Besluit van 25 februari 1982, houdende regelen betreffende de rechtstoestand van de militaire ambtenaren van de krijgsmacht

Type AMvB
Publication 2026-07-16
Laatst bijgewerkt 2026-07-18
State In force
Source BWB
artikelen 405
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
2.

Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door die gewezen militair geen uitkering op grond van de WAO wordt toegekend, wordt voor de toepassing van het eerste lid uitgegaan van een uitkering op grond van die wet, zoals die zou zijn toegekend bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.

3.

Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door die gewezen militair het bedrag van de uitkering op grond van de in het eerste lid bedoelde werknemersverzekering of een bovenwettelijke WW-uitkering een vermindering ondergaat, dan wel de aanspraak daarop geheel of gedeeltelijk niet wordt toegekend, wordt deze uitkering voor de toepassing van het eerste lid steeds aangemerkt als een uitkering die onverminderd is genoten.

4.

Indien die gewezen militair over een periode ter zake van de dienstbetrekking waaraan de laatstgenoten bezoldiging is verbonden aanspraak heeft of had kunnen hebben op een uitkering op grond van de ZW of de WAO, is het verplichtingen- en sanctieregime van die wet over die periode van overeenkomstige toepassing.

5.

Indien ten aanzien van die wettelijke uitkering een verplichting wordt opgelegd of een sanctie wordt toegepast, wordt door de commandant operationeel commando zoveel mogelijk dezelfde verplichting opgelegd dan wel een overeenkomstige sanctie toegepast op het verminderde bedrag van de laatstgenoten bezoldiging.

6.

De aanspraak op doorbetaling van bezoldiging ingevolge artikel 120 vervalt, indien de gewezen militair zonder deugdelijke grond weigert de hem door de commandant operationeel commando aangeboden gangbare arbeid, waartoe de militair geneeskundige dienst hem in staat acht, te aanvaarden.

Artikel 121. Arbeidsongeschiktheidsuitkering na ontslag

Vervallen

Artikel 122

Vervallen

Artikel 123. Uitkering bij verlengd verblijf in werkelijke dienst om medische redenen

Vervallen

Artikel 124. Bijzondere uitkering ter zake van derving van inkomsten uit arbeid

1.

De niet in werkelijke dienst verblijvende militair en de gewezen militair, die verplicht tot het reserve-personeel behoort onderscheidenlijk laatstelijk heeft behoord, hebben, indien zij ten gevolge van een ziekte of een gebrek, verband houdende met de uitoefening van de dienst, tijdelijk niet in staat zijn:

  • a. de inkomsten te verwerven die zij uit hoofde van hun beroep of bedrijf gemiddeld verdienden of zouden kunnen verdienen, dan wel
  • b. de inkomsten te verwerven die zij - zo de inkomsten, bedoeld onder a, niet kunnen worden vastgesteld - zouden kunnen verdienen met arbeid die voor hun krachten en bekwaamheid is berekend

naar regels bij ministeriële regeling te stellen, aanspraak op een uitkering zolang zij in vorenbedoelde omstandigheden verkeren, maar ten hoogste gedurende twee jaren. Deze aanspraak bestaat niet indien ter zake uit anderen hoofde aanspraak bestaat op inkomsten, waarvan het totale bedrag gelijk is aan of hoger is dan dat van de inkomsten, bedoeld onder a of b.

2.

Het bedrag van de uitkering is gelijk aan het verschil tussen de inkomsten, bedoeld in het vorige lid onder a of b, en de inkomsten waarop de belanghebbende uit anderen hoofde aanspraak heeft of aanspraak had kunnen maken gedurende de tijd waarin hij verkeert in de omstandigheid, bedoeld in dat lid. De uitkering wordt uitbetaald in maandelijkse termijnen.

3.

Voor de toepassing van de vorige leden worden als inkomsten waarop de belanghebbende uit anderen hoofde aanspraak kan maken, aangemerkt:

  • a. uitkeringen op grond van artikel 123;
  • b. inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf;
  • d. uitkeringen wegens een particuliere verzekering ter zake van de geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid;
  • e. inkomsten ingevolge de bij of krachtens de Kaderwet militaire pensioenen vastgestelde bepalingen met uitzondering van een bedrag, gelijk aan dat van het invaliditeitspensioen, alsmede van de bijzondere invaliditeitsverhoging ingevolge die bepalingen.
4.

Onze Minister kan in naar zijn oordeel bijzondere gevallen:

  • a. de termijn van twee jaren, genoemd in het eerste lid, verlengen;
  • b. op de uitkering een suppletie verlenen.

Artikel 125. Uitkering bij overlijden

1.

Na het overlijden van:

  • a. de gewezen militair die op de dag van het overlijden in het genot was van een uitkering ingevolge artikel 120;
  • b. de gewezen militair die op de dag van het overlijden in het genot was van een uitkering ingevolge artikel 124;

wordt een bedrag uitgekeerd aan de volgende nagelaten betrekkingen:

  • 1°. aan de langstlevende der echtgenoten, tenzij zij duurzaam gescheiden leefden;
  • 2°. bij ontstentenis van de onder 1° bedoelde echtgenote, ten behoeve van het kind of de kinderen voor wie de overledene aanspraak op kinderbijslag had;
  • 3°. bij ontstentenis van de onder 1° en 2° bedoelde betrekkingen, aan of ten behoeve van de ouders, broers, zusters of kinderen van de overledene, voor wie hij naar het oordeel van de commandant operationeel commando grotendeels in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud bijdroeg.
2.

Indien de overledene geen betrekkingen als bedoeld in het vorige lid nalaat, kan de commandant operationeel commando het in dat lid bedoelde bedrag geheel of gedeeltelijk doen aanwenden ter bestrijding van de kosten van de laatste ziekte en de begrafenis of crematie.

3.

Het uit te keren bedrag is indien het een overledene betreft als bedoeld in het eerste lid:

  • b. onderdeel b: gelijk aan de uitkering welke belanghebbende op de dag van zijn overlijden genoot;

en wordt berekend over een tijdvak van drie maanden.

4.

Op dat bedrag worden in mindering gebracht de uitkering ingevolge artikel 35 van de Ziektewet, dan wel artikel 53 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering waarop de overledene aanspraak had dan wel zou kunnen hebben gehad, alsmede naar aard en strekking daarmee overeenkomende uitkeringen.

Hoofdstuk 11. Andere rechten en verplichtingen

Artikel 126. Wijze van dienstvervulling

Vervallen

Artikel 127. Overlegorganen op onderdeelsniveau

Vervallen

Artikel 128. Gelegenheid tot zogen

Vervallen

Artikel 129. Beloningen

Vervallen

Artikel 130. Onderscheidingen, buitengewone bevordering en toekennen van een titulaire rang

1.

Aan de militair kan ter zake van bijzondere dienstverrichtingen, dan wel langdurige en eervolle dienst, naar regelen bij koninklijk besluit te stellen, een onderscheiding worden toegekend.

2.

De militair kan, in afwijking van de bepalingen van hoofdstuk 3, buitengewoon worden bevorderd ter beloning van een zeer belangrijk wapenfeit of een andere daad of verrichting, waardoor hij zich zeer bijzonder heeft onderscheiden.

3.

Aan de militair kan ter zake van het op een bijzondere wijze hebben bijgedragen tot de behartiging van de belangen van de krijgsmacht een titulaire rang worden toegekend.

Artikel 130a

Vervallen

Artikel 131. Functioneringsgesprek

Vervallen

Artikel 132. Herhaald veiligheidsonderzoek

Vervallen

Artikel 133. Non-activiteit

In geval van buitengewone omstandigheden kan Onze Minister de militair die in verband met een functie in een publiekrechtelijk college ingevolge artikel 12c, eerste lid, van de Militaire ambtenarenwet 1931 op non-activiteit is gesteld, in werkelijke dienst terugroepen.

