijk in mindering gebracht op het inbouwbedrag. De vorige volzin is slechts van toepassing voor zover bedoelde vermindering betrekking heeft op tijd die gelijktijdig in de desbetreffende betrekkingen is of geacht kan worden te zijn vervuld. Aan diensttijd die niet daadwerkelijk in dienstverhouding of als politiek ambtsdrager is doorgebracht wordt een plaats toegekend overeenkomstig het bepaalde bij [artikel 99, onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=17&artikel=99&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
1. Op verzoek van degene die aantoont, dat uit hoofde van zijn recht op algemeen pensioen een vermindering plaatsvindt van enig ander pensioen dan bedoeld in [artikel 101, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=17&artikel=101&z=2022-10-12&g=2022-10-12), wordt het bedrag van die vermindering voor zoveel mogelijk in mindering gebracht op het inbouwbedrag. De vorige volzin is slechts van toepassing voor zover bedoelde vermindering betrekking heeft op tijd die gelijktijdig in de desbetreffende betrekkingen is of geacht kan worden te zijn vervuld. Aan diensttijd die niet daadwerkelijk in dienstverhouding of als politiek ambtsdrager is doorgebracht wordt een plaats toegekend overeenkomstig het bepaalde bij [artikel 99, onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=17&artikel=99&z=2022-10-12&g=2022-10-12).
2. De vermindering van het inbouwbedrag bedoeld in het vorige lid gaat in met de dag waarop de in dat lid bedoelde omstandigheid is opgetreden, met dien verstande dat deze niet vroeger ingaat dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin het desbetreffende verzoek werd ingediend.
@@ -1282,7 +1282,7 @@
4. Indien de som van het inbouwbedrag en de vermindering van het andere pensioen, ook na toepassing van de overige bepalingen van dit artikel, een bedrag gelijk aan 80 percent van het algemeen pensioen overschrijdt, wordt van deze overschrijding een deel in mindering gebracht op het inbouwbedrag, en wel in de verhouding waarin de diensttijd waarnaar het pensioen, waarop vorenbedoeld inbouwbedrag betrekking heeft, is of wordt geacht te zijn berekend, staat tot het totaal van de diensttijden.
5. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing, indien een vermindering plaats vindt van enig ander pensioen dan bedoeld in [artikel 101, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=17&artikel=101&z=2022-10-01&g=2022-10-01), toegekend aan de echtgenoot van belanghebbende.
5. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing, indien een vermindering plaats vindt van enig ander pensioen dan bedoeld in [artikel 101, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=17&artikel=101&z=2022-10-12&g=2022-10-12), toegekend aan de echtgenoot van belanghebbende.
##### Artikel 103. Verrekening
@@ -1298,7 +1298,7 @@
##### Artikel 105
1. Een pensioen op grond van de [tweede](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&z=2022-10-01&g=2022-10-01) of de [derde afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&z=2022-10-01&g=2022-10-01) van deze wet, daaronder niet begrepen de inbouw- en franchisebedragen, wordt telkens aangepast overeenkomstig een verhoging met de consumentenprijsindex van een pensioen van een gepensioneerde overheidswerknemer in de zin van de [Wet privatisering ABP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007791) die werkzaam is geweest bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
1. Een pensioen op grond van de [tweede](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&z=2022-10-12&g=2022-10-12) of de [derde afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&z=2022-10-12&g=2022-10-12) van deze wet, daaronder niet begrepen de inbouw- en franchisebedragen, wordt telkens aangepast overeenkomstig een verhoging met de consumentenprijsindex van een pensioen van een gepensioneerde overheidswerknemer in de zin van de [Wet privatisering ABP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007791) die werkzaam is geweest bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
2. Indien aan een gepensioneerde overheidswerknemer, als bedoeld in het eerste lid, een eenmalige uitkering wordt toegekend, wordt aan degene die recht heeft op een pensioen, als bedoeld in dat lid, overeenkomstig een eenmalige uitkering toegekend.
@@ -1306,11 +1306,11 @@
##### Artikel 106. Inhoudingen
1. Op de bezoldiging van de minister en op de schadeloosstelling van het lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, met inbegrip van de eventuele verhoging als fractievoorzitter, bedoeld in [artikel 12, eerste lid, van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004939&artikel=12), en met inbegrip van de eventuele toelage als voorzitter of ondervoorzitter, bedoeld in [artikel 11, eerste en tweede lid, van genoemde wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004939&artikel=11) worden, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels, bedragen ingehouden overeenkomstig de inhouding van bedragen op de bezoldiging van degene die behoort tot het overheidspersoneel, ter zake van aanspraken bij werkloosheid, ziekte, arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden. [Artikel 13d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13d&z=2022-10-01&g=2022-10-01) is van overeenkomstige toepassing op de inhouding op de bezoldiging en de schadeloosstelling ter zake van aanspraken op ouderdom en overlijden.
1. Op de bezoldiging van de minister en op de schadeloosstelling van het lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, met inbegrip van de eventuele verhoging als fractievoorzitter, bedoeld in [artikel 12, eerste lid, van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004939&artikel=12), en met inbegrip van de eventuele toelage als voorzitter of ondervoorzitter, bedoeld in [artikel 11, eerste en tweede lid, van genoemde wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004939&artikel=11) worden, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels, bedragen ingehouden overeenkomstig de inhouding van bedragen op de bezoldiging van degene die behoort tot het overheidspersoneel, ter zake van aanspraken bij werkloosheid, ziekte, arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden. [Artikel 13d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13d&z=2022-10-12&g=2022-10-12) is van overeenkomstige toepassing op de inhouding op de bezoldiging en de schadeloosstelling ter zake van aanspraken op ouderdom en overlijden.
2. Op de uitkering van de gewezen minister of het gewezen kamerlid worden, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regelen, bedragen ingehouden overeenkomstig de inhouding van bedragen, terzake van aanspraken als bedoeld in het eerste lid, op een werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een voor overheidspersoneel getroffen regeling.
3. Geen inhouding van bedragen ter zake van aanspraken bij ouderdom en overlijden vindt plaats voor zover tijd niet meetelt als pensioendiensttijd en op uitkeringen bedoeld in de [artikelen 8a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=8a&z=2022-10-01&g=2022-10-01) en [53a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=53a&z=2022-10-01&g=2022-10-01), alsmede op een uitkering gedurende de tijd dat de betrokkene voor 55 procent of meer algemeen invalide is.
3. Geen inhouding van bedragen ter zake van aanspraken bij ouderdom en overlijden vindt plaats voor zover tijd niet meetelt als pensioendiensttijd en op uitkeringen bedoeld in de [artikelen 8a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=8a&z=2022-10-12&g=2022-10-12) en [53a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=53a&z=2022-10-12&g=2022-10-12), alsmede op een uitkering gedurende de tijd dat de betrokkene voor 55 procent of meer algemeen invalide is.
##### Artikel 107
@@ -1328,7 +1328,7 @@
1. Op aanvraag van een minister of een kamerlid is het Rijk verplicht om de waarde van door betrokkene opgebouwde pensioenaanspraken aan te wenden ter verwerving van pensioenaanspraken op grond van de tweede respectievelijk derde afdeling van deze wet. Deze waardeoverdracht geschiedt overeenkomstig de voorwaarden die in de [Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809) aan een ontvangende pensioenuitvoerder worden gesteld met betrekking tot de waardeoverdracht van opgebouwde pensioenaanspraken.
2. De overgedragen pensioenaanspraken worden beschouwd als aanspraken krachtens de [tweede](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&z=2022-10-01&g=2022-10-01), respectievelijk [derde afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&z=2022-10-01&g=2022-10-01) van deze wet en behandeld als een geheel met de aanspraken die de minister of het kamerlid verkrijgt krachtens de [tweede](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&z=2022-10-01&g=2022-10-01) respectievelijk [derde afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&z=2022-10-01&g=2022-10-01) van deze wet.
2. De overgedragen pensioenaanspraken worden beschouwd als aanspraken krachtens de [tweede](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&z=2022-10-12&g=2022-10-12), respectievelijk [derde afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&z=2022-10-12&g=2022-10-12) van deze wet en behandeld als een geheel met de aanspraken die de minister of het kamerlid verkrijgt krachtens de [tweede](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&z=2022-10-12&g=2022-10-12) respectievelijk [derde afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&z=2022-10-12&g=2022-10-12) van deze wet.
3. De bij of krachtens [artikel 71 van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=71) gestelde regels zijn van overeenkomstige toepassing op de waardeoverdracht.
@@ -1374,7 +1374,7 @@
2. Het tijdelijk pensioen eindigt wanneer de vermiste in leven blijkt te zijn, met een door Onze Minister te bepalen dag.
3. Een pensioen waarop het recht krachtens [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=6&artikel=29&z=2022-10-01&g=2022-10-01) vervallen is verklaard, eindigt met het einde van de maand waarin de beslissing inzake het vervallen verklaren is genomen.
3. Een pensioen waarop het recht krachtens [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=6&artikel=29&z=2022-10-12&g=2022-10-12) vervallen is verklaard, eindigt met het einde van de maand waarin de beslissing inzake het vervallen verklaren is genomen.
4. Het wezenpensioen voorts eindigt op de laatste dag van de maand waarin de wees:
@@ -1388,13 +1388,13 @@
2. Indien de overleden gepensioneerde geen betrekkingen als bedoeld in het vorige lid nalaat, kan het daarbedoelde bedrag door Onze Minister geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de nalatenschap van de overledene voor de betaling van die kosten ontoereikend is.
3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder pensioen verstaan het bedrag waarop de overledene recht had, eventueel na toepassing van [hoofdstuk 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=17&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder pensioen verstaan het bedrag waarop de overledene recht had, eventueel na toepassing van [hoofdstuk 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=17&z=2022-10-12&g=2022-10-12).
##### Artikel 117. Terugvordering
1. Indien meer pensioen is betaald dan overeenstemt met [artikel 115](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=3&artikel=115&z=2022-10-01&g=2022-10-01), wordt het te veel betaalde teruggevorderd voor zover geen verrekening daarvan kan plaatsvinden met een uitkering krachtens [artikel 116](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=3&artikel=116&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
2. Indien een vermiste in leven blijkt te zijn, kan hetgeen aan tijdelijk pensioen en aan uitkering, bedoeld in [artikel 116](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=3&artikel=116&z=2022-10-01&g=2022-10-01), is betaald worden teruggevorderd.
1. Indien meer pensioen is betaald dan overeenstemt met [artikel 115](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=3&artikel=115&z=2022-10-12&g=2022-10-12), wordt het te veel betaalde teruggevorderd voor zover geen verrekening daarvan kan plaatsvinden met een uitkering krachtens [artikel 116](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=3&artikel=116&z=2022-10-12&g=2022-10-12).
2. Indien een vermiste in leven blijkt te zijn, kan hetgeen aan tijdelijk pensioen en aan uitkering, bedoeld in [artikel 116](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=3&artikel=116&z=2022-10-12&g=2022-10-12), is betaald worden teruggevorderd.
#### § 4. Betaling van de pensioenen
@@ -1422,7 +1422,7 @@
##### Artikel 121. Beroep
De besluiten ter uitvoering van deze wet, met uitzondering van de [Vijfde Afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&z=2022-10-01&g=2022-10-01), worden genomen door Onze Minister.
De besluiten ter uitvoering van deze wet, met uitzondering van de [Vijfde Afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&z=2022-10-12&g=2022-10-12), worden genomen door Onze Minister.
##### Artikel 122. Herziening, wijziging en herstel
@@ -1434,7 +1434,7 @@
2. Indien na een beslissing van Onze Minister de feiten waarmede in die beslissing rekening is gehouden zodanig zijn gewijzigd, dat deze beslissing anders zou luiden als zij nog genomen zou moeten worden, wijzigt Onze Minister de beslissing, rekening houdend met de gewijzigde feiten.
3. Onze Minister herstelt een door hem genomen beslissing omtrent toekenning - inbegrepen aanpassing overeenkomstig [artikel 105](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=1&artikel=105&z=2022-10-01&g=2022-10-01) -, herziening, wijziging of betaalbaarstelling van een pensioen, indien daarin een onjuistheid, anders dan bedoeld in de vorige leden, voorkomt.
3. Onze Minister herstelt een door hem genomen beslissing omtrent toekenning - inbegrepen aanpassing overeenkomstig [artikel 105](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=1&artikel=105&z=2022-10-12&g=2022-10-12) -, herziening, wijziging of betaalbaarstelling van een pensioen, indien daarin een onjuistheid, anders dan bedoeld in de vorige leden, voorkomt.
4. Indien vijf jaren zijn verstreken na de dagtekening van een overeenkomstig de vorige leden voor herziening, wijziging of herstel vatbare beslissing, kan Onze Minister die leden buiten toepassing laten.
@@ -1446,9 +1446,9 @@
3. Een wijzigingsbeslissing leidt slechts tot terugvordering of verrekening van reeds betaalde bedragen indien de betrokkene, hoewel enige bepaling van deze wet hem daartoe verplicht of dit redelijkerwijs van hem mocht worden verwacht, heeft nagelaten aan Onze Minister mededeling te doen van een wijziging in de feiten.
4. In afwijking van de vorige twee leden en onverminderd [artikel 117](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=3&artikel=117&z=2022-10-01&g=2022-10-01) is Onze Minister bevoegd tot terugvordering of verrekening van te veel betaalde bedragen, indien de herzieningsbeslissing, onderscheidenlijk de wijzigingsbeslissing is genomen binnen vier maanden na de dagtekening van de herziene beslissing, onderscheidenlijk binnen vier maanden nadat Onze Minister bericht heeft ontvangen van wijziging in de feiten.
5. Herstel van een beslissing, als bedoeld in [artikel 122, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=5&artikel=122&z=2022-10-01&g=2022-10-01), binnen vier maanden na de dagtekening van de herstelde beslissing, leidt tot terugvordering of verrekening van te veel betaalde pensioenbedragen. Herstel van een beslissing, als bedoeld in de vorige volzin, na de daargenoemde termijn, leidt slechts tot terugvordering of verrekening van te veel betaalde pensioenbedragen, indien de betrokkene redelijkerwijze had moeten begrijpen, dat hem te veel werd uitbetaald.
4. In afwijking van de vorige twee leden en onverminderd [artikel 117](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=3&artikel=117&z=2022-10-12&g=2022-10-12) is Onze Minister bevoegd tot terugvordering of verrekening van te veel betaalde bedragen, indien de herzieningsbeslissing, onderscheidenlijk de wijzigingsbeslissing is genomen binnen vier maanden na de dagtekening van de herziene beslissing, onderscheidenlijk binnen vier maanden nadat Onze Minister bericht heeft ontvangen van wijziging in de feiten.
