Wet van 13 juni 1979, houdende regelen met betrekking tot een aantal algemene onderwerpen op het gebied van de milieuhygiëne

Type Wet
Publication 2026-08-01
Laatst bijgewerkt 2026-08-13
State In force
Source BWB
artikelen 1977
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
2.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen leveringen van bepaalde vloeibare biobrandstoffen afkomstig van landen buiten Nederland worden uitgezonderd van het eerste lid, onderdeel b, ten aanzien van de verplichting om de massabalans van biobrandstoffen te voeren over de opslaglocatie waar de vloeibare biobrandstof zich direct voorafgaand aan de levering aan de Nederlandse markt voor vervoer bevond.

Artikel 9.7.4.3

De in te boeken gasvormige biobrandstof voldoet aan:

Artikel 9.7.4.4

De in te boeken vloeibare of gasvormige hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong:

Artikel 9.7.4.5
1.

Bij ministeriële regeling:

2.

De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, worden door de inboeker bewaard gedurende ten minste vijf jaar na het kalenderjaar waarin de inboeking plaatsvond.

Artikel 9.7.4.6
1.

Het bestuur van de emissieautoriteit schrijft voor één kg CO2-equivalent-ketenemissiereductie die is ingeboekt in het register op de rekening van de inboeker:

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de berekening van de CO2-equivalent-ketenemissiereductie.

3.

De hoeveelheid ingeboekte CO2-equivalent-ketenemissiereductie wordt per soort emissiereductie-eenheid naar beneden afgerond op één kilogram.

4.

In afwijking van het eerste lid schrijft het bestuur van de emissieautoriteit voor een door een importeur ingeboekte hoeveelheid hernieuwbare energie emissiereductie-eenheden bij op de rekening van die importeur, nadat die importeur volgens bij ministeriële regeling gestelde regels heeft aangetoond dat die hoeveelheid hernieuwbare energie aan de Nederlandse markt is geleverd.

5.

In afwijking van het eerste lid, onderdeel f, kan het bestuur van de emissieautoriteit een aantal emissiereductie-eenheden overig bijschrijven ter grootte van de CO2-equivalent-ketenemissiereductie, vermenigvuldigd met een bij ministeriële regeling vast te stellen factor kleiner dan één, voor de grondstoffen van het eerste lid, onderdeel f, waarbij een onderscheid per grondstof gemaakt kan worden.

6.

Een geleverde biobrandstof die geproduceerd is uit voedsel- en voedergewassen wordt geacht niet als tussenteelt op landbouwgrond te zijn geteeld en te hebben geleid tot de vraag naar meer land, tenzij de inboeker het tegendeel aantoont.

7.

In afwijking van het eerste lid schrijft het bestuur van de emissieautoriteit een aantal emissiereductie-eenheden bij ter grootte van een bij ministeriële regeling vastgesteld gedeelte van de CO2-equivalent-ketenemissiereductie van de hoeveelheid ingeboekte elektriciteit.

Artikel 9.7.4.7
1.

Het bestuur van de emissieautoriteit maakt ieder jaar op bij ministeriële regeling te bepalen momenten een overzicht per sector als bedoeld in artikel 9.7.3.2, eerste lid, van het aantal per soort beschikbare emissiereductie-eenheden openbaar.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het openbaar maken, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 9.7.4.8
1.

De inboeker die een vloeibare biobrandstof levert die is uitgezonderd van het vereiste van artikel 9.7.4.2, eerste lid, onderdeel b, overlegt voor 1 mei van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin hij de vloeibare biobrandstof heeft geleverd aan het bestuur van de emissieautoriteit een verklaring van een verificateur waaruit blijkt dat de geleverde brandstof vervaardigd is uit biomassa.

2.

De inboeker die een hoeveelheid biobrandstof als bedoeld in het eerste lid inboekt, beschikt over een verklaring van een verificateur dat die biobrandstof voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in dat lid.

3.

De verificateur geeft geen verklaring af indien niet is voldaan aan de eisen, bedoeld in het eerste lid.

4.

De verificateur bewaart alle gegevens en documentatie met betrekking tot de verificatie gedurende ten minste vijf jaar na afloop van het kalenderjaar waarop de verificatie betrekking heeft.

5.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere eisen worden gesteld aan de verificateur en de verificatie.

Artikel 9.7.4.9

Voor hernieuwbare energie die tussen 1 januari en 1 april van enig kalenderjaar wordt geleverd en ingeboekt in het register, schrijft het bestuur van de emissieautoriteit na 1 mei van dat kalenderjaar de emissiereductie-eenheden bij op de rekening van de inboeker.

Artikel 9.7.4.10

Een hoeveelheid hernieuwbare energie die wordt ingeboekt in het register is niet als duurzaam overgedragen en wordt niet nog een keer ingeboekt in het register.

Artikel 9.7.4.11
1.

Het bestuur van de emissieautoriteit kan het bijschrijven van emissiereductie-eenheden opschorten of weigeren indien het misbruik of fraude vermoedt dan wel andere redenen heeft om aan te nemen dat niet wordt voldaan aan de bij of krachtens deze paragraaf gestelde eisen.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het opschorten of weigeren, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 9.7.4.12
1.

De inboeker overlegt voor 1 mei van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin hij de hernieuwbare energie heeft geleverd aan het bestuur van de emissieautoriteit een verklaring van een verificateur waaruit blijkt dat, voor zover van toepassing, is voldaan aan de bij of krachtens de artikelen 9.7.4.1 tot en met 9.7.4.5, eerste lid, 9.7.4.8 en 9.7.4.10 gestelde eisen.

2.

De verificateur geeft geen verklaring af indien niet is voldaan aan de eisen, bedoeld in het eerste lid.

3.

De verificateur bewaart alle gegevens en documentatie met betrekking tot de verificatie gedurende ten minste vijf jaar na afloop van het kalenderjaar waarop de verificatie betrekking heeft.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere eisen worden gesteld aan de verificateur en de verificatie.

