← Geldende tekst · Geschiedenis

Wet van 4 juli 1985, houdende Wet op de erkende onderwijsinstellingen

Geldende tekst a fecha 2004-09-01

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te komen tot een regeling voor erkenning voor het bijzonder onderwijs, dat niet uit ’s Rijks kas wordt bekostigd;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Titel I. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze wet wordt verstaan onder:

Artikel 2. Reikwijdte wet
1.

Deze wet is van toepassing op het onderwijs dat niet volledig en rechtstreeks uit ’s Rijks kas wordt bekostigd, gericht op het afleggen van een van de volgende examens:

2.

Deze wet is niet van toepassing op het onderwijs, aangewezen op grond van artikel 56 van de Wet op het voortgezet onderwijs, en op onderwijs verricht in het kader van contractactiviteiten in de zin van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Titel II. Erkenning

Artikel 3. Voorwaarden erkenning

Onze Minister erkent een instelling, indien zij voldoet aan de voorschriften van deze wet en van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 9, tweede lid. Daar waar de erkenning betrekking heeft op een instelling die mede landbouwonderwijs verzorgt, handelt Onze Minister in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Artikel 4. Verzoek om erkenning; gegevens
1.

Een verzoek om erkenning wordt ingediend door het bevoegd gezag van de instelling.

2.

Het verzoek gaat vergezeld van gegevens omtrent het aantal en de aard der cursussen en het aantal cursisten, alsmede van een opgave van auteurs en/of docenten onder vermelding van hun onderwijsbevoegdheid bedoeld in artikel 7, en een in artikel 8 bedoelde verklaring omtrent het gedrag van de leden van de directie van de instelling, en voor zover de instelling eigen examens verzorgt en artikel 12 van toepassing is, de examenreglementen bedoeld in artikel 12, eerste lid.

3.

Het bevoegd gezag van de te erkennen instelling is desgevraagd verplicht Onze Minister nadere inlichtingen te verstrekken.

4.

Onze Minister kan zich omtrent de kwaliteit van de cursussen van de te erkennen instelling door deskundigen doen voorlichten.

Artikel 5. Beslissing op het verzoek

Na ontvangst van het verzoek om erkenning en de in artikel 4, tweede lid, bedoelde bijlagen wordt binnen 1 jaar na ontvangst hiervan, daarop een beslissing genomen.

Titel III. Voorwaarden voor de erkende instelling

Artikel 6. Vermelding van erkenning
1.

Het bevoegd gezag van de instelling vermeldt de erkenning in de met betrekking tot de instelling uitgaande correspondentie, publikaties en reclame met de woorden "erkend door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op grond van de Wet op de erkende onderwijsinstellingen".

2.

Indien de instelling andere activiteiten verricht dan het onderwijs waarop deze wet van toepassing is, moet het bevoegd gezag in de met betrekking tot de instelling uitgaande correspondentie, publikaties en reclame, duidelijk doen uitkomen op welk onderwijs de erkenning betrekking heeft.

Artikel 7. Bewijzen en verklaringen van bekwaamheid
1.

De auteurs en docenten zijn in het bezit van een bewijs dan wel verklaring van bekwaamheid, zoals die voor het desbetreffende vak voor het op grond van een onderwijswet uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs vereist zijn en indien er geen overeenkomstig op grond van een onderwijswet uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs is, een door Onze Minister aanvaard bewijs of aanvaarde verklaring van bekwaamheid.

2.

Onder onderwijswet bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: de Kleuteronderwijswet (Stb. 1974, 564), de Lager-onderwijswet 1920 (Stb. 1974, 565), de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Experimentenwet onderwijs (Stb. 1970, 370) en het Besluit buitengewoon onderwijs 1967 (Stb. 1978, 582).

3.

Onze Minister kan goedkeuren dat wordt afgeweken van de in het eerste lid gestelde eis.

Artikel 8. Verklaring omtrent het gedrag

De leden van de directie van de instellingen zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.

Artikel 9. Kwaliteit van de cursus
1.

De cursus is zodanig afgestemd op de kennis en ervaring van de cursist, dat het gestelde doel redelijkerwijs kan worden bereikt.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gesteld omtrent de kwaliteit van de cursus en de betrekkingen tussen de instelling en de cursist.

Artikel 10. Werving cursisten
1.

De werving van cursisten geschiedt op behoorlijke wijze.

2.

Het bevoegd gezag verstrekt bij de werving van cursisten voor de instelling geen cadeaus van welke aard ook en doet geen toezegging daaromtrent.

