← Geldende tekst · Geschiedenis

Besluit van 24 december 1986, tot vaststelling van regels als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Toeslagenwet

Geldende tekst a fecha 2010-01-01

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 6 november 1986, Directoraat-Generaal Sociale Zekerheid, nr. SZ/SV/VV/SVV/86/09223;

Gelet op artikel 6, tweede lid, van de Toeslagenwet (Stb. 1986, 562);

De Raad van State gehoord (advies van 15 december 1986, nr. W12.86.0590);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 december 1986, Directoraat-Generaal Sociale Zekerheid, nr. SZ/SV/VV/SVV/86/10863;

Hebben goedgevonden en verstaan:

§ 1. Algemeen

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

§ 2. Inkomensbestanddelen

§ 2.1. Inkomen uit arbeid

Artikel 2

Voor de toepassing van artikel 6, eerste lid, van de wet wordt onder inkomen uit arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven verstaan:

Artikel 3
1.

Onder opbrengst van arbeid als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt, voorzover bedoelde arbeid door een werknemer in de zin van de Wet financiering sociale verzekeringen wordt verricht, verstaan het loon in de zin van die wet.

2.

In afwijking van het eerste lid wordt niet als opbrengst van arbeid beschouwd:

3.

Indien op grond van artikel 7, eerste lid, van de wet van inkomen uit arbeid een gedeelte is vrijgelaten, worden, in afwijking van het bepaalde in het tweede lid, onderdelen b en c, de op dat inkomen betrekking hebbende uitkeringen op grond van de verplichte verzekering van de Ziektewet, op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg aan de werknemer of gelijkgestelde, bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, van die wet en op grond van de verplichte verzekering van de Werkloosheidswet, voor zolang de dienstbetrekking voortduurt, alsmede aanvullingen op die uitkeringen als opbrengst van arbeid beschouwd.

Artikel 4
1.

Onder opbrengst van arbeid als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, worden, voor zover bedoelde arbeid in dienstbetrekking wordt verricht doch niet door een werknemer in de zin van de Wet financiering sociale verzekeringen verstaan de gelden en alle andere voordelen welke als beloning voor die arbeid worden genoten.

2.

Ten aanzien van de gelden en alle andere voordelen uit de dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid, is het bepaalde bij of krachtens artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen van overeenkomstige toepassing.

3.

In afwijking van het bepaalde in het tweede lid wordt niet als opbrengst van arbeid beschouwd:

Artikel 5
1.

Onder opbrengst van arbeid als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt, voorzover bedoelde arbeid niet in dienstbetrekking wordt verricht, verstaan het belastbaar loon uit tegenwoordige arbeid of belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, bedoeld in hoofdstuk 3 en 7 van de Wet inkomstenbelasting 2001, behoudens voorzover het een werkzaamheid betreft als bedoeld in de artikelen 3.91, eerste lid, onderdelen a en b, en 3.92 van die wet.

2.

Het bepaalde bij of krachtens artikel 13 van de Wet op de loonbelasting 1964 is met betrekking tot het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

3.

Voor zover over de opbrengst van arbeid, zoals vastgesteld op grond van het eerste en tweede lid, geen aanspraak op vakantie-uitkering bestaat, wordt van dit inkomen slechts een deel in aanmerking genomen. Dit deel is gelijk aan het quotiënt van 100 en de som van 100 en het percentage van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet Minimumloon en minimumvakantiebijslag.

Artikel 5a

Vervallen

Artikel 6
1.

Onder winst als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt verstaan de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in paragraaf 3.2.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de ondernemersaftrek, bedoeld in paragraaf 3.2.4 van die wet, en de MKB-winstvrijstelling, bedoeld in paragraaf 3.2.5 van die wet, met dien verstande dat de bestanddelen van de winst, bedoeld in artikel 3.78, derde lid, onderdelen a, b en c, van die wet, niet geacht worden te behoren tot die winst.

2.

Artikel 5, eerste lid, laatste volzin, is voor het inkomen, bedoeld in dit artikel, van overeenkomstige toepassing.

3.

Indien de berekening van de in het eerste lid bedoelde winst leidt tot een negatief bedrag, wordt die winst op nihil gesteld.

4.

