Wet van 27 november 1986, houdende regelen inzake het verhandelen van meststoffen en de afvoer van mestoverschotten
Indien geen afbreuk wordt gedaan aan de naleving van een verplichting op grond van een voor Nederland verbindend verdrag of besluit van een volkenrechtelijke organisatie wordt, onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden, vrijstelling of ontheffing verleend van het verbod, bedoeld in artikel 21b, eerste lid, ter bevordering van de grondgebondenheid of het stimuleren van jonge landbouwers in Nederland.
Een vrijstelling of ontheffing, bedoeld in het eerste lid, wordt uitsluitend gegeven voor milieudoelstellingen die verder gaan dan die welke op grond van de voor de betrokken ondernemingen verplichte Unie-normen zouden zijn bereikt.
De ministeriële regeling, bedoeld in het eerste lid, wordt niet eerder vastgesteld dan vier weken nadat het ontwerp ervan aan beide kamers der Staten Generaal is overgelegd.
Artikel 39
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent het indienen van aanvragen voor vergunningen, ontheffingen en erkenningen, die krachtens deze wet kunnen worden verleend, en het indienen van kennisgevingen, die ingevolge bij of krachtens deze wet gestelde regels moeten worden geregistreerd.
Bij de regeling kan worden bepaald:
- a. dat een aanvraag eerst in behandeling wordt genomen of dat een kennisgeving eerst wordt geregistreerd nadat een daarvoor vastgesteld bedrag is voldaan;
- b. de kosten van het onderzoek voortvloeiende uit de aanvraag geheel of gedeeltelijk ten laste van de aanvrager wordt gebracht.
Artikel 40
Indien in deze wet geregelde onderwerpen in het belang van een goede uitvoering van de wet nadere regeling behoeven, kan deze geschieden bij algemene maatregel van bestuur.
Indien onderwerpen waarop deze wet van toepassing is, ter uitvoering van een bindend besluit van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen regeling behoeven, kan dit geschieden bij ministeriële regeling.
Titel 4. Wijze van heffing, invordering en betaling
Artikel 41
Vervallen
Artikel 42
Vervallen
Titel 5. Verrekening en subsidieverlening
Artikel 42a
Vervallen
Artikel 43
Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van:
- a. een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 4, 6, 16, 32, 33 en 76, eerste lid,
- b. een ministeriële regeling als bedoeld in de artikelen 10, 11, tweede en derde lid, 12, derde lid, en 21b, tweede lid, en
- c. een besluit als bedoeld in artikel 38, eerste en tweede lid, houdende vrijstelling of ontheffing van het bepaalde bij of krachtens artikel 4, 5, 6, 7, 14, 16, 19, 20, eerste lid, 21, 26, 32 of 33,
- d. een actieprogramma als bedoeld in artikel 5 van richtlijn nr. 91/676/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (PbEG L 375).
Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door eenieder.
Onze Minister geeft toepassing aan de in het eerste lid genoemde afdeling.
Artikel 44
De voordracht voor algemene maatregelen van bestuur krachtens deze wet wordt Ons gedaan door Onze Minister of, voor zover deze maatregelen worden getroffen in het belang van de bescherming van de bodem, door Onze Minister en Onze Minister van Infrastructuur en Milieu te zamen.
Titel 6. Overige bepalingen
Artikel 45
De ministeriële regelingen, bedoeld in Hoofdstuk III en in artikel 37a, en krachtens artikel 38, eerste lid, vastgestelde regelingen houdende vrijstelling van het bij of krachtens hoofdstuk III bepaalde worden vastgesteld door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
Artikel 46
Onze Minister zendt in 2007 en vervolgens telkens na ten hoogste vijf jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 47
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren.
Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 48
Onze Minister kan voorschriften geven betreffende de monsterneming, de verpakking, de conservering, de verzegeling, de verzending en het onderzoek van de in artikel 5:18 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde monsters.
Artikel 49
Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen.
Artikel 50
Vervallen
Artikel 51
Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 7, 9, tweede en derde lid, 11, tweede en derde lid, 13, vierde lid, 14, eerste lid, 15, 21, eerste lid, 33a, eerste, vierde, vijfde en zevende lid, 33b, vijfde lid, 33d, eerste lid34, 35, 36, 37, 38, derde lid, of 40.
Artikel 52
Vervallen
Artikel 53
Vervallen
Titel 7. Tijdelijke uitzondering voor fosfaat in andere meststoffen
Artikel 54
Vervallen
Hoofdstuk V. Regelen ter voorkoming van een onverantwoorde uitbreiding van de productie van dierlijke meststoffen
Titel 1. Algemeen
Artikel 55
Indien de ernst van de overtreding of de omstandigheden waaronder zij is begaan daartoe aanleiding geven, wordt zij aan het openbaar ministerie voorgelegd.
Artikel 55a
Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet herstructurering varkenshouderij wordt voor de toepassing van artikel 55, eerste lid, onder uitbreiding van de productie van dierlijke meststoffen verstaan: een grotere productie van dierlijke meststoffen dan het mestproductierecht dat is verminderd met de hoeveelheid fosfaat die wordt bepaald door het overeenkomstig hoofdstuk II van de Wet herstructurering varkenshouderij bepaalde varkensrecht achtereenvolgens te vermenigvuldigen met 100/90 en 7,4 kilogram fosfaat, en het product te vermeerderen met de latente ruimte. De vermindering geschiedt eerst ten aanzien van het de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 15 van de Wet herstructurering varkenshouderij geldende niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen, en vervolgens ten aanzien van het op die dag geldende nietgebonden recht voor andere diersoorten dan varkens en kippen.
