Wijzigingsgeschiedenis

Wet van 14 februari 1992, houdende nieuwe bepalingen met betrekking tot gemeenten

100 versions · 2026-03-21
2026-03-21
Gemeentewet — arts. 11, 29, 38 y 4 más
2026-01-01
Gemeentewet — arts. 11, 29, 38 y 4 más
2025-12-31
2025-02-12
Gemeentewet — arts. 11, 29, 38 y 4 más
2025-01-01
Gemeentewet — arts. 11, 29, 38 y 4 más
2024-12-11
Gemeentewet — arts. 11, 29, 38 y 4 más
2024-01-31
Gemeentewet — arts. 11, 11, 29 y 11 más
2024-01-01
Gemeentewet — arts. 11, 11, 29 y 11 más
2023-04-01
2023-01-01
2022-11-05
Gemeentewet — arts. 19, 19
2022-08-01
Gemeentewet — arts. 19, 19, 19
2022-07-01
Gemeentewet — arts. 19, 19, 19
2022-05-01
Gemeentewet — arts. 19, 19, 19
2022-01-01
2021-07-10
Gemeentewet — arts. 19, 19, 19
2021-07-01
Gemeentewet — arts. 19, 19, 19
2021-06-02
Gemeentewet — arts. 19, 19
2021-01-01
Gemeentewet — art. 19
2020-01-01
2019-01-01
Gemeentewet — art. 19
2018-09-19
Gemeentewet — art. 19
2018-07-01
Gemeentewet — art. 19
2018-06-13
Gemeentewet — art. 19
2018-01-01
Gemeentewet — art. 19
2017-07-01
2017-01-01
Gemeentewet — art. 19
2016-07-01
Gemeentewet — art. 19
2016-02-01
Gemeentewet — art. 19
2016-01-01
2015-11-01
Gemeentewet — art. 19
2015-07-01
Gemeentewet — art. 19
2015-01-01
Gemeentewet — art. 19
2014-12-23
Gemeentewet — art. 19
2014-11-29
Gemeentewet — art. 19
2014-11-22
Gemeentewet — arts. 19, 19
2014-11-01
Gemeentewet — arts. 19, 19
2014-08-01
Gemeentewet — arts. 19, 19
2014-07-19
Gemeentewet — arts. 19, 19
2014-07-01
2014-03-19
2014-01-06
Gemeentewet — art. 19
2014-01-01
Gemeentewet — art. 19
2013-12-14
Gemeentewet — art. 19
2013-12-01
Gemeentewet — art. 19
2013-07-01
Gemeentewet — art. 19
2013-04-25
Gemeentewet — art. 19
2013-01-01
Gemeentewet — art. 19
2012-10-01
2012-01-01
Gemeentewet — art. 19
2011-11-19
Gemeentewet — art. 19
2011-08-03
2011-07-01
Gemeentewet — art. 19
2011-02-23
2011-01-01
Gemeentewet — art. 111
2010-10-10
Gemeentewet — art. 111
2010-10-01
Gemeentewet — art. 111
2010-09-01
Gemeentewet — arts. 111, 3
2010-04-01
Gemeentewet — art. 111
2010-03-10
Gemeentewet — art. 111
2010-02-27
Gemeentewet — art. 111
2010-01-01
Gemeentewet — art. 111
2009-07-01
Gemeentewet — art. 111
2009-04-15
Gemeentewet — art. 111
2009-01-14
Gemeentewet — art. 111
2009-01-01
Gemeentewet — art. 111
2008-12-19
Gemeentewet — art. 111
2008-09-01
Gemeentewet — art. 111
2008-08-01
Gemeentewet — art. 111
2008-07-11
Gemeentewet — art. 111
2008-07-01
Gemeentewet — arts. 111, 111
2008-06-28
Gemeentewet — arts. 111, 111
2008-02-01
Gemeentewet — arts. 111, 111
2008-01-01
Gemeentewet — arts. 111, 111
2007-12-29
Gemeentewet — arts. 111, 111, 111
2007-09-01
Gemeentewet — arts. 111, 111
2007-07-01
Gemeentewet — arts. 111, 111, 3
2007-06-01
Gemeentewet — arts. 111, 111
2007-04-06
Gemeentewet — arts. 111, 111
2007-01-01
Gemeentewet — arts. 111, 111
2006-10-11
Gemeentewet — arts. 111, 111
2006-10-01
Gemeentewet — arts. 111, 111, 3

Wijzigingen op 2006-10-01

@@ -12,7 +12,7 @@
1. In deze wet wordt verstaan onder het aantal inwoners van een gemeente: het aantal inwoners volgens de door het Centraal Bureau voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfers per 1 januari.
2. Voor de vaststelling van het inwonertal, bedoeld in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2006-07-01&g=2006-07-01), geldt als peildatum 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar van de verkiezing van de raad. Het Centraal Bureau voor de Statistiek kan op schriftelijk verzoek van de raad het inwonertal per de eerste dag van de vierde maand voorafgaande aan de maand van de kandidaatstelling vaststellen, indien aannemelijk is dat een in dat artikel genoemd inwonertal op genoemde datum is overschreden. In dat geval geldt dit tijdstip als peildatum.
2. Voor de vaststelling van het inwonertal, bedoeld in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2006-10-01&g=2006-10-01), geldt als peildatum 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar van de verkiezing van de raad. Het Centraal Bureau voor de Statistiek kan op schriftelijk verzoek van de raad het inwonertal per de eerste dag van de vierde maand voorafgaande aan de maand van de kandidaatstelling vaststellen, indien aannemelijk is dat een in dat artikel genoemd inwonertal op genoemde datum is overschreden. In dat geval geldt dit tijdstip als peildatum.
##### Artikel 2
@@ -108,7 +108,7 @@
##### Artikel 11
Ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats is niet benoembaar tot lid van de raad hij die na de laatstgehouden periodieke verkiezing van de leden van de raad wegens handelen in strijd met [artikel 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=15&z=2006-07-01&g=2006-07-01) van het lidmaatschap van de raad is vervallen verklaard.
Ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats is niet benoembaar tot lid van de raad hij die na de laatstgehouden periodieke verkiezing van de leden van de raad wegens handelen in strijd met [artikel 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=15&z=2006-10-01&g=2006-10-01) van het lidmaatschap van de raad is vervallen verklaard.
##### Artikel 12
@@ -146,7 +146,7 @@
- m. lid van de rekenkamer;
- n. ombudsman of lid van de ombudscommissie als bedoeld in [artikel 81p, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVc&paragraaf=1&artikel=81p&z=2006-07-01&g=2006-07-01);
- n. ombudsman of lid van de ombudscommissie als bedoeld in [artikel 81p, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVc&paragraaf=1&artikel=81p&z=2006-10-01&g=2006-10-01);
- o. lid van een deelraad;
@@ -156,7 +156,7 @@
2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder l, kan een lid van de raad tevens wethouder zijn van de gemeente waar hij lid van de raad is gedurende het tijdvak dat:
- a. aanvangt op de dag van de stemming voor de verkiezing van de leden van de raad en eindigt op het tijdstip waarop de wethouders ingevolge [artikel 42, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=III&artikel=42&z=2006-07-01&g=2006-07-01), aftreden, of
- a. aanvangt op de dag van de stemming voor de verkiezing van de leden van de raad en eindigt op het tijdstip waarop de wethouders ingevolge [artikel 42, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=III&artikel=42&z=2006-10-01&g=2006-10-01), aftreden, of
- b. aanvangt op het tijdstip van zijn benoeming tot wethouder en eindigt op het tijdstip waarop de goedkeuring van de geloofsbrief van zijn opvolger als lid van de raad onherroepelijk is geworden of waarop het centraal stembureau heeft beslist dat geen opvolger kan worden benoemd. Hij wordt geacht ontslag te nemen als lid van de raad met ingang van het tijdstip waarop hij zijn benoeming tot wethouder aanvaardt. [Artikel X 6 van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=X_6) is van overeenkomstige toepassing.
@@ -246,7 +246,7 @@
1. De burgemeester roept de leden schriftelijk tot de vergadering op.
2. Tegelijkertijd met de oproeping brengt de burgemeester dag, tijdstip en plaats van de vergadering ter openbare kennis. De agenda en de daarbij behorende voorstellen met uitzondering van de in [artikel 25, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=25&z=2006-07-01&g=2006-07-01), bedoelde stukken worden tegelijkertijd met de oproeping en op een bij de openbare kennisgeving aan te geven wijze ter inzage gelegd.
2. Tegelijkertijd met de oproeping brengt de burgemeester dag, tijdstip en plaats van de vergadering ter openbare kennis. De agenda en de daarbij behorende voorstellen met uitzondering van de in [artikel 25, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=25&z=2006-10-01&g=2006-10-01), bedoelde stukken worden tegelijkertijd met de oproeping en op een bij de openbare kennisgeving aan te geven wijze ter inzage gelegd.
##### Artikel 20
@@ -276,7 +276,7 @@
4. Van een vergadering met gesloten deuren wordt een afzonderlijk verslag opgemaakt, dat niet openbaar wordt gemaakt tenzij de raad anders beslist.
5. De raad maakt de besluitenlijst van zijn vergaderingen op de in de gemeente gebruikelijke wijze openbaar. De raad laat de openbaarmaking achterwege voor zover het aangelegenheden betreft ten aanzien waarvan op grond van [artikel 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=25&z=2006-07-01&g=2006-07-01) geheimhouding is opgelegd of ten aanzien waarvan openbaarmaking in strijd is met het openbaar belang.
5. De raad maakt de besluitenlijst van zijn vergaderingen op de in de gemeente gebruikelijke wijze openbaar. De raad laat de openbaarmaking achterwege voor zover het aangelegenheden betreft ten aanzien waarvan op grond van [artikel 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=25&z=2006-10-01&g=2006-10-01) geheimhouding is opgelegd of ten aanzien waarvan openbaarmaking in strijd is met het openbaar belang.
##### Artikel 24
@@ -334,7 +334,7 @@
- a. ingeval opnieuw wordt gestemd over een voorstel of over een benoeming, voordracht of aanbeveling van een of meer personen ten aanzien van wie in een vorige vergadering een stemming op grond van dat lid niet geldig was;
- b. in een vergadering als bedoeld in [artikel 20, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=20&z=2006-07-01&g=2006-07-01), voor zover het betreft onderwerpen die in de daaraan voorafgaande, ingevolge [artikel 20, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=20&z=2006-07-01&g=2006-07-01), niet geopende vergadering aan de orde waren gesteld.
- b. in een vergadering als bedoeld in [artikel 20, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=20&z=2006-10-01&g=2006-10-01), voor zover het betreft onderwerpen die in de daaraan voorafgaande, ingevolge [artikel 20, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=20&z=2006-10-01&g=2006-10-01), niet geopende vergadering aan de orde waren gesteld.
##### Artikel 30
@@ -400,7 +400,7 @@
##### Artikel 36a
1. Voor het wethouderschap gelden de vereisten voor het lidmaatschap van de raad, bedoeld in [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=10&z=2006-07-01&g=2006-07-01), met dien verstande dat in [artikel 10, tweede lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=10&z=2006-07-01&g=2006-07-01), voor «de dag waarop de gemeenteraad beslist over de toelating als lid tot de gemeenteraad» gelezen wordt: de dag waarop zij tot wethouder worden benoemd.
1. Voor het wethouderschap gelden de vereisten voor het lidmaatschap van de raad, bedoeld in [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=10&z=2006-10-01&g=2006-10-01), met dien verstande dat in [artikel 10, tweede lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=10&z=2006-10-01&g=2006-10-01), voor «de dag waarop de gemeenteraad beslist over de toelating als lid tot de gemeenteraad» gelezen wordt: de dag waarop zij tot wethouder worden benoemd.
2. De raad kan voor de duur van ten hoogste een jaar ontheffing verlenen van het vereiste van ingezetenschap.
@@ -438,7 +438,7 @@
- n. lid van de rekenkamer;
- o. ombudsman of lid van de ombudscommissie als bedoeld in [artikel 81p, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVc&paragraaf=1&artikel=81p&z=2006-07-01&g=2006-07-01);
- o. ombudsman of lid van de ombudscommissie als bedoeld in [artikel 81p, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVc&paragraaf=1&artikel=81p&z=2006-10-01&g=2006-10-01);
- p. lid van een deelraad;
@@ -452,7 +452,7 @@
2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder l, kan een wethouder tevens lid zijn van de raad van de gemeente waar hij wethouder is gedurende het tijdvak dat:
- a. aanvangt op de dag van de stemming voor de verkiezing van de leden van de raad en eindigt op het tijdstip waarop de wethouders ingevolge [artikel 42, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=III&artikel=42&z=2006-07-01&g=2006-07-01), aftreden, of
- a. aanvangt op de dag van de stemming voor de verkiezing van de leden van de raad en eindigt op het tijdstip waarop de wethouders ingevolge [artikel 42, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=III&artikel=42&z=2006-10-01&g=2006-10-01), aftreden, of
- b. aanvangt op het tijdstip van zijn benoeming tot wethouder en eindigt op het tijdstip waarop de goedkeuring van de geloofsbrief van zijn opvolger als lid van de raad onherroepelijk is geworden of waarop het centraal stembureau heeft beslist dat geen opvolger kan worden benoemd. Hij wordt geacht ontslag te nemen als lid van de raad met ingang van het tijdstip waarop hij zijn benoeming tot wethouder aanvaardt. [Artikel X 6 van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=X_6) is van overeenkomstige toepassing.
@@ -470,7 +470,7 @@
##### Artikel 38
In het geval van [artikel 37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=III&artikel=37&z=2006-07-01&g=2006-07-01) gaat de benoeming van degene die zijn benoeming tot wethouder heeft aangenomen, in op het tijdstip waarop ten minste de helft van het met inachtneming van [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=III&artikel=36&z=2006-07-01&g=2006-07-01) bepaalde aantal wethouders zijn benoeming heeft aangenomen of, indien de aanneming van de benoeming op een later tijdstip plaatsvindt, op dat tijdstip.
In het geval van [artikel 37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=III&artikel=37&z=2006-10-01&g=2006-10-01) gaat de benoeming van degene die zijn benoeming tot wethouder heeft aangenomen, in op het tijdstip waarop ten minste de helft van het met inachtneming van [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=III&artikel=36&z=2006-10-01&g=2006-10-01) bepaalde aantal wethouders zijn benoeming heeft aangenomen of, indien de aanneming van de benoeming op een later tijdstip plaatsvindt, op dat tijdstip.
##### Artikel 39
@@ -516,19 +516,19 @@
2. Een wethouder meldt zijn voornemen tot aanvaarding van een nevenfunctie aan de raad.
3. [Artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=12&z=2006-07-01&g=2006-07-01) is van overeenkomstige toepassing op de wethouders.
3. [Artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=12&z=2006-10-01&g=2006-10-01) is van overeenkomstige toepassing op de wethouders.
##### Artikel 41c
1. [Artikel 15, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=15&z=2006-07-01&g=2006-07-01), is van overeenkomstige toepassing op de wethouders.
1. [Artikel 15, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=15&z=2006-10-01&g=2006-10-01), is van overeenkomstige toepassing op de wethouders.
2. De raad stelt voor de wethouders een gedragscode vast.
##### Artikel 42
1. Na de verkiezing van de leden van de raad treden de wethouders af op het moment dat de raad ten minste de helft van het met inachtneming van [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=III&artikel=36&z=2006-07-01&g=2006-07-01) bepaalde aantal wethouders heeft benoemd en deze benoemingen zijn aangenomen.
2. Indien zoveel wethouders hun ontslag indienen of worden ontslagen dat niet ten minste de helft van het met inachtneming van [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=III&artikel=36&z=2006-07-01&g=2006-07-01) bepaalde aantal wethouders in functie is, treedt de burgemeester in de plaats van het college totdat dit wel het geval is.
1. Na de verkiezing van de leden van de raad treden de wethouders af op het moment dat de raad ten minste de helft van het met inachtneming van [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=III&artikel=36&z=2006-10-01&g=2006-10-01) bepaalde aantal wethouders heeft benoemd en deze benoemingen zijn aangenomen.
2. Indien zoveel wethouders hun ontslag indienen of worden ontslagen dat niet ten minste de helft van het met inachtneming van [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=III&artikel=36&z=2006-10-01&g=2006-10-01) bepaalde aantal wethouders in functie is, treedt de burgemeester in de plaats van het college totdat dit wel het geval is.
##### Artikel 43
@@ -554,7 +554,7 @@
##### Artikel 46
1. Indien degene wiens benoeming tot wethouder is ingegaan, een functie bekleedt als bedoeld in [artikel 36b, eerste lid, en het tweede of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=III&artikel=36b&z=2006-07-01&g=2006-07-01) van dat artikel niet van toepassing zijn, draagt hij er onverwijld zorg voor dat hij uit die functie wordt ontheven.
1. Indien degene wiens benoeming tot wethouder is ingegaan, een functie bekleedt als bedoeld in [artikel 36b, eerste lid, en het tweede of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=III&artikel=36b&z=2006-10-01&g=2006-10-01) van dat artikel niet van toepassing zijn, draagt hij er onverwijld zorg voor dat hij uit die functie wordt ontheven.
2. De raad verleent hem ontslag indien hij dit nalaat.
@@ -564,9 +564,9 @@
##### Artikel 47
1. Indien een wethouder niet langer voldoet aan de vereisten voor het wethouderschap, bedoeld in [artikel 36a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=III&artikel=36a&z=2006-07-01&g=2006-07-01), eerste en tweede lid, of een functie gaat bekleden als bedoeld in [artikel 36b, eerste lid, en het tweede of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=III&artikel=36b&z=2006-07-01&g=2006-07-01) van dat artikel niet van toepassing zijn, neemt hij onmiddellijk ontslag. Hij doet hiervan schriftelijk mededeling aan de raad.
2. [Artikel 46, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=III&artikel=46&z=2006-07-01&g=2006-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
1. Indien een wethouder niet langer voldoet aan de vereisten voor het wethouderschap, bedoeld in [artikel 36a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=III&artikel=36a&z=2006-10-01&g=2006-10-01), eerste en tweede lid, of een functie gaat bekleden als bedoeld in [artikel 36b, eerste lid, en het tweede of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=III&artikel=36b&z=2006-10-01&g=2006-10-01) van dat artikel niet van toepassing zijn, neemt hij onmiddellijk ontslag. Hij doet hiervan schriftelijk mededeling aan de raad.
2. [Artikel 46, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=III&artikel=46&z=2006-10-01&g=2006-10-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 48
@@ -630,7 +630,7 @@
##### Artikel 58
De [artikelen 28, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=28&z=2006-07-01&g=2006-07-01), [29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=29&z=2006-07-01&g=2006-07-01) en [30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=30&z=2006-07-01&g=2006-07-01) zijn ten aanzien van de vergaderingen van het college van overeenkomstige toepassing.
De [artikelen 28, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=28&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=29&z=2006-10-01&g=2006-10-01) en [30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=30&z=2006-10-01&g=2006-10-01) zijn ten aanzien van de vergaderingen van het college van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 59
@@ -644,7 +644,7 @@
2. Het college laat de kennisgeving of terinzagelegging achterwege voor zover deze in strijd is met het openbaar belang.
3. Het college maakt de besluitenlijst van zijn vergaderingen op de in de gemeente gebruikelijke wijze openbaar. Het college laat de openbaarmaking achterwege voor zover het aangelegenheden betreft ten aanzien waarvan op grond van [artikel 55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=III&artikel=55&z=2006-07-01&g=2006-07-01) geheimhouding is opgelegd of ten aanzien waarvan openbaarmaking in strijd is met het openbaar belang.
3. Het college maakt de besluitenlijst van zijn vergaderingen op de in de gemeente gebruikelijke wijze openbaar. Het college laat de openbaarmaking achterwege voor zover het aangelegenheden betreft ten aanzien waarvan op grond van [artikel 55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=III&artikel=55&z=2006-10-01&g=2006-10-01) geheimhouding is opgelegd of ten aanzien waarvan openbaarmaking in strijd is met het openbaar belang.
### Hoofdstuk IV. De burgemeester
@@ -658,7 +658,7 @@
4. De vertrouwenscommissie verschaft zich door tussenkomst van de commissaris de door haar nodig geachte informatie over de kandidaten. Bestuursorganen zijn verplicht de gevraagde informatie te verstrekken. De vertrouwenscommissie brengt verslag uit van haar bevindingen aan de raad en aan de commissaris.
5. De raad zendt Onze Minister binnen vier maanden nadat de gelegenheid tot sollicitatie voor de functie is gegeven, of, indien in overeenstemming met de in [artikel 61e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IV&artikel=61e&z=2006-07-01&g=2006-07-01) genoemde eisen een raadplegend referendum ten behoeve van de aanbeveling inzake de benoeming is gehouden, binnen een maand nadat het raadplegend referendum is gehouden, een aanbeveling inzake de benoeming. Deze aanbeveling omvat twee personen.
5. De raad zendt Onze Minister binnen vier maanden nadat de gelegenheid tot sollicitatie voor de functie is gegeven, of, indien in overeenstemming met de in [artikel 61e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IV&artikel=61e&z=2006-10-01&g=2006-10-01) genoemde eisen een raadplegend referendum ten behoeve van de aanbeveling inzake de benoeming is gehouden, binnen een maand nadat het raadplegend referendum is gehouden, een aanbeveling inzake de benoeming. Deze aanbeveling omvat twee personen.
6. In een bijzonder, door de raad te motiveren geval, kan worden volstaan met een aanbeveling waarop één persoon vermeld staat. Onze Minister slaat geen acht op een enkelvoudige aanbeveling, indien naar zijn oordeel geen sprake is van een bijzonder geval.
@@ -694,21 +694,21 @@
##### Artikel 61c
1. De beraadslagingen, bedoeld in de [artikelen 61, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IV&artikel=61&z=2006-07-01&g=2006-07-01), [61a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IV&artikel=61a&z=2006-07-01&g=2006-07-01), en [61b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IV&artikel=61b&z=2006-07-01&g=2006-07-01), vinden plaats met gesloten deuren. Van deze beraadslagingen wordt een afzonderlijk verslag opgemaakt dat niet openbaar wordt gemaakt.
1. De beraadslagingen, bedoeld in de [artikelen 61, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IV&artikel=61&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [61a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IV&artikel=61a&z=2006-10-01&g=2006-10-01), en [61b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IV&artikel=61b&z=2006-10-01&g=2006-10-01), vinden plaats met gesloten deuren. Van deze beraadslagingen wordt een afzonderlijk verslag opgemaakt dat niet openbaar wordt gemaakt.
2. Ten aanzien van de beraadslagingen en de stukken die aan de raad worden gezonden dan wel die door de raad aan Onze Minister worden gezonden geldt een geheimhoudingsplicht.
3. De aanbevelingen van de raad, bedoeld in [artikel 61, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IV&artikel=61&z=2006-07-01&g=2006-07-01), [61a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IV&artikel=61a&z=2006-07-01&g=2006-07-01), en [61b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IV&artikel=61b&z=2006-07-01&g=2006-07-01), zijn openbaar met dien verstande dat ten aanzien van de aanbeveling inzake de benoeming, bedoeld in [artikel 61, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IV&artikel=61&z=2006-07-01&g=2006-07-01), de openbaarheid uitsluitend de als eerste aanbevolen persoon geldt, tenzij een raadplegend referendum is gehouden.
3. De aanbevelingen van de raad, bedoeld in [artikel 61, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IV&artikel=61&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [61a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IV&artikel=61a&z=2006-10-01&g=2006-10-01), en [61b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IV&artikel=61b&z=2006-10-01&g=2006-10-01), zijn openbaar met dien verstande dat ten aanzien van de aanbeveling inzake de benoeming, bedoeld in [artikel 61, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IV&artikel=61&z=2006-10-01&g=2006-10-01), de openbaarheid uitsluitend de als eerste aanbevolen persoon geldt, tenzij een raadplegend referendum is gehouden.
##### Artikel 61d
1. De commissaris verricht de werkzaamheden, genoemd in de [artikelen 61](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IV&artikel=61&z=2006-07-01&g=2006-07-01), [61a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IV&artikel=61a&z=2006-07-01&g=2006-07-01) en [61b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IV&artikel=61b&z=2006-07-01&g=2006-07-01), volgens een door de regering gegeven ambtsinstructie.
1. De commissaris verricht de werkzaamheden, genoemd in de [artikelen 61](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IV&artikel=61&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [61a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IV&artikel=61a&z=2006-10-01&g=2006-10-01) en [61b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IV&artikel=61b&z=2006-10-01&g=2006-10-01), volgens een door de regering gegeven ambtsinstructie.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de bij benoeming, herbenoeming en ontslag van de burgemeester te volgen procedure.
##### Artikel 61e
De raad betrekt de uitslag van het in [artikel 61, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IV&artikel=61&z=2006-07-01&g=2006-07-01), bedoelde referendum bij de vaststelling van zijn aanbeveling inzake de benoeming, indien het referendum overeenkomstig de volgende eisen is gehouden:
De raad betrekt de uitslag van het in [artikel 61, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IV&artikel=61&z=2006-10-01&g=2006-10-01), bedoelde referendum bij de vaststelling van zijn aanbeveling inzake de benoeming, indien het referendum overeenkomstig de volgende eisen is gehouden:
- a. Gerechtigd tot deelname aan het referendum zijn zij die kiesgerechtigd zijn voor de verkiezing van de leden van de raad en op de dag waarop het referendum gehouden wordt de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt.
@@ -808,7 +808,7 @@
- n. lid van de rekenkamer;
- o. ombudsman of lid van de ombudscommissie als bedoeld in [artikel 81p, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVc&paragraaf=1&artikel=81p&z=2006-07-01&g=2006-07-01);
- o. ombudsman of lid van de ombudscommissie als bedoeld in [artikel 81p, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVc&paragraaf=1&artikel=81p&z=2006-10-01&g=2006-10-01);
- p. lid van een deelraad;
@@ -824,7 +824,7 @@
##### Artikel 69
1. [Artikel 15, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=15&z=2006-07-01&g=2006-07-01), is van overeenkomstige toepassing op de burgemeester met dien verstande dat de ontheffing, bedoeld in het tweede lid van dat artikel, wordt verleend door de commissaris van de Koning.
1. [Artikel 15, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=15&z=2006-10-01&g=2006-10-01), is van overeenkomstige toepassing op de burgemeester met dien verstande dat de ontheffing, bedoeld in het tweede lid van dat artikel, wordt verleend door de commissaris van de Koning.
2. De raad stelt voor de burgemeester een gedragscode vast.
@@ -886,9 +886,9 @@
##### Artikel 78
1. Indien de commissaris van de Koning het in het belang van de gemeente nodig oordeelt, voorziet hij in afwijking van [artikel 77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IV&artikel=77&z=2006-07-01&g=2006-07-01) in de waarneming. Alvorens daartoe over te gaan hoort hij de raad, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten.
2. Hij die door de commissaris met de waarneming van het ambt van burgemeester is belast, legt in handen van de commissaris een overeenkomstig [artikel 65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IV&artikel=65&z=2006-07-01&g=2006-07-01) luidende eed (verklaring en belofte) af.
1. Indien de commissaris van de Koning het in het belang van de gemeente nodig oordeelt, voorziet hij in afwijking van [artikel 77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IV&artikel=77&z=2006-10-01&g=2006-10-01) in de waarneming. Alvorens daartoe over te gaan hoort hij de raad, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten.
2. Hij die door de commissaris met de waarneming van het ambt van burgemeester is belast, legt in handen van de commissaris een overeenkomstig [artikel 65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IV&artikel=65&z=2006-10-01&g=2006-10-01) luidende eed (verklaring en belofte) af.
##### Artikel 79
@@ -896,7 +896,7 @@
##### Artikel 80
Ten aanzien van degene die met de waarneming van het ambt van burgemeester is belast, zijn de [artikelen 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IV&artikel=68&z=2006-07-01&g=2006-07-01) en [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IV&artikel=69&z=2006-07-01&g=2006-07-01) van overeenkomstige toepassing.
Ten aanzien van degene die met de waarneming van het ambt van burgemeester is belast, zijn de [artikelen 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IV&artikel=68&z=2006-10-01&g=2006-10-01) en [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IV&artikel=69&z=2006-10-01&g=2006-10-01) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 81
@@ -918,7 +918,7 @@
4. Een lid van de raad is voorzitter van een raadscommissie.
5. De [artikelen 19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=19&z=2006-07-01&g=2006-07-01), [21, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=21&z=2006-07-01&g=2006-07-01), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=22&z=2006-07-01&g=2006-07-01) en [23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=23&z=2006-07-01&g=2006-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing op een vergadering van een raadscommissie, met dien verstande dat in [artikel 19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=19&z=2006-07-01&g=2006-07-01), voor «de burgemeester» wordt gelezen «de voorzitter van een raadscommissie», in [artikel 21, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=21&z=2006-07-01&g=2006-07-01), voor «Een wethouder» wordt gelezen «De burgemeester of een wethouder» en in [artikel 23, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=23&z=2006-07-01&g=2006-07-01), voor «[artikel 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=25&z=2006-07-01&g=2006-07-01)» wordt gelezen «[artikel 86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=V&paragraaf=1&artikel=86&z=2006-07-01&g=2006-07-01)».
5. De [artikelen 19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=19&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [21, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=21&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=22&z=2006-10-01&g=2006-10-01) en [23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=23&z=2006-10-01&g=2006-10-01) zijn van overeenkomstige toepassing op een vergadering van een raadscommissie, met dien verstande dat in [artikel 19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=19&z=2006-10-01&g=2006-10-01), voor «de burgemeester» wordt gelezen «de voorzitter van een raadscommissie», in [artikel 21, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=21&z=2006-10-01&g=2006-10-01), voor «Een wethouder» wordt gelezen «De burgemeester of een wethouder» en in [artikel 23, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=23&z=2006-10-01&g=2006-10-01), voor «[artikel 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=25&z=2006-10-01&g=2006-10-01)» wordt gelezen «[artikel 86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=V&paragraaf=1&artikel=86&z=2006-10-01&g=2006-10-01)».
##### Artikel 83
@@ -926,21 +926,21 @@
2. De burgemeester en de wethouders zijn geen lid van een door de raad ingestelde bestuurscommissie. Leden van de raad zijn geen lid van een door het college of de burgemeester ingestelde bestuurscommissie.
3. De [artikelen 139, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=139&z=2006-07-01&g=2006-07-01), [140](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=140&z=2006-07-01&g=2006-07-01) en [141](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=141&z=2006-07-01&g=2006-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing op een besluit tot instelling van een bestuurscommissie.
4. De [artikelen 19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=19&z=2006-07-01&g=2006-07-01), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=22&z=2006-07-01&g=2006-07-01) en [23, eerste tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=23&z=2006-07-01&g=2006-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de vergadering van een door de raad ingestelde bestuurscommissie, met dien verstande dat in [artikel 19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=19&z=2006-07-01&g=2006-07-01), voor «de burgemeester» wordt gelezen: de voorzitter van een bestuurscommissie.
3. De [artikelen 139, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=139&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [140](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=140&z=2006-10-01&g=2006-10-01) en [141](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=141&z=2006-10-01&g=2006-10-01) zijn van overeenkomstige toepassing op een besluit tot instelling van een bestuurscommissie.
4. De [artikelen 19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=19&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=22&z=2006-10-01&g=2006-10-01) en [23, eerste tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=23&z=2006-10-01&g=2006-10-01) zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de vergadering van een door de raad ingestelde bestuurscommissie, met dien verstande dat in [artikel 19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=19&z=2006-10-01&g=2006-10-01), voor «de burgemeester» wordt gelezen: de voorzitter van een bestuurscommissie.
5. Voor zover zulks in verband met de aard en omvang van de overgedragen bevoegdheden nodig is, regelt het college of de burgemeester de openbaarheid van vergaderingen van een door hem ingestelde bestuurscommissie.
##### Artikel 84
1. De raad, het college of de burgemeester kan andere commissies dan bedoeld in de [artikelen 82, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=V&paragraaf=1&artikel=82&z=2006-07-01&g=2006-07-01), en [83, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=V&paragraaf=1&artikel=83&z=2006-07-01&g=2006-07-01), instellen.
2. [Artikel 83, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=V&paragraaf=1&artikel=83&z=2006-07-01&g=2006-07-01), is van overeenkomstige toepassing op een andere commissie, met uitzondering van een commissie die is ingesteld om te adviseren over de beslissing op ingediende bezwaarschriften en een commissie belast met de behandeling van en de advisering over klachten.
1. De raad, het college of de burgemeester kan andere commissies dan bedoeld in de [artikelen 82, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=V&paragraaf=1&artikel=82&z=2006-10-01&g=2006-10-01), en [83, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=V&paragraaf=1&artikel=83&z=2006-10-01&g=2006-10-01), instellen.
2. [Artikel 83, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=V&paragraaf=1&artikel=83&z=2006-10-01&g=2006-10-01), is van overeenkomstige toepassing op een andere commissie, met uitzondering van een commissie die is ingesteld om te adviseren over de beslissing op ingediende bezwaarschriften en een commissie belast met de behandeling van en de advisering over klachten.
3. De raad, het college onderscheidenlijk de burgemeester regelt ten aanzien van een door hem ingestelde andere commissie de openbaarheid van de vergaderingen.
4. De [artikelen 139, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=139&z=2006-07-01&g=2006-07-01), [140](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=140&z=2006-07-01&g=2006-07-01) en [141](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=141&z=2006-07-01&g=2006-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing op een besluit tot instelling van een andere commissie.
4. De [artikelen 139, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=139&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [140](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=140&z=2006-10-01&g=2006-10-01) en [141](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=141&z=2006-10-01&g=2006-10-01) zijn van overeenkomstige toepassing op een besluit tot instelling van een andere commissie.
##### Artikel 85
@@ -974,13 +974,13 @@
6. In de verordening wordt de verkiezing van de leden van de deelraad zoveel mogelijk geregeld overeenkomstig de bepalingen van de [Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627) voor de verkiezing van de leden van de gemeenteraad. De [artikelen Z 1 tot en met Z 11 van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Z_1) zijn op de verkiezing van overeenkomstige toepassing.
7. De [artikelen 139, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=139&z=2006-07-01&g=2006-07-01), [140](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=140&z=2006-07-01&g=2006-07-01) en [141](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=141&z=2006-07-01&g=2006-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing op de verordening.
7. De [artikelen 139, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=139&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [140](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=140&z=2006-10-01&g=2006-10-01) en [141](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=141&z=2006-10-01&g=2006-10-01) zijn van overeenkomstige toepassing op de verordening.
##### Artikel 87a
1. De raad, het college of de burgemeester kan besluiten en andere, niet-schriftelijke, beslissingen gericht op enig rechtsgevolg van een deelraad, een dagelijks bestuur van een deelgemeente, onderscheidenlijk een voorzitter van het dagelijks bestuur, vernietigen. De raad kan zijn bevoegdheid tot schorsing overdragen aan het college. Ten aanzien van de vernietiging van niet-schriftelijke beslissingen van een deelraad of een dagelijks bestuur gericht op enig rechtsgevolg zijn de [afdelingen 10.2.2.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.2.2) en [10.2.3. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.2.3) van overeenkomstige toepassing.
2. De in [artikel 87, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=V&paragraaf=2&artikel=87&z=2006-07-01&g=2006-07-01), bedoelde verordening bevat een regeling over het overig toezicht op de uitoefening van de bevoegdheden door een deelraad of het dagelijks bestuur van een deelgemeente. Dit overig toezicht kan de goedkeuring van de raad of het college bevatten van beslissingen van een deelraad, onderscheidenlijk dagelijks bestuur. De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. Ten aanzien van de goedkeuring van andere beslissingen dan besluiten is [afdeling 10.2.1. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.2.1) van overeenkomstige toepassing.
