Wet van 13 juni 1979, houdende regelen met betrekking tot een aantal algemene onderwerpen op het gebied van de milieuhygiëne
§ 20.2. Advisering inzake beroepen milieubeheer
Hoofdstuk 21. Verdere bepalingen
Hoofdstuk 20. Inwerkingtreding en rechtsbescherming
Bijlage 2. bij de Wet milieubeheer
Voor stikstofdioxide gelden buiten de krachtens voorschrift 2.1a aangewezen zones en agglomeraties de volgende plandrempels voor de bescherming van de gezondheid van de mens, gedefinieerd als jaargemiddelde concentraties:
§ 3. Grenswaarde voor stikstofoxiden
Voor zwevende deeltjes (PM10) gelden de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:
Voor zwaveldioxide gelden de volgende grenswaarden voor de bescherming van ecosystemen, in gebieden met een oppervlakte van ten minste 1000 km2 die gelegen zijn op een afstand van ten minste 20 km van agglomeraties of op een afstand van ten minste 5 km van andere gebieden met bebouwing, van inrichtingen, van autosnelwegen of hoofdwegen waarvan per dag meer dan 50 000 motorrijtuigen als bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 gebruik maken, waar het ecosysteem naar het oordeel van het bevoegde bestuursorgaan bijzondere bescherming behoeft:
§ 3. Grenswaarde voor stikstofoxiden
Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt de volgende richtwaarde voor de bescherming van de gezondheid van de mens, die met ingang van 1 januari 2010 voor zover mogelijk moet worden bereikt:
§ 4. Grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10); plandrempel, richtwaarden, grenswaarde en blootstellingsconcentratieverplichting voor zwevende deeltjes (PM2,5)
Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt tot 1 januari 2015 de volgende plandrempel voor de bescherming van de gezondheid van de mens, gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie:
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 16c.1
Een importeur als bedoeld in artikel 3, onderdeel 15, van de Verordening koolstofcorrectie aan de grens, of in de situaties die onder artikel 32 van die verordening vallen, een overeenkomstig artikel 18 van de Verordening (EU) nr. 952/2013 aangewezen indirecte douanevertegenwoordiger, voldoet tijdig en volledig aan de rapportageverplichting, bedoeld in artikel 35, eerste lid, van die verordening.
Artikel 16c.2
Het bestuur van de emissieautoriteit wisselt alle informatie uit als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Verordening koolstofcorrectie aan de grens.
Hoofdstuk 17. Maatregelen in bijzondere omstandigheden
Titel 17.1. Maatregelen bij een ongewoon voorval
Titel 17.1B. Maatregelen in geval van niet-naleving
Titel 17.2. Maatregelen bij milieuschade of een onmiddellijke dreiging daarvan
Titel 17.1. Maatregelen bij een ongewoon voorval
Hoofdstuk 19. Openbaarheid van milieu-informatie
§ 20.1. Algemeen
§ 20.2. Advisering inzake beroepen milieubeheer
Hoofdstuk 22. Slotbepalingen
Bijlage 1. bij de Wet milieubeheer
Wetten, als bedoeld in de artikelen 4.6, derde lid, 4.12, derde lid, en 4.19, derde lid, van de Wet milieubeheer:
Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden
Wet inzake de luchtverontreiniging
Interimwet bodemsanering
Wet voorkoming verontreiniging door schepen
Wet inrichting landelijk gebied
Wet implementatie EG-richtlijnen energie-efficiëntie
Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Stb. 1995, 525)
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Bijlage 2. bij de Wet milieubeheer
in 2008, 25 microgram per m3, verhoogd met 20%, welk percentage op de daaropvolgende eerste januari en vervolgens iedere 12 maanden met gelijke jaarlijkse percentages wordt verminderd tot 0% op 1 januari 2015.
Voor zwaveldioxide gelden de volgende grenswaarden voor de bescherming van ecosystemen, in gebieden met een oppervlakte van ten minste 1000 km2 die gelegen zijn op een afstand van ten minste 20 km van agglomeraties of op een afstand van ten minste 5 km van andere gebieden met bebouwing, van inrichtingen, van autosnelwegen of hoofdwegen waarvan per dag meer dan 50 000 motorrijtuigen als bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 gebruik maken, waar het ecosysteem naar het oordeel van het bevoegde bestuursorgaan bijzondere bescherming behoeft:
In afwijking van voorschrift 2.1 gelden voor een of meer bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zones of agglomeraties of een gedeelte daarvan, waarvoor uitstel krachtens artikel 22, eerste lid, juncto vierde lid, van de EG-richtlijn luchtkwaliteit van toepassing is, tot een bij die maatregel genoemd tijdstip, doch uiterlijk tot 1 januari 2015, voor stikstofdioxide de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:
In afwijking van voorschrift 2.1 gelden voor een of meer bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zones of agglomeraties of een gedeelte daarvan, waarvoor uitstel krachtens artikel 22, eerste lid, juncto vierde lid, van de EG-richtlijn luchtkwaliteit van toepassing is, tot een bij die maatregel genoemd tijdstip, doch uiterlijk tot 1 januari 2015, voor stikstofdioxide de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:
Voor zwevende deeltjes (PM10) gelden de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:
Voor stikstofdioxide geldt 400 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie gedurende drie achtereenvolgende uren, in gebieden met een oppervlakte van ten minste 100 km2, als alarmdrempel.
Voor stikstofoxiden geldt 30 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie als grenswaarde voor de bescherming van vegetatie, in gebieden met een oppervlakte van ten minste 1000 km2 die gelegen zijn op een afstand van ten minste 20 km van agglomeraties of op een afstand van ten minste 5 km van andere gebieden met bebouwing, van inrichtingen, van autosnelwegen of hoofdwegen waarvan per dag meer dan 50 000 motorrijtuigen als bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 gebruik maken, waar de vegetatie naar het oordeel van het bevoegde bestuursorgaan bijzondere bescherming behoeft.