Geen vermindering geschiedt ten aanzien van het grondgebonden mestproductierecht.
De vermindering vindt slechts plaats indien het varkensrecht groter is dan nihil.
Ingeval artikel 24 van de Wet herstructurering varkenshouderij van toepassing is, wordt in het eerste lid in plaats van 100/90 gelezen: 100 gedeeld door het getal voor het percentage dat in plaats van het percentage 90 is vastgesteld op basis van artikel 24 van de Wet herstructurering varkenshouderij.
De latente ruimte komt overeen met het aantal kilogrammen fosfaat dat wordt bepaald door het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen 1996 te verminderen met de overeenkomstig artikel 55, negende lid, van de Meststoffenwet bepaalde mestproductie afkomstig van de in 1996 gemiddeld op het bedrijf gehouden varkens en kippen en andere in bijlage A bij de wet opgenomen diersoorten, die zijn opgegeven in de aangifte overschotheffing 1996, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van de Wet herstructurering varkenshouderij. De latente ruimte is ten minste nihil. De mestproductie afkomstig van andere diersoorten dan varkens en kippen wordt slechts in aanmerking genomen voor zover deze groter is dan de som van het met betrekking tot 1996 geldende niet-gebonden mestproductierecht voor andere diersoorten dan varkens en kippen en het met betrekking tot 1996 geldende grondgebonden mestproductierecht, zoals deze rechten met betrekking tot 1996 voor het desbetreffende bedrijf door het Bureau Heffingen zijn geregistreerd.
Indien het varkensrecht van het desbetreffende bedrijf wordt bepaald overeenkomstig artikel 7 van de Wet herstructurering varkenshouderij, wordt de latente ruimte bepaald door overeenkomstige toepassing van het vierde lid, met dien verstande dat in het vierde lid en in artikel 1, eerste lid, onderdeel ad, in plaats van «1996» telkens wordt gelezen «1995» en in plaats van «artikel 5, eerste lid, onderdeel c» wordt gelezen: artikel 5, eerste lid, onderdeel b. Indien het varkensrecht van het desbetreffende bedrijf wordt bepaald overeenkomstig artikel 8 van de Wet herstructurering varkenshouderij, komt de latente ruimte overeen met 18% van het overeenkomstig het eerste lid van voornoemd artikel 8 bij wijze van melding aangegeven deel van het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen 1996.
De aangifte overschotheffing en de correcties daarop worden voor de toepassing van het vierde en het vijfde lid slechts in aanmerking genomen indien deze vóór 10 juli 1997 schriftelijk ter kennis van het Bureau Heffingen zijn gebracht.
Artikel 56
Vervallen
Artikel 57
Ingeval van overtreding van artikel 7 bedraagt de bestuurlijke boete:
- a. € 7 per kilogram stikstof waarmee de in artikel 8, onderdeel a, bedoelde gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen is overschreden, vermeerderd met
- b. € 7 per kilogram stikstof waarmee de in artikel 8, onderdeel b, bedoelde stikstofgebruiksnorm is overschreden, en vermeerderd met
- c. € 11 per kilogram fosfaat waarmee de in artikel 8, onderdeel c, bedoelde fosfaatgebruiksnorm is overschreden.
Indien zowel de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen als de stikstofgebruiksnorm is overschreden, geldt, in zoverre in afwijking van het eerste lid, onderdeel b, een tarief van € 3,50 voor de kilogrammen stikstof waarvoor wegens overschrijding van de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen reeds het tarief van € 7 is toegepast.
Indien zowel de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen als de fosfaatgebruiksnorm is overschreden, geldt, in zoverre in afwijking van het eerste lid, onderdeel c, een tarief van € 5,50 voor de kilogrammen fosfaat overeenkomend met het aantal kilogrammen stikstof waarmee de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen is overschreden.
Artikel 58
Ingeval van overtreding van artikel 14, eerste lid, bedraagt de bestuurlijke boete € 11 per kilogram fosfaat en € 7 per kilogram stikstof waarvan de afvoer niet kan worden verantwoord.
In afwijking van het eerste lid wordt geen bestuurlijke boete opgelegd voor zover wegens overtreding van artikel 7 een bestuurlijke boete wordt opgelegd voor de kilogrammen stikstof en fosfaat waarmee de in artikel 8 bedoelde stikstofgebruiksnorm voor meststoffen, onderscheidenlijk fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen is overschreden.
Titel 2. Stelsel van pluimveerechten
§ 1. Begripsbepalingen en andere algemene bepalingen
Artikel 58a
In geval van overtreding van artikel 21, eerste lid, bedraagt de bestuurlijke boete € 11 per kilogram fosfaat ten aanzien waarvan de landbouwer de beperking als bedoeld in artikel 21, derde lid, niet in acht heeft genomen. De boete wordt vermeerderd met € 11 per kilogram fosfaat ten aanzien waarvan de landbouwer niet heeft gehandeld overeenkomstig artikel 21, tweede lid, onderdeel d, voor zover het kilogrammen fosfaat betreft die niet reeds als gevolg van de eerste volzin voor de bepaling van de boeteomvang in aanmerking zijn genomen.