2. De in [artikel 87, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=V&paragraaf=2&artikel=87&z=2006-10-01&g=2006-10-01), bedoelde verordening bevat een regeling over het overig toezicht op de uitoefening van de bevoegdheden door een deelraad of het dagelijks bestuur van een deelgemeente. Dit overig toezicht kan de goedkeuring van de raad of het college bevatten van beslissingen van een deelraad, onderscheidenlijk dagelijks bestuur. De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. Ten aanzien van de goedkeuring van andere beslissingen dan besluiten is [afdeling 10.2.1. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.2.1) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 88
@@ -1020,7 +1020,7 @@
- o. lid van de rekenkamer;
- p. ombudsman of lid van de ombudscommissie als bedoeld in [artikel 81p, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVc&paragraaf=1&artikel=81p&z=2006-07-01&g=2006-07-01);
- p. ombudsman of lid van de ombudscommissie als bedoeld in [artikel 81p, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVc&paragraaf=1&artikel=81p&z=2006-10-01&g=2006-10-01);
- q. lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente;
@@ -1036,7 +1036,7 @@
- d. ambtenaar werkzaam voor een school voor openbaar onderwijs.
3. In de in [artikel 87, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=V&paragraaf=2&artikel=87&z=2006-07-01&g=2006-07-01), bedoelde verordening kan worden bepaald dat in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder q, een lid van een deelraad tevens lid van het dagelijks bestuur van de betrokken deelgemeente kan zijn gedurende het tijdvak dat:
3. In de in [artikel 87, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=V&paragraaf=2&artikel=87&z=2006-10-01&g=2006-10-01), bedoelde verordening kan worden bepaald dat in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder q, een lid van een deelraad tevens lid van het dagelijks bestuur van de betrokken deelgemeente kan zijn gedurende het tijdvak dat:
- a. aanvangt op de dag van de stemming voor de verkiezing van de leden van de deelraad en eindigt op het tijdstip waarop de leden van het dagelijks bestuur van een deelgemeente aftreden, of
@@ -1076,7 +1076,7 @@
- o. lid van de rekenkamer;
- p. ombudsman of lid van de ombudscommissie als bedoeld in [artikel 81p, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVc&paragraaf=1&artikel=81p&z=2006-07-01&g=2006-07-01);
- p. ombudsman of lid van de ombudscommissie als bedoeld in [artikel 81p, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVc&paragraaf=1&artikel=81p&z=2006-10-01&g=2006-10-01);
- q. lid van een deelraad;
@@ -1092,23 +1092,23 @@
- d. ambtenaar werkzaam voor een school voor openbaar onderwijs.
3. In de in [artikel 87, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=V&paragraaf=2&artikel=87&z=2006-07-01&g=2006-07-01), bedoelde verordening kan worden bepaald dat in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder q, een lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente tevens lid van een deelraad van de betrokken deelgemeente kan zijn gedurende het tijdvak dat:
3. In de in [artikel 87, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=V&paragraaf=2&artikel=87&z=2006-10-01&g=2006-10-01), bedoelde verordening kan worden bepaald dat in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder q, een lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente tevens lid van een deelraad van de betrokken deelgemeente kan zijn gedurende het tijdvak dat:
- a. aanvangt op de dag van de stemming voor de verkiezing van de leden van de deelraad en eindigt op het tijdstip waarop de leden van het dagelijks bestuur van een deelgemeente aftreden, of
- b. aanvangt op het tijdstip van zijn benoeming tot lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente en eindigt op het tijdstip waarop zijn opvolger als lid van de deelraad de eed of de verklaring en belofte heeft afgelegd of waarop vaststaat dat geen opvolger kan worden benoemd. In dat geval bepaalt de verordening tevens dat hij geacht wordt ontslag te nemen als lid van de deelraad met ingang van het tijdstip waarop hij zijn benoeming tot lid van het dagelijks bestuur aanvaardt en dat [artikel X 6 van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=X_6) van overeenkomstige toepassing is.
4. [Artikel 36a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=III&artikel=36a&z=2006-07-01&g=2006-07-01) is van overeenkomstige toepassing op de leden van het dagelijks bestuur van een deelgemeente.
4. [Artikel 36a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=III&artikel=36a&z=2006-10-01&g=2006-10-01) is van overeenkomstige toepassing op de leden van het dagelijks bestuur van een deelgemeente.
##### Artikel 91
De [artikelen 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=12&z=2006-07-01&g=2006-07-01), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=14&z=2006-07-01&g=2006-07-01), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=15&z=2006-07-01&g=2006-07-01), [41a tot en met 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=III&artikel=42&z=2006-07-01&g=2006-07-01) en [53a tot en met 60](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=III&artikel=54&z=2006-07-01&g=2006-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing op het deelgemeentebestuur, met dien verstande dat in [artikel 15, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=15&z=2006-07-01&g=2006-07-01), voor «gemeente» zowel de gemeente als de deelgemeente wordt gelezen en voor «gemeentebestuur» zowel het gemeentebestuur als het deelgemeentebestuur.
De [artikelen 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=12&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=14&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=15&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [41a tot en met 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=III&artikel=42&z=2006-10-01&g=2006-10-01) en [53a tot en met 60](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=III&artikel=54&z=2006-10-01&g=2006-10-01) zijn van overeenkomstige toepassing op het deelgemeentebestuur, met dien verstande dat in [artikel 15, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=15&z=2006-10-01&g=2006-10-01), voor «gemeente» zowel de gemeente als de deelgemeente wordt gelezen en voor «gemeentebestuur» zowel het gemeentebestuur als het deelgemeentebestuur.
##### Artikel 92
1. Een deelraad brengt dag, tijdstip en plaats van zijn vergadering ter openbare kennis. De agenda en de daarbij horende voorstellen, met uitzondering van de in [artikel 86, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=V&paragraaf=1&artikel=86&z=2006-07-01&g=2006-07-01), bedoelde stukken, worden gelijktijdig met de oproeping voor de vergadering en op een bij de openbare kennisgeving aan te geven wijze ter inzage gelegd.
2. De [artikelen 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=22&z=2006-07-01&g=2006-07-01), [23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=23&z=2006-07-01&g=2006-07-01), [24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=24&z=2006-07-01&g=2006-07-01) en [86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=V&paragraaf=1&artikel=86&z=2006-07-01&g=2006-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing op een deelraad.
1. Een deelraad brengt dag, tijdstip en plaats van zijn vergadering ter openbare kennis. De agenda en de daarbij horende voorstellen, met uitzondering van de in [artikel 86, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=V&paragraaf=1&artikel=86&z=2006-10-01&g=2006-10-01), bedoelde stukken, worden gelijktijdig met de oproeping voor de vergadering en op een bij de openbare kennisgeving aan te geven wijze ter inzage gelegd.
2. De [artikelen 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=22&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=23&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=24&z=2006-10-01&g=2006-10-01) en [86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=V&paragraaf=1&artikel=86&z=2006-10-01&g=2006-10-01) zijn van overeenkomstige toepassing op een deelraad.
##### Artikel 93
@@ -1126,7 +1126,7 @@
2. De raad kan bij verordening regels stellen over de tegemoetkoming in of vergoeding van bijzondere kosten en over andere financiële voorzieningen die verband houden met de vervulling van het lidmaatschap van de raad of de deelraad.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een lid van de raad of de deelraad dat met inachtneming van [artikel 13, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=13&z=2006-07-01&g=2006-07-01), onderscheidenlijk [artikel 89, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=V&paragraaf=2&artikel=89&z=2006-07-01&g=2006-07-01), tevens wethouder onderscheidenlijk lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente is.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een lid van de raad of de deelraad dat met inachtneming van [artikel 13, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=13&z=2006-10-01&g=2006-10-01), onderscheidenlijk [artikel 89, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=V&paragraaf=2&artikel=89&z=2006-10-01&g=2006-10-01), tevens wethouder onderscheidenlijk lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente is.
4. De verordeningen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden vastgesteld overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels.
@@ -1138,17 +1138,17 @@
- b. van reis- en verblijfkosten in verband met reizen binnen de gemeente.
2. In bijzondere gevallen kan de raad bij verordening bepalen dat de leden van het dagelijks bestuur van een bestuurscommissie of een andere commissie als bedoeld in [artikel 84](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=V&paragraaf=1&artikel=84&z=2006-07-01&g=2006-07-01) een vaste vergoeding voor hun werkzaamheden en een tegemoetkoming in de kosten ontvangen.
2. In bijzondere gevallen kan de raad bij verordening bepalen dat de leden van het dagelijks bestuur van een bestuurscommissie of een andere commissie als bedoeld in [artikel 84](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=V&paragraaf=1&artikel=84&z=2006-10-01&g=2006-10-01) een vaste vergoeding voor hun werkzaamheden en een tegemoetkoming in de kosten ontvangen.
3. Ten aanzien van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld. Ten aanzien van de overige vergoedingen bedoeld in dit artikel kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld.
##### Artikel 97
Aan de leden van de raad en de personen genoemd in [artikel 96, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=VI&artikel=96&z=2006-07-01&g=2006-07-01), vindt vergoeding van reis- en verblijfkosten, gemaakt in verband met reizen buiten het grondgebied van de gemeente ter uitvoering van een beslissing van het gemeentebestuur, slechts plaats overeenkomstig door de raad bij verordening vastgestelde regels.
Aan de leden van de raad en de personen genoemd in [artikel 96, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=VI&artikel=96&z=2006-10-01&g=2006-10-01), vindt vergoeding van reis- en verblijfkosten, gemaakt in verband met reizen buiten het grondgebied van de gemeente ter uitvoering van een beslissing van het gemeentebestuur, slechts plaats overeenkomstig door de raad bij verordening vastgestelde regels.
##### Artikel 98
De verordeningen bedoeld in de [artikelen 95 tot en met 97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=VI&artikel=95&z=2006-07-01&g=2006-07-01) worden aan gedeputeerde staten gezonden.
De verordeningen bedoeld in de [artikelen 95 tot en met 97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=VI&artikel=95&z=2006-10-01&g=2006-10-01) worden aan gedeputeerde staten gezonden.
##### Artikel 99
@@ -1166,7 +1166,7 @@
##### Artikel 101
[Artikel 15, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=15&z=2006-07-01&g=2006-07-01), is van overeenkomstige toepassing op de secretaris en de griffier.
[Artikel 15, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=15&z=2006-10-01&g=2006-10-01), is van overeenkomstige toepassing op de secretaris en de griffier.
##### Artikel 102
@@ -1190,7 +1190,7 @@
1. Het college regelt de vervanging van de secretaris.
2. De [artikelen 100, tweede lid, tot en met 105](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=VII&paragraaf=1&artikel=100&z=2006-07-01&g=2006-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing op degene die de secretaris vervangt.
2. De [artikelen 100, tweede lid, tot en met 105](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=VII&paragraaf=1&artikel=100&z=2006-10-01&g=2006-10-01) zijn van overeenkomstige toepassing op degene die de secretaris vervangt.
##### Artikel 107
@@ -1208,7 +1208,7 @@
2. Regeling en bestuur kunnen van het gemeentebestuur worden gevorderd bij of krachtens een andere dan deze wet ter verzekering van de uitvoering daarvan, met dien verstande dat het geven van aanwijzingen aan het gemeentebestuur en het aan het gemeentebestuur opleggen of in zijn plaats vaststellen van beslissingen, slechts kan geschieden indien de bevoegdheid daartoe bij de wet of krachtens de wet bij provinciale verordening is toegekend.
3. Onverminderd het bepaalde in de [artikelen 110, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=1&artikel=110&z=2006-07-01&g=2006-07-01), [119, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=2&artikel=119&z=2006-07-01&g=2006-07-01) en [120, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=2&artikel=120&z=2006-07-01&g=2006-07-01), worden de kosten, verbonden aan de uitvoering van het tweede lid, voor zover zij ten laste van de betrokken gemeenten blijven, door het Rijk aan hen vergoed.
3. Onverminderd het bepaalde in de [artikelen 110, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=1&artikel=110&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [119, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=2&artikel=119&z=2006-10-01&g=2006-10-01) en [120, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=2&artikel=120&z=2006-10-01&g=2006-10-01), worden de kosten, verbonden aan de uitvoering van het tweede lid, voor zover zij ten laste van de betrokken gemeenten blijven, door het Rijk aan hen vergoed.
##### Artikel 109
@@ -1230,29 +1230,29 @@
5. Het vaststellen van een plan of een beleidsverslag en het ter voorbereiding daarvan volgen van de voorgeschreven procedure wordt van een gemeentebestuur niet gevorderd of gevraagd, dan nadat is aangegeven hoe de financiële gevolgen ervan voor de gemeente worden gecompenseerd.
6. Dit artikel is niet van toepassing op de begroting, bedoeld in [artikel 190](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=1&artikel=190&z=2006-07-01&g=2006-07-01), en op de jaarrekening en het jaarverslag, bedoeld in [artikel 197](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=2&artikel=197&z=2006-07-01&g=2006-07-01).
6. Dit artikel is niet van toepassing op de begroting, bedoeld in [artikel 190](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=1&artikel=190&z=2006-10-01&g=2006-10-01), en op de jaarrekening en het jaarverslag, bedoeld in [artikel 197](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=2&artikel=197&z=2006-10-01&g=2006-10-01).
##### Artikel 111
1. Het vaststellen van een plan of een beleidsverslag als bedoeld in [artikel 110](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=1&artikel=110&z=2006-07-01&g=2006-07-01) en het ter voorbereiding daarvan volgen van een voorgeschreven procedure wordt alleen gevorderd, indien:
1. Het vaststellen van een plan of een beleidsverslag als bedoeld in [artikel 110](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=1&artikel=110&z=2006-10-01&g=2006-10-01) en het ter voorbereiding daarvan volgen van een voorgeschreven procedure wordt alleen gevorderd, indien:
- a. dit noodzakelijk is uit een oogpunt van afstemming tussen gemeentelijk beleid en het beleid van de betrokken provincie of het Rijk, of
- b. de ontwikkeling van beleid op een nieuw beleidsterrein dit noodzakelijk maakt.
2. Het vaststellen van een plan of een beleidsverslag als bedoeld in [artikel 110](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=1&artikel=110&z=2006-07-01&g=2006-07-01) en het ter voorbereiding daarvan volgen van een voorgeschreven procedure wordt niet gevorderd, indien:
2. Het vaststellen van een plan of een beleidsverslag als bedoeld in [artikel 110](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=1&artikel=110&z=2006-10-01&g=2006-10-01) en het ter voorbereiding daarvan volgen van een voorgeschreven procedure wordt niet gevorderd, indien:
- a. het gemeentebestuur daardoor ontoelaatbaar beperkt wordt in zijn inhoudelijke of financiële beleidsruimte;
- b. de bestuurslasten niet in redelijke verhouding staan tot de te verwachten baten of een aanzienlijk beslag leggen op de voor het betrokken beleidsterrein beschikbare middelen;
- c. integratie met een bestaand plan of een bestaand beleidsverslag dan wel met de begroting, bedoeld in [artikel 190](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=1&artikel=190&z=2006-07-01&g=2006-07-01), of de jaarrekening en het jaarverslag, bedoeld in [artikel 197](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=2&artikel=197&z=2006-07-01&g=2006-07-01), mogelijk is;
- c. integratie met een bestaand plan of een bestaand beleidsverslag dan wel met de begroting, bedoeld in [artikel 190](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=1&artikel=190&z=2006-10-01&g=2006-10-01), of de jaarrekening en het jaarverslag, bedoeld in [artikel 197](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=2&artikel=197&z=2006-10-01&g=2006-10-01), mogelijk is;
- d. het bevorderen van de samenhang in het gemeentelijk beleid door onderlinge afstemming van onderdelen daarvan onmogelijk wordt;
- e. het uitsluitend dient tot het verkrijgen van informatie.
3. Indien in een voorstel van wet tot invoering of wijziging van bepalingen waarbij het vaststellen van een plan of een beleidsverslag als bedoeld in [artikel 110](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=1&artikel=110&z=2006-07-01&g=2006-07-01) en het ter voorbereiding daarvan volgen van een voorgeschreven procedure wordt gevorderd, wordt afgeweken van het bepaalde bij of krachtens [artikel 110](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=1&artikel=110&z=2006-07-01&g=2006-07-01) en dit artikel, wordt die afwijking gemotiveerd in de bij het voorstel behorende toelichting.
3. Indien in een voorstel van wet tot invoering of wijziging van bepalingen waarbij het vaststellen van een plan of een beleidsverslag als bedoeld in [artikel 110](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=1&artikel=110&z=2006-10-01&g=2006-10-01) en het ter voorbereiding daarvan volgen van een voorgeschreven procedure wordt gevorderd, wordt afgeweken van het bepaalde bij of krachtens [artikel 110](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=1&artikel=110&z=2006-10-01&g=2006-10-01) en dit artikel, wordt die afwijking gemotiveerd in de bij het voorstel behorende toelichting.
#### Paragraaf 1. Commissies
@@ -1392,7 +1392,7 @@
##### Artikel 135
1. In geval van toepassing van [artikel 124](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=3&artikel=124&z=2006-07-01&g=2006-07-01) kunnen gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de commissaris van de Koning bestuursdwang toepassen namens het gemeentebestuur en ten laste van de gemeente.
1. In geval van toepassing van [artikel 124](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=3&artikel=124&z=2006-10-01&g=2006-10-01) kunnen gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de commissaris van de Koning bestuursdwang toepassen namens het gemeentebestuur en ten laste van de gemeente.
2. De gemeente heeft in dat geval voor het bedrag van de te haren laste gebrachte kosten verhaal op de overtreder.
@@ -1426,7 +1426,7 @@
##### Artikel 141
Een ieder kan op zijn verzoek een afschrift verkrijgen van de besluiten van het gemeentebestuur die ingevolge [artikel 140](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=140&z=2006-07-01&g=2006-07-01) ter inzage liggen.
Een ieder kan op zijn verzoek een afschrift verkrijgen van de besluiten van het gemeentebestuur die ingevolge [artikel 140](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=140&z=2006-10-01&g=2006-10-01) ter inzage liggen.
##### Artikel 142
@@ -1434,11 +1434,11 @@
##### Artikel 143
Een besluit als bedoeld in [artikel 139](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=139&z=2006-07-01&g=2006-07-01) op overtreding waarvan straf is gesteld, wordt na de bekendmaking medegedeeld aan het parket van het arrondissement waarin de gemeente is gelegen.
Een besluit als bedoeld in [artikel 139](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=139&z=2006-10-01&g=2006-10-01) op overtreding waarvan straf is gesteld, wordt na de bekendmaking medegedeeld aan het parket van het arrondissement waarin de gemeente is gelegen.
##### Artikel 144
Met betrekking tot de intrekking van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden, is het bepaalde in de [artikelen 139](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=139&z=2006-07-01&g=2006-07-01), [142](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=142&z=2006-07-01&g=2006-07-01) en [143](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=143&z=2006-07-01&g=2006-07-01) van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de mededeling aan het arrondissementsparket geschiedt binnen een week.
Met betrekking tot de intrekking van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden, is het bepaalde in de [artikelen 139](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=139&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [142](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=142&z=2006-10-01&g=2006-10-01) en [143](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=143&z=2006-10-01&g=2006-10-01) van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de mededeling aan het arrondissementsparket geschiedt binnen een week.
#### § 6. Termijnen
@@ -1472,7 +1472,7 @@
1. Een lid van de raad kan een voorstel tot wijziging van een voor de vergadering van de raad geagendeerde ontwerp-verordening of ontwerp-beslissing indienen.
2. Het [tweede lid van artikel 147a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=IX&artikel=147a&z=2006-07-01&g=2006-07-01) is van overeenkomstige toepassing.
2. Het [tweede lid van artikel 147a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=IX&artikel=147a&z=2006-10-01&g=2006-10-01) is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 148
@@ -1514,9 +1514,9 @@
##### Artikel 154
1. De raad kan op overtreding van zijn verordeningen en van die van organen waaraan ingevolge [artikel 156](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=IX&artikel=156&z=2006-07-01&g=2006-07-01) verordenende bevoegdheid is gedelegeerd, straf stellen maar geen andere of zwaardere dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.
2. Op de krachtens het eerste lid strafbaar gestelde overtreding van voorschriften met betrekking tot het plaatsen of laten staan van motorrijtuigen op parkeerterreinen of weggedeelten bedoeld in [artikel 225](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=3&artikel=225&z=2006-07-01&g=2006-07-01) zijn de [artikelen 181](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=181) en [182 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=182) van overeenkomstige toepassing.
1. De raad kan op overtreding van zijn verordeningen en van die van organen waaraan ingevolge [artikel 156](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=IX&artikel=156&z=2006-10-01&g=2006-10-01) verordenende bevoegdheid is gedelegeerd, straf stellen maar geen andere of zwaardere dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.
2. Op de krachtens het eerste lid strafbaar gestelde overtreding van voorschriften met betrekking tot het plaatsen of laten staan van motorrijtuigen op parkeerterreinen of weggedeelten bedoeld in [artikel 225](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=3&artikel=225&z=2006-10-01&g=2006-10-01) zijn de [artikelen 181](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=181) en [182 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=182) van overeenkomstige toepassing.
3. De gedragingen die zijn omschreven in de bijlage, bedoeld in [artikel 2 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&artikel=2) (**Stb.** 1989, 300), zijn niet strafbaar, tenzij daarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan zaken is toegebracht.
@@ -1528,7 +1528,7 @@
2. De burgemeester oefent de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, slechts uit:
- a. jegens personen die een door de raad bij verordening vastgesteld en daartoe aangewezen specifiek voorschrift dat strekt tot handhaving van de openbare orde of beperking van gevaar in omstandigheden als bedoeld in [artikel 175](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=XI&artikel=175&z=2006-07-01&g=2006-07-01), groepsgewijs niet naleven, en
- a. jegens personen die een door de raad bij verordening vastgesteld en daartoe aangewezen specifiek voorschrift dat strekt tot handhaving van de openbare orde of beperking van gevaar in omstandigheden als bedoeld in [artikel 175](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=XI&artikel=175&z=2006-10-01&g=2006-10-01), groepsgewijs niet naleven, en
- b. indien het ophouden noodzakelijk is ter voorkoming van voortzetting of herhaling van de niet-naleving en de naleving redelijkerwijs niet op andere geschikte wijze kan worden verzekerd.
@@ -1566,7 +1566,7 @@
1. Een lid van de raad kan het college of de burgemeester mondeling of schriftelijk vragen stellen.
2. Een lid van de raad kan de raad verlof vragen tot het houden van een interpellatie over een onderwerp dat niet staat vermeld op de agenda, bedoeld in [artikel 19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=19&z=2006-07-01&g=2006-07-01), om het college of de burgemeester hierover inlichtingen te vragen. De raad stelt hierover nadere regels.
2. Een lid van de raad kan de raad verlof vragen tot het houden van een interpellatie over een onderwerp dat niet staat vermeld op de agenda, bedoeld in [artikel 19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=19&z=2006-10-01&g=2006-10-01), om het college of de burgemeester hierover inlichtingen te vragen. De raad stelt hierover nadere regels.
##### Artikel 155a
@@ -1576,27 +1576,27 @@
3. Het onderzoek wordt uitgevoerd door een door de raad in te stellen onderzoekscommissie. De commissie heeft ten minste drie leden en bestaat uitsluitend uit leden van de raad.
4. De [artikelen 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=22&z=2006-07-01&g=2006-07-01), [82, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=V&paragraaf=1&artikel=82&z=2006-07-01&g=2006-07-01), en [86, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=V&paragraaf=1&artikel=86&z=2006-07-01&g=2006-07-01), zijn van overeenkomstige toepassing op de onderzoekscommissie.
4. De [artikelen 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=22&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [82, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=V&paragraaf=1&artikel=82&z=2006-10-01&g=2006-10-01), en [86, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=V&paragraaf=1&artikel=86&z=2006-10-01&g=2006-10-01), zijn van overeenkomstige toepassing op de onderzoekscommissie.
5. De onderzoekscommissie kan de bij deze wet verleende bevoegdheden uitsluitend uitoefenen, indien ten minste drie van haar leden aanwezig zijn.
6. De bevoegdheden en werkzaamheden van een onderzoekscommissie worden niet geschorst door het aftreden van de raad.
7. Op het besluit tot instelling van een onderzoek en tot instelling van een onderzoekscommissie, alsmede het besluit tot wijziging van de omschrijving van het onderwerp van een onderzoek zijn de [artikelen 139, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=139&z=2006-07-01&g=2006-07-01), [140](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=140&z=2006-07-01&g=2006-07-01) en [141](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=141&z=2006-07-01&g=2006-07-01) van overeenkomstige toepassing.
7. Op het besluit tot instelling van een onderzoek en tot instelling van een onderzoekscommissie, alsmede het besluit tot wijziging van de omschrijving van het onderwerp van een onderzoek zijn de [artikelen 139, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=139&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [140](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=140&z=2006-10-01&g=2006-10-01) en [141](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=141&z=2006-10-01&g=2006-10-01) van overeenkomstige toepassing.
8. Alvorens de raad besluit tot een onderzoek, stelt hij bij verordening nadere regels met betrekking tot deze onderzoeken. In elk geval worden daarin regels opgenomen over de wijze waarop ambtelijke bijstand wordt verleend aan de commissie.
##### Artikel 155b
1. Leden en gewezen leden van de raad, de burgemeester en gewezen burgemeesters, wethouders en gewezen wethouders, leden en gewezen leden van de door de raad of de deelraad ingestelde rekenkamer, personen die de rekenkamerfunctie uitoefenen, leden en gewezen leden van de deelraad, leden en gewezen leden van het dagelijks bestuur van een deelgemeente, leden en gewezen leden van een door de raad, het college of de burgemeester ingestelde commissie, ambtenaren en gewezen ambtenaren, door of vanwege het gemeentebestuur aangesteld of daaraan ondergeschikt, zijn verplicht te voldoen aan een vordering van de onderzoekscommissie tot het verschaffen van inzage in, het nemen van afschrift van of het anderszins laten kennisnemen van alle bescheiden waarover zij beschikken en waarvan naar het redelijk oordeel van de onderzoekscommissie inzage, afschrift of kennisneming anderszins voor het doen van een onderzoek als bedoeld in [artikel 155a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=IX&artikel=155a&z=2006-07-01&g=2006-07-01) nodig is.
1. Leden en gewezen leden van de raad, de burgemeester en gewezen burgemeesters, wethouders en gewezen wethouders, leden en gewezen leden van de door de raad of de deelraad ingestelde rekenkamer, personen die de rekenkamerfunctie uitoefenen, leden en gewezen leden van de deelraad, leden en gewezen leden van het dagelijks bestuur van een deelgemeente, leden en gewezen leden van een door de raad, het college of de burgemeester ingestelde commissie, ambtenaren en gewezen ambtenaren, door of vanwege het gemeentebestuur aangesteld of daaraan ondergeschikt, zijn verplicht te voldoen aan een vordering van de onderzoekscommissie tot het verschaffen van inzage in, het nemen van afschrift van of het anderszins laten kennisnemen van alle bescheiden waarover zij beschikken en waarvan naar het redelijk oordeel van de onderzoekscommissie inzage, afschrift of kennisneming anderszins voor het doen van een onderzoek als bedoeld in [artikel 155a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=IX&artikel=155a&z=2006-10-01&g=2006-10-01) nodig is.
2. Indien een vordering als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op bescheiden die afkomstig zijn van een instelling van de Europese Unie of van het Rijk en kennisneming van die bescheiden door de onderzoekscommissie het belang van de Europese Unie of de Staat kan schaden, wordt niet dan met toestemming van Onze Minister aan de vordering voldaan.
3. Ambtenaren, door of vanwege het gemeentebestuur aangesteld of daaraan ondergeschikt, zijn gehouden om aan een onderzoek als bedoeld in [artikel 155a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=IX&artikel=155a&z=2006-07-01&g=2006-07-01) alle door de onderzoekscommissie gevorderde medewerking te verlenen.
3. Ambtenaren, door of vanwege het gemeentebestuur aangesteld of daaraan ondergeschikt, zijn gehouden om aan een onderzoek als bedoeld in [artikel 155a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=IX&artikel=155a&z=2006-10-01&g=2006-10-01) alle door de onderzoekscommissie gevorderde medewerking te verlenen.
##### Artikel 155c
1. Personen als bedoeld in [artikel 155b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=IX&artikel=155b&z=2006-07-01&g=2006-07-01), zijn verplicht te voldoen aan een oproep van de onderzoekscommissie om als getuige of deskundige te worden gehoord.
1. Personen als bedoeld in [artikel 155b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=IX&artikel=155b&z=2006-10-01&g=2006-10-01), zijn verplicht te voldoen aan een oproep van de onderzoekscommissie om als getuige of deskundige te worden gehoord.
2. Een getuige of deskundige die door de onderzoekscommissie wordt gehoord, is niet tevens lid van de onderzoekscommissie.
@@ -1628,7 +1628,7 @@
2. Zij die uit hoofde van hun ambt, beroep of betrekking tot geheimhouding verplicht zijn, kunnen zich verschonen getuigenis af te leggen, doch uitsluitend met betrekking tot hetgeen waarvan de wetenschap aan hen als zodanig is toevertrouwd. Zij kunnen inzage, afschrift of kennisneming anderszins weigeren van bescheiden of gedeelten daarvan tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt.
3. De burgemeester en gewezen burgemeesters, wethouders en gewezen wethouders, leden en gewezen leden van het dagelijks bestuur van een deelgemeente, leden en gewezen leden van een door het college of de burgemeester ingestelde commissie, ambtenaren en gewezen ambtenaren, door of vanwege het college aangesteld of daaraan ondergeschikt, zijn niet verplicht aan [artikel 155b, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=IX&artikel=155b&z=2006-07-01&g=2006-07-01), en [artikel 155c, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=IX&artikel=155c&z=2006-07-01&g=2006-07-01), te voldoen, indien het verstrekken van de inlichtingen in strijd is met het openbaar belang.
3. De burgemeester en gewezen burgemeesters, wethouders en gewezen wethouders, leden en gewezen leden van het dagelijks bestuur van een deelgemeente, leden en gewezen leden van een door het college of de burgemeester ingestelde commissie, ambtenaren en gewezen ambtenaren, door of vanwege het college aangesteld of daaraan ondergeschikt, zijn niet verplicht aan [artikel 155b, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=IX&artikel=155b&z=2006-10-01&g=2006-10-01), en [artikel 155c, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=IX&artikel=155c&z=2006-10-01&g=2006-10-01), te voldoen, indien het verstrekken van de inlichtingen in strijd is met het openbaar belang.
4. De onderzoekscommissie kan verlangen dat een beroep als bedoeld in het derde lid op strijd met het openbaar belang wordt bevestigd door het college, of, voor zover de inlichtingen betrekking hebben op het door de burgemeester gevoerde bestuur, door de burgemeester.
@@ -1642,31 +1642,31 @@
2. De raad kan in ieder geval niet overdragen de bevoegdheid tot:
- a. de instelling van een rekenkamer, bedoeld in [artikel 81a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVa&paragraaf=1&artikel=81a&z=2006-07-01&g=2006-07-01), of het bij verordening stellen van regels voor de uitoefening van de rekenkamerfunctie, bedoeld in [artikel 81oa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVb&artikel=81oa&z=2006-07-01&g=2006-07-01);
- b. de instelling van een onderzoek, bedoeld in [artikel 155a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=IX&artikel=155a&z=2006-07-01&g=2006-07-01);
- c. de vaststelling of wijziging van de begroting, bedoeld in [artikel 189](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=1&artikel=189&z=2006-07-01&g=2006-07-01);
- d. de vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in [artikel 198](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=2&artikel=198&z=2006-07-01&g=2006-07-01);
- a. de instelling van een rekenkamer, bedoeld in [artikel 81a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVa&paragraaf=1&artikel=81a&z=2006-10-01&g=2006-10-01), of het bij verordening stellen van regels voor de uitoefening van de rekenkamerfunctie, bedoeld in [artikel 81oa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVb&artikel=81oa&z=2006-10-01&g=2006-10-01);
- b. de instelling van een onderzoek, bedoeld in [artikel 155a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=IX&artikel=155a&z=2006-10-01&g=2006-10-01);
- c. de vaststelling of wijziging van de begroting, bedoeld in [artikel 189](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=1&artikel=189&z=2006-10-01&g=2006-10-01);
- d. de vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in [artikel 198](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=2&artikel=198&z=2006-10-01&g=2006-10-01);
- e. het stellen van straf op overtreding van de gemeentelijke verordeningen;
- f. de vaststelling van de verordeningen, bedoeld in de [artikelen 212, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIV&artikel=212&z=2006-07-01&g=2006-07-01), [213, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIV&artikel=213&z=2006-07-01&g=2006-07-01), en [213a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIV&artikel=213a&z=2006-07-01&g=2006-07-01);
- g. de aanwijzing van een of meer accountants, bedoeld in [artikel 213, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIV&artikel=213&z=2006-07-01&g=2006-07-01);
- h. de heffing van andere belastingen dan de belastingen, genoemd in [artikel 225](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=3&artikel=225&z=2006-07-01&g=2006-07-01), de precariobelasting, de rechten, genoemd in [artikel 229](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=3&artikel=229&z=2006-07-01&g=2006-07-01), de rechten waarvan de heffing geschiedt krachtens andere wetten dan deze wet en de heffing, bedoeld in [artikel 15.33 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.33).
- f. de vaststelling van de verordeningen, bedoeld in de [artikelen 212, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIV&artikel=212&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [213, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIV&artikel=213&z=2006-10-01&g=2006-10-01), en [213a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIV&artikel=213a&z=2006-10-01&g=2006-10-01);
- g. de aanwijzing van een of meer accountants, bedoeld in [artikel 213, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIV&artikel=213&z=2006-10-01&g=2006-10-01);
- h. de heffing van andere belastingen dan de belastingen, genoemd in [artikel 225](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=3&artikel=225&z=2006-10-01&g=2006-10-01), de precariobelasting, de rechten, genoemd in [artikel 229](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=3&artikel=229&z=2006-10-01&g=2006-10-01), de rechten waarvan de heffing geschiedt krachtens andere wetten dan deze wet en de heffing, bedoeld in [artikel 15.33 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.33).
3. De bevoegdheid tot het vaststellen van verordeningen, door strafbepaling of bestuursdwang te handhaven, kan de raad slechts overdragen voor zover het betreft de vaststelling van nadere regels met betrekking tot bepaalde door hem in zijn verordeningen aangewezen onderwerpen.
4. De [artikelen 139, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=139&z=2006-07-01&g=2006-07-01), [140](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=140&z=2006-07-01&g=2006-07-01) en [141](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=141&z=2006-07-01&g=2006-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing op een besluit dat wordt genomen op grond van het eerste lid.
4. De [artikelen 139, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=139&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [140](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=140&z=2006-10-01&g=2006-10-01) en [141](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=141&z=2006-10-01&g=2006-10-01) zijn van overeenkomstige toepassing op een besluit dat wordt genomen op grond van het eerste lid.
5. Het tweede lid, aanhef en onder a, e en f, en het derde lid zijn niet van toepassing op de overdracht van bevoegdheden aan een deelraad.
##### Artikel 157
1. De voorschriften met betrekking tot de bevoegdheid van de raad, de uitoefening daarvan en het toezicht daarop zijn ten aanzien van de ingevolge [artikel 156](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=IX&artikel=156&z=2006-07-01&g=2006-07-01) overgedragen bevoegdheden van overeenkomstige toepassing.
1. De voorschriften met betrekking tot de bevoegdheid van de raad, de uitoefening daarvan en het toezicht daarop zijn ten aanzien van de ingevolge [artikel 156](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=IX&artikel=156&z=2006-10-01&g=2006-10-01) overgedragen bevoegdheden van overeenkomstige toepassing.
2. Onder de in het eerste lid bedoelde voorschriften zijn niet begrepen die betreffende vergaderingen.
@@ -1730,7 +1730,7 @@
1. Het college kan aan een door hem ingestelde bestuurscommissie en aan het dagelijks bestuur van een deelgemeente bevoegdheden overdragen, tenzij de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet.
2. De [artikelen 139, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=139&z=2006-07-01&g=2006-07-01), [140](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=140&z=2006-07-01&g=2006-07-01) en [141](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=141&z=2006-07-01&g=2006-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing op een besluit dat wordt genomen op grond van het eerste lid.
