← Geldende tekst · Geschiedenis

Regeling nazorgfase gesloten stortplaatsen

Geldende tekst a fecha 2016-07-01

Gelet op de artikelen 1, vierde lid, 4, vijfde lid, 9, tweede lid en 10, tweede lid, van het Stortbesluit bodembescherming,

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2

Indien het bevoegd gezag een vergunning verleent voor een stortplaats, is het verplicht in het belang van de bescherming van de bodem aan de vergunning in ieder geval de voorschriften te verbinden, waarvan de inhoud is aangegeven in de artikelen 3 tot en met 14b, voor zover in die artikelen niet anders is aangegeven.

Hoofdstuk 2. Voorschriften voor het bepalen van de gemiddeld hoogste en gemiddeld laagste grondwaterstand

Artikel 3
1.

Ten minste twee maal per maand, en wel op of rondom de 14e en de 28e van de maand wordt in de grondwaterbemonsteringsbuizen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het Stortbesluit, de grondwaterstand van de bodem ter plaatse waar is of wordt gestort, gemeten overeenkomstig NEN 5120: 1991 NL en NEN 5120/A1: 1997 NL.

2.

De gemiddeld hoogste en gemiddeld laagste grondwaterstand worden vastgesteld door een ter zake kundige. Teneinde vast te stellen of de gegevens die uit de metingen zijn verkregen representatief zijn voor de bodem ter plaatse waar is of wordt gestort worden de resultaten van de metingen, bedoeld in het eerste lid, vergeleken met alle beschikbare gegevens van de grondwaterstanden verkregen uit peilbuizen in hetzelfde geohydrologische systeem, die zijn opgenomen in het Archief van grondwaterstanden van TNO, voor zover laatstbedoelde gegevens betrekking hebben op dezelfde periode en op de daaraan voorafgaande aaneengesloten periode van minimaal vijf jaren. Bij de vaststelling van de gemiddeld hoogste en gemiddeld laagste grondwaterstand wordt tevens gebruik gemaakt van profielbeschrijvingen van de bodem ter plaatse van de aanleg van de stortplaats.

3.

Ter plaatse waar is of wordt gestort, wordt door een ter zake kundige een onderzoek uitgevoerd naar de geohydrologische situatie en de invloed van de stortplaats daarop. Met de gegevens uit dit onderzoek wordt rekening gehouden bij de bepaling van de te verwachten gemiddeld hoogste en gemiddeld laagste grondwaterstand onder invloed van de stortplaats.

4.

Ter plaatse waar is of wordt gestort, wordt door een ter zake kundige een onderzoek uitgevoerd naar de zettingsgevoeligheid van de bodem. De resultaten van dit onderzoek worden betrokken bij de bepaling van de ligging van de stortzool ten opzichte van de te verwachten gemiddeld hoogste grondwaterstand.

5.

Indien de verwachting bestaat dat de werkelijke gemiddeld hoogste of gemiddeld laagste grondwaterstand onder invloed van een kunstmatige grondwaterstandverandering significant zal afwijken van de ingevolge het eerste en tweede lid vastgestelde grondwaterstand, kan een andere gemiddeld hoogste en gemiddeld laagste grondwaterstand worden vastgesteld.

6.

De resultaten van het in het derde lid bedoelde onderzoek en de in het eerste lid bedoelde metingen worden, voordat de stortplaats wordt ingericht en vervolgens telkens na verloop van één jaar naar het bevoegd gezag gezonden. Bij stortplaatsen die reeds zijn ingericht voor de inwerkingtreding van het Stortbesluit, worden de resultaten voor de eerste maal binnen één jaar na die inwerkingtreding naar het bevoegd gezag gezonden en vervolgens telkens na verloop van één jaar.

Hoofdstuk 3. Voorschriften voor de onderafdichting van stortplaatsen en de geohydrologische maatregelen

Artikel 4
1.

Bij het verbinden van voorschriften aan de vergunning die betrekking hebben op de onderafdichting, wordt een beschermingsniveau geboden dat ten minste gelijkwaardig is aan de bescherming van de bodem die is beoogd met het gestelde in de Richtlijn onderafdichtingen.