Artikel 58b
Voor de toepassing van deze titel en de daarop berustende bepalingen:
- a. worden het mestproductierecht, het niet-gebonden mestproductierecht en het grondgebonden mestproductierecht in aanmerking genomen zoals deze, al naar gelang het geval, op het desbetreffende tijdstip dan wel met betrekking tot het desbetreffende jaar voor het desbetreffende bedrijf door het Bureau Heffingen zijn geregistreerd;
- b. wordt het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen zoals dat gold met betrekking tot 1995, 1996 en 1997 vermenigvuldigd met 10/7;
- c. wordt de in enig jaar geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen afkomstig van de onderscheiden in bijlage A bij deze wet genoemde diersoorten bepaald overeenkomstig artikel 55, achtste lid;
- d. is de in 1994, 1995, 1996 of 1997 op het bedrijf geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen afkomstig van de onderscheiden in bijlage A bij deze wet genoemde diersoorten, de hoeveelheid zoals deze met betrekking tot het desbetreffende jaar en het desbetreffende bedrijf is opgegeven in de aangifte overschotheffing, dan wel, bij gebreke daarvan, op het afsluitformulier 1994, onderscheidenlijk 1995, 1996 of 1997, dan wel, bij gebreke daarvan, voorzover het de in 1995, 1996 of 1997 geproduceerde hoeveelheid betreft, op de vrijstellingsverklaring;
- e. worden de gegevens van de aangifte overschotheffing en de correcties daarop, het afsluitformulier 1994, het afsluitformulier 1995, het afsluitformulier 1996, het afsluitformulier 1997 en de vrijstellingsverklaring slechts in aanmerking genomen voor zover deze door het Bureau Heffingen zijn ontvangen vóór 6 november 1998.
Indien in 1994, 1995, 1996 of 1997 overdracht van het bedrijf heeft plaatsgevonden, wordt voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel d, in aanmerking genomen de som van de door de vervreemder en door de verwerver van het bedrijf voor dat jaar ten aanzien van het bedrijf opgegeven hoeveelheden dierlijke meststoffen, zoals deze hoeveelheden over het gehele jaar zijn gemiddeld.
§ 2. Uitbreidingsverboden voor kippen en kalkoenen
Artikel 58c
Het is verboden op een bedrijf in een kalenderjaar een grotere hoeveelheid dierlijke meststoffen afkomstig van kippen en kalkoenen te produceren dan het voor dat jaar voor het bedrijf geldende pluimveerecht.
Artikel 58d
Het in artikel 58c gestelde verbod is niet van toepassing indien op het bedrijf op geen enkel moment een groter aantal kippen en kalkoenen wordt gehouden dan overeenkomt met 250 legkippen.
Het is verboden anders dan op een bedrijf op enig moment een groter aantal kippen en kalkoenen te houden dan overeenkomt met 250 legkippen.
Voor de bepaling van het aantal dieren dat overeenkomt met 1 legkip wordt de voor de desbetreffende diersoort en diercategorie in bijlage A bij deze wet opgenomen norm voor de jaarlijkse fosfaatproductie per dier vermenigvuldigd met 2.
Artikel 58e
Onze Minister kan ten aanzien van een bedrijf waarvan het pluimveerecht is overschreden bepalen dat het op enig moment op het bedrijf gehouden aantal kippen en kalkoenen het door hem vastgestelde aantal niet mag overschrijden.
Het in het eerste lid bedoelde aantal komt overeen met het aantal kippen en kalkoenen dat overeenkomstig het pluimveerecht gemiddeld gedurende het jaar mag worden gehouden, vermeerderd met 15%.
Onverminderd artikel 58c is het verboden op enig moment op een bedrijf een groter aantal kippen en kalkoenen te houden dan het overeenkomstig het eerste en tweede lid door Onze Minister bepaalde aantal.
De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid kan met betrekking tot een bedrijf voor een aaneengesloten periode van ten hoogste drie jaar worden uitgeoefend. Deze periode kan telkens worden verlengd met eenzelfde periode te rekenen vanaf het tijdstip waarop wordt geconstateerd dat op het bedrijf een groter aantal kippen en kalkoenen wordt gehouden dan het door Onze Minister bepaalde aantal.
Artikel 58f
Het is verboden de productie van dierlijke meststoffen afkomstig van kippen of kalkoenen te verplaatsen naar een andere locatie van het bedrijf.
Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien de locatie waarheen de productie wordt verplaatst sinds 31 december 1986 onafgebroken tot het bedrijf heeft behoord, dan wel indien is voldaan aan artikel 58s.
§ 3. Omvang van het pluimveerecht op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet
Artikel 58g
De omvang van het voor een bedrijf geldende pluimveerecht op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 58c wordt bepaald overeenkomstig deze paragraaf.
Voor de toepassing van deze paragraaf geldt 1997 als referentiejaar, tenzij ten aanzien van een daartoe door de belanghebbende aangemeld bedrijf 1995 of 1996 als referentiejaar is gekozen.
In afwijking van het tweede lid kan ten aanzien van een door de belanghebbende daartoe aangemeld bedrijf 1994 als referentiejaar worden gekozen indien ten aanzien van dat bedrijf aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:
- a. de op het bedrijf geproduceerde hoeveelheid meststoffen afkomstig van kippen en kalkoenen in 1994 is ten minste 10% groter dan de door deze diersoorten in elk van de jaren 1995, 1996 en 1997 geproduceerde hoeveelheid meststoffen;
- b. de mestproductie afkomstig van kippen en kalkoenen is in 1995, 1996 of 1997 ten minste 125 kilogram fosfaat en ten minste 5% van het met betrekking tot dat jaar geldende mestproductierecht.
Artikel 58h
Het pluimveerecht komt overeen met de in het referentiejaar op het bedrijf geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen afkomstig van kippen en kalkoenen.