5. Herstel van een beslissing, als bedoeld in [artikel 122, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=5&artikel=122&z=2022-10-12&g=2022-10-12), binnen vier maanden na de dagtekening van de herstelde beslissing, leidt tot terugvordering of verrekening van te veel betaalde pensioenbedragen. Herstel van een beslissing, als bedoeld in de vorige volzin, na de daargenoemde termijn, leidt slechts tot terugvordering of verrekening van te veel betaalde pensioenbedragen, indien de betrokkene redelijkerwijze had moeten begrijpen, dat hem te veel werd uitbetaald.
### Hoofdstuk 17. Samenloop van pensioen en algemeen pensioen over diensttijd vóór 1 januari 1986
@@ -1506,7 +1506,7 @@
3. Onder lid van gedeputeerde staten wordt voor de toepassing van deze afdeling en de daarop gebaseerde bepalingen verstaan: de commissaris van de Koning of de gedeputeerde.
4. In afwijking van het eerste, tweede en derde lid, zijn de [hoofdstukken 22 tot en met 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=22&z=2022-10-01&g=2022-10-01) niet van toepassing op de commissaris van de Koning, de burgemeester alsmede op de voorzitter en de leden van het dagelijks bestuur van het waterschap waarvan de aan hun functie verbonden werkzaamheden een dagtaak vormen. Voor de toepassing van de hoofdstukken 22 tot en met 29 wordt verstaan onder:
4. In afwijking van het eerste, tweede en derde lid, zijn de [hoofdstukken 22 tot en met 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=22&z=2022-10-12&g=2022-10-12) niet van toepassing op de commissaris van de Koning, de burgemeester alsmede op de voorzitter en de leden van het dagelijks bestuur van het waterschap waarvan de aan hun functie verbonden werkzaamheden een dagtaak vormen. Voor de toepassing van de hoofdstukken 22 tot en met 29 wordt verstaan onder:
- a. **gewezen lid van gedeputeerde staten:** hij die uit hoofde van een ontslag uitzicht op pensioen heeft;
@@ -1524,9 +1524,9 @@
1. Een lid van gedeputeerde staten heeft met ingang van de dag van zijn ontslag recht op een uitkering op de voet van de volgende artikelen, indien hij nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en hij niet zonder onderbreking weer als lid van gedeputeerde staten optreedt in een betrekking van ten minste gelijke omvang.
2. De uitkering of, na verrekening ingevolge [artikel 134](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=134&z=2022-10-01&g=2022-10-01), het restant van de uitkering wordt niet uitbetaald:
- a. voor zover en voor de periode dat de belanghebbende daarom met het oog op de toepassing van [artikel 132a, vierde lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=132a&z=2022-10-01&g=2022-10-01), verzoekt;
2. De uitkering of, na verrekening ingevolge [artikel 134](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=134&z=2022-10-12&g=2022-10-12), het restant van de uitkering wordt niet uitbetaald:
- a. voor zover en voor de periode dat de belanghebbende daarom met het oog op de toepassing van [artikel 132a, vierde lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=132a&z=2022-10-12&g=2022-10-12), verzoekt;
- b. voor de periode dat aan de belanghebbende rechtens zijn vrijheid is ontnomen;
@@ -1536,7 +1536,7 @@
- e. voor de periode dat de belanghebbende vakantie geniet buiten de bij algemene maatregel van bestuur gestelde periode.
3. Het niet uitbetalen van de uitkering op grond van het tweede lid, is niet van invloed op de met toepassing van [artikel 132, eerste of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=132&z=2022-10-01&g=2022-10-01), berekende duur waarvoor de uitkering is toegekend.
3. Het niet uitbetalen van de uitkering op grond van het tweede lid, is niet van invloed op de met toepassing van [artikel 132, eerste of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=132&z=2022-10-12&g=2022-10-12), berekende duur waarvoor de uitkering is toegekend.
#### § 3. Ingang en einde van de pensioenen
@@ -1546,11 +1546,11 @@
2. Als de belanghebbende ten tijde van zijn aftreden vijf jaren of minder verwijderd is van de voor hem van toepassing zijnde pensioengerechtigde leeftijd en hij in de daaraan voorafgaande periode van twaalf jaren ten minste tien jaren lid van gedeputeerde staten is geweest, wordt de uitkering voortgezet tot de pensioengerechtigde leeftijd.
3. Voor de berekening van de uitkeringsduur, bedoeld in het eerste lid, en de tien jaren, bedoeld in het tweede lid, wordt met tijd waarin de belanghebbende lid van gedeputeerde staten is geweest gelijkgesteld de tijd waarin hij een functie heeft bekleed als genoemd in [artikel 2, tweede lid, onder a, b en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Eerste&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2022-10-01&g=2022-10-01). Indien sprake is van gelijkgestelde tijd als bedoeld in de vorige zin wordt met betrekking tot die tijd op dezelfde wijze als in de tweede zin van het eerste lid rekening gehouden met onderbrekingen in de uitoefening van deze functies.
3. Voor de berekening van de uitkeringsduur, bedoeld in het eerste lid, en de tien jaren, bedoeld in het tweede lid, wordt met tijd waarin de belanghebbende lid van gedeputeerde staten is geweest gelijkgesteld de tijd waarin hij een functie heeft bekleed als genoemd in [artikel 2, tweede lid, onder a, b en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Eerste&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2022-10-12&g=2022-10-12). Indien sprake is van gelijkgestelde tijd als bedoeld in de vorige zin wordt met betrekking tot die tijd op dezelfde wijze als in de tweede zin van het eerste lid rekening gehouden met onderbrekingen in de uitoefening van deze functies.
4. In afwijking van het eerste lid wordt de uitkering toegekend voor de duur van zes maanden, indien de belanghebbende korter dan drie maanden lid van gedeputeerde staten is geweest.
5. In geval van tussentijds vervallen van de uitkering krachtens [artikel 136, tweede lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=136&z=2022-10-01&g=2022-10-01), wordt de volgende uitkering toegekend ten minste tot het tijdstip, waarop eerstgenoemde uitkering, indien zij niet was vervallen, zou zijn geëindigd.
5. In geval van tussentijds vervallen van de uitkering krachtens [artikel 136, tweede lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=136&z=2022-10-12&g=2022-10-12), wordt de volgende uitkering toegekend ten minste tot het tijdstip, waarop eerstgenoemde uitkering, indien zij niet was vervallen, zou zijn geëindigd.
##### Artikel 132a
@@ -1574,7 +1574,7 @@
##### Artikel 133a
1. Indien de belanghebbende op de dag waarop de duur van de uitkering eindigt geheel of gedeeltelijk algemeen invalide is, wordt, met inachtneming van [artikel 136](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=136&z=2022-10-01&g=2022-10-01), de uitkering voor de duur van de invaliditeit voortgezet op de voet van [artikel 133b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=133b&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
1. Indien de belanghebbende op de dag waarop de duur van de uitkering eindigt geheel of gedeeltelijk algemeen invalide is, wordt, met inachtneming van [artikel 136](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=136&z=2022-10-12&g=2022-10-12), de uitkering voor de duur van de invaliditeit voortgezet op de voet van [artikel 133b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=133b&z=2022-10-12&g=2022-10-12).
2. Algemeen invalide, geheel of gedeeltelijk, in de zin van deze wet is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekten of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. Onder de eerstgenoemde arbeid wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Onder deze arbeid wordt niet begrepen arbeid op grond van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in [hoofdstuk 2 van de Wet sociale werkvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008903&hoofdstuk=2).
@@ -1588,7 +1588,7 @@
1. De voortzetting van de uitkering vindt plaats als aangegeven in het tweede en derde lid en vervolgens als aangegeven in het vierde en het vijfde lid van dit artikel.
2. De uitkering bedraagt gedurende een periode als aangegeven in het derde lid 70% van de laatstelijk als lid van gedeputeerde staten genoten bezoldiging, bedoeld in [artikel 133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=133&z=2022-10-01&g=2022-10-01), bij een algemene invaliditeit van 80% of meer, 60% van die bezoldiging bij een algemene invaliditeit van 55% tot 80% en 40% van die bezoldiging bij een algemene invaliditeit van 25% tot 55%.
2. De uitkering bedraagt gedurende een periode als aangegeven in het derde lid 70% van de laatstelijk als lid van gedeputeerde staten genoten bezoldiging, bedoeld in [artikel 133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=133&z=2022-10-12&g=2022-10-12), bij een algemene invaliditeit van 80% of meer, 60% van die bezoldiging bij een algemene invaliditeit van 55% tot 80% en 40% van die bezoldiging bij een algemene invaliditeit van 25% tot 55%.
3. De in het tweede lid bedoelde periode is ten hoogste voor de belanghebbende die op het tijdstip van voortzetting van de uitkering:
@@ -1606,7 +1606,7 @@
jonger is dan 33 jaar: nihil.
4. De uitkering bedraagt na afloop van de volgens het derde lid bepaalde periode een percentage, volgens het tweede lid, van een bedrag gelijk aan het minimumloon verhoogd met een percentage van het verschil tussen de laatstelijk als lid van gedeputeerde staten genoten bezoldiging, bedoeld in [artikel 133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=133&z=2022-10-01&g=2022-10-01), en het minimumloon.
4. De uitkering bedraagt na afloop van de volgens het derde lid bepaalde periode een percentage, volgens het tweede lid, van een bedrag gelijk aan het minimumloon verhoogd met een percentage van het verschil tussen de laatstelijk als lid van gedeputeerde staten genoten bezoldiging, bedoeld in [artikel 133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=133&z=2022-10-12&g=2022-10-12), en het minimumloon.
5. Voor de berekening van het in het vierde lid bedoelde bedrag geldt een percentage van 2 maal het aantal verstreken jaren tussen het 15e jaar en de leeftijd van de betrokkene op het tijdstip van voortzetting van de uitkering.
@@ -1616,17 +1616,17 @@
8. De aanvulling is gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het zevende lid bedoelde percentage van de laatstelijk als lid van gedeputeerde staten genoten bezoldiging.
9. In afwijking van het achtste lid is de aanvulling gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het tiende lid aangegeven percentage van de laatstelijk als lid van gedeputeerde staten genoten bezoldiging, indien de belanghebbende de keuze heeft gemaakt voor een verlaging van de inhouding ingevolge [artikel 160, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=28&artikel=160&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
9. In afwijking van het achtste lid is de aanvulling gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het tiende lid aangegeven percentage van de laatstelijk als lid van gedeputeerde staten genoten bezoldiging, indien de belanghebbende de keuze heeft gemaakt voor een verlaging van de inhouding ingevolge [artikel 160, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=28&artikel=160&z=2022-10-12&g=2022-10-12).
10. Het in het negende lid bedoelde percentage bedraagt bij een algemene invaliditeit van 80% of meer 65%, bij een algemene invaliditeit van 55% tot 80%: 56% en bij een algemene invaliditeit van 25% tot 55%: 37%.
11. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in [artikel 160, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=28&artikel=160&z=2022-10-01&g=2022-10-01), worden regels gesteld met betrekking tot de verlaging, bedoeld in het negende lid. Regels op grond van [artikel 8b, elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=8b&z=2022-10-01&g=2022-10-01), zijn van overeenkomstige toepassing op de in het negende lid bedoelde keuze.
12. Indien de wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering te zamen met inkomsten, bedoeld in [artikel 134](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=134&z=2022-10-01&g=2022-10-01), minder bedraagt dan het minimumloon wordt de uitkering verhoogd tot het minimumloon. De verhoging bedraagt niet meer dan het verschil tussen de uitkering en het bedrag waarvan deze is afgeleid en tevens niet meer dan 30% van het minimumloon.
11. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in [artikel 160, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=28&artikel=160&z=2022-10-12&g=2022-10-12), worden regels gesteld met betrekking tot de verlaging, bedoeld in het negende lid. Regels op grond van [artikel 8b, elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=8b&z=2022-10-12&g=2022-10-12), zijn van overeenkomstige toepassing op de in het negende lid bedoelde keuze.
12. Indien de wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering te zamen met inkomsten, bedoeld in [artikel 134](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=134&z=2022-10-12&g=2022-10-12), minder bedraagt dan het minimumloon wordt de uitkering verhoogd tot het minimumloon. De verhoging bedraagt niet meer dan het verschil tussen de uitkering en het bedrag waarvan deze is afgeleid en tevens niet meer dan 30% van het minimumloon.
##### Artikel 133c
1. De voortzetting van de uitkering, bedoeld in [artikel 133a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=133a&z=2022-10-01&g=2022-10-01), geschiedt op aanvraag van de belanghebbende en voor termijnen van niet langer dan drie jaar, onverminderd het in deze wet bepaalde over herziening of intrekking van de uitkering.
1. De voortzetting van de uitkering, bedoeld in [artikel 133a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=133a&z=2022-10-12&g=2022-10-12), geschiedt op aanvraag van de belanghebbende en voor termijnen van niet langer dan drie jaar, onverminderd het in deze wet bepaalde over herziening of intrekking van de uitkering.
2. Gedeputeerde staten stellen de belanghebbende uiterlijk vier maanden voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn schriftelijk in kennis van de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag tot voortzetting van de uitkering na afloop van die termijn.
@@ -1638,13 +1638,13 @@
6. Indien de uitkering na afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn wordt voortgezet, wordt de uitkering berekend op de wijze die van toepassing zou zijn geweest indien die termijn niet zou zijn afgelopen.
7. Bepalingen op grond van [artikel 8c, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=8c&z=2022-10-01&g=2022-10-01), zijn van overeenkomstige toepassing op in het eerste lid bedoelde belanghebbenden.
7. Bepalingen op grond van [artikel 8c, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=8c&z=2022-10-12&g=2022-10-12), zijn van overeenkomstige toepassing op in het eerste lid bedoelde belanghebbenden.
##### Artikel 133d
1. Binnen een jaar na het tijdstip waarop de uitkering voor de eerste maal met toepassing van [artikel 133a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=133a&z=2022-10-01&g=2022-10-01) is voortgezet, doen gedeputeerde staten een onderzoek instellen ten einde te doen bezien of er als gevolg van gronden die invloed hebben op de mate van algemene invaliditeit redenen aanwezig zijn voor herziening of intrekking van de uitkering.
2. Bepalingen op grond van [artikel 8d, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=8d&z=2022-10-01&g=2022-10-01), zijn van overeenkomstige toepassing op het in het eerste lid bedoelde onderzoek.
1. Binnen een jaar na het tijdstip waarop de uitkering voor de eerste maal met toepassing van [artikel 133a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=133a&z=2022-10-12&g=2022-10-12) is voortgezet, doen gedeputeerde staten een onderzoek instellen ten einde te doen bezien of er als gevolg van gronden die invloed hebben op de mate van algemene invaliditeit redenen aanwezig zijn voor herziening of intrekking van de uitkering.