Voorschrift 4.1
Voor zwevende deeltjes (PM10) gelden de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:
Voorschrift 4.2
Voorschrift 4.6
Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 een blootstellingsconcentratieverplichting van ten hoogste 20 microgram per m3, gedefinieerd als gemiddelde blootstellingsindex.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
§ 1.1. Algemeen
§ 20.1. Algemeen
Artikel 16.39sb
De in deze wet overeenkomstig de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten vastgestelde vereisten aangaande het inleveren van monitoringsplannen en het monitoren en rapporteren van emissies zijn vervuld:
- a. voor ieder kalenderjaar in de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2026 met betrekking tot vluchten tussen een luchthaven in Nederland en een luchthaven in een land buiten de gebieden waarop de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is en waarmee overeenkomstig artikel 25 of 25 bis van de genoemde richtlijn een overeenkomst gesloten is met uitzondering van vluchten tussen een luchthaven in Nederland en een luchthaven in het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland;
- b. voor ieder kalenderjaar in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2023 met betrekking tot vluchten tussen een luchthaven in Nederland en een luchthaven in een ultraperifeer gebied van een andere lidstaat als vermeld in artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Bij de toepassing van het eerste lid, onderdelen a en b, wordt de door de Europese Commissie overeenkomstig artikel 28 ter van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten gepleegde evaluatie in acht genomen.
Vliegtuigexploitanten zijn vrijgesteld van het inleveren van door de ICAO-raad aanvaarde eenheden voor vluchten tussen Nederland en de minst ontwikkelde landen en kleine eilandstaten in ontwikkeling zoals gedefinieerd door de Verenigde Naties met uitzondering van landen met een bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking dat gelijk is aan of groter is dan het gemiddelde van de Europese Unie.
Voor de periode tot en met 31 december 2026 zijn vliegtuigexploitanten vrijgesteld van het inleveren van door de ICAO-raad aanvaarde eenheden voor vluchten:
- a. tussen Nederland en landen en kleine eilandstaten in ontwikkeling die zijn opgenomen in de door de Europese Commissie overeenkomstig artikel 25 bis, derde lid, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten vastgestelde uitvoeringshandeling;
- b. tussen Nederland en landen buiten de gebieden waarop de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is en die niet zijn opgenomen in de in onderdeel a genoemde uitvoeringshandeling met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland.
Bij de toepassing van afdeling 16.2.4 van deze wet en de bepalingen aangaande het monitoren en rapporteren van emissies en het inleveren en annuleren van door de ICAO-raad aanvaarde eenheden worden de emissies van vluchten anders dan de vluchten vermeld in het eerste lid, onderdelen a en b, beschouwd als geverifieerde emissies van de vliegtuigexploitant.
Voor de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2026 wordt het totale aantal emissierechten dat geveild wordt verminderd met de toegewezen emissierechten voor vluchten vermeld in het eerste lid, onderdelen a en b.
Artikel 16.39sc
Bij ministeriële regeling worden overeenkomstig artikel 11 bis, derde lid, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten regels gesteld met betrekking tot het gebruik van de door de ICAO-raad aanvaarde eenheden.
Artikel 16.39sd
Het bestuur van de emissieautoriteit stelt de CORSIA-nalevingsperiodes vast.
Met toepassing van de door de Europese Commissie overeenkomstig artikel 12, achtste lid, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten vastgestelde methode berekent het bestuur van de emissieautoriteit:
- a. jaarlijks de voorlopige compensatievereisten; en
- b. de definitieve compensatievereisten aan het einde van de in het eerste lid genoemde nalevingsperiodes.
Het bestuur van de emissieautoriteit maakt uiterlijk op 30 november:
- a. van elk kalenderjaar melding van de in het tweede lid, onderdeel a, genoemde voorlopige compensatievereisten aan vliegtuigexploitanten die aan de in artikel 12, zesde lid, onderdelen a en b, van de genoemde richtlijn vermelde voorwaarden voldoen;
- b. van het jaar volgend op het laatste jaar van de in het eerste lid genoemde nalevingsperiodes melding van de in het tweede lid, onderdeel b, genoemde definitieve compensatievereisten aan vliegtuigexploitanten die aan de in artikel 12, zesde lid, onderdelen a en b, van de genoemde richtlijn vermelde voorwaarden voldoen.
Paragraaf 16.2.2.4. De geldigheid van broeikasgasemissierechten, het inleveren van broeikasgasemissierechten, het annuleren van broeikasgasemissierechten en het compenseren van emissies in een ander kalenderjaar
Paragraaf 16.2.2a.1. Algemeen
Artikel 16.39x
Deze afdeling is van toepassing op gereglementeerde entiteiten.
Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder «brandstof» verstaan: elk energieproduct, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van Richtlijn 2003/96 van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (PbEU 2003, L283), met inbegrip van de brandstoffen die zijn vermeld in tabel A en tabel C van bijlage I bij die richtlijn, alsmede elk ander product dat voor gebruik bedoeld is, als motor-of verwarmingsbrandstof te koop wordt aangeboden of wordt gebruikt als bedoeld in artikel 2, derde lid, van die richtlijn, ook voor de productie van elektriciteit.
Artikel 16.39y
Vervallen
Paragraaf 16.2.2.4. De geldigheid van broeikasgasemissierechten, het inleveren van broeikasgasemissierechten, het annuleren van broeikasgasemissierechten en het compenseren van emissies in een ander kalenderjaar
Artikel 16.39z
Het is vanaf 1 januari 2025 verboden om zonder vergunning van het bestuur van de emissieautoriteit de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen activiteiten uit te oefenen.
Artikel 16.39aa
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot inhoud van de vergunning, de wijze waarop de aanvraag om een vergunning moet geschieden, de gegevens die door de aanvrager moeten worden verstrekt met het oog op de beslissing op de aanvraag, en de wijze waarop die gegevens moeten worden verkregen.
Op de vergunningverlening zijn de artikelen 16.7, 16.9, 16.10 en 16.11 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat telkens voor «broeikasgasinstallatie» en «exploitant van de broeikasgasinstallatie» wordt gelezen «gereglementeerde entiteit».
Artikel 16.39ab
Het bestuur van de emissieautoriteit kan de vergunning wijzigen of aanvullen, de daaraan verbonden voorschriften wijzigen, aanvullen of intrekken of voorschriften aan de vergunning verbinden, indien dit naar zijn oordeel nodig is in het belang van de goede werking van het systeem van handel in emissierechten.
Op aanvraag van de vergunninghouder kan het bestuur van de emissieautoriteit de vergunning en de daaraan verbonden voorschriften wijzigen, aanvullen of intrekken of voorschriften aan de vergunning verbinden.
