← Geldende tekst · Geschiedenis

Wet van 7 juli 1988, houdende regels betreffende loodsen

Geldende tekst a fecha 2022-01-01

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de uitvoerende taken van de overheid ten aanzien van het loodsen van zeeschepen te beëindigen en in de plaats daarvan een openbaar lichaam voor beroep in te stellen als bedoeld in artikel 134 van de Grondwet, daarbij regels stellend over de opleiding tot loods en de bevoegdheid tot uitoefening van dit beroep, aldus tevens de grondslag scheppend voor de uitvoering van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties, waaronder de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen inzake het loodsen van schepen door Noordzeeloodsen op de Noordzee en in het Kanaal (Pb EG L33/32);

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel I

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

Artikel 1
1.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

2.

De begrippen in deze wet en de daarop berustende bepalingen hebben, tenzij anders is bepaald, dezelfde betekenis als in de Scheepvaartverkeerswet.

Hoofdstuk II. De loodsen

§ 1. Algemeen

Artikel 2
1.

De loods adviseert aan boord de kapitein of verkeersdeelnemer over de door deze te voeren navigatie.

2.

Indien de loods zijn functie aan boord van het te loodsen schip uitoefent, mag hij met instemming van de kapitein optreden als verkeersdeelnemer.

3.

Indien de loods zijn functie niet aan boord van het te loodsen schip kan uitoefenen, mag hij de kapitein of de verkeersdeelnemer vanaf een ander schip of vanaf de wal adviseren.

4.

Indien de loods zijn functie vanaf een ander schip of vanaf de wal uitoefent, mag hij, voor zover hij daartoe bij of krachtens artikel 9 van de Scheepvaartverkeerswet bevoegd is, de kapitein of de verkeersdeelnemer ook verkeersinformatie geven.

5.

Indien zich aan boord van het te loodsen schip een loods bevindt, kan een loods vanaf de wal aan deze loods adviezen en, voor zover hij daartoe bij of krachtens artikel 9 van de Scheepvaartverkeerswet bevoegd is, verkeersinformatie geven, in het geval van verminderd zicht, slechte weersomstandigheden of andere bijzondere omstandigheden.

6.

Ter bescherming van de belangen, genoemd in artikel 3, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voorschriften vastgesteld die de loodsen voor en bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen.

Artikel 3

De loods is, voor zover hij handelt in de uitoefening van de in artikel 2 genoemde taken en bevoegdheden, slechts aansprakelijk voor schade door hem veroorzaakt door opzet of grove schuld.

§ 2. Registerloodsen

Artikel 4
1.

Bij of krachtens verordening worden regels gesteld met betrekking tot de bevoegdheid van de registerloods ten aanzien van loodsplichtige scheepvaartwegen en categorieën van schepen en met betrekking tot het op peil houden van de in verband met het uitoefenen van het beroep van registerloods benodigde kennis en vaardigheden. Deze verordening en de krachtens die verordening te geven regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister. De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met de belangen, genoemd in artikel 3, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet.

2.

Het is degene die geen daartoe bevoegd registerloods is, verboden diensten als loods aan te bieden dan wel te verlenen aan:

3.

Het verbod, genoemd in het tweede lid, geldt niet met betrekking tot schepen voor de vaart op loodsplichtige scheepvaartwegen, aangewezen krachtens artikel 10, vierde lid, van de Scheepvaartverkeerswet, voor zover die schepen op binnenwateren varen.

4.

Het verbod, genoemd in het tweede lid, geldt niet voor de tot de Belgische loodsdienst behorende loods die krachtens het Scheldereglement als zodanig optreedt en de tot de Duitse loodsdienst behorende loods die krachtens het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot regeling van de samenwerking in de Eemsmonding (Trb. 1960, 69) als zodanig optreedt.

§ 3. Niet-registerloodsen

Artikel 5
1.

Onverminderd artikel 4, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur eisen gesteld met betrekking tot de opleiding, kundigheid, ervaring en geschiktheid voor het loodsen van schepen op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen wateren en ten aanzien van het in verband met de beroepsuitoefening af te geven document.

2.

De kosten verbonden aan en de kosten die samenhangen met de bij of krachtens het eerste lid, gestelde eisen, kunnen ten laste worden gebracht van de aanvrager van het in die maatregel genoemde examen of document.

3.

De bedragen ter vergoeding van de kosten, bedoeld in het tweede lid, worden bij ministeriële regeling vastgesteld.

4.

Ter uitvoering van de in het eerste lid bedoelde eisen worden persoonsgegevens verwerkt over gezondheid. De verwerking van deze gegevens strekt ertoe te kunnen beoordelen of de geschiktheid voor het loodsen van schepen aanwezig is of niet meer aanwezig is. Onze Minister is verwerkingsverantwoordelijke voor deze verwerking.

Hoofdstuk III. De loodsencorporaties

§ 1. De Nederlandse loodsencorporatie

Artikel 6
1.

De gezamenlijke registerloodsen vormen de Nederlandse loodsencorporatie. De corporatie is een openbaar lichaam in de zin van artikel 134 van de Grondwet. Zij is gevestigd te Rotterdam.

2.

De corporatie heeft een voorzitter, een algemene raad en een ledenvergadering.

Artikel 7

De voorzitter vertegenwoordigt de corporatie in en buiten rechte.

Artikel 8
1.

De algemene raad voert het geldelijk beheer en het overig bestuur. Deze raad bestaat uit de voorzitter en de voorzitters van de regionale corporaties of hun plaatsvervangers.

2.

De voorzitter wordt door de ledenvergadering benoemd voor een termijn van ten hoogste vier jaren. Hij is geen lid van het bestuur van een regionale corporatie.

3.

De voorzitter wordt bij verhindering vervangen door een lid van de algemene raad, daartoe door die raad aangewezen.

Artikel 9
1.

De algemene raad heeft in het bijzonder tot taak:

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de opleiding, kundigheid, ervaring en geschiktheid die worden gevorderd bij de toelating tot de opleiding en bij de examens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, en worden regels gesteld omtrent de wijze van examinering.

3.

Ten behoeve van de uitvoering van het eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, en tweede lid, worden persoonsgegevens verwerkt over gezondheid. De verwerking van deze gegevens vindt plaats teneinde te kunnen beoordelen of de geschiktheid voor het uitoefenen van het beroep van registerloods aanwezig is.

4.

De taken genoemd in het eerste lid, onderdeel a, onder 3° en 5°, worden uitsluitend verricht voor zover deze betrekking hebben op registerloodsen in meer dan één regio.

5.

Voor de deelname aan een van de opleidingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, 2°, is een vergoeding verschuldigd voor de kosten aan de algemene raad, volgens een bij besluit van de Autoriteit Consument en Markt overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens hoofdstuk VIA vast te stellen tarief.

§ 2. De regionale loodsencorporaties

Artikel 10
1.

De gezamenlijke registerloodsen van eenzelfde regio vormen de regionale loodsencorporatie in die regio.

2.

De namen en de vestigingsplaatsen van de regionale loodsencorporaties zijn als volgt:

3.

De grenzen van een regio worden bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld.

4.

Een regionale corporatie is rechtspersoon.

5.

Een regionale corporatie heeft een voorzitter, een bestuur en een ledenvergadering.

Artikel 11

De voorzitter van een regionale corporatie vertegenwoordigt de regionale corporatie in en buiten rechte.

Artikel 12
1.

Het bestuur voert het geldelijke beheer en het overige bestuur van de regionale corporatie.

2.

Het bestuur bestaat uit de voorzitter van de regionale corporatie en:

3.

De voorzitter van de regionale corporatie, de andere leden van het bestuur, alsmede hun plaatsvervangers, worden door de ledenvergadering uit de leden van de regionale corporatie benoemd voor een termijn van ten hoogste vier jaren.

4.

De voorzitter van de regionale corporatie en de andere leden van het bestuur worden bij verhindering vervangen door hun plaatsvervangers.

Artikel 13
1.

Het bestuur van de regionale corporatie heeft in het bijzonder tot taak:

2.

De taken, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, onder 2° en 3°, worden uitsluitend verricht voor zover daarin niet is voorzien krachtens artikel 9, eerste lid, onderdeel a, onder 3° of 5°.