2. Bepalingen op grond van [artikel 8d, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=8d&z=2022-10-12&g=2022-10-12), zijn van overeenkomstige toepassing op het in het eerste lid bedoelde onderzoek.
3. Gedeputeerde staten wijzigen ambtshalve of op aanvraag van de belanghebbende het bedrag van de uitkering bij wijziging van de mate van algemene invaliditeit.
@@ -1654,13 +1654,13 @@
- b. indien de wijziging ambtshalve plaatsvindt, met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de beslissing tot wijziging is genomen.
5. De toepassing van [artikel 133a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=133a&z=2022-10-01&g=2022-10-01) wordt ten aanzien van een belanghebbende gestaakt indien en zolang hij niet voldoet aan een uitnodiging van gedeputeerde staten zich te onderwerpen aan een onderzoek door een of meer door hen aangewezen geneeskundigen ter beantwoording van de vraag, of er nog sprake is van algemene invaliditeit.
6. Indien degene die recht heeft op wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering inkomsten uit of in verband met arbeid geniet, zijn gedeputeerde staten bevoegd, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in [artikel 133a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=133a&z=2022-10-01&g=2022-10-01), kan worden aangemerkt, niet tot herziening of intrekking van de uitkering over te gaan. De toepassing van de eerste volzin vindt ten hoogste plaats over een aaneengesloten periode van drie jaren, aanvangende op de eerste dag waarover de inkomsten uit of in verband met arbeid bedoeld in de eerste volzin worden genoten. Deze periode wordt geacht niet te zijn onderbroken indien korter dan een maand geen inkomsten uit of in verband worden genoten. Na afloop van de in de tweede volzin genoemde periode wordt de in de eerste volzin bedoelde arbeid aangemerkt als arbeid, bedoeld in [artikel 133a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=133a&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
5. De toepassing van [artikel 133a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=133a&z=2022-10-12&g=2022-10-12) wordt ten aanzien van een belanghebbende gestaakt indien en zolang hij niet voldoet aan een uitnodiging van gedeputeerde staten zich te onderwerpen aan een onderzoek door een of meer door hen aangewezen geneeskundigen ter beantwoording van de vraag, of er nog sprake is van algemene invaliditeit.
6. Indien degene die recht heeft op wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering inkomsten uit of in verband met arbeid geniet, zijn gedeputeerde staten bevoegd, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in [artikel 133a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=133a&z=2022-10-12&g=2022-10-12), kan worden aangemerkt, niet tot herziening of intrekking van de uitkering over te gaan. De toepassing van de eerste volzin vindt ten hoogste plaats over een aaneengesloten periode van drie jaren, aanvangende op de eerste dag waarover de inkomsten uit of in verband met arbeid bedoeld in de eerste volzin worden genoten. Deze periode wordt geacht niet te zijn onderbroken indien korter dan een maand geen inkomsten uit of in verband worden genoten. Na afloop van de in de tweede volzin genoemde periode wordt de in de eerste volzin bedoelde arbeid aangemerkt als arbeid, bedoeld in [artikel 133a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=133a&z=2022-10-12&g=2022-10-12).
##### Artikel 133e
1. Op verzoek van een lid van gedeputeerde staten doen provinciale staten een onderzoek instellen, door een of meer door hen aangewezen geneeskundigen, ter beantwoording van de vraag of het lid van gedeputeerde staten dat het verzoek deed algemeen invalide is als bedoeld in [artikel 133**a**, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=133a&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
1. Op verzoek van een lid van gedeputeerde staten doen provinciale staten een onderzoek instellen, door een of meer door hen aangewezen geneeskundigen, ter beantwoording van de vraag of het lid van gedeputeerde staten dat het verzoek deed algemeen invalide is als bedoeld in [artikel 133**a**, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=133a&z=2022-10-12&g=2022-10-12).
2. Provinciale staten brengen de uitkomst van een onderzoek als bedoeld in het eerste lid ter kennis van de verzoeker.
@@ -1690,17 +1690,17 @@
4. Indien de belanghebbende op of na de dag bedoeld in het tweede lid inkomsten of hogere inkomsten, anders dan ten gevolge van algemene loonsverhogingen, verkrijgt uit in het tweede lid bedoelde activiteiten ter hand genomen voor de dag van aftreden, anders dan bedoeld in het derde lid, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van toepassing.
5. De in het eerste lid bedoelde verrekening geschiedt aldus dat de uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmede de uitkering, vermeerderd met die inkomsten, de laatstelijk genoten bezoldiging, waarvan de uitkering is afgeleid, overschrijdt. Bij de verrekening wordt voor de hoogte van de uitkering de op grond van [artikel 132c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=132c&z=2022-10-01&g=2022-10-01), opgelegde inhouding buiten beschouwing gelaten.
5. De in het eerste lid bedoelde verrekening geschiedt aldus dat de uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmede de uitkering, vermeerderd met die inkomsten, de laatstelijk genoten bezoldiging, waarvan de uitkering is afgeleid, overschrijdt. Bij de verrekening wordt voor de hoogte van de uitkering de op grond van [artikel 132c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=132c&z=2022-10-12&g=2022-10-12), opgelegde inhouding buiten beschouwing gelaten.
6. Onder inkomsten bedoeld in de voorgaande leden wordt niet verstaan kinderbijslag alsmede de compensatie voor de premie ingevolge de [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) en de [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795), welke in die inkomsten is of geacht kan worden te zijn begrepen. De vorige volzin is wat betreft de premiecompensatie slechts van toepassing voor zover de daar bedoelde inkomsten betrekking hebben of kunnen worden geacht betrekking te hebben op een tijdvak gelegen voor 1 juni 1985.
7. Een ministeriële regeling op grond van [artikel 9, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=9&z=2022-10-01&g=2022-10-01), geldt mede voor de toepassing van dit artikel, ten aanzien van de voortgezette uitkering bedoeld in [artikel 132, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=132&z=2022-10-01&g=2022-10-01), en in [artikel 133a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=133a&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
7. Een ministeriële regeling op grond van [artikel 9, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=9&z=2022-10-12&g=2022-10-12), geldt mede voor de toepassing van dit artikel, ten aanzien van de voortgezette uitkering bedoeld in [artikel 132, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=132&z=2022-10-12&g=2022-10-12), en in [artikel 133a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=133a&z=2022-10-12&g=2022-10-12).
##### Artikel 134a
1. De belanghebbende is verplicht van het ter hand nemen van enige activiteiten als bedoeld in [artikel 134, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=134&z=2022-10-01&g=2022-10-01), terstond mededeling te doen aan gedeputeerde staten onder opgave, voor zover mogelijk, van de inkomsten die hij uit die activiteiten zal trekken. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven dan doet hij tijdig vóór het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van de inkomsten, die hij sinds het ter hand nemen van de activiteiten of sinds de vorige opgave heeft genoten. Voorschriften, bedoeld in [artikel 9a, eerste lid, derde volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=9a&z=2022-10-01&g=2022-10-01), zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Brengt de aard van de activiteiten of van de inkomsten mede, dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt op de uitkering een vermindering toegepast van een voorlopig vastgesteld bedrag onder voorbehoud van verrekening aan het eind van de evenbedoelde termijn. Ten aanzien van deze verrekening is [artikel 134](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=134&z=2022-10-01&g=2022-10-01) van toepassing, met dien verstande dat zij geschiedt over de in de vorige volzin bedoelde langere termijn in plaats van over iedere maand afzonderlijk.
1. De belanghebbende is verplicht van het ter hand nemen van enige activiteiten als bedoeld in [artikel 134, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=134&z=2022-10-12&g=2022-10-12), terstond mededeling te doen aan gedeputeerde staten onder opgave, voor zover mogelijk, van de inkomsten die hij uit die activiteiten zal trekken. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven dan doet hij tijdig vóór het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van de inkomsten, die hij sinds het ter hand nemen van de activiteiten of sinds de vorige opgave heeft genoten. Voorschriften, bedoeld in [artikel 9a, eerste lid, derde volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=9a&z=2022-10-12&g=2022-10-12), zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Brengt de aard van de activiteiten of van de inkomsten mede, dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt op de uitkering een vermindering toegepast van een voorlopig vastgesteld bedrag onder voorbehoud van verrekening aan het eind van de evenbedoelde termijn. Ten aanzien van deze verrekening is [artikel 134](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=134&z=2022-10-12&g=2022-10-12) van toepassing, met dien verstande dat zij geschiedt over de in de vorige volzin bedoelde langere termijn in plaats van over iedere maand afzonderlijk.
3. Gedeputeerde staten kunnen bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering van de opgave van de belanghebbende afwijken.
@@ -1712,7 +1712,7 @@
1. De uitkering, berekend over een maand, wordt in maandelijkse termijnen betaald.
2. De uitkering wordt niet uitbetaald zolang de belanghebbende niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van [artikel 134a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=134a&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
2. De uitkering wordt niet uitbetaald zolang de belanghebbende niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van [artikel 134a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=134a&z=2022-10-12&g=2022-10-12).
#### § 5. Beroep en herziening
@@ -1726,7 +1726,7 @@
- b. met ingang van de dag waarop de belanghebbende opnieuw lid van gedeputeerde staten wordt in de provincie ten laste waarvan de uitkering wordt genoten, tenzij hij als zodanig een betrekking is gaan uitoefenen in een mindere omvang dan voor het aftreden waaraan hij het recht op uitkering ontleent.
3. De uitkering kan geheel of ten dele vervallen worden verklaard indien de belanghebbende herhaaldelijk niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van [artikel 134a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=134a&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
3. De uitkering kan geheel of ten dele vervallen worden verklaard indien de belanghebbende herhaaldelijk niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van [artikel 134a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=134a&z=2022-10-12&g=2022-10-12).
#### Bedrag van de uitkering
@@ -1742,19 +1742,19 @@
##### Artikel 137a. Waarneming
1. Dit hoofdstuk is van overeenkomstige toepassing op degene die krachtens [artikel 76, eerste lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=76), dan wel krachtens [artikel 78, eerste lid, van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=78) het ambt van commissaris van de Koning, respectievelijk het ambt van burgemeester gedurende meer dan dertig dagen zonder onderbreking heeft waargenomen. Voor degene die aftreedt als waarnemer is de duur van de uitkering, ten dele in afwijking van [artikel 132](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=132&z=2022-10-01&g=2022-10-01), steeds gelijk aan de duur van de waarneming. De uitkering bedraagt het volgens [artikel 133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=133&z=2022-10-01&g=2022-10-01) toepasselijke percentage van de als waarnemer genoten vergoeding en wordt aangepast overeenkomstig het derde lid van dat artikel.
2. In afwijking van [artikel 131](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=131&z=2022-10-01&g=2022-10-01) komt de uitkering die de provincie of de gemeente na ontheffing van de waarneming verschuldigd is op grond van het eerste lid ten laste van Hoofdstuk VII van de rijksbegroting.
1. Dit hoofdstuk is van overeenkomstige toepassing op degene die krachtens [artikel 76, eerste lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=76), dan wel krachtens [artikel 78, eerste lid, van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=78) het ambt van commissaris van de Koning, respectievelijk het ambt van burgemeester gedurende meer dan dertig dagen zonder onderbreking heeft waargenomen. Voor degene die aftreedt als waarnemer is de duur van de uitkering, ten dele in afwijking van [artikel 132](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=132&z=2022-10-12&g=2022-10-12), steeds gelijk aan de duur van de waarneming. De uitkering bedraagt het volgens [artikel 133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=133&z=2022-10-12&g=2022-10-12) toepasselijke percentage van de als waarnemer genoten vergoeding en wordt aangepast overeenkomstig het derde lid van dat artikel.
2. In afwijking van [artikel 131](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=131&z=2022-10-12&g=2022-10-12) komt de uitkering die de provincie of de gemeente na ontheffing van de waarneming verschuldigd is op grond van het eerste lid ten laste van Hoofdstuk VII van de rijksbegroting.
### Hoofdstuk 22. Het eigen pensioen
##### Artikel 138. Het recht op ouderdomspensioen
Een persoon die lid van gedeputeerde staten is geweest, heeft met overeenkomstige toepassing van [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&z=2022-10-01&g=2022-10-01) en de [artikelen 39c tot en met 40c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=8&artikel=40&z=2022-10-01&g=2022-10-01) recht op ouderdomspensioen, met dien verstande dat:
Een persoon die lid van gedeputeerde staten is geweest, heeft met overeenkomstige toepassing van [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&z=2022-10-12&g=2022-10-12) en de [artikelen 39c tot en met 40c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=8&artikel=40&z=2022-10-12&g=2022-10-12) recht op ouderdomspensioen, met dien verstande dat:
- a. gedeputeerde staten in de plaats treden van Onze Minister;
- b. voor «[hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&z=2022-10-01&g=2022-10-01)» gelezen wordt «[hoofdstuk 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&z=2022-10-01&g=2022-10-01)».
- b. voor «[hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&z=2022-10-12&g=2022-10-12)» gelezen wordt «[hoofdstuk 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&z=2022-10-12&g=2022-10-12)».
##### Artikel 138a. Bedrag van het eigen pensioen per jaar als lid van gedeputeerde staten
@@ -1790,11 +1790,11 @@
##### Artikel 140. Recht op partnerpensioen en bijzonder partnerpensioen
De partner en de gewezen partner van een lid van gedeputeerde staten, gewezen lid van gedeputeerde staten of gepensioneerd lid van gedeputeerde staten heeft met overeenkomstige toepassing van de [artikelen 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=15&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=17&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=21&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [22 tot en met 23a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=22&z=2022-10-01&g=2022-10-01) en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=28&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [28a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=28a&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [28b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=28b&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=6&artikel=31&z=2022-10-01&g=2022-10-01) en [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=7&artikel=34&z=2022-10-01&g=2022-10-01) alsmede de artikelen 39c en [40c tot en met 40f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=8&artikel=40c&z=2022-10-01&g=2022-10-01) en de nadere regels op grond van [artikel 45a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=8&artikel=45a&z=2022-10-01&g=2022-10-01) recht op partnerpensioen of bijzonder partnerpensioen, met dien verstande dat de bevoegdheid in artikel 31, tweede lid, wordt uitgeoefend door provinciale staten.