De in het referentiejaar op het bedrijf geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen afkomstig van kippen is niet groter dan de som van het grondgebonden mestproductierecht en het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen geldend voor dat jaar, verminderd met de in dat jaar geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen afkomstig van varkens.
De in het referentiejaar op het bedrijf geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen afkomstig van kalkoenen is niet groter dan:
- –. het voor dat jaar geldende niet-gebonden mestproductierecht voor andere diersoorten dan varkens en kippen,
- –. vermeerderd met het verschil tussen enerzijds de som van het grondgebonden mestproductierecht en het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen geldend voor dat jaar en anderzijds de in dat jaar geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen afkomstig van varkens en kippen.
Artikel 58i
Het pluimveerecht van een door samenvoeging van bedrijven ontstaan bedrijf komt, indien de registratie van de kennisgeving van verplaatsing met betrekking tot de samenvoeging in het referentiejaar heeft plaatsgevonden, overeen met de som van de in dat jaar op de oorspronkelijke bedrijven en het na samenvoeging ontstane bedrijf geproduceerde hoeveelheden dierlijke meststoffen afkomstig van kippen en kalkoenen, zoals deze hoeveelheden over het gehele jaar zijn gemiddeld.
Het pluimveerecht van een door samenvoeging van bedrijven ontstaan bedrijf komt, indien de registratie van de kennisgeving van verplaatsing met betrekking tot de samenvoeging na het referentiejaar heeft plaatsgevonden en de kennisgeving is gedaan vóór 6 november 1998, overeen met de som van de in het referentiejaar op de oorspronkelijke bedrijven geproduceerde hoeveelheden dierlijke meststoffen afkomstig van kippen en kalkoenen.
Onverminderd het vierde lid wordt voor de toepassing van dit artikel de hoeveelheid dierlijke meststoffen die op elk van de oorspronkelijke bedrijven en op het door samenvoeging ontstane bedrijf is geproduceerd slechts in aanmerking genomen tot ten hoogste de overeenkomstig artikel 58h, tweede en derde lid, voor het desbetreffende bedrijf bepaalde hoeveelheid.
Indien het voor een van de oorspronkelijke bedrijven geldende niet-gebonden mestproductierecht tengevolge van de registratie van een of meer vóór 6 november 1998 gedane kennisgevingen van verplaatsing en in aanmerking genomen de gevolgen voor het niet-gebonden mestproductierecht van wijzigingen van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, na het referentiejaar per saldo is vergroot dan wel zou zijn vergroot indien geen samenvoeging had plaatsgevonden, wordt voor de toepassing van dit artikel de hoeveelheid dierlijke meststoffen die op het bedrijf is geproduceerd verhoogd met de door de belanghebbende bij wijze van melding aangegeven hoeveelheid fosfaat, die ten hoogste overeenkomt met de vergroting van het niet-gebonden mestproductierecht van het desbetreffende bedrijf.
Artikel 58j
Indien het voor het bedrijf geldende niet-gebonden mestproductierecht, tengevolge van de registratie van een of meer vóór 6 november 1998 gedane kennisgevingen van verplaatsing en in aanmerking genomen de gevolgen voor het niet-gebonden mestproductierecht van wijzigingen van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, per saldo is vergroot nà het referentiejaar of, indien het bedrijf door samenvoeging is ontstaan, nà de samenvoeging, wordt het overeenkomstig artikel 58h of 58ibepaalde pluimveerecht vergroot met de door de belanghebbende bij wijze van melding aangegeven hoeveelheid fosfaat, die ten hoogste overeenkomt met de vergroting van het niet-gebonden mestproductierecht.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder kennisgeving van verplaatsing niet begrepen een kennisgeving van verplaatsing met betrekking tot een samenvoeging van bedrijven.
Artikel 58k
De omvang van het pluimveerecht van een daartoe aangemeld bedrijf wordt, in afwijking van de artikelen 58h, 58i en 58j, bepaald overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels indien:
- a. in de periode van 1 januari 1994 tot en met 5 november 1998 ten behoeve van een vergroting van het aantal op het bedrijf te houden kippen of kalkoenen met ten minste 10% ten opzichte van het aantal dat zou kunnen worden gehouden indien het pluimveerecht zou worden bepaald overeenkomstig artikel 58h dan wel in voorkomend geval artikel 58i,
- –. door het bevoegd gezag een milieuvergunning is verleend,
- –. bij het bevoegd gezag een milieuvergunning en een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet zijn aangevraagd, dan wel
- –. bij het bevoegd gezag overeenkomstig artikel 4 van het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer of artikel 3 van het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer een of meer meldingen zijn gedaan en bouwvergunningen zijn aangevraagd, en uiterlijk op 1 januari 2004 extra huisvesting is gebouwd om alle kippen of kalkoenen die ingevolge het op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 58c geldende pluimveerecht kunnen worden gehouden, te kunnen huisvesten overeenkomstig de voor het bedrijf geldende milieuvergunning dan wel in voorkomend geval overeenkomstig het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer of het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer;
- b. de belanghebbende met betrekking tot het bedrijf een melding als bedoeld in artikel 14 van de Wet herstructurering varkenshouderij heeft gedaan en, indien deze melding betrekking had op het gehele varkensrecht, verzoekt om doorhaling van de gegevens, bedoeld in artikel 7, tweede lid, voor de omvang van de latente ruimte, bedoeld in artikel 55a, eerste, vierde, vijfde en zesde lid, zoals deze ruimte in voorkomend geval in afwijking van dat artikel wordt bepaald op grond van krachtens de artikelen 55, zesde lid, en 61 van de wet gestelde regels;
- c. de op het bedrijf geproduceerde hoeveelheid meststoffen afkomstig van kippen en kalkoenen in 1995, 1996 en 1997 gemiddeld minder dan 5% was van de hoeveelheid die in die jaren ingevolge het voor het bedrijf geldende mestproductierecht mocht worden geproduceerd, terwijl dat percentage in 1998 ten minste 25% was;
- d. de op het bedrijf geproduceerde hoeveelheid meststoffen afkomstig van kippen en kalkoenen in 1998 ten minste 25% groter was dan de door deze diersoorten gemiddeld in 1995, 1996 en 1997 geproduceerde hoeveelheid meststoffen, en deze vergroting gepaard ging met ten minste eenzelfde vergroting van zowel het grondgebonden mestproductierecht als het mestproductierecht, als gevolg van een vergroting van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond in de periode van 1 januari 1997 tot en met 5 november 1998.