De verplichting tot het indienen van een emissieverslag blijft voor wat betreft het kalenderjaar waarin de beschikking tot intrekking van de vergunning van kracht is geworden, na intrekking van de vergunning op de laatste houder daarvan rusten, totdat aan die verplichting is voldaan, tenzij in het gehele jaar van intrekking de gereglementeerde entiteit geen activiteiten verricht.
Met betrekking tot de beslissing op grond van het eerste lid zijn de artikelen 16.7, 16.9 en 16.11 en met betrekking tot de beslissing op grond van het tweede lid de artikelen 16.39aa, 16.7, 16.9 tot en met 16.12 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat telkens:
- a. voor «broeikasgasinstallatie» en «exploitant van de broeikasgasinstallatie» wordt gelezen «gereglementeerde entiteit»;
- b. voor «artikel 16.5» wordt gelezen «artikel 16.39z».
Artikel 16.39ac
Het bestuur van de emissieautoriteit kan de vergunning intrekken indien deze afdeling niet meer van toepassing is op de gereglementeerde entiteit.
Met betrekking tot de beslissing ter zake is artikel 16.39ab, derde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 16.39ad
De vergunninghouder meldt aan het bestuur van de emissieautoriteit een verandering van naam of adres van de gereglementeerde entiteit.
Bij ministeriële regeling kunnen ter uitvoering van deze paragraaf regels worden gesteld met betrekking tot:
- a. het melden door de gereglementeerde entiteit aan het bestuur van de emissieautoriteit van alle geplande wijzigingen in de aard van haar activiteiten of in de brandstoffen die zij tot verbruik uitslaat, waarvoor een aanpassing van de broeikasgasemissievergunning nodig zou zijn;
- b. het melden door de gereglementeerde entiteit aan het bestuur van de emissieautoriteit van andere handelingen of omstandigheden;
- c. het goedkeuren van veranderingen van het monitoringsplan.
Paragraaf 16.2.2a.1. Algemeen
Artikel 16.39ae
De gereglementeerde entiteit monitort vanaf 2025 de emissies die overeenstemmen met de hoeveelheden brandstof die tot verbruik zijn uitgeslagen en brengt hierover vanaf 2026 een emissieverslag uit.
De gereglementeerde entiteit die op 1 januari 2025 over een vergunning beschikt rapporteert haar historische emissies voor het jaar 2024 uiterlijk op 30 april 2025.
- a. voor «broeikasgasinstallatie» en «exploitant van de broeikasgasinstallatie» wordt gelezen «gereglementeerde entiteit»;
- b. voor «artikel 16.5» wordt gelezen «artikel 16.39z»;
- c. voor «artikel 16.6» wordt gelezen «artikel 16.39aa».
Artikel 16.39af
De gereglementeerde entiteit brengt vanaf 1 januari 2028 tot en met 2030 jaarlijks voor 1 mei verslag uit over het gemiddelde aandeel van de kosten in verband met de inlevering van emissierechten die zij het voorgaande jaar aan eindverbruikers heeft doorberekend.
Indien artikel 30 duodecies van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten van toepassing is brengt de gereglementeerde entiteit het in het eerste lid bedoelde verslag vanaf 1 januari 2029 uit.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop het verslag moet worden ingediend en de gegevens die door de gereglementeerde entiteit moeten worden verstrekt.
Artikel 16.39ag
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld:
- a. ten behoeve van het betrouwbaar en nauwkeurig identificeren en documenteren van de precieze volumes van de tot verbruik uitgeslagen brandstoffen;
- b. ter uitvoering van de uitvoeringhandeling die de Europese Commissie op grond van artikel 30 septies, vijfde lid, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten heeft vastgesteld;
- c. ter voorkoming van dubbeltelling van emissies.
Paragraaf 16.2.2a.4. Het veilen, verlenen en inleveren van broeikasgasemissierechten
Artikel 16.39ah
Broeikasgasemissierechten worden overeenkomstig artikel 30 quinquies van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten geveild.
Artikel 16.23, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 16.39ai
Broeikasgasemissierechten worden overeenkomstig de Verordening EU-register handel in emissierechten verleend aan de gereglementeerde entiteit.
Verlening van broeikasgasemissierechten vindt slechts plaats, indien aan de betreffende gereglementeerde entiteit een vergunning als bedoeld in artikel 16.39z is verleend.
Artikel 16.36 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 16.39aj
Met ingang van 1 januari 2028 levert de gereglementeerde entiteit voor 1 juni een hoeveelheid emissierechten in dat gelijk is aan de totale emissies van de gereglementeerde entiteit, die overeenstemmen met de hoeveelheid brandstoffen die zij in het voorgaande kalenderjaar tot verbruik heeft uitgeslagen, voor zover het de gereglementeerde activiteit betreft die bij algemene maatregel van bestuur is aanwezen.
Ter bepaling van de hoeveelheid van de emissie, bedoeld in het eerste lid, worden de gegevens in acht genomen, die overeenkomstig de Verordening EU-register handel in emissierechten in het EU-register voor de handel in emissierechten zijn opgenomen.
Indien artikel 30 duodecies van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten van toepassing is, levert de gereglementeerde entiteit, in afwijking van het eerste lid, emissierechten in met ingang van 1 januari 2029.
Indien de gereglementeerde entiteit met betrekking tot een kalenderjaar minder emissierechten heeft ingeleverd dan noodzakelijk op grond van het eerste lid, wordt het aantal emissierechten dat hij in het daaropvolgende kalenderjaar dient in te leveren van rechtswege verhoogd met het aantal emissierechten dat hij te weinig had ingeleverd.
Artikel 16.39ak
Artikel 16.21, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor «broeikasgasinstallaties» wordt gelezen «gereglementeerde entiteiten» en voor «artikel 16.5» wordt gelezen «16.39z».