De partner en de gewezen partner van een lid van gedeputeerde staten, gewezen lid van gedeputeerde staten of gepensioneerd lid van gedeputeerde staten heeft met overeenkomstige toepassing van de [artikelen 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=15&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=17&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=21&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [22 tot en met 23a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=22&z=2022-10-12&g=2022-10-12) en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=28&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [28a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=28a&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [28b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=28b&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=6&artikel=31&z=2022-10-12&g=2022-10-12) en [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=7&artikel=34&z=2022-10-12&g=2022-10-12) alsmede de artikelen 39c en [40c tot en met 40f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=8&artikel=40c&z=2022-10-12&g=2022-10-12) en de nadere regels op grond van [artikel 45a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=8&artikel=45a&z=2022-10-12&g=2022-10-12) recht op partnerpensioen of bijzonder partnerpensioen, met dien verstande dat de bevoegdheid in artikel 31, tweede lid, wordt uitgeoefend door provinciale staten.
##### Artikel 141. Recht op wezenpensioen
Na het overlijden van een lid van gedeputeerde staten, gewezen lid van gedeputeerde staten of gepensioneerd lid van gedeputeerde staten hebben zijn kinderen met overeenkomstige toepassing van de [artikelen 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=18&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=21&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=25&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=27&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=28&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [28a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=28a&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=6&artikel=31&z=2022-10-01&g=2022-10-01) en [34a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=7&artikel=34a&z=2022-10-01&g=2022-10-01) alsmede de artikelen 39c, [40g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=8&artikel=40g&z=2022-10-01&g=2022-10-01) en [40h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=8&artikel=40h&z=2022-10-01&g=2022-10-01) en de nadere regels op grond van [artikel 45a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=8&artikel=45a&z=2022-10-01&g=2022-10-01) recht op een wezenpensioen, met dien verstande dat de bevoegdheid in artikel 31, tweede lid, wordt uitgeoefend door provinciale staten.
Na het overlijden van een lid van gedeputeerde staten, gewezen lid van gedeputeerde staten of gepensioneerd lid van gedeputeerde staten hebben zijn kinderen met overeenkomstige toepassing van de [artikelen 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=18&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=21&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=25&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=27&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=28&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [28a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=28a&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=6&artikel=31&z=2022-10-12&g=2022-10-12) en [34a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=7&artikel=34a&z=2022-10-12&g=2022-10-12) alsmede de artikelen 39c, [40g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=8&artikel=40g&z=2022-10-12&g=2022-10-12) en [40h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=8&artikel=40h&z=2022-10-12&g=2022-10-12) en de nadere regels op grond van [artikel 45a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=8&artikel=45a&z=2022-10-12&g=2022-10-12) recht op een wezenpensioen, met dien verstande dat de bevoegdheid in artikel 31, tweede lid, wordt uitgeoefend door provinciale staten.
##### Artikel 142. Bijzonder nabestaandenpensioen
@@ -1882,7 +1882,7 @@
##### Artikel 155
[Hoofdstuk 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=17&z=2022-10-01&g=2022-10-01) is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de in deze afdeling bedoelde pensioenen.
[Hoofdstuk 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=17&z=2022-10-12&g=2022-10-12) is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de in deze afdeling bedoelde pensioenen.
##### Artikel 156. Verlaging inbouwbedrag
@@ -1892,31 +1892,31 @@
##### Artikel 157
Ten aanzien van een pensioen op grond van deze afdeling, waaronder niet begrepen de inbouw- en franchisebedragen, is [artikel 105](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=1&artikel=105&z=2022-10-01&g=2022-10-01) van overeenkomstige toepassing.
Ten aanzien van een pensioen op grond van deze afdeling, waaronder niet begrepen de inbouw- en franchisebedragen, is [artikel 105](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=1&artikel=105&z=2022-10-12&g=2022-10-12) van overeenkomstige toepassing.
### Hoofdstuk 24. Verval van pensioen
##### Artikel 158
Ten aanzien van de in deze afdeling bedoelde pensioenen zijn de [artikelen 111](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=2&artikel=111&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=5&artikel=122&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [123](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=5&artikel=123&z=2022-10-01&g=2022-10-01) en [128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=19&artikel=128&z=2022-10-01&g=2022-10-01) van overeenkomstige toepassing.
Ten aanzien van de in deze afdeling bedoelde pensioenen zijn de [artikelen 111](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=2&artikel=111&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=5&artikel=122&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [123](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=5&artikel=123&z=2022-10-12&g=2022-10-12) en [128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=19&artikel=128&z=2022-10-12&g=2022-10-12) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 159. Nabestaandenuitkering
Het bepaalde in [artikel 116](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=3&artikel=116&z=2022-10-01&g=2022-10-01) is ten aanzien van de in deze afdeling bedoelde pensioenen van overeenkomstige toepassing.
Het bepaalde in [artikel 116](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=3&artikel=116&z=2022-10-12&g=2022-10-12) is ten aanzien van de in deze afdeling bedoelde pensioenen van overeenkomstige toepassing.
### Hoofdstuk 28. Algemene bepalingen
##### Artikel 160. Inhoudingen
1. Op de bezoldiging van het lid van gedeputeerde staten worden, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regelen, bedragen ingehouden overeenkomstig de inhouding van bedragen op de bezoldiging van degene die behoort tot het overheidspersoneel, ter zake van aanspraken bij werkloosheid, ziekte, arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden. [Artikel 13d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13d&z=2022-10-01&g=2022-10-01) is van overeenkomstige toepassing op de inhouding op de bezoldiging en de schadeloosstelling ter zake van aanspraken op ouderdom en overlijden.
1. Op de bezoldiging van het lid van gedeputeerde staten worden, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regelen, bedragen ingehouden overeenkomstig de inhouding van bedragen op de bezoldiging van degene die behoort tot het overheidspersoneel, ter zake van aanspraken bij werkloosheid, ziekte, arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden. [Artikel 13d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13d&z=2022-10-12&g=2022-10-12) is van overeenkomstige toepassing op de inhouding op de bezoldiging en de schadeloosstelling ter zake van aanspraken op ouderdom en overlijden.
2. Op de uitkering van het gewezen lid van gedeputeerde staten worden, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regelen, bedragen ingehouden overeenkomstig de inhouding van bedragen, terzake van aanspraken als bedoeld in het eerste lid, op een werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een voor overheidspersoneel getroffen regeling.
3. Geen inhouding van bedragen ter zake van aanspraken bij ouderdom en overlijden vindt plaats voor zover tijd niet meetelt als pensioendiensttijd en op uitkeringen bedoeld in de [artikelen 133a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=133a&z=2022-10-01&g=2022-10-01), alsmede op een uitkering gedurende de tijd dat de betrokkene voor 55 procent of meer algemeen invalide is.
3. Geen inhouding van bedragen ter zake van aanspraken bij ouderdom en overlijden vindt plaats voor zover tijd niet meetelt als pensioendiensttijd en op uitkeringen bedoeld in de [artikelen 133a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=133a&z=2022-10-12&g=2022-10-12), alsmede op een uitkering gedurende de tijd dat de betrokkene voor 55 procent of meer algemeen invalide is.
##### Artikel 160a
1. Op aanvraag van een gewezen gedeputeerde draagt de desbetreffende provincie de waarde van de door de aanvrager krachtens de [vijfde afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&z=2022-10-01&g=2022-10-01) van deze wet verkregen pensioenaanspraken over, overeenkomstig de bepalingen in de [Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809) inzake waardeoverdracht.
1. Op aanvraag van een gewezen gedeputeerde draagt de desbetreffende provincie de waarde van de door de aanvrager krachtens de [vijfde afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&z=2022-10-12&g=2022-10-12) van deze wet verkregen pensioenaanspraken over, overeenkomstig de bepalingen in de [Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809) inzake waardeoverdracht.
2. De bij of krachtens [artikel 71 van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=71) gestelde regels zijn van overeenkomstige toepassing op de waardeoverdracht.
@@ -1928,9 +1928,9 @@
##### Artikel 160b
1. Op aanvraag van een gedeputeerde is de desbetreffende provincie verplicht om de waarde van door betrokkene opgebouwde pensioenaanspraken aan te wenden ter verwerving van pensioenaanspraken op grond van de [vijfde afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&z=2022-10-01&g=2022-10-01) van deze wet. Deze waardeoverdracht geschiedt overeenkomstig de voorwaarden die in de [Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809) aan een ontvangende pensioenuitvoerder worden gesteld met betrekking tot de waardeoverdracht van opgebouwde pensioenaanspraken.
2. De overgedragen pensioenaanspraken worden beschouwd als aanspraken krachtens de [vijfde afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&z=2022-10-01&g=2022-10-01) van deze wet en behandeld als een geheel met de aanspraken die de gedeputeerde verkrijgt krachtens de [vijfde afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&z=2022-10-01&g=2022-10-01) van deze wet.
1. Op aanvraag van een gedeputeerde is de desbetreffende provincie verplicht om de waarde van door betrokkene opgebouwde pensioenaanspraken aan te wenden ter verwerving van pensioenaanspraken op grond van de [vijfde afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&z=2022-10-12&g=2022-10-12) van deze wet. Deze waardeoverdracht geschiedt overeenkomstig de voorwaarden die in de [Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809) aan een ontvangende pensioenuitvoerder worden gesteld met betrekking tot de waardeoverdracht van opgebouwde pensioenaanspraken.
2. De overgedragen pensioenaanspraken worden beschouwd als aanspraken krachtens de [vijfde afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&z=2022-10-12&g=2022-10-12) van deze wet en behandeld als een geheel met de aanspraken die de gedeputeerde verkrijgt krachtens de [vijfde afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&z=2022-10-12&g=2022-10-12) van deze wet.
3. De bij of krachtens [artikel 71 van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=71) gestelde regels zijn van overeenkomstige toepassing op de waardeoverdracht.
@@ -1974,11 +1974,11 @@
2. Vervallen.
3. Met uitzondering van de in het tweede en vierde lid genoemde artikelen en onderdelen van artikelen en van de [artikelen 37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=8&artikel=37&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [39, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=8&artikel=39&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [43, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=8&artikel=43&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [44, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=8&artikel=44&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=8&artikel=45&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [82](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=15&artikel=82&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [84](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=15&artikel=84&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [87, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=15&artikel=87&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [88, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=15&artikel=88&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [89, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=15&artikel=89&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [118, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=4&artikel=118&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=19&artikel=128&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [129](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=19&artikel=129&z=2022-10-01&g=2022-10-01) en [163, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=29&artikel=163&z=2022-10-01&g=2022-10-01), werkt deze wet terug tot 1 januari 1966.
4. De [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=8&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [50, onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=9&artikel=50&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [52, eerste lid, laatste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=52&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=53&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=54&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=11&artikel=59&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=12&artikel=67&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [70](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=12&artikel=70&z=2022-10-01&g=2022-10-01) en [133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=133&z=2022-10-01&g=2022-10-01) werken terug tot 1 januari 1969.
5. Waar in deze wet sprake is van het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet wordt daarmede, behoudens in de in het derde lid genoemde artikelen en artikelleden en in [artikel 125](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=19&artikel=125&z=2022-10-01&g=2022-10-01), bedoeld 1 januari 1966.
3. Met uitzondering van de in het tweede en vierde lid genoemde artikelen en onderdelen van artikelen en van de [artikelen 37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=8&artikel=37&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [39, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=8&artikel=39&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [43, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=8&artikel=43&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [44, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=8&artikel=44&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=8&artikel=45&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [82](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=15&artikel=82&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [84](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=15&artikel=84&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [87, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=15&artikel=87&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [88, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=15&artikel=88&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [89, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=15&artikel=89&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [118, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=4&artikel=118&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=19&artikel=128&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [129](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=19&artikel=129&z=2022-10-12&g=2022-10-12) en [163, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=29&artikel=163&z=2022-10-12&g=2022-10-12), werkt deze wet terug tot 1 januari 1966.
4. De [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=8&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [50, onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=9&artikel=50&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [52, eerste lid, laatste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=52&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=53&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=54&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=11&artikel=59&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=12&artikel=67&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [70](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=12&artikel=70&z=2022-10-12&g=2022-10-12) en [133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=133&z=2022-10-12&g=2022-10-12) werken terug tot 1 januari 1969.
5. Waar in deze wet sprake is van het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet wordt daarmede, behoudens in de in het derde lid genoemde artikelen en artikelleden en in [artikel 125](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=19&artikel=125&z=2022-10-12&g=2022-10-12), bedoeld 1 januari 1966.
Lasten en bevelen, dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
@@ -2236,7 +2236,7 @@
##### Artikel 7a
1. De belanghebbende aan wie een uitkering als bedoeld in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=6&z=2022-10-01&g=2022-10-01) geheel of gedeeltelijk wordt uitbetaald en die niet binnen twaalf maanden na ontslag de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, is verplicht:
1. De belanghebbende aan wie een uitkering als bedoeld in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=6&z=2022-10-12&g=2022-10-12) geheel of gedeeltelijk wordt uitbetaald en die niet binnen twaalf maanden na ontslag de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, is verplicht:
- a. in voldoende mate te trachten passende arbeid te vinden;
@@ -2256,21 +2256,21 @@
4. Dit artikel is niet van toepassing:
- a. op de belanghebbende die inkomsten geniet ten bedrage van 100% van de laatstelijk als minister genoten bezoldiging, bedoeld in [artikel 8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=8&z=2022-10-01&g=2022-10-01), of een ambt heeft aanvaard als bedoeld in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Eerste&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2022-10-01&g=2022-10-01), en daaruit inkomsten geniet ten bedrage van 70% of meer van de laatstelijk als minister genoten bezoldiging, bedoeld in artikel 8, tweede lid;
- b. op de belanghebbende die recht heeft op een voortgezette uitkering ingevolge [artikel 8a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=8a&z=2022-10-01&g=2022-10-01);
- c. voor de periode dat de uitkering of, na verrekening ingevolge [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=9&z=2022-10-01&g=2022-10-01), het restant van de uitkering op verzoek van de belanghebbende met toepassing van [artikel 6, tweede lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=6&z=2022-10-01&g=2022-10-01), niet wordt uitbetaald.
- a. op de belanghebbende die inkomsten geniet ten bedrage van 100% van de laatstelijk als minister genoten bezoldiging, bedoeld in [artikel 8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=8&z=2022-10-12&g=2022-10-12), of een ambt heeft aanvaard als bedoeld in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Eerste&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2022-10-12&g=2022-10-12), en daaruit inkomsten geniet ten bedrage van 70% of meer van de laatstelijk als minister genoten bezoldiging, bedoeld in artikel 8, tweede lid;
- b. op de belanghebbende die recht heeft op een voortgezette uitkering ingevolge [artikel 8a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=8a&z=2022-10-12&g=2022-10-12);
- c. voor de periode dat de uitkering of, na verrekening ingevolge [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=9&z=2022-10-12&g=2022-10-12), het restant van de uitkering op verzoek van de belanghebbende met toepassing van [artikel 6, tweede lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=6&z=2022-10-12&g=2022-10-12), niet wordt uitbetaald.