De overeenkomstig de maatregel bepaalde omvang van het pluimveerecht komt ten hoogste overeen met:
- a. ingeval het eerste lid, onderdeel a, op het bedrijf van toepassing is, het op 5 november 1998 voor het bedrijf geldende mestproductierecht;
- b. ingeval het eerste lid, onderdeel b, op het bedrijf van toepassing is, de overeenkomstig de artikelen 58h, 58i en 58j bepaalde hoeveelheid, vermeerderd met het deel waarmee het varkensrecht waarop de belanghebbende op grond van hoofdstuk II en artikel 24 van de Wet herstructurering varkenshouderij ten hoogste aanspraak had kunnen maken ingevolge de melding is verlaagd, welk deel wordt uitgedrukt in kilogrammen fosfaat door vermenigvuldiging van het aantal varkenseenheden met 7,4 kilogram fosfaat;
- c. ingeval het eerste lid, onderdeel c of d, op het bedrijf van toepassing is, het op 5 november 1998 voor het bedrijf geldende mestproductierecht of, indien de aldus bepaalde omvang van het pluimveerecht kleiner is, de in 1998 geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen afkomstig van kippen en kalkoenen.
Bij de in het eerste lid bedoelde maatregel kunnen voor de toepassing van dit artikel nadere regels worden gesteld en kan de toepasselijkheid van dit artikel worden beperkt en aan voorwaarden worden verbonden.
Artikel 58l
Het pluimveerecht bepaald overeenkomstig deze paragraaf of de krachtens artikel 58k gestelde regels komt ten hoogste overeen met het op de dag voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 58c voor het bedrijf geldende mestproductierecht.
Artikel 58m
Met betrekking tot een daartoe door de belanghebbende aangemeld bedrijf geldt in plaats van het overeenkomstig deze paragraaf bepaalde pluimveerecht een lager pluimveerecht overeenkomstig de in de melding gedane opgave.
Artikel 58n
De belanghebbende doet de in de artikelen 58g, tweede en derde lid, 58i, vierde lid, 58j, eerste lid, 58k, eerste lid, en 58m bedoelde meldingen binnen zes weken na inwerkingtreding van artikel 58c bij het Bureau Heffingen, met gebruikmaking van een daartoe bestemd, door het Bureau Heffingen op verzoek van de belanghebbende ter beschikking gesteld formulier, dat overeenkomstig de op het formulier aangegeven wijze volledig en naar waarheid is ingevuld en door de belanghebbende is ondertekend.
Bij gebreke van een overeenkomstig het eerste lid gedane melding treden de in de artikelen 58g, tweede en derde lid, 58i, vierde lid, 58j, eerste lid, 58k, eerste lid, en 58m bedoelde genoemde gevolgen van de melding niet in.
§ 4. Bepalingen inzake de overgang van het pluimveerecht
Artikel 58o
Een pluimveerecht kan, onder welke titel dan ook, met inachtneming van artikel 58p, geheel of gedeeltelijk overgaan naar een ander bedrijf overeenkomstig de artikelen 58q en 58r.
Artikel 58p
Een pluimveerecht, of een gedeelte daarvan, afkomstig van een bedrijf dat geheel of gedeeltelijk is gelegen in het ene concentratiegebied kan niet overgaan naar een bedrijf dat geheel of gedeeltelijk is gelegen in het andere concentratiegebied.
Een pluimveerecht, of een gedeelte daarvan, afkomstig van een bedrijf dat geheel of gedeeltelijk is gelegen buiten de concentratiegebieden kan niet overgaan naar een bedrijf dat geheel of gedeeltelijk is gelegen binnen een concentratiegebied.
Artikel 58q
De belanghebbende naar wiens bedrijf het pluimveerecht, of een gedeelte daarvan, moet overgaan en de belanghebbende van wiens bedrijf het pluimveerecht, of een gedeelte daarvan, afkomstig is, geven van de overgang gezamenlijk kennis aan het Bureau Heffingen, met gebruikmaking van een daartoe bestemd, door het Bureau Heffingen op verzoek van de belanghebbende ter beschikking gesteld formulier, dat overeenkomstig de op het formulier aangegeven wijze volledig en naar waarheid is ingevuld en door beide belanghebbenden is ondertekend.
Er kan eerst aanspraak worden gemaakt op het van het andere bedrijf afkomstige pluimveerecht, of een gedeelte daarvan, vanaf het tijdstip van registratie van de kennisgeving door het Bureau Heffingen.