Artikel 134. Kleding

1.

De militair in werkelijke dienst is verplicht tijdens de voor hem vastgestelde werktijden het voor hem vastgestelde uniform te dragen. De vaststelling van het uniform geschiedt, voor zover Wij Ons dat niet hebben voorbehouden, door de commandant operationeel commando.

2.

Het kan de militair die al dan niet in werkelijke dienst verblijft door de commandant operationeel commando worden toegestaan onder bepaalde omstandigheden het uniform al dan niet te dragen.

Artikel 135. Telefoonkosten

Vervallen

Artikel 136

Vervallen

Artikel 137. Wijze van dienstvervulling

Vervallen

Artikel 138. Verplichte sportbeoefening

1.

De militair in werkelijke dienst kan door Onze Minister worden verplicht tot sportbeoefening in dienstverband.

2.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ter uitvoering van dit artikel.

Artikel 139. Bereikbaarheidsplicht

De militair in werkelijke dienst kan door Onze Minister worden verplicht zodanige maatregelen te treffen, dat hij aan per radio, televisie of andere wijze gedane oproepingen om zich te melden onverwijld gevolg kan geven.

Artikel 140. Verrichten van andere werkzaamheden

Vervallen

Artikel 141. Tewerkstelling onder een functionaris, die niet behoort tot het militaire personeel van de krijgsmacht

Vervallen

Artikel 142. Onderzoek aan kleding dan wel lichaam

De commandant is bevoegd tot het gelasten van een onderzoek aan kleding dan wel lichaam, als bedoeld in artikel 12d van de Militaire ambtenarenwet 1931 en met inachtneming van dat artikel.

Artikel 143. Verplichting tot wonen binnen een bepaalde afstand van de plaats van tewerkstelling

De militair kan worden verplicht te wonen op een bepaalde afstand van de plaats, waar hij in de regel dienst verricht, of in een ambts- of dienstwoning, indien dit naar het oordeel van het hoofd defensieonderdeel in het belang van de dienst nodig of gewenst is.

Artikel 144. Ambts- of dienstwoning

1.

De militair die een ambts- of dienstwoning bewoont, draagt de kosten van het onderhoud, dat volgens de wet en het plaatselijk gebruik voor rekening van de huurder komt, tenzij bij ministeriële regeling afwijkende regels worden gesteld.

2.

Ingeval de militair overlijdt behouden de achtergebleven gezinsleden gedurende de maand van het overlijden en de volgende drie maanden het gebruik van de ambts- of dienstwoning waarin zij met de militair woonden. Het hoofd defensieonderdeel kan die termijn bekorten indien het belang van de dienst dit noodzakelijk maakt. Alsdan wordt door het hoofd defensieonderdeel naar billijkheid een schadevergoeding gegeven.

3.

Bij vrijwillig verlaten van de ambts- of dienstwoning binnen de termijn gedurende welke de woning nog mag worden gebruikt, kan het hoofd defensieonderdeel een uitkering geven.

Artikel 145. Schadeverhaal

1.

Onze Minister kan de militair verplichten tot geheel of gedeeltelijke vergoeding van de door de dienst geleden schade:

  • a. indien deze schade in het kader van de vervulling van aan de militair opgedragen diensten en werkzaamheden is ontstaan door opzet of bewuste roekeloosheid van de militair, dan wel
  • b. indien deze schade buiten het kader van aan de militair opgedragen diensten en werkzaamheden is ontstaan door verwijtbaar handelen van de militair.
2.

Wanneer de schade is veroorzaakt door meerdere personen gezamenlijk is in beginsel ieder hoofdelijk aansprakelijk.

Artikel 146. Verplichting tot aanzuivering van een tekort

De militair die uit hoofde van zijn functie is belast met het beheer over of de bewaring van aan het rijk toebehorende of toevertrouwde gelden of geldswaardige papieren kan, bij constatering van een tekort, worden verplicht dat tekort geheel of gedeeltelijk aan te zuiveren, indien en voor zover hij niet aannemelijk maakt dat het ontstaan van dat tekort hem redelijkerwijs niet kan worden verweten.

Artikel 147. Vastleggen van gegevens en kennisgeven van ongevallen

1.

Naar regels bij ministeriële regeling te stellen, wordt van elk ongeval dat aan een militair in werkelijke dienst tijdens de uitoefening van de dienst is overkomen, zo spoedig mogelijk een proces-verbaal opgemaakt. De militair is verplicht, zodra hij daartoe redelijkerwijs in staat is, kennis te geven van een hem overkomen ongeval als vorenbedoeld aan zijn commandant.

2.

Naar regels bij ministeriële regeling te stellen, wordt van elk ongeval dat aan een militair in werkelijke dienst is overkomen en waarvan niet reeds op grond van het vorige lid een proces-verbaal is opgemaakt, op aanvraag van de militair zo spoedig mogelijk een proces-verbaal opgemaakt. Bedoelde aanvraag kan, indien de militair hiertoe niet in staat is, ook worden gedaan door zijn naaste betrekkingen. Een proces-verbaal als in dit lid bedoeld kan ook ambtshalve worden opgemaakt.

3.

Onze Minister beslist of het ongeval waarop een proces-verbaal betrekking heeft, wordt geacht wel of niet in verband te staan met de uitoefening van de dienst, van welke beslissing de militair schriftelijk in kennis wordt gesteld.

4.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder militair in werkelijke dienst mede begrepen de militair, aan wie buitengewoon verlof van lange duur met behoud van militaire inkomsten is verleend.

Artikel 148. Kennisgeving van ongevallen waarbij een derde is betrokken

1.

Onverminderd artikel 147, tweede lid, is de militair in werkelijke dienst verplicht Onze Minister onverwijld kennis te geven van elk ongeval dat hem is overkomen, indien:

  • a. bij dat ongeval een derde is betrokken en
  • b. hij tengevolge van dat ongeval verhinderd is zijn normale werkzaamheden uit te oefenen of geneeskundige hulp heeft moeten inroepen.
2.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder militair in werkelijke dienst mede begrepen de militair, aan wie buitengewoon verlof van lange duur met behoud van militaire inkomsten is verleend.

3.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels ter uitvoering van dit artikel vastgesteld.

Artikel 149. Kennisgeving van verhindering tot dienstverrichting

Vervallen

Artikel 150. Aanneming van giften enz. van derden

Vervallen

Artikel 151

Vervallen

Artikel 152. Deelneming aan aannemingen en leveranties

Vervallen

Artikel 153. Deelneming aan vennootschappen, stichtingen of verenigingen

Vervallen

Artikel 153a. Afwijking van dit hoofdstuk

Ten aanzien van militairen die deelnemen aan een initiële opleiding kunnen bij ministeriële regeling met betrekking tot de aangelegenheden geregeld in dit hoofdstuk bijzondere afwijkende regels worden vastgesteld.

Hoofdstuk 11b. Andere rechten en verplichtingen

Artikel 154. status militairen die voor onbepaalde tijd zijn aangesteld bij het beroepspersoneel

1.

De militair die voor onbepaalde tijd is aangesteld bij het beroepspersoneel is vanaf 1 januari 2008 aangesteld bij de krijgsmacht en ingedeeld bij het krijgsmachtdeel waarbij hij vóór deze datum was aangesteld.

2.

Een bestaande verplichting om deel uit te maken van het beroepspersoneel wordt gehandhaafd.

3.

Voor de toepassing van dit besluit wordt de in het eerste lid bedoelde militair gelijk gesteld met de militair die zich in fase drie bevindt.