5. Dit artikel is niet van toepassing gedurende de eerste drie maanden na het aftreden van de belanghebbende.
##### Artikel 7b
1. Onze Minister kan de belanghebbende, bedoeld in [artikel 7a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=7a&z=2022-10-01&g=2022-10-01), verplichten zich bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid planmatig te laten begeleiden en ondersteunen.
1. Onze Minister kan de belanghebbende, bedoeld in [artikel 7a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=7a&z=2022-10-12&g=2022-10-12), verplichten zich bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid planmatig te laten begeleiden en ondersteunen.
2. Onze Minister verstrekt de belanghebbende een tegemoetkoming in de kosten van planmatige begeleiding en ondersteuning bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid.
3. De tegemoetkoming bedraagt ten hoogste 20% van de laatstelijk als minister per jaar genoten wedde, bedoeld in [artikel 8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=8&z=2022-10-01&g=2022-10-01). De verplichte planmatige begeleiding en ondersteuning, bedoeld in het eerste lid, wordt volledig vergoed.
3. De tegemoetkoming bedraagt ten hoogste 20% van de laatstelijk als minister per jaar genoten wedde, bedoeld in [artikel 8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=8&z=2022-10-12&g=2022-10-12). De verplichte planmatige begeleiding en ondersteuning, bedoeld in het eerste lid, wordt volledig vergoed.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:
@@ -2282,7 +2282,7 @@
##### Artikel 7c
1. Indien de belanghebbende een bij of krachtens [artikel 7a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=7a&z=2022-10-01&g=2022-10-01) of [7b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=7b&z=2022-10-01&g=2022-10-01) geregelde verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, besluit Onze Minister tot gehele of gedeeltelijke inhouding van de uitkering. Onze Minister is bevoegd tot verrekening van de inhouding van de uitkering met betalingen aan belanghebbende op grond van deze wet.
1. Indien de belanghebbende een bij of krachtens [artikel 7a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=7a&z=2022-10-12&g=2022-10-12) of [7b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=7b&z=2022-10-12&g=2022-10-12) geregelde verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, besluit Onze Minister tot gehele of gedeeltelijke inhouding van de uitkering. Onze Minister is bevoegd tot verrekening van de inhouding van de uitkering met betalingen aan belanghebbende op grond van deze wet.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de uitvoering van het eerste lid.
@@ -2378,7 +2378,7 @@
##### Artikel 132a
1. De belanghebbende aan wie een uitkering als bedoeld in [artikel 131](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=131&z=2022-10-01&g=2022-10-01) geheel of gedeeltelijk wordt uitbetaald en die niet binnen twaalf maanden de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, is verplicht:
1. De belanghebbende aan wie een uitkering als bedoeld in [artikel 131](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=131&z=2022-10-12&g=2022-10-12) geheel of gedeeltelijk wordt uitbetaald en die niet binnen twaalf maanden de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, is verplicht:
- a. in voldoende mate te trachten passende arbeid te vinden;
@@ -2394,13 +2394,13 @@
- c. eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.
3. [Artikel 7a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=7a&z=2022-10-01&g=2022-10-01), is van overeenkomstige toepassing op een lid van gedeputeerde staten.
3. [Artikel 7a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=7a&z=2022-10-12&g=2022-10-12), is van overeenkomstige toepassing op een lid van gedeputeerde staten.
4. Dit artikel is niet van toepassing:
- a. op de belanghebbende die inkomsten geniet ten bedrage van 100% van de laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in [artikel 133, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=133&z=2022-10-01&g=2022-10-01), of op de belanghebbende die een ambt heeft aanvaard als bedoeld in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Eerste&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2022-10-01&g=2022-10-01), en daaruit inkomsten geniet ten bedrage van 70% of meer van de laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in artikel 133, tweede lid;
- b. op de belanghebbende die recht heeft op een voortgezette uitkering ingevolge [artikel 133a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=133a&z=2022-10-01&g=2022-10-01);
- a. op de belanghebbende die inkomsten geniet ten bedrage van 100% van de laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in [artikel 133, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=133&z=2022-10-12&g=2022-10-12), of op de belanghebbende die een ambt heeft aanvaard als bedoeld in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Eerste&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2022-10-12&g=2022-10-12), en daaruit inkomsten geniet ten bedrage van 70% of meer van de laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in artikel 133, tweede lid;
- b. op de belanghebbende die recht heeft op een voortgezette uitkering ingevolge [artikel 133a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=133a&z=2022-10-12&g=2022-10-12);
- c. voor de periode dat de belanghebbende die verzoekt af te zien van de uitbetaling van de gehele uitkering.
@@ -2408,9 +2408,9 @@
##### Artikel 132b
1. De belanghebbende is verplicht door een re-integratiebureau een plan op te laten stellen voor het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid, waarin de activiteiten zijn opgenomen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan de verplichting, bedoeld in [artikel 132a, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=132a&z=2022-10-01&g=2022-10-01), en het plan, nadat het is goedgekeurd door gedeputeerde staten, onder begeleiding van een re-integratiebureau uit te voeren.
2. Behoudens de gevallen, bedoeld in [artikel 132a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=132a&z=2022-10-01&g=2022-10-01), heeft de belanghebbende vanaf het moment van zijn ontslag met in achtneming van de regels, bedoeld in het derde lid, recht op vergoeding van daadwerkelijk gemaakte kosten van het plan, bedoeld in het eerste lid, en van planmatige begeleiding en ondersteuning bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid.
1. De belanghebbende is verplicht door een re-integratiebureau een plan op te laten stellen voor het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid, waarin de activiteiten zijn opgenomen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan de verplichting, bedoeld in [artikel 132a, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=132a&z=2022-10-12&g=2022-10-12), en het plan, nadat het is goedgekeurd door gedeputeerde staten, onder begeleiding van een re-integratiebureau uit te voeren.
2. Behoudens de gevallen, bedoeld in [artikel 132a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=132a&z=2022-10-12&g=2022-10-12), heeft de belanghebbende vanaf het moment van zijn ontslag met in achtneming van de regels, bedoeld in het derde lid, recht op vergoeding van daadwerkelijk gemaakte kosten van het plan, bedoeld in het eerste lid, en van planmatige begeleiding en ondersteuning bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:
@@ -2428,7 +2428,7 @@
##### Artikel 132c
1. Indien de belanghebbende een bij of krachtens [artikel 132a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=132a&z=2022-10-01&g=2022-10-01) geregelde verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, besluiten gedeputeerde staten tot gehele of gedeeltelijke inhouding van de uitkering. Gedeputeerde staten zijn bevoegd tot verrekening van de inhouding van de uitkering met betalingen aan belanghebbende op grond van deze wet.
1. Indien de belanghebbende een bij of krachtens [artikel 132a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=132a&z=2022-10-12&g=2022-10-12) geregelde verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, besluiten gedeputeerde staten tot gehele of gedeeltelijke inhouding van de uitkering. Gedeputeerde staten zijn bevoegd tot verrekening van de inhouding van de uitkering met betalingen aan belanghebbende op grond van deze wet.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de uitvoering van het eerste lid.
@@ -2450,13 +2450,13 @@
##### Artikel 163a
In afwijking van [artikel 130](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=20&artikel=130&z=2022-10-01&g=2022-10-01) is deze afdeling niet van toepassing op gewezen commissarissen van de Koning, gewezen burgemeesters en gewezen leden van het dagelijks bestuur van een waterschap die in de vervulling van dat ambt overheidswerknemer waren in de zin van de [Wet privatisering ABP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007791), en wier ontslag of aftreden is ingegaan vóór de datum van inwerkingtreding van die bepaling.
##### Artikel 163b. (behoort bij [hoofdstuk 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&z=2022-10-01&g=2022-10-01))
1. De [artikelen 132, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=132&z=2022-10-01&g=2022-10-01), en [132a tot en met 132c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=132a&z=2022-10-01&g=2022-10-01) zijn niet van toepassing ter zake van een ontslag of aftreden dat is ingegaan vóór 27 februari 2010.
2. De [artikelen 132a tot en met 132c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=132a&z=2022-10-01&g=2022-10-01) zijn niet van toepassing ten aanzien van het eerste ontslag of aftreden vanaf 27 februari 2010 van de betrokkenen die:
In afwijking van [artikel 130](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=20&artikel=130&z=2022-10-12&g=2022-10-12) is deze afdeling niet van toepassing op gewezen commissarissen van de Koning, gewezen burgemeesters en gewezen leden van het dagelijks bestuur van een waterschap die in de vervulling van dat ambt overheidswerknemer waren in de zin van de [Wet privatisering ABP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007791), en wier ontslag of aftreden is ingegaan vóór de datum van inwerkingtreding van die bepaling.
##### Artikel 163b. (behoort bij [hoofdstuk 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&z=2022-10-12&g=2022-10-12))
1. De [artikelen 132, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=132&z=2022-10-12&g=2022-10-12), en [132a tot en met 132c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=132a&z=2022-10-12&g=2022-10-12) zijn niet van toepassing ter zake van een ontslag of aftreden dat is ingegaan vóór 27 februari 2010.
2. De [artikelen 132a tot en met 132c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=132a&z=2022-10-12&g=2022-10-12) zijn niet van toepassing ten aanzien van het eerste ontslag of aftreden vanaf 27 februari 2010 van de betrokkenen die:
- a. op die datum was benoemd als lid van gedeputeerde staten, wethouder, of lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente,
@@ -2500,7 +2500,7 @@
##### Artikel 52a
1. De belanghebbende aan wie een uitkering als bedoeld in [artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=51&z=2022-10-01&g=2022-10-01) geheel of gedeeltelijk wordt uitbetaald en die niet binnen twaalf maanden de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, is verplicht:
1. De belanghebbende aan wie een uitkering als bedoeld in [artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=51&z=2022-10-12&g=2022-10-12) geheel of gedeeltelijk wordt uitbetaald en die niet binnen twaalf maanden de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, is verplicht:
- a. in voldoende mate te trachten passende arbeid te vinden;
@@ -2516,13 +2516,13 @@
- c. eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.
3. [Artikel 7a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=7a&z=2022-10-01&g=2022-10-01), is van overeenkomstige toepassing op een kamerlid.
3. [Artikel 7a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=7a&z=2022-10-12&g=2022-10-12), is van overeenkomstige toepassing op een kamerlid.
4. Dit artikel is niet van toepassing:
- a. op de belanghebbende die inkomsten geniet ten bedrage van 100% van berekeningsgrondslag, bedoeld in [artikel 50, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=9&artikel=50&z=2022-10-01&g=2022-10-01), of een ambt heeft aanvaard als bedoeld in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Eerste&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2022-10-01&g=2022-10-01), en daaruit inkomsten geniet ten bedrage van 70% of meer van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 50, onderdeel e;
- b. op de belanghebbende die recht heeft op een voortgezette uitkering ingevolge [artikel 53a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=53a&z=2022-10-01&g=2022-10-01);
- a. op de belanghebbende die inkomsten geniet ten bedrage van 100% van berekeningsgrondslag, bedoeld in [artikel 50, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=9&artikel=50&z=2022-10-12&g=2022-10-12), of een ambt heeft aanvaard als bedoeld in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Eerste&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2022-10-12&g=2022-10-12), en daaruit inkomsten geniet ten bedrage van 70% of meer van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 50, onderdeel e;
- b. op de belanghebbende die recht heeft op een voortgezette uitkering ingevolge [artikel 53a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=53a&z=2022-10-12&g=2022-10-12);
- c. voor de periode dat de belanghebbende verzoekt af te zien van de uitbetaling van de gehele uitkering.
@@ -2530,9 +2530,9 @@
##### Artikel 52b
1. De belanghebbende is verplicht door een re-integratiebureau een plan op te laten stellen voor het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid, waarin de activiteiten zijn opgenomen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan de verplichting, bedoeld in [artikel 52a, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=52a&z=2022-10-01&g=2022-10-01), en het plan, nadat het is goedgekeurd door Onze Minister, onder begeleiding van een re-integratiebureau uit te voeren.
2. Behoudens de gevallen, bedoeld in [artikel 52a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=52a&z=2022-10-01&g=2022-10-01), heeft de belanghebbende vanaf het moment van zijn ontslag met in achtneming van de regels, bedoeld in het derde lid, recht op vergoeding van daadwerkelijk gemaakte kosten van het plan, bedoeld in het eerste lid, en van de begeleiding en ondersteuning bij de uitvoering van het plan.
1. De belanghebbende is verplicht door een re-integratiebureau een plan op te laten stellen voor het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid, waarin de activiteiten zijn opgenomen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan de verplichting, bedoeld in [artikel 52a, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=52a&z=2022-10-12&g=2022-10-12), en het plan, nadat het is goedgekeurd door Onze Minister, onder begeleiding van een re-integratiebureau uit te voeren.
2. Behoudens de gevallen, bedoeld in [artikel 52a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=52a&z=2022-10-12&g=2022-10-12), heeft de belanghebbende vanaf het moment van zijn ontslag met in achtneming van de regels, bedoeld in het derde lid, recht op vergoeding van daadwerkelijk gemaakte kosten van het plan, bedoeld in het eerste lid, en van de begeleiding en ondersteuning bij de uitvoering van het plan.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:
@@ -2550,13 +2550,13 @@
##### Artikel 52c
1. Indien de belanghebbende een bij of krachtens [artikel 52a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=52a&z=2022-10-01&g=2022-10-01) geregelde verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, besluit Onze Minister tot gehele of gedeeltelijke inhouding van de uitkering. Onze Minister is bevoegd tot verrekening van de inhouding van de uitkering met betalingen aan belanghebbende op grond van deze wet.
1. Indien de belanghebbende een bij of krachtens [artikel 52a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=52a&z=2022-10-12&g=2022-10-12) geregelde verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, besluit Onze Minister tot gehele of gedeeltelijke inhouding van de uitkering. Onze Minister is bevoegd tot verrekening van de inhouding van de uitkering met betalingen aan belanghebbende op grond van deze wet.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de uitvoering van het eerste lid.
##### Artikel 52d
De voordracht voor een krachtens de [artikelen 52a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=52a&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [52b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=52b&z=2022-10-01&g=2022-10-01) of [52c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=52c&z=2022-10-01&g=2022-10-01) vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
De voordracht voor een krachtens de [artikelen 52a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=52a&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [52b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=52b&z=2022-10-12&g=2022-10-12) of [52c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=52c&z=2022-10-12&g=2022-10-12) vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
#### Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit
@@ -2572,7 +2572,7 @@
### Hoofdstuk 15. Overgangsbepalingen
##### Artikel 84a. (behoort bij [hoofdstuk 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&z=2022-10-01&g=2022-10-01))
##### Artikel 84a. (behoort bij [hoofdstuk 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&z=2022-10-12&g=2022-10-12))
Vervallen
@@ -2654,15 +2654,15 @@
- d. gedeputeerde staten: Onze Minister.