§ 3. De vergaderingen

Artikel 14
1.

De voorzitter van de corporatie of van een regionale corporatie, roept een vergadering bijeen zo vaak hij zulks nodig acht of indien zulks schriftelijk, onder opgave van de te behandelen onderwerpen, wordt verzocht:

2.

De ledenvergaderingen van de corporatie zijn openbaar voor zover daarin ontwerpen van verordeningen aan de orde zijn. Hiervan wordt door de algemene raad op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze mededeling gedaan.

3.

De ledenvergadering van een regionale corporatie voorziet bij reglement in het doeltreffend verloop van de ledenvergaderingen.

§ 4. Verordeningen

Artikel 15
1.

De ledenvergadering van de corporatie stelt de verordeningen, bedoeld in deze wet en de daarop berustende bepalingen, vast, alsmede andere verordeningen, waaronder die in het belang van:

2.

In een verordening kan aan de algemene raad of aan het bestuur van een regionale corporatie de bevoegdheid worden verleend tot het geven van nadere voorschriften omtrent bij die verordening geregelde onderwerpen.

Artikel 16
1.

De ontwerpen van verordeningen worden door de algemene raad opgesteld, hetzij op last van de ledenvergadering hetzij uit eigen beweging.

2.

Op de voorbereiding van verordeningen is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat daaraan toepassing wordt gegeven door de algemene raad.

3.

De algemene raad brengt de naar voren gebrachte zienswijzen ter kennis van de leden.

4.

De verordeningen worden na de vaststelling onverwijld ter kennis gebracht van Onze Minister en vervolgens bekendgemaakt in de Staatscourant. Indien zij de goedkeuring van Onze Minister behoeven, wordt bij de bekendmaking aan de voet van de verordening het besluit vermeld waarbij deze is goedgekeurd.

5.

De verordeningen treden, tenzij zij anders bepalen, in werking met ingang van de tweede dag na die van de bekendmaking.

6.

Het vierde en vijfde lid zijn eveneens van toepassing op de nadere voorschriften, bedoeld in artikel 15, tweede lid.

Artikel 17
1.

De verordeningen zijn slechts verbindend voor de leden, de corporatie, de algemene raad, de regionale corporaties en hun besturen alsmede, voor zover zij betrekking hebben op personen die worden opgeleid voor het beroep van registerloods, voor deze personen.

2.

Bepalingen gesteld bij of krachtens een verordening die strijdig zijn met het bepaalde bij of krachtens de wet zijn onverbindend.

Artikel 18
1.

Besluiten van de algemene raad of van de ledenvergadering van de corporatie kunnen op de voordracht van Onze Minister bij koninklijk besluit worden vernietigd.

2.

Ingeval van vernietiging geschiedt deze binnen zes maanden na de in artikel 16, vierde lid, bedoelde ter kennis brenging of, wanneer het een ander besluit betreft, binnen zes maanden nadat het besluit ter kennis van Onze Minister is gekomen.

Hoofdstuk IV. Adspirant-registerloodsen

Artikel 19

Vervallen

Artikel 20

Vervallen

Hoofdstuk V. Het loodsenregister

Artikel 21
1.

Er is een openbaar loodsenregister. Ten behoeve van dit register worden persoonsgegevens verwerkt met betrekking tot ingeschreven registerloodsen. De verwerking van deze gegevens vindt plaats ten behoeve van de waarborging van de kwaliteit, de continuïteit en de rechtszekerheid van de loodsdienstverlening, alsmede van de uitvoering van de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels. De algemene raad is verwerkingsverantwoordelijke voor deze verwerking.

2.

Bij verordening worden regels gesteld over de inrichting van het register, de wijze van inschrijving en van doorhaling en het geven van afschriften uit het register.

3.

De tarieven voor de kosten van het verstrekken van afschriften uit het register worden vastgesteld bij besluit van de Autoriteit Consument en Markt, overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens hoofdstuk VIA.

4.

In het register wordt degene die voldoet aan artikel 22, eerste lid, op zijn aanvraag ingeschreven als registerloods. Bij een inschrijving worden in het register vermeld de naam, voornamen, geboortedatum, geboorteplaats en woonplaats van de aanvrager, alsmede de loodsplichtige scheepvaartwegen en de categorieën van schepen waarvoor hij bevoegd is en tot welke regionale corporatie hij behoort.

5.

Indien een registerloods in meer dan een regio bevoegd is, bepaalt de algemene raad, gehoord de besturen van de betreffende regionale corporaties en de betrokken registerloods, ten aanzien van welke regionale corporatie de inschrijving zal plaatsvinden.

6.

De algemene raad is belast met het beheer van het register.

Artikel 22
1.

Degene die met goed gevolg de examens, bedoeld in artikel 9, heeft afgelegd, of beschikt over een ten aanzien van het beroep van registerloods verleende erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties" wordt op zijn aanvraag in het register ingeschreven, indien hij:

2.

Ter uitvoering van de aanvraag om inschrijving in het register worden persoonsgegevens over gezondheid verwerkt. De verwerking van deze gegevens vindt plaats teneinde te kunnen beoordelen of aan de wettelijke vereisten voor de inschrijving als registerloods is voldaan. De algemene raad is verwerkingsverantwoordelijke voor deze verwerking.

3.

De aanvrager ontvangt van de inschrijving in het register een verklaring volgens een bij verordening vast te stellen model.

Artikel 23
1.

De inschrijving in het register wordt geweigerd, indien:

2.

De algemene raad doet van een beschikking tot weigering van de inschrijving in het register mededeling door toezending van een afschrift daarvan aan het bestuur van de regionale corporatie.

Artikel 24
1.

De inschrijving in het register wordt doorgehaald:

2.

Bij doorhaling is artikel 23, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

3.

Doorhaling van de inschrijving brengt mee verlies van de betrekkingen waarbij de hoedanigheid van lid van de corporatie of van de regionale corporatie, ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde, vereiste voor benoembaarheid of verkiesbaarheid is.

4.

Bij een doorhaling krachtens het gestelde in het eerste lid, onderdeel g, eindigt de doorhaling van rechtswege na het verstrijken van de in dat onderdeel bedoelde termijn.

Artikel 25

Degene die in het register ingeschreven is geweest, wordt, indien de vorige inschrijving is doorgehaald op de grond, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel e, op zijn verzoek opnieuw in het register ingeschreven als bij de aanvraag daarvoor het bewijs wordt overgelegd dat deze grond heeft opgehouden te bestaan.

Hoofdstuk VI. Financiën

Artikel 26
1.

Bij verordening worden regels vastgesteld ten aanzien van de bedragen, de verschuldigdheid daarvan, de maatstaven voor de vaststelling, alsmede de betaling met betrekking tot:

2.

De regels, vastgesteld bij de verordening, bedoeld in het eerste lid, houden rekening met de totale te verwachten opbrengst uit loodsgelden en voorzien in ieder geval in:

Artikel 27

Vaststelling van een verordening tot wijziging van de verordening, bedoeld in artikel 26, eerste lid, voor zover deze betrekking heeft op een wijziging van de bedragen of de maatstaven voor de vaststelling daarvan, vindt slechts plaats door een besluit van de ledenvergadering met een meerderheid van twee derden van de in die ledenvergadering uitgebrachte geldige stemmen.

Hoofdstuk VIA. Tarieven en markttoezicht

§ 1. Algemene bepaling

Artikel 28
1.

De registerloods is onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk registerloods niet betaamt, ter zake van enige overtreding van een verordening of van een krachtens een verordening gegeven nader voorschrift als bedoeld in artikel 15.

2.

De tuchtrechtspraak in eerste aanleg wordt uitgeoefend door het tuchtcollege loodsen.

3.

De tuchtrechtspraak in hoger beroep wordt uitgeoefend door het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven beslist in hoogste ressort.

§ 2. Systeem van kostentoerekening

Artikel 29
1.

Het tuchtcollege loodsen bestaat uit een voorzitter en vier leden. Er kunnen een of meer plaatsvervangende voorzitters en leden zijn.

2.

Het tuchtcollege loodsen heeft een secretaris en kan een of meer plaatsvervangende secretarissen hebben.

