Wet van 18 juni 1992, houdende algemene regeling met betrekking tot het luchtverkeer
- d. de houder handelt in strijd met deartikelen 6.51, tweede lid, of 6.52;
- e. de erkenning gedurende ten minste drie maanden is geschorst;
- f. de houder in staat van faillissement verkeert.
Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kunnen regels gegeven worden met betrekking tot de procedure van aanvraag, afgifte, wijziging, verlenging, schorsing en intrekking van erkenningen, alsmede de vergoeding die de aanvrager van de erkenning verschuldigd is voor de kosten van de behandeling van zijn aanvraag om afgifte, wijziging of verlenging, welke gebaseerd is op de werkelijke kosten.
Artikel 6.56
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu erkent een opleiding voor een theoretisch of praktisch examen als opleiding voor een theoretisch of praktisch examen benodigd ter verkrijging van een erkenning, als bedoeld in artikel 6.55, eerste lid, indien die opleiding voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen eisen.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan de erkenning van een opleiding intrekken, wanneer die opleiding niet meer aan de krachtens het eerste lid gestelde eisen voldoet.
Bij ministeriële regeling kunnen ter uitvoering van het eerste en tweede lid nadere regels worden gegeven.
Artikel 6.57
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan ter uitvoering van internationale overeenkomsten of besluiten van volkenrechtelijke organisaties natuurlijke personen of rechtspersonen, die handelingen als bedoeld in artikel 6.55, eerste lid, verrichten op zodanige wijze, dat deze voldoen aan eisen, welke gelijkwaardig zijn aan de krachtens artikel 6.55 gestelde eisen, erkennen als erkende bedrijven voor zover die bedrijven erkend zijn door de bevoegde autoriteit van een bij ministeriële regeling aangewezen land of internationale organisatie. Aan de erkenning kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.
Artikel 6.58
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie kan na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van de bij of krachtens deze titel gegeven regels, wanneer die regels in redelijkheid geen toepassing kunnen vinden en de veiligheid van het luchtverkeer met het verlenen van de ontheffing niet in gevaar wordt gebracht. Aan de ontheffing kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.
Het is verboden te handelen in strijd met de voorschriften of de beperkingen bedoeld in het eerste lid.
De ontheffing kan worden geweigerd op grond van de openbare veiligheid.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie kan na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een ontheffing wijzigen:
- a. op verzoek van de houder;
- b. op grond van de openbare veiligheid.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie kan de ontheffing intrekken, wanneer
- a. de redenen, waarom de ontheffing is verleend, zijn komen te vervallen;
- b. de openbare veiligheid dit vereist;
- c. de houder van de ontheffing de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen niet naleeft.
De aanvrager van de ontheffing of van de wijziging daarvan is Onze Minister van Infrastructuur en Milieu een door deze vast te stellen vergoeding voor de behandeling van de aanvraag verschuldigd, gebaseerd op de werkelijke kosten.
Artikel 6.59
Het is passagiers en leden van het boordpersoneel verboden gevaarlijke stoffen aan boord van een luchtvaartuig te brengen, of met zich mee te voeren in hun bagage, anders dan met inachtneming van de door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie aangewezen Technische Voorschriften van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie betreffende het vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht.
Artikel 6.60
Degene, die een handeling als bedoeld in artikel 6.51, eerste lid, verricht, is verplicht, indien zich daarbij voorvallen gevaarlijke stoffen voordoen waardoor gevaar voor de openbare veiligheid is ontstaan of is te duchten, daarvan onverwijld mededeling te doen aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie.
Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de procedure en de wijze van mededeling als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 6.61
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie kan van degenen die handelingen verrichten als bedoeld in artikel 6.51 , alle inlichtingen of documenten vragen die naar zijn redelijk oordeel nodig zijn ten behoeve van het analyseren van voorvallen gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 6.60.
De betrokkenen zijn verplicht de gevraagde inlichtingen volledig en naar waarheid te verstrekken binnen een door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie in redelijkheid te stellen termijn.
Artikel 6.61a
Indien zich binnen het vluchtinformatiegebied Amsterdam een luchtvaartongeval voordoet verstrekt de houder van het betrokken luchtvaartuig onverwijld aan de betrokken hulpverlenende instanties informatie over de gevaarlijke stoffen die zich aan boord van dat luchtvaartuig bevinden.
Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie wordt vastgesteld welke informatie door tussenkomst van welke instantie verstrekt dient te worden.
Titel 6.6. Vervoer van dieren
Artikel 6.62
Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kunnen met het oog op de luchtwaardigheid van luchtvaartuigen tijdens het vervoer van dieren in die luchtvaartuigen in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken regels worden gegeven met betrekking tot dat vervoer.
Het is verboden dieren te vervoeren in strijd met het bepaalde krachtens het eerste lid.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van de in het eerste lid bedoelde regels.
Hoofdstuk 6. Luchtvervoer
Titel 6.5. Vervoer van gevaarlijke stoffen
Titel 8.2. De ruimtelijke indeling van en rond de luchthaven
§ 8.2.1. Het luchthavenindelingbesluit
§ 8.2.2. Het voorbereiden en wijzigen van het besluit
Titel 7.2. Slotallocatie
§ 8.2.1. Het luchthavenindelingbesluit
Titel 7.2. Slotallocatie
Titel 7.2. Slotallocatie
§ 8.3.1. Het luchthavenverkeerbesluit
§ 8.2.1. Het luchthavenindelingbesluit
§ 8.5.3. Gegevensverstrekking, verslaglegging en openbaarmaking
Titel 7.7. Bekendmaking internationale normen
Titel 8.1. Algemeen
Hoofdstuk 9. Bijzondere of buitengewone omstandigheden
Hoofdstuk 10. Militaire luchtvaart
Artikel 10.6
Titel 6.5 is niet van toepassing op internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen met luchtvaartuigen waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is.
Titel 6.5 is, met uitzondering van artikel 6.54, niet van toepassing op nationaal vervoer van ontplofbare stoffen of voorwerpen met luchtvaartuigen waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is.
Artikel 6.51, eerste lid, geldt niet voor het nationale vervoer van de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevaarlijke stoffen, niet zijnde ontplofbare stoffen of voorwerpen, behorend tot de operationele uitrusting of het wapensysteem van een luchtvaartuig waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is, of behorend tot de uitrusting van personen die met een dergelijk luchtvaartuig worden vervoerd, indien aan de bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur terzake gestelde regels is voldaan.
Artikel 6.55 is niet van toepassing op het door personeel van de krijgsmacht verrichten van de in dat artikel bedoelde handelingen ten aanzien van het nationaal vervoer van andere gevaarlijke stoffen dan ontplofbare stoffen of voorwerpen,met luchtvaartuigen waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is.