Artikel 155. Overgangsbepaling inzake schorsing

Vervallen

Artikel 156. Overgangsbepaling inzake ontslag

Vervallen

Artikel 157. Overgangsbepaling inzake verlof

Vervallen

Artikel 158

Vervallen

Artikel 159

Vervallen

Artikel 160. Bestaande regelingen

Vervallen

Artikel 161. Toepasselijkheid van de Algemene termijnenwet

De Algemene termijnenwet (Stb. 1964, 314) is niet van toepassing op de termijnen in dit besluit gesteld.

Artikel 162. Intrekking van bestaande regelingen

Vervallen

Artikel 163. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als "Algemeen militair ambtenarenreglement", afgekort AMAR.

Artikel 164. Inwerkingtreding

De artikelen van dit besluit treden in werking op een door Ons te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan, alsook per krijgsmachtdeel, verschillend kan worden gesteld.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en de Algemene Rekenkamer.

Artikel 87a. Buitengewoon verlof bij calamiteiten en zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden

1.

Onverminderd artikel 4:1 van de Wet arbeid en zorg wordt aan de militair buitengewoon verlof met behoud van militaire inkomsten verleend:

  • bij plotselinge ziekte van de echtgenote of echtgenoot van de militair, de persoon met wie de militair ongehuwd samenwoont of een van zijn bloed- of aanverwanten in de eerste graad of wanneer een andere noodsituatie, waarvoor de militair onverwijld een voorziening moet treffen, ontstaat: voor de duur benodigd voor de eerste opvang en het treffen van verdere voorzieningen, maar voor ten hoogste één werkdag per zich voordoende situatie;
  • bij de bevalling van zijn echtgenote of de persoon met wie de militair ongehuwd samenwoont;
  • bij overlijden en lijkbezorging van de echtgenote of echtgenoot van de militair, de persoon met wie de militair ongehuwd samenwoont of een van zijn bloed- en aanverwanten in de eerste graad: vanaf het overlijden tot en met de dag van de begrafenis of de crematie en indien sprake is van bijzondere godsdienstige plechtigheden zoveel werkdagen als benodigd om overeenkomstig de bepalingen van die godsdienst rouwceremoniën te verrichten;
  • bij overlijden van:
  • bloed- of aanverwanten in de 2e graad, dan wel van pleegbroers of -zusters: voor ten hoogste 2 werkdagen;
  • bloed- of aanverwanten in de 3e of 4e graad of een van zijn huisgenoten: voor 1 werkdag,

met dien verstande dat indien de militair is belast met de regeling van de begrafenis, de crematie of van de nalatenschap dan wel van beide, het verlof voor ten hoogste 4 werkdagen kan worden verleend en indien sprake is van bijzondere godsdienstige plechtigheden zoveel werkdagen als benodigd om overeenkomstig de bepalingen van die godsdienst rouwceremoniën te verrichten.

2.

De militair meldt vooraf aan de commandant dat hij het verlof, bedoeld in het eerste lid, opneemt onder opgave van de reden. Indien dit niet mogelijk is, meldt de militair het opnemen van het verlof zo spoedig mogelijk aan de commandant onder opgave van de reden.

3.

Het verlof, bedoeld in het eerste lid, vangt niet aan of eindigt in ieder geval zodra de commandant aan hem kenbaar maakt dat tegen het opnemen van het verlof onderscheidenlijk de voortzetting daarvan een zodanig zwaarwegend dienstbelang bestaat, dat het belang van de militair daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.

4.

Van een zwaarwegend dienstbelang als bedoeld in het derde lid, is in ieder geval sprake bij het varen, het vliegen en oefeningen en de direct daarmee samenhangende werkzaamheden als mede de daadwerkelijke inzet van de krijgsmacht en de voorbereiding daarop.

5.

De commandant kan achteraf van de militair verlangen dat hij aannemelijk maakt dat hij geen dienst heeft kunnen verrichten wegens een van de redenen, genoemd in het eerste lid.

Artikel 87b. Kort durend zorgverlof

Het kort durend zorgverlof, bedoeld in hoofdstuk 5 van de Wet arbeid en zorg, wordt verleend met behoud van militaire inkomsten.

Artikel 87c. Langer durend zorgverlof

1.

Aan de militair wordt langer durend zorgverlof met behoud van militaire inkomsten verleend voor hulpverlening aan een tijdelijk ernstig hulpbehoevende of stervende echtgenote, echtgenoot of persoon met wie de militair ongehuwd samenwoont, ouders, stief-, pleeg- of schoonouders, eigen of aangehuwde kinderen, stief- of pleegkinderen.

2.

Voor de toepassing van dit artikel is artikel 87a, tweede tot en met vijfde lid, van overeenkomstige toepassing, waarbij de militair bij de melding, bedoeld in artikel 87a, tweede lid, ook de omvang, de wijze van opneming en zo mogelijk de vermoedelijke duur van het verlof aangeeft.

Artikel 87d. Ouderschapsverlof

1.

Wanneer aan de militair door de commandant ouderschapsverlof, als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg, wordt verleend, behoudt hij over de eerste periode van het ouderschapsverlof, die overeenkomt met dertien maal de voor de militair geldende arbeidsduur per week, 75% van zijn bezoldiging. Over de resterende periode van het verleende ouderschapsverlof, ontvangt de militair over de ouderschapsverlofuren geen bezoldiging.

2.

De militair kan door de commandant worden verplicht tot terugbetaling van de tijdens het ouderschapsverlof genoten inkomsten wanneer hem tijdens de verlofperiode of binnen één jaar na afloop van het ouderschapsverlof ontslag wordt verleend op zijn aanvraag dan wel op grond van aan de militair te wijten omstandigheden. Indien binnen één jaar na afloop van het ouderschapsverlof ontslag wordt verleend, wordt de verplichting tot terugbetaling naar evenredigheid beperkt. Indien het ontslag verband houdt met een aanstelling als burgerlijk ambtenaar bij het Ministerie van Defensie of indiensttreding bij een andere overheidssector bestaat geen verplichting tot terugbetaling.

3.

De militair meldt het voornemen om ouderschapsverlof op te nemen ten minste zes maanden voor het tijdstip van ingang van het verlof schriftelijk aan de commandant.

4.

De commandant kan bepalen dat de aanspraak op ouderschapsverlof op grond van zwaarwegend dienstbelang wordt opgeschort tot een later tijdstip, waarbij kan worden afgeweken van de datum, waarop op grond van artikel 6:4 van de Wet arbeid en zorg geen recht bestaat op ouderschapsverlof.

§ 5. Bijzondere bepalingen

Hoofdstuk 9. Aanspraken en verplichtingen in verband met de gezondheidszorg

Artikel 105

Vervallen

Hoofdstuk 10. Andere voorzieningen van materiële aard

Hoofdstuk 11. Andere rechten en verplichtingen

Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en de Algemene Rekenkamer.

Paragraaf 4a. Buitengewoon verlof

§ 3. Vakantieverlof voor militairen die zijn ingedeeld bij de Koninklijke landmacht, de Koninklijke luchtmacht en de Koninklijke marechaussee

Hoofdstuk 9. Aanspraken en verplichtingen in verband met de gezondheidszorg

Artikel 105

Vervallen

Hoofdstuk 10. Andere voorzieningen van materiële aard

Hoofdstuk 10. Andere voorzieningen van materiële aard

Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en de Algemene Rekenkamer.

Artikel 114a. Bijdrage in de kosten van kinderopvang

1.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder kinderopvang en gastouderopvang verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet kinderopvang.

2.

Door het hoofd defensieonderdeel kan naar bij ministeriële regeling te stellen regels, financieel worden bijgedragen in de kosten van de militair voor kinderopvang of gastouderopvang van een of meerdere kinderen.

3.

De bijdrage, als bedoeld in het tweede lid, eindigt met ingang van de dag waarop de militair ontslag wordt verleend.

4.