3.

Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat bij de werving van cursisten voor de instelling geen gebruik wordt gemaakt van personen die in de uitoefening van een beroep of bedrijf door persoonlijk bezoek dan wel door of in samenhang met de aanprijzing van een cursus in een groep van ter plaatse van de aanprijzing aanwezige personen een particulier trachten te bewegen in te schrijven op een cursus.

4.

Voor de toepassing van het derde lid wordt als persoonlijk bezoek niet aangemerkt het persoonlijk bezoek, dat in overwegende mate voortvloeit uit een initiatief van degene, die wordt bezocht, en als groep van personen wordt niet aangemerkt een groep, welke kennelijk niet met of mede met het oog op de aanprijzing van een cursus in die groep is bijeengebracht.

Artikel 11. Overeenkomst met cursist
1.

De overeenkomst tussen de natuurlijke persoon dan wel de rechtspersoon waarvan de instelling uitgaat en de cursist wordt schriftelijk aangegaan en vermeldt in elk geval:

2.

De in het eerste lid onder a bedoelde studiegids maakt deel uit van de overeenkomst.

3.

De cursist ontvangt een bewijs, waarbij de instelling verklaart hem als cursist te aanvaarden onder de bepalingen genoemd in het eerste en tweede lid van dit artikel.

4.

Het eerste tot en met derde lid, met uitzondering van het eerste lid onder g onder 1°, is van overeenkomstige toepassing op overeenkomsten tussen de natuurlijke persoon dan wel de rechtspersoon waarvan de instelling uitgaat en de werkgever, die voor één of meer van zijn werknemers de overeenkomst aangaat. Bij overlijden van een werknemer, wiens werkgever de overeenkomst is aangegaan, kan de overeenkomst voortijdig worden ontbonden, indien zij uitsluitend betrekking heeft op die werknemer.

Artikel 12. Examens
1.

De examens van een instelling worden geregeld in een of meer examenreglementen, die de goedkeuring van Onze Minister behoeven. De examenreglementen bevatten in elk geval bepalingen omtrent:

2.

De examenopgaven hebben voor zover het examens betreft zoveel mogelijk betrekking op de gehele tijdens de cursus behandelde leerstof. Voor zover het deelexamens betreft, hebben de opgaven zoveel mogelijk betrekking op de tijdens de cursus tot het afleggen van die deelexamens behandelde leerstof.

3.

De examendata worden ten minste 6 weken voor de aanvang van het examen schriftelijk aan de cursist medegedeeld.

4.

Het bevoegd gezag van de instelling zendt onmiddellijk na afloop van elk examen een examenverslag aan Onze Minister. Onze Minister stelt het model van dit verslag vast.

5.

De examenopgaven dienen na afloop van een examen op verzoek en desgewenst tegen betaling bij de instelling verkrijgbaar te worden gesteld. Onze Minister kan bij wijze van algemene regeling dan wel in bijzondere gevallen toestaan dat hiervan wordt afgeweken.

6.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven.

Artikel 13. Gecommitteerden
1.

Voor het toezicht op de examens van de instellingen kan Onze Minister gecommitteerden aanwijzen. De aanwijzing geldt totdat voor alle cursisten die het examen afleggen de einduitslag is vastgesteld. Indien dit door Onze Minister wordt verzocht, stelt het bevoegd gezag gecommitteerden ter aanwijzing voor.

2.

De gecommitteerden ontvangen uit ’s Rijks kas vacatiegeld en een vergoeding van reis- en verblijfkosten, volgens door Onze Minister vast te stellen regels.

Artikel 14. Diploma's, certificaten, beoordelingslijsten en verklaringen
1.

Een diploma en een beoordelingslijst worden uitgereikt aan de cursist, die voor het examen van de instelling is geslaagd.

2.

Een certificaat met vermelding van de beoordelingen wordt uitgereikt aan de cursist, die voor het deelexamen van de instelling is geslaagd.

3.

Het bevoegd gezag is verplicht een verklaring uit te reiken aan de cursist, die de cursus heeft voltooid en aan wie geen diploma of certificaat kan worden verstrekt, wanneer hij daar binnen een jaar na voltooiing van de cursus om vraagt. Onze Minister kan nadere voorschriften geven omtrent de inhoud van de verklaringen.

4.

De modellen van de diploma's, de certificaten, de beoordelingslijsten en van de verklaringen behoeven de goedkeuring van Onze Minister.