Deartikelen 6.60, 6.61 en 6.61a zijn van overeenkomstige toepassing op het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen en het nationaal vervoer van ontplofbare stoffen en voorwerpen met luchtvaartuigen waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is met dien verstande dat:
- a. in artikel 6.60, eerste lid, in plaats van «als bedoeld in artikel 6.51, eerste lid,» wordt gelezen «als bedoeld in artikel 10.7, eerste en tweede lid»;
- b. in artikel 6.61, eerste lid, in plaats van «artikel 6.51» wordt gelezen artikel 10.7, eerste en tweede lid.
Artikel 10.7
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, gedaan op voordracht van Onze Minister van Defensie, worden regels gegeven inzake het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen met een luchtvaartuig waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is, het daartoe aanbieden of aannemen, alsmede het laden in of lossen uit een dergelijk luchtvaartuig of het tijdens het vervoer neerleggen van bedoelde stoffen. De artikelen 6.51, derde lid, en 6.52 zijn van overeenkomstige toepassing.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, gedaan op voordracht van Onze Minister van Defensie , worden regels gegeven inzake het nationaal vervoer van ontplofbare stoffen of voorwerpen met een luchtvaartuig waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is, het daartoe aanbieden of aannemen alsmede het laden in of lossen uit een dergelijk luchtvaartuig of het tijdens het vervoer neerleggen van bedoelde stoffen of voorwerpen. De artikelen 6.51, derde lid, en 6.52 zijn van overeenkomstige toepassing.
De bedoelde regels kunnen onder meer betrekking hebben op:
- a. het aanwijzen van gevaarlijke stoffen als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid, die niet door de lucht mogen worden vervoerd;
- b. de eisen ten aanzien van constructie, inrichting en uitrusting van luchtvaartuigen waarmee gevaarlijke stoffen als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid worden vervoerd;
- c. de belading van luchtvaartuigen met inbegrip van samenlading;
- d. de eisen waaraan gevaarlijke stoffen als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid, moeten voldoen;
- e. de eisen waaraan de verpakking moet voldoen;
- f. de etiketten of aanduidingen op de verpakking;
- g. de eisen, waaraan bij het laden en lossen voldaan moet worden;
- h. de eisen ten aanzien van constructie, inrichting en uitrusting van inrichtingen, voertuigen of werktuigen met behulp waarvan gevaarlijke stoffen als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid, worden geladen of gelost;
- i. de melding voorafgaande aan een handeling inzake het vervoer van gevaarlijke stoffen als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid;
- j. de begeleiding van het vervoer en de eisen die aan de begeleider worden gesteld;
- k. het uitzonderen van gevaarlijke stoffen als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid, behorend tot de operationele uitrusting of het wapensysteem van het luchtvaartuig, of behorend tot de uitrusting van personen die met het luchtvaartuig worden vervoerd.
Artikel 10.8
Onze Minister van Defensie kan ontheffing verlenen van de krachtens artikel 10.7 gegeven regels, wanneer de taakuitvoering met militaire luchtvaartuigen meebrengt, dat die regels in redelijkheid geen toepassing kunnen vinden en de veiligheid van het luchtverkeer met het verlenen van de ontheffing niet in gevaar komt. Aan de ontheffing kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.
Hettweede tot en met het vijfde lid van artikel 6.58 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10.9
Titel 6.6 is niet van toepassing op vervoer van dieren met luchtvaartuigen waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is.
Hoofdstuk 11. Toezicht en handhaving
Titel 8.5. Informatievoorziening
Titel 11.2. Bestuursrechtelijke handhaving
Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 12.1
Vervallen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
§ 8.2.1. Het luchthavenindelingbesluit
Titel 7.7. Bekendmaking internationale normen
Titel 8.2. De luchthaven Schiphol
Hoofdstuk 9. Bijzondere of buitengewone omstandigheden
Hoofdstuk 10. Militaire luchtvaart
Hoofdstuk 11. Toezicht en handhaving
Titel 8.5. Informatievoorziening
Titel 8.7. De commissie regionaal overleg luchthaven schiphol
Hoofdstuk 10. Militaire luchtvaart
Artikel 12.1
Vervallen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 8.30a
Vervallen
Artikel 8.30b
Vervallen
Artikel 8.30c
Vervallen
Artikel 8.30d
Vervallen
Hoofdstuk 9. Bijzondere of buitengewone omstandigheden
Hoofdstuk 10. Militaire luchtvaart
Hoofdstuk 11. Toezicht en handhaving
Titel 8.6. Financiële aspecten
Titel 11.2. Bestuursrechtelijke handhaving
Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 12.1
Vervallen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 9.7
In afwijking van artikel 1.4 richt Onze Minister van Defensie, voordat hij de hem krachtens artikel 9.4 toekomende bevoegdheid uitoefent, een verzoek aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu om aan de behoefte gesteld door Onze Minister van Defensie te voldoen. Onze Minister van Defensie oefent de bevoegdheid krachtens artikel 9.4 niet uit dan nadat Onze Minister van Infrastructuur en Milieu te kennen heeft gegeven niet te zullen voldoen aan dit verzoek.
In dringende omstandigheden kan Onze Minister van Defensie afwijken van het eerste lid. Hij stelt Onze Minister van Infrastructuur en Milieu daarvan terstond in kennis. Zodra de omstandigheden dat naar het oordeel van Onze Minister van Defensie en van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu toelaten, wordt aan de door Onze Minister van Defensie gestelde behoefte voldaan door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
Indien de in artikel 9.3 toegekende bevoegdheid door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu wordt uitgeoefend op verzoek van Onze Minister van Defensie als bedoeld in het eerste lid, vindt toekenning van een vergoeding krachtens artikel 9.6, eerste lid, plaats in overeenstemming met Onze Minister van Defensie. Deze vergoeding komt voor rekening van Onze Minister van Defensie.
Hoofdstuk 10. Militaire luchtvaart
Hoofdstuk 11. Toezicht en handhaving
Titel 8.5. Informatievoorziening
Titel 11.2. Bestuursrechtelijke handhaving
Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 12.1
Vervallen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 3.19a
Het is verboden een vlucht uit te voeren met een burgerluchtvaartuig, dat:
- a. niet voldoet aan de voor dat luchtvaartuig geldende geluidseisen, of
- b. niet is voorzien van een geldig voor dat luchtvaartuig afgegeven geluidscertificaat of van een passende verklaring in een ander document dat door de staat van registratie is goedgekeurd voor zover dit voor dat luchtvaartuig vereist is.
Voor het uitvoeren van een vlucht met een Nederlands burgerluchtvaartuig dat is voorzien van een voortstuwingsinrichting is vereist een door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu afgegeven (voorlopig) geluidscertificaat, (voorlopige) geluidsverklaring of (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt aangegeven in welke gevallen aan de houder van een burgerluchtvaartuig, waarvoor geen type-certificaat is afgegeven, door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu een geluidscertificaat kan worden afgegeven.