Op het tijdstip van registratie van de kennisgeving vindt een verkleining plaats van het pluimveerecht van het bedrijf waarvan het pluimveerecht, of een gedeelte daarvan, afkomstig is, en vindt een vergroting plaats van het pluimveerecht van het bedrijf waarnaar het pluimveerecht, of een gedeelte daarvan, overgaat. De verkleining komt overeen met de hoeveelheid fosfaat waarop de kennisgeving betrekking heeft. De vergroting komt overeen met de hoeveelheid fosfaat waarop de kennisgeving betrekking heeft, verminderd met 25%.
Voor het lopende jaar is de in het derde lid bedoelde vergroting, onderscheidenlijk verkleining, van het pluimveerecht beperkt tot het deel van het pluimveerecht waarvan de betrokken partijen op het formulier van de kennisgeving hebben aangegeven dat dit in dat jaar op het bedrijf waarvan het afkomstig is niet is benut voor de productie van dierlijke meststoffen.
Artikel 58r
De registratie, bedoeld in artikel 58q, vindt niet plaats indien:
- a. de kennisgeving betrekking heeft op een grotere hoeveelheid fosfaat dan overeenkomt met het pluimveerecht van het bedrijf waarvan het afkomstig is;
- b. de kennisgeving betrekking heeft op het pluimveerecht van een bedrijf ten aanzien waarvan Onze Minister gebruik maakt van de in artikel 58e, eerste lid, bedoelde bevoegdheid;
- c. niet is voldaan aan artikel 58p;
- d. het formulier, bedoeld in artikel 58q, eerste lid, niet volledig en naar waarheid is ingevuld en door beide belanghebbenden is ondertekend.
Indien na de registratie blijkt dat niet aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden voor registratie is voldaan, wordt de registratie door het Bureau Heffingen doorgehaald. Met terugwerkende kracht tot het tijdstip van de registratie vindt een vergroting plaats van het pluimveerecht van het bedrijf waarvan het pluimveerecht, of een gedeelte daarvan, afkomstig was met de hoeveelheid fosfaat waarop de kennisgeving betrekking had, althans voor zover de kennisgeving niet betrekking had op een grotere hoeveelheid fosfaat dan overeenkwam met het pluimveerecht van dat bedrijf, en vindt een verkleining plaats van het pluimveerecht van het bedrijf waarnaar het pluimveerecht, of een gedeelte daarvan, is overgegaan met eenzelfde hoeveelheid fosfaat, verminderd met 25% dan wel, in voorkomend geval, het percentage dat ingevolge de krachtens artikel 58t gestelde regels bij de overgang van toepassing was.
Artikel 58s
Degene die voornemens is de productie van dierlijke meststoffen afkomstig van kippen of kalkoenen te verplaatsen naar een locatie die niet sinds 31 december 1986 onafgebroken tot het bedrijf heeft behoord, geeft daarvan kennis aan het Bureau Heffingen.
De locatie kan eerst voor de productie van dierlijke meststoffen afkomstig van kippen of kalkoenen worden gebruikt vanaf het tijdstip van registratie van de kennisgeving door het Bureau Heffingen.
Er kan geen verplaatsing van de productie van dierlijke meststoffen afkomstig van kippen of kalkoenen plaatsvinden naar een locatie die is gelegen in een concentratiegebied, tenzij de locatie waarvandaan de productie van dierlijke meststoffen wordt verplaatst is gelegen in hetzelfde gebied.
Op het tijdstip van registratie van de kennisgeving wordt het pluimveerecht verminderd met 25%, voor zover dit pluimveerecht blijkens de kennisgeving zal worden benut voor de productie van dierlijke meststoffen afkomstig van kippen of kalkoenen op de locatie waarheen de productie wordt verplaatst.
De registratie van de kennisgeving vindt niet plaats indien:
- a. de kennisgeving betrekking heeft op een grotere hoeveelheid fosfaat dan overeenkomt met het pluimveerecht;
- b. niet is voldaan aan het derde lid;
- c. voor de kennisgeving niet gebruik is gemaakt van een daartoe bestemd, door het Bureau Heffingen op verzoek van de belanghebbende ter beschikking gesteld formulier, of dat formulier niet overeenkomstig de op het formulier aangegeven wijze volledig en naar waarheid is ingevuld en door de belanghebbende is ondertekend.
Artikel 58t
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in afwijking van de in de artikelen 58q, derde lid, en 58s, vierde lid, genoemde percentages andere percentages worden vastgesteld. De bij de maatregel vastgestelde percentages zijn van toepassing op kennisgevingen van verplaatsing die zijn gedaan na het tijdstip van inwerkingtreding van de maatregel.
Bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid kunnen voor verschillende groepen van gevallen de percentages verschillend worden vastgesteld. Bij de maatregel kunnen omtrent de groepen van gevallen nadere regels worden gesteld.
Artikel 58u
In afwijking van artikel 228 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek kan op pluimveerechten geen pandrecht worden gevestigd.
Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat alvorens het Bureau Heffingen de in artikel 58q, eerste lid, of 58s, eerste lid, bedoelde kennisgeving in behandeling neemt, van deze kennisgeving mededeling wordt gedaan aan in die regeling aan te geven derde-belanghebbenden.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de uitvoering van het tweede lid, waarbij onder meer kan worden bepaald welke gegevens door het Bureau Heffingen aan de derde-belanghebbenden kenbaar worden gemaakt, de periode gedurende welke het Bureau Heffingen de in artikel 58q, eerste lid, of 58s, eerste lid, bedoelde kennisgeving niet in behandeling neemt, alsmede de wijze waarop en de termijn waarbinnen de in de regeling aangegeven derde-belanghebbenden zich bij het Bureau Heffingen dienen aan te melden. Bij de ministeriële regeling kan worden bepaald dat een aanmelding die is gedaan op grond van de krachtens artikel 12, derde lid, van de Wet verplaatsing mestproductie gestelde regels tevens in aanmerking wordt genomen voor de toepassing van dit artikel.