Artikel 16. Waarborg belang onderwijs

Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat door zijn handelen of nalaten het belang van het onderwijs waarop deze wet van toepassing is niet kan worden geschaad.

Artikel 17. Informatieplicht bevoegd gezag
1.

Jaarlijks vóór 1 december zendt het bevoegd gezag van de instelling een opgave van het aantal cursisten per 1 november aan Onze Minister.

2.

Wijzigingen in het aantal en de aard der cursussen deelt het bevoegd gezag van de instelling onverwijld aan Onze Minister mede.

3.

Het bevoegd gezag van de instelling is desgevraagd verplicht Onze Minister nadere inlichtingen te verstrekken.

4.

Het bevoegd gezag van de instelling zendt van alle aan Onze Minister gerichte stukken afschrift aan de inspectie.

Artikel 18. Deskundigenonderzoek

Onze Minister kan zich omtrent de kwaliteit van de cursussen van de instelling door deskundigen doen voorlichten.

Titel IV. Nadere voorwaarde voor handhaving van de erkenning; intrekking en verval van de erkenning

Artikel 19. Intrekking erkenning
1.

Indien een instelling niet meer voldoet aan de voorschriften gegeven bij of krachtens deze wet kan Onze Minister:

2.

Onze Minister beslist over de intrekking, het bevoegd gezag van de instelling gehoord.

3.

Onze Minister trekt op verzoek van het bevoegd gezag van de instelling de erkenning in.

Artikel 20. Verval van rechtswege van erkenning
1.

De erkenning van een instelling vervalt van rechtswege, wanneer de instelling niet binnen 1 jaar nadat zij is opgehouden met het geven van onderwijs, opnieuw is aangevangen met het geven van onderwijs.

2.

De erkenning van een instelling vervalt eveneens van rechtswege, wanneer de instelling opgaat in een andere instelling, die niet erkend is op grond van deze wet terwijl zij wel activiteiten verricht waarop deze wet van toepassing is.

Titel V. Toezicht

Artikel 22. Opdracht tot toezicht, inspectie

Vervallen

Artikel 23. Taak inspectie

Vervallen

Artikel 24. Toegang en inlichting inspectie

Vervallen

Titel VI. Bijzondere bepalingen

Artikel 26. Publikatie in de Nederlandse Staatscourant
1.

Onze Minister draagt zorg, dat de krachtens deze wet tot stand gebrachte ministeriële regelingen bekend worden gemaakt in de Nederlandse Staatscourant.

2.

Onze Minister draagt eveneens zorg, dat de beschikking tot verlening van een erkenning, alsmede die tot intrekking daarvan of tot afwijzing van een verzoek om erkenning, en het vervallen van rechtswege van een erkenning, bekend wordt gemaakt in de Nederlandse Staatscourant.

Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 27. Overgangsbepaling inzake erkenning

In afwijking van het bepaalde in artikel 5 geldt voor verzoeken die zijn ingediend binnen 1 jaar na de inwerkingtreding van de wet, dat binnen 2 jaar na inwerkingtreding van de wet een beslissing wordt genomen.

Artikel 28. Intrekking Weiso
1.

De Wet erkenning instellingen schriftelijk onderwijs wordt ingetrokken en de erkenningen gegeven op grond van de Wet erkenning instellingen schriftelijk onderwijs worden erkenningen in de zin van deze wet.

2.

Indien een instelling die ook onderwijs, waarop deze wet van toepassing is, niet zijnde schriftelijk onderwijs verzorgt, niet binnen 1 jaar na de inwerkingtreding van deze wet voor het gehele pakket van het schriftelijk en dat ander onderwijs een hernieuwde erkenning heeft aangevraagd, vervalt de erkenning van rechtswege.

3.

Indien een instelling de in het tweede lid bedoelde hernieuwde erkenning binnen 1 jaar na de inwerkingtreding van de wet aanvraagt, blijft de erkenning in het eerste lid gehandhaafd, doch met een werking beperkt tot het schriftelijk onderwijs.

Artikel 29. Citeertitel

Deze wet kan worden aangehaald als "Wet op de erkende onderwijsinstellingen".

Artikel 30. Inwerkingtreding
1.

Deze wet treedt in werking op een bij Koninklijk besluit te bepalen tijdstip, met dien verstande dat deartikelen 5 en 28, eerste lid, een jaar na dat tijdstip in werking treden.

2.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

3.

Bevat wijzigingen in deze regelgeving.

4.

Bevat wijzigingen in deze regelgeving.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.