Afdeling 16.2.5. Instemming met deelname aan projectactiviteiten
Afdeling 16.3.1. Algemeen
Afdeling 16.3.4. De inlevering van NOx-emissierechten, het compenseren van emissies in een ander kalenderjaar en de geldigheid van NOx-emissierechten
Afdeling 16.3.4. De inlevering van NOx-emissierechten, het compenseren van emissies in een ander kalenderjaar en de geldigheid van NOx-emissierechten
Afdeling 16.3.5. De overgang van NOx-emissierechten
Hoofdstuk 16a. De emissie van broeikasgas bij elektriciteitsopwekking
Titel 16b.1. Algemeen
Afdeling 16b.2.1. Industrieel emissieverslag
Afdeling 16b.2.2. Industrieel monitoringsplan
Afdeling 16b.3.1. Het register dispensatierechten industrie
Afdeling 16b.2.2. Industrieel monitoringsplan
Afdeling 16b.3.3. Overdracht van dispensatierechten
Hoofdstuk 16c. Mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens
Titel 16c.2. Nadere operationalisering
Titel 17.1A. Maatregelen betreffende winningsafvalvoorzieningen
Titel 17.1B. Maatregelen in geval van niet-naleving
Titel 17.2. Maatregelen bij milieuschade of een onmiddellijke dreiging daarvan
Titel 17.3. Maatregelen bij gevaar door stoffen, mengsels of genetisch gemodificeerde organismen
Hoofdstuk 18. Handhaving
Artikel 18.5d
Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 4, 5, 6, eerste tot en met derde lid en vijfde tot en met zevende lid, 7, eerste tot en met vierde lid, 8, 9, 10, 11, eerste, tweede en derde lid, 11 bis, eerste en tweede lid, 12, eerste lid, 13, 14, 15, eerste, tweede, derde en zesde lid, 16, eerste en tweede lid en 17, eerste, tweede en vierde lid, van de Verordening monitoring, rapportage en verificatie van broeikasgasemissies door maritiem vervoer.
Hoofdstuk 19. Openbaarheid van milieu-informatie
Hoofdstuk 20. Inwerkingtreding en rechtsbescherming
§ 20.1. Algemeen
§ 20.2. Advisering inzake beroepen milieubeheer
Hoofdstuk 21. Verdere bepalingen
Hoofdstuk 21. Verdere bepalingen
Bijlage 1. bij de Wet milieubeheer
Wetten, als bedoeld in de artikelen 4.6, derde lid, 4.12, derde lid, en 4.19, derde lid, van de Wet milieubeheer:
Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden
Wet inzake de luchtverontreiniging
Interimwet bodemsanering
Wet voorkoming verontreiniging door schepen
Wet inrichting landelijk gebied
Wet implementatie EG-richtlijnen energie-efficiëntie
Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Stb. 1995, 525)
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Bijlage 2. bij de Wet milieubeheer
In afwijking van voorschrift 2.1 gelden voor een of meer bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zones of agglomeraties of een gedeelte daarvan, waarvoor uitstel krachtens artikel 22, eerste lid, juncto vierde lid, van de EG-richtlijn luchtkwaliteit van toepassing is, tot een bij die maatregel genoemd tijdstip, doch uiterlijk tot 1 januari 2015, voor stikstofdioxide de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:
Voorschrift 4.7
25 microgram per m3, gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie.
Voorschrift 4.4
Voorschrift 4.5
§ 6. Grenswaarde voor koolmonoxide
Voorschrift 6.1
Voor koolmonoxide geldt 10 000 microgram per m3 als acht-uurgemiddelde concentratie als grenswaarde voor de bescherming van de gezondheid van de mens.
§ 7. Grenswaarden en plandrempels voor benzeen
Voor benzeen gelden de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens, gedefinieerd als jaargemiddelde concentraties:
§ 5. Grenswaarde voor lood
Voorschrift 5.1
Voor lood geldt 0,5 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie als grenswaarde voor de bescherming van de gezondheid van de mens.
§ 6. Grenswaarde voor koolmonoxide
Voorschrift 6.1
Voor koolmonoxide geldt 10 000 microgram per m3 als acht-uurgemiddelde concentratie als grenswaarde voor de bescherming van de gezondheid van de mens.
§ 7. Grenswaarden en plandrempels voor benzeen
Voorschrift 7.1
Voor benzeen gelden de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens, gedefinieerd als jaargemiddelde concentraties:
Voorschrift 7.2
§ 9. Richtwaarde voor arseen
Voor arseen geldt 6 nanogram per m3 als jaargemiddelde concentratie, gedefinieerd als het totale gehalte arseen in de PM10 fractie, als richtwaarde die met ingang van 1 januari 2013 voor zover mogelijk moet worden bereikt, voor de bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu.
Voorschrift 8.1
Voorschrift 8.2
De gevallen, bedoeld in artikel 5.9, eerste lid, zijn:
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 9.8.3a.1
Een inboeker kan tot 1 maart van enig kalenderjaar in het register inboeken de in het direct aan die datum voorafgaande kalenderjaar door hem in Nederland aan de bestemmingen, bedoeld in artikel 9.8.2.1, geleverde:
- a. vloeibare biobrandstof die voldoet aan artikel 9.7.4.1, eerste lid, onderdeel a;
- b. gasvormige biobrandstof die voldoet aan artikel 9.7.4.1, eerste lid, onderdeel b;
- c. vloeibare hernieuwbare brandstof die voldoet aan artikel 9.7.4.1, eerste lid, onderdeel c;
- d. gasvormige hernieuwbare brandstof die voldoet aan artikel 9.7.4.1, eerste lid, onderdeel d;
- e. elektriciteit;
- f. vloeibare en gasvormige brandstof op basis van hergebruikte koolstof.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het inboeken van elektriciteit en vloeibare en gasvormige brandstof op basis van hergebruikte koolstof.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de inboeker.
Artikel 9.8.3a.2
Bij ministeriële regeling:
- a. wordt bepaald op welke wijze de inboeker aantoont dat is voldaan aan artikel 9.8.3a.1, eerste lid, onderdeel f;
- b. worden de bij het inboeken te vermelden gegevens bepaald.
De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, worden door de inboeker bewaard gedurende ten minste vijf jaar na het kalenderjaar waarin de inboeking plaatsvond.
Artikel 9.8.3a.3
Ter grootte van de broeikasgasreductie van de in artikel 9.8.3a.1, eerste lid, ingeboekte leveringen, schrijft het bestuur van de emissieautoriteit voor één kilogram broeikasgasreductie één broeikasgasreductie-eenheid bij op de rekening van de inboeker.
De broeikasgasreductie, bedoeld in het eerste lid, wordt naar beneden afgerond op één kilogram kooldioxide-equivalent.