Artikel 58v
Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat een kennisgeving als bedoeld in artikel 58q, eerste lid, of 58s, eerste lid, of een aanmelding als bedoeld in artikel 58u, derde lid, eerst door het Bureau Heffingen in behandeling wordt genomen nadat een daarvoor vastgesteld bedrag is voldaan.
Al naar gelang sprake is van een kennisgeving als bedoeld in artikel 58q, eerste lid, van een kennisgeving als bedoeld in artikel 58s, eerste lid, of van een aanmelding als bedoeld in artikel 58u, derde lid, kan het bedrag verschillend worden vastgesteld.
§ 5. Overige bepalingen met betrekking tot het pluimveerecht
Artikel 58w
In bij ministeriële regeling bepaalde gevallen kan Onze Minister het pluimveerecht van een bedrijf ambtshalve vaststellen.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de in het eerste lid bedoelde vaststelling.
Artikel 58x
De belanghebbende kan met gebruikmaking van een daartoe bestemd, door het Bureau Heffingen op verzoek van de belanghebbende ter beschikking gesteld formulier, dat overeenkomstig de op het formulier aangegeven wijze volledig en naar waarheid is ingevuld en door hem is ondertekend, een kennisgeving van het vervallen, onderscheidenlijk gedeeltelijk vervallen, van het pluimveerecht van zijn bedrijf bij het Bureau Heffingen doen. Na registratie van de kennisgeving door het Bureau Heffingen is het pluimveerecht nihil, onderscheidenlijk vindt een verkleining van het pluimveerecht plaats met de hoeveelheid fosfaat waarop de kennisgeving betrekking heeft.
Artikel 58y
Indien artikel 58c op een andere datum dan 1 januari in werking treedt, wordt voor de toepassing van dat artikel in het jaar van inwerkingtreding in plaats van «kalenderjaar» gelezen «het vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel resterende deel van het jaar», en wordt in plaats van «pluimveerecht» gelezen: pluimveerecht, vermenigvuldigd met het na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 58c in het desbetreffende jaar resterende aantal maanden gedeeld door twaalf.
Indien artikel 58c op een andere datum dan 1 januari in werking treedt, wordt voor de toepassing van artikel 55, eerste lid, in het jaar van inwerkingtreding onder uitbreiding van de productie van dierlijke meststoffen verstaan: een grotere productie dan het op de dag voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 58c geldende mestproductierecht, dat achtereenvolgens is vermenigvuldigd met het op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 58c in het desbetreffende jaar verstreken aantal maanden gedeeld door twaalf, en is vermeerderd met het op 31 december van het desbetreffende jaar geldende mestproductierecht dat is vermenigvuldigd met het sedert het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 58c in het desbetreffende jaar verstreken aantal maanden gedeeld door twaalf.
Voor de toepassing van het tweede lid en voor de toepassing van de artikelen 56, 58k, tweede lid, en 58l worden, ingeval in het desbetreffende kalenderjaar wijzigingen in de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond hebben plaatsgevonden of verplaatsing als bedoeld in artikel 1 van de Wet verplaatsing mestproductie heeft plaatsgevonden, de gevolgen daarvan voor de omvang van het in die bepalingen bedoelde mestproductierecht bepaald overeenkomstig de regels van artikel 55 en overeenkomstig de regels gesteld bij of krachtens de Wet verplaatsing mestproductie, alsof het de bepaling van het op de eerste dag van een kalenderjaar geldende mestproductierecht zou betreffen en de bedoelde wijzigingen of verplaatsing zich zouden hebben voorgedaan in het voorafgaande kalenderjaar.
Titel 3. Regels inzake de mestproductie in verhouding tot de mestplaatsingsruimte
§ 1. Algemeen
Artikel 58z
Vervallen
§ 1. Algemeen
Artikel 58aa
Vervallen
Artikel 58ab
Vervallen
Artikel 58ac
Vervallen
Artikel 58ad
Vervallen
Artikel 58ae
Vervallen
§ 3. Maximum stikstofproductie op enig moment
Artikel 58af
Vervallen
Artikel 58ag
Vervallen
Artikel 58ah
Vervallen
Artikel 58ai
Vervallen
§ 4. Regels met betrekking tot het aangaan van een verplichting tot afname van dierlijke meststoffen
Artikel 58aj
Vervallen
Artikel 58ak
Vervallen
Artikel 58aka
Vervallen
Artikel 58al
Vervallen
§ 5. Overige regels
Artikel 58am
Vervallen
Artikel 58an
Vervallen
Artikel 58ao
Vervallen
Artikel 58ap
Vervallen
Artikel 58aq
Vervallen
Hoofdstuk VI. Overige bepalingen
Artikel 59
In geval van overtreding van artikel 33a, eerste lid, bedraagt de bestuurlijke boete € 11 per kilogram fosfaat ten aanzien waarvan de landbouwer niet heeft gehandeld overeenkomstig artikel 33a, tweede lid, onderdeel b.
In geval van overtreding van artikel 33a, vierde lid, bedraagt de bestuurlijke boete € 11 per kilogram fosfaat waarmee dat lid wordt overtreden.
In geval van overtreding van artikel 33a, vijfde lid, bedraagt de bestuurlijke boete € 11 per kilogram fosfaat waarmee dat lid wordt overtreden.
In geval van overtreding van het krachtens artikel 33a, zevende lid, bepaalde, bedraagt de bestuurlijke boete € 11 per kilogram fosfaat waarmee dat lid wordt overtreden.
In geval van overtreding van artikel 33d, eerste lid, bedraagt de bestuurlijke boete € 11 per kilogram fosfaat waarmee dat lid wordt overtreden.
Artikel 60
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen van de artikelen 57, eerste lid, 58, eerste lid, 58a en 59 afwijkende tarieven worden vastgesteld.
De afwijking bedraagt ten hoogste 50%.
Na de plaatsing in het Staatsblad van de algemene maatregel van bestuur wordt een voorstel van wet tot regeling van het betrokken onderwerp zo spoedig mogelijk bij de Staten-Generaal ingediend. Indien het voorstel wordt ingetrokken of indien een van de beide kamers der Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur onverwijld ingetrokken. Wordt het voorstel tot wet verheven, dan wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken op het tijdstip van inwerkingtreding van die wet.
Artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 61
Vervallen
Artikel 61a
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan medewerking worden gevorderd van het bestuur van een bedrijfslichaam.
Indien de van het bestuur van een bedrijfslichaam gevorderde medewerking bestaat in het stellen van nadere regels bij verordening, behoeft deze verordening de goedkeuring van Onze Minister en van Onze Ministers wie het mede aangaat, tezamen. Krachtens de verordening genomen besluiten behoeven, voorzover dit bij of krachtens de maatregel als bedoeld in het eerste lid is bepaald, de goedkeuring van de daarbij aangewezen autoriteit.
Artikel 62
De op grond van artikel 57, 58, 58a of 59 te bepalen bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste het bedrag dat is bepaald voor de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, per overtreding begaan door een natuurlijke persoon, en ten hoogste het bedrag dat is bepaald voor de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, per overtreding begaan door een rechtspersoon of een vennootschap.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete die voor een overtreding of voor categorieën van overtredingen ten hoogste kan worden opgelegd ter zake van overtreding van het bij of krachtens artikel 9, tweede en derde lid, 11, tweede en derde lid, 13, vierde lid, 15, 33b, vijfde lid, 34, 35, 36, 37, 38, derde lid, of 40 bepaalde.
De op grond van het tweede lid te bepalen bestuurlijke boete bedraagt per overtreding ten hoogste het bedrag dat is bepaald voor de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 63
Vervallen
Artikel 64
Vervallen
Artikel 65
Vervallen
Artikel 66
Vervallen
Artikel 67
De ministeriële regelingen bedoeld in hoofdstuk IV, behoudens titel 6, en in artikel 59 worden vastgesteld door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
Artikel 68
Onze Minister doet over de werking van deze wet telkens na twee jaren een verslag aan de beide Kamers der Staten-Generaal toekomen.
Hoofdstuk VII. Toezicht
Artikel 69
Onze Minister kan de bestuurlijke boete verrekenen met te verstrekken subsidies bij of krachtens de Kaderwet EZ-subsidies.
Artikel 70
Vervallen
Hoofdstuk VII. Toezicht
Artikel 71
Vervallen
Artikel 71a
Onze Minister is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen.
Artikel 72
Vervallen
Artikel 73
Vervallen
Artikel 74
Voor de toepassing van de artikelen 19 en 20, eerste lid, wordt ten aanzien van een bedrijf dat geheel of gedeeltelijk is gelegen in een concentratiegebied, van het op dat bedrijf rustende varkensrecht onderscheidenlijk pluimveerecht dat deel buiten beschouwing gelaten dat in de periode met ingang van 23 april 2010 tot het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel, is overgegaan van een bedrijf dat geheel of gedeeltelijk is gelegen buiten dat concentratiegebied.
Het is verboden varken, kippen of kalkoenen te houden op een locatie gelegen in een concentratiegebied indien deze varkens-, kippen- of kalkoenenhouderij na 22 april 2010 binnen een bedrijf is verplaatst van een locatie gelegen buiten dat concentratiegebied.
Artikel 74a
De titels 1 en 2 van hoofdstuk V vervallen met ingang van 1 januari 2007.
Bij koninklijk besluit kan een eerder tijdstip worden bepaald waarop de in het eerste lid genoemde titels vervallen. Dit tijdstip is in ieder geval gelegen na 31 december 2004.
De voordracht voor het koninklijk besluit wordt niet eerder gedaan dan nadat vier weken zijn verstreken nadat het voornemen daartoe aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal bekend is gemaakt.
Artikel 75
Artikel 74, eerste lid, is niet van toepassing indien met betrekking tot de in dat lid bedoelde overgang:
- a. vóór 23 april 2010 een kennisgeving als bedoeld in artikel 27, eerste lid, heeft plaatsgevonden; of
- b. vóór 23 april 2010 een schriftelijke overeenkomst is gesloten en vóór 8 mei 2010 een kennisgeving als bedoeld in artikel 27, eerste lid, heeft plaatsgevonden.
Artikel 76
De verschillende artikelen van deze wet, of onderdelen daarvan, komen te vervallen op een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden bepaald.
Op het in het eerste lid bedoelde tijdstip vervallen in artikel 1a van de Wet op de economische delicten de verwijzingen naar de betrokken artikelen of onderdelen.
Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid wordt aan beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van beide kamers van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.
Bijlage A. Behorende bij de Meststoffenwet
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)