Een geluidscertificaat wordt afgegeven voor onbepaalde tijd. Vooruitlopend op de afgifte van een geluidscertificaat kan een voorlopig geluidscertificaat worden afgegeven.
Aan een geluidscertificaat dan wel een voorlopig geluidscertificaat kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden in verband met het onderhoud of het gebruik van het luchtvaartuig. Het is verboden in strijd met die voorschriften of beperkingen te handelen.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan met betrekking tot een luchtvaartuig, dat naar zijn oordeel van historische waarde is, geluidseisen stellen die afwijken van de door EASA vastgestelde geluidseisen.
Artikel 3.19b
Vervallen
Artikel 3.19c
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu geeft op aanvraag aan de houder van een burgerluchtvaartuig dat is voorzien van een voortstuwingsinrichting, waarvoor geen geluidseisen gelden, en dat in Nederland is ingeschreven, een geluidsverklaring af. Op deze verklaring wordt vermeld dat voor het betrokken luchtvaartuig geen geluidseisen gelden.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan op aanvraag aan de houder van een burgerluchtvaartuig een geluidsverklaring afgeven omtrent geluidsniveaus bepaald op andere wijze dan ingevolge de geldende eisen. Op deze verklaring wordt vermeld dat voor het betreffende luchtvaartuig een geluidscertificaat is afgegeven alsmede de wijze waarop van de voorschriften ingevolge de geldende eisen is afgeweken.
De geluidsverklaring wordt afgegeven voor onbepaalde tijd. Vooruitlopend op de afgifte van een geluidsverklaring respectievelijk een aanvullende geluidsverklaring, als bedoeld in de voorgaande leden, kan een voorlopige geluidsverklaring respectievelijk een voorlopige aanvullende geluidsverklaring worden afgegeven.
Aan een (voorlopige) geluidsverklaring en een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring kunnen voorschriften of beperkingen met betrekking tot het onderhoud of het gebruik van het luchtvaartuig worden verbonden. Het is verboden in strijd met die voorschriften of beperkingen te handelen.
Artikel 3.19d
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu wijzigt op aanvraag van de houder een geluidscertificaat voor een burgerluchtvaartuig, nadat de houder een wijziging aan het luchtvaartuig heeft uitgevoerd, indien:
- a. het luchtvaartuig na de wijziging aan de geluidseisen blijft voldoen, en
- b. de houder het geluidscertificaat daartoe bij Onze Minister van Infrastructuur en Milieu heeft ingeleverd.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een geluidscertificaat ambtshalve wijzigen wanneer:
- a. onjuiste of onvolledige gegevens zijn verwerkt of verstrekt, of
- b. gegevens op het certificaat wijziging hebben ondergaan.
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de wijziging van een geluidsverklaring.
Artikel 3.19e
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een (voorlopig) geluidscertificaat voor een burgerluchtvaartuig vernieuwen, indien het verloren is gegaan, beschadigd of anderszins onbruikbaar is geworden.
Indien een (voorlopig) geluidscertificaat wegens verlies is vernieuwd en het certificaat wordt teruggevonden, levert de houder van het betrokken luchtvaartuig het teruggevonden (voorlopige) certificaat binnen acht dagen bij Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in.
Indien een (voorlopig) geluidscertificaat anders dan wegens verlies is vernieuwd, levert de houder van het betrokken luchtvaartuig het oorspronkelijke (voorlopige) geluidscertificaat binnen acht dagen na ontvangst van het vernieuwde (voorlopige) certificaat bij Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in.
Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een (voorlopige) geluidsverklaring en een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring.
Artikel 3.19f
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een geluidscertificaat voor een burgerluchtvaartuig schorsen, wanneer:
- a. een ernstig vermoeden rijst dat niet meer aan de geluidseisen wordt voldaan;
- b. een ernstig vermoeden rijst dat de houder van het betrokken luchtvaartuig dat luchtvaartuig niet overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen onderhoudt of laat onderhouden;
- c. een ernstig vermoeden rijst dat met betrekking tot dat luchtvaartuig een wijziging is aangebracht, zonder dat de houder een daardoor noodzakelijk geworden wijziging van het geluidscertificaat heeft aangevraagd of zonder dat deze wijziging van het luchtvaartuig is goedgekeurd;
- d. het type-certificaat met betrekking tot dat luchtvaartuig is geschorst of ingetrokken;
- e. een ernstig vermoeden rijst dat ter verkrijging van een geluidscertificaat onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
- f. een ernstig vermoeden rijst dat op het geluidscertificaat onjuiste gegevens zijn vermeld; of
- g. de houder van het luchtvaartuig anderszins het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde niet nakomt.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu heft de schorsing op zodra de redenen van de schorsing zijn vervallen.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een geluidscertificaat voor een burgerluchtvaartuig intrekken, wanneer:
- a. een wijziging met betrekking tot het luchtvaartuig is aangebracht, zonder dat de houder een daardoor noodzakelijk geworden wijziging van het geluidscertificaat heeft aangevraagd of zonder dat deze wijziging van het luchtvaartuig is goedgekeurd;
- b. het geluidscertificaat gedurende tenminste drie maanden is geschorst;
- c. ter verkrijging van een geluidscertificaat onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt, of
- d. op het geluidscertificaat onjuiste gegevens zijn vermeld.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu trekt een geluidscertificaat voor een burgerluchtvaartuig in, wanneer:
- a. het luchtvaartuig niet aan de geluidseisen voldoet ;
- b. het betrokken luchtvaartuig onherstelbaar is beschadigd, of
- c. het betrokken luchtvaartuig uit het register van Nederlandse burgerluchtvaartuigen is uitgeschreven.
De houder van het burgerluchtvaartuig waarvan het geluidscertificaat is geschorst of ingetrokken, levert op eerste vordering van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu het geluidscertificaat binnen acht dagen in bij Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
Wanneer de schorsing wordt opgeheven doet Onze Minister van Infrastructuur en Milieu het ingeleverde geluidscertificaat terstond wederom toekomen aan de houder van het betrokken burgerluchtvaartuig.
Het eerste lid onder b tot en met g, het tweede, derde, vierde lid onder b en c, het vijfde en het zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een (voorlopige) geluidsverklaring en een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring.
Onverminderd het zevende lid wordt een (voorlopige) geluidsverklaring, afgegeven in aanvulling op een (voorlopig) geluidscertificaat, geschorst indien het betrokken (voorlopige) geluidscertificaat wordt geschorst, onderscheidenlijk ingetrokken, wanneer het betrokken (voorlopige) geluidscertificaat wordt ingetrokken.
