Wijzigingsgeschiedenis

Wet van 10 september 1992, houdende nieuwe bepalingen met betrekking tot provincies

79 versions · 2026-01-01
2026-01-01
Provinciewet — arts. 37, 41, 45 y 20 más
2025-12-31
Provinciewet — arts. 37, 41, 45 y 20 más
2025-02-12
Provinciewet — arts. 37, 41, 45 y 20 más
2025-01-01
Provinciewet — arts. 37, 41, 45 y 21 más
2024-12-11
Provinciewet — arts. 37, 41, 45 y 21 más
2024-01-01
Provinciewet — arts. 37, 37, 41 y 45 más
2023-04-01
2023-01-01
Provinciewet — arts. 23, 23, 37 y 49 más
2022-11-05
2022-07-01
Provinciewet — arts. 23, 23, 23 y 81 más
2022-05-01
Provinciewet — arts. 23, 23, 23 y 84 más
2022-01-01
2021-07-10
Provinciewet — arts. 23, 23, 23 y 84 más
2021-07-01
Provinciewet — arts. 23, 23, 23 y 87 más
2021-06-02
Provinciewet — arts. 23, 23, 37 y 67 más
2021-01-01
Provinciewet — arts. 23, 37, 41 y 32 más
2020-01-01
2019-01-01
Provinciewet — arts. 23, 37, 41 y 34 más
2018-07-01
Provinciewet — arts. 23, 37, 41 y 34 más
2018-06-13
Provinciewet — arts. 23, 37, 41 y 34 más
2018-01-01
Provinciewet — arts. 23, 37, 41 y 35 más
2017-07-01
Provinciewet — arts. 23, 37, 41 y 35 más
2017-01-01
Provinciewet — arts. 23, 37, 41 y 35 más
2016-02-01
Provinciewet — arts. 23, 37, 41 y 35 más
2016-01-01
Provinciewet — arts. 23, 37, 41 y 38 más
2015-01-01
Provinciewet — arts. 23, 37, 41 y 38 más
2014-03-19
Provinciewet — arts. 23, 37, 41 y 38 más
2014-01-06
Provinciewet — arts. 23, 37, 41 y 40 más
2014-01-01
Provinciewet — arts. 23, 37, 41 y 40 más
2013-12-14
Provinciewet — arts. 23, 37, 41 y 40 más
2013-07-01
Provinciewet — arts. 23, 37, 41 y 40 más
2013-01-01
Provinciewet — arts. 23, 37, 41 y 41 más
2012-10-01
2012-01-01
Provinciewet — arts. 23, 37, 41 y 42 más
2011-08-03
2011-07-01
Provinciewet — arts. 23, 37, 41 y 42 más
2011-02-23
2011-01-01
Provinciewet — arts. 23, 37, 41 y 44 más
2010-10-10
Provinciewet — arts. 23, 37, 41 y 44 más
2010-10-01
2010-09-01
Provinciewet — arts. 23, 37, 41 y 44 más
2010-03-10
Provinciewet — arts. 23, 37, 41 y 44 más
2010-02-27
Provinciewet — arts. 23, 37, 41 y 45 más
2010-01-01
Provinciewet — arts. 23, 37, 41 y 45 más
2009-12-22
2009-07-01
Provinciewet — arts. 23, 37, 41 y 45 más
2009-04-15
Provinciewet — arts. 23, 37, 41 y 45 más
2009-04-01
Provinciewet — arts. 23, 37, 41 y 45 más
2009-01-01
Provinciewet — arts. 23, 37, 41 y 45 más
2008-09-01
Provinciewet — arts. 23, 37, 41 y 45 más
2008-08-01
Provinciewet — arts. 23, 37, 41 y 45 más
2008-07-11
2008-07-01
Provinciewet — arts. 23, 23, 37 y 93 más
2008-06-28
Provinciewet — arts. 23, 23, 37 y 93 más
2008-04-01
Provinciewet — arts. 23, 23, 37 y 93 más
2008-01-01
Provinciewet — arts. 23, 23, 37 y 93 más
2007-12-29
Provinciewet — arts. 23, 23, 37 y 93 más
2007-04-06
Provinciewet — arts. 23, 23, 37 y 93 más
2007-04-01
Provinciewet — arts. 23, 23, 37 y 95 más
2007-03-15
Provinciewet — arts. 23, 23, 37 y 95 más
2007-01-01
2006-10-11
Provinciewet — arts. 23, 23, 37 y 95 más
2006-10-01
Provinciewet — arts. 23, 23, 37 y 97 más
2006-07-01
Provinciewet — art. 147
2006-03-08
Provinciewet — art. 6
2006-01-01
Provinciewet — art. 6
2005-11-02
Provinciewet — art. 6
2005-07-01
Provinciewet — art. 6
2005-01-01
2004-08-16
Provinciewet — arts. 13, 23, 37 y 53 más
2004-07-01
Provinciewet — art. 6
2004-03-01
Provinciewet — arts. 13, 23, 37 y 53 más
2003-10-17
Provinciewet — arts. 13, 13, 23 y 109 más
2003-04-01
Provinciewet — arts. 13, 13, 23 y 115 más
2003-03-12
Provinciewet — art. 6
2003-01-16
Provinciewet — art. 10

Wijzigingen op 2003-01-16

@@ -34,9 +34,9 @@
- b. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
- c. commissie: een commissie als bedoeld in [artikel 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&titeldeel=II&hoofdstuk=V&artikel=80&z=2003-01-01&g=2003-01-01).
## Titel II. De inrichting en samenstelling van het provinciaal bestuur
- c. commissie: een commissie als bedoeld in [artikel 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&titeldeel=II&hoofdstuk=V&artikel=80&z=2003-01-16&g=2003-01-16).
## Titel II. De inrichting en samenstelling van het provinciebestuur
### Hoofdstuk I. Algemene bepaling
@@ -972,1288 +972,1440 @@
De bepalingen van provinciale verordeningen in wier onderwerp door een wet of een algemene maatregel van bestuur wordt voorzien, zijn van rechtswege vervallen.
#### § 2. Verhouding tot het Rijk
##### Artikel 120
Wanneer provinciale staten of, indien aan een commissie bevoegdheden van provinciale staten of van gedeputeerde staten zijn overgedragen, de commissie bij of krachtens een andere dan deze wet gevorderde beslissingen niet of niet naar behoren nemen, voorzien gedeputeerde staten daarin.
##### Artikel 121
1. Wanneer gedeputeerde staten of de commissaris van de Koning bij of krachtens een andere dan deze wet gevorderde beslissingen niet of niet naar behoren nemen, voorziet Onze Minister daarin namens het provinciaal bestuur en ten laste van de provincie.
2. Spoedeisende gevallen uitgezonderd, vindt het eerste lid geen toepassing dan nadat gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de commissaris in de gelegenheid zijn gesteld binnen een door Onze Minister gestelde termijn alsnog de bij of krachtens een andere dan deze wet gevorderde beslissingen te nemen.
#### § 4. Bestuursdwang
##### Artikel 122
1. Het provinciaal bestuur is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.
2. De bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang wordt uitgeoefend door gedeputeerde staten, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het provinciaal bestuur uitvoert.
3. De bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang wordt evenwel uitgeoefend door de commissaris van de Koning, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke hij uitvoert.
4. Een commissie waaraan bevoegdheden van provinciale staten of gedeputeerde staten zijn overgedragen, bezit de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang en de bevoegdheid tot het geven van een machtiging tot binnentreden van een woning slechts indien ook die bevoegdheid uitdrukkelijk is overgedragen.
##### Artikel 123
Vervallen
##### Artikel 124
Vervallen
##### Artikel 125
Vervallen
##### Artikel 126
Vervallen
##### Artikel 127
Vervallen
##### Artikel 128
Vervallen
##### Artikel 129
Vervallen
##### Artikel 130
Vervallen
##### Artikel 131
Vervallen
##### Artikel 132
1. In geval van toepassing van artikel 121 kan Onze Minister bestuursdwang toepassen namens het provinciaal bestuur en ten laste van de provincie.
2. De provincie heeft in dat geval voor het bedrag van de te haren laste gebrachte kosten verhaal op de overtreder.
3. [Artikel 5:26 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:26) is alsdan van toepassing.
##### Artikel 133
Vervallen
##### Artikel 134
Vervallen
##### Artikel 135
Vervallen
#### § 5. Bekendmaking en inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden
##### Artikel 136
1. Besluiten van het provinciaal bestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden, verbinden niet dan wanneer zij zijn bekendgemaakt.
2. De bekendmaking geschiedt door plaatsing in het provinciaal blad, dat algemeen verkrijgbaar wordt gesteld.
3. Bij de bekendmaking van een besluit dat aan goedkeuring is onderworpen, wordt de dagtekening vermeld van het besluit waarbij die goedkeuring is verleend of wordt de mededeling gedaan van de omstandigheid dat ingevolge [artikel 10:31, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:31) een besluit tot goedkeuring wordt geacht te zijn genomen.
##### Artikel 137
Besluiten van het provinciaal bestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden, liggen voor een ieder kosteloos ter inzage op het provinciehuis of op een andere door provinciale staten te bepalen plaats.
##### Artikel 138
Een ieder kan op zijn verzoek een afschrift verkrijgen van de besluiten van het provinciaal bestuur die ingevolge artikel 137 ter inzage liggen.
##### Artikel 139
De bekendgemaakte besluiten treden in werking met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking, tenzij in deze besluiten daarvoor een ander tijdstip is aangewezen.
##### Artikel 140
Met betrekking tot de intrekking van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden, is het bepaalde in de artikelen 136 en 139 van overeenkomstige toepassing.
#### § 6. Termijnen
##### Artikel 141
Op termijnen gesteld in een provinciale verordening zijn de artikelen 1 tot en met 4 van de Algemene Termijnenwet van overeenkomstige toepassing, tenzij in de verordening anders is bepaald.
##### Artikel 142
Vervallen
### Hoofdstuk IX. De bevoegdheid van provinciale staten
##### Artikel 143
1. Provinciale verordeningen worden door provinciale staten vastgesteld voor zover de bevoegdheid daartoe niet bij de wet of door provinciale staten krachtens de wet aan gedeputeerde staten of de commissaris van de Koning is toegekend.
2. De overige bevoegdheden, bedoeld in artikel 105, berusten bij provinciale staten voor zover deze niet bij of krachtens de wet aan gedeputeerde staten of de commissaris van de Koning zijn toegekend.
##### Artikel 144
1. Provinciale staten kunnen bij verordening beleidsregels vaststellen waarmee andere organen van de provincie rekening houden bij de uitoefening van bij of krachtens de wet verleende bevoegdheden.
2. Ten aanzien van de bekendmaking van een verordening als bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 136, 137 en 138 van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 145
Provinciale staten maken de verordeningen die zij in het belang van de provincie nodig oordelen.
##### Artikel 146
1. Provinciale staten kunnen in hun verordeningen medewerking tot de uitvoering daarvan vorderen van de gemeentebesturen of, voor zover het de waterstaat betreft, van de besturen van waterschappen.
2. De kosten, verbonden aan de in het eerste lid bedoelde medewerking, worden voor zover zij ten laste van de betrokken gemeenten of waterschappen blijven, door de provincie aan hen vergoed.
##### Artikel 147
1. Provinciale staten stellen een verordening vast, waarin regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop ingezetenen en in de provincie een belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen bij de voorbereiding van provinciaal beleid worden betrokken.
2. In deze verordening worden ten minste geregeld:
- a. de wijze waarop van de beleidsvoornemens waarop inspraak zal worden verleend, openbaar wordt kennis gegeven;
- b. de wijze waarop ingezetenen en in de provincie een belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen in staat worden gesteld hun mening omtrent de onder **a**. bedoelde beleidsvoornemens kenbaar te maken;
- c. de rapportering over de onder **b**. bedoelde inspraak en over de uitkomsten daarvan;
- d. de wijze waarop ingezetenen en in de provincie een belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen in de gelegenheid worden gesteld hun beklag te doen over de uitvoering van de verordening.
##### Artikel 148
Provinciale staten kunnen in hun verordeningen beroep op zich openstellen van krachtens deze verordeningen door gedeputeerde staten of de commissaris van de Koning genomen besluiten.
##### Artikel 149
Indien beroep op provinciale staten openstaat, geschiedt de voorbereiding van de beslissing van provinciale staten op het beroepschrift door een door provinciale staten te benoemen commissie. In deze commissie heeft geen lid van gedeputeerde staten zitting. Artikel 168 is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 150
1. Provinciale staten kunnen op overtreding van hun verordeningen en van die van organen waaraan ingevolge artikel 152 verordenende bevoegdheid is gedelegeerd, straf stellen maar geen andere of zwaardere dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.
2. De in het eerste lid bedoelde strafbare feiten zijn overtredingen.
##### Artikel 151
1. Provinciale staten besluiten slechts tot het oprichten van en deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen indien dat bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang.
2. Het besluit behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens:
- a. strijd met het bepaalde in het eerste lid of anderszins strijd met het recht;
- b. andere dringende redenen.
##### Artikel 152
1. Provinciale staten kunnen aan gedeputeerde staten en aan een commissie als bedoeld in artikel 80 bevoegdheden van provinciale staten overdragen, tenzij de aard van de bevoegdheid zich tegen overdracht verzet.
2. Daarbij kan niet worden overgedragen de bevoegdheid tot:
- a. de opheffing en instelling van waterschappen, de regeling van hun taken en inrichting, alsmede de samenstelling van hun besturen;
- b. het vaststellen of wijzigen van de begroting, bedoeld in artikel 193;
- c. het vaststellen van de jaarrekening als bedoeld in artikel 201;
- d. het stellen van straf op overtreding van provinciale verordeningen;
- e. het vaststellen van regels met betrekking tot de organisatie van de administratie en het beheer van vermogenswaarden van de provincie, bedoeld in artikel 216;
- f. het vaststellen van regels met betrekking tot de controle op de administratie en het beheer van vermogenswaarden van de provincie, bedoeld in artikel 217;
- g. het heffen van andere belastingen dan de rechten, bedoeld in artikel 221, onderdeel **b**, en de rechten waarvan de heffing krachtens andere wetten dan deze geschiedt.
3. De bevoegdheid tot het maken van verordeningen, door strafbepaling of bestuursdwang te handhaven, kunnen provinciale staten slechts delegeren voor zover het betreft de vaststelling van nadere regels met betrekking tot bepaalde door hen in hun verordeningen aangewezen onderwerpen.
4. De bevoegdheid tot het houden van toezicht op een ander publiekrechtelijk lichaam kunnen provinciale staten slechts overdragen aan gedeputeerde staten.
5. Ten aanzien van een besluit als bedoeld in het eerste lid zijn de artikelen 136, 137 en 138 van overeenkomstige toepassing.
6. Het bepaalde in het tweede lid, onderdeel d, en het derde lid is niet van toepassing op een commissie als bedoeld in artikel 85.
##### Artikel 153
1. De voorschriften met betrekking tot de bevoegdheid van provinciale staten, de uitoefening daarvan en het toezicht daarop zijn ten aanzien van de ingevolge artikel 152 overgedragen bevoegdheden van overeenkomstige toepassing.
2. Onder de in het eerste lid bedoelde voorschriften zijn niet begrepen die betreffende vergaderingen.
##### Artikel 154
Provinciale staten hebben het toezicht op alle waterstaatswerken, voor zover de wet het toezicht over bepaalde werken niet aan anderen heeft opgedragen. De eerste volzin is niet van toepassing op waterstaatswerken in beheer bij het Rijk.
##### Artikel 155
Verordeningen, geheel of in hoofdzaak de waterstaat betreffende, worden gezonden aan Onze Minister wie het aangaat. Zij treden niet eerder in werking dan drie maanden na de dag van verzending.
##### Artikel 156
1. Provinciale staten kunnen de naam van de provincie wijzigen.
2. Het besluit van provinciale staten wordt ter kennis gebracht van Onze Minister.
3. Het besluit vermeldt de datum van ingang, die is gelegen ten minste een jaar na de datum van het besluit.
##### Artikel 157
Provinciale staten stellen een verordening vast omtrent de ambtelijke organisatie in de provincie.
### Hoofdstuk X. De bevoegdheid van gedeputeerde staten
##### Artikel 158
Het dagelijks bestuur van de provincie berust bij gedeputeerde staten voor zover niet bij of krachtens de wet de commissaris van de Koning hiermee is belast.
##### Artikel 159
Gedeputeerde staten zijn belast met de voorbereiding van alles waarover in de vergadering van provinciale staten zal worden beraadslaagd en besloten.
##### Artikel 160
Gedeputeerde staten zijn belast met de uitvoering van de beslissingen van provinciale staten, tenzij bij of krachtens de wet de commissaris van de Koning hiermee is belast.
##### Artikel 161
Onverminderd het bepaalde bij of krachtens andere wetten dragen gedeputeerde staten zorg dat de voorbereiding van de civiele verdediging door de provincie naar behoren geschiedt.
##### Artikel 162
1. Gedeputeerde staten nemen, ook alvorens is besloten tot het voeren van een rechtsgeding, alle conservatoire maatregelen en doen wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van recht of bezit.
2. Gedeputeerde staten zijn bevoegd, tenzij provinciale staten daaromtrent in voorkomende gevallen een beslissing hebben genomen, tot het procederen in kort geding en tot voeging in strafzaken als bedoeld in [artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=51a).
3. Gedeputeerde staten zijn bevoegd, indien ingevolge wettelijk voorschrift aan de provincie of aan het provinciaal bestuur hetzij een recht van beroep hetzij een recht bezwaar te maken toekomt, spoedshalve beroep in te stellen of bezwaar in te brengen alsmede, voor zover de voorschriften dat toelaten, schorsing van het aangevochten besluit of een voorlopige voorziening ter zake te verzoeken.
4. Het ingestelde beroep of het gemaakte bezwaar wordt ingetrokken, indien provinciale staten de beslissing van gedeputeerde staten tot het instellen van beroep of het maken van bezwaar niet hetzij in hun eerstvolgende vergadering, hetzij binnen drie maanden bekrachtigen.
##### Artikel 163
1. Provinciale staten kunnen, op voorstel van gedeputeerde staten, aan een commissie als bedoeld in artikel 80 bevoegdheden van gedeputeerde staten overdragen, tenzij de aard van de bevoegdheid zich tegen overdracht verzet.
2. De bevoegdheid tot het geven van een betalingsopdracht kan alleen uitdrukkelijk worden overgedragen.
3. Ten aanzien van een besluit als bedoeld in het eerste lid zijn de artikelen 136, 137 en 138 van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 164
Vervallen
##### Artikel 165
1. De voorschriften met betrekking tot de bevoegdheid van gedeputeerde staten, de uitoefening daarvan en het toezicht daarop, zijn ten aanzien van de ingevolge artikel 163 toegekende bevoegdheden van overeenkomstige toepassing.
2. Onder de in het eerste lid bedoelde voorschriften zijn niet begrepen die betreffende vergaderingen.
##### Artikel 166
1. Gedeputeerde staten kunnen een of meer van hun leden machtigen tot uitoefening van een of meer van hun bevoegdheden, tenzij de regeling waarop de bevoegdheid steunt zich daartegen verzet.
2. Een krachtens machtiging uitgeoefende bevoegdheid wordt uit naam en onder verantwoordelijkheid van gedeputeerde staten uitgeoefend.
3. Gedeputeerde staten kunnen te dien aanzien alle aanwijzingen geven die zij nodig achten.
##### Artikel 167
1. De leden van gedeputeerde staten zijn, te zamen en ieder afzonderlijk, aan provinciale staten verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur.
2. Zij geven provinciale staten mondeling of schriftelijk de door een of meer leden gevraagde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het openbaar belang.
##### Artikel 168
Een door provinciale staten te maken verordening regelt de behandeling door gedeputeerde staten van administratieve geschillen, aan hun beslissing onderworpen.
##### Artikel 169
1. In aanvulling op [artikel 7:22 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:22) gelden de volgende bepalingen met betrekking tot getuigen en deskundigen die worden gehoord tijdens de behandeling van de geschillen, bedoeld in artikel 168.
2. Getuigen en deskundigen kunnen al dan niet op verzoek van belanghebbenden door gedeputeerde staten worden opgeroepen.
3. De opgeroepenen zijn verplicht aan de oproeping gevolg te geven. De getuigen zijn verplicht getuigenis af te leggen, de deskundigen hun diensten als zodanig te verlenen, een en ander behoudens verschoning wegens ambts- of beroepsgeheim. De getuigen leggen de eed of de belofte af dat zij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zullen spreken, de deskundigen dat zij verslag zullen doen naar hun geweten.
4. Gedeputeerde staten kunnen bevelen dat getuigen of deskundigen die, hoewel wettelijk opgeroepen, niet zijn verschenen, door de openbare macht voor hen worden gebracht om aan hun verplichtingen te voldoen.
5. Getuigen en deskundigen, door gedeputeerde staten opgeroepen, ontvangen desverlangd uit de provinciale kas een door provinciale staten te regelen vergoeding voor reis- en verblijfkosten en tijdsverzuim.
##### Artikel 170
Artikel 169 is eveneens van toepassing in die gevallen waarvoor het provinciaal bestuur een behandeling op de voet van de verordening, bedoeld in artikel 168 heeft voorgeschreven.
##### Artikel 171
1. Voor de behandeling van de zaken, bedoeld in de artikelen 168 en 170, vormen gedeputeerde staten uit hun college een of meer kamers.
2. Elke kamer telt ten minste drie leden, waartoe ook de commissaris van de Koning als voorzitter behoren kan.
3. Gedeputeerde staten regelen samenstelling en werkzaamheden der kamers.
4. De voorzitter van een kamer kan de behandeling van eenvoudige zaken aan een enkelvoudige kamer, bestaande uit één door hem uit de kamer aan te wijzen lid, opdragen. Dit lid is te allen tijde bevoegd, indien naar zijn oordeel de zaak niet van eenvoudige aard is, deze naar de bevoegde kamer terug te wijzen.
5. Op de behandeling door deze kamers is het bij of krachtens de artikelen 168 en 169 bepaalde van overeenkomstige toepassing.
6. De uitspraken van de meervoudige kamers onderscheidenlijk de enkelvoudige kamers worden getekend door haar voorzitter onderscheidenlijk het lid van de kamer en mede ondertekend door degene die als haar griffier optreedt. De uitspraken gelden als uitspraken van gedeputeerde staten.
##### Artikel 172
1. De voorzitter van een kamer als bedoeld in artikel 171, tweede lid, en het lid van een enkelvoudige kamer kunnen, zonder toepassing van de [artikelen 7:16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:16) en [7:18 tot en met 7:22 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:18), uitspraak doen, indien het verzoek om voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is, dan wel indien de verdere behandeling van de zaak hen niet nodig voorkomt, omdat:
- a. het verzoek kennelijk ongegrond is;
- b. het aangevallen besluit kennelijk niet in stand kan blijven;
- c. het aangevallen besluit door het bevoegde overheidsorgaan is ingetrokken of gewijzigd, en dit orgaan kennelijk aan de bezwaren van de verzoeker is tegemoet gekomen.
2. Het voornemen om in een zaak op de in het eerste lid bedoelde wijze uitspraak te doen, wordt door de voorzitter van een kamer als bedoeld in artikel 171, onderscheidenlijk het lid van een enkelvoudige kamer bekendgemaakt aan de belanghebbenden. De bekendmaking bevat een kennisgeving van hetgeen in het derde lid is bepaald.
3. Tegen de voorgenomen wijze van afdoening kan de belanghebbende binnen veertien dagen na de bekendmaking van het voornemen schriftelijk verzet doen bij gedeputeerde staten indien het een voornemen betreft van de voorzitter van een kamer als bedoeld in artikel 171, of, indien het een voornemen betreft van het lid van een enkelvoudige kamer, bij de kamer uit welke dat lid is aangewezen.
4. Alvorens een uitspraak te doen op het verzet, stellen gedeputeerde staten onderscheidenlijk de kamer uit welke het lid van een enkelvoudige kamer is aangewezen, de indiener van het verzetschrift die daarom vroeg in de gelegenheid in een openbare vergadering te worden gehoord en de stukken die op zijn zaak betrekking hebben in te zien, tenzij zij van oordeel zijn dat het verzet gegrond is.
5. Al hetgeen verder de indiening en de behandeling van, alsmede de uitspraak op het verzetschrift betreft wordt door provinciale staten nader geregeld in de verordening, bedoeld in artikel 168.
##### Artikel 173
Indien een besluit van de raad of van burgemeester en wethouders van een gemeente in hun provincie naar het oordeel van gedeputeerde staten voor vernietiging in aanmerking komt, doen zij daarvan mededeling aan Onze Minister wie het aangaat.
##### Artikel 174
Gedeputeerde staten trachten alle geschillen tussen in hun provincie gevestigde gemeenten, waterschappen en lichamen, ingesteld bij gemeenschappelijke regeling, in der minne te doen bijleggen.
### Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van de commissaris van de Koning
##### Artikel 175
De commissaris van de Koning bevordert een goede behartiging van de zaken van de provincie.
##### Artikel 176
1. De commissaris vertegenwoordigt de provincie in en buiten rechte.
2. De commissaris kan de in het eerste lid bedoelde vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen persoon.
##### Artikel 177
Vervallen
##### Artikel 178
Vervallen
##### Artikel 179
1. De commissaris is aan provinciale staten verantwoording verschuldigd voor het door hem gevoerde bestuur.
2. Hij geeft provinciale staten mondeling of schriftelijk de door een of meer leden gevraagde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het openbaar belang.
##### Artikel 180
De artikelen 168 tot en met 170 zijn van overeenkomstige toepassing op de behandeling door de commissaris van administratieve geschillen, aan zijn beslissing onderworpen.
##### Artikel 181
Indien een besluit van de burgemeester van een gemeente in zijn provincie naar het oordeel van de commissaris voor vernietiging in aanmerking komt, doet hij daarvan mededeling aan Onze Minister wie het aangaat.
##### Artikel 182
1. De commissaris is, volgens regels te stellen bij een door de regering gegeven ambtsinstructie, belast met:
- a. het bevorderen van de samenwerking tussen de in de provincie werkzame rijksambtenaren onderling en met het provinciaal bestuur, de gemeentebesturen en de waterschapsbesturen;
- b. het regelmatig bezoeken van de gemeenten in de provincie;
- c. het uitbrengen van adviezen aan de regering of aan Onze Ministers over andere onderwerpen dan die bedoeld in artikel 116, eerste lid;
- d. de coördinatie van de voorbereiding van de civiele verdediging door de in de provincie werkzame rijksambtenaren, het provinciaal bestuur, de gemeentebesturen en de waterschapsbesturen;
- e. de bewaring en registratie van aan hem gerichte stukken, verband houdende met zijn ambtsinstructie.
2. Bij de wet kan de commissaris, volgens regels te stellen bij de in het eerste lid bedoelde ambtsinstructie, worden belast met andere dan de in dat lid genoemde taken.
3. De ambtsinstructie wordt vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur. De voordracht wordt gedaan door of mede door Onze Minister.
4. Een krachtens het derde lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in werking dan twee maanden na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.
5. De artikelen 79, 144 en 179 zijn niet van toepassing op de uitvoering van de ambtsinstructie.
## Titel IV. De financiën van de provincie
### Hoofdstuk XII. Algemene bepalingen
##### Artikel 183
Vervallen
##### Artikel 184
Vervallen
##### Artikel 185
Vervallen
##### Artikel 186
Vervallen
##### Artikel 187
Vervallen
##### Artikel 188
Vervallen
##### Artikel 189
Vervallen
##### Artikel 190
De begroting, de begrotingswijzigingen, de meerjarenraming, de jaarrekening en het jaarverslag worden ingericht overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te geven regels.
##### Artikel 191
Aan de provincies kunnen slechts bij of krachtens de wet uitgaven worden opgelegd.
##### Artikel 192
De provinciale besturen zenden aan Onze Minister hun besluiten binnen twee weken na de vaststelling daarvan, betreffende:
- a. het aangaan van geldleningen en rekening-courant-overeenkomsten;
- b. het uitlenen van gelden en het waarborgen van geldelijke verplichtingen, door anderen aan te gaan.
### Hoofdstuk XIII. De begroting en de jaarrekening
#### § 1. De begroting
##### Artikel 193
1. Voor alle taken en activiteiten brengen provinciale staten jaarlijks op de begroting de bedragen die zij daarvoor beschikbaar stellen, alsmede de financiële middelen die zij naar verwachting kunnen aanwenden.
2. De begroting bevat mede een bedrag voor onvoorziene uitgaven.
3. Provinciale staten zien erop toe dat de begroting in evenwicht is. Hiervan kunnen zij afwijken indien aannemelijk is dat het evenwicht in de begroting in de eerstvolgende jaren tot stand zal worden gebracht.
4. Behoudens het bepaalde in de artikelen 212 en 213 kunnen ten laste van de provincie slechts uitgaven worden gedaan tot de bedragen die hiervoor op de begroting zijn gebracht.
5. Het begrotingsjaar is het kalenderjaar.
##### Artikel 194
1. Gedeputeerde staten bieden jaarlijks, tijdig voor de in artikel 195, eerste lid, bedoelde vaststelling, provinciale staten een ontwerp aan voor de begroting met toelichting van de provincie en een meerjarenraming met toelichting voor ten minste drie op het begrotingsjaar volgende jaren.
2. De ontwerp-begroting en de overige in het eerste lid bedoelde stukken liggen, zodra zij aan provinciale staten zijn aangeboden, voor een ieder ter inzage en zijn algemeen verkrijgbaar. Van de terinzagelegging en verkrijgbaarstelling wordt openbaar kennis gegeven.
3. Provinciale staten beraadslagen over de ontwerp-begroting niet eerder dan twee weken na de openbare kennisgeving.
##### Artikel 195
1. Provinciale staten stellen de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient.
2. Gedeputeerde staten zenden de door provinciale staten vastgestelde begroting vergezeld van de in artikel 194, eerste lid, bedoelde stukken binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 november van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan Onze Minister.
##### Artikel 196
1. Besluiten tot wijziging van de begroting kunnen tot uiterlijk het eind van het desbetreffende begrotingsjaar worden genomen.
2. De artikelen 194, tweede lid, 195, tweede lid, alsmede, behoudens in gevallen van dringende spoed, artikel 194, derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 197
Verplichte uitgaven van de provincie zijn:
- a. de renten en aflossingen van de door de provincie aangegane geldleningen en alle overige opeisbare schulden;
- b. de uitgaven die bij of krachtens de wet aan de provincie zijn opgelegd;
- c. de uitgaven die voortvloeien uit de van het provinciale bestuur gevorderde medewerking tot uitvoering van wetten en algemene maatregelen van bestuur, voor zover die uitgaven niet ten laste van anderen zijn gebracht.
##### Artikel 198
1. Indien provinciale staten weigeren verplichte uitgaven of een bedrag voor onvoorziene uitgaven op de begroting te brengen, doet Onze Minister dit.
2. Indien provinciale staten bovendien weigeren in voldoende dekking van in het eerste lid bedoelde uitgaven te voorzien, vermindert Onze Minister daartoe hetzij het bedrag voor onvoorziene uitgaven, hetzij indien dit bedrag niet toereikend is, overige niet-verplichte uitgaven.
##### Artikel 199
Onze Minister draagt zo nodig aan de bevoegde provinciale ambtenaar bedoeld in artikel 216, tweede lid, de betaling op ten laste van de provincie van hetgeen als verplichte uitgaaf op de begroting is gebracht.
##### Artikel 200
Vervallen
#### § 2. De jaarrekening
##### Artikel 201
1. Gedeputeerde staten leggen aan provinciale staten over elk begrotingsjaar verantwoording af van het gevoerde financieel beheer onder overlegging van de jaarrekening en het jaarverslag.
2. Zij voegen daarbij een verslag als bedoeld in artikel 217, tweede lid.
3. De jaarrekening en de verslagen liggen, zodra zij aan provinciale staten zijn overgelegd, voor een ieder ter inzage en zijn algemeen verkrijgbaar. Van de terinzagelegging en de verkrijgbaarstelling wordt openbaar kennis gegeven. Provinciale staten beraadslagen over de jaarrekening en het jaarverslag niet eerder dan twee weken na de openbare kennisgeving.
##### Artikel 202
1. Provinciale staten stellen de jaarrekening vast in het jaar volgend op het begrotingsjaar.
2. Provinciale staten kunnen uitgaven die te kwader trouw zijn geboekt op een post waarmee zij niet overeenstemmen of die anderszins niet rechtmatig zijn gedaan, buiten de jaarrekening laten.
3. De leden van gedeputeerde staten nemen niet deel aan de stemmingen over besluiten als bedoeld in het eerste en tweede lid.
##### Artikel 203
Behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden, ontlast het besluit tot vaststelling van de jaarrekening de leden van gedeputeerde staten ten aanzien van het daarin verantwoorde financiële beheer.
##### Artikel 204
1. Gedeputeerde staten zenden de door provinciale staten vastgestelde jaarrekening vergezeld van de in artikel 201 bedoelde verslagen binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 september van het jaar volgend op het begrotingsjaar aan Onze Minister.
2. Indien provinciale staten artikel 202, tweede lid, hebben toegepast, zenden gedeputeerde staten het desbetreffende besluit met de jaarrekening aan Onze Minister.
##### Artikel 205
1. Indien uitgaven niet in de vastgestelde jaarrekening zijn opgenomen, zijn de leden van gedeputeerde staten daarvoor, ieder voor een gelijk deel, persoonlijk aansprakelijk jegens de provincie, tenzij blijkt dat zij aan het besluit tot het doen van die uitgaven niet hebben meegewerkt.
2. Gelijke aansprakelijkheid bestaat voor zover zij te kwader trouw hebben meegewerkt aan het niet of niet tijdig innen van vorderingen of andere aan de provincie toekomende gelden dan wel aan het overeenkomen van afstand van een vorderingsrecht waardoor de provincie schade heeft geleden.
3. De provincie stelt, zo dikwijls daartoe volgens dit artikel termen zijn, zonder nadere beslissing van provinciale of gedeputeerde staten tot het voeren van een rechtsgeding, een rechtsvordering in tot betaling van de krachtens het eerste of tweede lid verschuldigde gelden. Provinciale staten wijzen iemand aan om de provincie in het rechtsgeding te vertegenwoordigen.
4. Indien binnen een door Onze Minister gestelde termijn geen rechtsvordering is ingesteld, gaat Onze Minister namens en ten laste van de provincie daartoe over.
##### Artikel 206
Indien provinciale staten de jaarrekening, nadat deze door gedeputeerde staten overeenkomstig het bepaalde in artikel 201, eerste lid, aan provinciale staten is aangeboden, niet of niet naar behoren vaststellen, zenden gedeputeerde staten de jaarrekening vergezeld van de in artikel 201 bedoelde verslagen ter vaststelling aan Onze Minister.
#### § 3. Goedkeuring van de begroting
##### Artikel 207
1. De begroting, bedoeld in artikel 193, van het eerstvolgende begrotingsjaar alsmede de daarop betrekking hebbende begrotingswijzigingen behoeven de goedkeuring van Onze Minister, indien naar zijn oordeel de begroting, bedoeld in artikel 193, niet in evenwicht is en blijkens de meerjarenraming, bedoeld in artikel 194, niet aannemelijk is dat in de eerstvolgende jaren een evenwicht tot stand zal worden gebracht. Onze Minister doet hiervan vóór de aanvang van het begrotingsjaar mededeling aan het provinciaal bestuur.
2. Onze Minister kan bepalen dat de begroting, bedoeld in artikel 193, van het eerstvolgende begrotingsjaar alsmede de daarop betrekking hebbende begrotingswijzigingen zijn goedkeuring behoeven, indien:
- a. de jaarrekening van het tweede aan het begrotingsjaar voorafgaande jaar niet in evenwicht is, of
- b. de begroting, bedoeld in artikel 193, niet tijdig is ingezonden aan Onze Minister overeenkomstig het bepaalde in artikel 195, of
- c. de jaarrekening, bedoeld in artikel 202, eerste lid, van het tweede aan het begrotingsjaar voorafgaande jaar niet tijdig is ingezonden aan Onze Minister overeenkomstig het bepaalde in artikel 204, eerste lid.
3. Onze Minister maakt een besluit als bedoeld in het tweede lid voor de aanvang van het begrotingsjaar aan het provinciaal bestuur bekend.
4. De begroting behoeft geen goedkeuring indien Onze Minister geen mededeling doet als bedoeld in het eerste lid of geen besluit bekendmaakt als bedoeld in het tweede lid binnen de in het eerste respectievelijk derde lid genoemde termijn.
##### Artikel 208
Vervallen
##### Artikel 209
Onze Minister maakt bij de aanvang van het desbetreffende begrotingsjaar door publicatie in de **Staatscourant** bekend van welke provincies de begrotingen en begrotingswijzigingen zijn goedkeuring behoeven.
##### Artikel 210
De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of met het algemene financiële belang.
##### Artikel 211
1. Indien op de dag waarop een besluit tot wijziging van de begroting aan Onze Minister wordt aangeboden, de begroting nog niet is goedgekeurd, vangt de in [artikel 10:31, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:31) bedoelde termijn aan op de dag van de goedkeuring van de begroting.
2. Onze Minister kan bij zijn besluit omtrent goedkeuring van de begroting ten aanzien van door hem aan te geven soorten van wijzigingen daarvan bepalen dat die zijn goedkeuring niet behoeven.
##### Artikel 212
1. Indien de begroting of een besluit tot wijziging daarvan niet is goedgekeurd, behoeft het provinciaal bestuur tot het doen van uitgaven de toestemming van Onze Minister.
2. Een aanvraag van het provinciaal bestuur om toepassing van het eerste lid kan door Onze Minister slechts worden afgewezen wegens strijd met het recht of met het algemene financiële belang.
3. Onze Minister beslist op de aanvraag binnen twee maanden na de verzending van de aanvraag, bedoeld in het tweede lid. De toestemming wordt geacht te zijn verleend indien binnen deze termijn geen besluit aan het provinciale bestuur is verzonden.
4. Onze Minister kan aan de toestemming voorschriften verbinden.
5. Onze Minister kan bepalen voor welke posten en tot welk bedrag het provinciale bestuur de toestemming, bedoeld in het eerste lid, niet behoeft.
##### Artikel 213
1. In gevallen van dringende spoed kan, indien provinciale staten daartoe besluiten, een uitgaaf worden gedaan voordat de desbetreffende begroting of begrotingswijziging is goedgekeurd. Het besluit wordt terstond toegezonden aan Onze Minister. Is de uitgaaf geraamd bij een begrotingswijziging welke nog niet ter goedkeuring is ingezonden, dan wordt deze begrotingswijziging te zamen met het besluit toegezonden.
2. Over het in het eerste lid bedoelde besluit stemmen provinciale staten bij hoofdelijke oproeping.
##### Artikel 214
1. Indien provinciale staten artikel 213 hebben toegepast en Onze Minister zijn goedkeuring aan de desbetreffende begroting of begrotingswijziging onthoudt, kan hij binnen een maand nadat zijn besluit onherroepelijk is geworden, de leden van provinciale staten die hun stem voor het in artikel 213 bedoelde besluit hebben uitgebracht, ieder voor een gelijk deel, persoonlijk voor deze uitgaaf aansprakelijk stellen tegenover de provincie.
2. De werking van de beschikking tot aansprakelijkstelling wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
3. Onze Minister stelt zo nodig namens en ten laste van de provincie een rechtsvordering in tot betaling van de krachtens het besluit tot aansprakelijkstelling verschuldigde gelden.
##### Artikel 215
Indien de begroting van een provincie ingevolge artikel 207, eerste of tweede lid, is onderworpen aan goedkeuring, kan Onze Minister bepalen dat door hem aan te wijzen beslissingen van het provinciaal bestuur die financiële gevolgen voor de provincie hebben of kunnen hebben, door het provinciaal bestuur binnen twee weken aan Onze Minister worden toegezonden.
### Hoofdstuk XIV. De administratie en de controle
##### Artikel 216
1. Provinciale staten stellen bij verordening regels vast met betrekking tot de organisatie van de administratie en van het beheer van vermogenswaarden van de provincie. Deze regels dienen te waarborgen dat aan de eisen van doelmatigheid en controle wordt voldaan.
2. De administratie en het beheer, bedoeld in het eerste lid, worden verricht door de bij de in dat lid bedoelde regels aan te wijzen ambtenaren. Zij kunnen niet tevens griffier zijn.
3. De regels, bedoeld in het eerste lid, voorzien in een financieringsstatuut, waarin in ieder geval regels zijn opgenomen ten aanzien van:
- a. de algemene doelstellingen en de te hanteren richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie;
- b. de administratieve organisatie van de financieringsfunctie, waaronder begrepen taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening.
##### Artikel 217
1. Provinciale staten stellen bij verordening regels vast met betrekking tot de controle op de administratie en op het beheer van vermogenswaarden van de provincie. Deze regels dienen onder meer te waarborgen dat de rechtmatigheid en de doelmatigheid van de administratie en het beheer worden getoetst.
2. De regels, bedoeld in het eerste lid, voorzien in de aanwijzing van een of meer accountants als bedoeld in [artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=393), belast met het onderzoek van de in artikel 201 bedoelde jaarrekening alsmede met het ter zake uitbrengen van een verslag, dat behalve de verklaring bij de jaarrekening bevindingen bevat over de vraag of de administratie en het beheer voldoen aan eisen van rechtmatigheid en doelmatigheid.
3. Accountants als bedoeld in het tweede lid kunnen in provinciale dienst worden aangesteld. In dat geval worden zij door provinciale staten benoemd, geschorst en ontslagen. Artikel 98, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 218
Gedeputeerde staten zenden de verordeningen, bedoeld in de artikelen 216 en 217, binnen twee weken na vaststelling door provinciale staten aan Onze Minister.
##### Artikel 219
Onze Minister kan te allen tijde een onderzoek instellen naar de wijze waarop de administratie en het beheer, bedoeld in artikel 216, eerste lid, worden gevoerd.
### Hoofdstuk XV. De provinciale belastingen
#### § 1. Algemene bepalingen
##### Artikel 220
Provinciale staten besluiten tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van een provinciale belasting door het vaststellen van een belastingverordening.
##### Artikel 220a
Een belastingverordening vermeldt, in de daartoe leidende gevallen, de belastingplichtige, het voorwerp van de belasting, het belastbare feit, de heffingsmaatstaf, het tarief, het tijdstip van ingang van de heffing, het tijdstip van beëindiging van de heffing en hetgeen overigens voor de heffing en de invordering van belang is.
##### Artikel 221
1. Behalve de provinciale belastingen waarvan de heffing krachtens andere wetten dan deze geschiedt, worden geen andere belastingen geheven dan die bedoeld in de tweede paragraaf van dit hoofdstuk.
2. Behoudens het bepaalde in andere wetten dan deze en in de tweede paragraaf van dit hoofdstuk kunnen de provinciale belastingen worden geheven naar in de belastingverordening te bepalen heffingsmaatstaven, met dien verstande dat het bedrag van een provinciale belasting niet afhankelijk mag worden gesteld van het inkomen, de winst of het vermogen.
#### § 2. Bijzondere bepalingen omtrent enkele belastingen
##### Artikel 222
1. Er kunnen provinciale opcenten op de hoofdsom van de motorrijtuigenbelasting worden geheven van de in de provincie wonende of gevestigde houders van personenauto’s en motorrijwielen, bedoeld in [artikel 2, onderdelen b en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=2), en [artikel 3 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=3) en van degenen op wier naam een kenteken als bedoeld in [artikel 62 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=62) is gesteld.
2. Het aantal opcenten bedraagt voor de belastingtijdvakken die na 31 maart 1997 aanvangen ten hoogste 66,4.
3. Voor de berekening van het aan opcenten verschuldigde bedrag wordt uitgegaan van het tarief van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 zoals dat geldt op 1 april 1995 met dien verstande dat de verhoging van de belasting, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van die wet en de vermindering van de belasting, bedoeld in de artikelen 28 en 68 van die wet buiten beschouwing blijven.
4. Het in het tweede lid genoemde aantal opcenten wordt jaarlijks aangepast aan de hand van het vierjaarlijks voortschrijdend gemiddelde van de gerealiseerde nominale ontwikkeling van het nationaal inkomen. Onze Minister van Financiën bepaalt jaarlijks vóór 1 juli van enig jaar, in overeenstemming met Onze Minister, het aantal opcenten dat de provincies ten hoogste kunnen heffen in de periode die aanvangt op 1 april nadien. Dit aantal wordt naar boven afgerond op één decimaal.
5. Het aantal opcenten is voor alle motorrijtuigen, bedoeld in het eerste lid, gelijk.
6. Onze Minister van Financiën verstrekt de provinciale besturen jaarlijks vóór 1 september een naar soort, gewichtsklasse en aantal gespecificeerd overzicht van de motorrijtuigen, bedoeld in het eerste lid. Het overzicht wordt opgesteld naar de toestand per 1 juli van het lopende jaar.
##### Artikel 222a
1. Besluiten tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van provinciale opcenten op de hoofdsom van de motorrijtuigenbelasting treden in werking met ingang van 1 april van enig jaar. Een desbetreffend besluit wordt vóór 31 december van het voorafgaande jaar in afschrift ter kennis gebracht van Onze Minister van Financiën.
2. Een in het eerste lid bedoeld besluit heeft geen gevolgen voor de opcenten die zijn betaald over een tijdvak dat vóór de datum van inwerkingtreding van dat besluit is aangevangen.
3. Bij naheffing van belasting worden opcenten berekend volgens het hoogste aantal dat in enige provincie van toepassing was op de dag waarop de in de artikelen 33, 34, 35, 36, 52, 53, 69 en 76 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 bedoelde feiten zijn geconstateerd.
4. De houders van motorrijtuigen die niet hier te lande wonen of gevestigd zijn, maar die wel aan de heffing van motorrijtuigenbelasting zijn onderworpen, worden voor de heffing van opcenten geacht te wonen of te zijn gevestigd in een provincie die het hoogste aantal opcenten heft. In bijzondere gevallen kan Onze Minister van Financiën in overeenstemming met Onze Minister ook voor andere houders van motorrijtuigen een provincie aanwijzen waar deze houders worden geacht te wonen of te zijn gevestigd.
5. De opbrengsten van de opcenten die worden geheven volgens het derde en vierde lid, worden naar evenredigheid van het aandeel van een provincie in de totale opbrengst van de ten behoeve van de provincies geheven opcenten over alle provincies verdeeld.
6. Verandering van woonplaats of van plaats van vestiging van de houder van een motorrijtuig in de loop van het tijdvak waarover de motorrijtuigenbelasting is betaald, vormt geen aanleiding tot het heffen van opcenten over het nog niet verstreken gedeelte van het tijdvak door een andere provincie of tot het verlenen van teruggaaf van geheven opcenten.
##### Artikel 222b
Vervallen
##### Artikel 222c
Ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde grond van de provincie, kan een precariobelasting worden geheven.
##### Artikel 223
1. Rechten kunnen worden geheven ter zake van:
- a. het gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de openbare dienst bestemde provinciale bezittingen of van de voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen die bij de provincie in beheer of in onderhoud zijn;
- b. het genot van door of vanwege het provinciaal bestuur verstrekte diensten.
2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de in het eerste lid bedoelde rechten aangemerkt als provinciale belastingen.
##### Artikel 224
De rechten, bedoeld in artikel 223, eerste lid, kunnen worden geheven door de provincie die het gebruik van de bezittingen, werken of inrichtingen toestaat of de diensten verleent, ongeacht of het belastbare feit zich binnen of buiten het grondgebied van de provincie voordoet.
##### Artikel 225
1. In verordeningen op grond waarvan rechten als bedoeld in artikel 223, eerste lid, worden geheven, worden de tarieven zodanig vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake.
2. Onder de in het eerste lid bedoelde lasten worden mede verstaan:
- a. bijdragen aan bestemmingsreserves en voorzieningen voor noodzakelijke vervanging van de betrokken activa;
- b. de omzetbelasting die ingevolge de [Wet op het BTW-compensatiefonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013817) recht geeft op een bijdrage uit het fonds.
##### Artikel 226
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen inzake de belastingen, bedoeld in deze paragraaf, nadere regels worden gegeven.
#### § 3. Heffing en invordering
##### Artikel 227
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- a. Algemene wet: [Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320);
- b. heffing op andere wijze: heffing op andere wijze dan bij wege van aanslag of bij wege van voldoening op aangifte.
##### Artikel 227a
1. Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde geschieden de heffing en de invordering van provinciale belastingen, andere dan die bedoeld in [artikel 222, met toepassing van de Algemene wet](onbekend), de [Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770) en de [Kostenwet invordering rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002645) als waren die belastingen rijksbelastingen.
2. Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde gelden de bevoegdheden en de verplichtingen van de hierna vermelde, in de [Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320), de [Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770) en de [Kostenwet invordering rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002645) genoemde functionarissen, met betrekking tot de provinciale belastingen voor de daarachter genoemde colleges of functionarissen:
- a. Onze Minister van Financiën, het bestuur van ’s Rijksbelastingen en de directeur: het college van gedeputeerde staten;
- b. de inspecteur: de provincieambtenaar, belast met de heffing van provinciale belastingen;
- c. de ontvanger of een inzake rijksbelastingen bevoegde ontvanger: de provincieambtenaar belast met de invordering van provinciale belastingen;
- d. de ambtenaren van de rijksbelastingdienst: de provincieambtenaren belast met de heffing of de invordering van provinciale belastingen;
- e. de belastingdeurwaarder: de daartoe aangewezen provincieambtenaar.
3. Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde wordt met betrekking tot provinciale belastingen in de [Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320) en in de [Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770) voor «algemene maatregel van bestuur» en voor «ministeriële regeling» gelezen: besluit van het college van gedeputeerde staten.
##### Artikel 227b
1. Het college van gedeputeerde staten kan bepalen dat voor de toezending of uitreiking van aanslagbiljetten ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 voor de in artikel 227a, tweede lid, onderdeel c, bedoelde ambtenaar een andere provincieambtenaar in de plaats treedt.
2. De colleges van gedeputeerde staten van twee of meer provincies kunnen met betrekking tot een of meer provinciale belastingen bepalen dat ambtenaren van een van die provincies worden aangewezen als:
- a. de in artikel 227**a**, tweede lid, onderdeel **b**, bedoelde ambtenaar van die provincies voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de heffing van provinciale belastingen;
- b. de in artikel 227**a**, tweede lid, onderdeel **c**, bedoelde ambtenaar van die provincies voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de invordering van provinciale belastingen;
- c. de in artikel 227**a**, tweede lid, onderdeel **d**, bedoelde ambtenaren van die provincies voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de heffing of de invordering van provinciale belastingen;
- d. de in artikel 227**a**, tweede lid, onderdeel **e**, bedoelde ambtenaar van die provincies, voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de invordering van provinciale belastingen.
3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het college van gedeputeerde staten van de provincie waarvan de ambtenaar belast met de invordering van provinciale belastingen op grond van het tweede lid, onderdeel **b**, wordt aangewezen.
4. Indien voor de heffing of de invordering van provinciale belastingen een gemeenschappelijke regeling is getroffen en bij die regeling een openbaar lichaam is ingesteld, kan bij of krachtens die regeling worden bepaald dat een daartoe aangewezen ambtenaar van dat openbare lichaam wordt aangewezen als:
- a. de in artikel 227**a**, tweede lid, onderdeel **b**, bedoelde ambtenaar van de provincie voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de heffing van provinciale belastingen;
- b. de in artikel 227**a**, tweede lid, onderdeel**c**, bedoelde ambtenaar van de provincie voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de invordering van provinciale belastingen;
- c. de in artikel 227**a**, tweede lid, onderdeel **d**, bedoelde ambtenaren van de provincie voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de heffing of de invordering van provinciale belastingen;
- d. de in artikel 227**a**, tweede lid, onderdeel **e**, bedoelde ambtenaar van de provincie voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de invordering van provinciale belastingen.
5. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam waarvan een ambtenaar op grond van het vierde lid, onderdeel **b**, wordt aangewezen.
##### Artikel 227c
Provinciale belastingen kunnen worden geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of op andere wijze, doch niet bij wege van afdracht op aangifte.
##### Artikel 227d
1. Indien de provinciale belastingen op andere wijze worden geheven, bepaalt de belastingverordening op welke wijze deze worden geheven en de wijze waarop de belastingschuld aan de belastingplichtige wordt bekendgemaakt. De belastingverordening kan daarnaast bepalen dat het college van gedeputeerde staten omtrent de uitvoering van een en ander nadere regels geeft.
2. De op andere wijze geheven belastingen worden voor de toepassing van de [Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320) en de [Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770) aangemerkt als bij wege van aanslag geheven belastingen, met dien verstande dat wordt verstaan onder:
- a. de aanslag, de voorlopige aanslag, de navorderingsaanslag: het gevorderde, onderscheidenlijk het voorlopig gevorderde, het nagevorderde bedrag;
- b. het aanslagbiljet: de kennisgeving van het in onderdeel **a** bedoelde bedrag;
- c. de dagtekening van het aanslagbiljet: de dagtekening van de schriftelijke kennisgeving van het in onderdeel **a** bedoelde bedrag, of bij gebreke van een schriftelijke kennisgeving, de datum waarop het bedrag op andere wijze ter kennis van de belastingplichtige is gebracht.
##### Artikel 228
Bij de heffing van provinciale belastingen blijven de [artikelen 2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=3), [37 tot en met 39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=37), [47a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=47a), [48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=48), [52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=52), [53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=53), [54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=54), [55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=55), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=62), [71](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=71), [76](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=76), [80, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=80), [82](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=82), [84](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=84), [86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=86), [87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=87) en [90 tot en met 95 van de Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=90) buiten toepassing. Bij de heffing van provinciale belastingen die op andere wijze worden geheven, blijven bovendien de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=5), [6 tot en met 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=6), [11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=11), en [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=12) van die wet buiten toepassing.
##### Artikel 228a
1. Het uitnodigen tot het doen van aangifte, bedoeld in [artikel 6 van de Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=6), geschiedt door het uitreiken van een aangiftebiljet.
2. Het doen van aangifte, bedoeld in [artikel 8 van de Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=8), geschiedt door het inleveren of toezenden van het uitgereikte aangiftebiljet met de daarbij gevraagde bescheiden.
3. In afwijking in zoverre van de vorige leden kan de in artikel 227**a**, tweede lid, onderdeel **b**, bedoelde provincieambtenaar vorderen dat een verplichting tot het doen van aangifte of tot het indienen van een verzoek om uitreiking van een aangiftebiljet wordt nagekomen door het mondeling doen van aangifte. Daarbij:
- a. worden de door de in artikel 227**a**, tweede lid, onderdeel **b**, bedoelde provincieambtenaar gevraagde bescheiden overgelegd;
- b. kan de in artikel 227**a**, tweede lid, onderdeel **b**, bedoelde provincieambtenaar vorderen dat een van de mondelinge aangifte opgemaakt relaas door de aangever wordt ondertekend, bij gebreke waarvan de aangifte geacht wordt niet te zijn gedaan.
4. Indien het derde lid toepassing vindt, kan de in artikel 227**a**, tweede lid, onderdeel **b**, bedoelde provincieambtenaar voor de termijnen, genoemd in artikel 9, eerste en derde lid, eerste volzin, artikel 10, tweede lid, en artikel 19, eerste, derde en vierde lid, van de Algemene wet, of voor de kortere termijn, bedoeld in artikel 228**b**, eerste of tweede lid, kortere termijnen in de plaats stellen en is artikel 12 van de Algemene wet niet van toepassing.
5. Bij de belastingverordening kan van het eerste en tweede lid worden afgeweken.
##### Artikel 228b
1. Met betrekking tot de bij wege van aanslag geheven provinciale belastingen kan in de belastingverordening voor de in [artikel 9, eerste lid en derde lid, van de Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=9) genoemde termijn van ten minste een maand een kortere termijn in de plaats worden gesteld.
2. Met betrekking tot de bij wege van voldoening op aangifte geheven provinciale belastingen kan in de belastingverordening voor de termijn van een maand, genoemd in artikel 10, tweede lid, en [artikel 19, eerste, derde en vierde lid, van de Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=19), een kortere termijn in de plaats worden gesteld.
##### Artikel 228c
1. De in artikel 227**a**, tweede lid, onderdeel **b**, bedoelde provincieambtenaar is bevoegd om voor een zelfde belastingplichtige bestemde belastingaanslagen van dezelfde soort die betrekking kunnen hebben op verschillende belastingen, op één aanslagbiljet te verenigen.
2. Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ingeval de belasting op andere wijze wordt geheven.
##### Artikel 228d
Voor de toepassing van de [artikelen 9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=9), [18, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=18), en [21, tweede lid, van de Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=21) wordt met een onherroepelijke veroordeling gelijkgesteld het vervallen van het recht tot strafvordering op de voet van [artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74).
##### Artikel 229
1. Degene die ingevolge de belastingverordening aanspraak kan maken op een gehele of gedeeltelijke vrijstelling, vermindering, ontheffing of teruggaaf kan binnen zes weken nadat de omstandigheid welke die aanspraak deed ontstaan, zich heeft voorgedaan, of, voor zover het een belasting betreft die bij wege van aanslag wordt geheven en op dat tijdstip nog geen aanslagbiljet is uitgereikt of toegezonden, binnen zes weken na de dagtekening van het aanslagbiljet, een aanvraag tot het verkrijgen van vrijstelling, vermindering, ontheffing of teruggaaf indienen bij de in artikel 227**a**, tweede lid, onderdeel **b**, bedoelde provincieambtenaar.
2. Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ingeval de belasting op andere wijze wordt geheven.
3. De in artikel 227**a**, tweede lid, onderdeel **b**, bedoelde provincieambtenaar beslist op de aanvraag bij voor bezwaar vatbare beschikking.
##### Artikel 229a
In de gevallen waarin het volkenrecht dan wel, naar het oordeel van Onze Minister en Onze Minister van Financiën, het internationale gebruik daartoe noodzaakt, wordt vrijstelling van provinciale belastingen verleend. Onze genoemde Ministers kunnen gezamenlijk ter zake nadere regels stellen.
##### Artikel 229b
Naast een in de belastingverordening voorziene vermindering, ontheffing of teruggaaf, kan de in artikel 227**a**, tweede lid, onderdeel **b**, bedoelde provincieambtenaar ook een in de belastingverordening voorziene vrijstelling ambtshalve verlenen.
##### Artikel 229c
Vervallen
##### Artikel 229d
Vervallen
##### Artikel 230
1. Met betrekking tot de provinciale belastingen kunnen bij algemene maatregel van bestuur:
- a. regels worden gesteld waarbij de [artikelen 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=48), [52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=52), [53, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=53), [54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=54) of [55 van de Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=55), alsmede de [artikelen 59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=59) of [62 van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=62) geheel of gedeeltelijk van toepassing worden verklaard, dan wel
- b. regels worden gesteld die overeenkomen met die in de in onderdeel **a** genoemde artikelen.
2. De in het eerste lid bedoelde regels bevatten in elk geval een omschrijving van degene op wie de verplichting rust, alsmede van de belasting ten behoeve waarvan de verplichting geldt. Voorts vermelden deze regels naar gelang de aard van de verplichting een omschrijving van de aard van de te verstrekken gegevens en inlichtingen, van de aard van de gegevens welke uit de administratie dienen te blijken of van het doel waarvoor het voor raadpleging beschikbaar stellen van gegevensdragers kan geschieden.
##### Artikel 231
Vervallen
##### Artikel 232
Bij de invordering van provinciale belastingen blijven de artikelen 5, 20, 21, 59, 62 en 69 van de Invorderingswet 1990 buiten toepassing. Bij de invordering van provinciale belastingen die op andere wijze worden geheven, blijven bovendien de artikelen 7, derde lid, en 8, eerste lid, van die wet buiten toepassing.
##### Artikel 232a
1. De belastingverordening kan van artikel 9 van de Invorderingswet 1990 afwijkende voorschriften inhouden.
2. De belastingverordening kan bepalen dat het verschuldigde bedrag moet worden betaald gelijktijdig met en op dezelfde wijze als de voldoening van een andere vordering aan de schuldeiser van die andere vordering.
##### Artikel 232b
De verrekening van aan de belastingschuldige uit te betalen en van hem te innen bedragen ter zake van provinciale belastingen op de voet van artikel 24 van de Invorderingswet 1990 is ook mogelijk ingeval de in artikel 9 van de Invorderingswet 1990 gestelde termijn, dan wel de krachtens artikel 232**a**, eerste lid, gestelde termijn nog niet is verstreken.
##### Artikel 232c
1. Indien ter zake van hetzelfde voorwerp van de belasting of hetzelfde belastbare feit twee of meer personen belastingplichtig zijn, kan de belastingaanslag ten name van een van hen worden gesteld.
2. Indien de belastingplicht, bedoeld in het eerste lid, voortvloeit uit het genot van een onroerende zaak krachtens eigendom, bezit of beperkt recht en de aanslag ten name van één van de belastingplichtigen is gesteld, kan de met de invordering van provinciale belastingen belaste provincieambtenaar de belastingaanslag op de gehele onroerende zaak verhalen ten name van degene te wiens name de aanslag is gesteld, zonder rekening te houden met de rechten van de overige belastingplichtigen.
3. De belastingschuldige die de belastingaanslag heeft voldaan kan hetgeen hij meer heeft voldaan dan overeenkomt met zijn belastingplicht verhalen op de overige belastingplichtigen naar evenredigheid van ieders belastingplicht.
4. Een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Algemene wet kan mede worden ingediend door een belastingplichtige als bedoeld in het eerste lid wiens naam niet op het aanslagbiljet staat vermeld. [Artikel 23, tweede lid, van de Algemene wet](onbekend) is van overeenkomstige toepassing.
5. Van het derde lid kan bij overeenkomst worden afgeweken.
##### Artikel 232d
Voor de toepassing van [artikel 66 van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=66) met betrekking tot provinciale belastingen blijven de [artikelen 76](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=76), [80, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=80), [82](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=82), [84](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=84), [86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=86) en [87 van de Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=87) buiten toepassing.
##### Artikel 232e
1. De in artikel 26 van de Invorderingswet 1990 bedoelde kwijtschelding wordt met betrekking tot provinciale belastingen verleend door de in artikel 227**a**, tweede lid, onderdeel **c**, bedoelde provincieambtenaar.
2. Met betrekking tot het verlenen van gehele of gedeeltelijke kwijtschelding zijn de krachtens artikel 26 van de Invorderingswet 1990 door Onze Minister van Financiën bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.
3. Provinciale staten kunnen bepalen dat, in afwijking van de in het tweede lid bedoelde regels, in het geheel geen dan wel gedeeltelijk kwijtschelding wordt verleend.
4. Met inachtneming van door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, te stellen regels kunnen provinciale staten met betrekking tot de wijze waarop de kosten van bestaan in aanmerking worden genomen afwijkende regels stellen die er toe leiden dat in ruimere mate kwijtschelding wordt verleend.
5. Gedeputeerde staten kunnen de belasting geheel of gedeeltelijk oninbaar verklaren. Het daartoe strekkende besluit ontheft de provincieambtenaar belast met de invordering van provinciale belastingen van de verplichting verdere pogingen tot invordering te doen.
##### Artikel 232f
Indien ter zake van een provinciale belasting exploot moet worden gedaan, een akte van vervolging betekend of een dwangbevel ten uitvoer gelegd in een andere provincie dan die waaraan belasting verschuldigd is, is daartoe naast de belastingdeurwaarder van laatstbedoelde provincie mede de belastingdeurwaarder van eerstbedoelde provincie bevoegd en desgevraagd verplicht.
##### Artikel 232g
1. Met betrekking tot de in artikel 222 bedoelde opcenten is de rijksbelastingdienst belast met de heffing en de invordering.
2. De opcenten worden als motorrijtuigenbelasting geheven en ingevorderd.
3. De opbrengst wordt aan de provincies uitgekeerd volgens door Onze Minister van Financiën te stellen regels.
4. De aan de heffing en de invordering verbonden kosten komen ten laste van de provincies. Deze kosten worden berekend volgens door Onze Minister van Financiën te stellen regels.
##### Artikel 232h
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen inzake provinciale belastingen in het kader van deze paragraaf passende nadere regels worden gegeven ter aanvulling van de in deze paragraaf geregelde onderwerpen.
### Hoofdstuk XVI. Het Provinciefonds
##### Artikel 233
Vervallen
##### Artikel 234
Vervallen
##### Artikel 235
Vervallen
##### Artikel 236
Vervallen
##### Artikel 237
Vervallen
##### Artikel 238
Vervallen
##### Artikel 239
Vervallen
##### Artikel 240
Vervallen
##### Artikel 241
Vervallen
##### Artikel 242
Vervallen
##### Artikel 243
Vervallen
##### Artikel 244
Vervallen
##### Artikel 245
Vervallen
##### Artikel 246
Vervallen
##### Artikel 247
Vervallen
##### Artikel 248
Vervallen
##### Artikel 249
Vervallen
##### Artikel 250
Vervallen
##### Artikel 251
Vervallen
##### Artikel 252
Vervallen
## Titel V. AANVULLENDE BEPALINGEN INZAKE HET TOEZICHT OP HET PROVINCIAAL BESTUUR
### Hoofdstuk XVII. Goedkeuring
##### Artikel 253
1. Beslissingen van provinciale besturen kunnen slechts aan goedkeuring worden onderworpen in bij de wet bepaalde gevallen.
2. Ten aanzien van de goedkeuring van andere beslissingen dan besluiten is [afdeling 10.2.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.2.1) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 254
Vervallen
##### Artikel 255
Vervallen
##### Artikel 255a
Vervallen
##### Artikel 255b
Vervallen
##### Artikel 255c
Vervallen
##### Artikel 256
Vervallen
##### Artikel 257
Vervallen
##### Artikel 258
Vervallen
##### Artikel 259
1. Een beslissing die aan goedkeuring bij koninklijk besluit is onderworpen, wordt toegezonden aan Onze Minister wie het aangaat.
2. Een voordracht tot onthouding van goedkeuring wordt gedaan door of mede door Onze Minister.
3. Artikel 18**a** van de Wet op de Raad van State is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 260
Vervallen
### Hoofdstuk XVIII. Schorsing en vernietiging
##### Artikel 261
1. Een besluit dan wel een niet-schriftelijke beslissing gericht op enig rechtsgevolg van het provinciaal bestuur kan bij koninklijk besluit worden vernietigd.
2. Ten aanzien van de vernietiging van een niet-schriftelijke beslissing zijn de [afdelingen 10.2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.2.2) en [10.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht](onbekend) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 262
Vervallen
##### Artikel 263
Vervallen
##### Artikel 264
Vervallen
##### Artikel 265
Vervallen
##### Artikel 266
1. Indien een besluit naar het oordeel van de commissaris van de Koning voor vernietiging in aanmerking komt, doet hij daarvan binnen twee dagen nadat het te zijner kennis is gekomen, mededeling aan Onze Minister wie het aangaat. Hij geeft hiervan tegelijkertijd kennis aan het orgaan dat het besluit nam, en zo nodig aan het orgaan dat met de uitvoering van het besluit is belast.
2. Het besluit ten aanzien waarvan het eerste lid toepassing heeft gevonden, wordt niet of niet verder uitgevoerd, voordat van Onze Minister wie het aangaat de mededeling is ontvangen dat voor schorsing of vernietiging geen redenen bestaan. Indien het besluit niet binnen vier weken na de dagtekening van de mededeling van de commissaris is geschorst of vernietigd, wordt het uitgevoerd.
##### Artikel 267
1. Een voordracht tot schorsing wordt gedaan door Onze Minister wie het aangaat.
2. Over de voordracht pleegt Onze Minister wie het aangaat overleg met Onze Minister, tenzij schorsing onverwijld plaats dient te vinden. In de voordracht wordt het achterwege blijven van overleg gemotiveerd.
##### Artikel 268
Vervallen
##### Artikel 269
Vervallen
##### Artikel 270
Indien een bekend gemaakt besluit niet is vernietigd binnen de tijd waarvoor het is geschorst, wordt hiervan door het provinciaal bestuur openbaar kennis gegeven.
##### Artikel 271
1. De voordracht tot vernietiging wordt gedaan door of mede door Onze Minister.
2. Artikel 15, derde lid, van de Wet op de Raad van State is niet van toepassing.
##### Artikel 272
Het koninklijk besluit tot schorsing, opheffing of verlenging van de schorsing of tot vernietiging wordt in het **Staatsblad** geplaatst.
##### Artikel 273
Vervallen
##### Artikel 274
Het provinciaal bestuur neemt opnieuw een besluit omtrent het onderwerp van het vernietigde besluit, waarbij met het koninklijk besluit wordt rekening gehouden.
##### Artikel 274a
1. In afwijking van [artikel 8:4, onderdeel **a**, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:4) kan een belanghebbende tegen een koninklijk besluit als bedoeld in artikel 261, eerste lid, dan wel tegen een vernietigingsbesluit als bedoeld in de artikelen 81, tweede lid, en 82, tweede lid, beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
2. In afwijking van [artikel 6:2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:2) kan geen beroep worden ingesteld tegen de weigering om de vernietiging van een besluit te bevorderen en tegen het niet tijdig nemen van een besluit tot vernietiging.
## Titel VI
##### Artikel 275
Vervallen
##### Artikel 276
Vervallen
##### Artikel 277
Vervallen
##### Artikel 278
Vervallen
##### Artikel 279
Vervallen
## Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen
##### Artikel 280
De Provinciewet (**Stb.** 1962, 17) wordt ingetrokken.
##### Artikel 281
1. De intrekking van de Provinciewet heeft geen gevolgen voor de geldigheid van de op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet geldende besluiten.
2. Besluiten als bedoeld in het eerste lid die algemeen verbindende voorschriften bevatten waarvan de inhoud in strijd is met deze wet, worden binnen twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet daarmee in overeenstemming gebracht of ingetrokken. De besluiten of onderdelen daarvan die bij het verstrijken van de in de vorige volzin genoemde termijn niet met deze wet in overeenstemming zijn gebracht of zijn ingetrokken, zijn van rechtswege vervallen.
##### Artikel 282
Ten aanzien van de bij de inwerkingtreding van deze wet zitting hebbende leden van provinciale staten en gedeputeerden zijn tot hun aftreden de artikelen 15, eerste lid, en 44 slechts van toepassing voor zover de Provinciewet ter zake eveneens een verbod inhield.
##### Artikel 283
Ten aanzien van het aantal gedeputeerden blijft tot het eerste periodieke aftreden van de gedeputeerden na de inwerkingtreding van deze wet artikel 29 van de Provinciewet van toepassing.
##### Artikel 284
Artikel 43, vijfde lid, en artikel 65, vijfde lid, treden in werking op de dag van het eerste periodieke aftreden van de leden van gedeputeerde staten na de inwerkingtreding van deze wet.
##### Artikel 285
Het bepaalde in artikel 61, eerste lid, eerste volzin, is niet van toepassing op degenen die bij de inwerkingtreding van deze wet het ambt van commissaris van de Koning vervullen.
##### Artikel 286
Verzoeken om toestemming als bedoeld in artikel 56 van de Provinciewet die bij de Kroon zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze wet en waarop door de Kroon voor de dag van de inwerkingtreding nog niet is beschikt, worden overgedragen aan Onze Minister.
##### Artikel 287
Artikel 149 is niet van toepassing op beroepen en bezwaarschriften die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze wet.
##### Artikel 288
De in artikel 147 bedoelde verordening wordt vastgesteld binnen een jaar na de dag van inwerkingtreding van deze wet.
##### Artikel 289
Artikel 95 van de Provinciewet blijft van kracht ten aanzien van wetten die tot stand zijn gekomen voor de dag van inwerkingtreding van deze wet.
##### Artikel 290
De artikelen 98 en 100 van de Provinciewet blijven van toepassing tot het tijdstip waarop in het onderwerp van die artikelen wordt voorzien door het in werking treden van een wettelijke regeling met betrekking tot waterschappen.
##### Artikel 291
1. Ten aanzien van verplichtingen als bedoeld in artikel 108, tweede lid, die gelden op de dag voor die van de inwerkingtreding van deze wet, vangt de termijn, bedoeld in artikel 108, derde lid, aan op de dag na die van de inwerkingtreding.
2. Artikel 108, derde en vijfde lid, is niet van toepassing op verplichtingen als bedoeld in artikel 108, tweede lid, die zijn genoemd in de bijlage, behorende bij deze wet.
3. Ten aanzien van voorschriften als bedoeld in artikel 108, vierde lid, die gelden op de dag voor die van de inwerkingtreding van deze wet, vangt de termijn genoemd in dat lid, aan op de dag na die van de inwerkingtreding.
##### Artikel 292
Voor bij koninklijk besluit aan te wijzen begrotingsjaren blijven de artikelen 127, 128, 130, 132 en 134, derde lid van de Provinciewet van toepassing. In het koninklijk besluit kunnen regels worden gesteld omtrent de toepassing van de in de eerste volzin genoemde artikelen.
##### Artikel 293
De artikelen 256 tot en met 259 zijn niet van toepassing op aan voorafgaand toezicht onderworpen besluiten die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze wet. Ten aanzien van die besluiten blijven de op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet geldende wettelijke bepalingen van kracht.
##### Artikel 294
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
##### Artikel 295
Indien het bij koninklijke boodschap van 10 maart 1990 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de binnentredingsbepalingen (kamerstukken 22 539) niet in werking is getreden op het moment dat deze wet in werking treedt, blijven de artikelen 117 en 118 van de Provinciewet van kracht totdat dat voorstel in werking treedt.
##### Artikel 296
1. Deze wet treedt in werking op een bij of krachtens de wet te bepalen tijdstip.
2. Voor de bekendmaking van deze wet stelt Onze Minister de nummering van de artikelen, paragrafen, hoofdstukken en titels van deze wet opnieuw vast en brengt de in deze wet voorkomende aanhalingen van die artikelen, paragrafen, hoofdstukken en titels met de nieuwe nummering in overeenstemming.
##### Artikel 297
Deze wet kan worden aangehaald als: Provinciewet.
##### Artikel 298
Vervallen
##### Artikel 299
Vervallen
##### Artikel 300
Vervallen
##### Artikel 300a
Vervallen
##### Artikel 301
Vervallen
##### Artikel 302
Vervallen
## Bijlage. bedoeld in artikel 291, tweede lid van de Provinciewet
### Ministerie van Verkeer en Waterstaat
### Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
### Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
### Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
### Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen
### Ministerie van Binnenlandse Zaken
Wet rampen en zware ongevallen, artikel 10
Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 35a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 35b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 35c
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 40a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 40b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 40c
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 53a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Hoofdstuk IV. De commissaris van de Koning
### Hoofdstuk IVA. De rekenkamer
#### § 1. De provinciale rekenkamer
#### § 2. De gemeenschappelijke rekenkamer
### Hoofdstuk IVB. De rekenkamerfunctie
### Hoofdstuk V. De commissies
### Hoofdstuk VI. Geldelijke voorzieningen ten behoeve van de leden van provinciale staten en de commissies
### Hoofdstuk VII. De griffier
## Titel III. De bevoegdheid van het provinciaal bestuur
### Hoofdstuk VIII. Algemene bepalingen
#### § 1. Inleidende bepalingen
#### § 3. Bijzondere voorzieningen
##### Artikel 120
Wanneer provinciale staten of, indien aan een commissie bevoegdheden van provinciale staten of van gedeputeerde staten zijn overgedragen, de commissie bij of krachtens een andere dan deze wet gevorderde beslissingen niet of niet naar behoren nemen, voorzien gedeputeerde staten daarin.
##### Artikel 121
1. Wanneer gedeputeerde staten of de commissaris van de Koning bij of krachtens een andere dan deze wet gevorderde beslissingen niet of niet naar behoren nemen, voorziet Onze Minister daarin namens het provinciaal bestuur en ten laste van de provincie.
2. Spoedeisende gevallen uitgezonderd, vindt het eerste lid geen toepassing dan nadat gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de commissaris in de gelegenheid zijn gesteld binnen een door Onze Minister gestelde termijn alsnog de bij of krachtens een andere dan deze wet gevorderde beslissingen te nemen.
#### § 4. Bestuursdwang
##### Artikel 122
1. Het provinciaal bestuur is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.
2. De bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang wordt uitgeoefend door gedeputeerde staten, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het provinciaal bestuur uitvoert.
3. De bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang wordt evenwel uitgeoefend door de commissaris van de Koning, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke hij uitvoert.
4. Een commissie waaraan bevoegdheden van provinciale staten of gedeputeerde staten zijn overgedragen, bezit de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang en de bevoegdheid tot het geven van een machtiging tot binnentreden van een woning slechts indien ook die bevoegdheid uitdrukkelijk is overgedragen.
##### Artikel 123
Vervallen
##### Artikel 124
Vervallen
##### Artikel 125
Vervallen
##### Artikel 126
Vervallen
##### Artikel 127
Vervallen
##### Artikel 128
Vervallen
##### Artikel 129
Vervallen
##### Artikel 130
Vervallen
##### Artikel 131
Vervallen
##### Artikel 132
1. In geval van toepassing van artikel 121 kan Onze Minister bestuursdwang toepassen namens het provinciaal bestuur en ten laste van de provincie.
2. De provincie heeft in dat geval voor het bedrag van de te haren laste gebrachte kosten verhaal op de overtreder.
3. [Artikel 5:26 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:26) is alsdan van toepassing.
##### Artikel 133
Vervallen
##### Artikel 134
Vervallen
##### Artikel 135
Vervallen
#### § 5. Bekendmaking en inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden
##### Artikel 136
1. Besluiten van het provinciaal bestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden, verbinden niet dan wanneer zij zijn bekendgemaakt.
2. De bekendmaking geschiedt door plaatsing in het provinciaal blad, dat algemeen verkrijgbaar wordt gesteld.
3. Bij de bekendmaking van een besluit dat aan goedkeuring is onderworpen, wordt de dagtekening vermeld van het besluit waarbij die goedkeuring is verleend of wordt de mededeling gedaan van de omstandigheid dat ingevolge [artikel 10:31, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:31) een besluit tot goedkeuring wordt geacht te zijn genomen.
##### Artikel 137
Besluiten van het provinciaal bestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden, liggen voor een ieder kosteloos ter inzage op het provinciehuis of op een andere door provinciale staten te bepalen plaats.
##### Artikel 138
Een ieder kan op zijn verzoek een afschrift verkrijgen van de besluiten van het provinciaal bestuur die ingevolge artikel 137 ter inzage liggen.
##### Artikel 139
De bekendgemaakte besluiten treden in werking met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking, tenzij in deze besluiten daarvoor een ander tijdstip is aangewezen.
##### Artikel 140
Met betrekking tot de intrekking van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden, is het bepaalde in de artikelen 136 en 139 van overeenkomstige toepassing.
#### § 6. Termijnen
##### Artikel 141
Op termijnen gesteld in een provinciale verordening zijn de artikelen 1 tot en met 4 van de Algemene Termijnenwet van overeenkomstige toepassing, tenzij in de verordening anders is bepaald.
##### Artikel 142
Vervallen
### Hoofdstuk IX. De bevoegdheid van provinciale staten
##### Artikel 143
1. Provinciale verordeningen worden door provinciale staten vastgesteld voor zover de bevoegdheid daartoe niet bij de wet of door provinciale staten krachtens de wet aan gedeputeerde staten of de commissaris van de Koning is toegekend.
2. De overige bevoegdheden, bedoeld in artikel 105, berusten bij provinciale staten voor zover deze niet bij of krachtens de wet aan gedeputeerde staten of de commissaris van de Koning zijn toegekend.
##### Artikel 144
1. Provinciale staten kunnen bij verordening beleidsregels vaststellen waarmee andere organen van de provincie rekening houden bij de uitoefening van bij of krachtens de wet verleende bevoegdheden.
2. Ten aanzien van de bekendmaking van een verordening als bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 136, 137 en 138 van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 145
Provinciale staten maken de verordeningen die zij in het belang van de provincie nodig oordelen.
##### Artikel 146
1. Provinciale staten kunnen in hun verordeningen medewerking tot de uitvoering daarvan vorderen van de gemeentebesturen of, voor zover het de waterstaat betreft, van de besturen van waterschappen.
2. De kosten, verbonden aan de in het eerste lid bedoelde medewerking, worden voor zover zij ten laste van de betrokken gemeenten of waterschappen blijven, door de provincie aan hen vergoed.
##### Artikel 147
1. Provinciale staten stellen een verordening vast, waarin regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop ingezetenen en in de provincie een belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen bij de voorbereiding van provinciaal beleid worden betrokken.
2. In deze verordening worden ten minste geregeld:
- a. de wijze waarop van de beleidsvoornemens waarop inspraak zal worden verleend, openbaar wordt kennis gegeven;
- b. de wijze waarop ingezetenen en in de provincie een belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen in staat worden gesteld hun mening omtrent de onder **a**. bedoelde beleidsvoornemens kenbaar te maken;
- c. de rapportering over de onder **b**. bedoelde inspraak en over de uitkomsten daarvan;
- d. de wijze waarop ingezetenen en in de provincie een belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen in de gelegenheid worden gesteld hun beklag te doen over de uitvoering van de verordening.
##### Artikel 148
Provinciale staten kunnen in hun verordeningen beroep op zich openstellen van krachtens deze verordeningen door gedeputeerde staten of de commissaris van de Koning genomen besluiten.
##### Artikel 149
Indien beroep op provinciale staten openstaat, geschiedt de voorbereiding van de beslissing van provinciale staten op het beroepschrift door een door provinciale staten te benoemen commissie. In deze commissie heeft geen lid van gedeputeerde staten zitting. Artikel 168 is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 150
1. Provinciale staten kunnen op overtreding van hun verordeningen en van die van organen waaraan ingevolge artikel 152 verordenende bevoegdheid is gedelegeerd, straf stellen maar geen andere of zwaardere dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.
2. De in het eerste lid bedoelde strafbare feiten zijn overtredingen.
##### Artikel 151
1. Provinciale staten besluiten slechts tot het oprichten van en deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen indien dat bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang.
2. Het besluit behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens:
- a. strijd met het bepaalde in het eerste lid of anderszins strijd met het recht;
- b. andere dringende redenen.
##### Artikel 152
1. Provinciale staten kunnen aan gedeputeerde staten en aan een commissie als bedoeld in artikel 80 bevoegdheden van provinciale staten overdragen, tenzij de aard van de bevoegdheid zich tegen overdracht verzet.
2. Daarbij kan niet worden overgedragen de bevoegdheid tot:
- a. de opheffing en instelling van waterschappen, de regeling van hun taken en inrichting, alsmede de samenstelling van hun besturen;
- b. het vaststellen of wijzigen van de begroting, bedoeld in artikel 193;
- c. het vaststellen van de jaarrekening als bedoeld in artikel 201;
- d. het stellen van straf op overtreding van provinciale verordeningen;
- e. het vaststellen van regels met betrekking tot de organisatie van de administratie en het beheer van vermogenswaarden van de provincie, bedoeld in artikel 216;
- f. het vaststellen van regels met betrekking tot de controle op de administratie en het beheer van vermogenswaarden van de provincie, bedoeld in artikel 217;
- g. het heffen van andere belastingen dan de rechten, bedoeld in artikel 221, onderdeel **b**, en de rechten waarvan de heffing krachtens andere wetten dan deze geschiedt.
3. De bevoegdheid tot het maken van verordeningen, door strafbepaling of bestuursdwang te handhaven, kunnen provinciale staten slechts delegeren voor zover het betreft de vaststelling van nadere regels met betrekking tot bepaalde door hen in hun verordeningen aangewezen onderwerpen.
4. De bevoegdheid tot het houden van toezicht op een ander publiekrechtelijk lichaam kunnen provinciale staten slechts overdragen aan gedeputeerde staten.
5. Ten aanzien van een besluit als bedoeld in het eerste lid zijn de artikelen 136, 137 en 138 van overeenkomstige toepassing.
6. Het bepaalde in het tweede lid, onderdeel d, en het derde lid is niet van toepassing op een commissie als bedoeld in artikel 85.
##### Artikel 153
1. De voorschriften met betrekking tot de bevoegdheid van provinciale staten, de uitoefening daarvan en het toezicht daarop zijn ten aanzien van de ingevolge artikel 152 overgedragen bevoegdheden van overeenkomstige toepassing.
2. Onder de in het eerste lid bedoelde voorschriften zijn niet begrepen die betreffende vergaderingen.
##### Artikel 154
Provinciale staten hebben het toezicht op alle waterstaatswerken, voor zover de wet het toezicht over bepaalde werken niet aan anderen heeft opgedragen. De eerste volzin is niet van toepassing op waterstaatswerken in beheer bij het Rijk.
##### Artikel 155
Verordeningen, geheel of in hoofdzaak de waterstaat betreffende, worden gezonden aan Onze Minister wie het aangaat. Zij treden niet eerder in werking dan drie maanden na de dag van verzending.
##### Artikel 156
1. Provinciale staten kunnen de naam van de provincie wijzigen.
2. Het besluit van provinciale staten wordt ter kennis gebracht van Onze Minister.
3. Het besluit vermeldt de datum van ingang, die is gelegen ten minste een jaar na de datum van het besluit.
##### Artikel 157
Provinciale staten stellen een verordening vast omtrent de ambtelijke organisatie in de provincie.
##### Artikel 143a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 143b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 151a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 151b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 151c
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 151d
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 151e
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 151f
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Hoofdstuk X. De bevoegdheid van gedeputeerde staten
##### Artikel 158
Het dagelijks bestuur van de provincie berust bij gedeputeerde staten voor zover niet bij of krachtens de wet de commissaris van de Koning hiermee is belast.
##### Artikel 159
Gedeputeerde staten zijn belast met de voorbereiding van alles waarover in de vergadering van provinciale staten zal worden beraadslaagd en besloten.
##### Artikel 160
Gedeputeerde staten zijn belast met de uitvoering van de beslissingen van provinciale staten, tenzij bij of krachtens de wet de commissaris van de Koning hiermee is belast.
##### Artikel 161
Onverminderd het bepaalde bij of krachtens andere wetten dragen gedeputeerde staten zorg dat de voorbereiding van de civiele verdediging door de provincie naar behoren geschiedt.
##### Artikel 162
1. Gedeputeerde staten nemen, ook alvorens is besloten tot het voeren van een rechtsgeding, alle conservatoire maatregelen en doen wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van recht of bezit.
2. Gedeputeerde staten zijn bevoegd, tenzij provinciale staten daaromtrent in voorkomende gevallen een beslissing hebben genomen, tot het procederen in kort geding en tot voeging in strafzaken als bedoeld in [artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=51a).
3. Gedeputeerde staten zijn bevoegd, indien ingevolge wettelijk voorschrift aan de provincie of aan het provinciaal bestuur hetzij een recht van beroep hetzij een recht bezwaar te maken toekomt, spoedshalve beroep in te stellen of bezwaar in te brengen alsmede, voor zover de voorschriften dat toelaten, schorsing van het aangevochten besluit of een voorlopige voorziening ter zake te verzoeken.
4. Het ingestelde beroep of het gemaakte bezwaar wordt ingetrokken, indien provinciale staten de beslissing van gedeputeerde staten tot het instellen van beroep of het maken van bezwaar niet hetzij in hun eerstvolgende vergadering, hetzij binnen drie maanden bekrachtigen.
##### Artikel 163
1. Provinciale staten kunnen, op voorstel van gedeputeerde staten, aan een commissie als bedoeld in artikel 80 bevoegdheden van gedeputeerde staten overdragen, tenzij de aard van de bevoegdheid zich tegen overdracht verzet.
2. De bevoegdheid tot het geven van een betalingsopdracht kan alleen uitdrukkelijk worden overgedragen.
3. Ten aanzien van een besluit als bedoeld in het eerste lid zijn de artikelen 136, 137 en 138 van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 164
Vervallen
##### Artikel 165
1. De voorschriften met betrekking tot de bevoegdheid van gedeputeerde staten, de uitoefening daarvan en het toezicht daarop, zijn ten aanzien van de ingevolge artikel 163 toegekende bevoegdheden van overeenkomstige toepassing.
2. Onder de in het eerste lid bedoelde voorschriften zijn niet begrepen die betreffende vergaderingen.
##### Artikel 166
1. Gedeputeerde staten kunnen een of meer van hun leden machtigen tot uitoefening van een of meer van hun bevoegdheden, tenzij de regeling waarop de bevoegdheid steunt zich daartegen verzet.
2. Een krachtens machtiging uitgeoefende bevoegdheid wordt uit naam en onder verantwoordelijkheid van gedeputeerde staten uitgeoefend.
3. Gedeputeerde staten kunnen te dien aanzien alle aanwijzingen geven die zij nodig achten.
##### Artikel 167
1. De leden van gedeputeerde staten zijn, te zamen en ieder afzonderlijk, aan provinciale staten verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur.
2. Zij geven provinciale staten mondeling of schriftelijk de door een of meer leden gevraagde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het openbaar belang.
##### Artikel 168
Een door provinciale staten te maken verordening regelt de behandeling door gedeputeerde staten van administratieve geschillen, aan hun beslissing onderworpen.
##### Artikel 169
1. In aanvulling op [artikel 7:22 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:22) gelden de volgende bepalingen met betrekking tot getuigen en deskundigen die worden gehoord tijdens de behandeling van de geschillen, bedoeld in artikel 168.
2. Getuigen en deskundigen kunnen al dan niet op verzoek van belanghebbenden door gedeputeerde staten worden opgeroepen.
3. De opgeroepenen zijn verplicht aan de oproeping gevolg te geven. De getuigen zijn verplicht getuigenis af te leggen, de deskundigen hun diensten als zodanig te verlenen, een en ander behoudens verschoning wegens ambts- of beroepsgeheim. De getuigen leggen de eed of de belofte af dat zij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zullen spreken, de deskundigen dat zij verslag zullen doen naar hun geweten.
4. Gedeputeerde staten kunnen bevelen dat getuigen of deskundigen die, hoewel wettelijk opgeroepen, niet zijn verschenen, door de openbare macht voor hen worden gebracht om aan hun verplichtingen te voldoen.
5. Getuigen en deskundigen, door gedeputeerde staten opgeroepen, ontvangen desverlangd uit de provinciale kas een door provinciale staten te regelen vergoeding voor reis- en verblijfkosten en tijdsverzuim.
##### Artikel 170
Artikel 169 is eveneens van toepassing in die gevallen waarvoor het provinciaal bestuur een behandeling op de voet van de verordening, bedoeld in artikel 168 heeft voorgeschreven.
##### Artikel 171
1. Voor de behandeling van de zaken, bedoeld in de artikelen 168 en 170, vormen gedeputeerde staten uit hun college een of meer kamers.
2. Elke kamer telt ten minste drie leden, waartoe ook de commissaris van de Koning als voorzitter behoren kan.
3. Gedeputeerde staten regelen samenstelling en werkzaamheden der kamers.
4. De voorzitter van een kamer kan de behandeling van eenvoudige zaken aan een enkelvoudige kamer, bestaande uit één door hem uit de kamer aan te wijzen lid, opdragen. Dit lid is te allen tijde bevoegd, indien naar zijn oordeel de zaak niet van eenvoudige aard is, deze naar de bevoegde kamer terug te wijzen.
5. Op de behandeling door deze kamers is het bij of krachtens de artikelen 168 en 169 bepaalde van overeenkomstige toepassing.
6. De uitspraken van de meervoudige kamers onderscheidenlijk de enkelvoudige kamers worden getekend door haar voorzitter onderscheidenlijk het lid van de kamer en mede ondertekend door degene die als haar griffier optreedt. De uitspraken gelden als uitspraken van gedeputeerde staten.
##### Artikel 172
1. De voorzitter van een kamer als bedoeld in artikel 171, tweede lid, en het lid van een enkelvoudige kamer kunnen, zonder toepassing van de [artikelen 7:16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:16) en [7:18 tot en met 7:22 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:18), uitspraak doen, indien het verzoek om voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is, dan wel indien de verdere behandeling van de zaak hen niet nodig voorkomt, omdat:
- a. het verzoek kennelijk ongegrond is;
- b. het aangevallen besluit kennelijk niet in stand kan blijven;
- c. het aangevallen besluit door het bevoegde overheidsorgaan is ingetrokken of gewijzigd, en dit orgaan kennelijk aan de bezwaren van de verzoeker is tegemoet gekomen.
2. Het voornemen om in een zaak op de in het eerste lid bedoelde wijze uitspraak te doen, wordt door de voorzitter van een kamer als bedoeld in artikel 171, onderscheidenlijk het lid van een enkelvoudige kamer bekendgemaakt aan de belanghebbenden. De bekendmaking bevat een kennisgeving van hetgeen in het derde lid is bepaald.
3. Tegen de voorgenomen wijze van afdoening kan de belanghebbende binnen veertien dagen na de bekendmaking van het voornemen schriftelijk verzet doen bij gedeputeerde staten indien het een voornemen betreft van de voorzitter van een kamer als bedoeld in artikel 171, of, indien het een voornemen betreft van het lid van een enkelvoudige kamer, bij de kamer uit welke dat lid is aangewezen.
4. Alvorens een uitspraak te doen op het verzet, stellen gedeputeerde staten onderscheidenlijk de kamer uit welke het lid van een enkelvoudige kamer is aangewezen, de indiener van het verzetschrift die daarom vroeg in de gelegenheid in een openbare vergadering te worden gehoord en de stukken die op zijn zaak betrekking hebben in te zien, tenzij zij van oordeel zijn dat het verzet gegrond is.
5. Al hetgeen verder de indiening en de behandeling van, alsmede de uitspraak op het verzetschrift betreft wordt door provinciale staten nader geregeld in de verordening, bedoeld in artikel 168.
##### Artikel 173
Indien een besluit van de raad of van burgemeester en wethouders van een gemeente in hun provincie naar het oordeel van gedeputeerde staten voor vernietiging in aanmerking komt, doen zij daarvan mededeling aan Onze Minister wie het aangaat.
##### Artikel 174
Gedeputeerde staten trachten alle geschillen tussen in hun provincie gevestigde gemeenten, waterschappen en lichamen, ingesteld bij gemeenschappelijke regeling, in der minne te doen bijleggen.
### Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van de commissaris van de Koning
##### Artikel 175
De commissaris van de Koning bevordert een goede behartiging van de zaken van de provincie.
##### Artikel 176
1. De commissaris vertegenwoordigt de provincie in en buiten rechte.
2. De commissaris kan de in het eerste lid bedoelde vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen persoon.
##### Artikel 177
Vervallen
##### Artikel 178
Vervallen
##### Artikel 179
1. De commissaris is aan provinciale staten verantwoording verschuldigd voor het door hem gevoerde bestuur.
2. Hij geeft provinciale staten mondeling of schriftelijk de door een of meer leden gevraagde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het openbaar belang.
##### Artikel 180
De artikelen 168 tot en met 170 zijn van overeenkomstige toepassing op de behandeling door de commissaris van administratieve geschillen, aan zijn beslissing onderworpen.
##### Artikel 181
Indien een besluit van de burgemeester van een gemeente in zijn provincie naar het oordeel van de commissaris voor vernietiging in aanmerking komt, doet hij daarvan mededeling aan Onze Minister wie het aangaat.
##### Artikel 182
1. De commissaris is, volgens regels te stellen bij een door de regering gegeven ambtsinstructie, belast met:
- a. het bevorderen van de samenwerking tussen de in de provincie werkzame rijksambtenaren onderling en met het provinciaal bestuur, de gemeentebesturen en de waterschapsbesturen;
- b. het regelmatig bezoeken van de gemeenten in de provincie;
- c. het uitbrengen van adviezen aan de regering of aan Onze Ministers over andere onderwerpen dan die bedoeld in artikel 116, eerste lid;
- d. de coördinatie van de voorbereiding van de civiele verdediging door de in de provincie werkzame rijksambtenaren, het provinciaal bestuur, de gemeentebesturen en de waterschapsbesturen;
- e. de bewaring en registratie van aan hem gerichte stukken, verband houdende met zijn ambtsinstructie.
2. Bij de wet kan de commissaris, volgens regels te stellen bij de in het eerste lid bedoelde ambtsinstructie, worden belast met andere dan de in dat lid genoemde taken.
3. De ambtsinstructie wordt vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur. De voordracht wordt gedaan door of mede door Onze Minister.
4. Een krachtens het derde lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in werking dan twee maanden na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.
5. De artikelen 79, 144 en 179 zijn niet van toepassing op de uitvoering van de ambtsinstructie.
## Titel IV. De financiën van de provincie
### Hoofdstuk XII. Algemene bepalingen
##### Artikel 183
Vervallen
##### Artikel 184
Vervallen
##### Artikel 185
Vervallen
##### Artikel 186
Vervallen
##### Artikel 187
Vervallen
##### Artikel 188
Vervallen
##### Artikel 189
Vervallen
##### Artikel 190
De begroting, de begrotingswijzigingen, de meerjarenraming, de jaarrekening en het jaarverslag worden ingericht overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te geven regels.
##### Artikel 191
Aan de provincies kunnen slechts bij of krachtens de wet uitgaven worden opgelegd.
##### Artikel 192
De provinciale besturen zenden aan Onze Minister hun besluiten binnen twee weken na de vaststelling daarvan, betreffende:
- a. het aangaan van geldleningen en rekening-courant-overeenkomsten;
- b. het uitlenen van gelden en het waarborgen van geldelijke verplichtingen, door anderen aan te gaan.
### Hoofdstuk XIII. De begroting en de jaarrekening
#### § 1. De begroting
##### Artikel 193
1. Voor alle taken en activiteiten brengen provinciale staten jaarlijks op de begroting de bedragen die zij daarvoor beschikbaar stellen, alsmede de financiële middelen die zij naar verwachting kunnen aanwenden.
2. De begroting bevat mede een bedrag voor onvoorziene uitgaven.
3. Provinciale staten zien erop toe dat de begroting in evenwicht is. Hiervan kunnen zij afwijken indien aannemelijk is dat het evenwicht in de begroting in de eerstvolgende jaren tot stand zal worden gebracht.
4. Behoudens het bepaalde in de artikelen 212 en 213 kunnen ten laste van de provincie slechts uitgaven worden gedaan tot de bedragen die hiervoor op de begroting zijn gebracht.
5. Het begrotingsjaar is het kalenderjaar.
##### Artikel 194
1. Gedeputeerde staten bieden jaarlijks, tijdig voor de in artikel 195, eerste lid, bedoelde vaststelling, provinciale staten een ontwerp aan voor de begroting met toelichting van de provincie en een meerjarenraming met toelichting voor ten minste drie op het begrotingsjaar volgende jaren.
2. De ontwerp-begroting en de overige in het eerste lid bedoelde stukken liggen, zodra zij aan provinciale staten zijn aangeboden, voor een ieder ter inzage en zijn algemeen verkrijgbaar. Van de terinzagelegging en verkrijgbaarstelling wordt openbaar kennis gegeven.
3. Provinciale staten beraadslagen over de ontwerp-begroting niet eerder dan twee weken na de openbare kennisgeving.
##### Artikel 195
1. Provinciale staten stellen de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient.
2. Gedeputeerde staten zenden de door provinciale staten vastgestelde begroting vergezeld van de in artikel 194, eerste lid, bedoelde stukken binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 november van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan Onze Minister.
##### Artikel 196
1. Besluiten tot wijziging van de begroting kunnen tot uiterlijk het eind van het desbetreffende begrotingsjaar worden genomen.
2. De artikelen 194, tweede lid, 195, tweede lid, alsmede, behoudens in gevallen van dringende spoed, artikel 194, derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 197
Verplichte uitgaven van de provincie zijn:
- a. de renten en aflossingen van de door de provincie aangegane geldleningen en alle overige opeisbare schulden;
- b. de uitgaven die bij of krachtens de wet aan de provincie zijn opgelegd;
- c. de uitgaven die voortvloeien uit de van het provinciale bestuur gevorderde medewerking tot uitvoering van wetten en algemene maatregelen van bestuur, voor zover die uitgaven niet ten laste van anderen zijn gebracht.
##### Artikel 198
1. Indien provinciale staten weigeren verplichte uitgaven of een bedrag voor onvoorziene uitgaven op de begroting te brengen, doet Onze Minister dit.
2. Indien provinciale staten bovendien weigeren in voldoende dekking van in het eerste lid bedoelde uitgaven te voorzien, vermindert Onze Minister daartoe hetzij het bedrag voor onvoorziene uitgaven, hetzij indien dit bedrag niet toereikend is, overige niet-verplichte uitgaven.
##### Artikel 199
Onze Minister draagt zo nodig aan de bevoegde provinciale ambtenaar bedoeld in artikel 216, tweede lid, de betaling op ten laste van de provincie van hetgeen als verplichte uitgaaf op de begroting is gebracht.
##### Artikel 200
Vervallen
#### § 2. De jaarrekening
##### Artikel 201
1. Gedeputeerde staten leggen aan provinciale staten over elk begrotingsjaar verantwoording af van het gevoerde financieel beheer onder overlegging van de jaarrekening en het jaarverslag.
2. Zij voegen daarbij een verslag als bedoeld in artikel 217, tweede lid.
3. De jaarrekening en de verslagen liggen, zodra zij aan provinciale staten zijn overgelegd, voor een ieder ter inzage en zijn algemeen verkrijgbaar. Van de terinzagelegging en de verkrijgbaarstelling wordt openbaar kennis gegeven. Provinciale staten beraadslagen over de jaarrekening en het jaarverslag niet eerder dan twee weken na de openbare kennisgeving.
##### Artikel 202
1. Provinciale staten stellen de jaarrekening vast in het jaar volgend op het begrotingsjaar.
2. Provinciale staten kunnen uitgaven die te kwader trouw zijn geboekt op een post waarmee zij niet overeenstemmen of die anderszins niet rechtmatig zijn gedaan, buiten de jaarrekening laten.
3. De leden van gedeputeerde staten nemen niet deel aan de stemmingen over besluiten als bedoeld in het eerste en tweede lid.
##### Artikel 203
Behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden, ontlast het besluit tot vaststelling van de jaarrekening de leden van gedeputeerde staten ten aanzien van het daarin verantwoorde financiële beheer.
##### Artikel 204
1. Gedeputeerde staten zenden de door provinciale staten vastgestelde jaarrekening vergezeld van de in artikel 201 bedoelde verslagen binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 september van het jaar volgend op het begrotingsjaar aan Onze Minister.
2. Indien provinciale staten artikel 202, tweede lid, hebben toegepast, zenden gedeputeerde staten het desbetreffende besluit met de jaarrekening aan Onze Minister.
##### Artikel 205
1. Indien uitgaven niet in de vastgestelde jaarrekening zijn opgenomen, zijn de leden van gedeputeerde staten daarvoor, ieder voor een gelijk deel, persoonlijk aansprakelijk jegens de provincie, tenzij blijkt dat zij aan het besluit tot het doen van die uitgaven niet hebben meegewerkt.
2. Gelijke aansprakelijkheid bestaat voor zover zij te kwader trouw hebben meegewerkt aan het niet of niet tijdig innen van vorderingen of andere aan de provincie toekomende gelden dan wel aan het overeenkomen van afstand van een vorderingsrecht waardoor de provincie schade heeft geleden.
3. De provincie stelt, zo dikwijls daartoe volgens dit artikel termen zijn, zonder nadere beslissing van provinciale of gedeputeerde staten tot het voeren van een rechtsgeding, een rechtsvordering in tot betaling van de krachtens het eerste of tweede lid verschuldigde gelden. Provinciale staten wijzen iemand aan om de provincie in het rechtsgeding te vertegenwoordigen.
4. Indien binnen een door Onze Minister gestelde termijn geen rechtsvordering is ingesteld, gaat Onze Minister namens en ten laste van de provincie daartoe over.
##### Artikel 206
Indien provinciale staten de jaarrekening, nadat deze door gedeputeerde staten overeenkomstig het bepaalde in artikel 201, eerste lid, aan provinciale staten is aangeboden, niet of niet naar behoren vaststellen, zenden gedeputeerde staten de jaarrekening vergezeld van de in artikel 201 bedoelde verslagen ter vaststelling aan Onze Minister.
#### § 3. Goedkeuring van de begroting
##### Artikel 207
1. De begroting, bedoeld in artikel 193, van het eerstvolgende begrotingsjaar alsmede de daarop betrekking hebbende begrotingswijzigingen behoeven de goedkeuring van Onze Minister, indien naar zijn oordeel de begroting, bedoeld in artikel 193, niet in evenwicht is en blijkens de meerjarenraming, bedoeld in artikel 194, niet aannemelijk is dat in de eerstvolgende jaren een evenwicht tot stand zal worden gebracht. Onze Minister doet hiervan vóór de aanvang van het begrotingsjaar mededeling aan het provinciaal bestuur.
2. Onze Minister kan bepalen dat de begroting, bedoeld in artikel 193, van het eerstvolgende begrotingsjaar alsmede de daarop betrekking hebbende begrotingswijzigingen zijn goedkeuring behoeven, indien:
- a. de jaarrekening van het tweede aan het begrotingsjaar voorafgaande jaar niet in evenwicht is, of
- b. de begroting, bedoeld in artikel 193, niet tijdig is ingezonden aan Onze Minister overeenkomstig het bepaalde in artikel 195, of
- c. de jaarrekening, bedoeld in artikel 202, eerste lid, van het tweede aan het begrotingsjaar voorafgaande jaar niet tijdig is ingezonden aan Onze Minister overeenkomstig het bepaalde in artikel 204, eerste lid.
3. Onze Minister maakt een besluit als bedoeld in het tweede lid voor de aanvang van het begrotingsjaar aan het provinciaal bestuur bekend.
4. De begroting behoeft geen goedkeuring indien Onze Minister geen mededeling doet als bedoeld in het eerste lid of geen besluit bekendmaakt als bedoeld in het tweede lid binnen de in het eerste respectievelijk derde lid genoemde termijn.
##### Artikel 208
Vervallen
##### Artikel 209
Onze Minister maakt bij de aanvang van het desbetreffende begrotingsjaar door publicatie in de **Staatscourant** bekend van welke provincies de begrotingen en begrotingswijzigingen zijn goedkeuring behoeven.
##### Artikel 210
De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of met het algemene financiële belang.
##### Artikel 211
1. Indien op de dag waarop een besluit tot wijziging van de begroting aan Onze Minister wordt aangeboden, de begroting nog niet is goedgekeurd, vangt de in [artikel 10:31, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:31) bedoelde termijn aan op de dag van de goedkeuring van de begroting.
2. Onze Minister kan bij zijn besluit omtrent goedkeuring van de begroting ten aanzien van door hem aan te geven soorten van wijzigingen daarvan bepalen dat die zijn goedkeuring niet behoeven.
##### Artikel 212
1. Indien de begroting of een besluit tot wijziging daarvan niet is goedgekeurd, behoeft het provinciaal bestuur tot het doen van uitgaven de toestemming van Onze Minister.
2. Een aanvraag van het provinciaal bestuur om toepassing van het eerste lid kan door Onze Minister slechts worden afgewezen wegens strijd met het recht of met het algemene financiële belang.
3. Onze Minister beslist op de aanvraag binnen twee maanden na de verzending van de aanvraag, bedoeld in het tweede lid. De toestemming wordt geacht te zijn verleend indien binnen deze termijn geen besluit aan het provinciale bestuur is verzonden.
4. Onze Minister kan aan de toestemming voorschriften verbinden.
5. Onze Minister kan bepalen voor welke posten en tot welk bedrag het provinciale bestuur de toestemming, bedoeld in het eerste lid, niet behoeft.
##### Artikel 213
1. In gevallen van dringende spoed kan, indien provinciale staten daartoe besluiten, een uitgaaf worden gedaan voordat de desbetreffende begroting of begrotingswijziging is goedgekeurd. Het besluit wordt terstond toegezonden aan Onze Minister. Is de uitgaaf geraamd bij een begrotingswijziging welke nog niet ter goedkeuring is ingezonden, dan wordt deze begrotingswijziging te zamen met het besluit toegezonden.
2. Over het in het eerste lid bedoelde besluit stemmen provinciale staten bij hoofdelijke oproeping.
##### Artikel 214
1. Indien provinciale staten artikel 213 hebben toegepast en Onze Minister zijn goedkeuring aan de desbetreffende begroting of begrotingswijziging onthoudt, kan hij binnen een maand nadat zijn besluit onherroepelijk is geworden, de leden van provinciale staten die hun stem voor het in artikel 213 bedoelde besluit hebben uitgebracht, ieder voor een gelijk deel, persoonlijk voor deze uitgaaf aansprakelijk stellen tegenover de provincie.
2. De werking van de beschikking tot aansprakelijkstelling wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
3. Onze Minister stelt zo nodig namens en ten laste van de provincie een rechtsvordering in tot betaling van de krachtens het besluit tot aansprakelijkstelling verschuldigde gelden.
##### Artikel 215
Indien de begroting van een provincie ingevolge artikel 207, eerste of tweede lid, is onderworpen aan goedkeuring, kan Onze Minister bepalen dat door hem aan te wijzen beslissingen van het provinciaal bestuur die financiële gevolgen voor de provincie hebben of kunnen hebben, door het provinciaal bestuur binnen twee weken aan Onze Minister worden toegezonden.
### Hoofdstuk XIV. De administratie en de controle
##### Artikel 216
1. Provinciale staten stellen bij verordening regels vast met betrekking tot de organisatie van de administratie en van het beheer van vermogenswaarden van de provincie. Deze regels dienen te waarborgen dat aan de eisen van doelmatigheid en controle wordt voldaan.
2. De administratie en het beheer, bedoeld in het eerste lid, worden verricht door de bij de in dat lid bedoelde regels aan te wijzen ambtenaren. Zij kunnen niet tevens griffier zijn.
3. De regels, bedoeld in het eerste lid, voorzien in een financieringsstatuut, waarin in ieder geval regels zijn opgenomen ten aanzien van:
- a. de algemene doelstellingen en de te hanteren richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie;
- b. de administratieve organisatie van de financieringsfunctie, waaronder begrepen taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening.
##### Artikel 217
1. Provinciale staten stellen bij verordening regels vast met betrekking tot de controle op de administratie en op het beheer van vermogenswaarden van de provincie. Deze regels dienen onder meer te waarborgen dat de rechtmatigheid en de doelmatigheid van de administratie en het beheer worden getoetst.
2. De regels, bedoeld in het eerste lid, voorzien in de aanwijzing van een of meer accountants als bedoeld in [artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=393), belast met het onderzoek van de in artikel 201 bedoelde jaarrekening alsmede met het ter zake uitbrengen van een verslag, dat behalve de verklaring bij de jaarrekening bevindingen bevat over de vraag of de administratie en het beheer voldoen aan eisen van rechtmatigheid en doelmatigheid.
3. Accountants als bedoeld in het tweede lid kunnen in provinciale dienst worden aangesteld. In dat geval worden zij door provinciale staten benoemd, geschorst en ontslagen. Artikel 98, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 218
Gedeputeerde staten zenden de verordeningen, bedoeld in de artikelen 216 en 217, binnen twee weken na vaststelling door provinciale staten aan Onze Minister.
##### Artikel 219
Onze Minister kan te allen tijde een onderzoek instellen naar de wijze waarop de administratie en het beheer, bedoeld in artikel 216, eerste lid, worden gevoerd.
##### Artikel 217a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Hoofdstuk XV. De provinciale belastingen
#### § 1. Algemene bepalingen
##### Artikel 220
Provinciale staten besluiten tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van een provinciale belasting door het vaststellen van een belastingverordening.
##### Artikel 220a
Een belastingverordening vermeldt, in de daartoe leidende gevallen, de belastingplichtige, het voorwerp van de belasting, het belastbare feit, de heffingsmaatstaf, het tarief, het tijdstip van ingang van de heffing, het tijdstip van beëindiging van de heffing en hetgeen overigens voor de heffing en de invordering van belang is.
##### Artikel 221
1. Behalve de provinciale belastingen waarvan de heffing krachtens andere wetten dan deze geschiedt, worden geen andere belastingen geheven dan die bedoeld in de tweede paragraaf van dit hoofdstuk.
2. Behoudens het bepaalde in andere wetten dan deze en in de tweede paragraaf van dit hoofdstuk kunnen de provinciale belastingen worden geheven naar in de belastingverordening te bepalen heffingsmaatstaven, met dien verstande dat het bedrag van een provinciale belasting niet afhankelijk mag worden gesteld van het inkomen, de winst of het vermogen.
#### § 2. Bijzondere bepalingen omtrent enkele belastingen
##### Artikel 222
1. Er kunnen provinciale opcenten op de hoofdsom van de motorrijtuigenbelasting worden geheven van de in de provincie wonende of gevestigde houders van personenauto’s en motorrijwielen, bedoeld in [artikel 2, onderdelen b en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=2), en [artikel 3 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=3) en van degenen op wier naam een kenteken als bedoeld in [artikel 62 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=62) is gesteld.
2. Het aantal opcenten bedraagt voor de belastingtijdvakken die na 31 maart 1997 aanvangen ten hoogste 66,4.
3. Voor de berekening van het aan opcenten verschuldigde bedrag wordt uitgegaan van het tarief van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 zoals dat geldt op 1 april 1995 met dien verstande dat de verhoging van de belasting, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van die wet en de vermindering van de belasting, bedoeld in de artikelen 28 en 68 van die wet buiten beschouwing blijven.
4. Het in het tweede lid genoemde aantal opcenten wordt jaarlijks aangepast aan de hand van het vierjaarlijks voortschrijdend gemiddelde van de gerealiseerde nominale ontwikkeling van het nationaal inkomen. Onze Minister van Financiën bepaalt jaarlijks vóór 1 juli van enig jaar, in overeenstemming met Onze Minister, het aantal opcenten dat de provincies ten hoogste kunnen heffen in de periode die aanvangt op 1 april nadien. Dit aantal wordt naar boven afgerond op één decimaal.
5. Het aantal opcenten is voor alle motorrijtuigen, bedoeld in het eerste lid, gelijk.
6. Onze Minister van Financiën verstrekt de provinciale besturen jaarlijks vóór 1 september een naar soort, gewichtsklasse en aantal gespecificeerd overzicht van de motorrijtuigen, bedoeld in het eerste lid. Het overzicht wordt opgesteld naar de toestand per 1 juli van het lopende jaar.
##### Artikel 222a
1. Besluiten tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van provinciale opcenten op de hoofdsom van de motorrijtuigenbelasting treden in werking met ingang van 1 april van enig jaar. Een desbetreffend besluit wordt vóór 31 december van het voorafgaande jaar in afschrift ter kennis gebracht van Onze Minister van Financiën.
2. Een in het eerste lid bedoeld besluit heeft geen gevolgen voor de opcenten die zijn betaald over een tijdvak dat vóór de datum van inwerkingtreding van dat besluit is aangevangen.
3. Bij naheffing van belasting worden opcenten berekend volgens het hoogste aantal dat in enige provincie van toepassing was op de dag waarop de in de artikelen 33, 34, 35, 36, 52, 53, 69 en 76 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 bedoelde feiten zijn geconstateerd.
4. De houders van motorrijtuigen die niet hier te lande wonen of gevestigd zijn, maar die wel aan de heffing van motorrijtuigenbelasting zijn onderworpen, worden voor de heffing van opcenten geacht te wonen of te zijn gevestigd in een provincie die het hoogste aantal opcenten heft. In bijzondere gevallen kan Onze Minister van Financiën in overeenstemming met Onze Minister ook voor andere houders van motorrijtuigen een provincie aanwijzen waar deze houders worden geacht te wonen of te zijn gevestigd.
5. De opbrengsten van de opcenten die worden geheven volgens het derde en vierde lid, worden naar evenredigheid van het aandeel van een provincie in de totale opbrengst van de ten behoeve van de provincies geheven opcenten over alle provincies verdeeld.
6. Verandering van woonplaats of van plaats van vestiging van de houder van een motorrijtuig in de loop van het tijdvak waarover de motorrijtuigenbelasting is betaald, vormt geen aanleiding tot het heffen van opcenten over het nog niet verstreken gedeelte van het tijdvak door een andere provincie of tot het verlenen van teruggaaf van geheven opcenten.
##### Artikel 222b
Vervallen
##### Artikel 222c
Ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde grond van de provincie, kan een precariobelasting worden geheven.
##### Artikel 223
1. Rechten kunnen worden geheven ter zake van:
- a. het gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de openbare dienst bestemde provinciale bezittingen of van de voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen die bij de provincie in beheer of in onderhoud zijn;
- b. het genot van door of vanwege het provinciaal bestuur verstrekte diensten.
2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de in het eerste lid bedoelde rechten aangemerkt als provinciale belastingen.
##### Artikel 224
De rechten, bedoeld in artikel 223, eerste lid, kunnen worden geheven door de provincie die het gebruik van de bezittingen, werken of inrichtingen toestaat of de diensten verleent, ongeacht of het belastbare feit zich binnen of buiten het grondgebied van de provincie voordoet.
##### Artikel 225
1. In verordeningen op grond waarvan rechten als bedoeld in artikel 223, eerste lid, worden geheven, worden de tarieven zodanig vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake.
2. Onder de in het eerste lid bedoelde lasten worden mede verstaan:
- a. bijdragen aan bestemmingsreserves en voorzieningen voor noodzakelijke vervanging van de betrokken activa;
- b. de omzetbelasting die ingevolge de [Wet op het BTW-compensatiefonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013817) recht geeft op een bijdrage uit het fonds.
##### Artikel 226
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen inzake de belastingen, bedoeld in deze paragraaf, nadere regels worden gegeven.
#### § 3. Heffing en invordering
##### Artikel 227
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- a. Algemene wet: [Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320);
- b. heffing op andere wijze: heffing op andere wijze dan bij wege van aanslag of bij wege van voldoening op aangifte.
##### Artikel 227a
1. Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde geschieden de heffing en de invordering van provinciale belastingen, andere dan die bedoeld in [artikel 222, met toepassing van de Algemene wet](onbekend), de [Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770) en de [Kostenwet invordering rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002645) als waren die belastingen rijksbelastingen.
2. Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde gelden de bevoegdheden en de verplichtingen van de hierna vermelde, in de [Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320), de [Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770) en de [Kostenwet invordering rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002645) genoemde functionarissen, met betrekking tot de provinciale belastingen voor de daarachter genoemde colleges of functionarissen:
- a. Onze Minister van Financiën, het bestuur van ’s Rijksbelastingen en de directeur: het college van gedeputeerde staten;
- b. de inspecteur: de provincieambtenaar, belast met de heffing van provinciale belastingen;
- c. de ontvanger of een inzake rijksbelastingen bevoegde ontvanger: de provincieambtenaar belast met de invordering van provinciale belastingen;
- d. de ambtenaren van de rijksbelastingdienst: de provincieambtenaren belast met de heffing of de invordering van provinciale belastingen;
- e. de belastingdeurwaarder: de daartoe aangewezen provincieambtenaar.
3. Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde wordt met betrekking tot provinciale belastingen in de [Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320) en in de [Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770) voor «algemene maatregel van bestuur» en voor «ministeriële regeling» gelezen: besluit van het college van gedeputeerde staten.
##### Artikel 227b
1. Het college van gedeputeerde staten kan bepalen dat voor de toezending of uitreiking van aanslagbiljetten ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 voor de in artikel 227a, tweede lid, onderdeel c, bedoelde ambtenaar een andere provincieambtenaar in de plaats treedt.
2. De colleges van gedeputeerde staten van twee of meer provincies kunnen met betrekking tot een of meer provinciale belastingen bepalen dat ambtenaren van een van die provincies worden aangewezen als:
- a. de in artikel 227**a**, tweede lid, onderdeel **b**, bedoelde ambtenaar van die provincies voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de heffing van provinciale belastingen;
- b. de in artikel 227**a**, tweede lid, onderdeel **c**, bedoelde ambtenaar van die provincies voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de invordering van provinciale belastingen;
- c. de in artikel 227**a**, tweede lid, onderdeel **d**, bedoelde ambtenaren van die provincies voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de heffing of de invordering van provinciale belastingen;
- d. de in artikel 227**a**, tweede lid, onderdeel **e**, bedoelde ambtenaar van die provincies, voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de invordering van provinciale belastingen.
3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het college van gedeputeerde staten van de provincie waarvan de ambtenaar belast met de invordering van provinciale belastingen op grond van het tweede lid, onderdeel **b**, wordt aangewezen.
4. Indien voor de heffing of de invordering van provinciale belastingen een gemeenschappelijke regeling is getroffen en bij die regeling een openbaar lichaam is ingesteld, kan bij of krachtens die regeling worden bepaald dat een daartoe aangewezen ambtenaar van dat openbare lichaam wordt aangewezen als:
- a. de in artikel 227**a**, tweede lid, onderdeel **b**, bedoelde ambtenaar van de provincie voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de heffing van provinciale belastingen;
- b. de in artikel 227**a**, tweede lid, onderdeel**c**, bedoelde ambtenaar van de provincie voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de invordering van provinciale belastingen;
- c. de in artikel 227**a**, tweede lid, onderdeel **d**, bedoelde ambtenaren van de provincie voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de heffing of de invordering van provinciale belastingen;
- d. de in artikel 227**a**, tweede lid, onderdeel **e**, bedoelde ambtenaar van de provincie voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de invordering van provinciale belastingen.
5. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam waarvan een ambtenaar op grond van het vierde lid, onderdeel **b**, wordt aangewezen.
##### Artikel 227c
Provinciale belastingen kunnen worden geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of op andere wijze, doch niet bij wege van afdracht op aangifte.
##### Artikel 227d
1. Indien de provinciale belastingen op andere wijze worden geheven, bepaalt de belastingverordening op welke wijze deze worden geheven en de wijze waarop de belastingschuld aan de belastingplichtige wordt bekendgemaakt. De belastingverordening kan daarnaast bepalen dat het college van gedeputeerde staten omtrent de uitvoering van een en ander nadere regels geeft.
2. De op andere wijze geheven belastingen worden voor de toepassing van de [Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320) en de [Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770) aangemerkt als bij wege van aanslag geheven belastingen, met dien verstande dat wordt verstaan onder:
- a. de aanslag, de voorlopige aanslag, de navorderingsaanslag: het gevorderde, onderscheidenlijk het voorlopig gevorderde, het nagevorderde bedrag;
- b. het aanslagbiljet: de kennisgeving van het in onderdeel **a** bedoelde bedrag;
- c. de dagtekening van het aanslagbiljet: de dagtekening van de schriftelijke kennisgeving van het in onderdeel **a** bedoelde bedrag, of bij gebreke van een schriftelijke kennisgeving, de datum waarop het bedrag op andere wijze ter kennis van de belastingplichtige is gebracht.
##### Artikel 228
Bij de heffing van provinciale belastingen blijven de [artikelen 2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=3), [37 tot en met 39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=37), [47a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=47a), [48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=48), [52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=52), [53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=53), [54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=54), [55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=55), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=62), [71](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=71), [76](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=76), [80, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=80), [82](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=82), [84](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=84), [86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=86), [87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=87) en [90 tot en met 95 van de Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=90) buiten toepassing. Bij de heffing van provinciale belastingen die op andere wijze worden geheven, blijven bovendien de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=5), [6 tot en met 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=6), [11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=11), en [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=12) van die wet buiten toepassing.
##### Artikel 228a
1. Het uitnodigen tot het doen van aangifte, bedoeld in [artikel 6 van de Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=6), geschiedt door het uitreiken van een aangiftebiljet.
2. Het doen van aangifte, bedoeld in [artikel 8 van de Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=8), geschiedt door het inleveren of toezenden van het uitgereikte aangiftebiljet met de daarbij gevraagde bescheiden.
3. In afwijking in zoverre van de vorige leden kan de in artikel 227**a**, tweede lid, onderdeel **b**, bedoelde provincieambtenaar vorderen dat een verplichting tot het doen van aangifte of tot het indienen van een verzoek om uitreiking van een aangiftebiljet wordt nagekomen door het mondeling doen van aangifte. Daarbij:
- a. worden de door de in artikel 227**a**, tweede lid, onderdeel **b**, bedoelde provincieambtenaar gevraagde bescheiden overgelegd;
- b. kan de in artikel 227**a**, tweede lid, onderdeel **b**, bedoelde provincieambtenaar vorderen dat een van de mondelinge aangifte opgemaakt relaas door de aangever wordt ondertekend, bij gebreke waarvan de aangifte geacht wordt niet te zijn gedaan.
4. Indien het derde lid toepassing vindt, kan de in artikel 227**a**, tweede lid, onderdeel **b**, bedoelde provincieambtenaar voor de termijnen, genoemd in artikel 9, eerste en derde lid, eerste volzin, artikel 10, tweede lid, en artikel 19, eerste, derde en vierde lid, van de Algemene wet, of voor de kortere termijn, bedoeld in artikel 228**b**, eerste of tweede lid, kortere termijnen in de plaats stellen en is artikel 12 van de Algemene wet niet van toepassing.
5. Bij de belastingverordening kan van het eerste en tweede lid worden afgeweken.
##### Artikel 228b
1. Met betrekking tot de bij wege van aanslag geheven provinciale belastingen kan in de belastingverordening voor de in [artikel 9, eerste lid en derde lid, van de Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=9) genoemde termijn van ten minste een maand een kortere termijn in de plaats worden gesteld.
2. Met betrekking tot de bij wege van voldoening op aangifte geheven provinciale belastingen kan in de belastingverordening voor de termijn van een maand, genoemd in artikel 10, tweede lid, en [artikel 19, eerste, derde en vierde lid, van de Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=19), een kortere termijn in de plaats worden gesteld.
##### Artikel 228c
1. De in artikel 227**a**, tweede lid, onderdeel **b**, bedoelde provincieambtenaar is bevoegd om voor een zelfde belastingplichtige bestemde belastingaanslagen van dezelfde soort die betrekking kunnen hebben op verschillende belastingen, op één aanslagbiljet te verenigen.
2. Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ingeval de belasting op andere wijze wordt geheven.
##### Artikel 228d
Voor de toepassing van de [artikelen 9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=9), [18, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=18), en [21, tweede lid, van de Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=21) wordt met een onherroepelijke veroordeling gelijkgesteld het vervallen van het recht tot strafvordering op de voet van [artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74).
##### Artikel 229
1. Degene die ingevolge de belastingverordening aanspraak kan maken op een gehele of gedeeltelijke vrijstelling, vermindering, ontheffing of teruggaaf kan binnen zes weken nadat de omstandigheid welke die aanspraak deed ontstaan, zich heeft voorgedaan, of, voor zover het een belasting betreft die bij wege van aanslag wordt geheven en op dat tijdstip nog geen aanslagbiljet is uitgereikt of toegezonden, binnen zes weken na de dagtekening van het aanslagbiljet, een aanvraag tot het verkrijgen van vrijstelling, vermindering, ontheffing of teruggaaf indienen bij de in artikel 227**a**, tweede lid, onderdeel **b**, bedoelde provincieambtenaar.
2. Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ingeval de belasting op andere wijze wordt geheven.
3. De in artikel 227**a**, tweede lid, onderdeel **b**, bedoelde provincieambtenaar beslist op de aanvraag bij voor bezwaar vatbare beschikking.
##### Artikel 229a
In de gevallen waarin het volkenrecht dan wel, naar het oordeel van Onze Minister en Onze Minister van Financiën, het internationale gebruik daartoe noodzaakt, wordt vrijstelling van provinciale belastingen verleend. Onze genoemde Ministers kunnen gezamenlijk ter zake nadere regels stellen.
##### Artikel 229b
Naast een in de belastingverordening voorziene vermindering, ontheffing of teruggaaf, kan de in artikel 227**a**, tweede lid, onderdeel **b**, bedoelde provincieambtenaar ook een in de belastingverordening voorziene vrijstelling ambtshalve verlenen.
##### Artikel 229c
Vervallen
##### Artikel 229d
Vervallen
##### Artikel 230
1. Met betrekking tot de provinciale belastingen kunnen bij algemene maatregel van bestuur:
- a. regels worden gesteld waarbij de [artikelen 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=48), [52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=52), [53, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=53), [54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=54) of [55 van de Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=55), alsmede de [artikelen 59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=59) of [62 van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=62) geheel of gedeeltelijk van toepassing worden verklaard, dan wel
- b. regels worden gesteld die overeenkomen met die in de in onderdeel **a** genoemde artikelen.
2. De in het eerste lid bedoelde regels bevatten in elk geval een omschrijving van degene op wie de verplichting rust, alsmede van de belasting ten behoeve waarvan de verplichting geldt. Voorts vermelden deze regels naar gelang de aard van de verplichting een omschrijving van de aard van de te verstrekken gegevens en inlichtingen, van de aard van de gegevens welke uit de administratie dienen te blijken of van het doel waarvoor het voor raadpleging beschikbaar stellen van gegevensdragers kan geschieden.
##### Artikel 231
Vervallen
##### Artikel 232
Bij de invordering van provinciale belastingen blijven de artikelen 5, 20, 21, 59, 62 en 69 van de Invorderingswet 1990 buiten toepassing. Bij de invordering van provinciale belastingen die op andere wijze worden geheven, blijven bovendien de artikelen 7, derde lid, en 8, eerste lid, van die wet buiten toepassing.
##### Artikel 232a
1. De belastingverordening kan van artikel 9 van de Invorderingswet 1990 afwijkende voorschriften inhouden.
2. De belastingverordening kan bepalen dat het verschuldigde bedrag moet worden betaald gelijktijdig met en op dezelfde wijze als de voldoening van een andere vordering aan de schuldeiser van die andere vordering.
##### Artikel 232b
De verrekening van aan de belastingschuldige uit te betalen en van hem te innen bedragen ter zake van provinciale belastingen op de voet van artikel 24 van de Invorderingswet 1990 is ook mogelijk ingeval de in artikel 9 van de Invorderingswet 1990 gestelde termijn, dan wel de krachtens artikel 232**a**, eerste lid, gestelde termijn nog niet is verstreken.
##### Artikel 232c
1. Indien ter zake van hetzelfde voorwerp van de belasting of hetzelfde belastbare feit twee of meer personen belastingplichtig zijn, kan de belastingaanslag ten name van een van hen worden gesteld.
2. Indien de belastingplicht, bedoeld in het eerste lid, voortvloeit uit het genot van een onroerende zaak krachtens eigendom, bezit of beperkt recht en de aanslag ten name van één van de belastingplichtigen is gesteld, kan de met de invordering van provinciale belastingen belaste provincieambtenaar de belastingaanslag op de gehele onroerende zaak verhalen ten name van degene te wiens name de aanslag is gesteld, zonder rekening te houden met de rechten van de overige belastingplichtigen.
3. De belastingschuldige die de belastingaanslag heeft voldaan kan hetgeen hij meer heeft voldaan dan overeenkomt met zijn belastingplicht verhalen op de overige belastingplichtigen naar evenredigheid van ieders belastingplicht.
4. Een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Algemene wet kan mede worden ingediend door een belastingplichtige als bedoeld in het eerste lid wiens naam niet op het aanslagbiljet staat vermeld. [Artikel 23, tweede lid, van de Algemene wet](onbekend) is van overeenkomstige toepassing.
5. Van het derde lid kan bij overeenkomst worden afgeweken.
##### Artikel 232d
Voor de toepassing van [artikel 66 van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=66) met betrekking tot provinciale belastingen blijven de [artikelen 76](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=76), [80, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=80), [82](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=82), [84](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=84), [86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=86) en [87 van de Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=87) buiten toepassing.
##### Artikel 232e
1. De in artikel 26 van de Invorderingswet 1990 bedoelde kwijtschelding wordt met betrekking tot provinciale belastingen verleend door de in artikel 227**a**, tweede lid, onderdeel **c**, bedoelde provincieambtenaar.
2. Met betrekking tot het verlenen van gehele of gedeeltelijke kwijtschelding zijn de krachtens artikel 26 van de Invorderingswet 1990 door Onze Minister van Financiën bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.
3. Provinciale staten kunnen bepalen dat, in afwijking van de in het tweede lid bedoelde regels, in het geheel geen dan wel gedeeltelijk kwijtschelding wordt verleend.
4. Met inachtneming van door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, te stellen regels kunnen provinciale staten met betrekking tot de wijze waarop de kosten van bestaan in aanmerking worden genomen afwijkende regels stellen die er toe leiden dat in ruimere mate kwijtschelding wordt verleend.
5. Gedeputeerde staten kunnen de belasting geheel of gedeeltelijk oninbaar verklaren. Het daartoe strekkende besluit ontheft de provincieambtenaar belast met de invordering van provinciale belastingen van de verplichting verdere pogingen tot invordering te doen.
##### Artikel 232f
Indien ter zake van een provinciale belasting exploot moet worden gedaan, een akte van vervolging betekend of een dwangbevel ten uitvoer gelegd in een andere provincie dan die waaraan belasting verschuldigd is, is daartoe naast de belastingdeurwaarder van laatstbedoelde provincie mede de belastingdeurwaarder van eerstbedoelde provincie bevoegd en desgevraagd verplicht.
##### Artikel 232g
1. Met betrekking tot de in artikel 222 bedoelde opcenten is de rijksbelastingdienst belast met de heffing en de invordering.
2. De opcenten worden als motorrijtuigenbelasting geheven en ingevorderd.
3. De opbrengst wordt aan de provincies uitgekeerd volgens door Onze Minister van Financiën te stellen regels.
4. De aan de heffing en de invordering verbonden kosten komen ten laste van de provincies. Deze kosten worden berekend volgens door Onze Minister van Financiën te stellen regels.
##### Artikel 232h
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen inzake provinciale belastingen in het kader van deze paragraaf passende nadere regels worden gegeven ter aanvulling van de in deze paragraaf geregelde onderwerpen.
### Hoofdstuk XVI. Het Provinciefonds
##### Artikel 233
Vervallen
##### Artikel 234
Vervallen
##### Artikel 235
Vervallen
##### Artikel 236
Vervallen
##### Artikel 237
Vervallen
##### Artikel 238
Vervallen
##### Artikel 239
Vervallen
##### Artikel 240
Vervallen
##### Artikel 241
Vervallen
##### Artikel 242
Vervallen
##### Artikel 243
Vervallen
##### Artikel 244
Vervallen
##### Artikel 245
Vervallen
##### Artikel 246
Vervallen
##### Artikel 247
Vervallen
##### Artikel 248
Vervallen
##### Artikel 249
Vervallen
##### Artikel 250
Vervallen
##### Artikel 251
Vervallen
##### Artikel 252
Vervallen
## Titel V. AANVULLENDE BEPALINGEN INZAKE HET TOEZICHT OP HET PROVINCIAAL BESTUUR
### Hoofdstuk XVII. Goedkeuring
##### Artikel 253
1. Beslissingen van provinciale besturen kunnen slechts aan goedkeuring worden onderworpen in bij de wet bepaalde gevallen.
2. Ten aanzien van de goedkeuring van andere beslissingen dan besluiten is [afdeling 10.2.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.2.1) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 254
Vervallen
##### Artikel 255
Vervallen
##### Artikel 255a
Vervallen
##### Artikel 255b
Vervallen
##### Artikel 255c
Vervallen
##### Artikel 256
Vervallen
##### Artikel 257
Vervallen
##### Artikel 258
Vervallen
##### Artikel 259
1. Een beslissing die aan goedkeuring bij koninklijk besluit is onderworpen, wordt toegezonden aan Onze Minister wie het aangaat.
2. Een voordracht tot onthouding van goedkeuring wordt gedaan door of mede door Onze Minister.
3. Artikel 18**a** van de Wet op de Raad van State is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 260
Vervallen
### Hoofdstuk XVIII. Schorsing en vernietiging
##### Artikel 261
1. Een besluit dan wel een niet-schriftelijke beslissing gericht op enig rechtsgevolg van het provinciaal bestuur kan bij koninklijk besluit worden vernietigd.
2. Ten aanzien van de vernietiging van een niet-schriftelijke beslissing zijn de [afdelingen 10.2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.2.2) en [10.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht](onbekend) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 262
Vervallen
##### Artikel 263
Vervallen
##### Artikel 264
Vervallen
##### Artikel 265
Vervallen
##### Artikel 266
1. Indien een besluit naar het oordeel van de commissaris van de Koning voor vernietiging in aanmerking komt, doet hij daarvan binnen twee dagen nadat het te zijner kennis is gekomen, mededeling aan Onze Minister wie het aangaat. Hij geeft hiervan tegelijkertijd kennis aan het orgaan dat het besluit nam, en zo nodig aan het orgaan dat met de uitvoering van het besluit is belast.
2. Het besluit ten aanzien waarvan het eerste lid toepassing heeft gevonden, wordt niet of niet verder uitgevoerd, voordat van Onze Minister wie het aangaat de mededeling is ontvangen dat voor schorsing of vernietiging geen redenen bestaan. Indien het besluit niet binnen vier weken na de dagtekening van de mededeling van de commissaris is geschorst of vernietigd, wordt het uitgevoerd.
##### Artikel 267
1. Een voordracht tot schorsing wordt gedaan door Onze Minister wie het aangaat.
2. Over de voordracht pleegt Onze Minister wie het aangaat overleg met Onze Minister, tenzij schorsing onverwijld plaats dient te vinden. In de voordracht wordt het achterwege blijven van overleg gemotiveerd.
##### Artikel 268
Vervallen
##### Artikel 269
Vervallen
##### Artikel 270
Indien een bekend gemaakt besluit niet is vernietigd binnen de tijd waarvoor het is geschorst, wordt hiervan door het provinciaal bestuur openbaar kennis gegeven.
##### Artikel 271
1. De voordracht tot vernietiging wordt gedaan door of mede door Onze Minister.
2. Artikel 15, derde lid, van de Wet op de Raad van State is niet van toepassing.
##### Artikel 272
Het koninklijk besluit tot schorsing, opheffing of verlenging van de schorsing of tot vernietiging wordt in het **Staatsblad** geplaatst.
##### Artikel 273
Vervallen
##### Artikel 274
Het provinciaal bestuur neemt opnieuw een besluit omtrent het onderwerp van het vernietigde besluit, waarbij met het koninklijk besluit wordt rekening gehouden.
##### Artikel 274a
1. In afwijking van [artikel 8:4, onderdeel **a**, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:4) kan een belanghebbende tegen een koninklijk besluit als bedoeld in artikel 261, eerste lid, dan wel tegen een vernietigingsbesluit als bedoeld in de artikelen 81, tweede lid, en 82, tweede lid, beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
2. In afwijking van [artikel 6:2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:2) kan geen beroep worden ingesteld tegen de weigering om de vernietiging van een besluit te bevorderen en tegen het niet tijdig nemen van een besluit tot vernietiging.
## Titel VI
##### Artikel 275
Vervallen
##### Artikel 276
Vervallen
##### Artikel 277
Vervallen
##### Artikel 278
Vervallen
##### Artikel 279
Vervallen
## Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen
##### Artikel 280
De Provinciewet (**Stb.** 1962, 17) wordt ingetrokken.
##### Artikel 281
1. De intrekking van de Provinciewet heeft geen gevolgen voor de geldigheid van de op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet geldende besluiten.
2. Besluiten als bedoeld in het eerste lid die algemeen verbindende voorschriften bevatten waarvan de inhoud in strijd is met deze wet, worden binnen twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet daarmee in overeenstemming gebracht of ingetrokken. De besluiten of onderdelen daarvan die bij het verstrijken van de in de vorige volzin genoemde termijn niet met deze wet in overeenstemming zijn gebracht of zijn ingetrokken, zijn van rechtswege vervallen.
##### Artikel 282
Ten aanzien van de bij de inwerkingtreding van deze wet zitting hebbende leden van provinciale staten en gedeputeerden zijn tot hun aftreden de artikelen 15, eerste lid, en 44 slechts van toepassing voor zover de Provinciewet ter zake eveneens een verbod inhield.
##### Artikel 283
Ten aanzien van het aantal gedeputeerden blijft tot het eerste periodieke aftreden van de gedeputeerden na de inwerkingtreding van deze wet artikel 29 van de Provinciewet van toepassing.
##### Artikel 284
Artikel 43, vijfde lid, en artikel 65, vijfde lid, treden in werking op de dag van het eerste periodieke aftreden van de leden van gedeputeerde staten na de inwerkingtreding van deze wet.
##### Artikel 285
Het bepaalde in artikel 61, eerste lid, eerste volzin, is niet van toepassing op degenen die bij de inwerkingtreding van deze wet het ambt van commissaris van de Koning vervullen.
##### Artikel 286
Verzoeken om toestemming als bedoeld in artikel 56 van de Provinciewet die bij de Kroon zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze wet en waarop door de Kroon voor de dag van de inwerkingtreding nog niet is beschikt, worden overgedragen aan Onze Minister.
##### Artikel 287
Artikel 149 is niet van toepassing op beroepen en bezwaarschriften die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze wet.
##### Artikel 288
De in artikel 147 bedoelde verordening wordt vastgesteld binnen een jaar na de dag van inwerkingtreding van deze wet.
##### Artikel 289
Artikel 95 van de Provinciewet blijft van kracht ten aanzien van wetten die tot stand zijn gekomen voor de dag van inwerkingtreding van deze wet.
##### Artikel 290
De artikelen 98 en 100 van de Provinciewet blijven van toepassing tot het tijdstip waarop in het onderwerp van die artikelen wordt voorzien door het in werking treden van een wettelijke regeling met betrekking tot waterschappen.
##### Artikel 291
1. Ten aanzien van verplichtingen als bedoeld in artikel 108, tweede lid, die gelden op de dag voor die van de inwerkingtreding van deze wet, vangt de termijn, bedoeld in artikel 108, derde lid, aan op de dag na die van de inwerkingtreding.
2. Artikel 108, derde en vijfde lid, is niet van toepassing op verplichtingen als bedoeld in artikel 108, tweede lid, die zijn genoemd in de bijlage, behorende bij deze wet.
3. Ten aanzien van voorschriften als bedoeld in artikel 108, vierde lid, die gelden op de dag voor die van de inwerkingtreding van deze wet, vangt de termijn genoemd in dat lid, aan op de dag na die van de inwerkingtreding.
##### Artikel 292
Voor bij koninklijk besluit aan te wijzen begrotingsjaren blijven de artikelen 127, 128, 130, 132 en 134, derde lid van de Provinciewet van toepassing. In het koninklijk besluit kunnen regels worden gesteld omtrent de toepassing van de in de eerste volzin genoemde artikelen.
##### Artikel 293
De artikelen 256 tot en met 259 zijn niet van toepassing op aan voorafgaand toezicht onderworpen besluiten die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze wet. Ten aanzien van die besluiten blijven de op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet geldende wettelijke bepalingen van kracht.
##### Artikel 294
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
##### Artikel 295
Indien het bij koninklijke boodschap van 10 maart 1990 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de binnentredingsbepalingen (kamerstukken 22 539) niet in werking is getreden op het moment dat deze wet in werking treedt, blijven de artikelen 117 en 118 van de Provinciewet van kracht totdat dat voorstel in werking treedt.
##### Artikel 296
1. Deze wet treedt in werking op een bij of krachtens de wet te bepalen tijdstip.
2. Voor de bekendmaking van deze wet stelt Onze Minister de nummering van de artikelen, paragrafen, hoofdstukken en titels van deze wet opnieuw vast en brengt de in deze wet voorkomende aanhalingen van die artikelen, paragrafen, hoofdstukken en titels met de nieuwe nummering in overeenstemming.
##### Artikel 297
Deze wet kan worden aangehaald als: Provinciewet.
##### Artikel 298
Vervallen
##### Artikel 299
Vervallen
##### Artikel 300
Vervallen
##### Artikel 300a
Vervallen
##### Artikel 301
Vervallen
##### Artikel 302
Vervallen
## Bijlage. bedoeld in artikel 291, tweede lid van de Provinciewet
### Ministerie van Verkeer en Waterstaat
2003-01-01
Provinciewet — art. 5
2002-01-16
Provinciewet — arts. 19, 142, 147 y 6 más
2002-01-16
Provinciewet
original version Tekst op deze datum