3.

De voorzitter, leden en hun plaatsvervangers worden door Onze Minister benoemd voor een periode van vier jaren en zijn terstond herbenoembaar. De benoemingstermijn van degene die wordt benoemd ter vervulling van een tussentijdse vacature, eindigt bij het verstrijken van de benoemingstermijn van degene in wiens plaats hij is getreden.

4.

Tussen de voorzitter, de leden, de secretaris en hun plaatsvervangers bestaat geen nauwe persoonlijke betrekking.

5.

Benoembaar tot voorzitter of plaatsvervangend voorzitter zijn degenen:

6.

Uit iedere regionale corporatie wordt op een voordracht van het bestuur van die regionale corporatie een registerloods benoemd, die geen lid of plaatsvervangend lid van het bestuur van die betreffende regionale loodsencorporatie is.

7.

Onze Minister verleent aan de voorzitter en zijn plaatsvervanger in elk geval ontslag met ingang van de maand, volgende op die waarin zij de leeftijd van zeventig jaren hebben bereikt, en op eigen verzoek tussentijds.

8.

Het lidmaatschap van leden van het tuchtcollege vervalt van rechtswege indien een lid benoemd wordt in het bestuur van een regionale loodsencorporatie of bij het verlies van de hoedanigheid van registerloods.

Artikel 30
2.

De artikelen 13a, 13b, met uitzondering van het eerste lid, onderdelen b en c, en vierde lid, en 13c tot en met 13g van de Wet op de rechterlijke organisatie zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van gedragingen van de voorzitter, de leden en hun plaatsvervangers, met dien verstande dat:

Artikel 31
1.

De secretaris en plaatsvervangend secretaris zijn voor de uitoefening van hun taken uitsluitend verantwoording verschuldigd aan de voorzitter.

2.

De secretaris en plaatsvervangend secretaris worden door Onze Minister benoemd, geschorst en ontslagen. Schorsing en ontslag vindt plaats op voordracht van de voorzitter.

3.

Artikel 29, vijfde lid, is op de secretaris en plaatsvervangend secretaris van overeenkomstige toepassing.

Artikel 32
1.

De voorzitter, de secretaris, de leden en hun plaatsvervangers ontvangen vacatiegeld, alsmede een vergoeding van reis- en verblijfkosten en van andere verschotten.

2.

Het in het eerste lid bedoeld vacatiegeld, de reis- en verblijfskosten en andere verschotten worden overeenkomstig Hoofdstuk VIA, bij ministeriële regeling vastgesteld.

Artikel 33
1.

De voorzitter, de leden en de secretaris, alsmede hun plaatsvervangers, mogen zich niet op enige wijze inlaten met partijen of hun raadslieden of gemachtigden over enige zaak die bij het tuchtcollege loodsen aanhangig is, of waarvan zij weten of kunnen vermoeden dat deze bij het tuchtcollege loodsen aanhangig zal worden gemaakt.

2.

De voorzitter, de leden en de secretaris, alsmede hun plaatsvervangers zijn verplicht tot geheimhouding van de gegevens waarover zij bij de uitoefening van hun taak de beschikking krijgen en waarvan zij het vertrouwelijk karakter kennen of redelijkerwijs moeten vermoeden, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hen tot mededeling verplicht of uit hun taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.

3.

De voorzitter, de leden en de secretaris, alsmede hun plaatsvervangers zijn verplicht tot geheimhouding van hetgeen in de raadkamer over aanhangige zaken is geuit.

Artikel 34
1.

Een zaak wordt in eerste aanleg bij het tuchtcollege loodsen aanhangig gemaakt door een schriftelijke klacht van de algemene raad, het bestuur van een regionale loodsencorporatie of van degene die rechtstreeks in zijn belang is getroffen.

2.

Een klacht bevat ten minste de volgende gegevens:

3.

De organen van de corporatie of een regionale loodsencorporatie verlenen desgevraagd hun medewerking bij de behandeling van de klacht door het tuchtcollege loodsen.

4.

Indien de klacht wordt ingediend na verloop van drie jaar na de dag waarop de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van de gedraging waarop de klacht betrekking heeft, wordt de klacht niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring blijft achterwege indien de gevolgen van de gedraging pas nadien bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken.

Artikel 35
1.

De voorzitter kan een klacht na een summier onderzoek terstond afwijzen bij een met redenen omklede schriftelijke beslissing indien hij van oordeel is dat de klager kennelijk niet-ontvankelijk is, dan wel de klacht kennelijk ongegrond of het tuchtcollege loodsen onbevoegd is.

2.

De secretaris zendt onverwijld een afschrift van de beslissing van de voorzitter aan de registerloods over wie geklaagd is, aan de klager en aan de algemene raad.

3.

De klager en de algemene raad kunnen binnen twee weken na de dag van verzending van de beslissing van de voorzitter tot afwijzing van een klacht schriftelijk verzet doen bij het tuchtcollege. Ten gevolge van het verzet vervalt de eerdere beslissing van de voorzitter.

4.

De voorzitter brengt klachten die niet door hem zijn afgewezen onverwijld ter kennis van het tuchtcollege loodsen.

5.

Intrekken van de klacht, nadat deze is ingediend, of staking van de werkzaamheden door de registerloods over wie geklaagd is, heeft op de verdere behandeling van de klacht geen invloed, wanneer naar het oordeel van het tuchtcollege loodsen het algemeen belang dat vermoedelijk is geschonden vordert dat de behandeling wordt voortgezet of wanneer degene over wie geklaagd is, schriftelijk heeft verklaard voortzetting van de behandeling van de klacht te verlangen.

§ 5. Vaststelling van de tarieven en voorwaarden

Artikel 36
1.

Aan de behandeling van een zaak door het tuchtcollege loodsen nemen deel de voorzitter of zijn plaatsvervanger en vier leden of hun plaatsvervanger, waarvan een uit elke regionale loodsencorporatie.

2.

De voorzitter en de leden kunnen zich verschonen en kunnen worden gewraakt indien er te hunnen aanzien feiten of omstandigheden bestaan, waardoor de onpartijdigheid van het tuchtcollege loodsen schade zou kunnen lijden.

3.

Het tuchtcollege loodsen beslist zo spoedig mogelijk over een verzoek tot verschoning of wraking. Aan de besluitvorming wordt niet deelgenomen door de voorzitter of het lid waarop het verzoek betrekking heeft. Indien het verzoek betrekking heeft op de voorzitter, neemt een plaatsvervangend voorzitter deel aan de besluitvorming. Bij staking van stemmen wordt het verzoek tot verschoning of wraking toegewezen.

Artikel 37
1.

Zodra het tuchtcollege loodsen een klacht in behandeling heeft genomen, zendt de secretaris een afschrift van de klacht aan de registerloods waartegen de klacht zich richt.

2.

De registerloods waartegen de klacht zich richt kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift van de klacht, als bedoeld in het eerste lid, een verweerschrift indienen. De voorzitter kan deze termijn op verzoek van de registerloods verlengen.

3.

De secretaris zendt een afschrift van het verweerschrift aan de klager.

Artikel 38
1.

De voorzitter bepaalt het tijdstip en de locatie voor de mondelinge behandeling van de zaak ter zitting. De secretaris draagt zorg voor de tijdige publicatie van deze informatie op de door de algemene raad ter beschikking gestelde internetsite.

2.

De secretaris roept de klager en de registerloods waartegen de klacht zich richt ten minste twee weken voorafgaand aan de datum van de zitting bij aangetekende brief op voor de zitting.

3.

De behandeling van een klacht door het tuchtcollege loodsen, geschiedt in een openbare zitting, tenzij het tuchtcollege loodsen om gewichtige redenen beveelt dat de behandeling van de zaak geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren zal plaatsvinden. Het bevel daartoe houdt de overwegingen in waarop het steunt.

4.

De registerloods, waartegen de klacht zich richt, is verplicht aan de oproeping, bedoeld in het tweede lid, gevolg te geven. Indien hij na oproeping niet ter zitting verschijnt, kan het tuchtcollege loodsen de officier van justitie verzoeken hem te dagvaarden. Hij is verplicht na dagvaarding te verschijnen.

5.

Indien de registerloods waartegen de klacht zich richt, op de dagvaarding niet ter zitting verschijnt, doet de officier van justitie hem op verzoek van het tuchtcollege loodsen dagvaarden, met bevel tot medebrenging. Artikel 556 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

6.

De registerloods waartegen de klacht zich richt, kan zich door een raadsman doen bijstaan.

7.

Het tuchtcollege loodsen kan weigeren personen die geen advocaat zijn als raadsman of als gemachtigde ter zitting toe te laten. Bij een zodanige weigering houdt het tuchtcollege loodsen de zaak tot een volgende zitting aan.

8.

Het tuchtcollege loodsen stelt de registerloods waartegen de klacht zich richt en zijn raadsman ten minste twee weken voor de zitting in de gelegenheid om van alle op de zaak betrekking hebbende stukken kennis te nemen.

9.

De secretaris maakt van het verhandelde ter zitting een proces-verbaal op dat door de voorzitter en de secretaris wordt ondertekend.

10.

De kosten die samenhangen met de mondelinge behandeling van de zaak ter zitting komen ten laste van de algemene raad.

Artikel 39
1.

Het tuchtcollege loodsen kan, hetzij op verzoek van de registerloods waartegen de klacht zich richt, hetzij op verzoek van de klager, hetzij ambtshalve, getuigen en deskundigen voor de zitting oproepen en horen.

2.

De secretaris roept getuigen en deskundigen bij aangetekende brief voor de zitting op. Eenieder die als getuige of deskundige door het tuchtcollege loodsen is opgeroepen, is verplicht aan die oproeping gevolg te geven.

3.

Indien een getuige of deskundige na oproeping niet ter zitting verschijnt, doet de officier van justitie hem op verzoek van het tuchtcollege loodsen dagvaarden. Hij is verplicht na dagvaarding te verschijnen.

4.

Indien een getuige of deskundige op de dagvaarding niet ter zitting verschijnt, doet de officier van justitie hem op verzoek van het tuchtcollege loodsen dagvaarden, met bevel tot medebrenging. Artikel 556 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

5.

De voorzitter beëdigt getuigen om de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zeggen. Getuigen zijn verplicht op de gestelde vragen te antwoorden.

6.

De voorzitter beëdigt deskundigen om hun taak naar geweten te vervullen. Deskundigen zijn verplicht de door het tuchtcollege loodsen gevorderde diensten te bewijzen.

7.

Ten aanzien van de getuigen en deskundigen zijn de artikelen 217 tot en met 219 van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.

8.

De getuigen en deskundigen ontvangen desgevraagd op vertoon van hun oproep of dagvaarding een door de voorzitter vast te stellen schadeloosstelling overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Wet tarieven in strafzaken. Deze schadeloosstelling komt ten laste van de corporatie.

Artikel 40
1.

Het tuchtcollege loodsen kan, indien het van oordeel is dat een tegen een registerloods ingediende klacht geheel of gedeeltelijk gegrond is, een of meer van de volgende tuchtmaatregelen opleggen:

2.

Het tuchtcollege loodsen kan een klacht gegrond verklaren zonder oplegging van een tuchtmaatregel als bedoeld in het eerste lid.

3.

Bij het opleggen van een geldboete als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, en een veroordeling in de kosten als bedoeld in onderdeel f en g, bepaalt het tuchtcollege loodsen de wijze waarop, en het termijn of de termijnen waarbinnen aan die tuchtmaatregel worden voldaan. De te betalen geldboete komt toe aan de Staat. Voor de toepassing van titel 4.4 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de uitspraak van het tuchtcollege loodsen aangemerkt als een beschikking als bedoeld in artikel 4:86 van die wet. Indien niet binnen de gestelde termijn aan de opgelegde tuchtmaatregel wordt voldaan, kan het tuchtcollege loodsen ambtshalve beslissen de registerloods aan wie een in de eerste zin bedoelde tuchtmaatregel is opgelegd, na hem in de gelegenheid te hebben gesteld te worden gehoord, op deze grond een of meer andere tuchtmaatregelen als bedoeld in het eerste lid op te leggen.

4.

Bij het opleggen van de tuchtmaatregelen, genoemd in het eerste lid, onder c en d, kan het tuchtcollege loodsen bepalen dat deze geheel of ten dele niet ten uitvoer worden gelegd, tenzij het tuchtcollege loodsen bij een latere beslissing anders mocht bepalen op grond van het feit dat de registerloods aan wie de tuchtmaatregelen zijn opgelegd, zich voor het einde van een bij die oplegging te bepalen proeftijd van ten hoogste twee jaren heeft gedragen in strijd met een verordening of krachtens een verordening gegeven nader voorschrift als bedoeld in artikel 15.

5.

De tuchtmaatregelen, genoemd in het eerste lid onder c, d, e, f en g, kunnen eerst ten uitvoer worden gelegd nadat de beslissing van het tuchtcollege loodsen onherroepelijk is geworden.

Artikel 41
1.

De beslissing van het tuchtcollege loodsen berust op een deugdelijke motivering.

2.

De voorzitter bepaalt het tijdstip en de locatie voor de openbare zitting waarin de beslissing van het tuchtcollege loodsen zal worden uitgesproken. De secretaris draagt zorg voor de tijdige publicatie van deze informatie op de door de algemene raad ter beschikking gestelde internetsite.

3.

Indien de registerloods waartegen de klacht zich richt, niet ter zitting is verschenen, kan het tuchtcollege loodsen bij verstek uitspraak doen.

4.

De secretaris zendt onverwijld een afschrift van de schriftelijke beslissing van het tuchtcollege loodsen bij aangetekende brief aan:

5.

De secretaris publiceert een geanonimiseerd afschrift van de schriftelijke beslissing van het tuchtcollege loodsen op een daartoe ter beschikking gestelde internetsite.

Artikel 42

Tegen een beslissing van het tuchtcollege loodsen kan binnen zes weken na de dag van de verzending van de in artikel 41, vierde lid, bedoelde brief hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven:

Artikel 43
1.

Het hoger beroep wordt ingesteld bij beroepschrift. Bij het beroepschrift wordt overgelegd een afschrift van de schriftelijke beslissing van het tuchtcollege loodsen, waartegen het hoger beroep is gericht.

2.

De griffier van het College van Beroep voor het bedrijfsleven zendt binnen een week na ontvangst van het beroepschrift een afschrift daarvan aan de registerloods waartegen de klacht zich richt, aan de klager en de algemene raad, voor zover het hoger beroep niet door hen is ingesteld, alsmede aan de secretaris van het tuchtcollege loodsen.

3.

De secretaris van het tuchtcollege loodsen zendt binnen drie weken na ontvangst van het afschrift van het beroepschrift alle stukken die op de zaak betrekking hebben aan de griffier van het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

4.

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven behandelt de zaak opnieuw in volle omvang. Op de behandeling in hoger beroep zijn de artikelen 35, eerste, tweede en derde lid, 36, tweede en derde lid, 37, 38, met uitzondering van de tweede volzin van het eerste lid, 39, 40 en 41 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 44
1.

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven kan op verzoek van een registerloods aan wie een tuchtmaatregel is opgelegd een onherroepelijk geworden beslissing van het tuchtcollege loodsen of van het College van Beroep voor het bedrijfsleven herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

2.

Op de behandeling van het verzoek tot herziening zijn de artikelen 35, eerste, tweede en derde lid, 36, tweede en derde lid, 37, 38, tweede tot en met negende lid, 39, 40 en 41, eerste, derde, vierde en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.

3.

Aan de behandeling van het verzoek tot herziening ter zitting van het College van Beroep voor het bedrijfsleven nemen geen leden deel die hebben deelgenomen aan de behandeling van de zaak, waarvan de herziening wordt verzocht.

§ 1. Tuchtvergrijpen en maatregelen

Artikel 45
1.

Tegen een beslissing op grond van artikel 44a, eerste, tweede en vijfde lid, kunnen de betrokken registerloods, de algemene raad en het bestuur van de regionale loodsencorporatie waartoe de registerloods behoort binnen zes weken na verzending van een afschrift van de beslissing hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Artikel 43 is van overeenkomstige toepassing.

2.

Het hoger beroep schorst niet de werking van de beslissing waartegen het is gericht.

Hoofdstuk VIII. Dwang-, straf- en opsporingsbepalingen

Artikel 46
1.

Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens artikel 9, eerste lid, onder a, onder 1° en 2°, en tweede lid, artikel 13, eerste lid, onder a, onder 1°, en onder b, artikel 15, eerste lid, onder b, 2°, 21, zesde lid, en artikel 26. Van het besluit wordt mededeling gedaan aan de corporatie onderscheidenlijk de regionale corporatie.

2.

Van de krachtens het eerste lid genomen maatregelen wordt binnen tweemaal vierentwintig uur een schriftelijk verslag opgemaakt dat onverwijld in afschrift wordt gezonden aan de belanghebbenden alsmede aan de algemene raad onderscheidenlijk het bestuur van de regionale corporatie.

Artikel 47
1.

Overtreding van de bepalingen, gesteld krachtens artikel 2, zesde lid, voor zover daarbij uitdrukkelijk als strafbaar feit aangewezen, of overtreding van artikel 4, tweede lid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de derde categorie.

2.

De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.

Artikel 48
1.

Bij veroordeling wegens een overtreding genoemd in artikel 47, eerste lid, kan het vonnis tevens inhouden:

2.

Het in het eerste lid gestelde geldt ook bij veroordeling van de loods wegens een overtreding, genoemd in de Scheepvaartverkeerswet, indien de loods die overtreding heeft begaan bij de uitoefening van zijn beroep.

Artikel 49
1.

Met de opsporing van de in deze wet strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast de daartoe aangewezen buitengewone opsporingsambtenaren. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, een vordering of een handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.

2.

Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

4.

De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning te betreden zonder toestemming van de bewoner.

Artikel 49a

Vervallen

Hoofdstuk IX. Bijzondere bepalingen

Artikel 50
1.

Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kan, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, artikel 52 in werking worden gesteld.

2.

Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking gestelde bepaling.

3.

Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan wordt bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de bepaling die ingevolge het eerste lid in werking is gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.

4.

Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, wordt de bepaling die ingevolge het eerste lid in werking is gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten.

5.

Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking terstond na de bekendmaking.

6.

Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in ieder geval geplaatst in het Staatsblad.

Artikel 51

Vervallen

Artikel 52

Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.

1.

Onze Minister is bevoegd aanwijzingen te geven aan de registerloodsen met betrekking tot de beschikbaarheid voor het verrichten van de in artikel 2, eerste tot en met vijfde lid bedoelde diensten en het verrichten van die diensten alsmede aan de organen van de corporatie en de regionale corporaties met betrekking tot het verzorgen van de hun bij of krachtens deze wet opgedragen taken ten aanzien van de door de registerloodsen te verlenen diensten.

2.

De bepalingen gesteld krachtens artikel 2, zesde lid, en de bepalingen gesteld bij of krachtens verordeningen als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdelen a en b, vinden geen toepassing, voor zover zij onverenigbaar zijn met krachtens het eerste lid gegeven aanwijzingen.

Artikel 53

Het bij of krachtens de Oorlogswet voor Nederland aangewezen militair gezag is bevoegd om indien de beperkte of de algemene noodtoestand is afgekondigd, in afwijking van de bepalingen gesteld bij of krachtens deze wet, regels te stellen met betrekking tot de beschikbaarheid van registerloodsen voor het verrichten van diensten als bedoeld in artikel 2, eerste tot en met vijfde lid en het door registerloodsen verrichten van die diensten, alsmede met betrekking tot het door de organen van de corporatie en de regionale corporaties verzorgen van de hun bij of krachtens deze wet opgedragen taken ten aanzien van de door de registerloodsen te verlenen diensten, voor zover zulks met het oog op de uitvoering van de militaire taak ter handhaving van de uitwendige of inwendige veiligheid noodzakelijk is.

Artikel 54
1.

Een registerloods die als gevolg van een aanwijzing als bedoeld in artikel 52, eerste lid, wordt beperkt in zijn mogelijkheden tot het verrichten van diensten als bedoeld in artikel 2, eerste tot en met vijfde lid en daardoor onevenredig financieel nadeel ondervindt, wordt door Onze Minister een naar billijkheid te bepalen vergoeding toegekend, die wordt berekend volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels.

2.

Ingeval artikel 53 toepassing vindt, kan aan de corporatie een vergoeding worden toegekend die wordt berekend volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels. Deze regels kunnen afwijken van het bepaalde bij of krachtens artikel 26.

Artikel 55
1.

Overtreding van de krachtens artikel 52 gegeven aanwijzingen en van het bepaalde bij of krachtens de op grond van artikel 53 gestelde regels wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de derde categorie.

2.

De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.

Hoofdstuk X. Overige bepalingen

Artikel 56
1.

Het stellen van regels krachtens de artikelen 2, zesde lid, 5, eerste lid, en 9, tweede lid, kan dienen ter uitvoering van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie.

2.

Daarbij wordt afgeweken van het bepaalde in deze wet, voor zover de bepalingen van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie daartoe nopen.

Artikel 57
1.

De verordeningsbevoegdheid van andere openbare lichamen dan genoemd in artikel 6, eerste lid, blijft ten aanzien van het onderwerp waarin bij of krachtens deze wet is voorzien, gehandhaafd.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gegeven met betrekking tot de financiële gevolgen van een verordening als bedoeld in het eerste lid.

3.

De vaststelling van krachtens het tweede lid te stellen regels geschiedt na overleg met het bestuur van het betrokken openbare lichaam.

4.

De vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het tweede lid, geschiedt op voordracht van Onze Minister en van Onze Minister van Binnenlandse Zaken.

Artikel 58

Vervallen

Artikel 59
1.

De algemene raad en het bestuur van een regionale corporatie, alsmede degene op wie een verplichting rust als bedoeld in artikel 46, eerste lid, zijn verplicht Onze Minister de inlichtingen te verstrekken die hij nodig acht om te kunnen beoordelen of aanleiding bestaat tot toepassing van artikel 46, eerste lid.

2.

Indien op basis van de verstrekte inlichtingen niet kan worden beoordeeld of er aanleiding bestaat tot toepassing van artikel 46, eerste lid, kan Onze Minister een nader onderzoek instellen.

3.

De algemene raad en het bestuur van een regionale corporatie, alsmede degene op wie een verplichting rust als bedoeld in artikel 46, eerste lid, zijn verplicht om aan dat onderzoek alle medewerking te verlenen die redelijkerwijs kan worden gevorderd.

Artikel 60

Vervallen

Artikel II

Artikel 61

Vervallen

Artikel III

Artikel 62

Vervallen

Artikel 63

Vervallen

Artikel 64

Vervallen

Artikel 65

Vervallen

Artikel 66

Vervallen

Artikel 67

Onze Minister kan verordeningen als bedoeld in artikel 15, eerste lid, voor de eerste maal als ministeriële regeling vaststellen, voor zover deze, naar het oordeel van Onze Minister, op de datum waarop artikel 3, van de Loodswet 1957 wordt ingetrokken, in werking dienen te treden. Zij blijven, behoudens eerdere intrekking door Onze Minister, van kracht totdat zij bij verordening zijn ingetrokken en vervangen.

Artikel 68
1.

Wanneer de algemene raad voor de eerste maal na inwerkingtreding van de Wet actualisatie markttoezicht registerloodsen een voorstel als bedoeld in artikel 27c, derde lid, doet, is de raming, bedoeld in artikel 27c, zevende lid, onderdeel c, gebaseerd op de voor het jaar 2015 geldende hoogte, vermeerderd met de indexering vastgesteld krachtens artikel 27d, tweede lid.

2.

Bij ministeriële regeling wordt de voor het jaar 2015 geldende hoogte van de integrale uurtarieven vastgesteld.

Artikel IV

Artikel 69

De op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet actualisatie markttoezicht registerloodsen geldende loodsgeldtarieven, vastgesteld krachtens artikel 27fvan de Loodsenwet, zoals dat artikel luidde voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet actualisatie markttoezicht registerloodsen, blijven van kracht tot het tijdstip waarop het besluit in werking treedt, waarbij het desbetreffende tarief voor de eerste maal met toepassing van de door eerdergenoemde wet gewijzigde artikelen is vastgesteld.

Artikel 70

Deze wet wordt aangehaald als: Loodsenwet.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 27a

De loodsgeldtarieven en de tarieven voor het verrichten van andere diensten die bij of krachtens de wet bij uitsluiting aan registerloodsen zijn opgedragen, onderscheidenlijk de vergoedingen voor de taken die bij of krachtens de wet aan de algemene raad of een regionale loodsencorporatie zijn opgedragen, worden vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.

Artikel 27b
1.

De ledenvergadering van de corporatie stelt in het belang van een op de kosten gebaseerde tariefstelling een toerekeningssysteem vast voor de kosten van de diensten en taken, bedoeld in artikel 27a.

2.

Het toerekeningssysteem bevat een omschrijving van de wijze waarop de kosten van de diensten en taken, bedoeld in artikel 27a, in de tarieven worden doorberekend.

3.

Het toerekeningssysteem wordt opgesteld met inachtneming van het bepaalde bij en krachtens artikel 15ba, derde lid, van de Scheepvaartverkeerswet.

4.

Het toerekeningssysteem behoeft de instemming van de Autoriteit Consument en Markt. Afdeling 10.2.1 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing op de instemming. Tevens stelt de Autoriteit Consument en Markt de methode en parameters voor de berekening van de vermogenskostenvoet bij besluit vast.

5.

Voorafgaand aan vaststelling van het toerekeningssysteem stelt de algemene raad de besturen van de regionale loodsencorporaties, de bij ministeriële regeling te bepalen vertegenwoordigers van rechtspersonen, betrokken bij het bestuur van een of meer zeehavens en representatieve organisaties van ondernemers in het scheepvaart- en havenbedrijf in staat hun zienswijze over een ontwerp voor een toerekeningssysteem naar voren te brengen.

6.

De algemene raad zendt het toerekeningssysteem en de ingebrachte zienswijzen tegelijkertijd naar de Autoriteit Consument en Markt en naar degenen die op grond van het vijfde lid zijn gevraagd om een zienswijze. Daarbij is gemotiveerd of en op welke wijze de ingebrachte zienswijzen hebben geleid tot aanpassing van het toerekeningssysteem. Indien een zienswijze niet heeft geleid tot aanpassing, geeft de algemene raad de redenen daarvoor aan.

7.

De Autoriteit Consument en Markt kan de ledenvergadering opdragen een vastgesteld toerekeningssysteem te wijzigen. De ledenvergadering is verplicht aan een opdracht gevolg te geven. Het derde en vierde lid zijn van toepassing.

8.

Onverminderd het zevende lid, wordt het toerekeningssysteem uiterlijk vijf jaar na de datum van inwerkingtreding herzien.

§ 3. Voorstel tot vaststelling tarieven

Artikel 27c
1.

De algemene raad doet de Autoriteit Consument en Markt een voorstel voor de tarieven en vergoedingen voor de diensten en taken, bedoeld in artikel 27a. In op grond van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen stelt de algemene raad een ingediend voorstel bij. Indien het ingediende voorstel niet wordt bijgesteld, geeft de algemene raad de redenen daarvoor aan

2.

Een voorstel als bedoeld in het eerste lid wordt opgesteld met inachtneming van het uitgangspunt dat elk afzonderlijk tarief redelijk en non-discriminatoir is.

3.

Een voorstel als bedoeld in het eerste lid met betrekking tot de loodsgeldtarieven wordt opgesteld met inachtneming van het uitgangspunt dat de loodsgeldtarieven voor het geheel kostengeoriënteerd zijn.

4.

Voorafgaand aan de indiening van een voorstel met betrekking tot de loodsgeldtarieven vraagt de algemene raad een zienswijze aan de besturen van de regionale loodsencorporaties, de bij ministeriële regeling te bepalen vertegenwoordigers van rechtspersonen, betrokken bij het bestuur van een of meer zeehavens en representatieve organisaties van ondernemers in het scheepvaart- en havenbedrijf.

5.

De algemene raad zendt een voorstel met betrekking tot de loodsgeldtarieven en de ingebrachte zienswijzen tegelijkertijd naar de Autoriteit Consument en Markt en naar degenen die op grond van het vierde lid zijn gevraagd om een zienswijze. Daarbij is gemotiveerd of en op welke wijze de ingebrachte zienswijzen hebben geleid tot aanpassing van het tariefvoorstel. Indien een zienswijze niet heeft geleid tot aanpassing, geeft de algemene raad de redenen daarvoor aan.

6.

Een voorstel met betrekking tot de loodsgeldtarieven wordt jaarlijks ingediend, is mede gebaseerd op de financiële verantwoording van het aan de indiening voorafgaande kalenderjaar en heeft betrekking op het volgende kalenderjaar.

7.

Een voorstel met betrekking tot de loodsgeldtarieven bevat ten minste:

8.

Indien een besluit ter vaststelling van de loodsgeldtarieven als bedoeld in artikel 27f, eerste lid, is of wordt herzien, bevat het eerstvolgende in te dienen voorstel, bedoeld in het zevende lid, tevens een verrekening van het verschil in omzet tussen de tarieven die in rekening zijn gebracht op basis van het eerdere tariefbesluit en de tarieven in het laatstelijk overeenkomstig artikel 27f, eerste lid, vastgestelde tariefbesluit.

9.

De algemene raad maakt bij het voorstel, bedoeld in het zevende lid, aannemelijk dat het voorstel in voldoende mate bijdraagt aan het bereiken van de meest efficiënte werkwijze voor registerloodsen en de productiviteit en kwaliteit van de loodsdienstverlening.

10.

Een voorstel als bedoeld in het eerste lid met betrekking tot andere tarieven dan de loodsgeldtarieven is voor elk afzonderlijk tarief kostengeoriënteerd. Een voorstel bevat een onderbouwde raming van de kosten en omzet voor elke afzonderlijke dienst of taak.

§ 4. Enige bij de vaststelling van de tarieven in aanmerking te nemen bijzondere factoren

Artikel 27d
1.

Bij algemene maatregel van bestuur worden in het belang van de vaststelling van kostengeoriënteerde loodsgeldtarieven zeehavengebieden aangewezen, worden nadere regels gesteld met betrekking tot de redelijkheid, bedoeld in artikel 27c, tweede lid, de kostenoriëntatie, bedoeld in artikel 27c, derde lid, en kunnen overige maatstaven voor de structuur van deze tarieven worden geregeld. Bij deze maatregel kunnen taken en bevoegdheden aan de Autoriteit Consument en Markt worden opgedragen.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur wordt een jaarlijkse indexering van de uurtarieven van de arbeidsvergoeding vastgesteld.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur wordt een jaarlijks indexcijfer voor de prijzen vastgesteld.

4.

Bij ministeriële regeling wordt een bij de vaststelling van de loodsgeldtarieven in acht te nemen correctiefactor vastgesteld in verband met bestaande onevenwichtigheden in de mate van kostendekkendheid van de loodsgeldtarieven in de verschillende zeehavengebieden.

4.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de samenstelling van de regionale overlegcommissies, bedoeld in artikel 27c, vierde lid.

Artikel 27e

Vervallen

§ 5. Vaststelling van de tarieven en voorwaarden

Artikel 27f
1.

De Autoriteit Consument en Markt stelt voor elk kalenderjaar bij besluit de loodsgeldtarieven vast en gaat daarbij uit van het voorstel op basis van artikel 27c, dan wel artikel 27ca dat resulteert in de laagste loodsgeldtarieven.

2.

De Autoriteit Consument en Markt stelt bij besluit de tarieven en vergoedingen voor de overige diensten en taken, bedoeld in artikel 27a, vast.

3.

De loodsgeldtarieven en de andere tarieven en vergoedingen kunnen per zeehavengebied en per verrichting verschillen.

4.

Besluiten als bedoeld in het eerste en tweede lid worden bekendgemaakt door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 27g
1.

De Autoriteit Consument en Markt stelt een besluit als bedoeld in artikel 27f, eerste en tweede lid, vast in afwijking van het desbetreffende voorstel, indien het voorstel naar het oordeel van de Autoriteit Consument en Markt:

2.