2. Voor zover het de Rijksvertegenwoordiger betreft, kunnen Wij in bijzondere gevallen, de Raad van State gehoord, in afwijking van [artikel 132, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=132&z=2022-10-01&g=2022-10-01), bepalen, dat de uitkering wordt voortgezet voor een, met inachtneming van [artikel 136](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=136&z=2022-10-01&g=2022-10-01) vast te stellen termijn, die op dezelfde wijze kan worden verlengd.
3. Voor de toepassing van [artikel 137a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=137a&z=2022-10-01&g=2022-10-01) wordt gelezen voor:
2. Voor zover het de Rijksvertegenwoordiger betreft, kunnen Wij in bijzondere gevallen, de Raad van State gehoord, in afwijking van [artikel 132, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=132&z=2022-10-12&g=2022-10-12), bepalen, dat de uitkering wordt voortgezet voor een, met inachtneming van [artikel 136](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=136&z=2022-10-12&g=2022-10-12) vast te stellen termijn, die op dezelfde wijze kan worden verlengd.
3. Voor de toepassing van [artikel 137a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=137a&z=2022-10-12&g=2022-10-12) wordt gelezen voor:
- a. [artikel 76, eerste lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=76): [artikel 200, eerste lid, Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=200);
- b. commissaris van de Koning: Rijksvertegenwoordiger.
4. In afwijking van [artikel 152, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=24&artikel=152&z=2022-10-01&g=2022-10-01), kunnen Wij, de Raad van State gehoord, een door of als gevolg van de toepassing van artikel 152, eerste lid, vervallen recht op pensioen herstellen.
4. In afwijking van [artikel 152, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=24&artikel=152&z=2022-10-12&g=2022-10-12), kunnen Wij, de Raad van State gehoord, een door of als gevolg van de toepassing van artikel 152, eerste lid, vervallen recht op pensioen herstellen.
### Hoofdstuk 21. De uitkering
@@ -2714,7 +2714,7 @@
##### Artikel 13b. **Een dienstjaar**
Ieder jaar dat de betrokkene als minister werkzaam is geweest, of in het genot is geweest van een uitkering als bedoeld in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&z=2022-10-01&g=2022-10-01), is voor hem een dienstjaar.
Ieder jaar dat de betrokkene als minister werkzaam is geweest, of in het genot is geweest van een uitkering als bedoeld in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&z=2022-10-12&g=2022-10-12), is voor hem een dienstjaar.
### Hoofdstuk 5. Het nabestaanden- en wezenpensioen
@@ -2728,13 +2728,13 @@
### Hoofdstuk 8. Overgangsbepalingen
##### Artikel 40a. (behoort bij [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&z=2022-10-01&g=2022-10-01))
1. De opbouw van aanspraken op het ouderdomspensioen geschiedt overeenkomstig de [artikelen 13 tot en met 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13&z=2022-10-01&g=2022-10-01) voor dienstjaren vanaf 1 januari 2014.
##### Artikel 40a. (behoort bij [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&z=2022-10-12&g=2022-10-12))
1. De opbouw van aanspraken op het ouderdomspensioen geschiedt overeenkomstig de [artikelen 13 tot en met 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13&z=2022-10-12&g=2022-10-12) voor dienstjaren vanaf 1 januari 2014.
2. Voor dienstjaren vóór 1 januari 2014 geschiedt de opbouw overeenkomstig de regels zoals die golden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de [Wet aanpassing pensioenleeftijd Appa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033719).
3. Indien de betrokkene op 31 december 2013 pensioen opbouwt op grond van [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&z=2022-10-01&g=2022-10-01), wordt de in het tweede lid bedoelde opbouw vastgesteld met als pensioengrondslag de grondslag die zou gelden als hij met ingang van 1 januari 2014 zou zijn ontslagen. Daarbij wordt de laatstelijk genoten wedde niet aangepast. De opgebouwde aanspraak wordt vervolgens geïndexeerd op een wijze die aansluit bij de indexering van de opbouw die wordt gehanteerd ten aanzien van het ouderdomspensioen van overheidswerknemers.
3. Indien de betrokkene op 31 december 2013 pensioen opbouwt op grond van [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&z=2022-10-12&g=2022-10-12), wordt de in het tweede lid bedoelde opbouw vastgesteld met als pensioengrondslag de grondslag die zou gelden als hij met ingang van 1 januari 2014 zou zijn ontslagen. Daarbij wordt de laatstelijk genoten wedde niet aangepast. De opgebouwde aanspraak wordt vervolgens geïndexeerd op een wijze die aansluit bij de indexering van de opbouw die wordt gehanteerd ten aanzien van het ouderdomspensioen van overheidswerknemers.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de toepassing van het eerste tot en met derde lid.
@@ -2756,7 +2756,7 @@
### Hoofdstuk 15. Overgangsbepalingen
##### Artikel 85a. (behoort bij [hoofdstuk 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=11&z=2022-10-01&g=2022-10-01))
##### Artikel 85a. (behoort bij [hoofdstuk 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=11&z=2022-10-12&g=2022-10-12))
Vervallen
@@ -2818,7 +2818,7 @@
Lasten en bevelen, dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 39a. (behoort bij [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&z=2022-10-01&g=2022-10-01))
##### Artikel 39a. (behoort bij [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&z=2022-10-12&g=2022-10-12))
Ten aanzien van de uitkeringen die zijn toegekend ter zake van een ontslag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de [Wet aanpassing uitkeringsduur Appa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031991), blijft de uitkeringsduur van kracht zoals deze gold op de dag voorafgaand aan dat tijdstip.
@@ -2836,7 +2836,7 @@
### Hoofdstuk 13. Verval van pensioen
##### Artikel 84b. (behoort bij [hoofdstuk 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&z=2022-10-01&g=2022-10-01))
##### Artikel 84b. (behoort bij [hoofdstuk 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&z=2022-10-12&g=2022-10-12))
Vervallen
@@ -2862,7 +2862,7 @@
### Hoofdstuk 24. Verval van pensioen
##### Artikel 163e. (behoort bij [hoofdstuk 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&z=2022-10-01&g=2022-10-01))
##### Artikel 163e. (behoort bij [hoofdstuk 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&z=2022-10-12&g=2022-10-12))
Ten aanzien van de uitkeringen die zijn toegekend ter zake van een ontslag of aftreden vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de [Wet aanpassing uitkeringsduur Appa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031991), blijft de uitkeringsduur van kracht zoals deze gold op de dag voorafgaand aan dat tijdstip.
@@ -2874,19 +2874,19 @@
##### Artikel 13c. **Het opbouwpercentage**
1. Het opbouwpercentage, bedoeld in [artikel 13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13a&z=2022-10-01&g=2022-10-01), dat voor enig dienstjaar wordt gehanteerd, is het percentage dat voor dat dienstjaar voor de opbouw van het ouderdomspensioen van overheidswerknemers wordt gehanteerd.
2. Gedurende de periode dat een uitkering als bedoeld in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&z=2022-10-01&g=2022-10-01) wordt genoten, is het opbouwpercentage de helft van het percentage, bedoeld in het eerste lid. Gedurende de periode waarin de uitkering met toepassing van [artikel 6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=6&z=2022-10-01&g=2022-10-01), niet wordt uitbetaald, is het opbouwpercentage nihil.
1. Het opbouwpercentage, bedoeld in [artikel 13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13a&z=2022-10-12&g=2022-10-12), dat voor enig dienstjaar wordt gehanteerd, is het percentage dat voor dat dienstjaar voor de opbouw van het ouderdomspensioen van overheidswerknemers wordt gehanteerd.
2. Gedurende de periode dat een uitkering als bedoeld in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&z=2022-10-12&g=2022-10-12) wordt genoten, is het opbouwpercentage de helft van het percentage, bedoeld in het eerste lid. Gedurende de periode waarin de uitkering met toepassing van [artikel 6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=6&z=2022-10-12&g=2022-10-12), niet wordt uitbetaald, is het opbouwpercentage nihil.
3. In afwijking van het tweede lid wordt het opbouwpercentage niet gehalveerd gedurende de tijd dat de betrokkene voor 55 procent of meer algemeen invalide is en de invaliditeit veroorzaakt is door een dienstongeval.
4. Gedurende de tijd waarin de uitkering is verminderd vanwege toepassing van [artikel 7c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=7c&z=2022-10-01&g=2022-10-01), of vanwege inkomsten als bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=9&z=2022-10-01&g=2022-10-01), wordt het met toepassing van het eerste tot en met derde lid gevonden opbouwpercentage vermenigvuldigd met een factor die gelijk is aan de verminderde uitkering gedeeld door de uitkering zonder vermindering.
4. Gedurende de tijd waarin de uitkering is verminderd vanwege toepassing van [artikel 7c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=7c&z=2022-10-12&g=2022-10-12), of vanwege inkomsten als bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=9&z=2022-10-12&g=2022-10-12), wordt het met toepassing van het eerste tot en met derde lid gevonden opbouwpercentage vermenigvuldigd met een factor die gelijk is aan de verminderde uitkering gedeeld door de uitkering zonder vermindering.
##### Artikel 13d. **De pensioengrondslag**
1. De pensioengrondslag is gebaseerd op het pensioengevend loon verminderd met een bij een middelloonstelsel behorende franchise die wordt gehanteerd ten aanzien van overheidswerknemers. Het pensioengevend loon is de in het dienstjaar als Minister genoten bezoldiging, waaronder begrepen de vakantie-uitkering, de eindejaarsuitkering en een eenmalige uitkering, voor zover dit niet het in [artikel 18ga, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=18ga) genoemde bedrag te boven gaat, op de peildatum van 1 januari van een kalenderjaar of op de datum waarop betrokkene tot minister is benoemd.
2. Voor zover de betrokkene in het dienstjaar in het genot is van een uitkering als bedoeld in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&z=2022-10-01&g=2022-10-01), is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de pensioengrondslag wordt gebaseerd op de laatstelijk voor het ontslag als minister genoten bezoldiging. De bezoldiging wordt geïndexeerd op een wijze die aansluit bij de overeenkomstige indexering die wordt gehanteerd ten aanzien van het ouderdomspensioen van overheidswerknemers.
2. Voor zover de betrokkene in het dienstjaar in het genot is van een uitkering als bedoeld in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&z=2022-10-12&g=2022-10-12), is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de pensioengrondslag wordt gebaseerd op de laatstelijk voor het ontslag als minister genoten bezoldiging. De bezoldiging wordt geïndexeerd op een wijze die aansluit bij de overeenkomstige indexering die wordt gehanteerd ten aanzien van het ouderdomspensioen van overheidswerknemers.
##### Artikel 13e. **Het pensioen**
@@ -2902,7 +2902,7 @@
##### Artikel 13f. Verhoging ouderdomspensioen door omzetting van partnerpensioen
1. Een minister of gewezen minister kan bij de ingang van het pensioen de opgebouwde aanspraken op partnerpensioen als bedoeld in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5&z=2022-10-01&g=2022-10-01), omzetten in aanspraken op ouderdomspensioen.
1. Een minister of gewezen minister kan bij de ingang van het pensioen de opgebouwde aanspraken op partnerpensioen als bedoeld in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5&z=2022-10-12&g=2022-10-12), omzetten in aanspraken op ouderdomspensioen.
2. Met de keuze voor de omzetting vervalt de aanspraak op het partnerpensioen. De keuze is onherroepelijk.
@@ -2912,13 +2912,13 @@
##### Artikel 13g. Verlaging ouderdomspensioen door omzetting in partnerpensioen
1. Een gewezen minister kan na afloop van de uitkeringsduur, bedoeld in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=7&z=2022-10-01&g=2022-10-01), een deel van de tussen 1 augustus 2003 en 1 juli 2022 door hem opgebouwde aanspraken op ouderdomspensioen omzetten in een aanspraak op partnerpensioen bij overlijden voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.
1. Een gewezen minister kan na afloop van de uitkeringsduur, bedoeld in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=7&z=2022-10-12&g=2022-10-12), een deel van de tussen 1 augustus 2003 en 1 juli 2022 door hem opgebouwde aanspraken op ouderdomspensioen omzetten in een aanspraak op partnerpensioen bij overlijden voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.
2. Onze Minister doet binnen vier maanden voor de afloop van de uitkering mededeling van deze omzettingsmogelijkheid. De gewezen minister maakt zijn keuze voor een omzetting binnen zes weken na de mededeling schriftelijk aan Onze Minister kenbaar. Tot het einde van die termijn verkrijgt de gewezen minister een premievrije aanspraak op partnerpensioen overeenkomstig de tijd tot het aftreden van de minister.
3. De in het eerste lid bedoelde omzetting wordt gevolgd door een omzetting van de verkregen aanspraken op partnerpensioen in een aanspraak op ouderdomspensioen indien:
- a. de in het eerste lid bedoelde omzetting gevolgd wordt door een waardeoverdracht als bedoeld in [artikel 107](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=1&artikel=107&z=2022-10-01&g=2022-10-01);
- a. de in het eerste lid bedoelde omzetting gevolgd wordt door een waardeoverdracht als bedoeld in [artikel 107](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=1&artikel=107&z=2022-10-12&g=2022-10-12);
- b. de gewezen minister opnieuw minister wordt;
@@ -2940,7 +2940,7 @@
1. Als het pensioen op de dag van ingang op jaarbasis minder bedraagt dan het bedrag bedoeld in [artikel 66, eerste lid, van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=66), wordt dit pensioen afgekocht door een uitkering ineens, mits de minister of gewezen minister daarmee instemt.
2. Onze Minister kan een pensioen als bedoeld in het eerste lid eveneens afkopen, mits Onze Minister na het ontslag van de belanghebbende als minister ten minste vijf maal tevergeefs heeft gepoogd de overdrachtswaarde over te dragen als bedoeld in [artikel 13j, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13j&z=2022-10-01&g=2022-10-01), en na het ontslag ten minste vijf jaar is verstreken.
2. Onze Minister kan een pensioen als bedoeld in het eerste lid eveneens afkopen, mits Onze Minister na het ontslag van de belanghebbende als minister ten minste vijf maal tevergeefs heeft gepoogd de overdrachtswaarde over te dragen als bedoeld in [artikel 13j, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13j&z=2022-10-12&g=2022-10-12), en na het ontslag ten minste vijf jaar is verstreken.