In afwijking van het eerste lid schrijft het bestuur van de emissieautoriteit voor een door een importeur ingeboekte levering een hoeveelheid broeikasgasreductie-eenheden bij op de rekening van die importeur, nadat die importeur volgens bij ministeriële regeling gestelde regels heeft aangetoond dat die hoeveelheid aan de Nederlandse markt is geleverd.
In afwijking van het eerste lid kan het bestuur van de emissieautoriteit besluiten om voor de vaststelling van de broeikasgasreductie de minimumwaarden, bedoeld in artikel 29, tiende lid, van richtlijn hernieuwbare energie, te hanteren.
Artikel 9.8.3a.4
Het bestuur van de emissieautoriteit maakt ieder jaar op bij ministeriële regeling te bepalen momenten een overzicht van het aantal beschikbare broeikasgasreductie-eenheden openbaar.
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het openbaar maken.
Artikel 9.8.3a.5
Voor de brandstof en energie die tussen 1 januari en 1 mei van enig kalenderjaar wordt geleverd en ingeboekt in het register, schrijft het bestuur van de emissieautoriteit na 1 mei van dat kalenderjaar de broeikasgasreductie-eenheden bij op de rekening van de inboeker.
Artikel 9.8.3a.6
Het bestuur van de emissieautoriteit kan het bijschrijven van broeikasgasreductie-eenheden opschorten of weigeren indien het misbruik of fraude vermoedt dan wel andere redenen heeft om aan te nemen dat niet wordt voldaan aan de bij of krachtens deze paragraaf gestelde eisen.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het opschorten of weigeren.
Artikel 9.8.3a.7
De inboeker overlegt voor 1 mei van het kalenderjaar, volgend op het kalenderjaar waarin hij de brandstof en energie heeft geleverd, aan het bestuur van de emissieautoriteit een verklaring van een verificateur waaruit blijkt dat, voor zover van toepassing, is voldaan aan de bij of krachtens de artikelen 9.8.3a.1 tot en met 9.8.3a.3 gestelde eisen.
De verificateur geeft geen verklaring af indien niet is voldaan aan de eisen.
De verificateur bewaart alle gegevens en documentatie met betrekking tot de verificatie gedurende ten minste vijf jaar na afloop van het kalenderjaar waarop de verificatie betrekking heeft.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen eisen worden gesteld aan de verificateur en de verificatie.
Artikel 9.8.3a.8
Indien naar het oordeel van het bestuur van de emissieautoriteit niet is voldaan aan de bij of krachtens deze paragraaf gestelde eisen voor het inboeken in het register van een hoeveelheid brandstof en energie of de verificatie, bedoeld in artikel 9.8.3a.7, kan het bestuur die hoeveelheid en de kenmerken van die hoeveelheid, tot vijf jaar na het kalenderjaar van inboeken ambtshalve vaststellen.
Indien uit de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, volgt dat de inboeker te veel broeikasgasreductie-eenheden heeft ontvangen voor de geleverde hoeveelheid brandstof en energie, wordt het aantal broeikasgasreductie-eenheden dat die inboeker te veel heeft ontvangen, afgeschreven van de rekening van die inboeker.
Indien uit de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, volgt dat de inboeker te weinig broeikasgasreductie-eenheden heeft ontvangen voor de geleverde hoeveelheid brandstof en energie, wordt het aantal per soort broeikasgasreductie-eenheden dat die inboeker te weinig heeft ontvangen, bijgeschreven op de rekening van die inboeker. Het bestuur van de emissieautoriteit houdt hierbij rekening met artikel 9.8.4.6.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van het eerste, tweede en derde lid.
Indien het aantal broeikasgasreductie-eenheden op de rekening van de inboeker als gevolg van de toepassing van tweede lid minder is dan nul wordt het tekort door de inboeker aangevuld binnen drie kalendermaanden.
Artikel 10.44a
Vervallen
Artikel 10.44b
Vervallen
Artikel 10.44c
Vervallen
Artikel 10.44a
Vervallen
Artikel 10.44b
Vervallen
Titel 10.7. Het overbrengen van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap
Hoofdstuk 11. Geluid
§ 11.3.3.3. De binnenwaarde
Titel 12.3. De EG-verordening PRTR en het PRTR-protocol
§ 12.3.4. Aanvullende rapportageverplichtingen
Afdeling 13.1. Algemeen
§ 14.1. Coördinatie bij aanvragen om een beschikking
§ 15.2.2. Belastingplichtigen
§ 15.2.5. Tarief
§ 15.2.6. Heffing en invordering
Titel 15.6. Regulerende verbruiksbelastingen
Titel 15.9. Heffingen op gemeentelijk en provinciaal niveau
Titel 15.9. Heffingen op gemeentelijk en provinciaal niveau
Titel 16.1. Algemeen
Titel 16.2. Broeikasgassen en broeikasgasemissierechten
Paragraaf 16.2.1.1. Algemeen
Subparagraaf 16.2.1.3.2. Wijziging van toewijzingsbesluiten
Subparagraaf 16.2.1.3.3. Het verlenen van broeikasgasemissierechten
Paragraaf 16.2.2.3. Het toewijzen en verlenen van broeikasgasemissierechten
Paragraaf 16.2.2.3a. Compensatievereisten CORSIA eenheden
Paragraaf 16.2.2.4. De geldigheid van broeikasgasemissierechten, het inleveren van broeikasgasemissierechten, het annuleren van broeikasgasemissierechten en het compenseren van emissies in een ander kalenderjaar
Paragraaf 16.2.2a.1. Algemeen
Paragraaf 16.2.2a.4. Het veilen, verlenen en inleveren van broeikasgasemissierechten
Paragraaf 16.2.2a.3. Monitoring van emissies
Paragraaf 16.2.2a.3. Monitoring van emissies
Afdeling 16.3.5. De overgang van NOx-emissierechten
Afdeling 16.3.6. Registratie van NOx-emissierechten
Hoofdstuk 16b. Emissie van broeikasgas door de industrie
Titel 16b.2. Industriële jaarvracht
Afdeling 16b.2.1. Industrieel emissieverslag
Afdeling 16b.2.2. Industrieel monitoringsplan
Afdeling 16b.3.1. Het register dispensatierechten industrie
Afdeling 16b.3.3. Overdracht van dispensatierechten
Afdeling 16b.3.3. Overdracht van dispensatierechten
Hoofdstuk 17. Maatregelen in bijzondere omstandigheden
Titel 16c.1. Overgangsperiode
Titel 17.1A. Maatregelen betreffende winningsafvalvoorzieningen
Titel 17.1B. Maatregelen in geval van niet-naleving
Titel 17.1A. Maatregelen betreffende winningsafvalvoorzieningen
