Wijzigingsgeschiedenis

Wet van 11 september 1985, houdende regelen betreffende de overgang van personeel van het Staatsbedrijf der PTT en de Rijkspostspaarbank naar de Postbank N.V

4 versions · 2019-01-01
2019-01-01
Personeelswet Postbank N.V. — arts. 2, 3, 4
2014-01-25
Personeelswet Postbank N.V. — arts. 2, 3, 4
2012-02-08
Personeelswet Postbank N.V. — arts. 2, 3, 4

Wijzigingen op 2012-02-08

@@ -24,7 +24,7 @@
3. De arbeidsovereenkomst geldt voor de niet verstreken tijd van de tijdelijke dienst of de arbeidsovereenkomst, indien het personeelslid was aangesteld of werkzaam was op arbeidsovereenkomst voor een bepaalde tijd.
4. De arbeidsovereenkomst betreft een functie die overeenkomt met de functie die het personeelslid laatstelijk vervulde in dienst van het Staatsbedrijf dan wel de Rijkspostspaarbank, behoudens ten aanzien van enkele nader door Onze ministers van Verkeer en Waterstaat en van Financiën te bepalen functies.
4. De arbeidsovereenkomst betreft een functie die overeenkomt met de functie die het personeelslid laatstelijk vervulde in dienst van het Staatsbedrijf dan wel de Rijkspostspaarbank, behoudens ten aanzien van enkele nader door Onze Ministers van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en van Financiën te bepalen functies.
5. De voorwaarden van de arbeidsovereenkomst zullen in het algemeen niet ongunstiger zijn dan die welke voor het personeelslid golden uit hoofde van zijn dienstbetrekking bij het Staatsbedrijf dan wel de Rijkspostspaarbank.
@@ -34,17 +34,17 @@
##### Artikel 3
1. Met ingang van de overgangsdatum verkrijgen de in [artikel 2, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003843&artikel=2&z=1985-10-28&g=1985-10-28), bedoelde personeelsleden aanspraken jegens een door de Postbank N.V. aan te wijzen instelling, zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder **c**, van de [Pensioen- en Spaarfondsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002089) 1952 (**Stb.** 275), die gelijkwaardig zijn aan die welke deze personeelsleden op voornoemde datum krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet 1979 (**Stb.** 679) hebben jegens het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds, en neemt voornoemde instelling de daarmee verband houdende verplichtingen op zich.
1. Met ingang van de overgangsdatum verkrijgen de in [artikel 2, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003843&artikel=2&z=2012-02-08&g=2012-02-08), bedoelde personeelsleden aanspraken jegens een door de Postbank N.V. aan te wijzen instelling, zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder **c**, van de [Pensioen- en Spaarfondsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002089) 1952 (**Stb.** 275), die gelijkwaardig zijn aan die welke deze personeelsleden op voornoemde datum krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet 1979 (**Stb.** 679) hebben jegens het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds, en neemt voornoemde instelling de daarmee verband houdende verplichtingen op zich.
2. De aanspraken van de in het eerste lid bedoelde personen krachtens de Algemene Burgerlijke Pensioenwet en de daaruit voortvloeiende verplichtingen van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds jegens die personen vervallen op de overgangsdatum.
3. De directie van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds draagt op de overgangsdatum aan de in het eerste lid bedoelde instelling een bedrag aan middelen over waarvan Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat, van Financiën en van Binnenlandse Zaken gezamenlijk, de directie van het fonds en de Commissie bedoeld in artikel L 16 van de Algemene burgerlijke pensioenwet gehoord, de hoogte bepalen aan de hand van de rechten die krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet bij het fonds zijn opgebouwd ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde personen, rekening houdend met de actuariële gevolgen voor het fonds van de uittreding van de in het eerste lid bedoelde personen.
3. De directie van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds draagt op de overgangsdatum aan de in het eerste lid bedoelde instelling een bedrag aan middelen over waarvan Onze Ministers van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, van Financiën en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gezamenlijk, de directie van het fonds en de Commissie bedoeld in artikel L 16 van de Algemene burgerlijke pensioenwet gehoord, de hoogte bepalen aan de hand van de rechten die krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet bij het fonds zijn opgebouwd ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde personen, rekening houdend met de actuariële gevolgen voor het fonds van de uittreding van de in het eerste lid bedoelde personen.
##### Artikel 4
1. Onze ministers van Verkeer en Waterstaat en van Financiën geven in overeenstemming met Onze minister van Binnenlandse Zaken regelen omtrent de behandeling van bezwaren van een personeelslid tegen de overgang naar de Postbank N.V.
1. Onze Ministers van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en van Financiën geven in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties regelen omtrent de behandeling van bezwaren van een personeelslid tegen de overgang naar de Postbank N.V.
2. Onze ministers van Verkeer en Waterstaat en van Financiën geven in overeenstemming met Onze minister van Binnenlandse Zaken regelen met betrekking tot de uitvoering van het in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003843&artikel=2&z=1985-10-28&g=1985-10-28) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003843&artikel=3&z=1985-10-28&g=1985-10-28) bepaalde.
2. Onze Ministers van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en van Financiën geven in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties regelen met betrekking tot de uitvoering van het in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003843&artikel=2&z=2012-02-08&g=2012-02-08) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003843&artikel=3&z=2012-02-08&g=2012-02-08) bepaalde.
##### Artikel 5
1985-10-28
Personeelswet Postbank N.V.
original version Tekst op deze datum