3. Bij de vaststelling van de uitkering ineens wordt aangesloten bij de berekening die in overeenkomstige gevallen wordt gehanteerd ten aanzien van overheidswerknemers. [Artikel 66, zevende lid, van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=66) is van overeenkomstige toepassing.
@@ -2960,21 +2960,21 @@
### Hoofdstuk 8. Overgangsbepalingen
##### Artikel 39b. (behoort bij [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&z=2022-10-01&g=2022-10-01))
##### Artikel 39b. (behoort bij [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&z=2022-10-12&g=2022-10-12))
1. Uitkeringen ter zake van een ontslag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de [Wet aanpassing pensioenleeftijd Appa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033719) worden verstrekt overeenkomstig de regels zoals die golden op de dag voorafgaand aan dat tijdstip.
2. De uitkering van een betrokkene ter zake van een ontslag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de [Wet aanpassing pensioenleeftijd Appa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033719) wordt voortgezet tot zijn pensioengerechtigde leeftijd indien zij is toegekend op grond van [artikel 7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=7&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
##### Artikel 40b. (behoort bij [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&z=2022-10-01&g=2022-10-01))
1. Pensioenaanspraken en pensioenen kunnen met toepassing van [artikel 13h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13h&z=2022-10-01&g=2022-10-01) worden verlaagd vanaf de inwerkingtreding van de [Wet aanpassing pensioenleeftijd Appa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033719).
2. De uitkering van een betrokkene ter zake van een ontslag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de [Wet aanpassing pensioenleeftijd Appa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033719) wordt voortgezet tot zijn pensioengerechtigde leeftijd indien zij is toegekend op grond van [artikel 7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&artikel=7&z=2022-10-12&g=2022-10-12).
##### Artikel 40b. (behoort bij [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&z=2022-10-12&g=2022-10-12))
1. Pensioenaanspraken en pensioenen kunnen met toepassing van [artikel 13h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13h&z=2022-10-12&g=2022-10-12) worden verlaagd vanaf de inwerkingtreding van de [Wet aanpassing pensioenleeftijd Appa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033719).
2. Bij de toepassing kunnen tevens de pensioenaanspraken worden verlaagd die zijn opgebouwd vóór de inwerkingtreding van de [Wet aanpassing pensioenleeftijd Appa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033719). De verlaging kan eveneens betrekking hebben op de pensioenen die zijn gebaseerd op pensioenaanspraken die zijn opgebouwd vóór die inwerkingtreding.
3. De toepassing vindt plaats ter zake van een verlaging door het pensioenfonds ABP vanaf 1 januari 2013.
##### Artikel 45a. (behoort bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5&z=2022-10-01&g=2022-10-01))
##### Artikel 45a. (behoort bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5&z=2022-10-12&g=2022-10-12))
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels gesteld worden omtrent de bepaling van het partnerpensioen, het bijzonder partnerpensioen, het wezenpensioen en het tijdelijk pensioen in verband met de inwerkingtreding van de [Wet aanpassing pensioenleeftijd Appa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033719).
@@ -3000,7 +3000,7 @@
### Hoofdstuk 15. Overgangsbepalingen
##### Artikel 84c. (behoort bij [hoofdstuk 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&z=2022-10-01&g=2022-10-01))
##### Artikel 84c. (behoort bij [hoofdstuk 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&z=2022-10-12&g=2022-10-12))
1. De uitkering van een betrokkene wordt voortgezet tot zijn pensioengerechtigde leeftijd indien hij:
@@ -3010,13 +3010,13 @@
- c. bij de herbenoeming ten minste 50 jaar oud was en
- d. voldoet aan de in [artikel 52, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=52&z=2022-10-01&g=2022-10-01), bedoelde eisen ten aanzien van de diensttijd.
- d. voldoet aan de in [artikel 52, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=52&z=2022-10-12&g=2022-10-12), bedoelde eisen ten aanzien van de diensttijd.
2. Uitkeringen ter zake van een aftreden vóór 27 juli 2013 worden verstrekt overeenkomstig de regels zoals die golden op de dag voorafgaand aan dat tijdstip.
3. De uitkering van een betrokkene ter zake van een aftreden vóór 27 juli 2013 wordt voortgezet tot zijn pensioengerechtigde leeftijd indien zij is toegekend op grond van [artikel 52, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=52&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
4. [Artikel 52, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=52&z=2022-10-01&g=2022-10-01), is niet van toepassing op een ontslag of aftreden dat is ingegaan voor de datum van inwerkingtreding van de [Wet verkorting duur voortgezette uitkering Appa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036870).
3. De uitkering van een betrokkene ter zake van een aftreden vóór 27 juli 2013 wordt voortgezet tot zijn pensioengerechtigde leeftijd indien zij is toegekend op grond van [artikel 52, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=52&z=2022-10-12&g=2022-10-12).
4. [Artikel 52, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&artikel=52&z=2022-10-12&g=2022-10-12), is niet van toepassing op een ontslag of aftreden dat is ingegaan voor de datum van inwerkingtreding van de [Wet verkorting duur voortgezette uitkering Appa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036870).
5. Een belanghebbende die op de datum van inwerkingtreding van de [Wet verkorting duur voortgezette uitkering Appa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036870) Kamerlid is, wordt bij zijn aftreden een uitkering verstrekt overeenkomstig de regels zoals die golden op de dag voorafgaand aan die datum.
@@ -3024,13 +3024,13 @@
- a. negen jaar en zeven maanden of minder verwijderd is van de pensioengerechtigde leeftijd die is vastgesteld voor het kalenderjaar vijf jaren na aftreden, en
- b. in het tijdvak van twaalf jaren ten minste tien jaren een functie heeft bekleed als genoemd in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Eerste&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
##### Artikel 85b. (behoort bij [hoofdstuk 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=11&z=2022-10-01&g=2022-10-01))
Vervallen
##### Artikel 90a. (behoort bij [hoofdstuk 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=12&z=2022-10-01&g=2022-10-01))
- b. in het tijdvak van twaalf jaren ten minste tien jaren een functie heeft bekleed als genoemd in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Eerste&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2022-10-12&g=2022-10-12).
##### Artikel 85b. (behoort bij [hoofdstuk 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=11&z=2022-10-12&g=2022-10-12))
Vervallen
##### Artikel 90a. (behoort bij [hoofdstuk 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=12&z=2022-10-12&g=2022-10-12))
Vervallen
@@ -3066,13 +3066,13 @@
##### Artikel 158a
De rijksbelastingdienst verstrekt Onze Minister de benodigde gegevens ten behoeve van de verrekening van een belanghebbende van inkomsten met een uitkering als bedoeld in de [hoofdstukken 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&z=2022-10-01&g=2022-10-01) en [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
De rijksbelastingdienst verstrekt Onze Minister de benodigde gegevens ten behoeve van de verrekening van een belanghebbende van inkomsten met een uitkering als bedoeld in de [hoofdstukken 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&z=2022-10-12&g=2022-10-12), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Derde&hoofdstuk=10&z=2022-10-12&g=2022-10-12) en [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&z=2022-10-12&g=2022-10-12).
### Hoofdstuk 26. Aanpassing der pensioenen aan algemene bezoldigingswijzigingen
### Hoofdstuk 28. Algemene bepalingen
##### Artikel 163ca. (behoort bij [hoofdstuk 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&z=2022-10-01&g=2022-10-01))
##### Artikel 163ca. (behoort bij [hoofdstuk 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&z=2022-10-12&g=2022-10-12))
1. De uitkering van een betrokkene wordt voortgezet tot zijn pensioengerechtigde leeftijd indien hij:
@@ -3082,7 +3082,7 @@
- c. bij zijn herbenoeming ten minste 50 jaar oud was en
- d. voldoet aan de in [artikel 132, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=132&z=2022-10-01&g=2022-10-01), bedoelde eisen ten aanzien van de diensttijd.
- d. voldoet aan de in [artikel 132, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=132&z=2022-10-12&g=2022-10-12), bedoelde eisen ten aanzien van de diensttijd.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een lid van het dagelijks bestuur van een waterschap dat geen overheidswerknemer in de zin van de [Wet privatisering ABP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007791) is, met dien verstande dat het betreft de eerstvolgende verkiezingen voor het algemeen bestuur van het waterschap na 27 februari 2010.
@@ -3098,21 +3098,21 @@
4. Uitkeringen ter zake van een ontslag of aftreden vóór 27 juli 2013 worden verstrekt overeenkomstig de regels zoals die golden op de dag voorafgaand aan dat tijdstip.
5. De uitkering van een betrokkene ter zake van een ontslag of aftreden vóór 27 juli 2013 wordt voortgezet tot zijn pensioengerechtigde leeftijd indien zij is toegekend op grond van [artikel 132, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=132&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
6. [Artikel 132, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=132&z=2022-10-01&g=2022-10-01), is niet van toepassing op een ontslag of aftreden dat is ingegaan voor de datum van inwerkingtreding van de [Wet verkorting duur voortgezette uitkering Appa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036870).
5. De uitkering van een betrokkene ter zake van een ontslag of aftreden vóór 27 juli 2013 wordt voortgezet tot zijn pensioengerechtigde leeftijd indien zij is toegekend op grond van [artikel 132, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=132&z=2022-10-12&g=2022-10-12).
6. [Artikel 132, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=21&artikel=132&z=2022-10-12&g=2022-10-12), is niet van toepassing op een ontslag of aftreden dat is ingegaan voor de datum van inwerkingtreding van de [Wet verkorting duur voortgezette uitkering Appa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036870).
7. Een belanghebbende die op de datum van inwerkingtreding van de [Wet verkorting duur voortgezette uitkering Appa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036870) gedeputeerde is, wordt bij ontslag of aftreden een uitkering verstrekt overeenkomstig de regels zoals die golden op de dag vóór die datum.
##### Artikel 163f. (behoort bij [hoofdstuk 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=22&z=2022-10-01&g=2022-10-01))
Vervallen
##### Artikel 163g. (behoort bij [hoofdstuk 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=22&z=2022-10-01&g=2022-10-01))
Vervallen
##### Artikel 163h. (behoort bij [hoofdstuk 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=23&z=2022-10-01&g=2022-10-01))
##### Artikel 163f. (behoort bij [hoofdstuk 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=22&z=2022-10-12&g=2022-10-12))
Vervallen
##### Artikel 163g. (behoort bij [hoofdstuk 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=22&z=2022-10-12&g=2022-10-12))
Vervallen
##### Artikel 163h. (behoort bij [hoofdstuk 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=23&z=2022-10-12&g=2022-10-12))
Vervallen
@@ -3180,7 +3180,7 @@
- a. negen jaar en zeven maanden of minder verwijderd is van de pensioengerechtigde leeftijd die is vastgesteld voor het kalenderjaar vijf jaren na het ontslag of aftreden, en
- b. in het tijdvak van twaalf jaren dat aan de datum van herbenoeming voorafgaat ten minste tien jaren een functie heeft bekleed als genoemd in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Eerste&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
- b. in het tijdvak van twaalf jaren dat aan de datum van herbenoeming voorafgaat ten minste tien jaren een functie heeft bekleed als genoemd in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Eerste&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2022-10-12&g=2022-10-12).
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing bij een herbenoeming van een commissaris van de Koning, een burgemeester en een voorzitter van een waterschap.
@@ -3202,7 +3202,7 @@
1. Met uitkeringen en pensioenen op grond van deze afdeling kan worden verrekend hetgeen de gewezen of gepensioneerde minister of zijn nagelaten betrekkingen zelf als zodanig aan de Staat verschuldigd is.
2. Verrekening als bedoeld in het eerste lid kan plaatshebben ondanks gelegd beslag of toegepaste korting als bedoeld in [artikel 34e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=7a&artikel=34e&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
2. Verrekening als bedoeld in het eerste lid kan plaatshebben ondanks gelegd beslag of toegepaste korting als bedoeld in [artikel 34e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=7a&artikel=34e&z=2022-10-12&g=2022-10-12).
3. Verrekening als bedoeld in het eerste lid is slechts in zoverre geldig als een beslag op die uitkeringen of pensioenen geldig zou zijn, met dien verstande dat verrekening van hetgeen wegens genoten huisvesting of voeding is verschuldigd eveneens kan plaatsvinden met dat deel van de bezoldiging dat de beslagvrije voet, bedoeld in de [artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=475c) vormt.
@@ -3216,7 +3216,7 @@
##### Artikel 34f
Voor de toepassing van [artikel 475b, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=475b) worden, onverminderd [artikel 34d, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=7a&artikel=34d&z=2022-10-01&g=2022-10-01), en [artikel 34e, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=7a&artikel=34e&z=2022-10-01&g=2022-10-01), verrekening en korting gelijkgesteld met beslag.
Voor de toepassing van [artikel 475b, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=475b) worden, onverminderd [artikel 34d, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=7a&artikel=34d&z=2022-10-12&g=2022-10-12), en [artikel 34e, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=7a&artikel=34e&z=2022-10-12&g=2022-10-12), verrekening en korting gelijkgesteld met beslag.
##### Artikel 34g
@@ -3290,7 +3290,7 @@
1. Met uitkeringen en pensioenen op grond van dit hoofdstuk kan worden verrekend hetgeen de gewezen of gepensioneerde politieke ambtsdrager of zijn nagelaten betrekkingen zelf als zodanig aan de provincie, de gemeente of het waterschap verschuldigd is of zijn.
2. Verrekening als bedoeld in het eerste lid kan plaatshebben ondanks gelegd beslag of toegepaste korting als bedoeld in [artikel 162d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=28a&artikel=162d&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
2. Verrekening als bedoeld in het eerste lid kan plaatshebben ondanks gelegd beslag of toegepaste korting als bedoeld in [artikel 162d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=28a&artikel=162d&z=2022-10-12&g=2022-10-12).
3. Verrekening als bedoeld in het eerste lid is slechts in zoverre geldig als een beslag op die uitkeringen of pensioenen geldig zou zijn, met dien verstande dat verrekening van hetgeen wegens genoten huisvesting of voeding is verschuldigd eveneens kan plaatsvinden met dat deel van de bezoldiging dat de beslagvrije voet, bedoeld in de [artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=475c) vormt.
@@ -3304,7 +3304,7 @@
##### Artikel 162e
Voor de toepassing van [artikel 475b, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=475b) worden, onverminderd [artikel 162c, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=28a&artikel=162c&z=2022-10-01&g=2022-10-01), en [artikel 162d, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=28a&artikel=162d&z=2022-10-01&g=2022-10-01), verrekening en korting gelijkgesteld met beslag.
Voor de toepassing van [artikel 475b, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=475b) worden, onverminderd [artikel 162c, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=28a&artikel=162c&z=2022-10-12&g=2022-10-12), en [artikel 162d, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vijfde&hoofdstuk=28a&artikel=162d&z=2022-10-12&g=2022-10-12), verrekening en korting gelijkgesteld met beslag.