2.

Indien de afstand tussen de onderkant van het afval en de te verwachten gemiddeld hoogste grondwaterstand 0,5 meter bedraagt, dient boven de afdichting en direct onder het afval, een tussenlaag van grind met een dikte van minstens 0,2 meter aanwezig te zijn als capillair onderbrekende laag. Tussen de grindlaag en het afval dient een steunmat te zijn aangebracht.

3.

De toepassing van stoffen die de bodem kunnen verontreinigen in mineraal afdichtingsmateriaal dat voor de onderafdichting wordt gebruikt, is niet toegestaan.

4.

Bij het verbinden van voorschriften aan de vergunning die betrekking hebben op de onderafdichting worden, indien vanwege de stortplaatsspecifieke geohydrologische situatie, geen sprake is van een voldoende geohydrologische barrière, civieltechnische of geohydrologische maatregelen getroffen die ten minste voldoen aan de Richtlijn geohydrologische isolatie en de Ontwerpprocedure grondwatermonitoring.

Hoofdstuk 4. Voorschriften voor de bovenafdichting en de gasuitstoot

Artikel 5
1.

Bij het verbinden van voorschriften aan de vergunning die betrekking hebben op de bovenafdichting, wordt een beschermingsniveau geboden dat ten minste gelijkwaardig is aan de bescherming van de bodem die is beoogd met het gestelde in de Richtlijn dichte eindafwerking.

2.

Indien bij de bovenafdichting gebruik wordt gemaakt van milieuverontreinigende stoffen, wordt er voor gezorgd dat door de afdichtingsconstructie geen verontreiniging van bodem en oppervlaktewater kan optreden.

Artikel 5a
1.

De metingen van de samenstelling en atmosferische druk van de gasuitstoot, bedoeld in artikel 6a van het Stortbesluit:

2.

Het bevoegd gezag kan bepalen dat metingen van de samenstelling en de atmosferische druk minder frequent mogen worden uitgevoerd als de evaluatie van de gegevens aangeeft dat langere tussenpozen even effectief zijn.

3.

In plaats van de maandelijkse metingen van de atmosferische druk kan worden volstaan met metingen van één maal per jaar voorzover het vrijkomende gas wordt benut of afgefakkeld.

4.

In plaats van de maandelijkse metingen van de samenstelling van de gasuitstoot kan worden volstaan met:

5.

De metingen van de samenstelling van de gasuitstoot in de gevallen bedoeld in het vierde lid, onder a en b, worden verricht in de verzamelleiding van het stortgasonttrekkingssysteem.

Hoofdstuk 5. Inspectie van de bodembeschermende voorzieningen en onderzoek met betrekking tot de hoedanigheden van de bodem

5.1. Inspectie bodembeschermende voorzieningen als bedoeld in artikel 9 van het Stortbesluit

Artikel 6
1.

Indien redelijkerwijs te verwachten is dat stortgas uit de stortplaats vrijkomt, vindt controle plaats op de dichtheid van de bovenafdichting door middel van een onderzoek naar het uittreden van stortgas door de bovenafdichting. Dit onderzoek vindt elke zes maanden plaats, overeenkomstig de methode aangegeven in hoofdstuk 13 van de Richtlijn dichte eindafwerking.

2.

Controle op de dichtheid van de bovenafdichting door het inspecteren van de taluds op uittredend percolatiewater vindt elke zes maanden plaats door middel van de in het derde lid vermelde methode.

3.

Teneinde te onderzoeken of er sprake is van lekkage van percolatiewater ter plaatse van de teenconstructie, zijnde de verbindingsconstructie tussen de onder- en de bovenafdichting en het nabij gelegen deel van het talud, wordt de electrische geleidbaarheid van het water uit het drainagesysteem boven de bovenafdichting gemeten. Dit geschiedt overeenkomstig de methode, aangegeven in hoofdstuk 13 van de Richtlijn dichte eindafwerking.

Artikel 7

Controle van de bovenafdichting op zakking vindt jaarlijks plaats, door hoogtemeting van het eindafwerkingsoppervlak overeenkomstig de methode, aangegeven in hoofdstuk 1.3 van de Richtlijn dichte eindafwerking.

Artikel 8
1.

Controle van de drainagesystemen van de onder- en bovenafdichting en het controledrainagesysteem onder de onderafdichting in het grondwater, vindt elke zes maanden plaats.

2.

Na het aanbrengen van drainagebuizen wordt direct vastgesteld of deze open zijn. Teneinde de goede werking van het drainagesysteem en het controledrainagesysteem te waarborgen, worden de buizen regelmatig en ten minste één keer per jaar doorgespoten, waarbij de doorspuitfrequentie proefondervindelijk door de vergunninghouder wordt bepaald.

3.

Het controleren van het functioneren van het drainagesysteem voor percolatiewater van de onderafdichting en van het controledrainagesysteem in het grondwater ten aanzien van de vloeistofstroming in drains en leidingen vindt plaats in de daartoe aangebrachte schachten c.q. inspectieputten of verzamelleidingen, overeenkomstig de methode aangegeven in de Richtlijn drainage- en controlesystemen.

5.2. Inspectie bodembeschermende voorzieningen als bedoeld in artikel 10 van het Stortbesluit

Artikel 9
1.

De in artikel 10 van het Stortbesluit bedoelde keuringen van de bodembeschermende voorzieningen en onderzoeken naar de technische staat geschieden overeenkomstig:

2.

Het percolaat wordt geanalyseerd op de door het bevoegd gezag voorgeschreven stoffen in verband met eventuele aantasting van de afdichting, de processen in de stortplaats en afvoer van het percolaat.

3.

De technische staat van de voorzieningen wordt in een rapport aangegeven, waarbij tevens een schatting van de resterende levensduur van de voorzieningen is opgenomen.

5.3. Onderzoek naar de hoedanigheden van de bodem

Artikel 10
1.

Het in artikel 9 van het Stortbesluit bedoelde onderzoek bestaat uit een bemonstering van het percolaat, van het water in de verschillende bemonsteringsbuizen en verzamelleidingen of inspectieputten van het drainagesysteem onder de onderafdichting van de stortplaats en van het grondwater in de grondwaterbemonsteringsbuizen die zijn voorgeschreven op grond van artikel 8 van het Stortbesluit.

2.

De bemonsteringsfrequentie wordt bepaald door de stroomsnelheid van het grondwater onder de stortplaats: een maal per jaar voor een stroomsnelheid tussen 0 en 5 m/jaar, twee maal bij 5 tot 30 m/jaar en drie maal bij meer dan 30 m/jaar. De stroomsnelheid van het grondwater wordt door een ter zake kundige vastgesteld.

3.

De verkregen monsters worden geanalyseerd op:

4.

Eénmaal per jaar wordt een gaschromatografisch-massaspectrometrisch onderzoek op organische verbindingen uitgevoerd. Op dat moment hoeft geen analyse op VOX plaats te vinden.

5.

Het bevoegd gezag kan afhankelijk van de samenstelling van het gestorte afval naast de in het derde lid genoemde parameters ook nog andere parameters aanwijzen.

6.

De hoeveelheid percolaat wordt maandelijks vastgesteld.

7.

In afwijking van het zesde lid kan het bevoegd gezag bepalen dat de controlefrequentie van de hoeveelheid van het percolaat wordt aangepast als:

8.

De monsters van het percolaat worden op representatieve plaatsen genomen en zijn representatief voor de gemiddelde samenstelling van het percolaat. Het bemonsteren en meten van de hoeveelheid en samenstelling van het percolaat vindt plaats afzonderlijk op elk punt waar percolaat uit de stortplaats vrijkomt.

Artikel 10a

Voor de controle van de samenstelling van het oppervlaktewater wordt een monster genomen dat representatief is voor de gemiddelde samenstelling van het oppervlaktewater.

Artikel 11
1.

Het in artikel 10 van het Stortbesluit bedoelde onderzoek bestaat uit een bemonstering van het percolaat, van het water in de verschillende bemonsteringsbuizen en verzamelleidingen van het drainagesysteem onder de onderafdichting van de stortplaats, en van het grondwater in de grondwaterbemonsteringsbuizen die zijn voorgeschreven op grond van artikel 8 van het Stortbesluit.

2.

De verkregen monsters worden geanalyseerd op:

3.

Analyse van de verkregen monsters op aromaten wordt uitgevoerd, indien het in artikel 10, vierde lid, bedoelde onderzoek de aanwezigheid daarvan signaleert.

4.

Het bevoegd gezag kan naast de in het tweede en derde lid genoemde parameters ook nog andere parameters aanwijzen die moeten worden geanalyseerd.

Artikel 12

In afwijking van de artikelen 10 en 11 kan het bevoegd gezag bepalen, dat analyse van een of meer van de in artikel 10 of 11 genoemde elementen en verbindingen achterwege kan blijven, indien op grond van de samenstelling van de te storten stoffen buiten twijfel staat dat deze stoffen niet voorkomen in het percolaat van de stortplaats. Indien analyse van een of meer in deze artikelen niet genoemde elementen gewenst is, schrijft het bevoegd gezag bedoelde analyses voor.

Artikel 13
1.

De werkwijze bij monsterneming, monstervoorbehandeling en analyse van de monsters van het grondwater, het percolaat en het oppervlaktewater is in overeenstemming met de normen opgenomen in bijlage 1.

2.

De analyse vindt plaats door een laboratorium dat een kwaliteitsborgingssysteem hanteert, gebaseerd op de Europese Norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.

Artikel 14

Bij het op schrift stellen van de op grond van de artikelen 10 en 11 verkregen onderzoeksresultaten, wordt een vergelijking gemaakt tussen deze onderzoeksresultaten en de onderzoeksresultaten verkregen bij het onderzoek ten behoeve van de vergunningaanvraag. De resultaten van het onderzoek naar de kwaliteit van het water uit de grondwaterbemonsteringsdrainagebuizen en het water uit de stroomafwaarts van de stortplaats gelegen grondwaterbemonsteringspeilbuizen, worden vergeleken met de resultaten van het onderzoek naar de kwaliteit van het water uit de stroomopwaarts gelegen grondwaterbemonsteringspeilbuizen. De onderzoeksresultaten worden vergeleken met alle voorafgaande onderzoeksresultaten.

5.4. Interventiepunten

Artikel 14a
1.

Op basis van een schriftelijk advies van een ter zake kundige worden aan de vergunning voorschriften verbonden met betrekking tot het vaststellen van referentiemeetpunten en controlemeetpunten.

2.

Voor de parameters, bedoeld in de artikelen 10, derde en vijfde lid, en 11, tweede tot en met vierde lid, worden aan de hand van het bepaalde in het derde en vierde lid toetsingswaarden ter bepaling van de verslechtering van de grondwaterkwaliteit vastgesteld.

3.

De toetsingswaarde voor een stof wordt berekend door de signaalwaarde van de desbetreffende stof, gemeten op het referentiemeetpunt, te vermeerderen met 0,3 maal de streefwaarde van die stof bedoeld in de Circulaire bodemsanering 2009.

4.

De signaalwaarde van de desbetreffende stof is:

5.

Bij het overschrijden van de toetsingswaarde voor een van de stoffen wordt zo spoedig mogelijk door een ter zake kundige nogmaals een bemonstering en analyse van de stoffen uitgevoerd en wordt onderzocht of de overschrijding daadwerkelijk wordt veroorzaakt door de stortplaats.

6.

Het in artikel 9, tweede lid, onder b, van het Stortbesluit bedoelde interventiepunt wordt bereikt als, met inachtneming van het vijfde lid, gebleken is dat voor een van de desbetreffende stoffen de toetsingswaarde is overschreden.

Artikel 14b

Het in artikel 9 van het Stortbesluit bedoelde urgentieplan op hoofdlijnen bevat ten minste:

Hoofdstuk 6. Nazorgfase met betrekking tot gesloten stortplaatsen

Artikel 15
1.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

gesloten stortplaats: stortplaats die ingevolge artikel 8.47, derde lid, van de wet voor gesloten is verklaard;

gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van de provincie waarin de gesloten stortplaats geheel of gedeeltelijk is gelegen.

2.

De Richtlijn dichte eindafwerking, de Richtlijn geohydrologische isolatie en de Ontwerpprocedure grondwatermonitoring zijn van overeenkomstige toepassing op gesloten stortplaatsen.

Artikel 16

Gedeputeerde staten zenden jaarlijks voor 1 maart aan Onze Minister de op grond van de artikelen 17 tot en met 21 verkregen gegevens ten aanzien van de gesloten stortplaats.

Artikel 17
1.

De hoeveelheid en de samenstelling van het percolaat wordt in de nazorgfase halfjaarlijks gecontroleerd.

2.

In afwijking van het eerste lid kunnen gedeputeerde staten de metingen van de hoeveelheid en samenstelling van het percolaat minder frequent uitvoeren indien de evaluatie van de gegevens aangeeft dat langere tussenpozen even effectief zijn.

Artikel 18
1.

De hoeveelheid en samenstelling van het in de omgeving aanwezige oppervlaktewater wordt in de nazorgfase halfjaarlijks vastgesteld; bemonstering geschiedt op ten minste twee door het bevoegd gezag aan te geven punten, één stroomopwaarts en één stroomafwaarts van de stortplaats.

2.

In afwijking van het eerste lid kunnen gedeputeerde staten de metingen van de hoeveelheid en de samenstelling van het oppervlaktewater minder frequent uitvoeren, indien:

3.

Artikel 10a is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 19
1.

De samenstelling en atmosferische druk van de gasuitstoot wordt halfjaarlijks gemeten.

2.

De gascontrole is representatief voor elk gedeelte van de stortplaats.

3.

De metingen hebben betrekking op gassen die vrijkomen bij de biologische afbraak van het organisch materiaal in de afvalstoffen, met name CH4, CO2 en O2.

4.

De doelmatigheid van het gasopvangsysteem wordt regelmatig gecontroleerd.

5.

In afwijking van het eerste lid, kunnen gedeputeerde staten bepalen dat metingen van de samenstelling en atmosferische druk minder frequent mogen worden uitgevoerd als de evaluatie van de gegevens aangeeft dat langere tussenpozen even effectief zijn.

Artikel 20
1.

De gemiddeld hoogste en gemiddeld laagste grondwaterstand worden halfjaarlijks vastgesteld.

2.

In afwijking van het eerste lid wordt in geval van veranderende grondwaterniveaus de frequentie verhoogd.

Artikel 21

De artikelen 14a en 14b zijn van overeenkomstige toepassing op gesloten stortplaatsen.

Hoofdstuk 7. Overige bepalingen

Artikel 22

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag waarop het Stortbesluit in werking treedt.

Artikel 23

Deze regeling kan worden aangehaald als: Uitvoeringsregeling Stortbesluit bodembescherming.

Bijlage. behorende bij artikel 13, eerste lid

Hoofdstuk 1. Normen monsterneming grond

Grond

Doel:

Toelichting:

Consequenties voor onderzoek, conservering en analyse:

Onderzoeksprotocollen grond in relatie tot monitoring (normnummer - titel)

Hoofdstuk 2. Normen monsterneming, monstervoorbehandeling en analyse water Uitvoeringsregeling Stortbesluit Bodembescherming

Percolaat

Doel:

Gevolg:

Consequenties voor onderzoek, conservering en analyse:

Onderzoeksprotocollen percolaat (normnummer - titel)
Protocollen voor monstervoorbehandeling percolaat (normnummer - titel)
Analyseprotocollen percolaat (normnummer / titel)
Grondwater

Doel:

Gevolg:

Consequenties voor onderzoek, conservering en analyse:

Onderzoeksprotocollen grondwater (normnummer - titel)

STRATEGIE

UITVOERING

Analyseprotocollen grondwater (normnummer - titel)
Oppervlaktewater

Doel:

Gevolg: lage gehalten aan verontreinigingen.

Consequenties voor onderzoek, conservering en analyse: metingen zijn voornamelijk gericht op kwaliteitsparameters (zouten, macroparameters en zuurstofgehalte), minder op verontreinigingsparameter.

Onderzoeksprotocollen:

Onderzoeksprotocollen oppervlaktewater (normnummer - titel)

STRATEGIE

UITVOERING

Analyseprotocollen oppervlaktewater (normnummer - titel)
Artikel 1a

Met de in deze regeling genoemde richtlijnen en normen worden gelijkgesteld richtlijnen en normen die zijn vastgesteld in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, en een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

Hoofdstuk 2. Voorschriften voor het bepalen van de gemiddeld hoogste en gemiddeld laagste grondwaterstand

Hoofdstuk 3. Voorschriften voor de onderafdichting van stortplaatsen en de geohydrologische maatregelen

Hoofdstuk 4. Voorschriften voor de bovenafdichting en de gasuitstoot

Hoofdstuk 5. Inspectie van de bodembeschermende voorzieningen en onderzoek met betrekking tot de hoedanigheden van de bodem

5.1. Inspectie bodembeschermende voorzieningen als bedoeld in artikel 9 van het Stortbesluit

5.2. Inspectie bodembeschermende voorzieningen als bedoeld in artikel 10 van het Stortbesluit

5.3. Onderzoek naar de hoedanigheden van de bodem

5.4. Interventiepunten

Hoofdstuk 5a. Experiment duurzaam stortbeheer

Hoofdstuk 7. Overige bepalingen

Bijlage. behorende bij artikel 13, eerste lid

Hoofdstuk 1. Normen monsterneming grond

Hoofdstuk 2. Normen monsterneming, monstervoorbehandeling en analyse water Uitvoeringsregeling Stortbesluit Bodembescherming

Artikel 14c

De grenzen van de cellen van de pilotstortplaatsen waarbinnen het experiment plaatsvindt, zijn weergegeven in bijlage 2.

Artikel 14d
1.

De stortplaatsen waarop aan de bovenkant van de gestorte afvalstoffen geen bovenafdichting hoeft te worden aangebracht die tegengaat dat water in de gestorte afvalstoffen infiltreert, zijn, voor zover het de gedeelten betreft die zijn weergegeven in bijlage 3:

2.

Op de in het eerste lid bedoelde stortplaatsen of gedeelten daarvan wordt de bovenafdichting uiterlijk aangebracht 13 jaar na de dag waarop hoofdstuk IIIA van het Stortbesluit in werking treedt, als deze termijn langer is dan de termijn bedoeld in artikel 4, vierde lid, van dat besluit.

Artikel 14e
1.

De toetswaarden voor de pilotstortplaatsen zijn opgenomen in bijlage 4.

2.

Of een pilotstortplaats aan de toetswaarden voldoet, wordt bepaald overeenkomstig de Handreiking Gebruik Emissie Toetswaarden.

Artikel 14f
1.

Degene die een pilotstortplaats drijft, draagt zorg voor de monitoring van de concentraties van verontreinigende stoffen waarvoor toetswaarden zijn vastgesteld, die na afloop van het experiment in het percolaat aanwezig kunnen zijn.

2.

De monitoring vindt plaats overeenkomstig de Handreiking Gebruik Emissie Toetswaarden.

3.

De resultaten van de monitoring worden gerapporteerd aan het bevoegd gezag ten behoeve van de evaluaties, bedoeld in artikel 17e, vierde en zevende lid, van het Stortbesluit.

Hoofdstuk 6. Nazorgfase met betrekking tot gesloten stortplaatsen

Hoofdstuk 7. Overige bepalingen

Bijlage 1. behorende bij artikel 13, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Stortbesluit bodembescherming

Hoofdstuk 1. Normen monsterneming grond

Hoofdstuk 2. Normen monsterneming, monstervoorbehandeling en analyse water Uitvoeringsregeling Stortbesluit Bodembescherming

Bijlage 2. behorende bij artikel 14c van de Uitvoeringsregeling Stortbesluit bodembescherming

Bijlage 3. behorende bij artikel 14d van de Uitvoeringsregeling Stortbesluit Bodembescherming

Bijlage 4. behorende bij artikel 14e, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Stortbesluit Bodembescherming

Groep Stoffen Eenheid Braambergen Kragge II Wieringermeer
Anorganische stoffen Arseen μg/l 190 100 190
Anorganische stoffen Cadmium μg/l 6,4 1,1 1,3
Anorganische stoffen Chroom μg/l 210 140 37
Anorganische stoffen Koper μg/l 50 64 19
Anorganische stoffen Kwik μg/l 5,8 4,1 1
Anorganische stoffen Lood μg/l 130 130 130
Anorganische stoffen Nikkel μg/l 21 47 21
Anorganische stoffen Zink μg/l 160 120 39
Anorganische stoffen Cyanides vrij μg/l 61 6,8 35
Macroparameters Chloride mg/l 450 160 2.400
Macroparameters Ammonium mg/l 50 50 50
Macroparameters Sulfaat mg/l 700 200 1.400
Organische stoffen Som minerale olie alifatisch en minerale olie aromatisch Som minerale olie alifatisch en minerale olie aromatisch Som minerale olie alifatisch en minerale olie aromatisch Som minerale olie alifatisch en minerale olie aromatisch Som minerale olie alifatisch en minerale olie aromatisch
Organische stoffen E C0- E C 40 μg/l 470 270 100
Organische stoffen VOX VOX VOX VOX VOX
Organische stoffen Vinylchloride μg/l 0,2 0,2 0,2
Organische stoffen Dichloormethaan μg/l 0,2 0,2 0,2
Organische stoffen 1,1 Dichloorethaan μg/l 4,7 1,4 1
Organische stoffen 1,2 Dichloorethaan μg/l 14 4,1 3
Organische stoffen 1,1 Dichlooretheen μg/l 0,1 0,1 0,1
Organische stoffen 1.2 Dichlooretheen (cis,trans) μg/l 0,1 0,1 0,1
Organische stoffen Dichloorpropaan 1,2 μg/l 3,8 1,1 0,8
Organische stoffen Dichloorpropaan 1,3 μg/l 3,8 1,1 0,8
Organische stoffen Trichloormethaan (chloroform) μg/l 4,7 1,4 1
Organische stoffen 1,1,1 trichloorethaan μg/l 0,1 0,1 0,1
Organische stoffen 1,1,2 Trichloorethaan μg/l 0,1 0,1 0,1
Organische stoffen Trichlooretheen (tn) μg/l 47 14 10
Organische stoffen Tetrachloormethaan (tetra) μg/l 0,1 0,1 0,1
Organische stoffen Tetrachlooretheen (per) μg/l 0,1 0,1 0,1
Organische stoffen PAK PAK PAK PAK PAK
Organische stoffen Naftaleen μg/l 0,05 0,05 0,05
Organische stoffen Fenanthreen μg/l 0,028 0,016 0,01
Organische stoffen Antraceen μg/l 0,01 0,01 0,01
Organische stoffen Fluorantheen μg/l 0,056 0,01 0,01
Organische stoffen Chryseen μg/l 0,056 0,01 0,01
Organische stoffen Benzo(a)antraceen μg/l 0,01 0,01 0,01
Organische stoffen Benzo(a)pyreen μg/l 0,01 0,01 0,01
Organische stoffen Benzo(k)-fluorantheen μg/l 0,01 0,01 0,01
Organische stoffen Indeno(1,2,3 cd)-pyreen μg/l 0,01 0,01 0,01
Organische stoffen Benzo(ghi)peryleen μg/l 0,01 0,01 0,01
Organische stoffen Som PAK-10 μg/l 1,9 1,1 0,5
Organische stoffen BTEX BTEX BTEX BTEX BTEX
Benzeen μg/l 0,94 0,27 0,2
Xyleen μg/l 0,94 0,27 0,2
Tolueen μg/l 4,7 1,4 1
Ethylbenzeen μg/l 4,7 1,4 1
Organische stoffen Overig Overig Overig Overig Overig
Fenolen μg/l 0,94 0,27 0,2