§ 3.2.3. Diverse bepalingen
Hoofdstuk 4. Vluchtuitvoering
Artikel 4.1
Voor zover bij internationale overeenkomst of besluit van een volkenrechtelijke organisatie niet anders is bepaald, is het verboden met luchtvaartuigen vluchten tegen vergoeding uit te voeren zonder een daartoe door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu afgegeven AOC.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu geeft op aanvraag de AOC af, wanneer wordt voldaan aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen eisen. De AOC wordt slechts afgegeven aan een luchtvaartmaatschappij.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan aangegeven worden welke AOC's Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan afgeven alsmede de verplichtingen en bevoegdheden welke aan een AOC verbonden zijn.
Aan een AOC kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden. Het is verboden vluchten uit te voeren in strijd met de aan een AOC verbonden voorschriften of beperkingen.
Artikel 4.2
De AOC wordt afgegeven voor een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen termijn, welke termijn voor de verschillende AOC's verschillend kan zijn.
Op aanvraag van de houder verlengt Onze Minister van Infrastructuur en Milieu de AOC, indien wordt voldaan aan de bij of krachtens artikel 4.1, tweede en derde lid, gestelde eisen.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een AOC op verzoek van de houder wijzigen.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu wijzigt een AOC ambtshalve, wanneer:
- a. onjuiste gegevens zijn verstrekt;
- b. de vluchtuitvoering, waarvoor de AOC is verleend, tijdens de duur van de AOC veranderingen heeft ondergaan, of
- c. redenen van nationaal of internationaal beleid op het gebied van de vluchtuitvoering zulks vereisen.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven met betrekking tot artikel 4.1 en dit artikel. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op:
- a. de aanvraag om afgifte van een AOC of een wijziging of verlenging daarvan, en
- b. de vergoeding, die de aanvrager is verschuldigd voor de kosten van de behandeling van zijn aanvraag om afgifte van een AOC of om een wijziging, het onderhouden of de verlenging daarvan.
Artikel 4.3
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een AOC schorsen:
- a. wegens vluchtuitvoering in strijd met bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften;
- b. wegens overtreding van de aan de AOC verbonden voorschriften of beperkingen, of
- c. indien ter verkrijging van de AOC onjuiste gegevens zijn verstrekt.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu heft de schorsing op zodra de redenen van de schorsing zijn komen te vervallen.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een AOC intrekken:
- a. indien de AOC-houder daarom verzoekt;
- b. wegens het gedurende een aangesloten periode van ten minste twaalf maanden niet uitvoeren van vluchten;
- c. indien ter verkrijging van de AOC onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt, of
- d. indien de AOC ten minste drie maanden is geschorst.
Artikel 4.4
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan op aanvraag van de houder ontheffing verlenen van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde regels, wanneer door bijzondere omstandigheden die regels in redelijkheid geen toepassing kunnen vinden en de veiligheid van het luchtverkeer met het verlenen van de ontheffing niet in gevaar wordt gebracht.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan voorts ontheffing verlenen van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde regels met betrekking tot onbemande luchtvaartuigen, wanneer door bijzondere omstandigheden die regels in redelijkheid geen toepassing kunnen vinden en de veiligheid van het luchtverkeer met het verlenen van de ontheffing niet in gevaar wordt gebracht.
Aan de ontheffing, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu trekt de door hem verleende ontheffing in, wanneer:
- a. de redenen, waarom de ontheffing is verleend, zijn komen te vervallen, of
- b. de houder van de ontheffing de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen niet naleeft.
Artikel 4.5
De houder van een AOC volgt de door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu gegeven aanwijzingen met betrekking tot de vluchtuitvoering op.
Artikel 4.6
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot vluchtuitvoering die niet door een luchtvaartmaatschappij dan wel niet tegen vergoeding wordt uitgevoerd.
Het is verboden vluchten uit te voeren in strijd met de bij of krachtens het eerste lid gestelde regels.
Artikel 4.7
Deartikelen 4.1 tot en met 4.6 zijn niet van toepassing op de vluchtuitvoering ten behoeve van douane- en politiedoeleinden.
Artikel 4.8
De gezagvoerder van een burgerluchtvaartuig is verplicht de bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu genoemde documenten mee te voeren.
Hoofdstuk 5. Luchtverkeer, luchtverkeersbeveiliging en luchtverkeersbeveiligingsorganisatie
Titel 5.1. Luchtverkeer
Titel 5.2. Bepalingen met betrekking tot de luchtverkeersdienstverlening
§ 5.2.1. Luchtverkeersdienstverlening
§ 5.2.2. Vergoedingen
Titel 5.3. De luchtverkeersbeveiligings-organisatie
§ 5.3.1. De LVNL
§ 5.3.2. Taken van de LVNL
§ 5.3.5. Geïnstitutionaliseerd overleg met gebruikers
§ 5.3.5. Geïnstitutionaliseerd overleg met gebruikers
§ 5.3.6. Personeel van de organisatie
§ 5.3.4. Inrichting en bedrijfsvoering
Hoofdstuk 6. Luchtvervoer
Titel 6.5. Vervoer van gevaarlijke stoffen
Titel 6.5. Vervoer van gevaarlijke stoffen
Hoofdstuk 7. Diverse bepalingen inzake luchtvaart
Titel 7.1. Melding van voorvallen
Titel 6.6. Vervoer van dieren
§ 8.2.1. Het luchthavenindelingbesluit
§ 8.2.1. Het luchthavenindelingbesluit
§ 8.3.1. Het luchthavenverkeerbesluit
Titel 8.2. De luchthaven Schiphol
§ 8.2.1. Het luchthavenindelingbesluit
§ 8.2.1. Het luchthavenindelingbesluit
§ 8.2.1. Het luchthavenindelingbesluit
§ 8.3.1. Het luchthavenverkeerbesluit
Titel 8.5. Informatievoorziening
Titel 8.7. De commissie regionaal overleg luchthaven schiphol
Hoofdstuk 9. Bijzondere of buitengewone omstandigheden
Hoofdstuk 10. Militaire luchtvaart
Hoofdstuk 11. Toezicht en handhaving
Titel 8.6. Financiële aspecten
Titel 8.3. Luchthavens van regionale betekenis
Hoofdstuk 11. Toezicht en handhaving
Artikel 12.1
Vervallen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 8.2a
De overheid bezit ten minste een meerderheid van het economisch en juridisch belang in de exploitant van de luchthaven.
Onze Minister van Financiën wijst bij regeling een of meerdere overheidsorganisaties aan ter voldoening van de in het eerste lid genoemde eis.
De krachtens het tweede lid vast te stellen regeling heeft in ieder geval betrekking op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de in het eerste lid genoemde eis en de wijze waarop de overheid in gezamenlijkheid blijvend invulling geeft aan de continuïteit van de Mainport.