2. De [artikelen 139, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=139&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [140](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=140&z=2006-10-01&g=2006-10-01) en [141](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=141&z=2006-10-01&g=2006-10-01) zijn van overeenkomstige toepassing op een besluit dat wordt genomen op grond van het eerste lid.
3. Het college neemt geen besluit op grond van het eerste lid dan nadat de raad een ontwerp-besluit is toegezonden en in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen.
@@ -1740,7 +1740,7 @@
##### Artikel 167
1. De voorschriften met betrekking tot de bevoegdheid van het college, de uitoefening daarvan en het toezicht daarop, zijn ten aanzien van de ingevolge [artikel 165](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=X&artikel=165&z=2006-07-01&g=2006-07-01) overgedragen bevoegdheden van overeenkomstige toepassing.
1. De voorschriften met betrekking tot de bevoegdheid van het college, de uitoefening daarvan en het toezicht daarop, zijn ten aanzien van de ingevolge [artikel 165](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=X&artikel=165&z=2006-10-01&g=2006-10-01) overgedragen bevoegdheden van overeenkomstige toepassing.
2. Onder de in het eerste lid bedoelde voorschriften zijn niet begrepen die betreffende vergaderingen.
@@ -1760,9 +1760,9 @@
3. Zij geven de raad mondeling of schriftelijk de door een of meer leden gevraagde inlichtingen, tenzij het verstrekken ervan in strijd is met het openbaar belang.
4. Zij geven de raad vooraf inlichtingen over de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in [artikel 160, eerste lid, onder e, f, g en h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=X&artikel=160&z=2006-07-01&g=2006-07-01), indien de raad daarom verzoekt of indien de uitoefening ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente. In het laatste geval neemt het college geen besluit dan nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen.
5. Indien de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 160, eerste lid, onder f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=X&artikel=160&z=2006-07-01&g=2006-07-01), geen uitstel kan lijden, geven zij in afwijking van het vierde lid de raad zo spoedig mogelijk inlichtingen over de uitoefening van deze bevoegdheid en het terzake genomen besluit.
4. Zij geven de raad vooraf inlichtingen over de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in [artikel 160, eerste lid, onder e, f, g en h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=X&artikel=160&z=2006-10-01&g=2006-10-01), indien de raad daarom verzoekt of indien de uitoefening ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente. In het laatste geval neemt het college geen besluit dan nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen.
5. Indien de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 160, eerste lid, onder f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=X&artikel=160&z=2006-10-01&g=2006-10-01), geen uitstel kan lijden, geven zij in afwijking van het vierde lid de raad zo spoedig mogelijk inlichtingen over de uitoefening van deze bevoegdheid en het terzake genomen besluit.
### Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van de burgemeester
@@ -1780,7 +1780,7 @@
- e. een zorgvuldige behandeling van klachten door het gemeentebestuur.
2. De burgemeester brengt tegelijk met de in [artikel 197](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=2&artikel=197&z=2006-07-01&g=2006-07-01) bedoelde stukken een burgerjaarverslag uit, waarin hij in ieder geval rapporteert over:
2. De burgemeester brengt tegelijk met de in [artikel 197](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=2&artikel=197&z=2006-10-01&g=2006-10-01) bedoelde stukken een burgerjaarverslag uit, waarin hij in ieder geval rapporteert over:
- a. de kwaliteit van de gemeentelijke dienstverlening;
@@ -1838,7 +1838,7 @@
##### Artikel 176
1. Wanneer een omstandigheid als bedoeld in [artikel 175, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=XI&artikel=175&z=2006-07-01&g=2006-07-01), zich voordoet, kan de burgemeester algemeen verbindende voorschriften geven die ter handhaving van de openbare orde of ter beperking van gevaar nodig zijn. Daarbij kan van andere dan bij de [Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840) gestelde voorschriften worden afgeweken. Hij maakt deze voorschriften bekend op een door hem te bepalen wijze.
1. Wanneer een omstandigheid als bedoeld in [artikel 175, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=XI&artikel=175&z=2006-10-01&g=2006-10-01), zich voordoet, kan de burgemeester algemeen verbindende voorschriften geven die ter handhaving van de openbare orde of ter beperking van gevaar nodig zijn. Daarbij kan van andere dan bij de [Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840) gestelde voorschriften worden afgeweken. Hij maakt deze voorschriften bekend op een door hem te bepalen wijze.
2. De burgemeester brengt de voorschriften zo spoedig mogelijk ter kennis van de raad, van de commissaris van de Koning en van de officier van justitie, hoofd van het arrondissementsparket.
@@ -1850,7 +1850,7 @@
6. De commissaris kan de werking van de voorschriften opschorten zolang zij niet bekrachtigd zijn. Het opschorten stuit onmiddellijk de werking van de voorschriften.
7. Zodra een omstandigheid als bedoeld in [artikel 175, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=XI&artikel=175&z=2006-07-01&g=2006-07-01), zich niet langer voordoet, trekt de burgemeester de voorschriften in. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
7. Zodra een omstandigheid als bedoeld in [artikel 175, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=XI&artikel=175&z=2006-10-01&g=2006-10-01), zich niet langer voordoet, trekt de burgemeester de voorschriften in. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 176a
@@ -1858,31 +1858,31 @@
2. De burgemeester oefent de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, slechts uit:
- a. jegens personen die door hem daartoe aangewezen specifieke onderdelen van een bevel als bedoeld in [artikel 175](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=XI&artikel=175&z=2006-07-01&g=2006-07-01) of van een algemeen verbindend voorschrift als bedoeld in [artikel 176](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=XI&artikel=176&z=2006-07-01&g=2006-07-01), groepsgewijs niet naleven, en
- a. jegens personen die door hem daartoe aangewezen specifieke onderdelen van een bevel als bedoeld in [artikel 175](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=XI&artikel=175&z=2006-10-01&g=2006-10-01) of van een algemeen verbindend voorschrift als bedoeld in [artikel 176](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=XI&artikel=176&z=2006-10-01&g=2006-10-01), groepsgewijs niet naleven, en
- b. indien het ophouden noodzakelijk is ter voorkoming van voortzetting of herhaling van de niet-naleving en de naleving redelijkerwijs niet op andere geschikte wijze kan worden verzekerd.
3. [Artikel 154a, derde tot en met veertiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=IX&artikel=154a&z=2006-07-01&g=2006-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
3. [Artikel 154a, derde tot en met veertiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=IX&artikel=154a&z=2006-10-01&g=2006-10-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 177
1. De burgemeester kan een in de gemeente dienstdoende ambtenaar van politie machtigen in zijn naam besluiten te nemen of andere handelingen te verrichten.
2. Geen machtiging wordt verleend tot het nemen van besluiten ingevolge de [artikelen 151b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=IX&artikel=151b&z=2006-07-01&g=2006-07-01), [154a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=IX&artikel=154a&z=2006-07-01&g=2006-07-01), [172](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=XI&artikel=172&z=2006-07-01&g=2006-07-01), [173](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=XI&artikel=173&z=2006-07-01&g=2006-07-01), [174, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=XI&artikel=174&z=2006-07-01&g=2006-07-01), [174a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=XI&artikel=174a&z=2006-07-01&g=2006-07-01), [175](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=XI&artikel=175&z=2006-07-01&g=2006-07-01), [176](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=XI&artikel=176&z=2006-07-01&g=2006-07-01) en [176a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=XI&artikel=176a&z=2006-07-01&g=2006-07-01) en tot uitvoering van beslissingen van de raad.
2. Geen machtiging wordt verleend tot het nemen van besluiten ingevolge de [artikelen 151b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=IX&artikel=151b&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [154a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=IX&artikel=154a&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [172](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=XI&artikel=172&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [173](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=XI&artikel=173&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [174, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=XI&artikel=174&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [174a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=XI&artikel=174a&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [175](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=XI&artikel=175&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [176](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=XI&artikel=176&z=2006-10-01&g=2006-10-01) en [176a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=XI&artikel=176a&z=2006-10-01&g=2006-10-01) en tot uitvoering van beslissingen van de raad.
##### Artikel 178
1. De burgemeester kan aan een door hem ingestelde bestuurscommissie en aan de voorzitter van het dagelijks bestuur van een deelgemeente bevoegdheden overdragen, tenzij de aard van de bevoegdheid zich tegen overdracht verzet.
2. De bevoegdheden, bedoeld in de [artikelen 151b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=IX&artikel=151b&z=2006-07-01&g=2006-07-01), [154a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=IX&artikel=154a&z=2006-07-01&g=2006-07-01) en [172 tot en met 176a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=XI&artikel=172&z=2006-07-01&g=2006-07-01), kunnen in ieder geval niet worden overgedragen.
3. Ten aanzien van een besluit dat wordt genomen op grond van het eerste lid zijn de [artikelen 139, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=139&z=2006-07-01&g=2006-07-01), [140](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=140&z=2006-07-01&g=2006-07-01) en [141](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=141&z=2006-07-01&g=2006-07-01) van overeenkomstige toepassing.
2. De bevoegdheden, bedoeld in de [artikelen 151b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=IX&artikel=151b&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [154a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=IX&artikel=154a&z=2006-10-01&g=2006-10-01) en [172 tot en met 176a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=XI&artikel=172&z=2006-10-01&g=2006-10-01), kunnen in ieder geval niet worden overgedragen.
3. Ten aanzien van een besluit dat wordt genomen op grond van het eerste lid zijn de [artikelen 139, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=139&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [140](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=140&z=2006-10-01&g=2006-10-01) en [141](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=141&z=2006-10-01&g=2006-10-01) van overeenkomstige toepassing.
4. De burgemeester neemt geen besluit op grond van het eerste lid dan nadat de raad een ontwerp-besluit is toegezonden en in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de burgemeester te brengen.
##### Artikel 179
De voorschriften met betrekking tot de bevoegdheid van de burgemeester, de uitoefening daarvan en het toezicht daarop zijn ten aanzien van de ingevolge [artikel 178](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=XI&artikel=178&z=2006-07-01&g=2006-07-01) overgedragen bevoegdheden van overeenkomstige toepassing.
De voorschriften met betrekking tot de bevoegdheid van de burgemeester, de uitoefening daarvan en het toezicht daarop zijn ten aanzien van de ingevolge [artikel 178](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=XI&artikel=178&z=2006-10-01&g=2006-10-01) overgedragen bevoegdheden van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 180
@@ -1902,7 +1902,7 @@
##### Artikel 182
1. De rekenkamer onderzoekt de doelmatigheid, de doeltreffendheid en de rechtmatigheid van het door het gemeentebestuur gevoerde bestuur. Een door de rekenkamer ingesteld onderzoek naar de rechtmatigheid van het door het gemeentebestuur gevoerde bestuur bevat geen controle van de jaarrekening als bedoeld in [artikel 213, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIV&artikel=213&z=2006-07-01&g=2006-07-01).
1. De rekenkamer onderzoekt de doelmatigheid, de doeltreffendheid en de rechtmatigheid van het door het gemeentebestuur gevoerde bestuur. Een door de rekenkamer ingesteld onderzoek naar de rechtmatigheid van het door het gemeentebestuur gevoerde bestuur bevat geen controle van de jaarrekening als bedoeld in [artikel 213, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIV&artikel=213&z=2006-10-01&g=2006-10-01).
2. Op verzoek van de raad kan de rekenkamer een onderzoek instellen.
@@ -1936,7 +1936,7 @@
3. De rekenkamer stelt elk jaar voor 1 april een verslag op van haar werkzaamheden over het voorgaande jaar.
4. De rekenkamer zendt een afschrift van haar rapporten en haar verslag aan de raad en het college. Indien zij met toepassing van [artikel 184](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=XIa&artikel=184&z=2006-07-01&g=2006-07-01) een onderzoek heeft ingesteld, zendt de rekenkamer tevens een afschrift van het rapport aan de betrokken instelling.
4. De rekenkamer zendt een afschrift van haar rapporten en haar verslag aan de raad en het college. Indien zij met toepassing van [artikel 184](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=XIa&artikel=184&z=2006-10-01&g=2006-10-01) een onderzoek heeft ingesteld, zendt de rekenkamer tevens een afschrift van het rapport aan de betrokken instelling.
5. De rapporten en de verslagen van de rekenkamer zijn openbaar.
@@ -1972,13 +1972,13 @@
2. De raad ziet erop toe dat de begroting in evenwicht is. Hiervan kan hij afwijken indien aannemelijk is dat het evenwicht in de begroting in de eerstvolgende jaren tot stand zal worden gebracht.
3. Behoudens het bepaalde in de [artikelen 208](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=3&artikel=208&z=2006-07-01&g=2006-07-01) en [209](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=3&artikel=209&z=2006-07-01&g=2006-07-01) kunnen ten laste van de gemeente slechts lasten en daarmee overeenstemmende balansmutaties worden genomen tot de bedragen die hiervoor op de begroting zijn gebracht.
3. Behoudens het bepaalde in de [artikelen 208](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=3&artikel=208&z=2006-10-01&g=2006-10-01) en [209](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=3&artikel=209&z=2006-10-01&g=2006-10-01) kunnen ten laste van de gemeente slechts lasten en daarmee overeenstemmende balansmutaties worden genomen tot de bedragen die hiervoor op de begroting zijn gebracht.
4. Het begrotingsjaar is het kalenderjaar.
##### Artikel 190
1. Het college biedt jaarlijks, tijdig voor de in [artikel 191, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=1&artikel=191&z=2006-07-01&g=2006-07-01), bedoelde vaststelling, de raad een ontwerp aan voor de begroting met toelichting van de gemeente en een meerjarenraming met toelichting voor ten minste drie op het begrotingsjaar volgende jaren.
1. Het college biedt jaarlijks, tijdig voor de in [artikel 191, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=1&artikel=191&z=2006-10-01&g=2006-10-01), bedoelde vaststelling, de raad een ontwerp aan voor de begroting met toelichting van de gemeente en een meerjarenraming met toelichting voor ten minste drie op het begrotingsjaar volgende jaren.
2. De ontwerp-begroting en de overige in het eerste lid bedoelde stukken liggen, zodra zij aan de raad zijn aangeboden, voor een ieder ter inzage en zijn algemeen verkrijgbaar. Van de terinzagelegging en de verkrijgbaarstelling wordt openbaar kennis gegeven.
@@ -1988,13 +1988,13 @@
1. De raad stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient.
2. Het college zendt de door de raad vastgestelde begroting vergezeld van de in [artikel 190, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=1&artikel=190&z=2006-07-01&g=2006-07-01), bedoelde stukken, binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 november van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten.
2. Het college zendt de door de raad vastgestelde begroting vergezeld van de in [artikel 190, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=1&artikel=190&z=2006-10-01&g=2006-10-01), bedoelde stukken, binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 november van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten.
##### Artikel 192
1. Besluiten tot wijziging van de begroting kunnen tot uiterlijk het eind van het desbetreffende begrotingsjaar worden genomen.
2. De [artikelen 190, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=1&artikel=190&z=2006-07-01&g=2006-07-01), en [191, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=1&artikel=191&z=2006-07-01&g=2006-07-01), alsmede, behoudens in gevallen van dringende spoed, het bepaalde in [artikel 190, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=1&artikel=190&z=2006-07-01&g=2006-07-01), zijn van overeenkomstige toepassing.
2. De [artikelen 190, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=1&artikel=190&z=2006-10-01&g=2006-10-01), en [191, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=1&artikel=191&z=2006-10-01&g=2006-10-01), alsmede, behoudens in gevallen van dringende spoed, het bepaalde in [artikel 190, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=1&artikel=190&z=2006-10-01&g=2006-10-01), zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 193
@@ -2026,9 +2026,9 @@
1. Het college legt aan de raad over elk begrotingsjaar verantwoording af over het door hem gevoerde bestuur, onder overlegging van de jaarrekening en het jaarverslag.
2. Het college voegt daarbij de verslagen, bedoeld in [artikel 213a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIV&artikel=213a&z=2006-07-01&g=2006-07-01).
3. De raad legt de in het eerste en tweede lid, alsmede de in [artikel 213, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIV&artikel=213&z=2006-07-01&g=2006-07-01), bedoelde stukken, wanneer de bespreking daarvan geagendeerd is op de in [artikel 19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=19&z=2006-07-01&g=2006-07-01), bedoelde wijze, voor een ieder ter inzage en stelt ze algemeen verkrijgbaar. Van de terinzagelegging en de verkrijgbaarstelling wordt openbaar kennis gegeven. De raad beraadslaagt over de jaarrekening en het jaarverslag niet eerder dan twee weken na de openbare kennisgeving.
2. Het college voegt daarbij de verslagen, bedoeld in [artikel 213a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIV&artikel=213a&z=2006-10-01&g=2006-10-01).
3. De raad legt de in het eerste en tweede lid, alsmede de in [artikel 213, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIV&artikel=213&z=2006-10-01&g=2006-10-01), bedoelde stukken, wanneer de bespreking daarvan geagendeerd is op de in [artikel 19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=19&z=2006-10-01&g=2006-10-01), bedoelde wijze, voor een ieder ter inzage en stelt ze algemeen verkrijgbaar. Van de terinzagelegging en de verkrijgbaarstelling wordt openbaar kennis gegeven. De raad beraadslaagt over de jaarrekening en het jaarverslag niet eerder dan twee weken na de openbare kennisgeving.
##### Artikel 198
@@ -2046,11 +2046,11 @@
##### Artikel 200
Het college zendt de vastgestelde jaarrekening en het jaarverslag, vergezeld van de overige in [artikel 197](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=2&artikel=197&z=2006-07-01&g=2006-07-01) bedoelde stukken binnen twee weken na vaststelling, maar in ieder geval vóór 15 juli van het jaar, volgend op het begrotingsjaar, aan gedeputeerde staten. Het college voegt daarbij, indien van toepassing, het besluit van de raad over een voorstel voor een indemniteitsbesluit met de reactie, bedoeld in [artikel 198, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=2&artikel=198&z=2006-07-01&g=2006-07-01).
Het college zendt de vastgestelde jaarrekening en het jaarverslag, vergezeld van de overige in [artikel 197](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=2&artikel=197&z=2006-10-01&g=2006-10-01) bedoelde stukken binnen twee weken na vaststelling, maar in ieder geval vóór 15 juli van het jaar, volgend op het begrotingsjaar, aan gedeputeerde staten. Het college voegt daarbij, indien van toepassing, het besluit van de raad over een voorstel voor een indemniteitsbesluit met de reactie, bedoeld in [artikel 198, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=2&artikel=198&z=2006-10-01&g=2006-10-01).
##### Artikel 201
Indien de raad de jaarrekening dan wel een indemniteitsbesluit niet of niet naar behoren vaststelt, zendt het college de jaarrekening, vergezeld van de overige in [artikel 197](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=2&artikel=197&z=2006-07-01&g=2006-07-01) bedoelde stukken, respectievelijk het indemniteitsbesluit ter vaststelling aan gedeputeerde staten.
Indien de raad de jaarrekening dan wel een indemniteitsbesluit niet of niet naar behoren vaststelt, zendt het college de jaarrekening, vergezeld van de overige in [artikel 197](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=2&artikel=197&z=2006-10-01&g=2006-10-01) bedoelde stukken, respectievelijk het indemniteitsbesluit ter vaststelling aan gedeputeerde staten.
##### Artikel 202
@@ -2060,15 +2060,15 @@
##### Artikel 203
1. De begroting, bedoeld in [artikel 189](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=1&artikel=189&z=2006-07-01&g=2006-07-01), van het eerstvolgende begrotingsjaar alsmede de daarop betrekking hebbende begrotingswijzigingen behoeven de goedkeuring van gedeputeerde staten, indien naar hun oordeel de begroting, bedoeld in [artikel 189](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=1&artikel=189&z=2006-07-01&g=2006-07-01), niet in evenwicht is en blijkens de meerjarenraming, bedoeld in [artikel 190](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=1&artikel=190&z=2006-07-01&g=2006-07-01), niet aannemelijk is dat in de eerstvolgende jaren een evenwicht tot stand zal worden gebracht. Gedeputeerde staten doen hiervan vóór de aanvang van het begrotingsjaar mededeling aan het gemeentebestuur.
2. Gedeputeerde staten kunnen bepalen dat de begroting, bedoeld in [artikel 189](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=1&artikel=189&z=2006-07-01&g=2006-07-01), van het eerstvolgende begrotingsjaar alsmede de daarop betrekking hebbende begrotingswijzigingen hun goedkeuring behoeven, indien:
1. De begroting, bedoeld in [artikel 189](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=1&artikel=189&z=2006-10-01&g=2006-10-01), van het eerstvolgende begrotingsjaar alsmede de daarop betrekking hebbende begrotingswijzigingen behoeven de goedkeuring van gedeputeerde staten, indien naar hun oordeel de begroting, bedoeld in [artikel 189](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=1&artikel=189&z=2006-10-01&g=2006-10-01), niet in evenwicht is en blijkens de meerjarenraming, bedoeld in [artikel 190](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=1&artikel=190&z=2006-10-01&g=2006-10-01), niet aannemelijk is dat in de eerstvolgende jaren een evenwicht tot stand zal worden gebracht. Gedeputeerde staten doen hiervan vóór de aanvang van het begrotingsjaar mededeling aan het gemeentebestuur.
2. Gedeputeerde staten kunnen bepalen dat de begroting, bedoeld in [artikel 189](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=1&artikel=189&z=2006-10-01&g=2006-10-01), van het eerstvolgende begrotingsjaar alsmede de daarop betrekking hebbende begrotingswijzigingen hun goedkeuring behoeven, indien:
- a. de jaarrekening van het tweede aan het begrotingsjaar voorafgaande jaar niet in evenwicht is, of
- b. de begroting, bedoeld in [artikel 189](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=1&artikel=189&z=2006-07-01&g=2006-07-01), niet tijdig is ingezonden aan gedeputeerde staten overeenkomstig het bepaalde in [artikel 191](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=1&artikel=191&z=2006-07-01&g=2006-07-01), of
- c. de jaarrekening, bedoeld in [artikel 197, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=2&artikel=197&z=2006-07-01&g=2006-07-01), van het tweede aan het begrotingsjaar voorafgaande jaar niet tijdig is ingezonden aan gedeputeerde staten overeenkomstig het bepaalde in [artikel 200, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=2&artikel=200&z=2006-07-01&g=2006-07-01).
- b. de begroting, bedoeld in [artikel 189](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=1&artikel=189&z=2006-10-01&g=2006-10-01), niet tijdig is ingezonden aan gedeputeerde staten overeenkomstig het bepaalde in [artikel 191](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=1&artikel=191&z=2006-10-01&g=2006-10-01), of
- c. de jaarrekening, bedoeld in [artikel 197, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=2&artikel=197&z=2006-10-01&g=2006-10-01), van het tweede aan het begrotingsjaar voorafgaande jaar niet tijdig is ingezonden aan gedeputeerde staten overeenkomstig het bepaalde in [artikel 200, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=2&artikel=200&z=2006-10-01&g=2006-10-01).
3. Gedeputeerde staten maken een besluit als bedoeld in het tweede lid vóór de aanvang van het begrotingsjaar aan het gemeentebestuur bekend.
@@ -2080,7 +2080,7 @@
##### Artikel 205
1. Gedeputeerde staten stellen Onze Minister uiterlijk een maand na de aanvang van het begrotingsjaar schriftelijk en gemotiveerd in kennis van de mededelingen en besluiten, bedoeld in [artikel 203, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=3&artikel=203&z=2006-07-01&g=2006-07-01).
1. Gedeputeerde staten stellen Onze Minister uiterlijk een maand na de aanvang van het begrotingsjaar schriftelijk en gemotiveerd in kennis van de mededelingen en besluiten, bedoeld in [artikel 203, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=3&artikel=203&z=2006-10-01&g=2006-10-01).
2. Gedeputeerde staten maken bij de aanvang van het desbetreffende begrotingsjaar door publicatie in de **Staatscourant** bekend van welke gemeenten de begrotingen en begrotingswijzigingen hun goedkeuring behoeven.
@@ -2114,7 +2114,7 @@
##### Artikel 210
1. Indien de raad [artikel 209](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=3&artikel=209&z=2006-07-01&g=2006-07-01) heeft toegepast en gedeputeerde staten hun goedkeuring aan de desbetreffende begroting of begrotingswijziging onthouden, kunnen zij binnen een maand nadat hun besluit onherroepelijk is geworden, de leden van de raad die hun stem vóór het in [artikel 209](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=3&artikel=209&z=2006-07-01&g=2006-07-01) bedoelde besluit hebben uitgebracht, ieder voor een gelijk deel, persoonlijk voor deze verplichting aansprakelijk stellen tegenover de gemeente.
1. Indien de raad [artikel 209](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=3&artikel=209&z=2006-10-01&g=2006-10-01) heeft toegepast en gedeputeerde staten hun goedkeuring aan de desbetreffende begroting of begrotingswijziging onthouden, kunnen zij binnen een maand nadat hun besluit onherroepelijk is geworden, de leden van de raad die hun stem vóór het in [artikel 209](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=3&artikel=209&z=2006-10-01&g=2006-10-01) bedoelde besluit hebben uitgebracht, ieder voor een gelijk deel, persoonlijk voor deze verplichting aansprakelijk stellen tegenover de gemeente.
2. De werking van het besluit tot aansprakelijkstelling wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
@@ -2122,7 +2122,7 @@
##### Artikel 211
Indien de begroting van een gemeente ingevolge [artikel 203, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=3&artikel=203&z=2006-07-01&g=2006-07-01), is onderworpen aan goedkeuring, kunnen gedeputeerde staten bepalen dat door hen aan te wijzen beslissingen van het gemeentebestuur die financiële gevolgen voor de gemeente hebben of kunnen hebben, door het college binnen twee weken aan gedeputeerde staten worden toegezonden.
Indien de begroting van een gemeente ingevolge [artikel 203, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=3&artikel=203&z=2006-10-01&g=2006-10-01), is onderworpen aan goedkeuring, kunnen gedeputeerde staten bepalen dat door hen aan te wijzen beslissingen van het gemeentebestuur die financiële gevolgen voor de gemeente hebben of kunnen hebben, door het college binnen twee weken aan gedeputeerde staten worden toegezonden.
### Hoofdstuk XII. Algemene bepalingen
@@ -2134,7 +2134,7 @@
- a. regels voor waardering en afschrijving van activa;
- b. grondslagen voor de berekening van de door het gemeentebestuur in rekening te brengen prijzen en van tarieven voor rechten als bedoeld in [artikel 229b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=3&artikel=229b&z=2006-07-01&g=2006-07-01), alsmede, voor zover deze wordt geheven, voor de heffing bedoeld in [artikel 15.33 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.33);
- b. grondslagen voor de berekening van de door het gemeentebestuur in rekening te brengen prijzen en van tarieven voor rechten als bedoeld in [artikel 229b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=3&artikel=229b&z=2006-10-01&g=2006-10-01), alsmede, voor zover deze wordt geheven, voor de heffing bedoeld in [artikel 15.33 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.33);
- c. regels inzake de algemene doelstellingen en de te hanteren richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie, alsmede inzake de administratieve organisatie van de financieringsfunctie, daaronder begrepen taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening.
@@ -2142,7 +2142,7 @@
1. De raad stelt bij verordening regels vast voor de controle op het financiële beheer en op de inrichting van de financiële organisatie. Deze verordening waarborgt dat de rechtmatigheid van het financiële beheer en van de inrichting van de financiële organisatie wordt getoetst.
2. De raad wijst een of meer accountants aan als bedoeld in [artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=393), belast met de controle van de in [artikel 197](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=2&artikel=197&z=2006-07-01&g=2006-07-01) bedoelde jaarrekening en het daarbij verstrekken van een accountantsverklaring en het uitbrengen van een verslag van bevindingen.
2. De raad wijst een of meer accountants aan als bedoeld in [artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=393), belast met de controle van de in [artikel 197](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=2&artikel=197&z=2006-10-01&g=2006-10-01) bedoelde jaarrekening en het daarbij verstrekken van een accountantsverklaring en het uitbrengen van een verslag van bevindingen.
3. De accountantsverklaring geeft op grond van de uitgevoerde controle aan of:
@@ -2150,7 +2150,7 @@
- b. de baten en lasten, alsmede de balansmutaties rechtmatig tot stand zijn gekomen;
- c. de jaarrekening is opgesteld in overeenstemming met de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels, bedoeld in [artikel 186](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XII&artikel=186&z=2006-07-01&g=2006-07-01) en
- c. de jaarrekening is opgesteld in overeenstemming met de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels, bedoeld in [artikel 186](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XII&artikel=186&z=2006-10-01&g=2006-10-01) en
- d. het jaarverslag met de jaarrekening verenigbaar is.
@@ -2166,6 +2166,16 @@
7. Accountants als bedoeld in het tweede lid kunnen in gemeentelijke dienst worden aangesteld en worden in dat geval door de raad benoemd, geschorst en ontslagen.
8. Indien de raad op grond van het tweede lid accountants heeft aangewezen die in gemeentelijke dienst zijn aangesteld, is:
- a. het bepaalde bij en krachtens de [artikelen 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=25) en [27 van de Wet toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=27) van overeenkomstige toepassing op deze accountants;
- b. het bepaalde bij en krachtens de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=14), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=18), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=19), [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=20) en [21 van de Wet toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=21) van overeenkomstige toepassing op de gemeente; en
- c. het bepaalde bij en krachtens de [artikelen 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=15) en [16 van de Wet toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=16) van overeenkomstige toepassing op de personen die de dagelijkse leiding hebben over het onderdeel van de gemeente waarbij de in de aanhef bedoelde accountants werkzaam zijn.
9. Indien een gemeente wordt aangewezen als organisatie van openbaar belang als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Wet toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=1), zijn de [artikelen 22 tot en met 24 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=22) van overeenkomstige toepassing op deze gemeente.
##### Artikel 213a
1. Het college verricht periodiek onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het door hem gevoerde bestuur. De raad stelt bij verordening regels hierover.
@@ -2176,11 +2186,11 @@
##### Artikel 214
Het college zendt de verordeningen, bedoeld in de [artikelen 212](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIV&artikel=212&z=2006-07-01&g=2006-07-01), [213](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIV&artikel=213&z=2006-07-01&g=2006-07-01) en [213a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIV&artikel=213a&z=2006-07-01&g=2006-07-01), binnen twee weken na vaststelling door de raad aan gedeputeerde staten.
Het college zendt de verordeningen, bedoeld in de [artikelen 212](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIV&artikel=212&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [213](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIV&artikel=213&z=2006-10-01&g=2006-10-01) en [213a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIV&artikel=213a&z=2006-10-01&g=2006-10-01), binnen twee weken na vaststelling door de raad aan gedeputeerde staten.
##### Artikel 215
Gedeputeerde staten kunnen te allen tijde een onderzoek instellen naar het beheer en de inrichting van de financiële organisatie, bedoeld in [artikel 212, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIV&artikel=212&z=2006-07-01&g=2006-07-01).
Gedeputeerde staten kunnen te allen tijde een onderzoek instellen naar het beheer en de inrichting van de financiële organisatie, bedoeld in [artikel 212, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIV&artikel=212&z=2006-10-01&g=2006-10-01).
### Hoofdstuk XV. De gemeentelijke belastingen
@@ -2208,9 +2218,9 @@
##### Artikel 219
1. Behalve de gemeentelijke belastingen waarvan de heffing krachtens andere wetten dan deze geschiedt, worden geen andere belastingen geheven dan die bedoeld in de [tweede](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=2&z=2006-07-01&g=2006-07-01) en [derde paragraaf van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=3&z=2006-07-01&g=2006-07-01).
2. Behoudens het bepaalde in andere wetten dan deze en in de [tweede](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=2&z=2006-07-01&g=2006-07-01) en [derde paragraaf van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=3&z=2006-07-01&g=2006-07-01) kunnen de gemeentelijke belastingen worden geheven naar in de belastingverordening te bepalen heffingsmaatstaven, met dien verstande dat het bedrag van een gemeentelijke belasting niet afhankelijk mag worden gesteld van het inkomen, de winst of het vermogen.
1. Behalve de gemeentelijke belastingen waarvan de heffing krachtens andere wetten dan deze geschiedt, worden geen andere belastingen geheven dan die bedoeld in de [tweede](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=2&z=2006-10-01&g=2006-10-01) en [derde paragraaf van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=3&z=2006-10-01&g=2006-10-01).
2. Behoudens het bepaalde in andere wetten dan deze en in de [tweede](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=2&z=2006-10-01&g=2006-10-01) en [derde paragraaf van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=3&z=2006-10-01&g=2006-10-01) kunnen de gemeentelijke belastingen worden geheven naar in de belastingverordening te bepalen heffingsmaatstaven, met dien verstande dat het bedrag van een gemeentelijke belasting niet afhankelijk mag worden gesteld van het inkomen, de winst of het vermogen.
#### Paragraaf 2. De jaarrekening
@@ -2230,21 +2240,21 @@
##### Artikel 220b
1. Voor de toepassing van [artikel 220, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=2&artikel=220&z=2006-07-01&g=2006-07-01), wordt:
1. Voor de toepassing van [artikel 220, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=2&artikel=220&z=2006-10-01&g=2006-10-01), wordt:
- a. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;
- b. het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.
2. Voor de toepassing van [artikel 220, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=2&artikel=220&z=2006-07-01&g=2006-07-01), wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
2. Voor de toepassing van [artikel 220, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=2&artikel=220&z=2006-10-01&g=2006-10-01), wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
##### Artikel 220c
De heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen is de op de voet van [hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&hoofdstuk=IV) voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het tijdvak waarbinnen het in [artikel 220](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=2&artikel=220&z=2006-07-01&g=2006-07-01) bedoelde kalenderjaar valt.
De heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen is de op de voet van [hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&hoofdstuk=IV) voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het tijdvak waarbinnen het in [artikel 220](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=2&artikel=220&z=2006-10-01&g=2006-10-01) bedoelde kalenderjaar valt.
##### Artikel 220d
1. In afwijking in zoverre van [artikel 220**c**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=2&artikel=220c&z=2006-07-01&g=2006-07-01) wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van:
1. In afwijking in zoverre van [artikel 220**c**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=2&artikel=220c&z=2006-10-01&g=2006-10-01) wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van:
- a. ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;
@@ -2298,13 +2308,13 @@
7. Een krachtens het vijfde lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers of door tenminste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de beide Kamers van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.
8. De aanslag van de belasting, bedoeld in [artikel 220, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=2&artikel=220&z=2006-07-01&g=2006-07-01), kan worden verminderd met het percentage van de waarde van de onroerende zaak dat kan worden toegerekend aan delen van de onroerende zaak die in hoofdzaak dienen tot woning dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Een aanvraag tot een vermindering als hier bedoeld moet worden ingediend binnen zes weken na de dag van dagtekening van de aanslag.
8. De aanslag van de belasting, bedoeld in [artikel 220, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=2&artikel=220&z=2006-10-01&g=2006-10-01), kan worden verminderd met het percentage van de waarde van de onroerende zaak dat kan worden toegerekend aan delen van de onroerende zaak die in hoofdzaak dienen tot woning dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Een aanvraag tot een vermindering als hier bedoeld moet worden ingediend binnen zes weken na de dag van dagtekening van de aanslag.
##### Artikel 220g
1. De raad kan hogere tarieven vaststellen dan is toegestaan op grond van [artikel 220f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=2&artikel=220f&z=2006-07-01&g=2006-07-01) als dat nodig is om te voorkomen dat de begroting voor het eerstvolgende jaar niet in evenwicht is en blijkens de meerjarenraming, bedoeld in [artikel 190](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=1&artikel=190&z=2006-07-01&g=2006-07-01), niet aannemelijk is dat in de eerstvolgende jaren een evenwicht tot stand zal worden gebracht.
2. Een besluit als bedoeld in het eerste lid treedt niet in werking dan nadat gedeputeerde staten ontheffing hebben verleend van de maximumtarieven, genoemd in [artikel 220f, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=2&artikel=220f&z=2006-07-01&g=2006-07-01), of zoals die zijn gewijzigd op grond van [artikel 220f, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=2&artikel=220f&z=2006-07-01&g=2006-07-01), of van het maximum voor de tariefstijging, bedoeld in artikel [220f, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=2&artikel=220f&z=2006-07-01&g=2006-07-01).
1. De raad kan hogere tarieven vaststellen dan is toegestaan op grond van [artikel 220f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=2&artikel=220f&z=2006-10-01&g=2006-10-01) als dat nodig is om te voorkomen dat de begroting voor het eerstvolgende jaar niet in evenwicht is en blijkens de meerjarenraming, bedoeld in [artikel 190](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=1&artikel=190&z=2006-10-01&g=2006-10-01), niet aannemelijk is dat in de eerstvolgende jaren een evenwicht tot stand zal worden gebracht.
2. Een besluit als bedoeld in het eerste lid treedt niet in werking dan nadat gedeputeerde staten ontheffing hebben verleend van de maximumtarieven, genoemd in [artikel 220f, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=2&artikel=220f&z=2006-10-01&g=2006-10-01), of zoals die zijn gewijzigd op grond van [artikel 220f, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=2&artikel=220f&z=2006-10-01&g=2006-10-01), of van het maximum voor de tariefstijging, bedoeld in artikel [220f, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=2&artikel=220f&z=2006-10-01&g=2006-10-01).
3. Het college zendt het besluit samen met de begroting aan gedeputeerde staten.
@@ -2312,9 +2322,9 @@
- a. het besluit naar het oordeel van gedeputeerde staten niet voldoet aan het criterium, genoemd in het eerste lid;
- b. het besluit niet binnen de termijn, genoemd in [artikel 191, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=1&artikel=191&z=2006-07-01&g=2006-07-01), aan gedeputeerde staten is gezonden.
5. De ontheffing wordt verleend voor het eerstvolgende kalenderjaar. Voor het jaar na het kalenderjaar waarvoor de ontheffing is verleend, gelden de tarieven zoals die in het jaar van ontheffing op grond van [artikel 220f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=2&artikel=220f&z=2006-07-01&g=2006-07-01) zonder de verleende ontheffing maximaal waren toegestaan, onverminderd de bevoegdheid die tarieven binnen de grenzen van [artikel 220f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=2&artikel=220f&z=2006-07-01&g=2006-07-01) opnieuw te verhogen en opnieuw een ontheffing aan te vragen als bedoeld in het tweede lid.
- b. het besluit niet binnen de termijn, genoemd in [artikel 191, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIII&paragraaf=1&artikel=191&z=2006-10-01&g=2006-10-01), aan gedeputeerde staten is gezonden.
5. De ontheffing wordt verleend voor het eerstvolgende kalenderjaar. Voor het jaar na het kalenderjaar waarvoor de ontheffing is verleend, gelden de tarieven zoals die in het jaar van ontheffing op grond van [artikel 220f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=2&artikel=220f&z=2006-10-01&g=2006-10-01) zonder de verleende ontheffing maximaal waren toegestaan, onverminderd de bevoegdheid die tarieven binnen de grenzen van [artikel 220f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=2&artikel=220f&z=2006-10-01&g=2006-10-01) opnieuw te verhogen en opnieuw een ontheffing aan te vragen als bedoeld in het tweede lid.
6. De ontheffing wordt geacht te zijn geweigerd als gedeputeerde staten niet voor 16 december van het jaar, voorafgaand aan het eerste jaar waarvoor ontheffing wordt gevraagd, een beslissing aan de raad bekend hebben gemaakt.
@@ -2340,765 +2350,1557 @@
6. In afwijking in zoverre van de vorige leden kan in de belastingverordening worden bepaald dat de vermindering zodanig wordt berekend dat het na vermindering te betalen bedrag ter zake van de kalenderjaren in een tijdvak als bedoeld in [artikel 22, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=22), niet meer bedraagt dan 130 percent of een bij de belastingverordening te bepalen hoger percentage van het belastingbedrag dat is verschuldigd ter zake van het laatste kalenderjaar van het voorafgaande tijdvak. Indien ter zake van het laatste kalenderjaar van het voorafgaande tijdvak een vermindering als bedoeld in dit artikel is verleend, wordt voor de toepassing van de vorige volzin het belastingbedrag genomen dat verschuldigd zou zijn geweest indien de vermindering niet was toegepast.
#### § 1. De begroting
##### Artikel 221
1. Ter zake van binnen de gemeente gelegen woon- en bedrijfsruimten, welke duurzaam aan een plaats gebonden zijn en dienen tot permanente bewoning of permanent gebruik, doch niet onroerend zijn, kunnen de volgende belastingen worden geheven, te weten:
- a. een belasting van degenen die bij het begin van het kalenderjaar de ruimten die niet in hoofdzaak tot woning dienen, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, gebruiken;
- b. een belasting van degenen die bij het begin van het kalenderjaar van de ruimten het genot hebben krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.
2. Bij de toepassing van het eerste lid zijn de [artikelen 220a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=2&artikel=220a&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [220b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=2&artikel=220b&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [220d tot en met 220f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=2&artikel=220d&z=2006-10-01&g=2006-10-01) en [220h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=2&artikel=220h&z=2006-10-01&g=2006-10-01) alsmede het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=17), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=18), [19, eerste lid, onderdelen b en c, tweede lid, onderdelen b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=19), en [artikel 22, derde lid, van de Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=22) van overeenkomstige toepassing.
3. Het tarief van de in het eerste lid bedoelde belastingen is gelijk aan het binnen de gemeente geldende tarief voor de onroerendezaakbelastingen.
##### Artikel 222
1. Ter zake van de in een bepaald gedeelte van de gemeente gelegen onroerende zaak die gebaat is door voorzieningen die tot stand worden of zijn gebracht door of met medewerking van het gemeentebestuur, kan van degenen die van die onroerende zaak het genot hebben krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, een baatbelasting worden geheven, waarbij de aan de voorzieningen verbonden lasten geheel of gedeeltelijk worden omgeslagen. Indien de aan de voorzieningen verbonden lasten ter zake van een onroerende zaak krachtens overeenkomst zijn of worden voldaan, wordt de baatbelasting ter zake van die onroerende zaak niet geheven.
2. Voordat met het treffen van voorzieningen wordt aangevangen, wordt door de raad besloten in welke mate de aan die voorzieningen verbonden lasten door middel van een baatbelasting zullen worden verhaald. Een besluit als bedoeld in de eerste volzin bevat een aanduiding van het gebied waarbinnen de gebate onroerende zaak is gelegen. Het besluit wordt bekend gemaakt overeenkomstig [artikel 139](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=139&z=2006-10-01&g=2006-10-01).
3. Of een onroerende zaak is gebaat wordt beoordeeld naar de toestand op een in de belastingverordening te bepalen tijdstip, dat is gelegen uiterlijk een jaar nadat de voorzieningen geheel zijn voltooid.
4. Tot invoering van de belasting wordt besloten uiterlijk twee jaren nadat de voorzieningen geheel zijn voltooid.
5. De belasting wordt ineens geheven, met dien verstande dat de belasting op verzoek van de belastingplichtige in de vorm van een jaarlijkse belasting wordt geheven gedurende ten hoogste dertig jaren, een en ander volgens in de verordening vast te stellen regelen.
##### Artikel 223
1. Er kan een forensenbelasting worden geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er gedurende het belastingjaar meer dan negentig malen nachtverblijf houden, anders dan als verpleegde of verzorgde in een inrichting tot verpleging of verzorging van zieken, van gebrekkigen, van hulpbehoevenden of bejaarden, of er op meer dan negentig dagen van dat jaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.
2. Degene die ter tijdelijke waarneming van een openbare betrekking of ter bijwoning van de vergaderingen van een algemeen vertegenwoordigend orgaan, waarvan hij het lidmaatschap bekleedt, dan wel ingevolge last of bevel van de overheid, buiten de gemeente van zijn hoofdverblijf vertoeft, is op die grond niet belastingplichtig.
3. Of iemand in de gemeente hoofdverblijf heeft, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
##### Artikel 224
1. Ter zake van het houden van verblijf binnen de gemeente door personen die niet als ingezetene in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens zijn ingeschreven, kan een toeristenbelasting worden geheven.
2. Voor zover de belasting wordt geheven van degene die gelegenheid tot verblijf biedt, is deze bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene ter zake van wiens verblijf de belasting verschuldigd wordt.
##### Artikel 225
1. In het kader van de parkeerregulering kunnen de volgende belastingen worden geheven:
- a. een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij de belastingverordening dan wel krachtens de belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze;
- b. een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder parkeren verstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.
3. De belasting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel **a**, wordt geheven van degene die het voertuig heeft geparkeerd.
4. Als degene die het voertuig heeft geparkeerd wordt mede aangemerkt degene die de belasting voldoet dan wel te kennen geeft of heeft gegeven de belasting te willen voldoen.
5. Zolang geen voldoening van de in het eerste lid, onderdeel **a**, bedoelde belasting heeft plaatsgevonden wordt de houder van het voertuig aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd. Met betrekking tot een motorrijtuig dat is ingeschreven in het kentekenregister, bedoeld in de [Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622), wordt als houder aangemerkt degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren in het register was ingeschreven. De tweede volzin vindt geen toepassing indien:
- a. blijkt dat ten tijde van het parkeren een ander in het kentekenregister had moeten staan ingeschreven, in welk geval die ander wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd;
- b. een voor ten hoogste drie maanden aangegane huurovereenkomst wordt overgelegd waaruit blijkt wie ten tijde van het parkeren ingevolge deze overeenkomst de huurder van het voertuig was, in welk geval de huurder wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd.
6. De belasting wordt niet geheven van degene die ingevolge het vijfde lid is aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd, indien deze aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren een ander tegen zijn wil van het voertuig gebruik heeft gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen.
7. De belasting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel **b**, wordt geheven van degene die de vergunning heeft aangevraagd.
8. Het tarief van de in het eerste lid bedoelde belastingen kan afhankelijk worden gesteld van de parkeerduur, van de parkeertijd, van de ingenomen oppervlakte en van de ligging van de terreinen of weggedeelten.
##### Artikel 226
1. Ter zake van het houden van een hond kan van de houder een hondenbelasting worden geheven.
2. De belasting wordt geheven naar het aantal honden dat wordt gehouden.
3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt het houden van een hond door een lid van een huishouden aangemerkt als het houden van een hond door een door de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-10-01&g=2006-10-01), bedoelde gemeenteambtenaar aan te wijzen lid van dat huishouden.
##### Artikel 227
Ter zake van openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg kan een reclamebelasting worden geheven.
##### Artikel 227a
Vervallen
##### Artikel 228
Ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, kan een precariobelasting worden geheven.
##### Artikel 229
1. Rechten kunnen worden geheven ter zake van:
- a. het gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen of van voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn;
- b. het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten;
- c. het geven van vermakelijkheden waarbij gebruik wordt gemaakt van door of met medewerking van het gemeentebestuur tot stand gebrachte of in stand gehouden voorzieningen of waarbij een bijzondere voorziening in de vorm van toezicht of anderszins van de zijde van het gemeentebestuur getroffen wordt.
2. Voor de toepassing van deze paragraaf en de [eerste](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=1&z=2006-10-01&g=2006-10-01) en [vierde paragraaf van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&z=2006-10-01&g=2006-10-01) worden de in het eerste lid bedoelde rechten aangemerkt als gemeentelijke belastingen.
##### Artikel 229a
De rechten, bedoeld in [artikel 229, eerste lid, onder a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=3&artikel=229&z=2006-10-01&g=2006-10-01), kunnen worden geheven door de gemeente die het gebruik van de bezittingen, werken of inrichtingen toestaat of de diensten verleent, ongeacht of het belastbare feit zich binnen of buiten het grondgebied van de gemeente voordoet.
##### Artikel 229b
1. In verordeningen op grond waarvan rechten als bedoeld in [artikel 229, eerste lid, onder a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=3&artikel=229&z=2006-10-01&g=2006-10-01), worden geheven, worden de tarieven zodanig vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake.
2. Onder de in het eerste lid bedoelde lasten worden mede verstaan:
- a. bijdragen aan bestemmingsreserves en voorzieningen voor noodzakelijke vervanging van de betrokken activa;
- b. de omzetbelasting die ingevolge de [Wet op het BTW-compensatiefonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013817) recht geeft op een bijdrage uit het fonds.
##### Artikel 229c
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen inzake de belastingen, bedoeld in de [tweede](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=2&z=2006-10-01&g=2006-10-01) en [derde paragraaf van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=3&z=2006-10-01&g=2006-10-01), nadere regels worden gegeven.
##### Artikel 229d
Vervallen
#### § 3. Goedkeuring van de begroting
##### Artikel 221
1. Ter zake van binnen de gemeente gelegen woon- en bedrijfsruimten, welke duurzaam aan een plaats gebonden zijn en dienen tot permanente bewoning of permanent gebruik, doch niet onroerend zijn, kunnen de volgende belastingen worden geheven, te weten:
- a. een belasting van degenen die bij het begin van het kalenderjaar de ruimten die niet in hoofdzaak tot woning dienen, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, gebruiken;
- b. een belasting van degenen die bij het begin van het kalenderjaar van de ruimten het genot hebben krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.
2. Bij de toepassing van het eerste lid zijn de [artikelen 220a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=2&artikel=220a&z=2006-07-01&g=2006-07-01), [220b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=2&artikel=220b&z=2006-07-01&g=2006-07-01), [220d tot en met 220f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=2&artikel=220d&z=2006-07-01&g=2006-07-01) en [220h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=2&artikel=220h&z=2006-07-01&g=2006-07-01) alsmede het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=17), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=18), [19, eerste lid, onderdelen b en c, tweede lid, onderdelen b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=19), en [artikel 22, derde lid, van de Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=22) van overeenkomstige toepassing.
3. Het tarief van de in het eerste lid bedoelde belastingen is gelijk aan het binnen de gemeente geldende tarief voor de onroerendezaakbelastingen.
##### Artikel 222
1. Ter zake van de in een bepaald gedeelte van de gemeente gelegen onroerende zaak die gebaat is door voorzieningen die tot stand worden of zijn gebracht door of met medewerking van het gemeentebestuur, kan van degenen die van die onroerende zaak het genot hebben krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, een baatbelasting worden geheven, waarbij de aan de voorzieningen verbonden lasten geheel of gedeeltelijk worden omgeslagen. Indien de aan de voorzieningen verbonden lasten ter zake van een onroerende zaak krachtens overeenkomst zijn of worden voldaan, wordt de baatbelasting ter zake van die onroerende zaak niet geheven.
2. Voordat met het treffen van voorzieningen wordt aangevangen, wordt door de raad besloten in welke mate de aan die voorzieningen verbonden lasten door middel van een baatbelasting zullen worden verhaald. Een besluit als bedoeld in de eerste volzin bevat een aanduiding van het gebied waarbinnen de gebate onroerende zaak is gelegen. Het besluit wordt bekend gemaakt overeenkomstig [artikel 139](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=139&z=2006-07-01&g=2006-07-01).
3. Of een onroerende zaak is gebaat wordt beoordeeld naar de toestand op een in de belastingverordening te bepalen tijdstip, dat is gelegen uiterlijk een jaar nadat de voorzieningen geheel zijn voltooid.
4. Tot invoering van de belasting wordt besloten uiterlijk twee jaren nadat de voorzieningen geheel zijn voltooid.
5. De belasting wordt ineens geheven, met dien verstande dat de belasting op verzoek van de belastingplichtige in de vorm van een jaarlijkse belasting wordt geheven gedurende ten hoogste dertig jaren, een en ander volgens in de verordening vast te stellen regelen.
##### Artikel 223
1. Er kan een forensenbelasting worden geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er gedurende het belastingjaar meer dan negentig malen nachtverblijf houden, anders dan als verpleegde of verzorgde in een inrichting tot verpleging of verzorging van zieken, van gebrekkigen, van hulpbehoevenden of bejaarden, of er op meer dan negentig dagen van dat jaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.
2. Degene die ter tijdelijke waarneming van een openbare betrekking of ter bijwoning van de vergaderingen van een algemeen vertegenwoordigend orgaan, waarvan hij het lidmaatschap bekleedt, dan wel ingevolge last of bevel van de overheid, buiten de gemeente van zijn hoofdverblijf vertoeft, is op die grond niet belastingplichtig.
3. Of iemand in de gemeente hoofdverblijf heeft, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
##### Artikel 224
1. Ter zake van het houden van verblijf binnen de gemeente door personen die niet als ingezetene in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens zijn ingeschreven, kan een toeristenbelasting worden geheven.
2. Voor zover de belasting wordt geheven van degene die gelegenheid tot verblijf biedt, is deze bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene ter zake van wiens verblijf de belasting verschuldigd wordt.
##### Artikel 225
1. In het kader van de parkeerregulering kunnen de volgende belastingen worden geheven:
- a. een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij de belastingverordening dan wel krachtens de belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze;
- b. een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder parkeren verstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.
3. De belasting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel **a**, wordt geheven van degene die het voertuig heeft geparkeerd.
4. Als degene die het voertuig heeft geparkeerd wordt mede aangemerkt degene die de belasting voldoet dan wel te kennen geeft of heeft gegeven de belasting te willen voldoen.
5. Zolang geen voldoening van de in het eerste lid, onderdeel **a**, bedoelde belasting heeft plaatsgevonden wordt de houder van het voertuig aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd. Met betrekking tot een motorrijtuig dat is ingeschreven in het kentekenregister, bedoeld in de [Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622), wordt als houder aangemerkt degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren in het register was ingeschreven. De tweede volzin vindt geen toepassing indien:
- a. blijkt dat ten tijde van het parkeren een ander in het kentekenregister had moeten staan ingeschreven, in welk geval die ander wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd;
- b. een voor ten hoogste drie maanden aangegane huurovereenkomst wordt overgelegd waaruit blijkt wie ten tijde van het parkeren ingevolge deze overeenkomst de huurder van het voertuig was, in welk geval de huurder wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd.
6. De belasting wordt niet geheven van degene die ingevolge het vijfde lid is aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd, indien deze aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren een ander tegen zijn wil van het voertuig gebruik heeft gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen.
7. De belasting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel **b**, wordt geheven van degene die de vergunning heeft aangevraagd.
8. Het tarief van de in het eerste lid bedoelde belastingen kan afhankelijk worden gesteld van de parkeerduur, van de parkeertijd, van de ingenomen oppervlakte en van de ligging van de terreinen of weggedeelten.
##### Artikel 226
1. Ter zake van het houden van een hond kan van de houder een hondenbelasting worden geheven.
2. De belasting wordt geheven naar het aantal honden dat wordt gehouden.
3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt het houden van een hond door een lid van een huishouden aangemerkt als het houden van een hond door een door de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-07-01&g=2006-07-01), bedoelde gemeenteambtenaar aan te wijzen lid van dat huishouden.
##### Artikel 227
Ter zake van openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg kan een reclamebelasting worden geheven.
##### Artikel 227a
Vervallen
##### Artikel 228
Ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, kan een precariobelasting worden geheven.
##### Artikel 229
1. Rechten kunnen worden geheven ter zake van:
- a. het gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen of van voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn;
- b. het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten;
- c. het geven van vermakelijkheden waarbij gebruik wordt gemaakt van door of met medewerking van het gemeentebestuur tot stand gebrachte of in stand gehouden voorzieningen of waarbij een bijzondere voorziening in de vorm van toezicht of anderszins van de zijde van het gemeentebestuur getroffen wordt.
2. Voor de toepassing van deze paragraaf en de [eerste](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=1&z=2006-07-01&g=2006-07-01) en [vierde paragraaf van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&z=2006-07-01&g=2006-07-01) worden de in het eerste lid bedoelde rechten aangemerkt als gemeentelijke belastingen.
##### Artikel 229a
De rechten, bedoeld in [artikel 229, eerste lid, onder a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=3&artikel=229&z=2006-07-01&g=2006-07-01), kunnen worden geheven door de gemeente die het gebruik van de bezittingen, werken of inrichtingen toestaat of de diensten verleent, ongeacht of het belastbare feit zich binnen of buiten het grondgebied van de gemeente voordoet.
##### Artikel 229b
1. In verordeningen op grond waarvan rechten als bedoeld in [artikel 229, eerste lid, onder a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=3&artikel=229&z=2006-07-01&g=2006-07-01), worden geheven, worden de tarieven zodanig vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake.
2. Onder de in het eerste lid bedoelde lasten worden mede verstaan:
- a. bijdragen aan bestemmingsreserves en voorzieningen voor noodzakelijke vervanging van de betrokken activa;
- b. de omzetbelasting die ingevolge de [Wet op het BTW-compensatiefonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013817) recht geeft op een bijdrage uit het fonds.
##### Artikel 229c
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen inzake de belastingen, bedoeld in de [tweede](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=2&z=2006-07-01&g=2006-07-01) en [derde paragraaf van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=3&z=2006-07-01&g=2006-07-01), nadere regels worden gegeven.
##### Artikel 229d
Vervallen
##### Artikel 230
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- a. Algemene wet: [Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320);
- b. heffing op andere wijze: heffing op andere wijze dan bij wege van aanslag of bij wege van voldoening op aangifte.
##### Artikel 231
1. Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde geschieden de heffing en de invordering van gemeentelijke belastingen met toepassing van de [Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320), de [Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770) en de [Kostenwet invordering rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002645) als waren die belastingen rijksbelastingen.
2. Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde gelden de bevoegdheden en de verplichtingen van de hierna vermelde, in de Algemene wet, de [Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770) en de [Kostenwet invordering rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002645) genoemde functionarissen, met betrekking tot de gemeentelijke belastingen voor de daarachter genoemde colleges of functionarissen:
- a. Onze Minister van Financiën, het bestuur van ’s Rijksbelastingen en de directeur: het college;
- b. de inspecteur: de gemeenteambtenaar, belast met de heffing van gemeentelijke belastingen;
- c. de ontvanger of een inzake rijksbelastingen bevoegde ontvanger: de gemeenteambtenaar belast met de invordering van gemeentelijke belastingen;
- d. de ambtenaren van de rijksbelastingdienst: de gemeenteambtenaren belast met de heffing of de invordering van gemeentelijke belastingen;
- e. de belastingdeurwaarder: de daartoe aangewezen gemeenteambtenaar;
- f. de Tweede Kamer der Staten-Generaal of de Tweede Kamer: de raad.
3. Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde wordt met betrekking tot gemeentelijke belastingen in de [Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320) en in de [Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770) voor «algemene maatregel van bestuur» en voor «ministeriële regeling» gelezen: besluit van het college.
4. Met betrekking tot gemeentelijke belastingen wordt in de [artikelen 27l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=27l), [27n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=27n), [27p](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=27p) en [29b van de Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=29b) voor «de Staat» gelezen: de gemeente.
##### Artikel 232
1. Het college kan bepalen dat voor de toezending of uitreiking van aanslagbiljetten ingevolge [artikel 8, eerste lid, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=8) voor de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-10-01&g=2006-10-01), bedoelde ambtenaar een andere gemeenteambtenaar in de plaats treedt.
2. De colleges van twee of meer gemeenten kunnen met betrekking tot een of meer gemeentelijke belastingen bepalen dat ambtenaren van een van die gemeenten worden aangewezen als:
- a. de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-10-01&g=2006-10-01), bedoelde ambtenaar van die gemeenten voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de heffing van gemeentelijke belastingen;
- b. de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-10-01&g=2006-10-01), bedoelde ambtenaar van die gemeenten voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de invordering van gemeentelijke belastingen;
- c. de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-10-01&g=2006-10-01), bedoelde ambtenaren van die gemeenten voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de heffing of de invordering van gemeentelijke belastingen;
- d. de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-10-01&g=2006-10-01), bedoelde ambtenaar van die gemeenten, voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de invordering van gemeentelijke belastingen.
3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het college van de gemeente waarvan de ambtenaar, belast met de invordering van gemeentelijke belastingen op grond van het tweede lid, onderdeel **b**, wordt aangewezen.
4. Indien voor de heffing of de invordering van gemeentelijke belastingen een gemeenschappelijke regeling is getroffen en bij die regeling een openbaar lichaam is ingesteld, kan bij of krachtens die regeling worden bepaald dat een daartoe aangewezen ambtenaar van dat openbare lichaam wordt aangewezen als:
- a. de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-10-01&g=2006-10-01), bedoelde ambtenaar van de gemeente voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de heffing van gemeentelijke belastingen;
- b. de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-10-01&g=2006-10-01), bedoelde ambtenaar van de gemeente voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de invordering van gemeentelijke belastingen;
- c. de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-10-01&g=2006-10-01), bedoelde ambtenaren van de gemeente voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de heffing of de invordering van gemeentelijke belastingen;
- d. de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-10-01&g=2006-10-01), bedoelde ambtenaar van de gemeente voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de invordering van gemeentelijke belastingen.
5. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam waarvan een ambtenaar op grond van het vierde lid, onderdeel b, wordt aangewezen.
##### Artikel 233
Gemeentelijke belastingen kunnen worden geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of op andere wijze, doch niet bij wege van afdracht op aangifte.
##### Artikel 233a
1. Indien de gemeentelijke belastingen op andere wijze worden geheven, bepaalt de belastingverordening op welke wijze deze worden geheven en de wijze waarop de belastingschuld aan de belastingplichtige wordt bekendgemaakt. De belastingverordening kan daarnaast bepalen dat het college omtrent de uitvoering van een en ander nadere regels geeft.
2. De op andere wijze geheven belastingen worden voor de toepassing van de [Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320) en de [Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770) aangemerkt als bij wege van aanslag geheven belastingen, met dien verstande dat wordt verstaan onder:
- a. de aanslag, de voorlopige aanslag, de navorderingsaanslag: het gevorderde, onderscheidenlijk het voorlopig gevorderde, het nagevorderde bedrag;
- b. het aanslagbiljet: de kennisgeving van het in onderdeel **a** bedoelde bedrag;
- c. de dagtekening van het aanslagbiljet: de dagtekening van de schriftelijke kennisgeving van het in onderdeel **a** bedoelde bedrag, of bij gebreke van een schriftelijke kennisgeving, de datum waarop het bedrag op andere wijze ter kennis van de belastingplichtige is gebracht.
##### Artikel 234
1. De belasting, bedoeld in [artikel 225, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=3&artikel=225&z=2006-10-01&g=2006-10-01), wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte dan wel op andere wijze.
2. Als voldoening op aangifte wordt uitsluitend aangemerkt:
- a. het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van een parkeermeter of een parkeerautomaat op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college gestelde voorschriften;
- b. indien ingevolge [artikel 235, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=235&z=2006-10-01&g=2006-10-01), een wielklem is aangebracht, de voldoening op aangifte op de door het college bepaalde wijze.
3. In afwijking van [artikel 26, tweede lid, van de Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=26) kan tegen de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde voldoening op aangifte geen beroep worden ingesteld.
4. Ingeval een naheffingsaanslag wordt opgelegd, wordt deze berekend over een parkeerduur van een uur, tenzij aannemelijk is dat het voertuig langer dan een uur zonder betaling geparkeerd heeft gestaan.
5. De [artikelen 67b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=67b), [67c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=67c) en [67f van de Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=67f) blijven buiten toepassing.
6. Ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag worden kosten in rekening gebracht. Deze kosten maken onderdeel uit van de naheffingsaanslag en worden afzonderlijk op het aanslagbiljet vermeld. Ten aanzien van hetzelfde voertuig worden per aaneengesloten periode de kosten niet vaker dan eenmaal per kalenderdag in rekening gebracht.
7. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze van berekening en de maximale hoogte van de in het zesde lid bedoelde kosten. In de belastingverordening wordt het bedrag van de in rekening te brengen kosten bepaald.
8. In afwijking van [artikel 8, eerste lid, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=8) kan, indien het niet mogelijk is het aanslagbiljet terstond aan de belastingschuldige uit te reiken, worden volstaan met het aanbrengen van het aanslagbiljet op of aan het voertuig. Alsdan vermeldt het aanslagbiljet niet de naam van de belastingschuldige maar het kenteken van het voertuig. Bij gebreke van een kenteken vermeldt het aanslagbiljet een of meer gegevens die kenmerkend zijn voor het geparkeerde voertuig.
9. De naheffingsaanslag is dadelijk en ineens invorderbaar.
##### Artikel 234a
Vervallen
##### Artikel 234b
Vervallen
##### Artikel 235
1. Bij de belastingverordening, bedoeld in [artikel 225, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=3&artikel=225&z=2006-10-01&g=2006-10-01), kan worden bepaald dat terstond nadat het aanslagbiljet aan de belastingschuldige is uitgereikt dan wel terstond nadat het aanslagbiljet, overeenkomstig [artikel 234, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=234&z=2006-10-01&g=2006-10-01), aan het voertuig is aangebracht, de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-10-01&g=2006-10-01), bedoelde gemeenteambtenaar bevoegd is tot zekerheid van de betaling van de naheffingsaanslag, bedoeld in [artikel 234, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=234&z=2006-10-01&g=2006-10-01), aan het voertuig een mechanisch hulpmiddel, hierna te noemen: wielklem, te doen aanbrengen, waardoor wordt verhinderd dat het voertuig wordt weggereden.
2. Bij de belastingverordening dan wel krachtens de belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen door het college worden de terreinen of weggedeelten aangewezen waar de wielklem wordt toegepast.
3. Ter zake van het aanbrengen alsmede van het verwijderen van de wielklem worden kosten in rekening gebracht.
4. De wielklem wordt niet verwijderd dan nadat de naheffingsaanslag alsmede de kosten van het aanbrengen en van het verwijderen van de wielklem zijn voldaan. Na deze voldoening vindt de verwijdering van de wielklem zo spoedig mogelijk plaats.
5. Na afloop van een in de belastingverordening te bepalen termijn, die ten minste 24 uren bedraagt na aanbrenging van de wielklem, is de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-10-01&g=2006-10-01), bedoelde gemeenteambtenaar bevoegd het voertuig naar een door hem aangewezen plaats te doen overbrengen en in bewaring te doen stellen. Ter zake van de in de eerste volzin bedoelde overbrenging en bewaring wordt procesverbaal opgemaakt en worden kosten in rekening gebracht.
6. De in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-10-01&g=2006-10-01), bedoelde gemeenteambtenaar draagt er zorg voor dat in een daartoe aangelegd register aantekening wordt gemaakt van de gevallen waarin de in het vijfde lid bedoelde bevoegdheid wordt uitgeoefend.
7. De in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-10-01&g=2006-10-01), bedoelde gemeenteambtenaar draagt zorg voor de bewaring van de ingevolge het vijfde lid in bewaring gestelde voertuigen.
8. De in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-10-01&g=2006-10-01), bedoelde gemeenteambtenaar geeft het voertuig terug aan de rechthebbende, nadat de naheffingsaanslag, de kosten van het aanbrengen en verwijderen van de wielklem en de kosten van overbrenging en bewaring zijn voldaan.
9. Wanneer het voertuig binnen 48 uren na het in bewaring stellen niet is afgehaald, geeft de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-10-01&g=2006-10-01), bedoelde gemeenteambtenaar zo mogelijk binnen zeven dagen van de overbrenging en bewaring kennis:
- a. indien het voertuig een motorrijtuig is, dat een kenteken voert als bedoeld in [artikel 36, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=36), aan degene aan wie dat kenteken is opgegeven;
- b. indien blijkt dat ter zake van het voertuig aangifte van vermissing is gedaan, aan degene die aangifte heeft gedaan;
- c. in nader door Onze Minister te bepalen gevallen op de daarbij aangegeven wijze.
10. De kosten van opsporing van degene aan wie de kennisgeving wordt gezonden en die van het doen van de kennisgeving worden voor de toepassing van dit artikel gerekend tot de kosten van overbrenging en bewaring.
11. Wanneer het voertuig binnen drie maanden na het in bewaring stellen niet is afgehaald, is de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-10-01&g=2006-10-01), bedoelde gemeenteambtenaar bevoegd het te verkopen of, indien verkoop naar hun oordeel niet mogelijk is, het voertuig om niet aan een derde in eigendom over te dragen of te laten vernietigen. Gelijke bevoegdheid heeft de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-10-01&g=2006-10-01), bedoelde gemeenteambtenaar ook binnen die termijn, zodra het gezamenlijke bedrag van de naheffingsaanslag, de kosten van het aanbrengen en verwijderen van de wielklem en de kosten van overbrenging en bewaring, vermeerderd met de voor de verkoop, de eigendomsoverdracht om niet of de vernietiging geraamde kosten, in verhouding tot de waarde van het voertuig naar zijn mening onevenredig hoog zou worden. Verkoop, eigendomsoverdracht om niet of vernietiging vindt niet plaats binnen twee weken nadat de kennisgeving als bedoeld in het negende lid is uitgegaan. Voor de toepassing van de volgende leden worden de kosten van verkoop, eigendomsoverdracht om niet of vernietiging gerekend tot de kosten van overbrenging en bewaring.
12. Gedurende drie jaren na het tijdstip van de verkoop heeft degene, die op dat tijdstip eigenaar was, recht op de opbrengst van het voertuig, met dien verstande dat eerst de kosten van het aanbrengen en verwijderen van de wielklem en van het overbrengen en bewaren van het voertuig en vervolgens de naheffingsaanslag met die opbrengst worden verrekend. Na het verstrijken van die termijn vervalt het eventueel batige saldo aan de gemeente.
13. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze van berekening van de kosten van het aanbrengen en verwijderen van de wielklem en van het overbrengen en bewaren van het voertuig. In de belastingverordening wordt bepaald tot welke bedragen de kosten in rekening worden gebracht.
14. De in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-10-01&g=2006-10-01), bedoelde gemeenteambtenaar stelt het bedrag van de in rekening te brengen kosten vast bij voor bezwaar vatbare beschikking.
15. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de overbrenging, bewaring, verkoop, eigendomsoverdracht om niet en vernietiging, het inrichten en aanhouden van het in het zesde lid bedoelde register, alsmede omtrent hetgeen verder voor de uitvoering van dit artikel noodzakelijk is.
16. Indien aantoonbaar is dat door het aanbrengen of het verwijderen van de wielklem dan wel tijdens de overbrenging en bewaring schade aan het voertuig is toegebracht, is de gemeente gehouden deze schade te vergoeden.
##### Artikel 236
Bij de heffing van gemeentelijke belastingen blijven de [artikelen 2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=3), [37 tot en met 39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=37), [47a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=47a), [48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=48), [52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=52), [53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=53), [54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=54), [55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=55), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=62), [71](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=71), [76](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=76), [80, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=80), [82](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=82), [84](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=84), [86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=86), [87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=87) en [90 tot en met 95 van de Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=90) buiten toepassing. Bij de heffing van gemeentelijke belastingen die op andere wijze worden geheven, blijven bovendien de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=5), [6 tot en met 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=6), [11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=11), en [12 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=12) buiten toepassing.
##### Artikel 237
1. Het uitnodigen tot het doen van aangifte, bedoeld in [artikel 6 van de Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=6), geschiedt door het uitreiken van een aangiftebiljet.
2. Het doen van aangifte, bedoeld in [artikel 8 van de Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=8), geschiedt door het inleveren of toezenden van het uitgereikte aangiftebiljet met de daarbij gevraagde bescheiden.
3. In afwijking in zoverre van de vorige leden kan de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-10-01&g=2006-10-01), bedoelde gemeenteambtenaar vorderen dat een verplichting tot het doen van aangifte of tot het indienen van een verzoek om uitreiking van een aangiftebiljet wordt nagekomen door het mondeling doen van aangifte. Daarbij:
- a. worden de door de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-10-01&g=2006-10-01), bedoelde gemeenteambtenaar gevraagde bescheiden overgelegd;
- b. kan de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-10-01&g=2006-10-01), bedoelde gemeenteambtenaar vorderen dat een van de mondelinge aangifte opgemaakt relaas door de aangever wordt ondertekend, bij gebreke waarvan de aangifte geacht wordt niet te zijn gedaan.
4. Indien het derde lid toepassing vindt, kan de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-10-01&g=2006-10-01), bedoelde gemeenteambtenaar voor de termijnen, genoemd in [artikel 9, eerste lid en derde lid, eerste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=9), [artikel 10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=10), en [artikel 19, eerste, derde en vierde lid, van de Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=19) of voor de kortere termijn, bedoeld in [artikel 238, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=238&z=2006-10-01&g=2006-10-01), kortere termijnen in de plaats stellen en is [artikel 12 van de Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=12) niet van toepassing.
5. Bij de belastingverordening kan van het eerste en tweede lid worden afgeweken.
##### Artikel 238
1. Met betrekking tot de bij wege van aanslag geheven gemeentelijke belastingen kan in de belastingverordening voor de in [artikel 9, eerste en derde lid, van de Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=9) genoemde termijn van ten minste een maand een kortere termijn in de plaats worden gesteld.
2. Met betrekking tot de bij wege van voldoening op aangifte geheven gemeentelijke belastingen kan in de belastingverordening voor de termijn van een maand, genoemd in [artikel 10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=10), en [artikel 19, eerste, derde en vierde lid, van de Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=19), een kortere termijn in de plaats worden gesteld.
##### Artikel 239
1. De in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-10-01&g=2006-10-01), bedoelde gemeenteambtenaar is bevoegd voor eenzelfde belastingplichtige bestemde belastingaanslagen van dezelfde soort die betrekking kunnen hebben op verschillende belastingen, op één aanslagbiljet te verenigen.
2. Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ingeval de belasting op andere wijze wordt geheven.
##### Artikel 240
Vervallen
##### Artikel 241
Vervallen
##### Artikel 242
1. Degene die ingevolge de belastingverordening aanspraak kan maken op een gehele of gedeeltelijke vrijstelling, vermindering, ontheffing of teruggaaf, kan binnen zes weken nadat de omstandigheid welke die aanspraak deed ontstaan, zich heeft voorgedaan, of, voor zover het een belasting betreft die bij wege van aanslag wordt geheven en op dat tijdstip nog geen aanslagbiljet is uitgereikt of is toegezonden, binnen zes weken na de dagtekening van het aanslagbiljet, een aanvraag tot het verkrijgen van vrijstelling, vermindering, ontheffing of teruggaaf indienen bij de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-10-01&g=2006-10-01), bedoelde gemeenteambtenaar.
2. Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ingeval de belasting op andere wijze wordt geheven.
3. De in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-10-01&g=2006-10-01), bedoelde gemeenteambtenaar beslist op de aanvraag bij voor bezwaar vatbare beschikking.
##### Artikel 243
In de gevallen waarin het volkenrecht dan wel, naar het oordeel van Onze Minister en Onze Minister van Financiën, het internationale gebruik daartoe noodzaakt, wordt vrijstelling van gemeentelijke belastingen verleend. Onze genoemde Ministers kunnen gezamenlijk ter zake nadere regels stellen.
##### Artikel 244
Naast een in de belastingverordening voorziene vermindering, ontheffing of teruggaaf kan de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-10-01&g=2006-10-01), bedoelde gemeenteambtenaar ook een in de belastingverordening voorziene vrijstelling ambtshalve verlenen.
##### Artikel 245
Vervallen
##### Artikel 246
Vervallen
##### Artikel 246a
1. Met betrekking tot gemeentelijke belastingen kunnen bij algemene maatregel van bestuur:
- a. regels worden gesteld waarbij de [artikelen 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=48), [52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=52), [53, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=53), [54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=54) of [55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=55), alsmede de [artikelen 59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=59) of [62 van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=62) geheel of gedeeltelijk van toepassing worden verklaard, dan wel
- b. regels worden gesteld die overeenkomen met die in de in onderdeel **a** genoemde artikelen.
2. De in het eerste lid bedoelde regels bevatten in elk geval een omschrijving van degene op wie de verplichting rust, alsmede van de belasting ten behoeve waarvan de verplichting geldt. Voorts vermelden deze regels naar gelang de aard van de verplichting een omschrijving van de aard van de te verstrekken gegevens en inlichtingen, van de aard van de gegevens welke uit de administratie dienen te blijken of van het doel waarvoor het voor raadpleging beschikbaar stellen van gegevensdragers kan geschieden.
##### Artikel 247
Vervallen
##### Artikel 248
Vervallen
##### Artikel 249
Bij de invordering van gemeentelijke belastingen blijven van de [Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770) buiten toepassing de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=5), [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=20), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=21)[59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=59), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=62) en [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=69). Bij de invordering van gemeentelijke belastingen die op andere wijze worden geheven, blijven bovendien de [artikelen 7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=7), en [8, eerste lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=8) buiten toepassing.
##### Artikel 250
1. De belastingverordening kan van [artikel 9 van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=9) afwijkende voorschriften inhouden.
2. De belastingverordening kan bepalen dat het verschuldigde bedrag moet worden betaald gelijktijdig met en op dezelfde wijze als de voldoening van een andere vordering aan de schuldeiser van die andere vordering.
##### Artikel 250a
Vervallen
##### Artikel 251
Vervallen
##### Artikel 251a
Vervallen
##### Artikel 252
De verrekening van aan de belastingschuldige uit te betalen en van hem te innen bedragen ter zake van gemeentelijke belastingen op de voet van [artikel 24 van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=24) is ook mogelijk ingeval de in [artikel 9 van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=9) gestelde termijn, dan wel de krachtens [artikel 250, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=250&z=2006-10-01&g=2006-10-01), gestelde termijn nog niet is verstreken.
##### Artikel 253
1. Indien ter zake van hetzelfde voorwerp van de belasting of hetzelfde belastbare feit twee of meer personen belastingplichtig zijn, kan de belastingaanslag ten name van een van hen worden gesteld.
2. Indien de belastingplicht, bedoeld in het eerste lid, voortvloeit uit het genot van een onroerende zaak krachtens eigendom, bezit of beperkt recht en de aanslag ten name van één van de belastingplichtigen is gesteld, kan de met de invordering van gemeentelijke belastingen belaste gemeenteambtenaar de belastingaanslag op de gehele onroerende zaak verhalen ten name van degene te wiens name de aanslag is gesteld, zonder rekening te houden met de rechten van de overige belastingplichtigen.
3. De belastingschuldige die de belastingaanslag heeft voldaan kan hetgeen hij meer heeft voldaan dan overeenkomt met zijn belastingplicht verhalen op de overige belastingplichtigen naar evenredigheid van ieders belastingplicht.
4. Tegen een met toepassing van het eerste lid vastgestelde belastingaanslag kan mede beroep bij de rechtbank worden ingesteld door de belastingplichtige wiens naam niet op het aanslagbiljet staat vermeld. [Artikel 26a, derde lid, van de Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=26a) is van overeenkomstige toepassing.
5. Van het derde lid kan bij overeenkomst worden afgeweken.
##### Artikel 254
Voor de toepassing van [artikel 66 van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=66) met betrekking tot gemeentelijke belastingen blijven de [artikelen 76](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=76), [80, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=80), [82](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=82), [84](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=84), [86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=86) en [87 van de Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=87) buiten toepassing.
##### Artikel 255
1. De in [artikel 26 van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=26) bedoelde kwijtschelding wordt met betrekking tot gemeentelijke belastingen verleend door de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-10-01&g=2006-10-01), bedoelde gemeenteambtenaar.
2. Met betrekking tot het verlenen van gehele of gedeeltelijke kwijtschelding zijn de krachtens [artikel 26 van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=26) door Onze Minister van Financiën bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.
3. De raad kan bepalen dat, in afwijking van de in het tweede lid bedoelde regels, in het geheel geen dan wel gedeeltelijk kwijtschelding wordt verleend.
4. Met inachtneming van door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, te stellen regels kan de raad met betrekking tot de wijze waarop de kosten van bestaan in aanmerking worden genomen afwijkende regels stellen die er toe leiden dat in ruimere mate kwijtschelding wordt verleend.
5. Het college kan de belasting geheel of gedeeltelijk oninbaar verklaren. Het daartoe strekkende besluit ontheft de gemeenteambtenaar belast met de invordering van gemeentelijke belastingen van de verplichting verdere pogingen tot invordering te doen.
##### Artikel 255a
Vervallen
##### Artikel 256
Indien ter zake van een gemeentelijke belasting exploot moet worden gedaan, een akte van vervolging betekend of een dwangbevel ten uitvoer gelegd in een andere gemeente dan die aan welke de belasting is verschuldigd, is daartoe naast de belastingdeurwaarder van laatstbedoelde gemeente mede de belastingdeurwaarder van eerstbedoelde gemeente bevoegd en desgevraagd verplicht.
##### Artikel 257
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen inzake de belastingen, bedoeld in [artikel 220](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=2&artikel=220&z=2006-10-01&g=2006-10-01), nadere, zo nodig afwijkende, regels worden gegeven inzake de heffing en de invordering, alsmede inzake alle gemeentelijke belastingen andere in het kader van deze paragraaf passende nadere regels ter aanvulling van de in deze paragraaf geregelde onderwerpen.
##### Artikel 258
Vervallen
## Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het gemeentebestuur
### Hoofdstuk XVI. Goedkeuring
##### Artikel 259
1. Beslissingen van gemeentebesturen kunnen slechts aan goedkeuring worden onderworpen in bij de wet of krachtens de wet bij provinciale verordening bepaalde gevallen.
2. Ten aanzien van de goedkeuring van andere beslissingen dan besluiten zijn [artikel 266](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=V&hoofdstuk=XVI&artikel=266&z=2006-10-01&g=2006-10-01) alsmede [afdeling 10.2.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.2.1) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 260
Vervallen
##### Artikel 261
Vervallen
##### Artikel 262
Vervallen
##### Artikel 263
Vervallen
##### Artikel 264
Vervallen
##### Artikel 265
Vervallen
##### Artikel 266
1. Een beslissing die aan goedkeuring bij koninklijk besluit is onderworpen, wordt toegezonden aan Onze Minister wie het aangaat.
2. Een voordracht tot onthouding van goedkeuring wordt gedaan door of mede door Onze Minister.
3. Onthouding van goedkeuring geschiedt niet, dan nadat de Raad van State is gehoord. De toepassing van [artikel 10:30, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:31) vindt in dat geval plaats voordat het ontwerp-besluit bij de Raad van State ter overweging wordt gebracht. [Artikel 18**a** van de Wet op de Raad van State](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002367&artikel=18a) is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 267
Vervallen
### Hoofdstuk XVII. Schorsing en vernietiging
##### Artikel 268
1. Een besluit dan wel een niet-schriftelijke beslissing gericht op enig rechtsgevolg van het gemeentebestuur kan bij koninklijk besluit worden vernietigd.
2. Ten aanzien van de vernietiging van een niet-schriftelijke beslissing gericht op enig rechtsgevolg zijn de [artikelen 273 tot en met 281a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=V&hoofdstuk=XVII&artikel=273&z=2006-10-01&g=2006-10-01) alsmede de [afdelingen 10.2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.2.2) en [10.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.2.3) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 269
Vervallen
##### Artikel 270
Vervallen
##### Artikel 271
Vervallen
##### Artikel 272
Vervallen
##### Artikel 273
1. Indien een besluit naar het oordeel van de burgemeester voor vernietiging in aanmerking komt, doet hij daarvan binnen twee dagen nadat het te zijner kennis is gekomen, door tussenkomst van gedeputeerde staten, mededeling aan Onze Minister wie het aangaat. Hij geeft hiervan tegelijkertijd kennis aan het orgaan dat het besluit nam, en zo nodig aan het orgaan dat met de uitvoering van het besluit is belast.
2. Gedeputeerde staten zenden de stukken, vergezeld van hun advies, binnen een week na de dagtekening van de mededeling van de burgemeester toe aan Onze Minister wie het aangaat.
3. Het besluit ten aanzien waarvan het eerste lid toepassing heeft gevonden, wordt niet of niet verder uitgevoerd, voordat van Onze Minister wie het aangaat de mededeling is ontvangen, dat voor schorsing of vernietiging geen redenen bestaan. Indien het besluit niet binnen vier weken na de dagtekening van de mededeling van de burgemeester is geschorst of vernietigd, wordt het uitgevoerd.
##### Artikel 274
1. Een voordracht tot schorsing wordt gedaan door Onze Minister wie het aangaat.
2. Over de voordracht pleegt Onze Minister wie het aangaat overleg met Onze Minister, tenzij schorsing onverwijld plaats dient te vinden. In de voordracht wordt het achterwege blijven van overleg gemotiveerd.
##### Artikel 275
Vervallen
##### Artikel 276
Vervallen
##### Artikel 277
Indien een bekend gemaakt besluit niet is vernietigd binnen de tijd waarvoor het is geschorst, wordt hiervan door het gemeentebestuur openbaar kennis gegeven.
##### Artikel 278
1. De voordracht tot vernietiging wordt gedaan door of mede door Onze Minister.
2. [Artikel 15, derde lid, van de Wet op de Raad van State](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002367&artikel=15) is niet van toepassing.
##### Artikel 279
Het koninklijk besluit tot schorsing, opheffing of verlenging van de schorsing of tot vernietiging wordt in het **Staatsblad** geplaatst.
##### Artikel 280
Vervallen
##### Artikel 281
Het gemeentebestuur neemt opnieuw een besluit omtrent het onderwerp van het vernietigde besluit, waarbij met het koninklijk besluit wordt rekening gehouden.
##### Artikel 281a
1. In afwijking van [artikel 8:4, onderdeel **a**, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:4) kan een belanghebbende tegen een koninklijk besluit als bedoeld in [artikel 268, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=V&hoofdstuk=XVII&artikel=268&z=2006-10-01&g=2006-10-01), dan wel tegen een vernietigingsbesluit als bedoeld in de [artikelen 85, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=V&paragraaf=1&artikel=85&z=2006-10-01&g=2006-10-01), en [87a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=V&paragraaf=2&artikel=87a&z=2006-10-01&g=2006-10-01), beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. [Artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:1) is niet van toepassing
2. In afwijking van [artikel 6:2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:2) kan geen beroep worden ingesteld tegen de weigering om de vernietiging te bevorderen en tegen het niet tijdig nemen van een besluit tot vernietiging.
## Titel VI
##### Artikel 282
Vervallen
##### Artikel 283
Vervallen
##### Artikel 284
Vervallen
##### Artikel 285
Vervallen
##### Artikel 286
Vervallen
##### Artikel 287
Vervallen
##### Artikel 288
Vervallen
##### Artikel 288a
Vervallen
## Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen
##### Artikel 289
De gemeentewet (**Stb.** 1931, 89) wordt ingetrokken.
##### Artikel 290
1. De intrekking van de gemeentewet heeft geen gevolgen voor de geldigheid van de op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet geldende besluiten.
2. Besluiten als bedoeld in het eerste lid die algemeen verbindende voorschriften bevatten waarvan de inhoud in strijd is met deze wet, worden binnen twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet daarmee in overeenstemming gebracht of ingetrokken. De besluiten, of onderdelen daarvan, die bij het verstrijken van de in de vorige volzin genoemde termijn niet met deze wet in overeenstemming zijn gebracht of zijn ingetrokken, zijn van rechtswege vervallen.
3. Besluiten van gedeputeerde staten, bedoeld in [artikel 100, eerste lid van de gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=VII&paragraaf=1&artikel=100&z=2006-10-01&g=2006-10-01) vervallen van rechtswege op de dag waarop deze wet in werking treedt.
4. Niettemin blijven gedeputeerde staten na de inwerkingtreding van deze wet bevoegd de jaarwedde van wethouders over de periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet vast te stellen overeenkomstig [artikel 100, eerste lid, van de gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=VII&paragraaf=1&artikel=100&z=2006-10-01&g=2006-10-01).
5. Het derde en het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op jaarwedden van gemeentesecretarissen, bedoeld in [artikel 111, eerste lid, van de gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=1&artikel=111&z=2006-10-01&g=2006-10-01).
##### Artikel 291
Ten aanzien van de bij de inwerkingtreding van deze wet zitting hebbende leden van de raad en wethouders zijn tot hun aftreden de [artikelen, 15, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=15&z=2006-10-01&g=2006-10-01), en [45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=III&artikel=45&z=2006-10-01&g=2006-10-01) slechts van toepassing voor zover de gemeentewet ter zake eveneens een verbod inhield.
##### Artikel 292
In afwijking van [artikel 89, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=V&paragraaf=2&artikel=89&z=2006-10-01&g=2006-10-01), is [artikel 13, eerste lid, onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=13&z=2006-10-01&g=2006-10-01), met betrekking tot bij de inwerkingtreding van deze wet bestaande commissies eerst van overeenkomstige toepassing ten aanzien van leden die zijn benoemd verklaard na de tweede verkiezing van de commissie die na de inwerkingtreding van deze wet wordt gehouden.
##### Artikel 293
In gemeenten die afdelingen of dorpen met een afzonderlijk vermogen en afzonderlijke inkomsten en lasten hebben, gaan dit vermogen en deze inkomsten en lasten op in de algemene huishouding van de gemeente, indien niet door het gemeentebestuur binnen drie jaar na de dag van inwerkingtreding van deze wet een andere voorziening is getroffen.
##### Artikel 294
Ten aanzien van het aantal wethouders blijft tot het eerste periodieke aftreden van de wethouders na de inwerkingtreding van deze wet artikel 86 van de gemeentewet van toepassing.
##### Artikel 295
Aanwijzingen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de gemeentewet, blijven van kracht totdat zij bij koninklijk besluit worden ingetrokken. Tot dat tijdstip blijft artikel 2, derde lid, van de gemeentewet van toepassing.
##### Artikel 296
De [artikelen 44, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=III&artikel=44&z=2006-10-01&g=2006-10-01), en [66, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IV&artikel=66&z=2006-10-01&g=2006-10-01), treden in werking op de dag van het eerste periodieke aftreden van de wethouders na de inwerkingtreding van deze wet.
##### Artikel 297
Verzoeken tot ontheffing en om toestemming als bedoeld in de artikelen 81 en 82 van de gemeentewet die bij de Kroon onderscheidenlijk Onze Minister zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze wet en waarop door de Kroon onderscheidenlijk Onze Minister voor de dag van de inwerkingtreding nog niet is beschikt, worden overgedragen aan de commissaris van de Koning.
##### Artikel 298
Ten aanzien van degenen die op de dag van inwerkingtreding van deze wet het ambt van burgemeester vervullen is tot het eerste periodieke aftreden van de wethouders na de inwerkingtreding van deze wet [artikel 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IV&artikel=68&z=2006-10-01&g=2006-10-01) slechts van toepassing voor zover de gemeentewet ter zake een verbod inhield.
##### Artikel 299
1. Ten aanzien van verplichtingen als bedoeld in [artikel 110, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=1&artikel=110&z=2006-10-01&g=2006-10-01), die gelden op de dag voor die van de inwerkingtreding van deze wet, vangt de termijn, bedoeld in [artikel 110, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=1&artikel=110&z=2006-10-01&g=2006-10-01), aan op de dag na die van de inwerkingtreding.
2. [Artikel 110, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=1&artikel=110&z=2006-10-01&g=2006-10-01), is niet van toepassing op verplichtingen als bedoeld in [artikel 110, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=1&artikel=110&z=2006-10-01&g=2006-10-01), die zijn genoemd in de bijlage, behorende bij deze wet.
3. Ten aanzien van voorschriften als bedoeld in [artikel 110, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=1&artikel=110&z=2006-10-01&g=2006-10-01), die gelden op de dag voor die van de inwerkingtreding van deze wet, vangt de termijn genoemd in dat lid, aan op de dag na die van de inwerkingtreding.
##### Artikel 299a
Vervallen
##### Artikel 299b
Vervallen
##### Artikel 300
[Artikel 153](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=IX&artikel=153&z=2006-10-01&g=2006-10-01) is niet van toepassing op beroepschriften die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze wet.
##### Artikel 300a
Vervallen
##### Artikel 300b
Vervallen
##### Artikel 301
De in [artikel 150](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=IX&artikel=150&z=2006-10-01&g=2006-10-01) bedoelde verordening wordt vastgesteld binnen een jaar na de dag van inwerkingtreding van deze wet.
##### Artikel 302
Artikel 151 van de gemeentewet blijft van kracht ten aanzien van wetten die tot stand zijn gekomen voor de dag van inwerkingtreding van deze wet.
##### Artikel 303
Voor bij koninklijk besluit aan te wijzen begrotingsjaren blijven de artikelen 242 tot en met 244, 245a, 245aa, 247, 249 en 250 van de gemeentewet van toepassing. In het koninklijk besluit kunnen regels worden gesteld omtrent de toepassing van de in de eerste volzin genoemde artikelen.
##### Artikel 304
1. Onverminderd het bepaalde in [artikel 290, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=VII&artikel=290&z=2006-10-01&g=2006-10-01), blijven besluiten inzake gemeentelijke belastingverordeningen als bedoeld in [artikel 216 van deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=1&artikel=216&z=2006-10-01&g=2006-10-01), van toepassing met betrekking tot de heffing over voordien aangevangen belastingjaren of zich voordien voorgedaan hebbende belastbare feiten.
2. In afwijking van het bepaalde in [290, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=VII&artikel=290&z=2006-10-01&g=2006-10-01), vervallen de besluiten inzake gemeentelijke belastingverordeningen, bedoeld in de artikelen 273a en 274 van de gemeentewet, bij het verstrijken van de termijn die daarvoor in de desbetreffende belastingverordening is gesteld. Het eerste lid is hierbij van overeenkomstige toepassing.
3. In afwijking van het bepaalde in [290, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=VII&artikel=290&z=2006-10-01&g=2006-10-01), vervallen besluiten inzake gemeentelijke belastingverordeningen als bedoeld in artikel 280 van de gemeentewet, zoals deze luidde voor de inwerkingtreding van de Wet van 24 december 1970 tot wijziging van de bepalingen inzake gemeentelijke en provinciale belastingen (Stb. 608), waarvan de heffing tot een bepaalde termijn is beperkt en waarvoor de mogelijkheid tot afkoop is gegeven, bij het verstrijken van de termijn die daarvoor in de desbetreffende belastingverordening is gesteld. Het eerste lid is hierbij van overeenkomstige toepassing.
4. Gemeentelijke verordeningen betreffende onroerende-zaakbelastingen, bedoeld in artikel 273, eerste lid, onder a en b, van de gemeentewet, moeten uiterlijk met ingang van 1 januari 1994 zijn aangepast aan [artikel 220, achtste lid, van deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=2&artikel=220&z=2006-10-01&g=2006-10-01).
5. Gemeentelijke verordeningen betreffende leges of rechten, bedoeld in artikel 277, eerste lid, onder a, b 1e, b 2e of b 4e, van de gemeentewet, moeten uiterlijk met ingang van 1 januari 1994 zijn aangepast aan [artikel 229 van deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=3&artikel=229&z=2006-10-01&g=2006-10-01). Voor zover de in de vorige volzin bedoelde verordeningen voor 1 januari 1994 nog niet zijn aangepast aan deze wet, blijft tot dat tijdstip artikel 279 van de gemeentewet van toepassing, zoals dit luidde voor de wijziging van de gemeentewet bij de Wet van 3 juli 1989 (**Stb.** 302).
##### Artikel 305
1. Met betrekking tot besluiten als bedoeld in [artikel 290, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=VII&artikel=290&z=2006-10-01&g=2006-10-01), en [artikel 304](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=VII&artikel=304&z=2006-10-01&g=2006-10-01), blijven titel VI van de tweede afdeling, eerste en tweede hoofdstuk van de gemeentewet, alsmede de op die hoofdstukken berustende uitvoeringsvoorschriften van kracht gedurende de in die artikelen bedoelde termijn.
2. Met betrekking tot besluiten als bedoeld in [artikel 304, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=VII&artikel=304&z=2006-10-01&g=2006-10-01), blijven de bepalingen uit de gemeentewet zoals deze luidde voor de inwerkingtreding van de Wet van 24 december 1970 (**Stb.** 608) van kracht gedurende de in dat artikel bedoelde termijn.
##### Artikel 305a
Vervallen
##### Artikel 306
De [artikelen 262 tot en met 266](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=V&hoofdstuk=XVI&artikel=262&z=2006-10-01&g=2006-10-01) zijn niet van toepassing op aan voorafgaand toezicht onderworpen besluiten die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze wet. Ten aanzien van die besluiten blijven de op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet geldende wettelijke bepalingen van kracht.
##### Artikel 307
1. Indien het bij koninklijke boodschap van 12 oktober 1990 ingediende voorstel van wet houdende herziening van [titel 4 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&titeldeel=4) en wijziging van enige andere bepalingen van dat wetboek, het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827) en het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) (kamerstukken 21 847) niet in werking is getreden op het moment dat deze wet in werking treedt, blijft artikel 183 van de gemeentewet van kracht totdat dat voorstel van wet in werking treedt.
2. Indien het in het eerste lid bedoelde voorstel van wet op een eerder tijdstip in werking treedt dan deze wet, vervalt artikel 183 van de gemeentewet op dat eerdere tijdstip.
##### Artikel 308
Indien het bij koninklijke boodschap van 10 maart 1990 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de binnentredingsbepalingen (kamerstukken 22 539) niet in werking is getreden op het moment dat deze wet in werking treedt, blijven de artikelen 153 en 154 van de gemeentewet van kracht totdat dat voorstel in werking treedt.
##### Artikel 309
1. Deze wet treedt in werking op een bij of krachtens de wet te bepalen tijdstip.
2. Voor de bekendmaking van deze wet stelt Onze Minister de nummering van de artikelen, paragrafen, hoofdstukken en titels van deze wet opnieuw vast, en brengt de in deze wet voorkomende aanhalingen van de artikelen, paragrafen, hoofdstukken en titels met de nieuwe nummering in overeenstemming.
##### Artikel 310
Deze wet kan worden aangehaald als: Gemeentewet.
## Bijlage. bedoeld in [artikel 299, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=VII&artikel=299&z=2002-03-07&g=2002-03-07), van de Gemeentewet
### Ministerie van Verkeer en Waterstaat
Wet Waterhuishouding (TK, 1986-1987, 17 367, nr. 8)
### Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
### Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
### Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
Alle verplichtingen, zoals bedoeld in [artikel 111, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=1&artikel=111&z=2002-03-07&g=2002-03-07), die voorkomen in de volgende wetten:
### Ministerie van Binnenlandse Zaken
[Wet rampen en zware ongevallen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003765), [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003765&artikel=3) en [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003765&artikel=7)
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 151b
1. De raad kan bij verordening de burgemeester de bevoegdheid verlenen om bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aan te wijzen als veiligheidsrisicogebied. In een veiligheidsrisicogebied kan de officier van justitie de bevoegdheden, bedoeld in de [artikelen 50, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=50), [51, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=51), en [52, derde lid, van de Wet wapens en munitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=52) toepassen.
2. De burgemeester gaat niet over tot aanwijzing als veiligheidsrisicogebied dan na overleg met de officier van justitie in het overleg, bedoeld in [artikel 14 van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=14).
3. De aanwijzing als veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een bepaalde duur die niet langer is en voor een gebied dat niet groter is dan strikt noodzakelijk voor de handhaving van de openbare orde.
4. De beslissing tot gebiedsaanwijzing wordt op schrift gesteld en bevat een omschrijving van het gebied waarop deze van toepassing is alsmede de geldigheidsduur. Indien de situatie dermate spoedeisend is dat de burgemeester de beslissing tot gebiedsaanwijzing niet tevoren op schrift kan stellen, zorgt hij alsnog zo spoedig mogelijk voor de opschriftstelling en voor de bekendmaking daarvan.
5. De burgemeester brengt de gebiedsaanwijzing zo spoedig mogelijk ter kennis van de raad en van de officier van justitie, bedoeld in het tweede lid.
6. Zodra de verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel de ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, bedoeld in het eerste lid, is geweken, trekt de burgemeester de gebiedsaanwijzing in. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing.
### Hoofdstuk X. De bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders
### Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van de burgemeester
## Titel IV. De financiën van de gemeente
### Hoofdstuk X. De bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders
### Hoofdstuk XIII. De begroting en de jaarrekening
#### § 1. De begroting
#### Paragraaf 2. De jaarrekening
#### § 3. Goedkeuring van de begroting
##### Artikel 230
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- a. Algemene wet: [Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320);
- b. heffing op andere wijze: heffing op andere wijze dan bij wege van aanslag of bij wege van voldoening op aangifte.
##### Artikel 231
1. Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde geschieden de heffing en de invordering van gemeentelijke belastingen met toepassing van de [Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320), de [Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770) en de [Kostenwet invordering rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002645) als waren die belastingen rijksbelastingen.
2. Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde gelden de bevoegdheden en de verplichtingen van de hierna vermelde, in de Algemene wet, de [Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770) en de [Kostenwet invordering rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002645) genoemde functionarissen, met betrekking tot de gemeentelijke belastingen voor de daarachter genoemde colleges of functionarissen:
- a. Onze Minister van Financiën, het bestuur van ’s Rijksbelastingen en de directeur: het college;
- b. de inspecteur: de gemeenteambtenaar, belast met de heffing van gemeentelijke belastingen;
- c. de ontvanger of een inzake rijksbelastingen bevoegde ontvanger: de gemeenteambtenaar belast met de invordering van gemeentelijke belastingen;
- d. de ambtenaren van de rijksbelastingdienst: de gemeenteambtenaren belast met de heffing of de invordering van gemeentelijke belastingen;
- e. de belastingdeurwaarder: de daartoe aangewezen gemeenteambtenaar;
- f. de Tweede Kamer der Staten-Generaal of de Tweede Kamer: de raad.
3. Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde wordt met betrekking tot gemeentelijke belastingen in de [Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320) en in de [Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770) voor «algemene maatregel van bestuur» en voor «ministeriële regeling» gelezen: besluit van het college.
4. Met betrekking tot gemeentelijke belastingen wordt in de [artikelen 27l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=27l), [27n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=27n), [27p](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=27p) en [29b van de Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=29b) voor «de Staat» gelezen: de gemeente.
##### Artikel 232
1. Het college kan bepalen dat voor de toezending of uitreiking van aanslagbiljetten ingevolge [artikel 8, eerste lid, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=8) voor de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-07-01&g=2006-07-01), bedoelde ambtenaar een andere gemeenteambtenaar in de plaats treedt.
2. De colleges van twee of meer gemeenten kunnen met betrekking tot een of meer gemeentelijke belastingen bepalen dat ambtenaren van een van die gemeenten worden aangewezen als:
- a. de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-07-01&g=2006-07-01), bedoelde ambtenaar van die gemeenten voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de heffing van gemeentelijke belastingen;
- b. de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-07-01&g=2006-07-01), bedoelde ambtenaar van die gemeenten voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de invordering van gemeentelijke belastingen;
- c. de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-07-01&g=2006-07-01), bedoelde ambtenaren van die gemeenten voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de heffing of de invordering van gemeentelijke belastingen;
- d. de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-07-01&g=2006-07-01), bedoelde ambtenaar van die gemeenten, voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de invordering van gemeentelijke belastingen.
3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het college van de gemeente waarvan de ambtenaar, belast met de invordering van gemeentelijke belastingen op grond van het tweede lid, onderdeel **b**, wordt aangewezen.
4. Indien voor de heffing of de invordering van gemeentelijke belastingen een gemeenschappelijke regeling is getroffen en bij die regeling een openbaar lichaam is ingesteld, kan bij of krachtens die regeling worden bepaald dat een daartoe aangewezen ambtenaar van dat openbare lichaam wordt aangewezen als:
- a. de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-07-01&g=2006-07-01), bedoelde ambtenaar van de gemeente voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de heffing van gemeentelijke belastingen;
- b. de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-07-01&g=2006-07-01), bedoelde ambtenaar van de gemeente voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de invordering van gemeentelijke belastingen;
- c. de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-07-01&g=2006-07-01), bedoelde ambtenaren van de gemeente voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de heffing of de invordering van gemeentelijke belastingen;
- d. de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-07-01&g=2006-07-01), bedoelde ambtenaar van de gemeente voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de invordering van gemeentelijke belastingen.
5. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam waarvan een ambtenaar op grond van het vierde lid, onderdeel b, wordt aangewezen.
##### Artikel 233
Gemeentelijke belastingen kunnen worden geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of op andere wijze, doch niet bij wege van afdracht op aangifte.
##### Artikel 233a
1. Indien de gemeentelijke belastingen op andere wijze worden geheven, bepaalt de belastingverordening op welke wijze deze worden geheven en de wijze waarop de belastingschuld aan de belastingplichtige wordt bekendgemaakt. De belastingverordening kan daarnaast bepalen dat het college omtrent de uitvoering van een en ander nadere regels geeft.
2. De op andere wijze geheven belastingen worden voor de toepassing van de [Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320) en de [Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770) aangemerkt als bij wege van aanslag geheven belastingen, met dien verstande dat wordt verstaan onder:
- a. de aanslag, de voorlopige aanslag, de navorderingsaanslag: het gevorderde, onderscheidenlijk het voorlopig gevorderde, het nagevorderde bedrag;
- b. het aanslagbiljet: de kennisgeving van het in onderdeel **a** bedoelde bedrag;
- c. de dagtekening van het aanslagbiljet: de dagtekening van de schriftelijke kennisgeving van het in onderdeel **a** bedoelde bedrag, of bij gebreke van een schriftelijke kennisgeving, de datum waarop het bedrag op andere wijze ter kennis van de belastingplichtige is gebracht.
##### Artikel 234
1. De belasting, bedoeld in [artikel 225, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=3&artikel=225&z=2006-07-01&g=2006-07-01), wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte dan wel op andere wijze.
2. Als voldoening op aangifte wordt uitsluitend aangemerkt:
- a. het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van een parkeermeter of een parkeerautomaat op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college gestelde voorschriften;
- b. indien ingevolge [artikel 235, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=235&z=2006-07-01&g=2006-07-01), een wielklem is aangebracht, de voldoening op aangifte op de door het college bepaalde wijze.
3. In afwijking van [artikel 26, tweede lid, van de Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=26) kan tegen de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde voldoening op aangifte geen beroep worden ingesteld.
4. Ingeval een naheffingsaanslag wordt opgelegd, wordt deze berekend over een parkeerduur van een uur, tenzij aannemelijk is dat het voertuig langer dan een uur zonder betaling geparkeerd heeft gestaan.
5. De [artikelen 67b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=67b), [67c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=67c) en [67f van de Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=67f) blijven buiten toepassing.
6. Ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag worden kosten in rekening gebracht. Deze kosten maken onderdeel uit van de naheffingsaanslag en worden afzonderlijk op het aanslagbiljet vermeld. Ten aanzien van hetzelfde voertuig worden per aaneengesloten periode de kosten niet vaker dan eenmaal per kalenderdag in rekening gebracht.
7. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze van berekening en de maximale hoogte van de in het zesde lid bedoelde kosten. In de belastingverordening wordt het bedrag van de in rekening te brengen kosten bepaald.
8. In afwijking van [artikel 8, eerste lid, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=8) kan, indien het niet mogelijk is het aanslagbiljet terstond aan de belastingschuldige uit te reiken, worden volstaan met het aanbrengen van het aanslagbiljet op of aan het voertuig. Alsdan vermeldt het aanslagbiljet niet de naam van de belastingschuldige maar het kenteken van het voertuig. Bij gebreke van een kenteken vermeldt het aanslagbiljet een of meer gegevens die kenmerkend zijn voor het geparkeerde voertuig.
9. De naheffingsaanslag is dadelijk en ineens invorderbaar.
##### Artikel 234a
Vervallen
##### Artikel 234b
Vervallen
##### Artikel 235
1. Bij de belastingverordening, bedoeld in [artikel 225, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=3&artikel=225&z=2006-07-01&g=2006-07-01), kan worden bepaald dat terstond nadat het aanslagbiljet aan de belastingschuldige is uitgereikt dan wel terstond nadat het aanslagbiljet, overeenkomstig [artikel 234, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=234&z=2006-07-01&g=2006-07-01), aan het voertuig is aangebracht, de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-07-01&g=2006-07-01), bedoelde gemeenteambtenaar bevoegd is tot zekerheid van de betaling van de naheffingsaanslag, bedoeld in [artikel 234, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=234&z=2006-07-01&g=2006-07-01), aan het voertuig een mechanisch hulpmiddel, hierna te noemen: wielklem, te doen aanbrengen, waardoor wordt verhinderd dat het voertuig wordt weggereden.
2. Bij de belastingverordening dan wel krachtens de belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen door het college worden de terreinen of weggedeelten aangewezen waar de wielklem wordt toegepast.
3. Ter zake van het aanbrengen alsmede van het verwijderen van de wielklem worden kosten in rekening gebracht.
4. De wielklem wordt niet verwijderd dan nadat de naheffingsaanslag alsmede de kosten van het aanbrengen en van het verwijderen van de wielklem zijn voldaan. Na deze voldoening vindt de verwijdering van de wielklem zo spoedig mogelijk plaats.
5. Na afloop van een in de belastingverordening te bepalen termijn, die ten minste 24 uren bedraagt na aanbrenging van de wielklem, is de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-07-01&g=2006-07-01), bedoelde gemeenteambtenaar bevoegd het voertuig naar een door hem aangewezen plaats te doen overbrengen en in bewaring te doen stellen. Ter zake van de in de eerste volzin bedoelde overbrenging en bewaring wordt procesverbaal opgemaakt en worden kosten in rekening gebracht.
6. De in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-07-01&g=2006-07-01), bedoelde gemeenteambtenaar draagt er zorg voor dat in een daartoe aangelegd register aantekening wordt gemaakt van de gevallen waarin de in het vijfde lid bedoelde bevoegdheid wordt uitgeoefend.
7. De in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-07-01&g=2006-07-01), bedoelde gemeenteambtenaar draagt zorg voor de bewaring van de ingevolge het vijfde lid in bewaring gestelde voertuigen.
8. De in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-07-01&g=2006-07-01), bedoelde gemeenteambtenaar geeft het voertuig terug aan de rechthebbende, nadat de naheffingsaanslag, de kosten van het aanbrengen en verwijderen van de wielklem en de kosten van overbrenging en bewaring zijn voldaan.
9. Wanneer het voertuig binnen 48 uren na het in bewaring stellen niet is afgehaald, geeft de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-07-01&g=2006-07-01), bedoelde gemeenteambtenaar zo mogelijk binnen zeven dagen van de overbrenging en bewaring kennis:
- a. indien het voertuig een motorrijtuig is, dat een kenteken voert als bedoeld in [artikel 36, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=36), aan degene aan wie dat kenteken is opgegeven;
- b. indien blijkt dat ter zake van het voertuig aangifte van vermissing is gedaan, aan degene die aangifte heeft gedaan;
- c. in nader door Onze Minister te bepalen gevallen op de daarbij aangegeven wijze.
10. De kosten van opsporing van degene aan wie de kennisgeving wordt gezonden en die van het doen van de kennisgeving worden voor de toepassing van dit artikel gerekend tot de kosten van overbrenging en bewaring.
11. Wanneer het voertuig binnen drie maanden na het in bewaring stellen niet is afgehaald, is de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-07-01&g=2006-07-01), bedoelde gemeenteambtenaar bevoegd het te verkopen of, indien verkoop naar hun oordeel niet mogelijk is, het voertuig om niet aan een derde in eigendom over te dragen of te laten vernietigen. Gelijke bevoegdheid heeft de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-07-01&g=2006-07-01), bedoelde gemeenteambtenaar ook binnen die termijn, zodra het gezamenlijke bedrag van de naheffingsaanslag, de kosten van het aanbrengen en verwijderen van de wielklem en de kosten van overbrenging en bewaring, vermeerderd met de voor de verkoop, de eigendomsoverdracht om niet of de vernietiging geraamde kosten, in verhouding tot de waarde van het voertuig naar zijn mening onevenredig hoog zou worden. Verkoop, eigendomsoverdracht om niet of vernietiging vindt niet plaats binnen twee weken nadat de kennisgeving als bedoeld in het negende lid is uitgegaan. Voor de toepassing van de volgende leden worden de kosten van verkoop, eigendomsoverdracht om niet of vernietiging gerekend tot de kosten van overbrenging en bewaring.
12. Gedurende drie jaren na het tijdstip van de verkoop heeft degene, die op dat tijdstip eigenaar was, recht op de opbrengst van het voertuig, met dien verstande dat eerst de kosten van het aanbrengen en verwijderen van de wielklem en van het overbrengen en bewaren van het voertuig en vervolgens de naheffingsaanslag met die opbrengst worden verrekend. Na het verstrijken van die termijn vervalt het eventueel batige saldo aan de gemeente.
13. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze van berekening van de kosten van het aanbrengen en verwijderen van de wielklem en van het overbrengen en bewaren van het voertuig. In de belastingverordening wordt bepaald tot welke bedragen de kosten in rekening worden gebracht.
14. De in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-07-01&g=2006-07-01), bedoelde gemeenteambtenaar stelt het bedrag van de in rekening te brengen kosten vast bij voor bezwaar vatbare beschikking.
15. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de overbrenging, bewaring, verkoop, eigendomsoverdracht om niet en vernietiging, het inrichten en aanhouden van het in het zesde lid bedoelde register, alsmede omtrent hetgeen verder voor de uitvoering van dit artikel noodzakelijk is.
16. Indien aantoonbaar is dat door het aanbrengen of het verwijderen van de wielklem dan wel tijdens de overbrenging en bewaring schade aan het voertuig is toegebracht, is de gemeente gehouden deze schade te vergoeden.
##### Artikel 236
Bij de heffing van gemeentelijke belastingen blijven de [artikelen 2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=3), [37 tot en met 39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=37), [47a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=47a), [48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=48), [52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=52), [53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=53), [54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=54), [55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=55), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=62), [71](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=71), [76](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=76), [80, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=80), [82](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=82), [84](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=84), [86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=86), [87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=87) en [90 tot en met 95 van de Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=90) buiten toepassing. Bij de heffing van gemeentelijke belastingen die op andere wijze worden geheven, blijven bovendien de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=5), [6 tot en met 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=6), [11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=11), en [12 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=12) buiten toepassing.
##### Artikel 237
1. Het uitnodigen tot het doen van aangifte, bedoeld in [artikel 6 van de Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=6), geschiedt door het uitreiken van een aangiftebiljet.
2. Het doen van aangifte, bedoeld in [artikel 8 van de Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=8), geschiedt door het inleveren of toezenden van het uitgereikte aangiftebiljet met de daarbij gevraagde bescheiden.
3. In afwijking in zoverre van de vorige leden kan de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-07-01&g=2006-07-01), bedoelde gemeenteambtenaar vorderen dat een verplichting tot het doen van aangifte of tot het indienen van een verzoek om uitreiking van een aangiftebiljet wordt nagekomen door het mondeling doen van aangifte. Daarbij:
- a. worden de door de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-07-01&g=2006-07-01), bedoelde gemeenteambtenaar gevraagde bescheiden overgelegd;
- b. kan de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-07-01&g=2006-07-01), bedoelde gemeenteambtenaar vorderen dat een van de mondelinge aangifte opgemaakt relaas door de aangever wordt ondertekend, bij gebreke waarvan de aangifte geacht wordt niet te zijn gedaan.
4. Indien het derde lid toepassing vindt, kan de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-07-01&g=2006-07-01), bedoelde gemeenteambtenaar voor de termijnen, genoemd in [artikel 9, eerste lid en derde lid, eerste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=9), [artikel 10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=10), en [artikel 19, eerste, derde en vierde lid, van de Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=19) of voor de kortere termijn, bedoeld in [artikel 238, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=238&z=2006-07-01&g=2006-07-01), kortere termijnen in de plaats stellen en is [artikel 12 van de Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=12) niet van toepassing.
5. Bij de belastingverordening kan van het eerste en tweede lid worden afgeweken.
##### Artikel 238
1. Met betrekking tot de bij wege van aanslag geheven gemeentelijke belastingen kan in de belastingverordening voor de in [artikel 9, eerste en derde lid, van de Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=9) genoemde termijn van ten minste een maand een kortere termijn in de plaats worden gesteld.
2. Met betrekking tot de bij wege van voldoening op aangifte geheven gemeentelijke belastingen kan in de belastingverordening voor de termijn van een maand, genoemd in [artikel 10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=10), en [artikel 19, eerste, derde en vierde lid, van de Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=19), een kortere termijn in de plaats worden gesteld.
##### Artikel 239
1. De in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-07-01&g=2006-07-01), bedoelde gemeenteambtenaar is bevoegd voor eenzelfde belastingplichtige bestemde belastingaanslagen van dezelfde soort die betrekking kunnen hebben op verschillende belastingen, op één aanslagbiljet te verenigen.
2. Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ingeval de belasting op andere wijze wordt geheven.
##### Artikel 240
Vervallen
##### Artikel 241
Vervallen
##### Artikel 242
1. Degene die ingevolge de belastingverordening aanspraak kan maken op een gehele of gedeeltelijke vrijstelling, vermindering, ontheffing of teruggaaf, kan binnen zes weken nadat de omstandigheid welke die aanspraak deed ontstaan, zich heeft voorgedaan, of, voor zover het een belasting betreft die bij wege van aanslag wordt geheven en op dat tijdstip nog geen aanslagbiljet is uitgereikt of is toegezonden, binnen zes weken na de dagtekening van het aanslagbiljet, een aanvraag tot het verkrijgen van vrijstelling, vermindering, ontheffing of teruggaaf indienen bij de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-07-01&g=2006-07-01), bedoelde gemeenteambtenaar.
2. Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ingeval de belasting op andere wijze wordt geheven.
3. De in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-07-01&g=2006-07-01), bedoelde gemeenteambtenaar beslist op de aanvraag bij voor bezwaar vatbare beschikking.
##### Artikel 243
In de gevallen waarin het volkenrecht dan wel, naar het oordeel van Onze Minister en Onze Minister van Financiën, het internationale gebruik daartoe noodzaakt, wordt vrijstelling van gemeentelijke belastingen verleend. Onze genoemde Ministers kunnen gezamenlijk ter zake nadere regels stellen.
##### Artikel 244
Naast een in de belastingverordening voorziene vermindering, ontheffing of teruggaaf kan de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-07-01&g=2006-07-01), bedoelde gemeenteambtenaar ook een in de belastingverordening voorziene vrijstelling ambtshalve verlenen.
##### Artikel 245
Vervallen
##### Artikel 246
Vervallen
##### Artikel 246a
1. Met betrekking tot gemeentelijke belastingen kunnen bij algemene maatregel van bestuur:
- a. regels worden gesteld waarbij de [artikelen 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=48), [52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=52), [53, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=53), [54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=54) of [55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=55), alsmede de [artikelen 59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=59) of [62 van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=62) geheel of gedeeltelijk van toepassing worden verklaard, dan wel
- b. regels worden gesteld die overeenkomen met die in de in onderdeel **a** genoemde artikelen.
2. De in het eerste lid bedoelde regels bevatten in elk geval een omschrijving van degene op wie de verplichting rust, alsmede van de belasting ten behoeve waarvan de verplichting geldt. Voorts vermelden deze regels naar gelang de aard van de verplichting een omschrijving van de aard van de te verstrekken gegevens en inlichtingen, van de aard van de gegevens welke uit de administratie dienen te blijken of van het doel waarvoor het voor raadpleging beschikbaar stellen van gegevensdragers kan geschieden.
##### Artikel 247
Vervallen
##### Artikel 248
Vervallen
##### Artikel 249
Bij de invordering van gemeentelijke belastingen blijven van de [Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770) buiten toepassing de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=5), [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=20), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=21)[59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=59), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=62) en [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=69). Bij de invordering van gemeentelijke belastingen die op andere wijze worden geheven, blijven bovendien de [artikelen 7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=7), en [8, eerste lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=8) buiten toepassing.
##### Artikel 250
1. De belastingverordening kan van [artikel 9 van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=9) afwijkende voorschriften inhouden.
2. De belastingverordening kan bepalen dat het verschuldigde bedrag moet worden betaald gelijktijdig met en op dezelfde wijze als de voldoening van een andere vordering aan de schuldeiser van die andere vordering.
##### Artikel 250a
Vervallen
##### Artikel 251
Vervallen
##### Artikel 251a
Vervallen
##### Artikel 252
De verrekening van aan de belastingschuldige uit te betalen en van hem te innen bedragen ter zake van gemeentelijke belastingen op de voet van [artikel 24 van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=24) is ook mogelijk ingeval de in [artikel 9 van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=9) gestelde termijn, dan wel de krachtens [artikel 250, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=250&z=2006-07-01&g=2006-07-01), gestelde termijn nog niet is verstreken.
##### Artikel 253
1. Indien ter zake van hetzelfde voorwerp van de belasting of hetzelfde belastbare feit twee of meer personen belastingplichtig zijn, kan de belastingaanslag ten name van een van hen worden gesteld.
2. Indien de belastingplicht, bedoeld in het eerste lid, voortvloeit uit het genot van een onroerende zaak krachtens eigendom, bezit of beperkt recht en de aanslag ten name van één van de belastingplichtigen is gesteld, kan de met de invordering van gemeentelijke belastingen belaste gemeenteambtenaar de belastingaanslag op de gehele onroerende zaak verhalen ten name van degene te wiens name de aanslag is gesteld, zonder rekening te houden met de rechten van de overige belastingplichtigen.
3. De belastingschuldige die de belastingaanslag heeft voldaan kan hetgeen hij meer heeft voldaan dan overeenkomt met zijn belastingplicht verhalen op de overige belastingplichtigen naar evenredigheid van ieders belastingplicht.
4. Tegen een met toepassing van het eerste lid vastgestelde belastingaanslag kan mede beroep bij de rechtbank worden ingesteld door de belastingplichtige wiens naam niet op het aanslagbiljet staat vermeld. [Artikel 26a, derde lid, van de Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=26a) is van overeenkomstige toepassing.
5. Van het derde lid kan bij overeenkomst worden afgeweken.
##### Artikel 254
Voor de toepassing van [artikel 66 van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=66) met betrekking tot gemeentelijke belastingen blijven de [artikelen 76](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=76), [80, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=80), [82](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=82), [84](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=84), [86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=86) en [87 van de Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=87) buiten toepassing.
##### Artikel 255
1. De in [artikel 26 van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=26) bedoelde kwijtschelding wordt met betrekking tot gemeentelijke belastingen verleend door de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=4&artikel=231&z=2006-07-01&g=2006-07-01), bedoelde gemeenteambtenaar.
2. Met betrekking tot het verlenen van gehele of gedeeltelijke kwijtschelding zijn de krachtens [artikel 26 van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=26) door Onze Minister van Financiën bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.
3. De raad kan bepalen dat, in afwijking van de in het tweede lid bedoelde regels, in het geheel geen dan wel gedeeltelijk kwijtschelding wordt verleend.
4. Met inachtneming van door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, te stellen regels kan de raad met betrekking tot de wijze waarop de kosten van bestaan in aanmerking worden genomen afwijkende regels stellen die er toe leiden dat in ruimere mate kwijtschelding wordt verleend.
5. Het college kan de belasting geheel of gedeeltelijk oninbaar verklaren. Het daartoe strekkende besluit ontheft de gemeenteambtenaar belast met de invordering van gemeentelijke belastingen van de verplichting verdere pogingen tot invordering te doen.
##### Artikel 255a
Vervallen
##### Artikel 256
Indien ter zake van een gemeentelijke belasting exploot moet worden gedaan, een akte van vervolging betekend of een dwangbevel ten uitvoer gelegd in een andere gemeente dan die aan welke de belasting is verschuldigd, is daartoe naast de belastingdeurwaarder van laatstbedoelde gemeente mede de belastingdeurwaarder van eerstbedoelde gemeente bevoegd en desgevraagd verplicht.
##### Artikel 257
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen inzake de belastingen, bedoeld in [artikel 220](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=2&artikel=220&z=2006-07-01&g=2006-07-01), nadere, zo nodig afwijkende, regels worden gegeven inzake de heffing en de invordering, alsmede inzake alle gemeentelijke belastingen andere in het kader van deze paragraaf passende nadere regels ter aanvulling van de in deze paragraaf geregelde onderwerpen.
##### Artikel 258
Vervallen
### Hoofdstuk XIV. De administratie en de controle
### Hoofdstuk XV. De gemeentelijke belastingen
#### § 1. Algemene bepalingen
#### § 2. Bijzondere bepalingen omtrent de onroerende-zaakbelastingen
#### § 3. Bijzondere bepalingen omtrent de andere belastingen dan de onroerende-zaakbelastingen
#### § 3. Goedkeuring van de begroting
## Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het gemeentebestuur
### Hoofdstuk XVI. Goedkeuring
##### Artikel 259
1. Beslissingen van gemeentebesturen kunnen slechts aan goedkeuring worden onderworpen in bij de wet of krachtens de wet bij provinciale verordening bepaalde gevallen.
2. Ten aanzien van de goedkeuring van andere beslissingen dan besluiten zijn [artikel 266](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=V&hoofdstuk=XVI&artikel=266&z=2006-07-01&g=2006-07-01) alsmede [afdeling 10.2.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.2.1) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 260
Vervallen
##### Artikel 261
Vervallen
##### Artikel 262
Vervallen
##### Artikel 263
Vervallen
##### Artikel 264
Vervallen
##### Artikel 265
Vervallen
##### Artikel 266
1. Een beslissing die aan goedkeuring bij koninklijk besluit is onderworpen, wordt toegezonden aan Onze Minister wie het aangaat.
2. Een voordracht tot onthouding van goedkeuring wordt gedaan door of mede door Onze Minister.
3. Onthouding van goedkeuring geschiedt niet, dan nadat de Raad van State is gehoord. De toepassing van [artikel 10:30, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:31) vindt in dat geval plaats voordat het ontwerp-besluit bij de Raad van State ter overweging wordt gebracht. [Artikel 18**a** van de Wet op de Raad van State](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002367&artikel=18a) is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 267
Vervallen
### Hoofdstuk XVII. Schorsing en vernietiging
##### Artikel 268
1. Een besluit dan wel een niet-schriftelijke beslissing gericht op enig rechtsgevolg van het gemeentebestuur kan bij koninklijk besluit worden vernietigd.
2. Ten aanzien van de vernietiging van een niet-schriftelijke beslissing gericht op enig rechtsgevolg zijn de [artikelen 273 tot en met 281a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=V&hoofdstuk=XVII&artikel=273&z=2006-07-01&g=2006-07-01) alsmede de [afdelingen 10.2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.2.2) en [10.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.2.3) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 269
Vervallen
##### Artikel 270
Vervallen
##### Artikel 271
Vervallen
##### Artikel 272
Vervallen
##### Artikel 273
1. Indien een besluit naar het oordeel van de burgemeester voor vernietiging in aanmerking komt, doet hij daarvan binnen twee dagen nadat het te zijner kennis is gekomen, door tussenkomst van gedeputeerde staten, mededeling aan Onze Minister wie het aangaat. Hij geeft hiervan tegelijkertijd kennis aan het orgaan dat het besluit nam, en zo nodig aan het orgaan dat met de uitvoering van het besluit is belast.
2. Gedeputeerde staten zenden de stukken, vergezeld van hun advies, binnen een week na de dagtekening van de mededeling van de burgemeester toe aan Onze Minister wie het aangaat.
3. Het besluit ten aanzien waarvan het eerste lid toepassing heeft gevonden, wordt niet of niet verder uitgevoerd, voordat van Onze Minister wie het aangaat de mededeling is ontvangen, dat voor schorsing of vernietiging geen redenen bestaan. Indien het besluit niet binnen vier weken na de dagtekening van de mededeling van de burgemeester is geschorst of vernietigd, wordt het uitgevoerd.
##### Artikel 274
1. Een voordracht tot schorsing wordt gedaan door Onze Minister wie het aangaat.
2. Over de voordracht pleegt Onze Minister wie het aangaat overleg met Onze Minister, tenzij schorsing onverwijld plaats dient te vinden. In de voordracht wordt het achterwege blijven van overleg gemotiveerd.
##### Artikel 275
Vervallen
##### Artikel 276
Vervallen
##### Artikel 277
Indien een bekend gemaakt besluit niet is vernietigd binnen de tijd waarvoor het is geschorst, wordt hiervan door het gemeentebestuur openbaar kennis gegeven.
##### Artikel 278
1. De voordracht tot vernietiging wordt gedaan door of mede door Onze Minister.
2. [Artikel 15, derde lid, van de Wet op de Raad van State](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002367&artikel=15) is niet van toepassing.
##### Artikel 279
Het koninklijk besluit tot schorsing, opheffing of verlenging van de schorsing of tot vernietiging wordt in het **Staatsblad** geplaatst.
##### Artikel 280
Vervallen
##### Artikel 281
Het gemeentebestuur neemt opnieuw een besluit omtrent het onderwerp van het vernietigde besluit, waarbij met het koninklijk besluit wordt rekening gehouden.
##### Artikel 281a
1. In afwijking van [artikel 8:4, onderdeel **a**, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:4) kan een belanghebbende tegen een koninklijk besluit als bedoeld in [artikel 268, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=V&hoofdstuk=XVII&artikel=268&z=2006-07-01&g=2006-07-01), dan wel tegen een vernietigingsbesluit als bedoeld in de [artikelen 85, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=V&paragraaf=1&artikel=85&z=2006-07-01&g=2006-07-01), en [87a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=V&paragraaf=2&artikel=87a&z=2006-07-01&g=2006-07-01), beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. [Artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:1) is niet van toepassing
2. In afwijking van [artikel 6:2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:2) kan geen beroep worden ingesteld tegen de weigering om de vernietiging te bevorderen en tegen het niet tijdig nemen van een besluit tot vernietiging.
## Titel VI
##### Artikel 282
Vervallen
##### Artikel 283
Vervallen
##### Artikel 284
Vervallen
##### Artikel 285
Vervallen
##### Artikel 286
Vervallen
##### Artikel 287
Vervallen
##### Artikel 288
Vervallen
##### Artikel 288a
Vervallen
## Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen
##### Artikel 289
De gemeentewet (**Stb.** 1931, 89) wordt ingetrokken.
##### Artikel 290
1. De intrekking van de gemeentewet heeft geen gevolgen voor de geldigheid van de op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet geldende besluiten.
2. Besluiten als bedoeld in het eerste lid die algemeen verbindende voorschriften bevatten waarvan de inhoud in strijd is met deze wet, worden binnen twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet daarmee in overeenstemming gebracht of ingetrokken. De besluiten, of onderdelen daarvan, die bij het verstrijken van de in de vorige volzin genoemde termijn niet met deze wet in overeenstemming zijn gebracht of zijn ingetrokken, zijn van rechtswege vervallen.
3. Besluiten van gedeputeerde staten, bedoeld in [artikel 100, eerste lid van de gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=VII&paragraaf=1&artikel=100&z=2006-07-01&g=2006-07-01) vervallen van rechtswege op de dag waarop deze wet in werking treedt.
4. Niettemin blijven gedeputeerde staten na de inwerkingtreding van deze wet bevoegd de jaarwedde van wethouders over de periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet vast te stellen overeenkomstig [artikel 100, eerste lid, van de gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=VII&paragraaf=1&artikel=100&z=2006-07-01&g=2006-07-01).
5. Het derde en het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op jaarwedden van gemeentesecretarissen, bedoeld in [artikel 111, eerste lid, van de gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=1&artikel=111&z=2006-07-01&g=2006-07-01).
##### Artikel 291
Ten aanzien van de bij de inwerkingtreding van deze wet zitting hebbende leden van de raad en wethouders zijn tot hun aftreden de [artikelen, 15, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=15&z=2006-07-01&g=2006-07-01), en [45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=III&artikel=45&z=2006-07-01&g=2006-07-01) slechts van toepassing voor zover de gemeentewet ter zake eveneens een verbod inhield.
##### Artikel 292
In afwijking van [artikel 89, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=V&paragraaf=2&artikel=89&z=2006-07-01&g=2006-07-01), is [artikel 13, eerste lid, onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=13&z=2006-07-01&g=2006-07-01), met betrekking tot bij de inwerkingtreding van deze wet bestaande commissies eerst van overeenkomstige toepassing ten aanzien van leden die zijn benoemd verklaard na de tweede verkiezing van de commissie die na de inwerkingtreding van deze wet wordt gehouden.
##### Artikel 293
In gemeenten die afdelingen of dorpen met een afzonderlijk vermogen en afzonderlijke inkomsten en lasten hebben, gaan dit vermogen en deze inkomsten en lasten op in de algemene huishouding van de gemeente, indien niet door het gemeentebestuur binnen drie jaar na de dag van inwerkingtreding van deze wet een andere voorziening is getroffen.
##### Artikel 294
Ten aanzien van het aantal wethouders blijft tot het eerste periodieke aftreden van de wethouders na de inwerkingtreding van deze wet artikel 86 van de gemeentewet van toepassing.
##### Artikel 295
Aanwijzingen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de gemeentewet, blijven van kracht totdat zij bij koninklijk besluit worden ingetrokken. Tot dat tijdstip blijft artikel 2, derde lid, van de gemeentewet van toepassing.
##### Artikel 296
De [artikelen 44, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=III&artikel=44&z=2006-07-01&g=2006-07-01), en [66, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IV&artikel=66&z=2006-07-01&g=2006-07-01), treden in werking op de dag van het eerste periodieke aftreden van de wethouders na de inwerkingtreding van deze wet.
##### Artikel 297
Verzoeken tot ontheffing en om toestemming als bedoeld in de artikelen 81 en 82 van de gemeentewet die bij de Kroon onderscheidenlijk Onze Minister zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze wet en waarop door de Kroon onderscheidenlijk Onze Minister voor de dag van de inwerkingtreding nog niet is beschikt, worden overgedragen aan de commissaris van de Koning.
##### Artikel 298
Ten aanzien van degenen die op de dag van inwerkingtreding van deze wet het ambt van burgemeester vervullen is tot het eerste periodieke aftreden van de wethouders na de inwerkingtreding van deze wet [artikel 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IV&artikel=68&z=2006-07-01&g=2006-07-01) slechts van toepassing voor zover de gemeentewet ter zake een verbod inhield.
##### Artikel 299
1. Ten aanzien van verplichtingen als bedoeld in [artikel 110, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=1&artikel=110&z=2006-07-01&g=2006-07-01), die gelden op de dag voor die van de inwerkingtreding van deze wet, vangt de termijn, bedoeld in [artikel 110, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=1&artikel=110&z=2006-07-01&g=2006-07-01), aan op de dag na die van de inwerkingtreding.
2. [Artikel 110, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=1&artikel=110&z=2006-07-01&g=2006-07-01), is niet van toepassing op verplichtingen als bedoeld in [artikel 110, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=1&artikel=110&z=2006-07-01&g=2006-07-01), die zijn genoemd in de bijlage, behorende bij deze wet.
3. Ten aanzien van voorschriften als bedoeld in [artikel 110, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=1&artikel=110&z=2006-07-01&g=2006-07-01), die gelden op de dag voor die van de inwerkingtreding van deze wet, vangt de termijn genoemd in dat lid, aan op de dag na die van de inwerkingtreding.
##### Artikel 299a
Vervallen
##### Artikel 299b
Vervallen
##### Artikel 300
[Artikel 153](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=IX&artikel=153&z=2006-07-01&g=2006-07-01) is niet van toepassing op beroepschriften die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze wet.
##### Artikel 300a
Vervallen
##### Artikel 300b
Vervallen
##### Artikel 301
De in [artikel 150](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=IX&artikel=150&z=2006-07-01&g=2006-07-01) bedoelde verordening wordt vastgesteld binnen een jaar na de dag van inwerkingtreding van deze wet.
##### Artikel 302
Artikel 151 van de gemeentewet blijft van kracht ten aanzien van wetten die tot stand zijn gekomen voor de dag van inwerkingtreding van deze wet.
##### Artikel 303
Voor bij koninklijk besluit aan te wijzen begrotingsjaren blijven de artikelen 242 tot en met 244, 245a, 245aa, 247, 249 en 250 van de gemeentewet van toepassing. In het koninklijk besluit kunnen regels worden gesteld omtrent de toepassing van de in de eerste volzin genoemde artikelen.
##### Artikel 304
1. Onverminderd het bepaalde in [artikel 290, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=VII&artikel=290&z=2006-07-01&g=2006-07-01), blijven besluiten inzake gemeentelijke belastingverordeningen als bedoeld in [artikel 216 van deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=1&artikel=216&z=2006-07-01&g=2006-07-01), van toepassing met betrekking tot de heffing over voordien aangevangen belastingjaren of zich voordien voorgedaan hebbende belastbare feiten.
2. In afwijking van het bepaalde in [290, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=VII&artikel=290&z=2006-07-01&g=2006-07-01), vervallen de besluiten inzake gemeentelijke belastingverordeningen, bedoeld in de artikelen 273a en 274 van de gemeentewet, bij het verstrijken van de termijn die daarvoor in de desbetreffende belastingverordening is gesteld. Het eerste lid is hierbij van overeenkomstige toepassing.
3. In afwijking van het bepaalde in [290, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=VII&artikel=290&z=2006-07-01&g=2006-07-01), vervallen besluiten inzake gemeentelijke belastingverordeningen als bedoeld in artikel 280 van de gemeentewet, zoals deze luidde voor de inwerkingtreding van de Wet van 24 december 1970 tot wijziging van de bepalingen inzake gemeentelijke en provinciale belastingen (Stb. 608), waarvan de heffing tot een bepaalde termijn is beperkt en waarvoor de mogelijkheid tot afkoop is gegeven, bij het verstrijken van de termijn die daarvoor in de desbetreffende belastingverordening is gesteld. Het eerste lid is hierbij van overeenkomstige toepassing.
4. Gemeentelijke verordeningen betreffende onroerende-zaakbelastingen, bedoeld in artikel 273, eerste lid, onder a en b, van de gemeentewet, moeten uiterlijk met ingang van 1 januari 1994 zijn aangepast aan [artikel 220, achtste lid, van deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=2&artikel=220&z=2006-07-01&g=2006-07-01).
5. Gemeentelijke verordeningen betreffende leges of rechten, bedoeld in artikel 277, eerste lid, onder a, b 1e, b 2e of b 4e, van de gemeentewet, moeten uiterlijk met ingang van 1 januari 1994 zijn aangepast aan [artikel 229 van deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XV&paragraaf=3&artikel=229&z=2006-07-01&g=2006-07-01). Voor zover de in de vorige volzin bedoelde verordeningen voor 1 januari 1994 nog niet zijn aangepast aan deze wet, blijft tot dat tijdstip artikel 279 van de gemeentewet van toepassing, zoals dit luidde voor de wijziging van de gemeentewet bij de Wet van 3 juli 1989 (**Stb.** 302).
##### Artikel 305
1. Met betrekking tot besluiten als bedoeld in [artikel 290, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=VII&artikel=290&z=2006-07-01&g=2006-07-01), en [artikel 304](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=VII&artikel=304&z=2006-07-01&g=2006-07-01), blijven titel VI van de tweede afdeling, eerste en tweede hoofdstuk van de gemeentewet, alsmede de op die hoofdstukken berustende uitvoeringsvoorschriften van kracht gedurende de in die artikelen bedoelde termijn.
2. Met betrekking tot besluiten als bedoeld in [artikel 304, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=VII&artikel=304&z=2006-07-01&g=2006-07-01), blijven de bepalingen uit de gemeentewet zoals deze luidde voor de inwerkingtreding van de Wet van 24 december 1970 (**Stb.** 608) van kracht gedurende de in dat artikel bedoelde termijn.
##### Artikel 305a
Vervallen
##### Artikel 306
De [artikelen 262 tot en met 266](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=V&hoofdstuk=XVI&artikel=262&z=2006-07-01&g=2006-07-01) zijn niet van toepassing op aan voorafgaand toezicht onderworpen besluiten die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze wet. Ten aanzien van die besluiten blijven de op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet geldende wettelijke bepalingen van kracht.
##### Artikel 307
1. Indien het bij koninklijke boodschap van 12 oktober 1990 ingediende voorstel van wet houdende herziening van [titel 4 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&titeldeel=4) en wijziging van enige andere bepalingen van dat wetboek, het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827) en het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) (kamerstukken 21 847) niet in werking is getreden op het moment dat deze wet in werking treedt, blijft artikel 183 van de gemeentewet van kracht totdat dat voorstel van wet in werking treedt.
2. Indien het in het eerste lid bedoelde voorstel van wet op een eerder tijdstip in werking treedt dan deze wet, vervalt artikel 183 van de gemeentewet op dat eerdere tijdstip.
##### Artikel 308
Indien het bij koninklijke boodschap van 10 maart 1990 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de binnentredingsbepalingen (kamerstukken 22 539) niet in werking is getreden op het moment dat deze wet in werking treedt, blijven de artikelen 153 en 154 van de gemeentewet van kracht totdat dat voorstel in werking treedt.
##### Artikel 309
1. Deze wet treedt in werking op een bij of krachtens de wet te bepalen tijdstip.
2. Voor de bekendmaking van deze wet stelt Onze Minister de nummering van de artikelen, paragrafen, hoofdstukken en titels van deze wet opnieuw vast, en brengt de in deze wet voorkomende aanhalingen van de artikelen, paragrafen, hoofdstukken en titels met de nieuwe nummering in overeenstemming.
##### Artikel 310
Deze wet kan worden aangehaald als: Gemeentewet.
## Bijlage. bedoeld in [artikel 299, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=VII&artikel=299&z=2002-03-07&g=2002-03-07), van de Gemeentewet
## Bijlage. bedoeld in [artikel 299, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=VII&artikel=299&z=2002-10-01&g=2002-10-01), van de Gemeentewet
### Ministerie van Verkeer en Waterstaat
Wet Waterhuishouding (TK, 1986-1987, 17 367, nr. 8)
### Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen
Alle verplichtingen, zoals bedoeld in [artikel 111, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=1&artikel=111&z=2002-10-01&g=2002-10-01), die voorkomen in de volgende wetten:
### Ministerie van Binnenlandse Zaken
[Wet rampen en zware ongevallen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003765), [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003765&artikel=3) en [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003765&artikel=7)
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 81a
1. De raad kan een rekenkamer instellen.
2. Indien de raad een rekenkamer instelt, zijn de navolgende artikelen van dit hoofdstuk alsmede [hoofdstuk XIa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=XIa&z=2006-10-01&g=2006-10-01) van toepassing.
3. Indien de raad geen rekenkamer instelt, is [hoofdstuk IVb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVb&z=2006-10-01&g=2006-10-01) van toepassing.
##### Artikel 81b
De raad stelt het aantal leden van de rekenkamer vast.
##### Artikel 81c
1. De raad benoemt de leden van de rekenkamer voor de duur van zes jaar.
2. Indien de rekenkamer uit twee of meer leden bestaat, benoemt de raad uit de leden de voorzitter.
3. De raad kan plaatsvervangende leden benoemen. Indien de rekenkamer uit één lid bestaat, benoemt de raad in ieder geval een plaatsvervangend lid. Deze paragraaf is op plaatsvervangende leden van overeenkomstige toepassing.
4. De raad kan een lid herbenoemen.
5. Voorafgaand aan de benoemingen, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, pleegt de raad overleg met de rekenkamer.
6. Een lid van de rekenkamer wordt door de raad ontslagen:
- a. op eigen verzoek;
- b. bij de aanvaarding van een functie die onverenigbaar is met het lidmaatschap;
- c. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
- d. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, surséance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld;
- e. indien hij naar het oordeel van de raad ernstig nadeel toebrengt aan het in hem gestelde vertrouwen.
7. Een lid van de rekenkamer kan door de raad worden ontslagen:
- a. indien hij door ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is zijn functie te vervullen;
- b. indien hij handelt in strijd met [artikel 81h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVa&paragraaf=1&artikel=81h&z=2006-10-01&g=2006-10-01).
##### Artikel 81d
1. De raad stelt een lid van de rekenkamer op non-activiteit indien:
- a. hij zich in voorlopige hechtenis bevindt;
- b. hij bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
- c. hij onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, surséance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld ingevolge een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak.
2. De raad kan een lid van de rekenkamer op non-activiteit stellen, indien tegen hem een gerechtelijk onderzoek ter zake van een misdrijf wordt ingesteld of indien er een ander ernstig vermoeden is van het bestaan van feiten en omstandigheden die tot ontslag, anders dan op gronden vermeld in [artikel 81c, zesde lid, onder a, en zevende lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVa&paragraaf=1&artikel=81c&z=2006-10-01&g=2006-10-01), zouden kunnen leiden.
3. De raad beëindigt de non-activiteit zodra de grond voor de maatregel is vervallen, met dien verstande dat in een geval als bedoeld in het tweede lid de non-activiteit in ieder geval eindigt na zes maanden. In dat geval kan de raad de maatregel telkens voor ten hoogste drie maanden verlengen.
##### Artikel 81e
[Artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=12&z=2006-10-01&g=2006-10-01) is van overeenkomstige toepassing op de leden van de rekenkamer.
##### Artikel 81f
1. Een lid van de rekenkamer is niet tevens:
- a. minister;
- b. staatssecretaris;
- c. lid van de Raad van State;
- d. lid van de Algemene Rekenkamer;
- e. Nationale ombudsman;
- f. substituut-ombudsman als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van de Wet Nationale ombudsman](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003372&artikel=9);
- g. commissaris van de Koning van de provincie waarin de gemeente waar hij lid van de rekenkamer is, is gelegen;
- h. gedeputeerde van de provincie waarin de gemeente waar hij lid van de rekenkamer is, is gelegen;
- i. secretaris van de provincie waarin de gemeente waar hij lid van de rekenkamer is, is gelegen;
- j. griffier van de provincie waarin de gemeente waar hij lid van de rekenkamer is, is gelegen;
- k. lid van de raad;
- l. burgemeester van de betrokken gemeente;
- m. wethouder van de betrokken gemeente;
- n. ombudsman of lid van de ombudscommissie als bedoeld in [artikel 81p, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVc&paragraaf=1&artikel=81p&z=2006-10-01&g=2006-10-01);
- o. lid van een deelraad van de betrokken gemeente;
- p. lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente van de betrokken gemeente;
- q. lid van een commissie van de betrokken gemeente;
- r. ambtenaar, door of vanwege het gemeentebestuur aangesteld of daaraan ondergeschikt;
- s. ambtenaar, door of vanwege het Rijk of de provincie aangesteld, tot wiens taak behoort het verrichten van werkzaamheden in het kader van het toezicht op de gemeente;
- t. functionaris die krachtens de wet of een algemene maatregel van bestuur het gemeentebestuur van advies dient.
2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder r, kan een lid van de rekenkamer tevens zijn:
- a. ambtenaar van de burgerlijke stand;
- b. vrijwilliger of ander persoon die uit hoofde van een wettelijke verplichting niet bij wijze van beroep hulpdiensten verricht;
- c. ambtenaar werkzaam voor een school voor openbaar onderwijs.
##### Artikel 81g
1. Alvorens hun functie te kunnen uitoefenen, leggen de leden van de rekenkamer in de vergadering van de raad, in handen van de voorzitter, de volgende eed (verklaring en belofte) af:
«Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot lid van de rekenkamer benoemd te worden, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen.
Ik zweer (beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de [Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840), dat ik de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als lid van de rekenkamer naar eer en geweten zal vervullen.
Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!»
(«Dat verklaar en beloof ik!»)
2. Wanneer de eed (verklaring en belofte), bedoeld in het eerste lid, in de Friese taal wordt afgelegd, luidt de tekst van de eed (verklaring en belofte) als volgt:
«Ik swar (ferklearje) dat ik, om ta lid fan 'e rekkenkeamer beneamd te wurden, streekrjocht noch midlik, ûnder wat namme of wat ferlechje ek, hokker jefte of geunst dan ek jûn of ûnthjitten haw.
Ik swar (ferklearje en ûnthjit) dat ik, om eat yn dit amt te dwaan of te litten, streekrjocht noch midlik hokker geskink of hokker ûnthjit dan ek oannommen haw of oannimme sil.
Ik swar (ûnthjit) dat ik trou wêze sil oan 'e [Grûnwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840), dat ik de wetten neikomme sil en dat ik myn plichten as lid fan 'e rekkenkeamer yn alle oprjochtens ferfolje sil.
Sa wier helpe my God Almachtich!»
(«Dat ferklearje en ûnthjit ik!»).
##### Artikel 81h
[Artikel 15, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=15&z=2006-10-01&g=2006-10-01), is van overeenkomstige toepassing op de leden van de rekenkamer.
##### Artikel 81i
1. De rekenkamer stelt een reglement van orde voor haar werkzaamheden vast en, indien zij uit twee of meer personen bestaat, tevens voor haar vergaderingen.
2. De rekenkamer zendt het reglement ter kennisneming aan de raad en maakt het bekend op de in [artikel 139, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=139&z=2006-10-01&g=2006-10-01), bedoelde wijze.
##### Artikel 81j
1. De raad stelt, na overleg met de rekenkamer, de rekenkamer de nodige middelen ter beschikking voor een goede uitoefening van haar werkzaamheden.
2. Op voordracht van de voorzitter of het enige lid van de rekenkamer benoemt het college zoveel ambtenaren van de rekenkamer als nodig zijn voor een goede uitoefening van haar werkzaamheden.
3. De ambtenaren die werkzaamheden verrichten voor de rekenkamer, verrichten niet tevens werkzaamheden voor een ander orgaan van de gemeente.
4. De ambtenaren die werkzaamheden verrichten voor de rekenkamer, zijn ter zake van die werkzaamheden uitsluitend verantwoording schuldig aan de rekenkamer.
##### Artikel 81k
De leden van de rekenkamer ontvangen een bij verordening van de raad vastgestelde vergoeding voor hun werkzaamheden en een tegemoetkoming in de kosten.
#### Paragraaf 2. De gemeenschappelijke rekenkamer
##### Artikel 81l
In afwijking van [artikel 81a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVa&paragraaf=1&artikel=81a&z=2006-10-01&g=2006-10-01) kan de raad met de raad of de raden van een of meer andere gemeenten met toepassing van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=1), en [8, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=8) of met provinciale staten van één of meer provincies, al dan niet met de raad of de raden van een of meer andere gemeenten tezamen, met toepassing van [artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=51) en [52, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=52), juncto [artikel 8, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=8), een gemeenschappelijke rekenkamer instellen. De [artikelen 10, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=10), [10a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=10a), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=11), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=15), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=16), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=17), [20, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=20), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=21), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=22), [23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=23), [30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=30) en [54 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=54) zijn niet van toepassing.
##### Artikel 81m
1. De [artikelen 81b tot en met 81f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVa&paragraaf=1&artikel=81b&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [81h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVa&paragraaf=1&artikel=81h&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [81i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVa&paragraaf=1&artikel=81i&z=2006-10-01&g=2006-10-01) en [81j, eerste, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVa&paragraaf=1&artikel=81j&z=2006-10-01&g=2006-10-01), zijn van overeenkomstige toepassing op de gemeenschappelijke rekenkamer, met dien verstande dat in de [artikelen 81b tot en met 81d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVa&paragraaf=1&artikel=81b&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [81i, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVa&paragraaf=1&artikel=81i&z=2006-10-01&g=2006-10-01), en [81j, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVa&paragraaf=1&artikel=81j&z=2006-10-01&g=2006-10-01), voor «de raad» telkens wordt gelezen «de raden van de deelnemende gemeenten gezamenlijk» of, indien de rekenkamer mede is ingesteld door provincies, «provinciale staten en de raden van de deelnemende provincies en gemeenten gezamenlijk».
2. [Artikel 81g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVa&paragraaf=1&artikel=81g&z=2006-10-01&g=2006-10-01) is op de gemeenschappelijke rekenkamer van toepassing, met dien verstande dat voor «de raad» wordt gelezen «de raad van de gemeente die daartoe in de regeling waarbij de gemeenschappelijke rekenkamer is ingesteld, is aangewezen» of, indien de rekenkamer mede is ingesteld door provincies, «provinciale staten van de provincie of de raad van de gemeente die daartoe in de regeling waarbij de gemeenschappelijke regeling is ingesteld zijn of is aangewezen».
##### Artikel 81n
Indien de raad of de raden van een of meer gemeenten met provinciale staten van een of meer provincies een gemeenschappelijke rekenkamer instellen, is, onverminderd [artikel 81m, eerste lid, juncto artikel 81f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVa&paragraaf=2&artikel=81m&z=2006-10-01&g=2006-10-01), een lid van de rekenkamer niet tevens:
- a. lid van provinciale staten van een deelnemende provincie;
- b. ambtenaar, door of vanwege het provinciebestuur van een deelnemende provincie aangesteld of daaraan ondergeschikt;
- c. ambtenaar, door of vanwege het Rijk aangesteld, tot wiens taak het behoort het verrichten van werkzaamheden in het kader van het toezicht op de provincie;
- d. functionaris, krachtens de wet of algemene maatregel van bestuur geroepen om het provinciebestuur van advies te dienen.
##### Artikel 81o
In de regeling waarbij de gemeenschappelijke rekenkamer wordt ingesteld, worden ten minste regels gesteld over:
- a. de benoeming, op voordracht van de voorzitter of het enige lid van de rekenkamer, van de ambtenaren die nodig zijn voor een goede uitoefening van de werkzaamheden van de rekenkamer;
- b. de vergoeding die de leden van de rekenkamer voor hun werkzaamheden ontvangen en de tegemoetkoming in de kosten.
### Hoofdstuk V. De commissies
#### Paragraaf 1. Commissies
#### Paragraaf 2. Deelgemeenten
### Hoofdstuk VI. Geldelijke voorzieningen ten behoeve van de leden van de raad en de commissies
### Hoofdstuk VII. De secretaris en de griffier
#### Paragraaf 1. Algemene bepalingen
#### Paragraaf 2. De secretaris
#### Paragraaf 3. De griffier
##### Artikel 107a
1. De griffier staat de raad en de door de raad ingestelde commissies bij de uitoefening van hun taak terzijde.
2. De raad stelt in een instructie nadere regels over de taak en de bevoegdheden van de griffier.
##### Artikel 107b
De griffier is in de vergadering van de raad aanwezig.
##### Artikel 107c
Vervallen
##### Artikel 107d
1. De raad regelt de vervanging van de griffier.
2. De [artikelen 100, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=VII&paragraaf=1&artikel=100&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [101](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=VII&paragraaf=1&artikel=101&z=2006-10-01&g=2006-10-01) en [107 tot en met 107c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=VII&paragraaf=3&artikel=107&z=2006-10-01&g=2006-10-01) zijn van overeenkomstige toepassing op degene die de griffier vervangt.
##### Artikel 107e
1. De raad kan regels stellen over de organisatie van de griffie.
2. De raad is bevoegd de op de griffie werkzame ambtenaren te benoemen, te schorsen en te ontslaan.
## Titel III. De bevoegdheid van het gemeentebestuur
### Hoofdstuk VIII. Algemene bepalingen
#### § 1. Inleidende bepalingen
#### Paragraaf 2. De secretaris
#### § 3. Bijzondere voorzieningen
#### § 1. Inleidende bepalingen
#### § 5. Bekendmaking en inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden
#### § 6. Termijnen
### Hoofdstuk IX. De bevoegdheid van de raad
### Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van de burgemeester
### Hoofdstuk XIa. De bevoegdheid van de rekenkamer
## Titel IV. De financiën van de gemeente
### Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van de burgemeester
### Hoofdstuk XIII. De begroting en de jaarrekening
#### § 1. De begroting
#### Paragraaf 2. De jaarrekening
#### § 3. Goedkeuring van de begroting
### Hoofdstuk XIV. De administratie en de controle
### Hoofdstuk XIV. De administratie en de controle
#### § 1. Algemene bepalingen
#### § 2. Bijzondere bepalingen omtrent de onroerende-zaakbelastingen
#### § 3. Bijzondere bepalingen omtrent de andere belastingen dan de onroerende-zaakbelastingen
#### § 4. Heffing en invordering
## Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het gemeentebestuur
### Hoofdstuk XVI. Goedkeuring
### Hoofdstuk XVII. Schorsing en vernietiging
## Titel VI
## Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in [artikel 299, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=VII&artikel=299&z=2003-01-01&g=2003-01-01), van de Gemeentewet
### Ministerie van Verkeer en Waterstaat
Wet Waterhuishouding (TK, 1986-1987, 17 367, nr. 8)
### Ministerie van Verkeer en Waterstaat
### Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
### Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Alle verplichtingen, zoals bedoeld in [artikel 111, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=1&artikel=111&z=2003-01-01&g=2003-01-01), die voorkomen in de volgende wetten:
### Ministerie van Verkeer en Waterstaat
[Wet Waterhuishouding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004575) (TK, 1986-1987, 17 367, nr. 8)
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
### Hoofdstuk IVb. De rekenkamerfunctie
##### Artikel 81o
1. Als geen rekenkamer is ingesteld als bedoeld in [hoofdstuk IVa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVa&z=2005-02-05&g=2005-02-05), stelt de raad bij verordening regels vast voor de uitoefening van de rekenkamerfunctie.
2. De [artikelen 182](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=XIa&artikel=182&z=2005-02-05&g=2005-02-05) en [185](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=XIa&artikel=185&z=2005-02-05&g=2005-02-05) zijn voor de uitoefening van de rekenkamerfunctie van overeenkomstige toepassing.
3. Op personen die de rekenkamerfunctie uitoefenen, is [artikel 81f, behoudens het eerste lid, onder j en o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVa&paragraaf=1&artikel=81f&z=2005-02-05&g=2005-02-05), van overeenkomstige toepassing.
### Hoofdstuk IVb. De rekenkamerfunctie
#### Paragraaf 1. Commissies
#### Paragraaf 2. Deelgemeenten
### Hoofdstuk VI. Geldelijke voorzieningen ten behoeve van de leden van de raad en de commissies
### Hoofdstuk VII. De secretaris en de griffier
#### Paragraaf 1. Algemene bepalingen
#### Paragraaf 2. De secretaris
#### Paragraaf 3. De griffier
## Titel III. De bevoegdheid van het gemeentebestuur
### Hoofdstuk VIII. Algemene bepalingen
#### § 1. Inleidende bepalingen
#### § 2. Verhouding tot de provincie en het Rijk
#### § 3. Bijzondere voorzieningen
#### § 4. Bestuursdwang
#### § 5. Bekendmaking en inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden
#### § 6. Termijnen
### Hoofdstuk IX. De bevoegdheid van de raad
### Hoofdstuk X. De bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders
### Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van de burgemeester
### Hoofdstuk XIa. De bevoegdheid van de rekenkamer
## Titel IV. De financiën van de gemeente
### Hoofdstuk XII. Algemene bepalingen
### Hoofdstuk XIII. De begroting en de jaarrekening
#### § 1. De begroting
#### Paragraaf 2. De jaarrekening
#### § 3. Goedkeuring van de begroting
### Hoofdstuk XIV. De administratie en de controle
### Hoofdstuk XV. De gemeentelijke belastingen
#### § 1. Algemene bepalingen
#### § 2. Bijzondere bepalingen omtrent de onroerende-zaakbelastingen
#### § 3. Bijzondere bepalingen omtrent de andere belastingen dan de onroerende-zaakbelastingen
#### § 4. Heffing en invordering
## Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het gemeentebestuur
### Hoofdstuk XVI. Goedkeuring
### Hoofdstuk XVII. Schorsing en vernietiging
## Titel VI
## Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in [artikel 299, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=VII&artikel=299&z=2005-01-01&g=2005-01-01), van de Gemeentewet
### Ministerie van Verkeer en Waterstaat
[Wet Waterhuishouding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004575) (TK, 1986-1987, 17 367, nr. 8)
### Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
Alle verplichtingen, zoals bedoeld in [artikel 111, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=1&artikel=111&z=2002-03-07&g=2002-03-07), die voorkomen in de volgende wetten:
Alle verplichtingen, zoals bedoeld in [artikel 111, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=1&artikel=111&z=2005-01-01&g=2005-01-01), die voorkomen in de volgende wetten:
### Ministerie van Binnenlandse Zaken
[Wet rampen en zware ongevallen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003765), [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003765&artikel=3) en [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003765&artikel=7)
[Wet rampen en zware ongevallen, artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003765&artikel=3) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003765&artikel=4) en [Brandweerwet 1985, artikel 4, eerste lid, onderdeel 2, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003764&artikel=4).
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 151b
1. De raad kan bij verordening de burgemeester de bevoegdheid verlenen om bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aan te wijzen als veiligheidsrisicogebied. In een veiligheidsrisicogebied kan de officier van justitie de bevoegdheden, bedoeld in de [artikelen 50, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=50), [51, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=51), en [52, derde lid, van de Wet wapens en munitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=52) toepassen.
2. De burgemeester gaat niet over tot aanwijzing als veiligheidsrisicogebied dan na overleg met de officier van justitie in het overleg, bedoeld in [artikel 14 van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=14).
3. De aanwijzing als veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een bepaalde duur die niet langer is en voor een gebied dat niet groter is dan strikt noodzakelijk voor de handhaving van de openbare orde.
4. De beslissing tot gebiedsaanwijzing wordt op schrift gesteld en bevat een omschrijving van het gebied waarop deze van toepassing is alsmede de geldigheidsduur. Indien de situatie dermate spoedeisend is dat de burgemeester de beslissing tot gebiedsaanwijzing niet tevoren op schrift kan stellen, zorgt hij alsnog zo spoedig mogelijk voor de opschriftstelling en voor de bekendmaking daarvan.
5. De burgemeester brengt de gebiedsaanwijzing zo spoedig mogelijk ter kennis van de raad en van de officier van justitie, bedoeld in het tweede lid.
6. Zodra de verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel de ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, bedoeld in het eerste lid, is geweken, trekt de burgemeester de gebiedsaanwijzing in. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing.
### Hoofdstuk V. De commissies
#### Paragraaf 1. Commissies
#### Paragraaf 2. Deelgemeenten
### Hoofdstuk V. De commissies
### Hoofdstuk VII. De secretaris en de griffier
#### Paragraaf 2. Deelgemeenten
#### Paragraaf 1. Algemene bepalingen
## Titel III. De bevoegdheid van het gemeentebestuur
### Hoofdstuk VII. De secretaris en de griffier
#### Paragraaf 1. Algemene bepalingen
#### § 2. Verhouding tot de provincie en het Rijk
#### § 3. Bijzondere voorzieningen
#### § 3. Bijzondere voorzieningen
#### § 3. Bijzondere voorzieningen
#### § 6. Termijnen
### Hoofdstuk IX. De bevoegdheid van de raad
### Hoofdstuk X. De bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders
### Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van de burgemeester
### Hoofdstuk XIa. De bevoegdheid van de rekenkamer
## Titel IV. De financiën van de gemeente
### Hoofdstuk XII. Algemene bepalingen
#### § 1. De begroting
#### § 3. Goedkeuring van de begroting
### Hoofdstuk XIV. De administratie en de controle
### Hoofdstuk XV. De gemeentelijke belastingen
#### § 1. Algemene bepalingen
#### § 2. Bijzondere bepalingen omtrent de onroerende-zaakbelastingen
#### § 3. Bijzondere bepalingen omtrent de andere belastingen dan de onroerende-zaakbelastingen
#### § 4. Heffing en invordering
## Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het gemeentebestuur
### Hoofdstuk XVI. Goedkeuring
### Hoofdstuk XVII. Schorsing en vernietiging
## Titel VI
## Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in [artikel 299, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=VII&artikel=299&z=2005-02-05&g=2005-02-05), van de Gemeentewet
[Wet Waterhuishouding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004575) (TK, 1986-1987, 17 367, nr. 8)
### Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
[Wet rampen en zware ongevallen, artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003765&artikel=3) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003765&artikel=4) en [Brandweerwet 1985, artikel 4, eerste lid, onderdeel 2, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003764&artikel=4).
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 32a
De stukken die van de raad uitgaan, worden door de burgemeester ondertekend en door de griffier medeondertekend. Bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester worden de stukken die van de raad uitgaan ondertekend door degene die krachtens [artikel 77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IV&artikel=77&z=2006-10-01&g=2006-10-01) de burgemeester als voorzitter van de raad vervangt.
### Hoofdstuk III. Het college van burgemeester en wethouders
##### Artikel 59a
1. De stukken die van het college uitgaan, worden door de burgemeester ondertekend en door de secretaris medeondertekend.
2. Het college van burgemeester en wethouders kan hem toestaan de ondertekening op te dragen aan een ander lid van het college, aan de secretaris of aan een of meer andere gemeenteambtenaren.
3. De medeondertekening door de secretaris is niet van toepassing indien de ondertekening van stukken die van het college uitgaan ingevolge het tweede lid is opgedragen aan de secretaris of een of meer andere gemeenteambtenaren.
### Hoofdstuk IV. De burgemeester
### Hoofdstuk IVa. De rekenkamer
#### Paragraaf 1. De gemeentelijke rekenkamer
#### Paragraaf 2. De gemeenschappelijke rekenkamer
##### Artikel 81oa
1. Als geen rekenkamer is ingesteld als bedoeld in [hoofdstuk IVa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVa&z=2006-10-01&g=2006-10-01), stelt de raad bij verordening regels vast voor de uitoefening van de rekenkamerfunctie.
2. De [artikelen 182](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=XIa&artikel=182&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [184a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=XIa&artikel=184a&z=2006-10-01&g=2006-10-01) en [185](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=XIa&artikel=185&z=2006-10-01&g=2006-10-01) zijn voor de uitoefening van de rekenkamerfunctie van overeenkomstige toepassing.
3. Op personen die de rekenkamerfunctie uitoefenen, is [artikel 81f, behoudens het eerste lid, onder k en q](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVa&paragraaf=1&artikel=81f&z=2006-10-01&g=2006-10-01), van overeenkomstige toepassing.
### Hoofdstuk IVc. De ombudsman
#### Paragraaf 1. Commissies
#### Paragraaf 2. Deelgemeenten
##### Artikel 89a
De deelraad benoemt de leden van het dagelijks bestuur.
### Hoofdstuk VI. Geldelijke voorzieningen ten behoeve van de leden van de raad en de commissies
### Hoofdstuk VII. De secretaris en de griffier
#### Paragraaf 3. De griffier
## Titel III. De bevoegdheid van het gemeentebestuur
### Hoofdstuk VIII. Algemene bepalingen
#### § 2. Verhouding tot de provincie en het Rijk
#### § 2. Verhouding tot de provincie en het Rijk
#### § 4. Bestuursdwang
#### § 6. Termijnen
### Hoofdstuk IX. De bevoegdheid van de raad
##### Artikel 151c
1. De raad kan bij verordening de burgemeester de bevoegdheid verlenen om, indien dat in het belang van de handhaving van de openbare orde noodzakelijk is, te besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats als bedoeld in [artikel 1 van de Wet openbare manifestaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004318&artikel=1) en andere bij verordening aan te wijzen plaatsen die voor een ieder toegankelijk zijn. De burgemeester bepaalt de duur van de plaatsing en wijst de openbare plaats of plaatsen aan, met inachtneming van hetgeen daaromtrent in de verordening is bepaald.
2. De burgemeester stelt, na overleg met de officier van justitie in het overleg, bedoeld in [artikel 14 van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=14), de periode vast waarin in het belang van de handhaving van de openbare orde daadwerkelijk gebruik van de camera’s plaatsvindt en de met de camera’s gemaakte beelden in elk geval rechtstreeks worden bekeken.
3. De burgemeester bedient zich bij de uitvoering van het in het eerste lid bedoelde besluit van de onder zijn gezag staande politie.
4. De aanwezigheid van camera’s als bedoeld in het eerste lid is op duidelijke wijze kenbaar voor een ieder die de desbetreffende openbare plaats betreedt.
5. Met de camera’s worden uitsluitend beelden gemaakt van een openbare plaats als bedoeld in [artikel 1 van de Wet openbare manifestaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004318&artikel=1) en andere bij verordening aan te wijzen plaatsen die voor een ieder toegankelijk zijn.
6. De met de camera’s gemaakte beelden mogen in het belang van de handhaving van de openbare orde worden vastgelegd en gedurende ten hoogste vier weken worden bewaard.
7. De vastgelegde beelden, bedoeld in het zesde lid, vormen een tijdelijk register in de zin van de [Wet politieregisters](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004798). Met inachtneming van [artikel 13, zevende lid, van de Wet politieregisters](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004798&artikel=13) kunnen uit dat register gegevens worden verstrekt ten behoeve van de opsporing van een gepleegd strafbaar feit.
8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden met het oog op de goede uitvoering van het toezicht, bedoeld in het eerste lid, regels gesteld omtrent:
- a. de vaste camera’s en andere technische hulpmiddelen benodigd voor het toezicht, bedoeld in het eerste lid, en de wijze waarop deze hulpmiddelen worden aangebracht;
- b. de personen belast met of anderszins direct betrokken bij de uitvoering van het toezicht; en
- c. de ruimten waarin de waarneming of verwerking van door het toezicht vastgelegde beelden plaatsvindt.
### Hoofdstuk X. De bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders
### Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van de burgemeester
## Titel IV. De financiën van de gemeente
### Hoofdstuk XIII. De begroting en de jaarrekening
#### § 1. De begroting
#### Paragraaf 2. De jaarrekening
#### § 3. Goedkeuring van de begroting
### Hoofdstuk XV. De gemeentelijke belastingen
#### § 1. Algemene bepalingen
#### § 2. Bijzondere bepalingen omtrent de onroerende-zaakbelastingen
#### § 3. Bijzondere bepalingen omtrent de andere belastingen dan de onroerende-zaakbelastingen
#### § 3. Bijzondere bepalingen omtrent de andere belastingen dan de onroerende-zaakbelastingen
## Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het gemeentebestuur
### Hoofdstuk XVI. Goedkeuring
### Hoofdstuk XVII. Schorsing en vernietiging
## Titel VI
## Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in [artikel 299, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=VII&artikel=299&z=2005-11-02&g=2005-11-02), van de Gemeentewet
### Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
### Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen
Alle verplichtingen, zoals bedoeld in [artikel 111, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=1&artikel=111&z=2005-11-02&g=2005-11-02), die voorkomen in de volgende wetten:
### Ministerie van Binnenlandse Zaken
[Wet rampen en zware ongevallen, artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003765&artikel=3) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003765&artikel=4) en [Brandweerwet 1985, artikel 4, eerste lid, onderdeel 2, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003764&artikel=4).
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
#### Paragraaf 1. Algemene bepaling
##### Artikel 81p
1. Met inachtneming van het bepaalde in dit hoofdstuk kan de raad de behandeling van verzoekschriften als bedoeld in [artikel 9:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:18), opdragen aan een gemeentelijke ombudsman of ombudscommissie, dan wel een gezamenlijke ombudsman of ombudscommissie.
2. Een ombudsman of ombudscommissie als bedoeld in het eerste lid kan slechts per 1 januari van enig jaar worden ingesteld. Indien de raad hiertoe besluit, zendt hij het besluit tot instelling aan de Nationale ombudsman voor 1 juli van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de instelling ingaat.
3. De instelling van een ombudsman of ombudscommissie als bedoeld in het eerste lid kan slechts per 1 januari van enig jaar worden beëindigd. Indien de raad hiertoe besluit, zendt hij het besluit tot beëindiging van de instelling aan de Nationale ombudsman voor 1 juli van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de instelling eindigt.
#### Paragraaf 2. De gemeentelijke ombudsman
##### Artikel 81q
1. Indien de raad de behandeling van verzoekschriften opdraagt aan een gemeentelijke ombudsman, benoemt hij deze voor de duur van zes jaar.
2. De raad benoemt een plaatsvervangend ombudsman. Deze paragraaf is op de plaatsvervangend ombudsman van overeenkomstige toepassing.
3. De ombudsman wordt door de raad ontslagen:
- a. op eigen verzoek;
- b. wanneer hij door ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is zijn functie te vervullen;
- c. bij de aanvaarding van een betrekking als bedoeld in [artikel 81r, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVc&paragraaf=2&artikel=81r&z=2006-10-01&g=2006-10-01);
- d. wanneer hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
- e. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, hij surseance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld;
- f. indien hij naar het oordeel van de raad ernstig nadeel toebrengt aan het in hem gestelde vertrouwen.
4. De raad stelt de ombudsman op non-activiteit indien hij:
- a. zich in voorlopige hechtenis bevindt;
- b. bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
- c. onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, hij surseance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld ingevolge een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak.
##### Artikel 81r
1. De ombudsman vervult geen betrekkingen waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van zijn ambt of op de handhaving van zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin.
2. [Artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=12&z=2006-10-01&g=2006-10-01) is van overeenkomstige toepassing op de ombudsman.
##### Artikel 81s
Alvorens zijn functie te kunnen uitoefenen, legt de ombudsman in de vergadering van de raad, in handen van de voorzitter, de volgende eed (verklaring en belofte) af: «Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot ombudsman benoemd te worden, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet, dat ik de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als ombudsman naar eer en geweten zal vervullen.
Zo waarlijk helpe mij God almachtig!»
(«Dat verklaar en beloof ik!»)
##### Artikel 81t
1. Op voordracht van de ombudsman benoemt het college het personeel van de ombudsman dat nodig is voor een goede uitoefening van zijn werkzaamheden.
2. De ombudsman ontvangt ter zake van de uitoefening van zijn werkzaamheden geen instructies, noch in het algemeen, noch voor een enkel geval.
3. Het personeel van de ombudsman verricht geen werkzaamheden voor een bestuursorgaan naar wiens gedraging de ombudsman een onderzoek kan instellen.
4. Het personeel van de ombudsman is ter zake van de werkzaamheden die het voor de ombudsman verricht, uitsluitend aan hem verantwoording schuldig.
##### Artikel 81u
De ombudsman zendt jaarlijks een verslag van zijn werkzaamheden aan de raad.
##### Artikel 81v
De ombudsman ontvangt een bij verordening van de raad vastgestelde vergoeding voor zijn werkzaamheden en een tegemoetkoming in de kosten.
#### Paragraaf 3. De gemeentelijke ombudscommissie
##### Artikel 81w
1. Indien de raad de behandeling van verzoekschriften opdraagt aan een gemeentelijke ombudscommissie, stelt de raad het aantal leden van de ombudscommissie vast.
2. De raad benoemt de leden van de ombudscommissie voor de duur van zes jaar.
3. De raad benoemt uit de leden de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter van de ombudscommissie.
##### Artikel 81x
1. De ombudscommissie zendt jaarlijks een verslag van zijn werkzaamheden aan de raad.
2. Op de ombudscommissie en op ieder lid afzonderlijk zijn de [artikelen 81q, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVc&paragraaf=2&artikel=81q&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [81r](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVc&paragraaf=2&artikel=81r&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [81s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVc&paragraaf=2&artikel=81s&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [81t](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVc&paragraaf=2&artikel=81t&z=2006-10-01&g=2006-10-01) en [81v](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVc&paragraaf=2&artikel=81v&z=2006-10-01&g=2006-10-01) van overeenkomstige toepassing.
#### Paragraaf 4. De gezamenlijke ombudsman en de gezamenlijke ombudscommissie
##### Artikel 81y
1. De raad kan voor de behandeling van verzoekschriften een gezamenlijke ombudsman of een gezamenlijke ombudscommissie instellen met de raad of raden van een of meer andere gemeenten, dan wel met provinciale staten van een of meer provincies, dan wel met het algemeen bestuur van een of meer waterschappen, dan wel met het algemeen bestuur van een of meer openbare lichamen of gemeenschappelijke organen ingesteld bij gemeenschappelijke regeling.
2. De ombudsman of de ombudscommissie zendt jaarlijks een verslag van zijn werkzaamheden aan de vertegenwoordigende organen van de deelnemende rechtspersonen.
3. Op de ombudsman en op ieder afzonderlijk lid van de ombudscommissie zijn de [artikelen 81q tot en met 81t](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVc&paragraaf=2&artikel=81q&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [81v](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVc&paragraaf=2&artikel=81v&z=2006-10-01&g=2006-10-01) en [81w](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVc&paragraaf=3&artikel=81w&z=2006-10-01&g=2006-10-01) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 81z
Indien de raad een ombudsman of een ombudscommissie instelt met toepassing van de [Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740), zijn de in die wet ten aanzien van gemeenschappelijke organen opgenomen bepalingen slechts van toepassing voor zover de aard van de aan de ombudsman of de ombudscommissie opgedragen taken zich daartegen niet verzet.
### Hoofdstuk VI. Geldelijke voorzieningen ten behoeve van de leden van de raad en de commissies
#### Paragraaf 3. De griffier
## Titel III. De bevoegdheid van het gemeentebestuur
### Hoofdstuk VIII. Algemene bepalingen
#### § 5. Bekendmaking en inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden
#### § 6. Termijnen
### Hoofdstuk IX. De bevoegdheid van de raad
### Hoofdstuk X. De bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders
### Hoofdstuk XIa. De bevoegdheid van de rekenkamer
## Titel IV. De financiën van de gemeente
### Hoofdstuk XII. Algemene bepalingen
### Hoofdstuk XIII. De begroting en de jaarrekening
#### § 1. De begroting
#### Paragraaf 2. De jaarrekening
### Hoofdstuk XIV. De administratie en de controle
@@ -3108,6 +3910,58 @@
#### § 2. Bijzondere bepalingen omtrent de onroerende-zaakbelastingen
#### § 4. Heffing en invordering
## Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het gemeentebestuur
### Hoofdstuk XVI. Goedkeuring
### Hoofdstuk XVII. Schorsing en vernietiging
## Titel VI
## Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in [artikel 299, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=VII&artikel=299&z=2006-07-01&g=2006-07-01), van de Gemeentewet
### Ministerie van Verkeer en Waterstaat
[Wet Waterhuishouding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004575) (TK, 1986-1987, 17 367, nr. 8)
### Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
### Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
### Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
Alle verplichtingen, zoals bedoeld in [artikel 111, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=1&artikel=111&z=2006-07-01&g=2006-07-01), die voorkomen in de volgende wetten:
### Ministerie van Binnenlandse Zaken
[Wet rampen en zware ongevallen, artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003765&artikel=3) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003765&artikel=4) en [Brandweerwet 1985, artikel 4, eerste lid, onderdeel 2, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003764&artikel=4).
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 184a
De Rekenkamer is belast met het toezicht op de naleving van [artikel 213, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=IV&hoofdstuk=XIV&artikel=213&z=2006-10-01&g=2006-10-01).
## Titel IV. De financiën van de gemeente
### Hoofdstuk XII. Algemene bepalingen
### Hoofdstuk XIII. De begroting en de jaarrekening
#### Paragraaf 2. De jaarrekening
### Hoofdstuk XIV. De administratie en de controle
### Hoofdstuk XV. De gemeentelijke belastingen
#### § 1. Algemene bepalingen
#### § 2. Bijzondere bepalingen omtrent de onroerende-zaakbelastingen
#### § 3. Bijzondere bepalingen omtrent de andere belastingen dan de onroerende-zaakbelastingen
#### § 4. Heffing en invordering
@@ -3122,812 +3976,18 @@
## Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in [artikel 299, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=VII&artikel=299&z=2002-10-01&g=2002-10-01), van de Gemeentewet
## Bijlage. bedoeld in [artikel 299, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=VII&artikel=299&z=2006-10-01&g=2006-10-01), van de Gemeentewet
### Ministerie van Verkeer en Waterstaat
Wet Waterhuishouding (TK, 1986-1987, 17 367, nr. 8)
[Wet Waterhuishouding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004575) (TK, 1986-1987, 17 367, nr. 8)
### Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen
Alle verplichtingen, zoals bedoeld in [artikel 111, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=1&artikel=111&z=2002-10-01&g=2002-10-01), die voorkomen in de volgende wetten:
Alle verplichtingen, zoals bedoeld in [artikel 111, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=1&artikel=111&z=2006-10-01&g=2006-10-01), die voorkomen in de volgende wetten:
### Ministerie van Binnenlandse Zaken
[Wet rampen en zware ongevallen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003765), [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003765&artikel=3) en [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003765&artikel=7)
[Wet rampen en zware ongevallen, artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003765&artikel=3) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003765&artikel=4) en [Brandweerwet 1985, artikel 4, eerste lid, onderdeel 2, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003764&artikel=4).
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 81a
1. De raad kan een rekenkamer instellen.
2. Indien de raad een rekenkamer instelt, zijn de navolgende artikelen van dit hoofdstuk alsmede [hoofdstuk XIa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=XIa&z=2006-07-01&g=2006-07-01) van toepassing.
3. Indien de raad geen rekenkamer instelt, is [hoofdstuk IVb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVb&z=2006-07-01&g=2006-07-01) van toepassing.
##### Artikel 81b
De raad stelt het aantal leden van de rekenkamer vast.
##### Artikel 81c
1. De raad benoemt de leden van de rekenkamer voor de duur van zes jaar.
2. Indien de rekenkamer uit twee of meer leden bestaat, benoemt de raad uit de leden de voorzitter.
3. De raad kan plaatsvervangende leden benoemen. Indien de rekenkamer uit één lid bestaat, benoemt de raad in ieder geval een plaatsvervangend lid. Deze paragraaf is op plaatsvervangende leden van overeenkomstige toepassing.
4. De raad kan een lid herbenoemen.
5. Voorafgaand aan de benoemingen, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, pleegt de raad overleg met de rekenkamer.
6. Een lid van de rekenkamer wordt door de raad ontslagen:
- a. op eigen verzoek;
- b. bij de aanvaarding van een functie die onverenigbaar is met het lidmaatschap;
- c. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
- d. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, surséance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld;
- e. indien hij naar het oordeel van de raad ernstig nadeel toebrengt aan het in hem gestelde vertrouwen.
7. Een lid van de rekenkamer kan door de raad worden ontslagen:
- a. indien hij door ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is zijn functie te vervullen;
- b. indien hij handelt in strijd met [artikel 81h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVa&paragraaf=1&artikel=81h&z=2006-07-01&g=2006-07-01).
##### Artikel 81d
1. De raad stelt een lid van de rekenkamer op non-activiteit indien:
- a. hij zich in voorlopige hechtenis bevindt;
- b. hij bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
- c. hij onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, surséance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld ingevolge een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak.
2. De raad kan een lid van de rekenkamer op non-activiteit stellen, indien tegen hem een gerechtelijk onderzoek ter zake van een misdrijf wordt ingesteld of indien er een ander ernstig vermoeden is van het bestaan van feiten en omstandigheden die tot ontslag, anders dan op gronden vermeld in [artikel 81c, zesde lid, onder a, en zevende lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVa&paragraaf=1&artikel=81c&z=2006-07-01&g=2006-07-01), zouden kunnen leiden.
3. De raad beëindigt de non-activiteit zodra de grond voor de maatregel is vervallen, met dien verstande dat in een geval als bedoeld in het tweede lid de non-activiteit in ieder geval eindigt na zes maanden. In dat geval kan de raad de maatregel telkens voor ten hoogste drie maanden verlengen.
##### Artikel 81e
[Artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=12&z=2006-07-01&g=2006-07-01) is van overeenkomstige toepassing op de leden van de rekenkamer.
##### Artikel 81f
1. Een lid van de rekenkamer is niet tevens:
- a. minister;
- b. staatssecretaris;
- c. lid van de Raad van State;
- d. lid van de Algemene Rekenkamer;
- e. Nationale ombudsman;
- f. substituut-ombudsman als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van de Wet Nationale ombudsman](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003372&artikel=9);
- g. commissaris van de Koning van de provincie waarin de gemeente waar hij lid van de rekenkamer is, is gelegen;
- h. gedeputeerde van de provincie waarin de gemeente waar hij lid van de rekenkamer is, is gelegen;
- i. secretaris van de provincie waarin de gemeente waar hij lid van de rekenkamer is, is gelegen;
- j. griffier van de provincie waarin de gemeente waar hij lid van de rekenkamer is, is gelegen;
- k. lid van de raad;
- l. burgemeester van de betrokken gemeente;
- m. wethouder van de betrokken gemeente;
- n. ombudsman of lid van de ombudscommissie als bedoeld in [artikel 81p, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVc&paragraaf=1&artikel=81p&z=2006-07-01&g=2006-07-01);
- o. lid van een deelraad van de betrokken gemeente;
- p. lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente van de betrokken gemeente;
- q. lid van een commissie van de betrokken gemeente;
- r. ambtenaar, door of vanwege het gemeentebestuur aangesteld of daaraan ondergeschikt;
- s. ambtenaar, door of vanwege het Rijk of de provincie aangesteld, tot wiens taak behoort het verrichten van werkzaamheden in het kader van het toezicht op de gemeente;
- t. functionaris die krachtens de wet of een algemene maatregel van bestuur het gemeentebestuur van advies dient.
2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder r, kan een lid van de rekenkamer tevens zijn:
- a. ambtenaar van de burgerlijke stand;
- b. vrijwilliger of ander persoon die uit hoofde van een wettelijke verplichting niet bij wijze van beroep hulpdiensten verricht;
- c. ambtenaar werkzaam voor een school voor openbaar onderwijs.
##### Artikel 81g
1. Alvorens hun functie te kunnen uitoefenen, leggen de leden van de rekenkamer in de vergadering van de raad, in handen van de voorzitter, de volgende eed (verklaring en belofte) af:
«Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot lid van de rekenkamer benoemd te worden, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen.
Ik zweer (beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de [Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840), dat ik de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als lid van de rekenkamer naar eer en geweten zal vervullen.
Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!»
(«Dat verklaar en beloof ik!»)
2. Wanneer de eed (verklaring en belofte), bedoeld in het eerste lid, in de Friese taal wordt afgelegd, luidt de tekst van de eed (verklaring en belofte) als volgt:
«Ik swar (ferklearje) dat ik, om ta lid fan 'e rekkenkeamer beneamd te wurden, streekrjocht noch midlik, ûnder wat namme of wat ferlechje ek, hokker jefte of geunst dan ek jûn of ûnthjitten haw.
Ik swar (ferklearje en ûnthjit) dat ik, om eat yn dit amt te dwaan of te litten, streekrjocht noch midlik hokker geskink of hokker ûnthjit dan ek oannommen haw of oannimme sil.
Ik swar (ûnthjit) dat ik trou wêze sil oan 'e [Grûnwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840), dat ik de wetten neikomme sil en dat ik myn plichten as lid fan 'e rekkenkeamer yn alle oprjochtens ferfolje sil.
Sa wier helpe my God Almachtich!»
(«Dat ferklearje en ûnthjit ik!»).
##### Artikel 81h
[Artikel 15, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=15&z=2006-07-01&g=2006-07-01), is van overeenkomstige toepassing op de leden van de rekenkamer.
##### Artikel 81i
1. De rekenkamer stelt een reglement van orde voor haar werkzaamheden vast en, indien zij uit twee of meer personen bestaat, tevens voor haar vergaderingen.
2. De rekenkamer zendt het reglement ter kennisneming aan de raad en maakt het bekend op de in [artikel 139, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=5&artikel=139&z=2006-07-01&g=2006-07-01), bedoelde wijze.
##### Artikel 81j
1. De raad stelt, na overleg met de rekenkamer, de rekenkamer de nodige middelen ter beschikking voor een goede uitoefening van haar werkzaamheden.
2. Op voordracht van de voorzitter of het enige lid van de rekenkamer benoemt het college zoveel ambtenaren van de rekenkamer als nodig zijn voor een goede uitoefening van haar werkzaamheden.
3. De ambtenaren die werkzaamheden verrichten voor de rekenkamer, verrichten niet tevens werkzaamheden voor een ander orgaan van de gemeente.
4. De ambtenaren die werkzaamheden verrichten voor de rekenkamer, zijn ter zake van die werkzaamheden uitsluitend verantwoording schuldig aan de rekenkamer.
##### Artikel 81k
De leden van de rekenkamer ontvangen een bij verordening van de raad vastgestelde vergoeding voor hun werkzaamheden en een tegemoetkoming in de kosten.
#### Paragraaf 2. De gemeenschappelijke rekenkamer
##### Artikel 81l
In afwijking van [artikel 81a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVa&paragraaf=1&artikel=81a&z=2006-07-01&g=2006-07-01) kan de raad met de raad of de raden van een of meer andere gemeenten met toepassing van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=1), en [8, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=8) of met provinciale staten van één of meer provincies, al dan niet met de raad of de raden van een of meer andere gemeenten tezamen, met toepassing van [artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=51) en [52, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=52), juncto [artikel 8, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=8), een gemeenschappelijke rekenkamer instellen. De [artikelen 10, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=10), [10a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=10a), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=11), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=15), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=16), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=17), [20, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=20), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=21), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=22), [23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=23), [30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=30) en [54 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=54) zijn niet van toepassing.
##### Artikel 81m
1. De [artikelen 81b tot en met 81f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVa&paragraaf=1&artikel=81b&z=2006-07-01&g=2006-07-01), [81h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVa&paragraaf=1&artikel=81h&z=2006-07-01&g=2006-07-01), [81i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVa&paragraaf=1&artikel=81i&z=2006-07-01&g=2006-07-01) en [81j, eerste, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVa&paragraaf=1&artikel=81j&z=2006-07-01&g=2006-07-01), zijn van overeenkomstige toepassing op de gemeenschappelijke rekenkamer, met dien verstande dat in de [artikelen 81b tot en met 81d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVa&paragraaf=1&artikel=81b&z=2006-07-01&g=2006-07-01), [81i, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVa&paragraaf=1&artikel=81i&z=2006-07-01&g=2006-07-01), en [81j, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVa&paragraaf=1&artikel=81j&z=2006-07-01&g=2006-07-01), voor «de raad» telkens wordt gelezen «de raden van de deelnemende gemeenten gezamenlijk» of, indien de rekenkamer mede is ingesteld door provincies, «provinciale staten en de raden van de deelnemende provincies en gemeenten gezamenlijk».
2. [Artikel 81g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVa&paragraaf=1&artikel=81g&z=2006-07-01&g=2006-07-01) is op de gemeenschappelijke rekenkamer van toepassing, met dien verstande dat voor «de raad» wordt gelezen «de raad van de gemeente die daartoe in de regeling waarbij de gemeenschappelijke rekenkamer is ingesteld, is aangewezen» of, indien de rekenkamer mede is ingesteld door provincies, «provinciale staten van de provincie of de raad van de gemeente die daartoe in de regeling waarbij de gemeenschappelijke regeling is ingesteld zijn of is aangewezen».
##### Artikel 81n
Indien de raad of de raden van een of meer gemeenten met provinciale staten van een of meer provincies een gemeenschappelijke rekenkamer instellen, is, onverminderd [artikel 81m, eerste lid, juncto artikel 81f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVa&paragraaf=2&artikel=81m&z=2006-07-01&g=2006-07-01), een lid van de rekenkamer niet tevens:
- a. lid van provinciale staten van een deelnemende provincie;
- b. ambtenaar, door of vanwege het provinciebestuur van een deelnemende provincie aangesteld of daaraan ondergeschikt;
- c. ambtenaar, door of vanwege het Rijk aangesteld, tot wiens taak het behoort het verrichten van werkzaamheden in het kader van het toezicht op de provincie;
- d. functionaris, krachtens de wet of algemene maatregel van bestuur geroepen om het provinciebestuur van advies te dienen.
##### Artikel 81o
In de regeling waarbij de gemeenschappelijke rekenkamer wordt ingesteld, worden ten minste regels gesteld over:
- a. de benoeming, op voordracht van de voorzitter of het enige lid van de rekenkamer, van de ambtenaren die nodig zijn voor een goede uitoefening van de werkzaamheden van de rekenkamer;
- b. de vergoeding die de leden van de rekenkamer voor hun werkzaamheden ontvangen en de tegemoetkoming in de kosten.
### Hoofdstuk V. De commissies
#### Paragraaf 1. Commissies
#### Paragraaf 2. Deelgemeenten
### Hoofdstuk VI. Geldelijke voorzieningen ten behoeve van de leden van de raad en de commissies
### Hoofdstuk VII. De secretaris en de griffier
#### Paragraaf 1. Algemene bepalingen
#### Paragraaf 2. De secretaris
#### Paragraaf 3. De griffier
##### Artikel 107a
1. De griffier staat de raad en de door de raad ingestelde commissies bij de uitoefening van hun taak terzijde.
2. De raad stelt in een instructie nadere regels over de taak en de bevoegdheden van de griffier.
##### Artikel 107b
De griffier is in de vergadering van de raad aanwezig.
##### Artikel 107c
Vervallen
##### Artikel 107d
1. De raad regelt de vervanging van de griffier.
2. De [artikelen 100, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=VII&paragraaf=1&artikel=100&z=2006-07-01&g=2006-07-01), [101](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=VII&paragraaf=1&artikel=101&z=2006-07-01&g=2006-07-01) en [107 tot en met 107c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=VII&paragraaf=3&artikel=107&z=2006-07-01&g=2006-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing op degene die de griffier vervangt.
##### Artikel 107e
1. De raad kan regels stellen over de organisatie van de griffie.
2. De raad is bevoegd de op de griffie werkzame ambtenaren te benoemen, te schorsen en te ontslaan.
## Titel III. De bevoegdheid van het gemeentebestuur
### Hoofdstuk VIII. Algemene bepalingen
#### § 1. Inleidende bepalingen
#### Paragraaf 2. De secretaris
#### § 3. Bijzondere voorzieningen
#### § 1. Inleidende bepalingen
#### § 5. Bekendmaking en inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden
#### § 6. Termijnen
### Hoofdstuk IX. De bevoegdheid van de raad
### Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van de burgemeester
### Hoofdstuk XIa. De bevoegdheid van de rekenkamer
## Titel IV. De financiën van de gemeente
### Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van de burgemeester
### Hoofdstuk XIII. De begroting en de jaarrekening
#### § 1. De begroting
#### Paragraaf 2. De jaarrekening
#### § 3. Goedkeuring van de begroting
### Hoofdstuk XIV. De administratie en de controle
### Hoofdstuk XIV. De administratie en de controle
#### § 1. Algemene bepalingen
#### § 2. Bijzondere bepalingen omtrent de onroerende-zaakbelastingen
#### § 3. Bijzondere bepalingen omtrent de andere belastingen dan de onroerende-zaakbelastingen
#### § 4. Heffing en invordering
## Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het gemeentebestuur
### Hoofdstuk XVI. Goedkeuring
### Hoofdstuk XVII. Schorsing en vernietiging
## Titel VI
## Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in [artikel 299, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=VII&artikel=299&z=2003-01-01&g=2003-01-01), van de Gemeentewet
### Ministerie van Verkeer en Waterstaat
Wet Waterhuishouding (TK, 1986-1987, 17 367, nr. 8)
### Ministerie van Verkeer en Waterstaat
### Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
### Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Alle verplichtingen, zoals bedoeld in [artikel 111, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=1&artikel=111&z=2003-01-01&g=2003-01-01), die voorkomen in de volgende wetten:
### Ministerie van Verkeer en Waterstaat
[Wet Waterhuishouding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004575) (TK, 1986-1987, 17 367, nr. 8)
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
### Hoofdstuk IVb. De rekenkamerfunctie
##### Artikel 81o
1. Als geen rekenkamer is ingesteld als bedoeld in [hoofdstuk IVa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVa&z=2005-02-05&g=2005-02-05), stelt de raad bij verordening regels vast voor de uitoefening van de rekenkamerfunctie.
2. De [artikelen 182](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=XIa&artikel=182&z=2005-02-05&g=2005-02-05) en [185](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=XIa&artikel=185&z=2005-02-05&g=2005-02-05) zijn voor de uitoefening van de rekenkamerfunctie van overeenkomstige toepassing.
3. Op personen die de rekenkamerfunctie uitoefenen, is [artikel 81f, behoudens het eerste lid, onder j en o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVa&paragraaf=1&artikel=81f&z=2005-02-05&g=2005-02-05), van overeenkomstige toepassing.
### Hoofdstuk IVb. De rekenkamerfunctie
#### Paragraaf 1. Commissies
#### Paragraaf 2. Deelgemeenten
### Hoofdstuk VI. Geldelijke voorzieningen ten behoeve van de leden van de raad en de commissies
### Hoofdstuk VII. De secretaris en de griffier
#### Paragraaf 1. Algemene bepalingen
#### Paragraaf 2. De secretaris
#### Paragraaf 3. De griffier
## Titel III. De bevoegdheid van het gemeentebestuur
### Hoofdstuk VIII. Algemene bepalingen
#### § 1. Inleidende bepalingen
#### § 2. Verhouding tot de provincie en het Rijk
#### § 3. Bijzondere voorzieningen
#### § 4. Bestuursdwang
#### § 5. Bekendmaking en inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden
#### § 6. Termijnen
### Hoofdstuk IX. De bevoegdheid van de raad
### Hoofdstuk X. De bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders
### Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van de burgemeester
### Hoofdstuk XIa. De bevoegdheid van de rekenkamer
## Titel IV. De financiën van de gemeente
### Hoofdstuk XII. Algemene bepalingen
### Hoofdstuk XIII. De begroting en de jaarrekening
#### § 1. De begroting
#### Paragraaf 2. De jaarrekening
#### § 3. Goedkeuring van de begroting
### Hoofdstuk XIV. De administratie en de controle
### Hoofdstuk XV. De gemeentelijke belastingen
#### § 1. Algemene bepalingen
#### § 2. Bijzondere bepalingen omtrent de onroerende-zaakbelastingen
#### § 3. Bijzondere bepalingen omtrent de andere belastingen dan de onroerende-zaakbelastingen
#### § 4. Heffing en invordering
## Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het gemeentebestuur
### Hoofdstuk XVI. Goedkeuring
### Hoofdstuk XVII. Schorsing en vernietiging
## Titel VI
## Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in [artikel 299, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=VII&artikel=299&z=2005-01-01&g=2005-01-01), van de Gemeentewet
### Ministerie van Verkeer en Waterstaat
[Wet Waterhuishouding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004575) (TK, 1986-1987, 17 367, nr. 8)
### Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
Alle verplichtingen, zoals bedoeld in [artikel 111, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=1&artikel=111&z=2005-01-01&g=2005-01-01), die voorkomen in de volgende wetten:
### Ministerie van Binnenlandse Zaken
[Wet rampen en zware ongevallen, artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003765&artikel=3) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003765&artikel=4) en [Brandweerwet 1985, artikel 4, eerste lid, onderdeel 2, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003764&artikel=4).
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
### Hoofdstuk V. De commissies
#### Paragraaf 1. Commissies
#### Paragraaf 2. Deelgemeenten
### Hoofdstuk V. De commissies
### Hoofdstuk VII. De secretaris en de griffier
#### Paragraaf 2. Deelgemeenten
#### Paragraaf 1. Algemene bepalingen
## Titel III. De bevoegdheid van het gemeentebestuur
### Hoofdstuk VII. De secretaris en de griffier
#### Paragraaf 1. Algemene bepalingen
#### § 2. Verhouding tot de provincie en het Rijk
#### § 3. Bijzondere voorzieningen
#### § 3. Bijzondere voorzieningen
#### § 3. Bijzondere voorzieningen
#### § 6. Termijnen
### Hoofdstuk IX. De bevoegdheid van de raad
### Hoofdstuk X. De bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders
### Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van de burgemeester
### Hoofdstuk XIa. De bevoegdheid van de rekenkamer
## Titel IV. De financiën van de gemeente
### Hoofdstuk XII. Algemene bepalingen
#### § 1. De begroting
#### § 3. Goedkeuring van de begroting
### Hoofdstuk XIV. De administratie en de controle
### Hoofdstuk XV. De gemeentelijke belastingen
#### § 1. Algemene bepalingen
#### § 2. Bijzondere bepalingen omtrent de onroerende-zaakbelastingen
#### § 3. Bijzondere bepalingen omtrent de andere belastingen dan de onroerende-zaakbelastingen
#### § 4. Heffing en invordering
## Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het gemeentebestuur
### Hoofdstuk XVI. Goedkeuring
### Hoofdstuk XVII. Schorsing en vernietiging
## Titel VI
## Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in [artikel 299, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=VII&artikel=299&z=2005-02-05&g=2005-02-05), van de Gemeentewet
[Wet Waterhuishouding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004575) (TK, 1986-1987, 17 367, nr. 8)
### Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
[Wet rampen en zware ongevallen, artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003765&artikel=3) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003765&artikel=4) en [Brandweerwet 1985, artikel 4, eerste lid, onderdeel 2, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003764&artikel=4).
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 32a
De stukken die van de raad uitgaan, worden door de burgemeester ondertekend en door de griffier medeondertekend. Bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester worden de stukken die van de raad uitgaan ondertekend door degene die krachtens [artikel 77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IV&artikel=77&z=2006-07-01&g=2006-07-01) de burgemeester als voorzitter van de raad vervangt.
### Hoofdstuk III. Het college van burgemeester en wethouders
##### Artikel 59a
1. De stukken die van het college uitgaan, worden door de burgemeester ondertekend en door de secretaris medeondertekend.
2. Het college van burgemeester en wethouders kan hem toestaan de ondertekening op te dragen aan een ander lid van het college, aan de secretaris of aan een of meer andere gemeenteambtenaren.
3. De medeondertekening door de secretaris is niet van toepassing indien de ondertekening van stukken die van het college uitgaan ingevolge het tweede lid is opgedragen aan de secretaris of een of meer andere gemeenteambtenaren.
### Hoofdstuk IV. De burgemeester
### Hoofdstuk IVa. De rekenkamer
#### Paragraaf 1. De gemeentelijke rekenkamer
#### Paragraaf 2. De gemeenschappelijke rekenkamer
##### Artikel 81oa
1. Als geen rekenkamer is ingesteld als bedoeld in [hoofdstuk IVa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVa&z=2006-07-01&g=2006-07-01), stelt de raad bij verordening regels vast voor de uitoefening van de rekenkamerfunctie.
2. De [artikelen 182](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=XIa&artikel=182&z=2006-07-01&g=2006-07-01) en [185](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=XIa&artikel=185&z=2006-07-01&g=2006-07-01) zijn voor de uitoefening van de rekenkamerfunctie van overeenkomstige toepassing.
3. Op personen die de rekenkamerfunctie uitoefenen, is [artikel 81f, behoudens het eerste lid, onder k en q](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVa&paragraaf=1&artikel=81f&z=2006-07-01&g=2006-07-01), van overeenkomstige toepassing.
### Hoofdstuk IVc. De ombudsman
#### Paragraaf 1. Commissies
#### Paragraaf 2. Deelgemeenten
##### Artikel 89a
De deelraad benoemt de leden van het dagelijks bestuur.
### Hoofdstuk VI. Geldelijke voorzieningen ten behoeve van de leden van de raad en de commissies
### Hoofdstuk VII. De secretaris en de griffier
#### Paragraaf 3. De griffier
## Titel III. De bevoegdheid van het gemeentebestuur
### Hoofdstuk VIII. Algemene bepalingen
#### § 2. Verhouding tot de provincie en het Rijk
#### § 2. Verhouding tot de provincie en het Rijk
#### § 4. Bestuursdwang
#### § 6. Termijnen
### Hoofdstuk IX. De bevoegdheid van de raad
##### Artikel 151c
1. De raad kan bij verordening de burgemeester de bevoegdheid verlenen om, indien dat in het belang van de handhaving van de openbare orde noodzakelijk is, te besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats als bedoeld in [artikel 1 van de Wet openbare manifestaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004318&artikel=1) en andere bij verordening aan te wijzen plaatsen die voor een ieder toegankelijk zijn. De burgemeester bepaalt de duur van de plaatsing en wijst de openbare plaats of plaatsen aan, met inachtneming van hetgeen daaromtrent in de verordening is bepaald.
2. De burgemeester stelt, na overleg met de officier van justitie in het overleg, bedoeld in [artikel 14 van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=14), de periode vast waarin in het belang van de handhaving van de openbare orde daadwerkelijk gebruik van de camera’s plaatsvindt en de met de camera’s gemaakte beelden in elk geval rechtstreeks worden bekeken.
3. De burgemeester bedient zich bij de uitvoering van het in het eerste lid bedoelde besluit van de onder zijn gezag staande politie.
4. De aanwezigheid van camera’s als bedoeld in het eerste lid is op duidelijke wijze kenbaar voor een ieder die de desbetreffende openbare plaats betreedt.
5. Met de camera’s worden uitsluitend beelden gemaakt van een openbare plaats als bedoeld in [artikel 1 van de Wet openbare manifestaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004318&artikel=1) en andere bij verordening aan te wijzen plaatsen die voor een ieder toegankelijk zijn.
6. De met de camera’s gemaakte beelden mogen in het belang van de handhaving van de openbare orde worden vastgelegd en gedurende ten hoogste vier weken worden bewaard.
7. De vastgelegde beelden, bedoeld in het zesde lid, vormen een tijdelijk register in de zin van de [Wet politieregisters](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004798). Met inachtneming van [artikel 13, zevende lid, van de Wet politieregisters](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004798&artikel=13) kunnen uit dat register gegevens worden verstrekt ten behoeve van de opsporing van een gepleegd strafbaar feit.
8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden met het oog op de goede uitvoering van het toezicht, bedoeld in het eerste lid, regels gesteld omtrent:
- a. de vaste camera’s en andere technische hulpmiddelen benodigd voor het toezicht, bedoeld in het eerste lid, en de wijze waarop deze hulpmiddelen worden aangebracht;
- b. de personen belast met of anderszins direct betrokken bij de uitvoering van het toezicht; en
- c. de ruimten waarin de waarneming of verwerking van door het toezicht vastgelegde beelden plaatsvindt.
### Hoofdstuk X. De bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders
### Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van de burgemeester
## Titel IV. De financiën van de gemeente
### Hoofdstuk XIII. De begroting en de jaarrekening
#### § 1. De begroting
#### Paragraaf 2. De jaarrekening
### Hoofdstuk XV. De gemeentelijke belastingen
#### § 1. Algemene bepalingen
#### § 2. Bijzondere bepalingen omtrent de onroerende-zaakbelastingen
#### § 3. Bijzondere bepalingen omtrent de andere belastingen dan de onroerende-zaakbelastingen
#### § 3. Bijzondere bepalingen omtrent de andere belastingen dan de onroerende-zaakbelastingen
## Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het gemeentebestuur
### Hoofdstuk XVI. Goedkeuring
### Hoofdstuk XVII. Schorsing en vernietiging
## Titel VI
## Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in [artikel 299, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=VII&artikel=299&z=2005-11-02&g=2005-11-02), van de Gemeentewet
### Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
### Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen
Alle verplichtingen, zoals bedoeld in [artikel 111, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=1&artikel=111&z=2005-11-02&g=2005-11-02), die voorkomen in de volgende wetten:
### Ministerie van Binnenlandse Zaken
[Wet rampen en zware ongevallen, artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003765&artikel=3) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003765&artikel=4) en [Brandweerwet 1985, artikel 4, eerste lid, onderdeel 2, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003764&artikel=4).
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
#### Paragraaf 1. Algemene bepaling
##### Artikel 81p
1. Met inachtneming van het bepaalde in dit hoofdstuk kan de raad de behandeling van verzoekschriften als bedoeld in [artikel 9:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:18), opdragen aan een gemeentelijke ombudsman of ombudscommissie, dan wel een gezamenlijke ombudsman of ombudscommissie.
2. Een ombudsman of ombudscommissie als bedoeld in het eerste lid kan slechts per 1 januari van enig jaar worden ingesteld. Indien de raad hiertoe besluit, zendt hij het besluit tot instelling aan de Nationale ombudsman voor 1 juli van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de instelling ingaat.
3. De instelling van een ombudsman of ombudscommissie als bedoeld in het eerste lid kan slechts per 1 januari van enig jaar worden beëindigd. Indien de raad hiertoe besluit, zendt hij het besluit tot beëindiging van de instelling aan de Nationale ombudsman voor 1 juli van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de instelling eindigt.
#### Paragraaf 2. De gemeentelijke ombudsman
##### Artikel 81q
1. Indien de raad de behandeling van verzoekschriften opdraagt aan een gemeentelijke ombudsman, benoemt hij deze voor de duur van zes jaar.
2. De raad benoemt een plaatsvervangend ombudsman. Deze paragraaf is op de plaatsvervangend ombudsman van overeenkomstige toepassing.
3. De ombudsman wordt door de raad ontslagen:
- a. op eigen verzoek;
- b. wanneer hij door ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is zijn functie te vervullen;
- c. bij de aanvaarding van een betrekking als bedoeld in [artikel 81r, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVc&paragraaf=2&artikel=81r&z=2006-07-01&g=2006-07-01);
- d. wanneer hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
- e. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, hij surseance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld;
- f. indien hij naar het oordeel van de raad ernstig nadeel toebrengt aan het in hem gestelde vertrouwen.
4. De raad stelt de ombudsman op non-activiteit indien hij:
- a. zich in voorlopige hechtenis bevindt;
- b. bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
- c. onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, hij surseance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld ingevolge een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak.
##### Artikel 81r
1. De ombudsman vervult geen betrekkingen waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van zijn ambt of op de handhaving van zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin.
2. [Artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=12&z=2006-07-01&g=2006-07-01) is van overeenkomstige toepassing op de ombudsman.
##### Artikel 81s
Alvorens zijn functie te kunnen uitoefenen, legt de ombudsman in de vergadering van de raad, in handen van de voorzitter, de volgende eed (verklaring en belofte) af: «Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot ombudsman benoemd te worden, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet, dat ik de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als ombudsman naar eer en geweten zal vervullen.
Zo waarlijk helpe mij God almachtig!»
(«Dat verklaar en beloof ik!»)
##### Artikel 81t
1. Op voordracht van de ombudsman benoemt het college het personeel van de ombudsman dat nodig is voor een goede uitoefening van zijn werkzaamheden.
2. De ombudsman ontvangt ter zake van de uitoefening van zijn werkzaamheden geen instructies, noch in het algemeen, noch voor een enkel geval.
3. Het personeel van de ombudsman verricht geen werkzaamheden voor een bestuursorgaan naar wiens gedraging de ombudsman een onderzoek kan instellen.
4. Het personeel van de ombudsman is ter zake van de werkzaamheden die het voor de ombudsman verricht, uitsluitend aan hem verantwoording schuldig.
##### Artikel 81u
De ombudsman zendt jaarlijks een verslag van zijn werkzaamheden aan de raad.
##### Artikel 81v
De ombudsman ontvangt een bij verordening van de raad vastgestelde vergoeding voor zijn werkzaamheden en een tegemoetkoming in de kosten.
#### Paragraaf 3. De gemeentelijke ombudscommissie
##### Artikel 81w
1. Indien de raad de behandeling van verzoekschriften opdraagt aan een gemeentelijke ombudscommissie, stelt de raad het aantal leden van de ombudscommissie vast.
2. De raad benoemt de leden van de ombudscommissie voor de duur van zes jaar.
3. De raad benoemt uit de leden de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter van de ombudscommissie.
##### Artikel 81x
1. De ombudscommissie zendt jaarlijks een verslag van zijn werkzaamheden aan de raad.
2. Op de ombudscommissie en op ieder lid afzonderlijk zijn de [artikelen 81q, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVc&paragraaf=2&artikel=81q&z=2006-07-01&g=2006-07-01), [81r](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVc&paragraaf=2&artikel=81r&z=2006-07-01&g=2006-07-01), [81s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVc&paragraaf=2&artikel=81s&z=2006-07-01&g=2006-07-01), [81t](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVc&paragraaf=2&artikel=81t&z=2006-07-01&g=2006-07-01) en [81v](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVc&paragraaf=2&artikel=81v&z=2006-07-01&g=2006-07-01) van overeenkomstige toepassing.
#### Paragraaf 4. De gezamenlijke ombudsman en de gezamenlijke ombudscommissie
##### Artikel 81y
1. De raad kan voor de behandeling van verzoekschriften een gezamenlijke ombudsman of een gezamenlijke ombudscommissie instellen met de raad of raden van een of meer andere gemeenten, dan wel met provinciale staten van een of meer provincies, dan wel met het algemeen bestuur van een of meer waterschappen, dan wel met het algemeen bestuur van een of meer openbare lichamen of gemeenschappelijke organen ingesteld bij gemeenschappelijke regeling.
2. De ombudsman of de ombudscommissie zendt jaarlijks een verslag van zijn werkzaamheden aan de vertegenwoordigende organen van de deelnemende rechtspersonen.
3. Op de ombudsman en op ieder afzonderlijk lid van de ombudscommissie zijn de [artikelen 81q tot en met 81t](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVc&paragraaf=2&artikel=81q&z=2006-07-01&g=2006-07-01), [81v](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVc&paragraaf=2&artikel=81v&z=2006-07-01&g=2006-07-01) en [81w](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=IVc&paragraaf=3&artikel=81w&z=2006-07-01&g=2006-07-01) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 81z
Indien de raad een ombudsman of een ombudscommissie instelt met toepassing van de [Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740), zijn de in die wet ten aanzien van gemeenschappelijke organen opgenomen bepalingen slechts van toepassing voor zover de aard van de aan de ombudsman of de ombudscommissie opgedragen taken zich daartegen niet verzet.
### Hoofdstuk VI. Geldelijke voorzieningen ten behoeve van de leden van de raad en de commissies
#### Paragraaf 3. De griffier
## Titel III. De bevoegdheid van het gemeentebestuur
### Hoofdstuk VIII. Algemene bepalingen
#### § 5. Bekendmaking en inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden
#### § 6. Termijnen
### Hoofdstuk IX. De bevoegdheid van de raad
### Hoofdstuk X. De bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders
### Hoofdstuk XIa. De bevoegdheid van de rekenkamer
## Titel IV. De financiën van de gemeente
### Hoofdstuk XII. Algemene bepalingen
### Hoofdstuk XIII. De begroting en de jaarrekening
#### § 1. De begroting
#### Paragraaf 2. De jaarrekening
### Hoofdstuk XIV. De administratie en de controle
### Hoofdstuk XV. De gemeentelijke belastingen
#### § 1. Algemene bepalingen
#### § 2. Bijzondere bepalingen omtrent de onroerende-zaakbelastingen
#### § 4. Heffing en invordering
## Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het gemeentebestuur
### Hoofdstuk XVI. Goedkeuring
### Hoofdstuk XVII. Schorsing en vernietiging
## Titel VI
## Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage. bedoeld in [artikel 299, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=VII&artikel=299&z=2006-07-01&g=2006-07-01), van de Gemeentewet
### Ministerie van Verkeer en Waterstaat
[Wet Waterhuishouding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004575) (TK, 1986-1987, 17 367, nr. 8)
### Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
### Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
### Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen
Alle verplichtingen, zoals bedoeld in [artikel 111, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=III&hoofdstuk=VIII&paragraaf=1&artikel=111&z=2006-07-01&g=2006-07-01), die voorkomen in de volgende wetten:
### Ministerie van Binnenlandse Zaken
[Wet rampen en zware ongevallen, artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003765&artikel=3) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003765&artikel=4) en [Brandweerwet 1985, artikel 4, eerste lid, onderdeel 2, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003764&artikel=4).
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
2006-07-01
Gemeentewet — arts. 111, 111
2006-03-08
Gemeentewet — arts. 111, 111
2006-02-01
Gemeentewet — arts. 111, 111
2006-01-01
Gemeentewet — arts. 111, 111, 111
2005-11-02
Gemeentewet — arts. 111, 111, 3
2005-02-05
Gemeentewet — art. 3
2005-01-01
Gemeentewet — arts. 111, 111
2004-08-16
Gemeentewet — art. 111
2004-07-01
Gemeentewet — arts. 111, 3
2004-03-01
Gemeentewet — art. 111
2003-10-17
Gemeentewet — arts. 111, 111
2003-04-01
Gemeentewet — arts. 111, 111
2003-03-12
Gemeentewet — art. 111
2003-02-19
Gemeentewet — arts. 111, 3
2003-01-01
Gemeentewet — arts. 1986, 111, 111
2002-10-01
Gemeentewet — arts. 111, 111
2002-09-15
Gemeentewet — arts. 111, 111
2002-07-13
Gemeentewet — arts. 1986, 111, 111
original version Tekst op deze datum