Van de winst uit bedrijf en zelfstandig uitgeoefend beroep, zoals vastgesteld op grond van het eerste en tweede lid, wordt slechts een deel in aanmerking genomen. Artikel 5, derde lid, laatste volzin, is voor het vaststellen van dit deel van overeenkomstige toepassing.

§ 2.2. Inkomen in verband met arbeid

Artikel 7
1.

Voor de toepassing van artikel 6, eerste lid, van de wet wordt onder inkomen in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven verstaan:

2.

In afwijking van het eerste lid, wordt niet als inkomen in verband met arbeid beschouwd:

3.

Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel c, wordt onder pensioenregeling verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan voor de toepassing van de Wet op de loonbelasting 1964.

4.

Voor zover over een inkomen, genoemd in het eerste lid, geen aanspraak op vakantie-uitkering bestaat, wordt dit inkomen slechts voor een deel in aanmerking genomen. Artikel 5, derde lid, laatste volzin, is voor het vaststellen van dit deel van overeenkomstige toepassing.

5.

Het vierde lid is niet van toepassing op uitkeringen op grond van de Ziektewet (Stb. 1987, 88) en op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg aan de werknemer of gelijkgestelde, bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, van die wet, tenzij de dienstbetrekking van de werknemer tijdens het genot van de uitkering eindigt en tengevolge hiervan het dagloon met een evenredig deel van de vakantietoeslag wordt verhoogd.

§ 3. Bepaling van het inkomen

Artikel 8
1.

Het inkomen uit of in verband met arbeid wordt vastgesteld op het tot een bedrag per dag herleide inkomen, bedoeld in de artikelen 3 tot en met 7, dat degene, die aanspraak maakt op een toeslag, en zijn echtgenoot verwerven in het betalingstijdvak, waarover de loondervingsuitkering wordt uitbetaald.

2.

Indien degene, die aanspraak maakt op een toeslag of zijn echtgenoot in het betalingstijdvak waarover de loondervingsuitkering wordt betaald, bestendig inkomen gaat verwerven, dan wel indien zij ophouden bestendig inkomen te verwerven, wordt het inkomen uit of in verband met arbeid gedurende het resterende gedeelte van dat betalingstijdvak vastgesteld op het tot een bedrag per dag herleide inkomen, bedoeld in de artikelen 3 tot en met 7, dat zij gedurende dat gedeelte hebben verworven.

3.

Voor de herleiding van het inkomen uit of in verband met arbeid tot een bedrag per dag, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt voor inkomensbestanddelen die niet reeds op een bedrag per dag zijn vastgesteld, de week gesteld op 5 dagen en de maand op 21,75 dagen.

4.

Onder betalingstijdvak, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt verstaan, de periode die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt gehanteerd bij de uitbetaling van de loondervingsuitkering.

5.

Indien aannemelijk is, dat een inkomensbestanddeel geen juiste maatstaf biedt voor de bepaling van het in het eerste lid bedoelde inkomen, dat met ingang van de dag, waarop aanspraak op toeslag wordt gemaakt, wordt verworven, wordt dat inkomensbestanddeel per dag vastgesteld op 1/65,25 onderscheidenlijk 1/261 van het bedrag, dat over 3 maanden onderscheidenlijk een jaar als dat inkomensbestanddeel is verworven.

6.

Indien op een dag, dat aanspraak wordt gemaakt op de toeslag, winst als bedoeld in artikel 6 wordt genoten, wordt het daaruit voortvloeiende inkomensbestanddeel per dag vastgesteld op 1/261 van de winst over het kalenderjaar of het niet met het kalenderjaar samenvallend boekjaar waarin die dag valt.

7.

Indien de toepassing van de leden 1 tot en met 6, gelet op het tijdstip van verwerving van een inkomensbestanddeel, tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt, bepaalt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op welke periode dat inkomensbestanddeel geacht moet worden betrekking te hebben en hoe dit bestanddeel geacht moet worden over deze periode te zijn verdeeld.

Artikel 8a
1.
  1. De bij de toepassing van de voorgaande artikelen noodzakelijke omrekening in euro van een niet in euro uitgedrukte uitkering uit of in verband met arbeid in de Nederlandse munteenheid geschiedt met behulp van de door de Europese Centrale Bank geadviseerde wisselkoersen.
2.