Het voorstel voor de krachtens het tweede lid vast te stellen regeling wordt gedaan door Onze Minister van Financiën in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal is overgelegd.
Aan de goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders van de exploitant van de luchthaven zijn onderworpen de besluiten van het bestuur van de exploitant van de luchthaven omtrent investeringen welke een bedrag vereisen gelijk aan ten minste een tiende van het bedrag van de activa volgens de geconsolideerde balans met toelichting volgens de laatst vastgestelde jaarrekening van de exploitant van de luchthaven.
Titel 7.2. Slotallocatie
§ 8.2.1. Het luchthavenindelingbesluit
Titel 7.3. Verzekering
§ 8.3.1. Het luchthavenverkeerbesluit
§ 8.3.1. Het luchthavenverkeerbesluit
Artikel 8.24a
De exploitant van de luchthaven is verplicht om met inachtneming van de bij of krachtens deze wet of de Luchtvaartwet gestelde bepalingen, luchthavenluchtverkeer ten behoeve van de burgerluchtvaart op de luchthaven toe te laten.
Het eerste lid is niet van toepassing op circuitvluchten, oefenvluchten en proefvluchten.
De exploitant is verplicht om in door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in overeenstemming met Onze Minister van Defensie aangewezen gevallen met inachtneming van de bij of krachtens deze wet of de Luchtvaartwet gestelde bepalingen, luchthavenluchtverkeer ten behoeve van de militaire luchtvaart op de luchthaven toe te laten.
Artikel 8.25a
De exploitant van de luchthaven is verplicht tot exploitatie van de luchthaven en treft met inachtneming van artikel 8.3 daartoe de voorzieningen die nodig zijn voor een goede afwikkeling van het luchthavenluchtverkeer en het daarmee samenhangende personen- en goederenvervoer op de luchthaven.
Artikel 8.25b
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een vergunning intrekken indien:
- a. de exploitant van de luchthaven zich schuldig maakt aan wanbeheer waardoor de continuïteit van de luchthaven in gevaar wordt gebracht;
- b. het nationale ruimtelijke beleid niet langer voorziet in een luchthaven op de desbetreffende locatie.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan op aanvraag van de exploitant van de luchthaven de vergunning intrekken indien het algemeen belang zich niet tegen die intrekking verzet.
Artikel 8.25c
Indien een ernstig vermoeden bestaat dat een omstandigheid als bedoeld in artikel 8.25b, onderdeel a, zich dreigt voor te doen, kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu de exploitant van de luchthaven een aanwijzing geven om binnen een door hem te stellen termijn maatregelen te treffen ter voorkoming van wanbeheer.
Artikel 8.25d
De exploitant van de luchthaven stelt eenmaal per drie jaar de tarieven en voorwaarden voor de eerstkomende periode van drie jaar vast voor de activiteiten van de exploitant van de luchthaven ten behoeve van het gebruik van de luchthaven door gebruikers.
De in het eerste lid, bedoelde tarieven en voorwaarden kunnen binnen de periode van drie jaar per jaar verschillen.
De in het eerste lid, bedoelde tarieven en voorwaarden treden op 1 april in werking.
De exploitant van de luchthaven stelt jaarlijks aangepaste tarieven vast op basis van de in het eerste lid, dan wel in artikel 8.25db, bedoelde tarieven die voor het desbetreffende jaar zijn vastgesteld. De aanpassing betreft een of meer van de door de exploitant van de luchthaven aan de gebruikers in artikel 8.25dg, bedoelde verschuldigde afzonderlijke verrekeningen.
De exploitant van de luchthaven kan jaarlijks aangepaste tarieven vaststellen op basis van de in het eerste lid dan wel in artikel 8.25db, bedoelde tarieven die voor het desbetreffende jaar zijn vastgesteld. De aanpassing betreft een of meer van de door de gebruikers aan de exploitant van de luchthaven in artikel 8.25dg, bedoelde verschuldigde afzonderlijke verrekeningen.
De exploitant van de luchthaven kan telkens als hiertoe aanleiding bestaat aangepaste operationele voorwaarden vaststellen voor het resterende gedeelte van de in het eerste lid bedoelde periode van drie jaar, op basis van de in het eerste lid, dan wel in artikel 8.25db bedoelde voorwaarden.
De in het vierde en vijfde lid, bedoelde aangepaste tarieven treden per 1 april in werking.
De in het zesde lid, bedoelde aangepaste operationele voorwaarden treden in werking op een door de exploitant van de luchthaven te bepalen datum, waarbij de exploitant van de luchthaven de nadere regels, bedoeld in de artikelen 8.25di, eerste lid, en 8.25e, twaalfde lid, in acht neemt.
Artikel 8.25e
De exploitant van de luchthaven doet met het oog op de vaststelling van de in artikel 8.25d, eerste lid en 8.25db, eerste tot en met derde lid, bedoelde tarieven en voorwaarden, aan gebruikers en representatieve organisaties voorafgaand mededeling van een voorstel voor deze tarieven en voorwaarden met een omschrijving van de daarvoor te leveren diensten, alsmede van een toelichting, onder meer inhoudende een economische onderbouwing, een kostenbenchmark, een tarievenbenchmark, een benchmark kwaliteitsindicatoren en een onderbouwde beschrijving van de mogelijke effecten van het voorstel van de tarieven en voorwaarden op de netwerkkwaliteit.
De exploitant van de luchthaven doet met het oog op de vaststelling van de in artikel 8.25d, vierde en vijfde lid, bedoelde aanpassing van de tarieven, aan gebruikers en representatieve organisaties voorafgaand mededeling van een voorstel van de in artikel 8.25dg bedoelde afzonderlijke verrekeningen, het saldo van die verrekeningen en de daaruit volgende aangepaste tarieven.
De exploitant van de luchthaven doet, met het oog op de vaststelling van de in artikel 8.25d, zesde lid, bedoelde aanpassingen van de voorwaarden, aan gebruikers en representatieve organisaties voorafgaand mededeling van een voorstel tot aanpassing.
Gebruikers verstrekken aan de exploitant van de luchthaven de in het twaalfde lid, onderdeel f, bedoelde informatie, voorafgaand aan de mededeling van het voorstel voor de in artikel 8.25d, eerste lid, dan wel in artikel 8.25db bedoelde tarieven en voorwaarden.
De exploitant van de luchthaven raadpleegt gebruikers en representatieve organisaties over de in het eerste tot en met derde lid bedoelde voorstellen, alvorens de tarieven en voorwaarden, respectievelijk de aangepaste tarieven en voorwaarden vast te stellen.
De exploitant van de luchthaven doet met het oog op de vaststelling van het in artikel 8.25de, eerste lid, bedoelde investeringsprogramma, aan gebruikers en representatieve organisaties voorafgaand mededeling van een voorstel van het vijfjarige investeringsprogramma.
De exploitant van de luchthaven doet, met het oog op de vaststelling van de raming van een investeringsproject, en de ten behoeve van dat investeringsproject opgestelde functionele specificaties, aan de in artikel 8.25df, eerste lid, bedoelde projectgroep, per investeringsproject of elk afzonderlijk onderdeel daarvan, voorafgaand mededeling van een voorstel dat in ieder geval een raming, de onderbouwing daarvan en de bij het betreffende investeringsproject of afzonderlijke onderdelen daarvan behorende functionele specificaties bevat.
De exploitant van de luchthaven raadpleegt gebruikers en representatieve organisaties over het in het zesde lid bedoelde investeringsprogramma, alvorens dat vast te stellen.
De exploitant van de luchthaven raadpleegt de in artikel 8.25df, eerste lid, bedoelde projectgroep over de raming en de daarbij behorende functionele specificaties per investeringsproject of elk afzonderlijk onderdeel daarvan, alvorens deze vast te stellen.
Gebruikers en representatieve organisaties kunnen binnen vier weken na de dag waarop de in het eerste, tweede, derde of zesde lid bedoelde mededeling is gedaan, hun zienswijze over het in het eerste, tweede, derde of zesde lid bedoelde voorstel, aan de exploitant van de luchthaven doen toekomen.
Gebruikers en representatieve organisaties, die deelnemen in de in artikel 8.25df, eerste lid, bedoelde projectgroep, kunnen binnen de door de projectgroep afgesproken termijn, welke maximaal vier weken bedraagt, na de dag waarop de in het zevende lid bedoelde mededeling is gedaan, hun zienswijze over dat voorstel aan de exploitant van de luchthaven doen toekomen.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent:
- a. de wijze en het tijdstip waarop de in het eerste tot en met derde lid en het zesde en zevende lid bedoelde mededelingen plaatsvinden;
- b. de wijze waarop de in het vijfde en het achtste lid bedoelde raadplegingen plaatsvinden;
- c. de informatie, welke door de exploitant van de luchthaven moet worden opgenomen in het voorstel voor de in het eerste lid bedoelde tarieven en voorwaarden, de in het tweede en derde lid bedoelde aangepaste tarieven en voorwaarden en de daarbij behorende toelichtingen, waaronder ook de in het eerste lid bedoelde benchmarks;
- d. de informatie, welke door de exploitant van de luchthaven moet worden gegeven over het in het zesde lid bedoelde voorstel van het investeringsprogramma;
- e. de informatie, welke door de exploitant van de luchthaven moet worden gegeven over het in het zevende lid bedoelde voorstel van een investeringsproject of elk afzonderlijk onderdeel daarvan;
- f. de door de gebruikers aan de exploitant van de luchthaven te verstrekken informatie als bedoeld in het vierde lid, en
- g. het proces aan de hand waarvan invulling wordt gegeven aan de in het eerste lid bedoelde benchmarks.
Gebruikers en representatieve organisaties dienen de op basis van dit artikel door de exploitant van de luchthaven verstrekte informatie en het in het zesde lid bedoelde investeringsprogramma, als bedrijfsvertrouwelijk te beschouwen en te behandelen.
De op basis van dit artikel door de exploitant van de luchthaven aan de leden van de in artikel 8.25df, eerste lid bedoelde projectgroep, verstrekte informatie over een in het zevende lid bedoeld investeringsproject of elk afzonderlijk onderdeel daarvan, dient door de leden van de projectgroep als bedrijfsvertrouwelijk te worden beschouwd en behandeld.
De op basis van dit artikel door de gebruikers aan de exploitant van de luchthaven verstrekte informatie, als bedoeld in het vierde lid, dient door de exploitant van de luchthaven evenzeer als bedrijfsvertrouwelijk te worden beschouwd en behandeld en mag door de exploitant van de luchthaven bovendien niet in een tot een gebruiker herleidbare vorm in het voorstel worden verwerkt.
Artikel 8.25f
Binnen vier weken na de dag waarop de in artikel 8.25da, eerste, vierde en vijfde lid, dan wel in artikel 8.25db, vierde lid, bedoelde mededelingen, hebben plaats gehad kan een gebruiker of representatieve organisatie een aanvraag bij de Autoriteit Consument en Markt indienen tot vaststelling of de in artikel 8.25d, eerste lid en 8.25db, eerste tot en met derde lid, bedoelde tarieven en voorwaarden, of de in artikel 8.25d, vierde en vijfde lid, bedoelde aangepaste tarieven, of de in artikel 8.25d, zesde lid, bedoelde aangepaste voorwaarden, in strijd zijn met bij of krachtens deze wet gestelde regels. Als gevolg van die aanvraag treden bedoelde tarieven en voorwaarden, dan wel aangepaste tarieven en voorwaarden niet op de voorgenomen ingangsdatum in werking. De aanvraag heeft geen betrekking op de wijze waarop en de mate waarin de exploitant van de luchthaven de artikelen 8.25dd, eerste lid en 8.25de, vierde lid, heeft nageleefd. De Autoriteit Consument en Markt deelt de exploitant van de luchthaven terstond mede dat een aanvraag van een gebruiker of van een representatieve organisatie is ontvangen.
De Autoriteit Consument en Markt neemt binnen vier weken na ontvangst van de in het eerste lid, bedoelde aanvraag, een besluit omtrent de inwerkingtreding van de door de exploitant van de luchthaven vastgestelde tarieven en voorwaarden, dan wel aangepaste tarieven of voorwaarden. De Autoriteit Consument en Markt wijst daarbij de tarieven en voorwaarden dan wel de aangepaste tarieven of voorwaarden aan waarvoor, gelet op de aanvraag, de in het eerste lid, bedoelde opschorting van de inwerkingtreding, noodzakelijk blijft. In plaats van deze aangewezen tarieven en voorwaarden, dan wel aangepaste tarieven of voorwaarden, hanteert de exploitant de tarieven en voorwaarden, dan wel aangepaste tarieven of voorwaarden, die golden in de periode voorafgaand aan de periode waarvoor de aangewezen tarieven en voorwaarden, dan wel aangepaste tarieven of voorwaarden, waren vastgesteld. De tarieven en voorwaarden, dan wel aangepaste tarieven of voorwaarden, die niet zijn aangewezen, treden op de door de exploitant van de luchthaven voorgenomen ingangsdatum in werking. Het nemen van een in de eerste volzin bedoelde besluit, blijft achterwege indien binnen de daarin genoemde termijn een besluit over de aanvraag kan worden genomen.
De Autoriteit Consument en Markt beslist zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier maanden na ontvangst van een aanvraag. Deze termijn kan in uitzonderlijke gevallen met twee maanden worden verlengd. De Autoriteit Consument en Markt doet de aanvrager en de exploitant van de luchthaven voor het einde van de in de eerste volzin bedoelde termijn met redenen omkleed mededeling van de verlenging.
Indien de Autoriteit Consument en Markt heeft vastgesteld dat de in artikel 8.25d, eerste lid en 8.25db, eerste tot en met derde lid, bedoelde tarieven en voorwaarden, dan wel de in artikel 8.25d, vierde en vijfde lid, bedoelde aangepaste tarieven, of de in artikel 8.25d, zesde lid, bedoelde aangepaste voorwaarden, in strijd zijn met bij of krachtens deze wet gestelde regels, deelt de Autoriteit Consument en Markt dit terstond mede aan de exploitant van de luchthaven en de aanvrager. De exploitant van de luchthaven stelt binnen vier weken na het besluit van de Autoriteit Consument en Markt nieuwe in artikel 8.25d, eerste lid en 8.25db, eerste tot en met derde lid, bedoelde tarieven en voorwaarden, of nieuwe in artikel 8.25d, vierde en vijfde lid, bedoelde aangepaste tarieven, dan wel nieuwe in artikel 8.25d, zesde lid, bedoelde aangepaste voorwaarden, met inachtneming van het besluit en de overwegingen van de Autoriteit Consument en Markt, vast. Nadat de tarieven en voorwaarden, dan wel de aangepaste tarieven of voorwaarden, opnieuw zijn vastgesteld, trekt de Autoriteit Consument en Markt het in het tweede lid bedoelde besluit omtrent de inwerkingtreding, in. De opnieuw vastgestelde in artikel 8.25d, eerste lid en 8.25db, eerste tot en met derde lid, bedoelde tarieven en voorwaarden, dan wel de nieuwe in artikel 8.25d, vierde en vijfde lid, bedoelde aangepaste tarieven, of de in artikel 8.25d, zesde lid, bedoelde aangepaste voorwaarden, gelden vanaf de door de exploitant van de luchthaven oorspronkelijk voorgenomen ingangsdatum.
Indien de Autoriteit Consument en Markt heeft vastgesteld dat de in artikel 8.25d, eerste lid en 8.25db, eerste tot en met derde lid, bedoelde tarieven en voorwaarden, dan wel de in artikel 8.25d, vierde en vijfde lid, bedoelde aangepaste tarieven, of de in artikel 8.25d, zesde lid, bedoelde aangepaste voorwaarden, niet in strijd zijn met de bij of krachtens deze wet gestelde regels, trekt de Autoriteit Consument en Markt het besluit omtrent de in het tweede lid bedoelde inwerkingtreding, in en gelden deze tarieven en voorwaarden, dan wel aangepaste tarieven of voorwaarden, vanaf de door de exploitant van de luchthaven oorspronkelijk voorgenomen ingangsdatum. De Autoriteit Consument en Markt stelt de exploitant van de luchthaven en de aanvrager van zijn besluit op de hoogte.
Het eerste lid en de artikelen 8.25da, 8.25db, vierde lid, en 8.25e zijn niet van toepassing op de in het vierde lid bedoelde vaststelling van tarieven en voorwaarden, de aangepaste tarieven en de aangepaste voorwaarden.
De exploitant van de luchthaven hanteert de ingevolge het vierde lid vastgestelde tarieven en voorwaarden, dan wel aangepaste tarieven of voorwaarden, gedurende de resterende periode waarop de in het eerste lid bedoelde aanvraag betrekking had.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de in het eerste lid bedoelde aanvraag aan de Autoriteit Consument en Markt en omtrent de in het vierde lid bedoelde vaststelling van tarieven en voorwaarden, dan wel aangepaste tarieven of voorwaarden, door de exploitant van de luchthaven.
Artikel 8.25g
De exploitant van de luchthaven stelt een toerekeningssysteem vast voor de jaarlijkse kosten en opbrengsten van de activiteiten, bedoeld in artikel 8.25d, eerste lid, dat voldoet aan de eisen van marktconformiteit, proportionaliteit en integraliteit. De exploitant van de luchthaven legt het toerekeningssysteem ter goedkeuring voor aan de Autoriteit Consument en Markt.
De exploitant van de luchthaven voert voor de activiteiten met betrekking tot het gebruik van de luchthaven door gebruikers een gescheiden administratie binnen de boekhouding, waarbinnen de kosten en opbrengsten van de uitvoering van de beveiliging van passagiers en hun bagage, bedoeld in artikel 8.25dc, vierde lid afzonderlijk worden geadministreerd.
Op grond van de gescheiden administratie binnen de boekhouding, bedoeld in het tweede lid, stelt de exploitant van de luchthaven jaarlijks een financiële verantwoording op over het voorafgaande boekjaar, die bestaat uit een afzonderlijke exploitatierekening en een overzicht van de toegedeelde materiële vaste activa voor het geheel van de activiteiten, bedoeld in artikel 8.25d, eerste lid. De financiële verantwoording bevat een toelichting en is voorzien van een verklaring van een onafhankelijke accountant.
De exploitant van de luchthaven legt binnen vijf maanden na afloop van het boekjaar van de exploitant van de luchthaven de financiële verantwoording over het voorafgaande boekjaar tezamen met de verklaring van de onafhankelijke accountant, over aan de Autoriteit Consument en Markt en de gebruikers en representatieve organisaties die daarom verzoeken.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de geldigheidsduur, de inrichting en goedkeuring van het toerekeningssysteem, bedoeld in het eerste lid, de toedeling van activa aan de activiteiten, bedoeld in artikel 8.25d, eerste lid, de inrichting van de gescheiden administratie binnen de boekhouding, bedoeld in het tweede lid, en omtrent de financiële verantwoording, bedoeld in het derde lid.
Op de voorbereiding van een besluit omtrent goedkeuring van het toerekeningssysteem is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Onverminderd artikel 3:15 van de Algemene wet bestuursrecht, kunnen de gebruikers en representatieve organisaties van de luchthaven hun zienswijze naar voren brengen over het voorgenomen besluit omtrent goedkeuring van het toerekeningssysteem.
De voordracht voor een krachtens het vijfde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan de beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 8.25ga
De exploitant van de luchthaven zendt, de in artikel 8.25e, eerste lid, bedoelde benchmarks over het voorafgaande boekjaar aan zowel de Autoriteit Consument en Markt, als aan de gebruikers en de representatieve organisaties, uiterlijk op hetzelfde tijdstip als waarop de exploitant van de luchthaven de in artikel 8.25e, eerste en tweede lid, bedoelde mededelingen doet.
Artikel 8.25h
De exploitant van de luchthaven zendt de Autoriteit Consument en Markt een afschrift van de in artikelen 8.25da, eerste, vierde en vijfde lid, 8.25db, vierde lid, 8.25de, tweede lid, 8.25df, tweede en vijfde lid en 8.25e, eerste tot en met derde, zesde en zevende lid, bedoelde mededelingen.
De exploitant van de luchthaven verleent binnen de door de Autoriteit Consument en Markt gestelde termijn alle medewerking die deze redelijkerwijs kan verlangen bij de uitoefening van haar bevoegdheden op grond van deze wet.
Artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing indien de Autoriteit Consument en Markt aan de exploitant van de luchthaven om gegevens verzoekt met het oog op een te nemen besluit.
Ingeval van overtreding van het tweede lid is artikel 12m van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8.25ha
Vervallen
Artikel 8.25i
Vervallen
Artikel 8.25j
Een voordracht voor een algemene maatregel van bestuur op grond van de artikelen 8.25d tot en met 8.25g wordt gedaan door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken.
§ 8.2.2. Het voorbereiden en wijzigen van het besluit
§ 8.2.2. Het voorbereiden en wijzigen van het besluit
§ 8.3.1. Het luchthavenverkeerbesluit
Artikel 8.29a
De exploitant van de luchthaven brengt elke drie jaar, of zoveel eerder als Onze Minister van Infrastructuur en Milieu nodig oordeelt, aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu verslag uit over de exploitatie van de luchthaven. Het verslag bevat ten minste een beschrijving van de ter uitvoering van artikel 8.25a getroffen voorzieningen, een overzicht van alle daartoe relevante gegevens en een beschrijving van de doelmatigheid en doeltreffendheid van die voorzieningen, alsmede een beschrijving van de ontwikkeling van de netwerkkwaliteit, tevens omvattende een vergelijking met de in artikel 8.25da, tweede lid en 8.25e, eerste lid, bedoelde beschrijvingen.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de verslaggeving.
De door de exploitant van de luchthaven verstrekte beschrijving van de ontwikkeling van de netwerkkwaliteit stelt Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in staat in te schatten of en in hoeverre het door de exploitant van de luchthaven gevoerde beleid voldoende rekening houdt met de netwerkkwaliteit. Deze inschatting van het door de exploitant van de luchthaven gevoerde beleid met het oog op de ontwikkeling van netwerkkwaliteit door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu laat de bij of krachtens deze wet opgenomen bepalingen met betrekking tot de voorstellen, raadplegingen en vaststellingen en de bevoegdheden van de Autoriteit Consument en Markt onverlet.
§ 8.5.1. Algemeen
Titel 8.7. De commissie regionaal overleg luchthaven schiphol
Hoofdstuk 9. Bijzondere of buitengewone omstandigheden
Hoofdstuk 10. Militaire luchtvaart
Titel 11.1. Toezicht en strafrechtelijke handhaving
Artikel 11.2b
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan ten behoeve van het toezicht op de naleving van de verplichting, bedoeld in artikel 8.25a, een onderzoek instellen bij de exploitant van de luchthaven.
Met het onderzoek zijn belast de krachtens artikel 11.1, eerste lid, aangewezen toezichthouders.
In afwijking van het tweede lid, kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu het onderzoek laten verrichten door een of meer aangewezen deskundigen.
De ingevolge het derde lid aangewezen deskundigen horen gebruikers.
Na afloop van het onderzoek wordt daarvan een rapport opgemaakt.
Een afschrift van het rapport wordt gezonden aan de exploitant van de luchthaven.
De exploitant van de luchthaven wordt gedurende vier weken na de toezending van het rapport, in de gelegenheid gesteld om schriftelijk of mondeling zijn zienswijze daaromtrent naar voren te brengen. Van hetgeen mondeling naar voren is gebracht, wordt een verslag gemaakt.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het in het eerste lid bedoelde onderzoek.
Artikel 11.14a
De Autoriteit Consument en Markt is belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de artikelen 8.25d tot en met 8.25h en 8.40c tot en met 8.40h bepaalde.
Titel 11.1. Toezicht en strafrechtelijke handhaving
Artikel 11.21
Onze Minister van Defensie is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen als bedoeld in de artikelen 10.13, tweede of derde lid, 10.27 of 10.32.
Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 12.1
Vervallen
Artikel 12.3a
Vervallen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 7.1
Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat worden regels gesteld met betrekking tot:
- a. de inrichting en de werking van een systeem ten behoeve van het verplicht melden van voorvallen als bedoeld in artikel 4, derde lid, van de verordening voorvallen;
- b. de inrichting en de werking van een systeem ten behoeve van het vrijwillig melden van voorvallen als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de verordening voorvallen;
- c. de inrichting en werking van een mechanisme voor het onafhankelijk verrichten van de verzameling, beoordeling, verwerking, analyse en opslag van de bijzonderheden over de overeenkomstig de artikelen 4 en 5 van de verordening voorvallen gemelde voorvallen.
Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kunnen overeenkomstig artikel 5, zevende lid, van de verordening voorvallen regels worden gesteld voor het verzamelen en verwerken van veiligheidsinformatie, teneinde bijzonderheden over voorvallen te verzamelen die mogelijkerwijs niet worden opgenomen in de meldingssystemen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de verordening voorvallen.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de toepassing van de verordening voorvallen op voorvallen en andere veiligheid gerelateerde informatie met betrekking tot luchtvaartuigen waarop de basisverordening niet van toepassing is.
Gegevens die op grond van de artikelen 4, 5 en 10 van de verordening voorvallen zijn ontvangen of verzameld door of namens bestuursorganen, zijn niet openbaar.
Artikel 7.2
Het Huis voor klokkenluiders, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet bescherming klokkenluiders wordt aangewezen als het orgaan, bedoeld in artikel 16, twaalfde lid, van de verordening voorvallen, voor zover het betreft de uitvoering van de orgaantaken, bedoeld in de leden negen, elf en twaalf, van het laatstgenoemde artikel.
Artikel 7.3
Vervallen
Artikel 7.4
De luchtvervoerder en de exploitant van luchtvaartuigen, bedoeld in artikel 3 van de Verordening (EG) nr. 785/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake de verzekeringseisen voor luchtvervoerders en exploitanten van luchtvaartuigen (PbEU L 138) hebben een verzekering die voldoet aan de artikelen 4, 6 en 7 van voornoemde verordening.
Met betrekking tot niet-commerciële diensten van luchtvaartuigen met een MTOM van 2700 kg of minder bedraagt de verzekeringsdekking ten minste 100 000 BTR per passagier.
Hoofdstuk 8. De luchthaven Schiphol
Titel 8.1. Algemeen
Titel 7.1. Melding van voorvallen
§ 8.2.2. Het voorbereiden en wijzigen van het besluit
§ 8.2.1. Het luchthavenindelingbesluit
Artikel 8.23a
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)