Artikel 9.7.4.13
1.

Indien naar het oordeel van het bestuur van de emissieautoriteit niet is voldaan aan de bij of krachtens deze paragraaf gestelde eisen voor het inboeken in het register van een hoeveelheid hernieuwbare energie of de verificatie, bedoeld in artikel 9.7.4.12, kan het bestuur die hoeveelheid en de kenmerken van die hoeveelheid, tot vijf jaar na het kalenderjaar van inboeken ambtshalve vaststellen.

2.

Indien uit de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, volgt dat de inboeker te veel emissiereductie-eenheden heeft ontvangen voor de geleverde hoeveelheid hernieuwbare energie, wordt per sector als bedoeld in artikel 9.7.3.2, eerste lid, het aantal per soort emissiereductie-eenheden dat die inboeker te veel heeft ontvangen, afgeschreven van de rekening van die inboeker.

3.

Indien uit de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, volgt dat de inboeker te weinig emissiereductie-eenheden heeft ontvangen voor de geleverde hoeveelheid hernieuwbare energie, wordt per sector als bedoeld in artikel 9.7.3.2, eerste lid, het aantal per soort emissiereductie-eenheden dat die inboeker te weinig heeft ontvangen, bijgeschreven op de rekening van die inboeker. Het bestuur van de emissieautoriteit houdt hierbij rekening met artikel 9.7.5.6.

4.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van het eerste, tweede en derde lid.

5.

Indien per sector als bedoeld in artikel 9.7.3.2, eerste lid, het aantal per soort emissiereductie-eenheden op de rekening van de inboeker als gevolg van de toepassing van het tweede lid leidt tot een negatief saldo aan emissiereductie-eenheden, vult hij het tekort aan binnen drie kalendermaanden.

Artikel 9.7.4.14
1.

De emissieautoriteit maakt ieder jaar een overzicht openbaar, waarin per inboeker van biobrandstof de aard, herkomst en de CO2-equivalent-ketenemissiereductie van de door die inboeker ingeboekte biobrandstoffen alsmede het door die inboeker gehanteerde duurzaamheidssysteem zijn opgenomen. Artikel 5.1, eerste en tweede lid, van de Wet open overheid is van overeenkomstige toepassing.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de inhoud en de wijze van openbaarmaking van het overzicht, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 9.7.5.1
1.

Er is een elektronisch register hernieuwbare energie.

2.

Het register wordt beheerd door de emissieautoriteit.

3.

Het register bestaat uit de rekeningen, bedoeld in artikel 9.7.5.3, met een onderscheid naar sectoren als bedoeld in artikel 9.7.3.2, eerste lid.

Artikel 9.7.5.2
1.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de werking, organisatie, beschikbaarheid en beveiliging van het register.

2.

Het bestuur van de emissieautoriteit kan voorwaarden voor het gebruik van het register vaststellen.

Artikel 9.7.5.3
1.

Het bestuur van de emissieautoriteit opent op verzoek van de leverancier tot eindverbruik op diens naam een rekening in het register met jaarverplichtingfaciliteit en met overboekfaciliteit.

2.

Het bestuur van de emissieautoriteit opent op verzoek van een inboeker op diens naam een rekening in het register met inboekfaciliteit en met overboekfaciliteit.

3.

Het bestuur van de emissieautoriteit opent op verzoek van een andere onderneming dan die bedoeld in het eerste of tweede lid, die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie, op diens naam een rekening in het register met overboekfaciliteit.

4.

Het bestuur van de emissieautoriteit opent op naam van een onderneming niet meer dan één rekening. Een rekening kan alle in het eerste en tweede lid genoemde faciliteiten omvatten.

5.

Het bestuur van de emissieautoriteit opent in het register een afboekrekening.

6.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het openen, bijhouden en beheer van de rekeningen in het register.

Artikel 9.7.5.4
1.

Het bestuur van de emissieautoriteit kan indien het redenen heeft om aan te nemen dat er sprake is van fraude of misbruik of dat niet wordt voldaan aan de bij of krachtens deze titel gestelde eisen voor het hebben van een rekening in het register of voor het gebruik van die rekening:

2.

Het bestuur van de emissieautoriteit kan op verzoek van de rekeninghouder een rekening opheffen.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de toepassing van het eerste lid en kunnen regels worden gesteld over de toepassing van het tweede lid.

4.

De emissiereductie-eenheden op een opgeheven rekening vervallen van rechtswege.

Artikel 9.7.5.5
1.

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat voor het openen en bijhouden van een rekening met overboekfaciliteit, inboekfaciliteit of jaarverplichtingfaciliteit een vergoeding verschuldigd is overeenkomstig de bij die regeling te stellen regels.

2.

Bij de regeling, bedoeld in het eerste lid:

Artikel 9.7.5.6
1.

Van het aantal per soort per sector emissiereductie-eenheden op 1 april van enig kalenderjaar op de rekening in het register van een leverancier tot eindverbruik, nadat het bestuur van de emissieautoriteit toepassing heeft gegeven aan artikel 9.7.2.5, eerste lid, onderdeel b, op de rekening in het register van een inboeker of op de rekening in het register van een onderneming als bedoeld in artikel 9.7.5.3. derde lid, wordt een gedeelte gespaard ten behoeve van het direct daaropvolgende kalenderjaar.

2.

Van de rekening in het register van de leverancier tot eindverbruik en van de rekening in het register van de inboeker worden uitsluitend emissiereductie-eenheden per soort gespaard van de sector waarin ze leverancier tot eindverbruik onderscheidenlijk inboeker zijn.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent het gedeelte, bedoeld in het eerste lid, en de volgorde waarin per sector als bedoeld in artikel 9.7.3.2, eerste lid, de soort emissiereductie-eenheden gespaard worden. Voor de leverancier tot eindverbruik, de inboeker of de onderneming, bedoeld in artikel 9.7.5.3, derde lid, kunnen verschillende regels worden vastgesteld omtrent het gedeelte, bedoeld in het eerste lid.

4.