Wanneer sprake is van een ontslag op grond van artikel 39, tweede lid, onder d, van dit besluit, eindigt de bijdrage, als bedoeld in het tweede lid, in afwijking van het vierde lid, 6 maanden na de datum waarop dat ontslag is ingegaan, of op het moment dat uit andere hoofde aanspraak bestaat op een bijdrage, als bedoeld in het tweede lid. Gedurende deze periode van 6 maanden blijft de situatie van voor het ontslag ongewijzigd gehandhaafd.

Artikel 131a. Beoordeling

Vervallen

Hoofdstuk 11a. Integriteit

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en de Algemene Rekenkamer.

Artikel 29a. Soldaten

1.

Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder soldaten: bij de Koninklijke landmacht en luchtmacht: soldaten der 1e, 2e en 3e klasse.

2.

Voor soldaten bedraagt de maximum looptijd in rang in totaal acht jaren.

3.

Ten aanzien van soldaten wordt uiterlijk twee jaar voor het verstrijken van de periode van de maximum looptijd in rang, door Onze Minister besloten of hij tijdens de resterende periode kan worden bevorderd naar een hogere rang, als bedoeld in artikel 29b en 29c.

4.

Onze Minister besluit over de bevordering naar een hogere rang, genoemd in het derde lid, op basis van:

  • a. de beschikbare functies;
  • b. het aantal militairen dat de hogere rang mag bekleden, genoemd in artikel 29 en
  • c. de geschiktheid van de militair voor functievervulling in de hogere rang.
5.

Soldaten komen niet in aanmerking voor doorstroom naar functievervulling in fase drie.

6.

Bij ministeriële regeling kunnen voor specifieke functiegroepen nadere regels worden gesteld over een afwijkende maximale looptijd in rang. Daarbij wordt rekening gehouden met de noodzaak van een zo goed en tijdig mogelijke bezetting van alle functies binnen die functiegroep in samenhang met de arbeidsmarktpositie van de militairen, behorende tot de aan te wijzen functiegroep.

Hoofdstuk 5. Schorsing

Hoofdstuk 4. Doorstroom naar fase drie

Hoofdstuk 7. Werk- en rusttijden

Paragraaf 1. Algemene bepalingen inzake werk- en rusttijden

Paragraaf 2. Toepassingsbereik

Paragraaf 3. Arbeidsduur en verlengde arbeidsduur

§ 2. Samenstelling personeelsbestand

Paragraaf 1. Algemene bepalingen inzake werk- en rusttijden

Paragraaf 2. Toepassingsbereik

Paragraaf 2. Toepassingsbereik

Paragraaf 3. Arbeidsduur en verlengde arbeidsduur

Paragraaf 3. Arbeidsduur en verlengde arbeidsduur

Paragraaf 4. Dagelijkse en wekelijkse rusttijd

Paragraaf 6. Afwijkende bepalingen inzake arbeidsduur en rusttijd

Paragraaf 6. Afwijkende bepalingen inzake arbeidsduur en rusttijd

Hoofdstuk 8. Verlof

Paragraaf 8. Werk- en rusttijden op bepaalde dagen

Paragraaf 10. Bijzondere bepalingen voor continu- en ploegendienst

Paragraaf 11. Bijzondere bepalingen voor vrouwelijke militairen

Paragraaf 3a. Afwijkende verlofbepalingen

§ 1. Algemene bepalingen inzake verlof

§ 2. Vakantieverlof voor militairen die zijn ingedeeld bij de Koninklijke marine

Hoofdstuk 11. Andere rechten en verplichtingen

Hoofdstuk 11a. Integriteit

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en de Algemene Rekenkamer.

§ 3. Vakantieverlof voor militairen die zijn ingedeeld bij de Koninklijke landmacht, de Koninklijke luchtmacht en de Koninklijke marechaussee

Artikel 90c. Ziektekostenaanspraken reservisten en tijdelijk aangestelde militairen

Vervallen

Paragraaf 2. Rechten en verplichtingen in geval van ziekte

Artikel 94a. Verplichtingen van de militair in geval van ongeschiktheid tot dienstverrichting als gevolg van ziekte

1.

De militair die als gevolg van ziekte ongeschikt is dienst te verrichten, is verplicht tot:

  • a. gedurende het eerste jaar van zijn ziekte, het verrichten van hem opgedragen passende arbeid. Onder passende arbeid wordt verstaan alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de militair is berekend, tenzij deze om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd;
2.

De militair, bedoeld in het eerste lid, is verplicht tot het opvolgen van door de commandant of door een door deze aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften en is verplicht mee te werken aan door hen getroffen maatregelen om hem in staat te stellen de arbeid als bedoeld in het eerste lid te verrichten.

3.

De militair, bedoeld in het eerste lid, is verplicht zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 71a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

4.

Dit artikel is van overeenkomstige toepassing wanneer de militair onder andere voorwaarden wordt verplicht tot het verrichten van dienst.

§ 4. Inschepings- en ontschepingsverlof

Artikel 105. Geneeskundig onderzoek in verband met vermoedelijke blijvende ongeschiktheid

1.

De militair in werkelijke dienst, van wie op goede gronden wordt verondersteld dat hij blijvend ongeschikt is voor het vervullen van de dienst, kan, in opdracht van Onze Minister, worden onderworpen aan een geneeskundig onderzoek naar de regelen, gesteld in het Besluit procedure geneeskundig onderzoek blijvende dienstongeschiktheid en pensioenkeuring militairen.

2.

In het geval, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 101 en 102 van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 9. Aanspraken en verplichtingen in verband met de gezondheidszorg

Hoofdstuk 10. Andere voorzieningen van materiële aard

Hoofdstuk 11a. Integriteit

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en de Algemene Rekenkamer.

Artikel 118a. Uitkering bij overlijden

1.

In geval van overlijden van de militair wordt een uitkering verstrekt:

  • a. aan de echtgenoot van de militair, dan wel
  • b. indien de militair geen echtgenoot heeft nagelaten, aan of ten behoeve van het kind of de kinderen waarvoor aanspraak op kinderbijslag bestaat, dan wel
  • c. indien de militair geen echtgenoot of kinderen als bedoeld onder b heeft nagelaten, aan zijn ouders, broers, zusters of kinderen waarvoor geen aanspraak op kinderbijslag bestaat, indien hij naar het oordeel van het hoofd defensieonderdeel in de noodzakelijke kosten van hun levensonderhoud grotendeels bijdroeg.
2.

Indien het eerste lid geen toepassing kan vinden, kan het hoofd defensieonderdeel de uitkering geheel of gedeeltelijk doen aanwenden ter bestrijding van de kosten van de laatste ziekte en de begrafenis of crematie van de militair.

3.

De uitkering is gelijk aan driemaal het bedrag van de bezoldiging waarop de militair op de dag van zijn overlijden aanspraak had, vermeerderd met het bedrag per maand van de andere inkomsten die in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de pensioengrondslag, ongeacht of hij daarover pensioenbijdrage was verschuldigd.

4.

In voorkomend geval wordt de bezoldiging, bedoeld in het derde lid, verhoogd met de toelage-buitenland, bedoeld in het Voorzieningenstelsel buitenland defensiepersoneel.

5.

Op de uitkering worden de aan de militair reeds vóór zijn overlijden betaalde inkomsten met betrekking tot een na zijn overlijden gelegen tijdvak, in mindering gebracht.

6.

De artikelen 54g, 71a, eerste lid, en 80b, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 118b. Uitkering bij vermissing

Het hoofd defensieonderdeel kan artikel 118a van overeenkomstige toepassing verklaren in geval van vermissing van de militair.

Hoofdstuk 11a. Integriteit

Hoofdstuk 11b. Andere rechten en verplichtingen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en de Algemene Rekenkamer.

Artikel 54fa

In afwijking van het bepaalde in de artikelen 54d, 54e, 54f berust de bevoegdheid tot het toekennen van een aanvraag van militairen met de rang van kapitein ter zee/kolonel en hoger op grond van deze artikelen, bij de Secretaris-Generaal.