Een wijziging van de in het eerste lid bedoelde koers beïnvloedt het op grond van artikel 8 vastgestelde inkomen niet, met dien verstande dat:

§ 3a. Bijzondere bepalingen

Artikel 8b
1.

Voor de toepassing van artikel 6, eerste lid, van de wet wordt de overhevelingstoeslag op grond van artikel 1 van de Wet overhevelingstoeslag opslagpremies (Stb. 1989, 128), alsmede het bedrag, waarmee ingevolge artikel 81, derde lid, van de Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies (Stb. 1989, 127) een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet en een pensioenuitkering ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet is verhoogd, buiten beschouwing gelaten.

2.

Voor de toepassing van artikel 6, eerste lid, van de wet wordt gedurende het jaar 1991 het bedrag waarmee ingevolge artikel 81, vierde lid, van de Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet is verhoogd, buiten beschouwing gelaten.

Artikel 8c

Voor de toepassing van artikel 5, eerste lid, tweede volzin, en artikel 6, tweede lid, van dit besluit wordt op het inkomen een bedrag in mindering gebracht, gelijk aan de overhevelingstoeslag, berekend overeenkomstig de bij en krachtens artikel 2 van de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen gestelde regels.

§ 3b. Gelijkstelling ander inkomen met loondervingsuitkering

Artikel 9

In afwijking van het bepaalde in artikel 3, eerste lid, en artikel 7, eerste lid, wordt de eenmalige uitkering op grond van artikel XV van de Wet premieheffing over uitkeringen (Stb. 1986, 639) niet als opbrengst van arbeid onderscheidenlijk als inkomen in verband met arbeid beschouwd.

Artikel 10

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1987.

Artikel 11

Dit besluit kan worden aangehaald als Inkomensbesluit Toeslagenwet.

Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer.

Artikel 8d
1.

De artikelen van deze paragraaf zijn uitsluitend van toepassing op de persoon wiens dagloon of grondslag, vermeerderd met het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven anders dan de loondervingsuitkering op grond waarvan aanspraak op toeslag wordt gemaakt, minder bedraagt dan het voor hem van toepassing zijnde norminkomen, bedoeld in artikel 2 van de wet.

2.

Het inkomen, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld zonder toepassing van artikel 7 van de wet.

3.

Artikel 8a, tweede lid, van de wet is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het dagloon, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 8e

Voor de toepassing van artikel 8a, eerste lid, van de wet wordt met de loondervingsuitkering gelijkgesteld een aanvulling op de loondervingsuitkering op grond waarvan aanspraak op toeslag wordt gemaakt

Artikel 8f
1.

Voor de toepassing van artikel 8a, eerste lid, van de wet wordt met de loondervingsuitkering gelijkgesteld al het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven van de persoon die aanspraak maakt op toeslag, indien die persoon:

2.

Indien de toepassing van het eerste lid er toe leidt dat de toeslag minder bedraagt dan het verschil tussen 100/70 maal de loondervingsuitkering en de som van de loondervingsuitkering en een aanvulling daarop, wordt de gelijkstelling, bedoeld in het eerste lid zodanig beperkt, dat de toeslag gelijk is aan het verschil tussen 100/70 maal de loondervingsuitkering en de som van de loondervingsuitkering en een aanvulling daarop.

Artikel 8g

Voor de toepassing van artikel 8a, eerste lid, van de wet wordt voor de persoon die loon of bezoldiging ontvangt op grond van artikel 629, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet, dat loon of die bezoldiging gelijkgesteld met de op het dagloon of de grondslag in mindering te brengen loondervingsuitkering

§ 4. Slotbepalingen

Artikel 9a

Dit besluit berust mede op artikel 8a, derde lid, van de Toeslagenwet.

Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer.

Artikel 1a

Dit besluit berust mede op artikel 8a, derde lid, van de Toeslagenwet.

§ 2. Inkomensbestanddelen

§ 2.1. Inkomen uit arbeid

§ 2.2. Inkomen in verband met arbeid

§ 3. Bepaling van het inkomen

§ 3a. Bijzondere bepalingen

§ 3b. Gelijkstelling ander inkomen met loondervingsuitkering

§ 4. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer.