Rijkswet van 14 juni 1990, tot herziening van het militair tuchtrecht
Indien een beroep is ingesteld als bedoeld in artikel 81, vierde lid, verklaart het gerecht bij gemotiveerde beslissing dit beroep geheel of gedeeltelijk gegrond of ongegrond.
Artikel 97
De beslissing waartegen beroep is ingesteld wordt vernietigd:
- a. Indien enige in de Titels I ofIA van dit hoofdstuk voorgeschreven termijn is geschonden;
- b. indien enige andere vorm dan onder a bedoeld, is verzuimd en redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de gestrafte daardoor in zijn verdediging is geschaad.
Artikel 98
Indien bij de beslissing in beroep een reeds geheel of gedeeltelijk tenuitvoergelegde straf van strafdienst of van uitgaansverbod wordt tenietgedaan of verminderd, of een beroep als bedoeld in artikel 81, vierde lid, geheel of gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, bepaalt het gerecht, volgens bij of krachtens algemene maatregel van Rijksbestuur te stellen regelen, op welke wijze het door de gestrafte geleden nadeel zal worden hersteld.
Artikel 99
Indien de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf is opgeschort of geschorst, wordt, als de beslissing van het gerecht daartoe aanleiding geeft, de straf of het resterende deel van de straf zo spoedig mogelijk ten uitvoer gelegd.
Artikel 100
Tegen de beslissing in beroep staat geen verdere voorziening open, onverminderd de bevoegdheid van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad om zich in het belang der wet in cassatie te voorzien.
Artikel 101
Indien het beroep is ingesteld bij een mobiele rechtbank, is het bepaalde in deze paragraaf omtrent de militaire kamer van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk VI. Dwangmiddelen
Artikel 102
In geval van ontdekking op heterdaad is, indien bijzondere omstandigheden dat onverwijld vorderen, iedere meerdere bevoegd degene die wordt verdacht van de schending van een gedragsregel aan te houden en hem naar een plaats van verhoor te geleiden. Artikel 128 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.
De meerdere is bevoegd van iedere mindere te vorderen hem bij de geleiding bijstand te verlenen.
Indien de meerdere de plaats van aanhouding niet terstond kan verlaten, is hij bevoegd van iedere mindere te vorderen voor de geleiding zorg te dragen.
Artikel 103
De commandant is bevoegd een geschrift als bedoeld in artikel 30 of 31, dan wel een ander voorwerp waarvan hij redelijkerwijs mag aannemen dat het tot bewijs kan dienen van de schending van een gedragsregel, in te nemen of te doen innemen.
Indien de commandant niet aanwezig is en zijn optreden niet kan worden afgewacht, dan wel indien de dader van de schending van een gedragsregel onbekend is, komt de in het vorige lid genoemde bevoegdheid mede toe aan door Onze Minister van Defensie aangewezen functionarissen.
Het in het eerste lid bedoelde geschrift of voorwerp wordt zo spoedig mogelijk ter beschikking gesteld van de rechthebbende, doch in elk geval:
- a. zodra de commandant beslist geen beschuldiging uit te reiken;
- b. zodra blijkt dat geen beschuldiging kan worden uitgereikt op grond van het bepaalde in artikel 53, eerste, tweede of vijfde lid;
- c. tien dagen na de uitreiking van de uitspraak in eerste aanleg, indien geen beklag is gedaan of beroep is ingesteld;
- d. vijf dagen na de uitreiking van een uitspraak op beklag die geen verwijzing inhoudt als bedoeld in artikel 80p, tweede lid, onder f, indien geen beroep is ingesteld;
- e. zodra het tuchtproces op een andere wijze eindigt;
- f. bij de uitspraak in beroep.
Indien toepassing is gegeven aan artikel 78 wordt, in afwijking van het gestelde in het derde lid, het geschrift of voorwerp ter beschikking gesteld van de opsporingsambtenaar. Deze terbeschikkingstelling geldt als een inbeslagneming door een opsporingsambtenaar als bedoeld in het Wetboek van Strafvordering.
Het in het eerste lid bedoelde geschrift of voorwerp wordt op de wijze te bepalen bij algemene maatregel van Rijksbestuur gedurende zes maanden ter beschikking gehouden van de rechthebbende. Is teruggave alsdan niet mogelijk gebleken dan wordt het geschrift of voorwerp vernietigd.
Artikel 104
Over de inneming van een geschrift of voorwerp als bedoeld in artikel 103 kan de rechthebbende zich binnen 5 dagen schriftelijk beklagen bij de voorzitter van de militaire kamer als bedoeld in artikel 87.
Met betrekking tot de wijze van indiening van het klaagschrift zijn de artikelen 82, 83 en 84 van overeenkomstige toepassing.
De voorzitter van de militaire kamer geeft zo spoedig mogelijk een met redenen omklede beschikking, nadat de klager in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord.
Acht de voorzitter van de militaire kamer het beklag gegrond, dan gelast hij dat het geschrift of voorwerp zo spoedig mogelijk ter beschikking wordt gesteld van de rechthebbende, indien dat nog niet is geschied op grond van het bepaalde in artikel 103, derde lid.
Een afschrift van de beschikking wordt uitgereikt aan de klager en aan degene die het geschrift of voorwerp heeft ingenomen of doen innemen.
Tegen de beschikking staat geen verdere voorziening open.
Hoofdstuk VII. Krijgsgevangenen en geïnterneerde personen
Artikel 105
Onverminderd de bepalingen van het Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen, van 12 augustus 1949, is deze rijkswet, met uitzondering van hoofdstuk III, van overeenkomstige toepassing op krijgsgevangenen en andere geïnterneerde personen die ingevolge artikel 65 van het Wetboek van Militair Strafrecht gedeeltelijk met Nederlandse militairen zijn gelijkgesteld, met dien verstande dat:
- a. de straffen, omschreven in artikel 89, eerste lid, van vorengenoemd verdrag, worden geacht te zijn voorzien in deze rijkswet;
- b. met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de straf, omschreven in artikel 89, eerste lid, onder 1 van vorengenoemd verdrag, de artikelen 44-46 van deze rijkswet van overeenkomstige toepassing zijn;
- c. de tenuitvoerlegging van de straf, omschreven in artikel 89, eerste lid, onder 4 van vorengenoemd verdrag, geschiedt volgens regelen te stellen bij algemene maatregel van Rijksbestuur;
- d. de vergrijpen, bedoeld in artikel 93, tweede en derde lid, van vorengenoemd verdrag, worden geacht in te houden schendingen van gedragsregels van deze rijkswet, terwijl ten aanzien van die feiten het gestelde in artikel 78 van deze rijkswet buiten toepassing blijft.
Hoofdstuk VIII. Slotbepalingen
Artikel 106
De Wet op de Krijgstucht wordt ingetrokken, behoudens het bepaalde in de volgende artikelen.
Artikel 107
De op het tijdstip van inwerkingtreden van deze Rijkswet bij de ingevolge de artikelen 39-43 van de Wet op de Krijgstucht tot straffen bevoegde autoriteiten, of bij de ingevolge artikel 61 van die wet tot behandeling van een beklag bevoegde meerdere, aanhangige zaken betreffende krijgstuchtelijke vergrijpen als bedoeld in artikel 2 van die wet, worden behandeld en afgedaan op de wijze, als bepaald in die wet, door die autoriteit onderscheidenlijk meerdere. Andere straffen dan die voorzien bij deze wet kunnen niet worden opgelegd.
Indien op het tijdstip van inwerkingtreden van deze Rijkswet de termijn van beklag als bedoeld in artikel 62 van de Wet op de Krijgstucht, dan wel van de mogelijkheid om ingevolge artikel 67 van die wet de eindbeslissing van het Hoog Militair Gerechtshof in te roepen, nog niet is verstreken, dient dit beklag onderscheidenlijk deze inroeping te worden gedaan in de vorm van een beroep, in te stellen naar de regels, gesteld in hoofdstuk V, titel II, van deze Rijkswet, en met toepassing van die regels te worden behandeld en afgedaan.
Zaken betreffende de inroeping van een eindbeslissing ingevolge artikel 67 van de Wet op de Krijgstucht, die op het tijdstip van inwerkingtreden van deze Rijkswet bij het Hoog Militair Gerechtshof aanhangig zijn, worden in de stand waarin zij zich bevinden overgedragen aan het gerecht dat uit hoofde van artikel 81 van deze Rijkswet bevoegd is het beroep inzake tuchtrechtelijke uitspraken te behandelen, en door dat gerecht behandeld en afgedaan.
Artikel 108
Tegen beslissingen van het Hoog Militair Gerechtshof, genomen ingevolge artikel 67 van de Wet op de Krijgstucht, die op het tijdstip van inwerkingtreden van deze Rijkswet nog niet onherroepelijk zijn geworden en waartegen nog geen beroep in cassatie is ingesteld, kan binnen 14 dagen na de uitspraak zulk beroep worden ingesteld op de wijze als voorgeschreven voor het instellen van cassatie tegen arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Indien de Hoge Raad een beslissing van het Hoog Militair Gerechtshof, genomen ingevolge artikel 67 van de Wet op de Krijgstucht, na het tijdstip van inwerkingtreden van deze Rijkswet in cassatie vernietigt, wordt de zaak, indien zij niet door de Hoge Raad zelf wordt afgedaan, verwezen naar het gerecht dat uit hoofde van artikel 81 van deze Rijkswet bevoegd is.
In de zaken, waarin toepassing is gegeven aan artikel 107, derde lid, van deze Rijkswet, voorzover deze een strafbaar feit betreffen, blijven de bepalingen van de Rijkswet van 22 februari 1979 (Stb. 69) tot invoering van de rechtsmiddelen van cassatie, cassatie in het belang der wet en herziening in het militair strafprocesrecht op de beslissing van het gerecht van kracht. Het voorgaande lid is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 109
De krijgstuchtelijke straffen, op grond van de Wet op de Krijgstucht opgelegd voor het tijdstip van inwerkingtreden van deze Rijkswet, of met toepassing van artikel 107, eerste lid, van deze Rijkswet opgelegd, worden ten uitvoer gelegd op de wijze als bij of krachtens die wet bepaald.
Artikel 110
De Algemene termijnenwet (wet van 25 juli 1964, Stb. 314) is van toepassing.
Artikel 111
Deze Rijkswet kan worden aangehaald als "Wet militair tuchtrecht".
Artikel 112
Deze Rijkswet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad, in het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen en in het Afkondigingsblad van Aruba zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)