De Autoriteit Consument en Markt kan, ambtshalve of op verzoek van de algemene raad, bij de vaststelling van de tarieven en vergoedingen correcties aanbrengen in verband met bijzondere omstandigheden.

3.

De Autoriteit Consument en Markt kan bij de vaststelling van de tarieven en vergoedingen correcties aanbrengen indien de tarieven of vergoedingen voor een kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarvoor de tarieven en vergoedingen worden vastgesteld:

Artikel 27h
1.

De Autoriteit Consument en Markt kan, onverminderd het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2, derde lid, 4, eerste lid, 9, tweede lid, 15 eerste lid, 24, eerste lid, onder d, en 26, eerste lid, van deze wet en artikel 12 van de Scheepvaartverkeerswet, voorwaarden vaststellen waaronder registerloodsen de diensten verlenen die zij bij of krachtens de wet bij uitsluiting verrichten.

2.

De voorwaarden hebben slechts betrekking op de kwaliteit van de dienstverlening en zijn non-discriminatoir.

3.

Voorafgaand aan de vaststelling van deze voorwaarden nodigt de Autoriteit Consument en Markt de algemene raad uit haar een voorstel daarvoor te doen. Artikel 27c, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 27i
1.

De registerloods en de krachtens de artikelen 15a, tweede lid, en 15b, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet aangewezen organisaties zijn verplicht de overeenkomstig artikel 27f en 27g vastgestelde tarieven te hanteren.

2.

De registerloods en de samenwerkingsverbanden van registerloodsen die ter uitvoering van het bepaalde krachtens artikel 15, eerste lid, onder b, zijn of worden opgericht zijn verplicht de overeenkomstig artikel 27h vastgestelde voorwaarden te hanteren.

§ 6. Financiële verantwoording en vergelijkend onderzoek

Artikel 27j
1.

De algemene raad stelt jaarlijks een financiële verantwoording op over het voorafgaande kalenderjaar die bestaat uit:

2.

De algemene raad draagt jaarlijks zorg voor een verantwoording over het gerealiseerde kwaliteitsniveau van de diensten en taken, bedoeld in artikel 27a, over het voorafgaande kalenderjaar. Voorafgaand aan de vaststelling van de verantwoording vraagt de algemene raad een zienswijze aan de besturen van de regionale loodsencorporatie, de bij ministeriële regeling aan te wijzen rechtspersonen, betrokken bij het bestuur van een of meer zeehavens, bestuursorganen belast met het nautisch beheer van een of meer zeehavens en representatieve organisaties van ondernemers in het scheepvaart- en havenbedrijf.

3.

De algemene raad zendt de verantwoording over het gerealiseerde kwaliteitsniveau tegelijkertijd naar de Autoriteit Consument en Markt en naar degenen die op grond van het tweede lid zijn gevraagd om een zienswijze. Daarbij is gemotiveerd welke overwegingen zijn gemaakt ten aanzien van de ingebrachte zienswijzen.

4.

De algemene raad nodigt de bij ministeriële regeling aan te wijzen rechtspersonen, betrokken bij het bestuur van een of meer zeehavens, bestuursorganen belast met het nautisch beheer van een of meer zeehavens en representatieve organisaties van ondernemers in het scheepvaart- en havenbedrijf uit om gezamenlijk te bepalen op welke wijze afspraken gemaakt worden ten aanzien van in ieder geval de te leveren kwaliteit van de loodsdienstverrichting door registerloodsen.

Artikel 27k

Vervallen

§ 7. Nadere regelgeving

Artikel 27l
1.

Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent:

2.

Bij de maatregel, bedoeld in het eerste lid, kunnen taken en bevoegdheden aan de Autoriteit Consument en Markt worden opgedragen.

Hoofdstuk VII. Tuchtrechtspraak

§ 1. Algemeen

§ 3. De procedure in eerste aanleg

§ 4. Overige bepalingen

Hoofdstuk VIIA. Toezicht op de naleving

§ 1. Algemene bepaling

Artikel 45a
1.

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, met uitzondering van hoofdstuk VIA, zijn belast de ambtenaren aangewezen bij het besluit, bedoeld in artikel 49, eerste lid, alsmede de bij besluit van Onze Minister aangewezen andere ambtenaren.

2.

Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

3.

De toezichthouders beschikken niet over de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.

§ 2. De Autoriteit Consument en Markt

Artikel 45b
1.

De Autoriteit Consument en Markt is belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk VIA.

2.

De krachtens artikel 12a, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt aanwezen ambtenaren beschikken voor het toezicht, bedoeld in het eerste lid, niet over de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 45c

Vervallen

Artikel 45d

Vervallen

Artikel 45e

Indien door Onze Minister vast te stellen beleidsregels betrekking hebben op de interpretatie van mededingingsbegrippen stelt Onze Minister die beleidsregels vast in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken.

Hoofdstuk VIIB. Handhaving

§ 1. Overtredingen markttoezicht

Artikel 45f
1.

In geval van overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 27b, eerste en zevende lid, 27c, 27ca, 27i, 27j en 27l, eerste lid, kan de Autoriteit Consument en Markt de overtreder:

2.

De in het eerste lid, onder a, bedoelde boete bedraagt ten hoogste € 900.000, of, indien dit meer is, 10% van de gezamenlijke omzet van de organisaties, aangewezen krachtens de artikelen 15a, tweede lid, en 15b, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet. Artikel 12o van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt is van overeenkomstige toepassing.

3.

De bestuurlijke boete die ingevolge het tweede lid ten hoogste kan worden opgelegd wordt verhoogd met 100%, indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dagtekening van het van de overtreding opgemaakte rapport, bedoeld in artikel 5:48, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, een aan die overtreder voor een eerdere overtreding van eenzelfde of een soortgelijk wettelijk voorschrift opgelegde bestuurlijke boete onherroepelijk is geworden.

§ 2. Overtredingen medewerkingsplicht

Artikel 45g

Vervallen

§ 3. Overtreding verzegeling

Artikel 45h

Vervallen

§ 4. Onderzoek

Artikel 45i

Vervallen

§ 5. Coördinatie begrippen Mededingingswet

Artikel 45j

Vervallen

§ 6. Bijzondere bepaling inzake bestuurlijke boetes

Artikel 45k
1.

Indien krachtens artikel 45f of artikel 12m van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt een bestuurlijke boete of een last onder dwangsom wordt opgelegd aan de corporatie is deze bevoegd de verbeurde boete of dwangsom te voldoen ten laste van het geïnde loodsgeld.

2.

Indien een bestuurlijke boete of een last onder dwangsom wordt opgelegd aan een regionale loodsencorporatie of een samenwerkingsverband van registerloodsen, opgericht ter uitvoering van artikel 15, eerste lid, onder b, zijn deze natuurlijke en rechtspersonen bevoegd de verbeurde boete of dwangsom te voldoen ten laste van het gedeelte van het geïnde loodsgeld waarop de desbetreffende regionale loodsencorporatie, onderscheidenlijk het desbetreffende samenwerkingsverband, recht heeft ingevolgde de bij en krachtens artikel 26 en de krachtens de artikelen 15a, tweede lid, en 15b, derde lid, van de Scheepvaartverkeerswet gestelde regels en voorschriften.

3.

Een voldoening als bedoeld in het eerste en tweede lid heeft voorrang boven de bij en krachtens artikel 26 en de krachtens de artikelen 15a, tweede lid, en 15b, derde lid, van de Scheepvaartverkeerswet gestelde regels en voorschriften.

Hoofdstuk VIII. Dwang-, straf- en opsporingsbepalingen

Hoofdstuk IX. Bijzondere bepalingen

Hoofdstuk X. Overige bepalingen

Hoofdstuk X. Overige bepalingen

Artikel 60

Vervallen

Artikel II

Artikel III

Artikel IV

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 68a
1.

De voorzitter van de corporatie of een regionale corporatie kan bepalen dat leden in bijzondere gevallen geen toegang hebben tot de ledenvergadering, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, respectievelijk b. In dat geval draagt de voorzitter er zorg voor dat de leden in een digitale omgeving door middel van een tweezijdig elektronisch communicatiemiddel aan de opgeroepen ledenvergadering kunnen deelnemen, daarin het woord kunnen voeren en het stemrecht kunnen uitoefenen. Daartoe is vereist dat de leden via het elektronisch communicatiemiddel kunnen worden geïdentificeerd.