De emissiereductie-eenheden die niet worden gespaard, vervallen van rechtswege.

Artikel 9.7.6.1
1.

De producent van biobrandstoffen bepaalt en controleert:

en voert hierover een goede boekhouding.

2.

De producent van waterstof uit elektriciteit uit hernieuwbare bronnen, niet zijnde biomassa, controleert:

en voert hierover een goede boekhouding.

3.

De producent van een hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong controleert:

en voert hierover een goede boekhouding.

4.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over het eerste tot en met derde lid.

Artikel 9.7.6.2
1.

Een onderneming of een partij die gecertificeerd is volgens een duurzaamheidssysteem voert een massabalans van biobrandstoffen over duurzame grondstof voor biobrandstof en duurzame biobrandstof en controleert de broeikasgasemissiegegevens.

2.

Een onderneming of een partij die gecertificeerd is volgens een vrijwillig systeem voert een massabalans van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong.

3.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de massabalans.

Artikel 9.7.6.3
1.

Het bestuur van de emissieautoriteit houdt toezicht op een certificeringsorgaan:

2.

Het bestuur van de emissieautoriteit brengt het duurzaamheidsysteem of het vrijwillige systeem onverwijld op de hoogte van een vastgestelde non-conformiteit.

Hoofdstuk 10. Afvalstoffen

Titel 10.3. Hergebruik, preventie en recycling en andere nuttige toepassing

§ 10.6.1. De afgifte en ontvangst van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen

Artikel 10.16c

Vervallen

Artikel 10.44b

Vervallen

Artikel 10.44a

Vervallen

Afdeling 11.3.1. Algemeen

§ 11.3.3.4. Verdere bepalingen omtrent vaststelling en wijziging van geluidproductieplafonds

§ 11.3.4.1. Het tot stand komen van de geluidproductieplafonds

§ 12.3.4. Aanvullende rapportageverplichtingen

Hoofdstuk 13. Procedures voor vergunningen en ontheffingen

§ 15.2.2. Belastingplichtigen

§ 14.2. Coördinatie bij het maken van een milieueffectrapport

Titel 15.4. Vergoeding van kosten en schade

Titel 15.3. Voorschriften omtrent het verstrekken van subsidies

Hoofdstuk 16. Handel in emissierechten

Titel 15.5. Fonds Luchtverontreiniging

Titel 16.2. Broeikasgassen en broeikasgasemissierechten

Afdeling 16.2.1. Inrichtingen

Paragraaf 16.2.1.1. Algemeen

Paragraaf 16.2.1.2. Vergunning

Subparagraaf 16.2.1.3.1. Het veilen en kosteloos toewijzen van broeikasgasemissierechten

Subparagraaf 16.2.1.3.2. Wijziging van toewijzingsbesluiten

Subparagraaf 16.2.1.3.3. Het verlenen van broeikasgasemissierechten

Paragraaf 16.2.1.4. De geldigheid van broeikasgasemissierechten, het inleveren van broeikasgasemissierechten, het annuleren van broeikasgasemissierechten en het compenseren van emissies in een ander kalenderjaar

Afdeling 16.2.2. Luchtvaartactiviteiten

Paragraaf 16.2.2.4. De geldigheid van broeikasgasemissierechten, het inleveren van broeikasgasemissierechten, het annuleren van broeikasgasemissierechten en het compenseren van emissies in een ander kalenderjaar

Afdeling 16.2.3. De overgang van broeikasgasemissierechten en andere eenheden

Afdeling 16.2.2. Luchtvaartactiviteiten

Afdeling 16.2.4. Registratie van broeikasgasemissierechten en andere eenheden

Titel 16.3. Stikstofoxiden en NOx-emissierechten

Afdeling 16.2.2. Luchtvaartactiviteiten

Afdeling 16.3.2. Vergunning

Afdeling 16.3.3. Het ontstaan van NOx-emissierechten

Afdeling 16.3.4. De inlevering van NOx-emissierechten, het compenseren van emissies in een ander kalenderjaar en de geldigheid van NOx-emissierechten

Afdeling 16.3.5. De overgang van NOx-emissierechten

Afdeling 16.3.5. De overgang van NOx-emissierechten

Afdeling 16.3.6. Registratie van NOx-emissierechten

Hoofdstuk 17. Maatregelen in bijzondere omstandigheden

Titel 17.1. Maatregelen bij een ongewoon voorval

Titel 17.1A. Maatregelen betreffende afvalvoorzieningen

Titel 17.1A. Maatregelen betreffende afvalvoorzieningen

Titel 17.2. Maatregelen bij milieuschade of een onmiddellijke dreiging daarvan

Titel 17.3. Maatregelen bij gevaar door stoffen, mengsels of genetisch gemodificeerde organismen

Hoofdstuk 18. Handhaving

Hoofdstuk 16c. Mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens

Hoofdstuk 18. Handhaving

§ 20.1. Algemeen

§ 20.2. Advisering inzake beroepen milieubeheer

Hoofdstuk 21. Verdere bepalingen

Hoofdstuk 22. Slotbepalingen

Bijlage 1. bij de Wet milieubeheer

Wetten, als bedoeld in de artikelen 4.6, derde lid, 4.12, derde lid, en 4.19, derde lid, van de Wet milieubeheer:

Mijnbouwwet

Drinkwaterwet

Luchtvaartwet

Wet luchtvaart

Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden

Kernenergiewet

Ontgrondingenwet

Wet geluidhinder

Wet inzake de luchtverontreiniging

Interimwet bodemsanering

Wet voorkoming verontreiniging door schepen

Wet inrichting landelijk gebied

Wet bodembescherming

Meststoffenwet

Wet implementatie EG-richtlijnen energie-efficiëntie

Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Stb. 1995, 525)

Tracéwet

Wegenverkeerswet 1994

Waterwet

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Wet natuurbescherming

Bijlage 1. bij de Wet milieubeheer

Wetten, als bedoeld in de artikelen 4.6, derde lid, 4.12, derde lid, en 4.19, derde lid, van de Wet milieubeheer:

Mijnbouwwet

Drinkwaterwet

Luchtvaartwet

Wet luchtvaart

Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden

Kernenergiewet

Ontgrondingenwet

Wet geluidhinder

Wet inzake de luchtverontreiniging

Interimwet bodemsanering

Wet voorkoming verontreiniging door schepen

Wet inrichting landelijk gebied

Wet bodembescherming

Meststoffenwet

Wet implementatie EG-richtlijnen energie-efficiëntie

Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Stb. 1995, 525)

Tracéwet

Wegenverkeerswet 1994

Waterwet

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Wet natuurbescherming

Voorschrift 3.1

Voor stikstofoxiden geldt 30 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie als grenswaarde voor de bescherming van vegetatie, in gebieden met een oppervlakte van ten minste 1000 km2 die gelegen zijn op een afstand van ten minste 20 km van agglomeraties of op een afstand van ten minste 5 km van andere gebieden met bebouwing, van inrichtingen, van autosnelwegen of hoofdwegen waarvan per dag meer dan 50 000 motorrijtuigen als bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 gebruik maken, waar de vegetatie naar het oordeel van het bevoegde bestuursorgaan bijzondere bescherming behoeft.

Voorschrift 3.1

Voor stikstofoxiden geldt 30 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie als grenswaarde voor de bescherming van vegetatie, in gebieden met een oppervlakte van ten minste 1000 km2 die gelegen zijn op een afstand van ten minste 20 km van agglomeraties of op een afstand van ten minste 5 km van andere gebieden met bebouwing, van inrichtingen, van autosnelwegen of hoofdwegen waarvan per dag meer dan 50 000 motorrijtuigen als bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 gebruik maken, waar de vegetatie naar het oordeel van het bevoegde bestuursorgaan bijzondere bescherming behoeft.

§ 4. Grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10); plandrempel, richtwaarden, grenswaarde en blootstellingsconcentratieverplichting voor zwevende deeltjes (PM2,5)

Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt de volgende richtwaarde voor de bescherming van de gezondheid van de mens, die met ingang van 1 januari 2010 voor zover mogelijk moet worden bereikt:

Voor zwevende deeltjes (PM10) gelden de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

Voorschrift 4.2

Voorschrift 4.4

25 microgram per m3, gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie.

Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt de volgende richtwaarde voor de bescherming van de gezondheid van de mens, die met ingang van 1 januari 2010 voor zover mogelijk moet worden bereikt:

Voorschrift 4.5

Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt tot 1 januari 2015 de volgende plandrempel voor de bescherming van de gezondheid van de mens, gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie:

§ 1. Grenswaarden en alarmdrempel voor zwaveldioxide

§ 1. Grenswaarden en alarmdrempel voor zwaveldioxide

Voorschrift 1.1

Voor zwaveldioxide gelden de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

Voorschrift 1.1

Voorschrift 1.3

Voor zwaveldioxide geldt 500 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie gedurende drie achtereenvolgende uren, in gebieden van ten minste 100 km2, als alarmdrempel.

§ 2. Grenswaarden, plandrempels en alarmdrempel voor stikstofdioxide

Voorschrift 1.3

Voor zwaveldioxide geldt 500 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie gedurende drie achtereenvolgende uren, in gebieden van ten minste 100 km2, als alarmdrempel.

§ 2. Grenswaarden, plandrempels en alarmdrempel voor stikstofdioxide

In afwijking van voorschrift 2.1 gelden voor een of meer bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zones of agglomeraties of een gedeelte daarvan, waarvoor uitstel krachtens artikel 22, eerste lid, juncto vierde lid, van de EG-richtlijn luchtkwaliteit van toepassing is, tot een bij die maatregel genoemd tijdstip, doch uiterlijk tot 1 januari 2015, voor stikstofdioxide de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

Voorschrift 2.1a

Voorschrift 2.3

Voorschrift 2.2

Voorschrift 2.4

Voor stikstofdioxide geldt 400 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie gedurende drie achtereenvolgende uren, in gebieden met een oppervlakte van ten minste 100 km2, als alarmdrempel.

§ 3. Grenswaarde voor stikstofoxiden

Voor ozon geldt een alarmdrempel van 240 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie.

Voorschrift 3.1

§ 3. Grenswaarde voor stikstofoxiden

Voor ozon geldt een informatiedrempel van 180 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie.

Voorschrift 4.1

§ 4. Grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10); plandrempel, richtwaarden, grenswaarde en blootstellingsconcentratieverplichting voor zwevende deeltjes (PM2,5)

In afwijking van voorschrift 4.1 gelden voor een of meer bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zones of agglomeraties of een gedeelte daarvan, waarvoor vrijstelling krachtens artikel 22, tweede lid, juncto vierde lid, van de EG-richtlijn luchtkwaliteit van toepassing is, tot een bij die maatregel genoemd tijdstip, doch uiterlijk tot 11 juni 2011, voor zwevende deeltjes (PM10) de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

Voorschrift 4.3

Voorschrift 4.2

In afwijking van voorschrift 4.1 gelden voor een of meer bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zones of agglomeraties of een gedeelte daarvan, waarvoor vrijstelling krachtens artikel 22, tweede lid, juncto vierde lid, van de EG-richtlijn luchtkwaliteit van toepassing is, tot een bij die maatregel genoemd tijdstip, doch uiterlijk tot 11 juni 2011, voor zwevende deeltjes (PM10) de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

Voorschrift 4.3

Voorschrift 4.4

25 microgram per m3, gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie.