Titel 17.3. Maatregelen bij gevaar door stoffen, mengsels of genetisch gemodificeerde organismen
Hoofdstuk 18. Handhaving
Hoofdstuk 19. Openbaarheid van milieu-informatie
§ 20.2. Advisering inzake beroepen milieubeheer
Artikel 20.2
Vervallen
§ 20.1. Algemeen
Hoofdstuk 21. Verdere bepalingen
Hoofdstuk 22. Slotbepalingen
Bijlage 1. bij de Wet milieubeheer
Wetten, als bedoeld in de artikelen 4.6, derde lid, 4.12, derde lid, en 4.19, derde lid, van de Wet milieubeheer:
Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden
Wet inzake de luchtverontreiniging
Interimwet bodemsanering
Wet voorkoming verontreiniging door schepen
Wet inrichting landelijk gebied
Wet implementatie EG-richtlijnen energie-efficiëntie
Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Stb. 1995, 525)
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Bijlage 1. bij de Wet milieubeheer
Wetten, als bedoeld in de artikelen 4.6, derde lid, 4.12, derde lid, en 4.19, derde lid, van de Wet milieubeheer:
Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden
Wet inzake de luchtverontreiniging
Interimwet bodemsanering
Wet voorkoming verontreiniging door schepen
Wet inrichting landelijk gebied
Wet implementatie EG-richtlijnen energie-efficiëntie
Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Stb. 1995, 525)
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Voor stikstofdioxide geldt 400 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie gedurende drie achtereenvolgende uren, in gebieden met een oppervlakte van ten minste 100 km2, als alarmdrempel.
In afwijking van voorschrift 4.1 gelden voor een of meer bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zones of agglomeraties of een gedeelte daarvan, waarvoor vrijstelling krachtens artikel 22, tweede lid, juncto vierde lid, van de EG-richtlijn luchtkwaliteit van toepassing is, tot een bij die maatregel genoemd tijdstip, doch uiterlijk tot 11 juni 2011, voor zwevende deeltjes (PM10) de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:
Voorschrift 4.3
§ 5. Grenswaarde voor lood
Voor lood geldt 0,5 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie als grenswaarde voor de bescherming van de gezondheid van de mens.
in 2008, 25 microgram per m3, verhoogd met 20%, welk percentage op de daaropvolgende eerste januari en vervolgens iedere 12 maanden met gelijke jaarlijkse percentages wordt verminderd tot 0% op 1 januari 2015.
Voorschrift 4.6
Voor benzeen gelden de volgende plandrempels voor de bescherming van de gezondheid van de mens, gedefinieerd als jaargemiddelde concentraties:
§ 8. Richtwaarden, informatiedrempel en alarmdrempel voor ozon
Voorschrift 8.2
Voor ozon geldt een informatiedrempel van 180 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie.
§ 11. Richtwaarde voor nikkel
Voorschrift 8.4
Voor ozon geldt een alarmdrempel van 240 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie.
§ 9. Richtwaarde voor arseen
Voorschrift 9.1
Voor arseen geldt 6 nanogram per m3 als jaargemiddelde concentratie, gedefinieerd als het totale gehalte arseen in de PM10 fractie, als richtwaarde die met ingang van 1 januari 2013 voor zover mogelijk moet worden bereikt, voor de bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu.
§ 10. Richtwaarde voor cadmium
Voorschrift 10.1
Voor cadmium geldt 5 nanogram per m3 als jaargemiddelde concentratie, gedefinieerd als het totale gehalte cadmium in de PM10 fractie, als richtwaarde die met ingang van 1 januari 2013 voor zover mogelijk moet worden bereikt, voor de bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 18.6c
Het is verboden te handelen in strijd met artikelen 4, 5, 6, 7, 8, eerste en tweede lid, 9, 10, derde, vierde en vijfde lid, 13, vierde lid,15, 20, eerste, tweede en derde lid en 21 van de Verordening (EU) 2023/1805.
In het geval van overtreding van de in het eerste lid genoemde artikelen van Verordening (EU) 2023/1805, kan het bestuur van de emissieautoriteit een last onder dwangsom opleggen, voor zover dit ziet op een overtreding door een scheepvaartmaatschappij als bedoeld in artikel 16.1, eerste lid, van deze wet.
In het geval van overtreding van de artikelen 4, eerste lid, 5, derde lid, en 6, eerste en tweede lid, 7, 8, eerste en tweede lid, 9, 10, derde, vierde en vijfde lid, 13, vierde lid, 15, 20, eerste, tweede en derde lid en 21, van Verordening (EU) 2023/1805, kan het bestuur van de emissieautoriteit aan de scheepvaartmaatschappij als bedoeld in artikel 16.1, eerste lid, van deze wet, een bestuurlijke boete opleggen. Een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete kunnen tezamen worden opgelegd.
Een bestuurlijke boete als bedoeld in het derde lid, bedraagt:
- a. ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, in het geval van overtreding van artikel 4, eerste lid, artikel 5, derde lid of artikel 20, eerste, tweede en derde lid, van Verordening (EU) 2023/1805, of indien dat meer is, ten hoogste het bedrag dat het resultaat is van de berekening van het nalevingstekort voor de broeikasgasintensiteit van het schip of van de berekening van het nalevingstekort van het schip voor het deelstreefcijfer voor hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong conform de in deel B van bijlage IV van Verordening (EU) 2023/1805 vervatte formule. Indien een schip een nalevingstekort heeft voor twee of meer opeenvolgende verslagperioden, wordt voor de berekening van de bestuurlijke boete tevens de vermenigvuldiging van artikel 23, tweede lid, laatste volzin van Verordening (EU) 2023/1805 toegepast.
- b. ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, in het geval van overtreding van artikel 6, eerste en tweede lid, of indien dat meer is, ten hoogste het bedrag dat het resultaat is van de vermenigvuldiging van 1,5 EUR met de vastgestelde totale stroombehoefte van het schip op zijn ligplaats en met het totale aantal uren, naar boven afgerond tot het dichtstbijzijnde hele uur, dat in strijd met de voorschriften van artikel 6 door het schip op de ligplaats is doorgebracht.
Een bestuurlijke boete als bedoeld in het derde lid, bedraagt ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, in het geval van overtreding van artikel 7, artikel 8, eerste en tweede lid, artikel 9, artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, artikel 13, vierde lid, artikel 15 of artikel 21, van Verordening (EU) 2023/1805.
Artikel 18.6d
Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 4, 5, 8, 9, eerste en tweede lid, en 10 van Verordening (EU) 2023/2405.
In het geval van overtreding de in het eerste lid genoemde artikelen van Verordening (EU) 2023/2405, kan het bestuur van de emissieautoriteit een last onder dwangsom opleggen, voor zover dit ziet op een overtreding door een luchtvaartuigexploitant of luchtvaartbrandstofleverancier.
In het geval van overtreding van de artikelen 4, eerste lid, en 5, eerste lid, 8, 9, eerste en tweede lid, en 10 van Verordening (EU) 2023/2405, kan het bestuur van de emissieautoriteit een bestuurlijke boete opleggen, voor zover dit ziet op een overtreding door een luchtvaartuigexploitant of luchtvaartbrandstofleverancier. Een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete kunnen tezamen worden opgelegd.
Indien een luchtvaartbrandstofleverancier misleidende of onjuiste informatie heeft verstrekt over de kenmerken of oorsprong van de duurzame luchtvaartbrandstof, in de zin van artikel 12, zesde lid, van Verordening (EU) 2023/2405, kan het bestuur van de emissieautoriteit een bestuurlijke boete opleggen. Een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete kunnen tezamen worden opgelegd.
Een bestuurlijke boete als bedoeld in het derde lid bedraagt:
- a. ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, in het geval van overtreding van artikel 4, eerste lid van Verordening (EU) 2023/2405, of indien dat meer is, ten hoogste het dubbele van het bedrag dat het resultaat is van de vermenigvuldiging van het verschil tussen de gemiddelde jaarlijkse prijs per ton van conventionele luchtvaartbrandstof en duurzame luchtvaartbrandstoffen of synthetische brandstof met de hoeveelheid luchtvaartbrandstoffen die niet voldoet aan de verplichtingen van artikel 4, eerste lid, en bijlage I van Verordening (EU) 2023/2405 met betrekking tot de minimumpercentages.
- b. ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, in het geval van overtreding van artikel 5, eerste lid, van Verordening (EU) 2023/2405, of indien dat meer is, ten hoogste het dubbele van het bedrag dat het resultaat is van de vermenigvuldiging van de gemiddelde jaarlijkse prijs van luchtvaartbrandstof per ton met de totale jaarlijkse niet-getankte hoeveelheid brandstof.
- c. ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, in het geval van overtreding van artikelen 8, 9 en 10 van Verordening (EU) 2023/2405.
Een bestuurlijke boete als bedoeld in het vierde lid bedraagt ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, of, of indien dat meer is, ten hoogste het dubbele van het bedrag dat het resultaat is van de vermenigvuldiging van het verschil tussen de gemiddelde jaarlijkse prijs per ton van conventionele luchtvaartbrandstof en duurzame luchtvaartbrandstof met de hoeveelheid luchtvaartbrandstof waarover de misleidende of onjuiste informatie is verstrekt.
Hoofdstuk 20. Inwerkingtreding en rechtsbescherming
§ 20.2. Advisering inzake beroepen milieubeheer
Hoofdstuk 22. Slotbepalingen
Bijlage 2. bij de Wet milieubeheer
in 2008, 25 microgram per m3, verhoogd met 20%, welk percentage op de daaropvolgende eerste januari en vervolgens iedere 12 maanden met gelijke jaarlijkse percentages wordt verminderd tot 0% op 1 januari 2015.
Voor lood geldt 0,5 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie als grenswaarde voor de bescherming van de gezondheid van de mens.
Voorschrift 4.7
Voor benzeen gelden de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens, gedefinieerd als jaargemiddelde concentraties:
Voor ozon geldt een informatiedrempel van 180 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie.
Voorschrift 8.4
Voor ozon geldt een alarmdrempel van 240 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie.
§ 8. Richtwaarden, informatiedrempel en alarmdrempel voor ozon
Voor arseen geldt 6 nanogram per m3 als jaargemiddelde concentratie, gedefinieerd als het totale gehalte arseen in de PM10 fractie, als richtwaarde die met ingang van 1 januari 2013 voor zover mogelijk moet worden bereikt, voor de bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu.
Voorschrift 8.3
Voor ozon geldt een informatiedrempel van 180 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie.
Voorschrift 11.1
Voor nikkel geldt 20 nanogram per m3 als jaargemiddelde concentratie, gedefinieerd als het totale gehalte nikkel in de PM10 fractie, als richtwaarde die met ingang van 1 januari 2013 voor zover mogelijk moet worden bereikt, voor de bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu.
Voorschrift 12.1
Voor benzo(a)pyreen geldt 1 nanogram per m3 als jaargemiddelde concentratie, gedefinieerd als het totale gehalte benzo(a)pyreen in de PM10 fractie, als richtwaarde die met ingang van 1 januari 2013 voor zover mogelijk moet worden bereikt, voor de bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu.
Voorschrift 13.1
De gevallen, bedoeld in artikel 5.9, eerste lid, zijn:
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 16.1a
De rijksbelastingdienst, een transmissiesysteembeheerder voor gas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, een distributiesysteembeheerder voor gas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, een beheerder van een gesloten systeem voor gas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, en een meetverantwoordelijke partij als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, verstrekt het bestuur van de emissieautoriteit op verzoek de bij ministeriële regeling te bepalen gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van dit hoofdstuk.
Onze Minister van Klimaat en Groene Groei verstrekt het bestuur van de emissieautoriteit op verzoek de bij ministeriële regeling te bepalen gegevens over garanties van oorsprong van gas uit hernieuwbare bronnen, bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van dit hoofdstuk.
Titel 16.1. Algemeen
Paragraaf 16.2.1.1. Algemeen
Subparagraaf 16.2.1.3.1. Het veilen en kosteloos toewijzen van broeikasgasemissierechten
Subparagraaf 16.2.1.3.2. Wijziging van toewijzingsbesluiten
Subparagraaf 16.2.1.3.3. Het verlenen van broeikasgasemissierechten
Paragraaf 16.2.2.2. Monitoring en verslaglegging
Afdeling 16.2.2. Luchtvaartactiviteiten en maritiem vervoer
Paragraaf 16.2.2.3. Het toewijzen en verlenen van broeikasgasemissierechten
Paragraaf 16.2.2a.1. Algemeen
Afdeling 16.2.2A. Levering van brandstoffen aan de gebouwensector, de wegvervoerssector en overige sectoren
Paragraaf 16.2.2a.1. Algemeen
Paragraaf 16.2.2a.3. Monitoring van emissies
Paragraaf 16.2.2a.4. Het veilen, verlenen en inleveren van broeikasgasemissierechten
Titel 16.3. Stikstofoxiden en NOx-emissierechten
Afdeling 16.3.1. Algemeen
Afdeling 16.3.5. De overgang van NOx-emissierechten
Afdeling 16.3.7. Overige bepalingen
Afdeling 16b.3.1. Het register dispensatierechten industrie
Afdeling 16b.2.2. Industrieel monitoringsplan
Titel 16b.3. De dispensatierechten
Afdeling 16b.3.1. Het register dispensatierechten industrie
Afdeling 16b.3.2. Het ontstaan van dispensatierechten
Afdeling 16b.3.3. Overdracht van dispensatierechten
Hoofdstuk 16c. Mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens
Titel 16c.1. Overgangsperiode
Titel 16c.2. Nadere operationalisering
Artikel 16c.3
Het is verboden in strijd te handelen met de volgende bepalingen van de Verordening koolstofcorrectie aan de grens: de artikelen 5, zevende lid, 6, eerste tot en met vijfde lid, 7, vijfde en zesde lid, 8, eerste lid, 9, tweede en derde lid, en 22, tweede lid.
Het is eveneens verboden in strijd te handelen met de artikelen 4 en 22, eerste lid, van de Verordening koolstofcorrectie aan de grens.
Het is voorts verboden in strijd te handelen met bij ministeriële regeling aan te wijzen voorschriften, gesteld bij of krachtens de Verordening koolstofcorrectie aan de grens.
Artikel 16c.4
Het bestuur van de emissieautoriteit, de inspecteur of ontvanger, bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, onderdeel c, van de Algemene Douanewet, en Onze Minister van Financiën verstrekken elkaar op verzoek de gegevens die nodig zijn voor de uitvoering van de Verordening koolstofcorrectie aan de grens.
Het bestuur van de emissieautoriteit kan informatie als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Verordening koolstofcorrectie aan de grens verstrekken aan een andere persoon, voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de Verordening koolstofcorrectie aan de grens en de vertrouwelijke omgang met deze informatie door deze andere persoon is geborgd.
Artikel 16c.5
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de uitvoering van een bindend onderdeel van:
- a. de Verordening koolstofcorrectie aan de grens;
- b. EU-rechtshandelingen die krachtens de Verordening koolstofcorrectie aan de grens zijn vastgesteld.
Titel 16c.3. Verkoop en terugkoop van CBAM-certificaten
Artikel 16c.6
Onze Minister van Financiën is belast met de verkoop en terugkoop van CBAM-certificaten, bedoeld in de artikelen 20 en 23 van de Verordening koolstofcorrectie aan de grens.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van de verkoop en terugkoop van CBAM-certificaten.
Titel 17.1B. Maatregelen in geval van niet-naleving
Titel 17.1B. Maatregelen in geval van niet-naleving
Titel 17.2. Maatregelen bij milieuschade of een onmiddellijke dreiging daarvan
Titel 17.3. Maatregelen bij gevaar door stoffen, mengsels of genetisch gemodificeerde organismen
Hoofdstuk 18. Handhaving
Hoofdstuk 19. Openbaarheid van milieu-informatie
Hoofdstuk 20. Inwerkingtreding en rechtsbescherming
§ 20.1. Algemeen
Artikel 20.2
Vervallen
§ 20.2. Advisering inzake beroepen milieubeheer
Hoofdstuk 21. Verdere bepalingen
Hoofdstuk 22. Slotbepalingen
Bijlage 1. bij de Wet milieubeheer
Wetten, als bedoeld in de artikelen 4.6, derde lid, 4.12, derde lid, en 4.19, derde lid, van de Wet milieubeheer:
Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden
Wet inzake de luchtverontreiniging
Interimwet bodemsanering
Wet voorkoming verontreiniging door schepen
Wet inrichting landelijk gebied
Wet implementatie EG-richtlijnen energie-efficiëntie
Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Stb. 1995, 525)
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Bijlage 2. bij de Wet milieubeheer
Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt de volgende richtwaarde voor de bescherming van de gezondheid van de mens, die met ingang van 1 januari 2010 voor zover mogelijk moet worden bereikt:
Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt tot 1 januari 2015 de volgende plandrempel voor de bescherming van de gezondheid van de mens, gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie:
Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 een blootstellingsconcentratieverplichting van ten hoogste 20 microgram per m3, gedefinieerd als gemiddelde blootstellingsindex.
Voor benzeen gelden de volgende plandrempels voor de bescherming van de gezondheid van de mens, gedefinieerd als jaargemiddelde concentraties:
§ 11. Richtwaarde voor nikkel
Voorschrift 11.1
Voor nikkel geldt 20 nanogram per m3 als jaargemiddelde concentratie, gedefinieerd als het totale gehalte nikkel in de PM10 fractie, als richtwaarde die met ingang van 1 januari 2013 voor zover mogelijk moet worden bereikt, voor de bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu.
§ 12. Richtwaarde voor benzo(a)pyreen
Voorschrift 12.1
Voor benzo(a)pyreen geldt 1 nanogram per m3 als jaargemiddelde concentratie, gedefinieerd als het totale gehalte benzo(a)pyreen in de PM10 fractie, als richtwaarde die met ingang van 1 januari 2013 voor zover mogelijk moet worden bereikt, voor de bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu.
§ 13. Gevallen als bedoeld in de artikelen 5.9, eerste lid, en 5.10, eerste lid, waarin een plan wordt vastgesteld en uitgevoerd.
Voorschrift 13.1
De gevallen, bedoeld in artikel 5.9, eerste lid, zijn:
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)