2.

In een geval als bedoeld in het eerste lid wordt op de agenda en de mededeling van de opgeroepen ledenvergadering als de plaats van de vergadering het communicatiemiddel vermeld.

3.

In een geval als bedoeld in het eerste lid wordt ten aanzien van het vereiste dat een lid aanwezig is op de vergadering, gelezen dat een lid deelneemt aan de vergadering.

Artikel 68b

Een samenwerkingsverband van registerloodsen, opgericht ter uitvoering van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, dat berust op een maatschap als bedoeld in artikel 1655 van Boek 7a van het Burgerlijk Wetboek, kan in bijzondere gevallen bijeenkomen in een digitale omgeving door middel van een tweezijdig elektronisch communicatiemiddel, onder de voorwaarden dat alle in de maatschap verbonden personen aan de vergadering kunnen deelnemen, daarin het woord kunnen voeren en het stemrecht kunnen uitoefenen.

Artikel 68c

De artikelen 68a en 68b vervallen op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel IV

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

Hoofdstuk II. De loodsen

§ 1. Algemeen

Artikel 2a
1.

Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat onder bij in die maatregel te bepalen voorwaarden, bij wijze van experiment tijdelijk kan worden afgeweken van artikel 2, eerste, tweede of derde lid.

2.

Het experiment, bedoeld in het eerste lid, heeft tot doel om te beoordelen of met een andere invulling van de wijze van functie-uitoefening van de loods de belangen, bedoeld in artikel 2, zesde lid, voldoende worden beschermd.

3.

In de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, wordt, met inachtneming van de belangen, genoemd in artikel 3 van de Scheepvaartverkeerswet, in ieder geval bepaald:

4.

Artikel 3 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 27ca
1.

Indien het geraamde aantal te loodsen scheepsreizen, bedoeld in artikel 27c, zevende lid, onderdeel a, hoger is dan het geraamde aantal te loodsen scheepsreizen waarop het geldende tariefbesluit is gebaseerd, bevat een voorstel of bijstelling van een voorstel als bedoeld in artikel 27c, eerste lid, tevens een alternatieve berekening met inachtneming van de efficiencykorting.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt de wijze bepaald waarop de alternatieve berekening, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt.

§ 4. Enige bij de vaststelling van de tarieven in aanmerking te nemen bijzondere factoren

§ 6. Verantwoording

Artikel 27ja
1.

De algemene raad en het bestuur van een regionale corporatie verstrekt desgevraagd aan Onze Minister alle voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.

2.

Onverminderd het eerste lid zendt de algemene raad de verantwoording over het gerealiseerde kwaliteitsniveau, bedoeld in artikel 27j, tweede lid, naar Onze Minister.

§ 7. Nadere regelgeving

Hoofdstuk VII. Tuchtrechtspraak

§ 2. Tuchtcollege loodsen

§ 4. De procedure in hoger beroep

§ 5. Herziening

§ 6. De procedure inzake het spoedshalve schorsen

Artikel 44a
1.

Op verzoek van de algemene raad of het bestuur van een regionale loodsencorporatie kan het tuchtcollege loodsen de registerloods jegens wie een ernstig vermoeden is gerezen van een handelen of nalaten waardoor enig krachtens artikel 15 beschermd belang ernstig is geschaad of dreigt te worden geschaad, met onmiddellijke ingang schorsen voor een periode van ten hoogste een jaar in de uitoefening van zijn bevoegdheid indien het door artikel 15 beschermde belang dit vergt. Het tuchtcollege loodsen beslist niet dan na verhoor of behoorlijke oproeping van de registerloods en de voorzitter van de regionale loodsencorporatie waartoe de registerloods behoort.

2.

Een verzoek als bedoeld in het eerste lid kan ook worden ingediend ingeval een registerloods zich in voorlopige hechtenis bevindt of deze bij nog niet onherroepelijk of onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens een misdrijf is veroordeeld dan wel hem bij een dergelijke uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft, met dien verstande dat alleen een schorsing kan worden uitgesproken voor de duur van de vrijheidsbeneming. De griffier van het gerecht dat een van de in de eerste volzin genoemde beslissingen neemt, geeft van die beslissing kennis aan de voorzitter van de regionale loodsencorporatie waartoe de registerloods behoort.

3.

De voorzitter van de regionale loodsencorporatie stelt de betrokken registerloods schriftelijk op de hoogte van het in het eerste en tweede lid bedoelde verzoek, alsmede van de gronden waarop het verzoek rust.

4.

Het tuchtcollege loodsen beslist binnen veertien dagen nadat het verzoek overeenkomstig het eerste of tweede lid aan hem ter kennis is gebracht. Het tuchtcollege loodsen kan deze termijn ten hoogste eenmaal verlengen met eenzelfde termijn.

5.

Indien de klacht tegen de registerloods op grond waarvan het ernstige vermoeden is gerezen niet reeds schriftelijk ter kennis is gebracht van het tuchtcollege, bepaalt het tuchtcollege bij zijn beslissing op het in het eerste lid bedoelde verzoek tevens een redelijke termijn van niet langer dan zes weken, waarbinnen de algemene raad of het bestuur van een regionale loodsencorporatie de klacht schriftelijk ter kennis van het tuchtcollege brengt. Bij overschrijding van deze termijn vervalt de beslissing op het in het eerste lid bedoelde verzoek van rechtswege. Het tuchtcollege kan op schriftelijk verzoek van de algemene raad of het bestuur van een regionale loodsencorporatie de termijn ten hoogste eenmaal verlengen met een door hem te bepalen redelijke termijn van niet langer dan zes weken. De artikelen 28 tot en met 41 zijn van overeenkomstige toepassing met uitzondering van artikelen 34, derde lid, 37, tweede lid, 38, tweede en achtste lid, en 40.

6.

Op verzoek van de betrokken registerloods kan het tuchtcollege loodsen te allen tijde de op grond van het eerste lid opgelegde schorsing opheffen. Hij beslist niet dan na verhoor of behoorlijke oproeping van de registerloods en de voorzitter van de regionale loodsencorporatie waartoe de registerloods behoort.

Hoofdstuk VIIA. Toezicht op de naleving

§ 1. Algemene bepaling

§ 2. De Autoriteit Consument en Markt

Hoofdstuk VIIB. Handhaving

§ 1. Overtredingen markttoezicht

§ 2. Overtredingen medewerkingsplicht

§ 3. Overtreding verzegeling

§ 4. Onderzoek

§ 5. Coördinatie begrippen Mededingingswet

§ 6. Bijzondere bepaling inzake bestuurlijke boetes

Hoofdstuk VIII. Dwang-, straf- en opsporingsbepalingen

Hoofdstuk IX. Bijzondere bepalingen

Hoofdstuk XI. Overgangsrecht en evaluatie

Artikel 69a

Hoofdstuk VIA van de Loodsenwet, zoals deze luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet actualisatie markttoezicht registerloodsen, blijft van kracht ten aanzien van:

Artikel 69b

Artikelen 28 tot en met 44 van de Loodsenwet, zoals deze luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen 28 tot en met 45 (nieuw) bij de Wet actualisatie markttoezicht registerloodsen, blijven van kracht ten aanzien van klachten die voor inwerkingtreding van de artikelen 28 tot en met 45 (nieuw) bij het tuchtcollege loodsen aanhangig zijn gemaakt en beroepen tegen uitspraken van het tuchtcollege loodsen die voor de inwerkingtreding van de genoemde artikelen bij het College van beroep voor het bedrijfsleven aanhangig zijn gemaakt.

Artikel 69c
1.

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Wet actualisatie markttoezicht registerloodsen en vervolgens telkens na vijf jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

2.

Onverminderd het eerste lid kan de Autoriteit Consument en Markt ten hoogste eenmaal per vijf jaar een onderzoek uitvoeren naar de kostenelementen opgenomen in het voorstel met betrekking tot de loodsgeldtarieven, bedoeld in artikel 27c.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.