##### Artikel 162f
@@ -3358,71 +3358,71 @@
### Hoofdstuk 7a. Beslag, terugvordering, verrekening en korting
##### Artikel 40c. (behoort bij [artikel 13c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13c&z=2022-10-01&g=2022-10-01)) Pensioenopbouw tijdens uitkering
1. Ingeval aan een gewezen minister reeds voor 1 juli 2022 een uitkering als bedoeld in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&z=2022-10-01&g=2022-10-01) is toegekend, wordt in afwijking van [artikel 13c, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13c&z=2022-10-01&g=2022-10-01), het opbouwpercentage niet gehalveerd:
##### Artikel 40c. (behoort bij [artikel 13c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13c&z=2022-10-12&g=2022-10-12)) Pensioenopbouw tijdens uitkering
1. Ingeval aan een gewezen minister reeds voor 1 juli 2022 een uitkering als bedoeld in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=3&z=2022-10-12&g=2022-10-12) is toegekend, wordt in afwijking van [artikel 13c, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13c&z=2022-10-12&g=2022-10-12), het opbouwpercentage niet gehalveerd:
- a. gedurende de eerste drie jaar en twee maanden van de uitkeringsperiode, te rekenen vanaf de datum waarop de uitkering is toegekend; en
- b. gedurende de periode waarin de uitkering langer dan drie jaar en twee maanden wordt genoten en betrokkene voor 55 procent of meer algemeen invalide is.
2. Bij een ontslag van een belanghebbende die op 1 juli 2022 het ambt van minister vervult is in afwijking van [artikel 13c, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13c&z=2022-10-01&g=2022-10-01), het eerste lid van overeenkomstige toepassing, tenzij de belanghebbende dit ambt opnieuw bekleedt in het eerstvolgende kabinet dat aantreedt na die datum.
3. Het opbouwpercentage, bedoeld in [artikel 13c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13c&z=2022-10-01&g=2022-10-01), is nul indien de betrokkene daarom reeds voor 1 juli 2022 heeft verzocht.
##### Artikel 40d. (behoort bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5&z=2022-10-01&g=2022-10-01)) Anw-compensatie
1. De partner aan wie op grond van deze wet een partnerpensioen is toegekend in verband met een overlijden voor 1 oktober 2022 en die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt maar geen recht heeft op een nabestaandenuitkering ingevolge de [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795), ontvangt tot hij die leeftijd bereikt een toeslag op zijn volgens [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=22&z=2022-10-01&g=2022-10-01) berekende pensioen, indien dat is berekend of mede is berekend over diensttijd na 31 december 1985.
2. Bij een ontslag van een belanghebbende die op 1 juli 2022 het ambt van minister vervult is in afwijking van [artikel 13c, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13c&z=2022-10-12&g=2022-10-12), het eerste lid van overeenkomstige toepassing, tenzij de belanghebbende dit ambt opnieuw bekleedt in het eerstvolgende kabinet dat aantreedt na die datum.
3. Het opbouwpercentage, bedoeld in [artikel 13c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=4&artikel=13c&z=2022-10-12&g=2022-10-12), is nul indien de betrokkene daarom reeds voor 1 juli 2022 heeft verzocht.
##### Artikel 40d. (behoort bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5&z=2022-10-12&g=2022-10-12)) Anw-compensatie
1. De partner aan wie op grond van deze wet een partnerpensioen is toegekend in verband met een overlijden voor 1 oktober 2022 en die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt maar geen recht heeft op een nabestaandenuitkering ingevolge de [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795), ontvangt tot hij die leeftijd bereikt een toeslag op zijn volgens [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=22&z=2022-10-12&g=2022-10-12) berekende pensioen, indien dat is berekend of mede is berekend over diensttijd na 31 december 1985.
2. De toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het partnerpensioen tellend jaar na 31 december 1985 2,5 procent van 75 procent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de nabestaandenuitkering en de vakantie-uitkering ingevolge de [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795), zoals die wet geldt op 1 januari van het jaar waarin recht op partnerpensioen ontstaat.
3. Indien de partner, bedoeld in het eerste lid, bij de toekenning van het partnerpensioen jonger was dan 40 jaar, wordt de toeslag toegekend voor een periode van ten hoogste 12 maanden.
4. De toeslag wordt met ingang van 1 januari van ieder jaar aangepast volgens de regels, bedoeld in [artikel 105, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=1&artikel=105&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
4. De toeslag wordt met ingang van 1 januari van ieder jaar aangepast volgens de regels, bedoeld in [artikel 105, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=1&artikel=105&z=2022-10-12&g=2022-10-12).
5. Het recht op toeslag eindigt met ingang van de dag waarop de partner de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.
6. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de partner aan wie op grond van deze wet een partnerpensioen is toegekend in verband met een overlijden binnen vijf jaar na 1 oktober 2022 en die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, maar geen recht heeft op een nabestaandenuitkering ingevolge de [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795), indien de overledene aantoonbaar reeds ten tijde van het tijdstip van inwerkingtreding van de [Wet aanpassing Appa en enkele andere wetten 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045388) ongeneeslijk ziek was en daardoor of door andere blijvende omstandigheden voor die datum geen aanvullende nabestaandenverzekering bij een verzekeraar heeft kunnen afsluiten tegen ten hoogste de dubbele basispremie.
##### Artikel 40e. (behoort bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5&z=2022-10-01&g=2022-10-01)) Compensatie lagere Anw
1. De partner aan wie op grond van deze wet een partnerpensioen is toegekend in verband met een overlijden voor 1 oktober 2022 en die recht heeft op een nabestaandenuitkering ingevolge de [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795), waarop inkomen in mindering wordt gebracht, heeft recht op een toeslag op zijn volgens [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=22&z=2022-10-01&g=2022-10-01) berekende pensioen, indien dat is berekend of mede is berekend over diensttijd na 31 december 1985.
##### Artikel 40e. (behoort bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5&z=2022-10-12&g=2022-10-12)) Compensatie lagere Anw
1. De partner aan wie op grond van deze wet een partnerpensioen is toegekend in verband met een overlijden voor 1 oktober 2022 en die recht heeft op een nabestaandenuitkering ingevolge de [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795), waarop inkomen in mindering wordt gebracht, heeft recht op een toeslag op zijn volgens [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=22&z=2022-10-12&g=2022-10-12) berekende pensioen, indien dat is berekend of mede is berekend over diensttijd na 31 december 1985.
2. Recht op toeslag heeft eveneens de partner aan wie in het tijdvak van 1 juli 1996 tot 1 juli 1999 nabestaandenpensioen is toegekend en op wiens uitkering ingevolge de [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795) in dat tijdvak inkomen in mindering is gebracht.
3. De toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het partnerpensioen tellend jaar na 31 december 1985 2,5 procent van het verschil tussen 75 procent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de nabestaandenuitkering en de vakantie-uitkering ingevolge de [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795), zoals die wet geldt op 1 januari van het jaar waarin recht op partnerpensioen ontstaat, zonder de vermindering en het verminderde bedrag. De toeslag bedraagt niet meer dan 75 procent van het in de eerste volzin eerstbedoelde bedrag en kan niet negatief zijn. De toeslag wordt nader vastgesteld:
- a. met ingang van 1 januari van ieder jaar volgens de regels, bedoeld in [artikel 105, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=1&artikel=105&z=2022-10-01&g=2022-10-01);
- a. met ingang van 1 januari van ieder jaar volgens de regels, bedoeld in [artikel 105, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=1&artikel=105&z=2022-10-12&g=2022-10-12);
- b. bij iedere nadere vaststelling van de vermindering van een uitkering ingevolge de [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795).
4. [Artikel 40d, vierde, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=8&artikel=40d&z=2022-10-01&g=2022-10-01), zijn mede van toepassing op de toeslag ingevolge dit artikel.
##### Artikel 40f. (behoort bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5&z=2022-10-01&g=2022-10-01)) compensatie Aow-premie
1. De partner die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, heeft tot de dag waarop hij die leeftijd bereikt recht op een toeslag op zijn volgens [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=22&z=2022-10-01&g=2022-10-01) berekende pensioen ten bedrage van 15 procent van dat pensioen voor zover dat is berekend over diensttijd vóór 1 augustus 2003 en van 7,5 procent voor zover berekend over de diensttijd na 31 juli 2003, behoudens het bepaalde in het tweede en derde lid.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een pensioen als daar bedoeld verstaan het pensioen nadat eventueel [hoofdstuk 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=17&z=2022-10-01&g=2022-10-01) toepassing heeft gevonden.
4. [Artikel 40d, vierde, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=8&artikel=40d&z=2022-10-12&g=2022-10-12), zijn mede van toepassing op de toeslag ingevolge dit artikel.
##### Artikel 40f. (behoort bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5&z=2022-10-12&g=2022-10-12)) compensatie Aow-premie
1. De partner die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, heeft tot de dag waarop hij die leeftijd bereikt recht op een toeslag op zijn volgens [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=22&z=2022-10-12&g=2022-10-12) berekende pensioen ten bedrage van 15 procent van dat pensioen voor zover dat is berekend over diensttijd vóór 1 augustus 2003 en van 7,5 procent voor zover berekend over de diensttijd na 31 juli 2003, behoudens het bepaalde in het tweede en derde lid.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een pensioen als daar bedoeld verstaan het pensioen nadat eventueel [hoofdstuk 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=17&z=2022-10-12&g=2022-10-12) toepassing heeft gevonden.
3. De compensatie bedraagt niet meer dan het voor overheidswerknemers gestelde grensbedrag voor compensatie voor premiebetaling AOW/Anw over nabestaandenpensioen.
4. Dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van degene die recht heeft op bijzonder partnerpensioen.
##### Artikel 40g. (behoort bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5&z=2022-10-01&g=2022-10-01) en [artikel 115](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=3&artikel=115&z=2022-10-01&g=2022-10-01)) leeftijd wees
1. In afwijking van [artikel 18, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=18&z=2022-10-01&g=2022-10-01), heeft de wees van een minister, gewezen minister of gepensioneerd minister die voor 1 juli 2022 is overleden, recht op een wezenpensioen, zolang hij de leeftijd van eenentwintig jaren nog niet heeft bereikt.
2. In afwijking van [artikel 115, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=3&artikel=115&z=2022-10-01&g=2022-10-01), eindigt het wezenpensioen, bedoeld in het eerste lid, op de laatste dag van de maand waarin de wees de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt of betrokken is bij een partnerschap.
##### Artikel 40h. (behoort bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5&z=2022-10-01&g=2022-10-01)) Anw-compensatie en toeslag wezenpensioen
##### Artikel 40g. (behoort bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5&z=2022-10-12&g=2022-10-12) en [artikel 115](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=3&artikel=115&z=2022-10-12&g=2022-10-12)) leeftijd wees
1. In afwijking van [artikel 18, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=18&z=2022-10-12&g=2022-10-12), heeft de wees van een minister, gewezen minister of gepensioneerd minister die voor 1 juli 2022 is overleden, recht op een wezenpensioen, zolang hij de leeftijd van eenentwintig jaren nog niet heeft bereikt.
2. In afwijking van [artikel 115, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=18¶graaf=3&artikel=115&z=2022-10-12&g=2022-10-12), eindigt het wezenpensioen, bedoeld in het eerste lid, op de laatste dag van de maand waarin de wees de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt of betrokken is bij een partnerschap.
##### Artikel 40h. (behoort bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5&z=2022-10-12&g=2022-10-12)) Anw-compensatie en toeslag wezenpensioen
1. Een wees met recht op wezenpensioen heeft, voor zover dat pensioen is berekend over de diensttijd voor 1 oktober 2022, vanaf de eerste dag van de maand waarin hij de leeftijd van vijftien jaar heeft bereikt recht op een toeslag van vijftien procent van het wezenpensioen.
2. Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder wezenpensioen verstaan het pensioen nadat eventueel [hoofdstuk 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=17&z=2022-10-01&g=2022-10-01) toepassing heeft gevonden.
2. Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder wezenpensioen verstaan het pensioen nadat eventueel [hoofdstuk 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Vierde&hoofdstuk=17&z=2022-10-12&g=2022-10-12) toepassing heeft gevonden.
3. De in het eerste lid bedoelde compensatie gaat niet uit boven het fiscale maximum als bedoeld in de [Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471) een bedraagt niet meer dan het voor wezen van overheidswerknemers gestelde grensbedrag.
4. Voor de toepassing van [artikel 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=27&z=2022-10-01&g=2022-10-01) wordt de toeslag op grond van dit artikel buiten beschouwing gelaten.
4. Voor de toepassing van [artikel 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&afdeling=Tweede&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=27&z=2022-10-12&g=2022-10-12) wordt de toeslag op grond van dit artikel buiten beschouwing gelaten.
### afdeling Derde. Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
2022-10-01
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers — arts. 123,
2022-07-01
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers — art. 13
2021-01-01
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers — arts. 30,
2020-01-01
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers
2019-01-01
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers — arts. 30,
2017-07-01
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers — arts. 30,
2016-01-01
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers
2015-01-01
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers — arts. 30,
2014-04-01
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers — arts. 30,
2014-03-19
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers — arts. 30,
2014-01-06
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers — arts. 30,
2013-07-27
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers
2013-07-01
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers — arts. 30,
2013-04-01
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers — arts. 30,
2013-01-01
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers
2012-09-18
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers
2012-04-01
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers — arts. 30,
2011-11-19
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers
2011-08-03
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers
2011-01-01
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers — arts. 30,
2010-10-11
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers
2010-03-24
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers
2010-02-27
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers
2010-01-01
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers — arts. 30,
2009-01-01
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers — arts. 30,
2008-12-31
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers — arts. 30,
2008-07-11
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers — arts. 30,
2008-01-01
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers — arts. 30,
2007-06-06
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers — arts. 30,
2007-02-07
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers — arts. 30,
2007-01-01
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers — arts. 30,
2006-12-02
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers — arts. 30,
2006-10-11
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers
2006-01-01
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers — arts. 30,
2005-11-02
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers — arts. 30,
2005-02-23
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers — arts. 30,
2005-01-01
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers — arts. 30,
2004-02-05
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers — arts. 30,
2004-01-01
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers — arts. 30,
2003-07-16
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers — arts. 30,
2003-03-14
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers — arts. 30,
2003-02-19
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers — arts. 30,
2003-01-01
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers — arts. 30,
2002-12-12
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers — arts. 30,
2002-03-07
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers — arts. 30,
2002-01-01
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers — arts. 2, 5
2002-01-01
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers — versión
original version
Tekst op deze datum