Voorschrift 4.4

Voorschrift 4.5

Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt tot 1 januari 2015 de volgende plandrempel voor de bescherming van de gezondheid van de mens, gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie:

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 14.4d

Vervallen

Titel 15.1

§ 15.2.2. Belastingplichtigen

§ 14.1. Coördinatie bij aanvragen om een beschikking

§ 14.1. Coördinatie bij aanvragen om een beschikking

§ 15.2.3. Vrijstelling

Titel 15.3. Voorschriften omtrent het verstrekken van subsidies

Titel 15.1

Titel 15.7. Keuringen

Titel 15.11. Financiering van de zorg voor gesloten stortplaatsen

Titel 15.7. Keuringen

Afdeling 16.2.1. Inrichtingen

Paragraaf 16.2.1.2. Vergunning

Paragraaf 16.2.1.3. Het toewijzen en verlenen van broeikasgasemissierechten

Subparagraaf 16.2.1.3.1. Het veilen en kosteloos toewijzen van broeikasgasemissierechten

Subparagraaf 16.2.1.3.2. Wijziging van toewijzingsbesluiten

Subparagraaf 16.2.1.3.3. Het verlenen van broeikasgasemissierechten

Paragraaf 16.2.1.4. De geldigheid van broeikasgasemissierechten, het inleveren van broeikasgasemissierechten, het annuleren van broeikasgasemissierechten en het compenseren van emissies in een ander kalenderjaar

Paragraaf 16.2.2.3. Het toewijzen en verlenen van broeikasgasemissierechten

Paragraaf 16.2.2.4. De geldigheid van broeikasgasemissierechten, het inleveren van broeikasgasemissierechten, het annuleren van broeikasgasemissierechten en het compenseren van emissies in een ander kalenderjaar

Afdeling 16.2.3. De overgang van broeikasgasemissierechten en andere eenheden

Afdeling 16.2.4. Registratie van broeikasgasemissierechten en andere eenheden

Afdeling 16.2.5. Instemming met deelname aan projectactiviteiten

Titel 16.3. Stikstofoxiden en NOx-emissierechten

Afdeling 16.2.2. Luchtvaartactiviteiten en maritiem vervoer

Afdeling 16.3.1. Algemeen

Afdeling 16.3.2. Vergunning

Afdeling 16.2.2. Luchtvaartactiviteiten en maritiem vervoer

Afdeling 16.3.5. De overgang van NOx-emissierechten

Afdeling 16.3.6. Registratie van NOx-emissierechten

Afdeling 16.2.3. De overgang van broeikasgasemissierechten en andere eenheden

Hoofdstuk 17. Maatregelen in bijzondere omstandigheden

Titel 17.1. Maatregelen bij een ongewoon voorval

Titel 17.1A. Maatregelen betreffende afvalvoorzieningen

Titel 16.3. Stikstofoxiden en NOx-emissierechten

Titel 17.1B. Maatregelen in geval van niet-naleving

Titel 17.3. Maatregelen bij gevaar door stoffen, mengsels of genetisch gemodificeerde organismen

Hoofdstuk 18. Handhaving

Hoofdstuk 20. Inwerkingtreding en rechtsbescherming

§ 20.1. Algemeen

§ 20.2. Advisering inzake beroepen milieubeheer

Hoofdstuk 21. Verdere bepalingen

Hoofdstuk 20. Inwerkingtreding en rechtsbescherming

Bijlage 2. bij de Wet milieubeheer

§ 3. Grenswaarde voor stikstofoxiden

Voor zwevende deeltjes (PM10) gelden de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

Voorschrift 4.1

Voor zwevende deeltjes (PM10) gelden de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

Voorschrift 4.1

25 microgram per m3, gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie.

Voorschrift 4.3

25 microgram per m3, gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie.

Voorschrift 4.4

in 2008, 25 microgram per m3, verhoogd met 20%, welk percentage op de daaropvolgende eerste januari en vervolgens iedere 12 maanden met gelijke jaarlijkse percentages wordt verminderd tot 0% op 1 januari 2015.

§ 1. Grenswaarden en alarmdrempel voor zwaveldioxide

Voor zwaveldioxide gelden de volgende grenswaarden voor de bescherming van ecosystemen, in gebieden met een oppervlakte van ten minste 1000 km2 die gelegen zijn op een afstand van ten minste 20 km van agglomeraties of op een afstand van ten minste 5 km van andere gebieden met bebouwing, van inrichtingen, van autosnelwegen of hoofdwegen waarvan per dag meer dan 50 000 motorrijtuigen als bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 gebruik maken, waar het ecosysteem naar het oordeel van het bevoegde bestuursorgaan bijzondere bescherming behoeft:

Voorschrift 1.2

Voor zwaveldioxide gelden de volgende grenswaarden voor de bescherming van ecosystemen, in gebieden met een oppervlakte van ten minste 1000 km2 die gelegen zijn op een afstand van ten minste 20 km van agglomeraties of op een afstand van ten minste 5 km van andere gebieden met bebouwing, van inrichtingen, van autosnelwegen of hoofdwegen waarvan per dag meer dan 50 000 motorrijtuigen als bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 gebruik maken, waar het ecosysteem naar het oordeel van het bevoegde bestuursorgaan bijzondere bescherming behoeft:

Voorschrift 2.1

In afwijking van voorschrift 2.1 gelden voor een of meer bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zones of agglomeraties of een gedeelte daarvan, waarvoor uitstel krachtens artikel 22, eerste lid, juncto vierde lid, van de EG-richtlijn luchtkwaliteit van toepassing is, tot een bij die maatregel genoemd tijdstip, doch uiterlijk tot 1 januari 2015, voor stikstofdioxide de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

Voorschrift 2.1

Voor stikstofdioxide gelden buiten de krachtens voorschrift 2.1a aangewezen zones en agglomeraties de volgende plandrempels voor de bescherming van de gezondheid van de mens, gedefinieerd als jaargemiddelde concentraties:

Voorschrift 2.3

Voor stikstofdioxide gelden buiten de krachtens voorschrift 2.1a aangewezen zones en agglomeraties bij de wegen, bedoeld in voorschrift 2.1, tweede lid, de volgende plandrempels voor de bescherming van de gezondheid van de mens, gedefinieerd als uurgemiddelde concentraties waarbij geldt dat deze maximaal achttien maal per kalenderjaar mogen worden overschreden:

Voorschrift 2.4

Voor stikstofdioxide geldt 400 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie gedurende drie achtereenvolgende uren, in gebieden met een oppervlakte van ten minste 100 km2, als alarmdrempel.

Voorschrift 3.1

Voor stikstofoxiden geldt 30 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie als grenswaarde voor de bescherming van vegetatie, in gebieden met een oppervlakte van ten minste 1000 km2 die gelegen zijn op een afstand van ten minste 20 km van agglomeraties of op een afstand van ten minste 5 km van andere gebieden met bebouwing, van inrichtingen, van autosnelwegen of hoofdwegen waarvan per dag meer dan 50 000 motorrijtuigen als bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 gebruik maken, waar de vegetatie naar het oordeel van het bevoegde bestuursorgaan bijzondere bescherming behoeft.

Voorschrift 4.1

Voor zwevende deeltjes (PM10) gelden de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

§ 10. Richtwaarde voor cadmium

25 microgram per m3, gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie.

Voorschrift 4.5

Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt tot 1 januari 2015 de volgende plandrempel voor de bescherming van de gezondheid van de mens, gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie:

Voorschrift 4.6

in 2008, 25 microgram per m3, verhoogd met 20%, welk percentage op de daaropvolgende eerste januari en vervolgens iedere 12 maanden met gelijke jaarlijkse percentages wordt verminderd tot 0% op 1 januari 2015.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 7.20a

Vervallen

§ 7.7. Het milieueffectrapport dat betrekking heeft op een besluit

§ 7.8. De beperkte voorbereiding inzake het milieueffectrapport dat betrekking heeft op een besluit

§ 7.10. Het besluit

Artikel 7.28a

Vervallen

§ 7.11. Activiteiten met mogelijke grensoverschrijdende milieugevolgen

§ 7.12. Evaluatie

Hoofdstuk 8. Inrichtingen

Paragraaf 8.3

Titel 9.5. Overige bepalingen met betrekking tot stoffen, preparaten en producten

§ 9.7.2. Jaarverplichting hernieuwbare energie vervoer

Titel 10.2. Het afvalbeheerplan

Artikel 10.16b

Vervallen

Artikel 10.16a

Vervallen

Artikel 10.44b

Vervallen

Artikel 10.16a

Vervallen

Hoofdstuk 11. Geluid

Afdeling 11.3.3. Vaststelling of wijziging van geluidproductieplafonds

§ 11.2.3. Actieplannen

§ 11.3.4.2. Bijzondere bepalingen met betrekking tot het wijzigen van geluidproductieplafonds die tot stand zijn gekomen met toepassing van artikel 11.45

Afdeling 11.3.2. Naleving en registratie van geluidproductieplafonds

Hoofdstuk 12. Verslag-, registratie- en meetverplichtingen

Titel 12.3. De EG-verordening PRTR en het PRTR-protocol

Hoofdstuk 11a. Andere handelingen

Titel 15.1

Hoofdstuk 16. Handel in emissierechten

Titel 15.8. Statiegeld, retourpremies

Afdeling 16.2.1. Inrichtingen

Paragraaf 16.2.1.1. Algemeen

Paragraaf 16.2.1.2. Vergunning

Subparagraaf 16.2.1.3.1. Het veilen en kosteloos toewijzen van broeikasgasemissierechten

Subparagraaf 16.2.1.3.2. Wijziging van toewijzingsbesluiten

Subparagraaf 16.2.1.3.3. Het verlenen van broeikasgasemissierechten

Afdeling 16.2.3. De overgang van broeikasgasemissierechten en andere eenheden

Afdeling 16.2.4. Registratie van broeikasgasemissierechten en andere eenheden

Afdeling 16.2.2. Luchtvaartactiviteiten

Titel 16.3. Stikstofoxiden en NOx-emissierechten

Afdeling 16.3.1. Algemeen

Afdeling 16.3.3. Het ontstaan van NOx-emissierechten

Afdeling 16.3.6. Registratie van NOx-emissierechten

Afdeling 16.3.7. Overige bepalingen

Hoofdstuk 17. Maatregelen in bijzondere omstandigheden

Titel 17.1. Maatregelen bij een ongewoon voorval

Titel 17.1A. Maatregelen betreffende afvalvoorzieningen

Titel 16.3. Stikstofoxiden en NOx-emissierechten

Titel 17.3. Maatregelen bij gevaar door stoffen, mengsels of genetisch gemodificeerde organismen

Hoofdstuk 18. Handhaving

Hoofdstuk 20. Inwerkingtreding en rechtsbescherming

§ 20.1. Algemeen

§ 20.2. Advisering inzake beroepen milieubeheer

Hoofdstuk 17. Maatregelen in bijzondere omstandigheden

Hoofdstuk 22. Slotbepalingen

Bijlage 1. bij de Wet milieubeheer

Wetten, als bedoeld in de artikelen 4.6, derde lid, 4.12, derde lid, en 4.19, derde lid, van de Wet milieubeheer:

Mijnbouwwet

Drinkwaterwet

Luchtvaartwet

Wet luchtvaart

Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden

Kernenergiewet

Ontgrondingenwet

Wet geluidhinder

Wet inzake de luchtverontreiniging

Interimwet bodemsanering

Wet voorkoming verontreiniging door schepen

Wet inrichting landelijk gebied

Wet bodembescherming

Meststoffenwet

Wet implementatie EG-richtlijnen energie-efficiëntie

Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Stb. 1995, 525)

Tracéwet

Wegenverkeerswet 1994

Waterwet

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Wet natuurbescherming

Bijlage 2. bij de Wet milieubeheer

In afwijking van voorschrift 4.1 gelden voor een of meer bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zones of agglomeraties of een gedeelte daarvan, waarvoor vrijstelling krachtens artikel 22, tweede lid, juncto vierde lid, van de EG-richtlijn luchtkwaliteit van toepassing is, tot een bij die maatregel genoemd tijdstip, doch uiterlijk tot 11 juni 2011, voor zwevende deeltjes (PM10) de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

Voorschrift 4.4

Voor zwaveldioxide gelden de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

Voor stikstofdioxide gelden buiten de krachtens voorschrift 2.1a aangewezen zones en agglomeraties bij de wegen, bedoeld in voorschrift 2.1, tweede lid, de volgende plandrempels voor de bescherming van de gezondheid van de mens, gedefinieerd als uurgemiddelde concentraties waarbij geldt dat deze maximaal achttien maal per kalenderjaar mogen worden overschreden:

Voorschrift 4.7

Voorschrift 4.6

Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 een blootstellingsconcentratieverplichting van ten hoogste 20 microgram per m3, gedefinieerd als gemiddelde blootstellingsindex.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 9.2.2.1b

De regels, bedoeld in artikel 9.2.2.1, tweede lid, onder i of j, kunnen, in afwijking van de artikelen 2:7, tweede lid, en 2:8 van de Algemene wet bestuursrecht een verplichting inhouden een handeling met betrekking tot asbest of een asbesthoudend product of een voornemen tot het verrichten van die handeling langs elektronische weg te melden dan wel met betrekking tot die handeling of dat voornemen langs elektronische weg gegevens en bescheiden te verstrekken dan wel de resultaten van een controleonderzoek.

Artikel 9.5.7
1.

Er is een elektronisch landelijk asbestvolgsysteem, waarin met betrekking tot saneringen van asbest gegevens en bescheiden worden opgenomen die betrekking hebben op handelingen die in de achtereenvolgende fasen van de asbestsanering worden verricht, in het bijzonder de inventarisatie en verwijdering van asbest, de eindbeoordeling van het resultaat van de verwijdering en de afvoer en de verwerking van het asbestafval. Hiertoe kunnen ook persoonsgegevens behoren.

2.

Onze Minister draagt zorg voor de inrichting, instandhouding, werking, toegankelijkheid en beveiliging van het landelijk asbestvolgsysteem en voor het beheer van de daarin opgenomen gegevens en bescheiden en treft de nodige voorzieningen voor de elektronische uitwisseling van gegevens en bescheiden met betrekking tot saneringen van asbest tussen het landelijk asbestvolgsysteem en de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 20.21 van de Omgevingswet. Onze Minister wordt tevens aangemerkt als verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van de persoonsgegevens.

3.

De gegevens en bescheiden die in het landelijk asbestvolgsysteem zijn opgenomen, zijn langs elektronische weg toegankelijk voor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bestuursorganen, bedrijven en personen.

4.

Bij algemene maatregel van bestuur worden de gegevens en bescheiden aangewezen die in het landelijk asbestvolgsysteem worden opgenomen en worden regels gesteld met betrekking tot de toegankelijkheid van het systeem en de periode gedurende welke de gegevens en bescheiden worden bewaard. Daarbij kunnen tevens regels worden gesteld met betrekking tot de inrichting, instandhouding, werking en beveiliging van het systeem en het beheer van de gegevens en bescheiden die daarin zijn opgenomen. Bij ministeriële regeling kunnen met het oog op een goede uitvoering nadere regels worden gesteld.

§ 9.7.1. Algemeen

§ 9.7.1. Algemeen

§ 9.7.3. Hernieuwbare brandstofeenheden

§ 9.7.3. Hernieuwbare brandstofeenheden

Artikel 10.16b

Vervallen

Artikel 10.16c

Vervallen

Artikel 10.16b

Vervallen

Artikel 10.16c

Vervallen

§ 11.2.1. Algemeen

Titel 12.2. Registratie gegevens externe veiligheid inrichtingen, transportroutes en buisleidingen

Titel 12.3. De EG-verordening PRTR en het PRTR-protocol

§ 12.3.2. Rapportage door inrichtingen

Titel 11a.1. Kwaliteit van werkzaamheden en integriteit van degenen die deze werkzaamheden uitvoeren

Hoofdstuk 14. Coördinatie

Titel 15.2. Verbruiksbelastingen van brandstoffen

Titel 15.10. Afvalbeheersbijdragen

Titel 15.7. Keuringen

Afdeling 16.2.1. Inrichtingen

Paragraaf 16.2.1.1. Algemeen

Subparagraaf 16.2.1.3.1. Het veilen en kosteloos toewijzen van broeikasgasemissierechten

Subparagraaf 16.2.1.3.2. Wijziging van toewijzingsbesluiten

Subparagraaf 16.2.1.3.3. Het verlenen van broeikasgasemissierechten

Paragraaf 16.2.1.4. De geldigheid van broeikasgasemissierechten, het inleveren van broeikasgasemissierechten, het annuleren van broeikasgasemissierechten en het compenseren van emissies in een ander kalenderjaar

Paragraaf 16.2.1.4. De geldigheid van broeikasgasemissierechten, het inleveren van broeikasgasemissierechten, het annuleren van broeikasgasemissierechten en het compenseren van emissies in een ander kalenderjaar

Afdeling 16.2.2. Luchtvaartactiviteiten en maritiem vervoer

Afdeling 16.2.3. De overgang van broeikasgasemissierechten en andere eenheden

Afdeling 16.2.3. De overgang van broeikasgasemissierechten en andere eenheden

Hoofdstuk 17. Maatregelen in bijzondere omstandigheden

Titel 17.1. Maatregelen bij een ongewoon voorval

Titel 16.3. Stikstofoxiden en NOx-emissierechten

Titel 17.3. Maatregelen bij gevaar door stoffen, mengsels of genetisch gemodificeerde organismen

Hoofdstuk 18. Handhaving

Hoofdstuk 19. Openbaarheid van milieu-informatie

Hoofdstuk 20. Inwerkingtreding en rechtsbescherming

§ 20.1. Algemeen

§ 20.2. Advisering inzake beroepen milieubeheer

Hoofdstuk 21. Verdere bepalingen

Hoofdstuk 22. Slotbepalingen

Bijlage 1. bij de Wet milieubeheer

Wetten, als bedoeld in de artikelen 4.6, derde lid, 4.12, derde lid, en 4.19, derde lid, van de Wet milieubeheer:

Mijnbouwwet

Drinkwaterwet

Luchtvaartwet

Wet luchtvaart

Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden

Kernenergiewet

Ontgrondingenwet

Wet geluidhinder

Wet inzake de luchtverontreiniging

Interimwet bodemsanering

Wet voorkoming verontreiniging door schepen

Wet inrichting landelijk gebied

Wet bodembescherming

Meststoffenwet

Wet implementatie EG-richtlijnen energie-efficiëntie

Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Stb. 1995, 525)

Tracéwet

Wegenverkeerswet 1994

Waterwet

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Wet natuurbescherming

Bijlage 2. bij de Wet milieubeheer

Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt tot 1 januari 2015 de volgende plandrempel voor de bescherming van de gezondheid van de mens, gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie:

Voor lood geldt 0,5 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie als grenswaarde voor de bescherming van de gezondheid van de mens.

Voor zwevende deeltjes (PM10) gelden de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt de volgende richtwaarde voor de bescherming van de gezondheid van de mens, die met ingang van 1 januari 2010 voor zover mogelijk moet worden bereikt:

Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt de volgende richtwaarde voor de bescherming van de gezondheid van de mens, die met ingang van 1 januari 2010 voor zover mogelijk moet worden bereikt:

in 2008, 25 microgram per m3, verhoogd met 20%, welk percentage op de daaropvolgende eerste januari en vervolgens iedere 12 maanden met gelijke jaarlijkse percentages wordt verminderd tot 0% op 1 januari 2015.

Voor benzo(a)pyreen geldt 1 nanogram per m3 als jaargemiddelde concentratie, gedefinieerd als het totale gehalte benzo(a)pyreen in de PM10 fractie, als richtwaarde die met ingang van 1 januari 2013 voor zover mogelijk moet worden bereikt, voor de bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu.

§ 5. Grenswaarde voor lood

Voorschrift 4.7

Voor lood geldt 0,5 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie als grenswaarde voor de bescherming van de gezondheid van de mens.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 9.7.3.8

Indien het saldo van het aantal per soort emissiereductie-eenheden op een rekening in het register negatief is, worden de bijgeschreven emissiereductie-eenheden per soort volgens bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen regels afgeschreven.

§ 9.7.4. Inboeken hernieuwbare energie vervoer

§ 9.7.5. Register hernieuwbare energie

Artikel 9.8.1.1

In deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Artikel 9.8.1.2

Deze titel is van toepassing op brandstoffen en energie voor:

Artikel 9.8.1.3

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën rapportageplichtigen worden aangewezen waarop de in deze titel opgenomen bepalingen niet van toepassing zijn.

Artikel 9.8.1.4

Onze minister en de rijksbelastingdienst verstrekken op verzoek van het bestuur van de emissieautoriteit de bij ministeriële regeling vast te stellen gegevens, voor zover die gegevens voor de uitvoering van deze titel noodzakelijk zijn.

Artikel 9.8.2.1
1.

Een raffinagereductie-eenheid vertegenwoordigt één kg CO2-equivalent-ketenemissiereductie.

2.

Een raffinagereductie-eenheid kan uitsluitend in het register gehouden worden.

Artikel 9.8.2.2

De artikelen 9.7.3.3 tot en met 9.7.3.7 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat telkens voor «emissiereductie-eenheid» wordt gelezen «raffinagereductie-eenheid».

Artikel 9.8.2.3
1.

De rapportageplichtige voert voor 1 maart van enig kalenderjaar zijn uitslag tot vervoersverbruik van het direct aan die datum voorafgaande kalenderjaar op zijn rekening met reductieverplichtingfaciliteit in het register in.

2.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt de uitslag tot verbruik, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de accijns, van benzine en diesel volgens de gegevens van de rijksbelastingdienst beschouwd als uitslag tot vervoersverbruik, tenzij de rapportageplichtige aantoont dat die uitslag tot verbruik betrekking heeft op andere bestemmingen.

3.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt de uitslag tot verbruik, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de accijns, van betere fossiele brandstof volgens de gegevens van de rijksbelastingdienst niet beschouwd als uitslag tot vervoersverbruik, tenzij de rapportageplichtige het tegendeel aantoont.

4.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt de uitslag tot verbruik, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de accijns, van benzine en diesel en samengeperste waterstof, niet aangemerkt als een betere fossiele brandstof, tenzij de rapportageplichtige het tegendeel aantoont.

5.

Wijzigingen in de voor enig kalenderjaar op zijn rekening ingevoerde uitslag tot vervoersverbruik na de datum, bedoeld in het eerste lid, meldt de rapportageplichtige aan het bestuur van de emissieautoriteit.

6.

Bij ministeriële regeling worden de bij het invoeren op de rekening te vermelden gegevens en te hanteren berekeningsmethode als bedoeld in richtlijn (EU) 2015/652 bepaald.

7.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop het aantonen, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, plaatsvindt.

8.

De gegevens, bedoeld in het zesde lid, en de onderliggende stukken worden door de rapportageplichtige bewaard tot ten minste vijf jaar na afloop van het kalenderjaar waarop die gegevens betrekking hebben.

Artikel 9.8.2.4
1.

Indien een rapportageplichtige in enig kalenderjaar zijn uitslag tot vervoersverbruik niet voor 1 maart van het daaropvolgende kalenderjaar heeft ingevoerd op zijn rekening met een reductieverplichtingfaciliteit, kan het bestuur van de emissieautoriteit hem ambtshalve vaststellen.

2.

Indien een rapportageplichtige in enig kalenderjaar zijn uitslag tot vervoersverbruik niet juist heeft ingevoerd op zijn rekening met een reductieverplichtingfaciliteit, kan het bestuur van de emissieautoriteit hem tot vijf jaar na dat kalenderjaar ambtshalve vaststellen.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de toepassing van het eerste en tweede lid.

Artikel 9.8.2.5

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)