Paragraaf 2. Toepassingsbereik

Paragraaf 3. Arbeidsduur en verlengde arbeidsduur

Paragraaf 1. Algemene bepalingen inzake werk- en rusttijden

Paragraaf 2. Toepassingsbereik

Paragraaf 6. Afwijkende bepalingen inzake arbeidsduur en rusttijd

Paragraaf 2. Toepassingsbereik

Paragraaf 3. Arbeidsduur en verlengde arbeidsduur

Paragraaf 3. Arbeidsduur en verlengde arbeidsduur

Paragraaf 5. Aanvullende bepalingen bij nachtdienst

Paragraaf 11. Bijzondere bepalingen voor vrouwelijke militairen

Paragraaf 7. Pauzeregeling

Hoofdstuk 8. Verlof

§ 1. Algemene bepalingen inzake verlof

Paragraaf 10. Bijzondere bepalingen voor continu- en ploegendienst

Paragraaf 11. Bijzondere bepalingen voor vrouwelijke militairen

§ 1. Algemene bepalingen inzake verlof

§ 4. Inschepings- en ontschepingsverlof

§ 2. Vakantieverlof voor militairen die zijn ingedeeld bij de Koninklijke marine

§ 2. Vakantieverlof voor militairen die zijn ingedeeld bij de Koninklijke marine

§ 5. Bijzondere bepalingen

Hoofdstuk 9. Aanspraken en verplichtingen in verband met de gezondheidszorg

§ 4. Inschepings- en ontschepingsverlof

§ 4. Inschepings- en ontschepingsverlof

Paragraaf 4a. Buitengewoon verlof

Hoofdstuk 10. Andere voorzieningen van materiële aard

Hoofdstuk 11a. Integriteit

Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en de Algemene Rekenkamer.

§ 1. Regels omtrent goed handelen als militair ambtenaar

Artikel 126a. Afleggen eed of belofte

1.

Zo spoedig mogelijk na aanstelling legt de militair de volgende eed of belofte af:

«Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning, gehoorzaamheid aan de wetten en onderwerping aan de krijgstucht.

Zo waarlijk helpe mij God Almachtig (Dat beloof ik)».

2.

In afwijking van het eerste lid legt de militair die bij zijn aanstelling is aangewezen voor het volgen van een initiële opleiding, de eed of belofte af zo spoedig mogelijk na het voltooien van die opleiding.

3.

Indien de militair ingevolge een eerdere aanstelling reeds de eed of belofte heeft afgelegd, wordt deze niet opnieuw afgelegd.

Artikel 126b. Nevenbetrekkingen en nevenwerkzaamheden

1.

De militair meldt aan Onze Minister, op een door Onze Minister te bepalen wijze, de nevenwerkzaamheden die de militair verricht of voornemens is te gaan verrichten, die de belangen van de dienst, voor zover deze in verband staan met zijn functievervulling, kunnen raken.

2.

Onze Minister voert een registratie van de op grond van het eerste lid gedane meldingen.

3.

De door militairen met de rang van vice-admiraal/luitenant-generaal of een hogere rang gemelde nevenwerkzaamheden worden openbaar gemaakt met vermelding van eventueel door Onze Minister aan het verrichten van de nevenwerkzaamheden gestelde beperkingen.

4.

De militair verricht geen nevenwerkzaamheden waardoor de goede vervulling van de functie of het goed functioneren van de openbare dienst, voor zover dit in verband staat met de functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.

5.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de melding, bedoeld in het eerste lid, de registratie, bedoeld in het tweede lid, en het verbod, bedoeld in het vierde lid.

Artikel 126c

1.

Onze Minister wijst de militairen aan die werkzaamheden verrichten waaraan in het bijzonder het risico van financiële belangenverstrengeling of het risico van oneigenlijk gebruik van koersgevoelige informatie verbonden is. De aangewezen militair meldt financiële belangen, alsmede het bezit van en transacties met effecten die de belangen van de dienst voor zover deze in verband staan met zijn functievervulling kunnen raken, aan een daartoe aangewezen functionaris.

2.

Onze Minister voert een registratie van de op grond van het eerste lid gedane meldingen.

3.

De militair verstrekt nadere informatie of bescheiden met betrekking tot de financiële belangen of het bezit van of de transacties met effecten, indien daarvoor naar het oordeel van Onze Minister of de door Onze Minister aangewezen functionaris, bedoeld in het eerste lid, aanleiding bestaat op grond van de melding of na de melding gebleken feiten of omstandigheden.

4.

Het is de militair verboden financiële belangen te hebben, effecten te bezitten of effectentransacties te verrichten waardoor de goede vervulling van de functie of het goed functioneren van de openbare dienst, voorzover dit in verband staat met de functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.

5.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de melding, bedoeld in het eerste lid, de registratie, bedoeld in het tweede lid, en het verbod, bedoeld in het vierde lid.

Artikel 126d. Geen vergoedingen, beloningen, steekpenningen

1.

Vergoedingen, beloningen, giften of beloften worden door de militair in zijn ambt niet van derden gevorderd of verzocht of, anders dan met goedvinden van Onze Minister, aangenomen.

2.

De militair neemt geen steekpenningen aan.

Artikel 126e. Deelname aan aannemingen en leveringen

1.

De militair neemt geen deel, direct of indirect, aan aannemingen en leveringen ten behoeve van openbare diensten, tenzij daarvoor toestemming is verleend.

2.

De militair gedraagt zich naar hetgeen voor de militair is bepaald ten aanzien van het deelnemen, direct of indirect, aan aannemingen en leveringen ten behoeve van anderen.

Artikel 126f. Deelneming aan vennootschappen, stichtingen of verenigingen

Aan de militair die is aangesteld bij het beroepspersoneel kan door Onze Minister worden verboden commissaris, bestuurder of vennoot te zijn van een vennootschap, stichting of vereniging, die geregeld in aanraking komt, of krachtens haar opzet kan komen met de krijgsmacht.

§ 2. Melden van een misstand

Artikel 126g

Vervallen

Artikel 126h

Vervallen

Artikel 126i

Vervallen

Artikel 126j

Vervallen

Artikel 126k

Vervallen

Hoofdstuk 11b. Andere rechten en verplichtingen

Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en de Algemene Rekenkamer.

§ 1. Regels omtrent goed handelen als militair ambtenaar

§ 2. Melden van een misstand

Hoofdstuk 11b. Andere rechten en verplichtingen

Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en de Algemene Rekenkamer.

Artikel 39b. Leeftijdsontslag voor militairen met de rang van kapitein ter zee, kolonel of een hogere rang en universitair geschoolde kapitein-luitenants ter zee en luitenant-kolonels

In afwijking van artikel 39, tweede lid, onderdeel a, wordt, onverminderd artikel 39a, eerste lid, leeftijdsontslag verleend met ingang van een individueel te bepalen datum gelegen tussen de datum waarop de militair nog vijf jaar is verwijderd van de pensioengerechtigde leeftijd en het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd:

  • a. aan een militair met de rang van kapitein ter zee, kolonel of een hogere rang;
  • b. met zijn instemming, aan een militair met de rang van kapitein-luitenant ter zee, of luitenant-kolonel die een universitaire master graad heeft behaald en als zodanig werkzaam is in het veld van zijn academische deskundigheid.

Artikel 39c. Verlaging van de ontslagleeftijd wegens arbeid als militair onder bepaalde omstandigheden

1.

De voor een militair met toepassing van artikel 39, tweede lid onderdeel a, of artikel 39a, eerste tot en met vierde lid, vastgestelde datum van leeftijdsontslag wordt op aanvraag van deze militair vervroegd in verband met de buiten Nederland doorgebrachte inzet in het kader van een vredes- of humanitaire operatie, of het anderszins hebben verricht van arbeid onder omstandigheden waarbij de bepalingen van de Arbeidstijdenwet of van hoofdstuk 7 van dit besluit niet van toepassing waren.

2.

De in het eerste lid bedoelde vervroeging bedraagt ten hoogste:

  • a. één derde van de tijd die vanaf 1 januari 1990 tot en met 31 december 2007 in het kader van een vredes- of humanitaire operatie buiten Nederland is doorgebracht;
  • b. de helft van de tijd die vanaf 1 januari 2008 in het kader van een vredes- of humanitaire operatie buiten Nederland is doorgebracht; en
  • c. de helft van de tijd vanaf 1 januari 2017 waarbij de militair voor ten minste zeven aaneengesloten dagen arbeid heeft verricht onder omstandigheden waarbij de bepalingen van de Arbeidstijdenwet of van hoofdstuk 7 van dit besluit niet van toepassing waren.
3.

Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt door de militair ten minste achttien maanden vóór de door de militair beoogde datum van leeftijdsontslag bij het bevoegde gezag ingediend.

4.

Op militairen aan wie op aanvraag leeftijdsontslag wordt verleend als bedoeld in artikel 39a, is het tweede lid, onderdeel c, niet van toepassing. De verlaging van de ontslagleeftijd voor deze militairen bedraagt maximaal twee jaren terwijl de ontslagleeftijd niet lager kan zijn dan achtenvijftig jaar.

Hoofdstuk 7. Werk- en rusttijden

Paragraaf 1. Algemene bepalingen inzake werk- en rusttijden

Paragraaf 1. Algemene bepalingen inzake werk- en rusttijden

§ 2. Samenstelling personeelsbestand

Paragraaf 5. Aanvullende bepalingen bij nachtdienst

Paragraaf 8. Werk- en rusttijden op bepaalde dagen

Paragraaf 5. Aanvullende bepalingen bij nachtdienst

Paragraaf 5. Aanvullende bepalingen bij nachtdienst

Paragraaf 6. Afwijkende bepalingen inzake arbeidsduur en rusttijd

Paragraaf 7. Pauzeregeling

Hoofdstuk 8. Verlof

Paragraaf 9. Consignatie en bijzondere vormen van consignatie

Paragraaf 11. Bijzondere bepalingen voor vrouwelijke militairen

§ 3. Vakantieverlof voor militairen die zijn ingedeeld bij de Koninklijke landmacht, de Koninklijke luchtmacht en de Koninklijke marechaussee

§ 3. Vakantieverlof voor militairen die zijn ingedeeld bij de Koninklijke landmacht, de Koninklijke luchtmacht en de Koninklijke marechaussee

§ 3. Vakantieverlof voor militairen die zijn ingedeeld bij de Koninklijke landmacht, de Koninklijke luchtmacht en de Koninklijke marechaussee

Hoofdstuk 9. Aanspraken en verplichtingen in verband met de gezondheidszorg

Paragraaf 1. Ziektekostenstelsel

Paragraaf 3a. Afwijkende verlofbepalingen

Paragraaf 4a. Buitengewoon verlof

Hoofdstuk 9. Aanspraken en verplichtingen in verband met de gezondheidszorg

Hoofdstuk 10. Andere voorzieningen van materiële aard

§ 1. Regels omtrent goed handelen als militair ambtenaar

§ 2. Melden van een misstand

Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en de Algemene Rekenkamer.

Paragraaf 1. : Overgangsbepalingen in verband met de introductie van het flexibel personeelssysteem

Artikel 154a. status militairen die voor een bepaalde tijd zijn aangesteld bij het beroepspersoneel

1.

De militair die voor een bepaalde tijd is aangesteld bij het beroepspersoneel blijft voor een bepaalde tijd bij het beroepspersoneel aangesteld.

2.

Hieraan is de verplichting verbonden gedurende die tijd deel uit te maken van het beroepspersoneel.

3.

Voor de toepassing van dit besluit wordt de in het eerste lid bedoelde militair gelijk gesteld met de militair die zich in fase één bevindt, met dien verstande dat de militair die op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van dit artikel aanspraak had op deelname aan flexibilisering arbeidsduur als bedoeld in de artikelen 54d en 54e, deze aanspraak behoudt.

4.

De aanstelling van de militair bedoeld in het eerste lid aan wie vóór 31 december 2007 schriftelijk een aanstelling voor onbepaalde tijd bij het beroepspersoneel in het vooruitzicht is gesteld wordt aan het einde van de aanstellingsduur omgezet naar een aanstelling bij de krijgsmacht, waarbij de militair gaat functioneren in fase drie.

Artikel 154b. ontslaggrond

1.

De in artikel 154a, eerste lid, bedoelde militair wordt eervol ontslag verleend vanwege het eindigen van de tijd waarvoor de aanstelling is geschied.

2.

In afwijking van het eerste lid kan de aanstelling van de in artikel 154a, eerste lid, bedoelde militair met diens instemming en onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden:

  • a. aan het einde van de initiële of verlengde aanstellingsduur worden omgezet naar een aanstelling bij de krijgsmacht, waarbij de militair gaat functioneren in fase twee;
  • b. tijdens de initiële of verlengde aanstellingsduur worden omgezet naar een aanstelling bij de krijgsmacht, waarbij de militair gaat functioneren in fase één respectievelijk fase twee.
3.

In het geval, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, wordt de verplichting om deel uit te maken van het beroepspersoneel als bedoeld in artikel 154a, tweede lid, gehandhaafd.

Artikel 154c. Premie

1.

Aan de in artikel 154a bedoelde militair wordt een premie toegekend:

  • a. nadat hij de bij zijn aanstelling op hem gelegde verplichting heeft volbracht;
  • b. nadat hij in voorkomend geval een verlengde verplichting heeft volbracht; of
  • b. nadat hij zijn opleiding met gunstig resultaat heeft volbracht, en hij niet heeft kunnen voldoen aan de uit de aanstelling voortvloeiende of in voorkomend geval verlengde verplichting, door een naar het oordeel van Onze Minister niet aan hem zelf te wijten oorzaak.
2.

De premie is ten minste een bedrag gelijk aan 5% van het bij de aanstelling geldende laagste salarisbedrag verbonden aan de rang behorende bij de functie waarvoor hij is bestemd, berekend naar het aantal maanden van de voor de militair geldende verplichting.

3.

De premie is ten hoogste een bedrag dat gelijk is aan het onder a tot en met d genoemde percentage van de bezoldiging behorende bij ten hoogste salarisnummer 19 van het salaris van de rang die één rang hoger is dan de rang die verbonden is aan de functie waarvoor hij bij aanstelling is bestemd, berekend naar het aantal maanden van de voor de militair geldende verplichting, te weten:

  • a. bij een verplichting van vier jaar of langer: 25%;
  • b. bij een verplichting van drie tot vier jaar: 23%;
  • c. bij een verplichting van twee tot drie jaar: 21%;
  • d. bij een verplichting van minder dan twee jaar: 20%.
4.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien artikel 154b, tweede lid, wordt toegepast met dien verstande dat:

  • a. de premie van de militair, waarvan de aanstelling tijdens de initiële aanstellingsduur wordt omgezet naar een aanstelling bij de krijgsmacht, wordt berekend over de duur van de aan de aanstelling verbonden verplichting;
  • b. de premie van de militair, waarvan de aanstelling tijdens de verlengde aanstellingsduur wordt omgezet naar een aanstelling bij de krijgsmacht, wordt naar rato berekend over de periode tot de omzetting.
5.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het toekennen van de premie.

Artikel 154d. Andere percentages

Door Onze Minister kunnen uitsluitend ten aanzien van bepaalde doelgroepen van militairen andere percentages dan de percentages genoemd in artikel 154c, derde lid onder a tot en met d, worden vastgesteld indien vaststaat dat met toepassing van laatstgenoemde percentages onvoldoende in de werving van tot deze doelgroepen behorende militairen kan worden voorzien.

Artikel 154e. Uitbetaling van de premie

Een premie als bedoeld in artikel 154c wordt uitbetaald binnen twee maanden nadat daarop aanspraak is ontstaan. Een voorschot op deze premie kan worden uitgekeerd aan de militair die zijn initiële opleiding als bedoeld in artikel 13 met goed gevolg heeft afgerond: voor ten hoogste een kwart van de bij zijn aanstelling toegekende premie.

Artikel 154f. Burgerberoepsopleiding

1.

De in artikel 154a bedoelde militair kan, met het oog op het na zijn verblijf in werkelijke dienst uitoefenen van een beroep in de burgermaatschappij, naar bij ministeriële regeling te stellen regels, in de gelegenheid worden gesteld een bij zijn aanstelling vastgestelde burgerberoepsopleiding te volgen.

2.

Deze opleiding vindt plaats tijdens het verblijf in werkelijke dienst en geschiedt voor rekening van en, indien en voorzover dat naar het oordeel van Onze minister wenselijk en mogelijk is, door de zorg van het Rijk.

3.

Bij de regeling bedoeld in het eerste lid worden voor de onderscheiden opleidingen maximum tijdsduren vastgesteld, gedurende welke die opleidingen op rijkskosten kunnen worden gevolgd, met dien verstande dat deze tijdsduur nimmer meer kan bedragen dan vierentwintig maanden.

4.

Gedurende zes maanden na de datum van aanstelling kan, in overeenstemming tussen Onze minister en de betrokken militair, eenmaal wijziging in de burgerberoepsopleiding worden gebracht. Indien het dienstbelang zulks vordert kan ook na vorenbedoelde termijn Onze minister de burgerberoepsopleiding met instemming van de militair wijzigen. De voorgaande leden zijn in dat geval van overeenkomstige toepassing.

5.

Indien de militair de burgerberoepsopleiding, als gevolg van een naar het oordeel van Onze minister niet aan hemzelf te wijten oorzaak, niet binnen de voor hem op grond van het derde lid vastgestelde maximum tijdsduur met gunstig resultaat heeft voltooid, kan Onze minister bepalen, dat bij een verlengde verplichting een gedeelte van die verlenging wordt bestemd voor het voltooien van de opleiding.

6.

De militair die door een naar het oordeel van Onze minister niet aan hemzelf te wijten oorzaak wordt ontslagen nadat de aan de aanstelling verbonden proeftijd is verstreken, maar voordat de – eventueel verlengde – verplichting is volbracht, kan op zijn aanvraag in aanmerking worden gebracht voor een tegemoetkoming ten einde de in dit artikel bedoelde burgerberoepsopleiding te voltooien.

Artikel 154g. Cursusfaciliteiten

1.

De in artikel 154a bedoelde militair die, met het oog op het na zijn verblijf in werkelijke dienst uitoefenen van een beroep in de burgermaatschappij, tijdens zijn verblijf in werkelijke dienst algemeen vormend of vak onderricht volgt, kan op zijn aanvraag, naar bij ministeriële regeling te stellen regels, in het genot worden gesteld van faciliteiten, verband houdende met het volgen van het onderricht.

2.

De in het eerste lid bedoelde militair, die de uit zijn aanstelling voortvloeiende verplichting en eventueel verlengde verplichting heeft volbracht, kan op zijn aanvraag gedurende ten hoogste één jaar na de datum van ingang van zijn ontslag in het genot van de in het eerste lid bedoelde faciliteiten worden gesteld, in geval deze verband houden met het volgen van onderwijs.

Artikel 154h. Studietoelagen

De in artikel 154a bedoelde militair die de uit zijn aanstelling voortvloeiende verplichting heeft volbracht, of daaraan – nadat hij met gunstig resultaat zijn opleiding heeft voltooid – niet heeft kunnen voldoen door een naar het oordeel van Onze minister niet aan hemzelf te wijten oorzaak, kan op zijn aanvraag na de datum van ingang van zijn ontslag, naar bij ministeriële regeling te stellen regels, in het genot worden gesteld van een studietoelage, indien hij met het oog op het uitoefenen van een beroep in de burgermaatschappij aan een in Nederland gevestigde en erkende onderwijsinstelling niet-schriftelijk wetenschappelijk, algemeen vormend of vak onderricht volgt.

Artikel 154i. Familiebezoek

1.

De in artikel 154a genoemde militair die geen aanspraak maakt op een tegemoetkoming in het dagelijks reizen, heeft, indien zijn plaats van tewerkstelling in Nederland, België of Duitsland is gelegen, eenmaal in de twee weken aanspraak op een tegemoetkoming in de kosten van het reizen ten behoeve van familiebezoek over een enkele reis afstand van ten hoogste 460 kilometer, met inachtneming van het bepaalde krachtens artikel 25 van het Verplaatsingskostenbesluit militairen.

2.

Indien de in het eerste lid bedoelde militair tevens aanspraak heeft op een tegemoetkoming in de reiskosten op grond van het Verplaatsingskostenbesluit militairen, bestaat slechts aanspraak op de hoogste vergoeding per maand.

3.

De in dit artikel bedoelde aanspraak is niet van toepassing voor de militair die voorzieningen geniet ingevolge het Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel (DBZV).

Artikel 154j. Status militairen die voor onbepaalde tijd zijn aangesteld bij het reservepersoneel

1.

De militair die voor onbepaalde tijd is aangesteld bij het reservepersoneel is vanaf 1 januari 2008 aangesteld bij het reservepersoneel en ingedeeld bij het krijgsmachtdeel waarbij hij vóór deze datum was aangesteld.

2.

Artikel 154 is op de in het eerste lid bedoelde militair van overeenkomstige toepassing.

Artikel 154k. Status militairen die voor een bepaalde tijd zijn aangesteld bij het reservepersoneel

1.

De militair die voor een bepaalde tijd is aangesteld bij het reservepersoneel blijft voor een bepaalde tijd bij het reservepersoneel aangesteld.

2.

Artikel 154a is op de in het eerste lid bedoelde militair van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 1. : Overgangsbepalingen in verband met de introductie van het flexibel personeelssysteem

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en de Algemene Rekenkamer.

Artikel 126l

Vervallen

Artikel 126m

Vervallen

Artikel 126n

Vervallen

Artikel 126o

Vervallen

Artikel 126p

Vervallen

Artikel 126q

Vervallen

Artikel 126r

Vervallen

Artikel 126s

Vervallen

Artikel 126t

Vervallen

Artikel 126u

Vervallen

Artikel 126v

Vervallen

Artikel 126w

Vervallen

Artikel 126x

Vervallen

Artikel 126y

Vervallen

Artikel 126z

Vervallen

Artikel 126aa

Vervallen

Artikel 126ab

Vervallen

Artikel 126ac

Vervallen

Hoofdstuk 11b. Andere rechten en verplichtingen

Hoofdstuk 11c. Het melden van een misstand

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Paragraaf 2. : Overige bepalingen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en de Algemene Rekenkamer.

Paragraaf 1. Opleidingen

Artikel 16a. Verbreding van de loopbaan

1.

De militair kan een aanvraag indienen bij Onze Minister om te worden aangewezen voor een opleiding, gericht op een loopbaan buiten het ministerie van Defensie. De aanvraag gaat vergezeld van een advies van de employabilitybegeleider of, wanneer sprake is van een extern bemiddelingstraject, als bedoeld in artikel 31a, van een advies van de organisatie-eenheid belast met de externe bemiddeling van defensiepersoneel.

2.

Bij een besluit van Onze Minister tot aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met:

  • a. het bij de aanvraag gevoegde advies van de employabilitybegeleider of van de organisatie-eenheid belast met de externe bemiddeling van defensiepersoneel;
  • b. de beroepswensen van de militair;
  • c. de arbeidsmarkt relevantie van de gewenste opleiding en de verhouding tot het werkervarings- en opleidingsniveau van de militair.
3.

Wanneer de opleiding is gericht op het voortzetten van de loopbaan buiten Defensie binnen het functiegebied, waarin de militair bij Defensie werkzaam is, en op een minimaal vergelijkbaar werkniveau worden de kosten voor de opleiding volledig vergoed.

4.

Wanneer de opleiding niet kan worden afgerond voordat ontslag plaatsvindt op grond van artikel 39, tweede lid, onder i, kan de opleiding na het ontslag worden afgerond met vergoeding van de daarmee samenhangende opleidingskosten.

5.

Wanneer de opleiding plaatsvindt tijdens de arbeidstijd van de militair, wordt hij door Onze Minister hiervoor vrijgesteld van arbeid, tenzij dit op grond van zwaarwegende redenen van dienstbelang niet mogelijk is.

6.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van dit artikel.

Artikel 16b. Vrijstellen van een opleiding of delen daarvan

1.

Onze Minister kan de militair vrijstelling verlenen van een opleiding, bedoeld in artikel 13 tot en met 16, of delen daarvan, indien blijkt dat reeds over de benodigde kennis en vaardigheid wordt beschikt.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de uitvoering van het eerste lid.

Artikel 16c. Aanvraag voorschot

1.

Aan de militair kan op diens aanvraag een voorschot worden verstrekt voor de door hem te maken kosten voor een opleiding, als bedoeld in artikel 16 en 16a.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de uitvoering van het eerste lid.

Artikel 16d. Ontheffing van een opleiding

De militair, die is aangewezen voor het volgen van een opleiding, als bedoeld in artikel 13 tot en met 16, kan daarvan door Onze Minister worden ontheven, indien hij niet voldoet aan de voor de opleiding gestelde eisen of indien ontheffing in het belang van de dienst of van de militair noodzakelijk is.

Artikel 16e. Terugbetalingsverplichting opleidingskosten

1.

Aan de aanwijzing voor een opleiding, als bedoeld in artikel 13 tot en met 16a, kan door Onze Minister de verplichting worden verbonden tot gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de kosten van de opleiding, indien de militair na het verstrijken van de voor hem geldende proeftijd:

  • a. in verband met aan hem te verwijten omstandigheden wordt ontheven van de opleiding;
  • b. in verband met aan hem te verwijten omstandigheden wordt ontheven van de functie waarvoor hij is opgeleid;
2.

Bij de berekening van het terug te betalen bedrag wordt uitgegaan van een evenwichtige verdeling van risico's tussen werkgever en werknemer.

3.

Het bedrag van de terugbetalingsverplichting in geval van een initiële opleiding, als bedoeld in artikel 13, wordt naar evenredigheid verminderd naarmate de termijn van de hem op basis van artikel 12k van de Militaire Ambtenarenwet 1931 opgelegde verplichting is verstreken met dien verstande dat de periode van de proeftijd hierbij meetelt.

4.

Het door de militair terug te betalen bedrag wordt als volgt vastgesteld:

  • a. voor het deel van de opleiding dat is gevolgd binnen het Ministerie van Defensie: overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde kosten van die opleiding per cursist;
  • b. voor het deel van de opleiding dat is gevolgd buiten het Ministerie van Defensie: de opleidingskosten die rechtstreeks door het Ministerie van Defensie aan die onderwijsinstelling zijn betaald;
  • c. de militaire inkomsten die volgens het Inkomstenbesluit militairen zijn ontvangen tijdens een:
  • (1). opleiding, die is gevolgd bij een externe onderwijsinstelling, met volledige vrijstelling van het verrichten van arbeid: over de werkdagen voor de volle duur van die opleiding waarop de militair is vrijgesteld van werkzaamheden en diensten als militair,
  • (2). opleiding, die is gevolgd bij een externe onderwijsinstelling, met gedeeltelijke vrijstelling van het verrichten van arbeid: over de werkdagen van die opleiding waarop de militair is vrijgesteld van werkzaamheden en diensten als militair,

verminderd met het minimumloon over die periode, vastgesteld conform hetgeen is bepaald bij en krachtens de Wet minimumloon en minimum vakantiebijslag.

5.

De militair op wie een terugbetalingsverplichting rust, wordt ontslagen van die verplichting, indien hij bij ontslag op aanvraag, als bedoeld in artikel 39, eerste lid, binnen zes maanden na dat ontslag wordt aangesteld als ambtenaar bij het Ministerie van Defensie.

6.

Het door de militair terug te betalen bedrag is direct opeisbaar, wanneer een omstandigheid, als bedoeld in het eerste lid, zich voordoet, en wordt in beginsel in één termijn voldaan. Onze Minister kan een afbetalingsregeling treffen.

7.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de uitvoering van dit artikel.

Paragraaf 2. Functietoewijzing

Paragraaf 3. Bevordering

Artikel 24a. Bevordering bij functiewaardering

1.

Indien naar aanleiding van de uitkomst van een functiewaarderingsonderzoek bij een bestaande functie sprake is van een verhoging van de rang die wordt verbonden aan de functie, wordt de militair, die deze functie vervult, bevorderd tot deze hogere rang.

2.

De bevordering gaat in op de datum waarop de aanvraag tot het houden van een functiewaarderingsonderzoek is aangeboden aan het hoofd van het defensieonderdeel.

Artikel 24b. Bevorderingen tijdens opleiding en in verband met ervaringsopbouw

1.

De militair kan tijdens een initiële opleiding door Onze Minister worden bevorderd wegens het afsluiten van de opleiding of een gedeelte daarvan.

2.

Onze Minister kan aan de militair tijdens een opleiding een titulaire rang of een rang tijdelijk toekennen.

3.

De militair, ingedeeld bij de Koninklijke landmacht, de Koninklijke luchtmacht of de Koninklijke marechaussee wordt in verband met opgedane ervaring of de gevolgde opleiding bevorderd tot:

  • a. eerste luitenant wanneer hij de effectieve rang van tweede luitenant gedurende twee jaren heeft bekleed;
  • b. sergeant/wachtmeester der eerste klasse wanneer hij de effectieve rang van sergeant/wachtmeester gedurende vier jaren heeft bekleed;
  • c. korporaal/marechaussee der eerste klasse wanneer hij de effectieve rang van korporaal dan wel marechaussee der tweede klasse gedurende twee jaren heeft bekleed;
  • d. soldaat der eerste klasse wanneer hij de effectieve stand van soldaat der tweede klasse gedurende één jaar heeft bekleed en zijn initiële opleiding met goed gevolg heeft afgerond dan wel zijn initiële opleiding niet heeft kunnen afronden in verband met een niet voor zijn rekening of risico komende omstandigheid;
  • e. marechaussee der tweede klasse wanneer hij zijn initiële opleiding met goed gevolg heeft afgerond.
4.

De militair voldoet aan de in het derde lid genoemde ervaringseis indien de militair gedurende de in dat lid genoemde en voor zijn aanstellingscategorie en functieniveau geldende periode op voldoende wijze heeft gefunctioneerd. Daarbij wordt rekening gehouden met de bekwaamheid en geschiktheid, als bedoeld in artikel 20, derde lid. De duur van de genoemde periode kan in geval van onvoldoende functioneren worden verlengd met ten hoogste een jaar.

5.

De militair, ingedeeld bij de Koninklijke marine, wordt in verband met opgedane ervaring bevorderd tot korporaal wanneer hij is aangewezen voor een loopbaanopleiding tot onderofficier en deze met goed gevolg heeft afgerond.

6.

De militair, ingedeeld bij de Koninklijke marine, die is aangewezen voor een loopbaanopleiding tot officier wordt bevorderd tot:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)