Besluit van 16 maart 1994, houdende vaststelling van regels ten aanzien van de bezoldiging van de politie

Type AMvB
Publication 2026-04-18
Laatst bijgewerkt 2026-04-21
State In force
Source BWB
artikelen 125
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
11.

Voor de toepassing van dit artikel worden gedeelten van uren, voor zover daarmee het half uur, bedoeld in het zesde lid, wordt overschreden, berekend over een periode van vier weken, opgeteld en naar boven afgerond op halve uren.

12.

Voor de bepaling van de duur van de overschrijding van de per dienstdag vastgestelde totale arbeidstijd gelden uren waarop krachtens het Besluit algemene rechtspositie politie vakantie of verlof is genoten dan wel wegens ziekte of schorsing geen dienst is verricht, als uren waarop feitelijk dienst is verricht.

13.

Voor de toepassing van dit artikel berust het oordeel omtrent het dienstbelang bij het bevoegd gezag dan wel bij de door deze aangewezen ambtenaar.

14.

Dit artikel is niet van toepassing op de ambtenaar met een functie waarvoor salarisschaal 15 of hoger geldt.

15.

Het derde lid is niet van toepassing op de ambtenaar:

Artikel 27a

1.

Indien de ambtenaar dienst verricht op aan hem volgens het dagrooster verleende vakantie-uren of levensfase-uren, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie, wordt hem een vergoeding toegekend.

2.

De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, is gelijk aan de toeslag als bedoeld in artikel 27, achtste lid. De vergoeding voor delen van een uur wordt vastgesteld op een evenredig deel van de toeslag.

3.

De vergoeding die is uitgekeerd in geld, is niet pensioengevend.

Artikel 27b

1.

Aan de ambtenaar die is ingedeeld in salarisschaal 14 of lager, wordt een vergoeding toegekend als er sprake is van een verschuiving in de vastgestelde roosters, bedoeld in artikel 12, achtste, negende of elfde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie, indien de verschuiving plaatsvindt in het dienstbelang. Voor de toepassing van dit lid berust het oordeel omtrent het dienstbelang bij het bevoegd gezag dan wel de door het bevoegd gezag aangewezen ambtenaar.

2.

De vergoeding wordt berekend per gewerkt verschoven uur en is gelijk aan de toeslag in geld bij overwerk, bedoeld in artikel 27, achtste lid.

3.

De vergoeding voor een verschuiving in het dagrooster, bedoeld in artikel 12, elfde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie, wordt toegekend indien de verschuiving plaatsvindt binnen een termijn van vier dagen voor de dag waarop dienst moet worden gedaan.

4.

Voor de toepassing van dit artikel worden verschoven uren en gedeelten van uren berekend over een periode van vier weken, opgeteld en naar boven afgerond op hele uren.

5.

De vergoeding kan niet samenvallen met de vergoeding voor overwerk, bedoeld in artikel 27. De vergoeding wordt ook niet toegekend aan de ambtenaar die als gevolg van arbeidsongeschiktheid feitelijk niet werkzaam is volgens het rooster waarin de wijziging plaatsvindt.

6.

De vergoeding wordt zo spoedig mogelijk uitbetaald, doch uiterlijk bij gelegenheid van de tweede salarisbetaling volgende op de periode van vier weken waarin de verschuiving heeft plaatsgevonden.

7.

Dit artikel is niet van toepassing op de ambtenaar die deel uitmaakt van een eenheid als bedoeld in artikel 59, eerste lid, Politiewet 2012.

Artikel 27c

Vervallen

Artikel 27d

Vervallen

Artikel 27e

Vervallen

Artikel 28

Onze Minister stelt regels vast terzake van een maaltijdvergoeding bij overwerk, voor zover de ambtenaar ingevolge hoofdstuk III van het Besluit reis-, verblijf- en verhuiskosten politieter zake geen aanspraak op vergoedingen voor maaltijden heeft.

Artikel 29

1.

Aan de ambtenaar die is ingedeeld in een salarisschaal lager dan salarisschaal 15 van bijlage I van dit besluit en die daadwerkelijk wordt ingezet als lid van een mobiele eenheid als bedoeld in artikel 26 van het Besluit beheer politie wordt een vergoeding toegekend.

2.

Het tijdvak gedurende hetwelk de ambtenaar is ingezet, blijft voor de toepassing van de artikelen 18, tweede lid, en 27, vierde lid, buiten beschouwing.

3.

De vergoeding bedraagt € 39,98 per kalenderdag.

4.

Aan de ambtenaar die is ingedeeld in een salarisschaal lager dan salarisschaal 15 van bijlage I van dit besluit en geen lid is van de mobiele eenheid wordt de vergoeding zoals bedoeld in het derde lid toegekend indien hij daadwerkelijk wordt ingezet ten behoeve van de mobiele eenheid en:

  • a. de mobiele eenheid is opgeroepen in het kader van een grootschalig of bijzonder optreden, en
  • b. de betrokken ambtenaar door het bevoegd gezag wordt opgeroepen voor een inzet als bedoeld in onderdeel a, waarbij voor die ambtenaar achteraf wordt vastgesteld dat gevaarzetting heeft gegolden ter handhaving van de openbare orde.

Hoofdstuk 8. Vergoedingen in verband met extra diensten en verschoven diensten

Artikel 29a

1.

Van de som van de bedragen die de ambtenaar in het voorafgaande kalenderjaar aan toelagen en vergoedingen als bedoeld in de artikelen 14, 18, 27, 27b en 29 heeft genoten wordt een twaalfde deel in de maand februari van het actuele kalenderjaar uitgekeerd, tenzij die som in dat voorafgaande kalenderjaar lager is dan € 914,47.

2.

Ingeval van een aanstelling van minder dan 36 uren per week geldt in plaats van het drempelbedrag, bedoeld in het eerste lid, een drempelbedrag naar rato van de betrekkingsomvang.

Artikel 29b

1.

In dit hoofdstuk wordt onder ambtenaar verstaan:

  • a. de ambtenaar, geboren in het tijdvak 1 januari 1955 tot en met 31 december 1960, die op 31 december 2020 in dienst was; en
  • b. de ambtenaar, geboren in 1961, die op 31 maart 2025 in dienst was.
2.

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar

  • a. die op 31 december 2020 respectievelijk 31 maart 2025 geen dienst verrichtte vanwege gebruikmaking van een levensloopregeling met aansluitend een ontslag, of op grond van een met het bevoegd gezag getroffen regeling met aansluitend een ontslag;

Artikel 29c

1.

Dit artikel is niet van toepassing op de ambtenaar en de gewezen ambtenaar bij wie door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, op grond van:

2.

De ambtenaar die voldoet aan het vierde lid heeft in de periode van 36 maanden voorafgaand aan de voor hem geldende AOW-gerechtigde leeftijd aanspraak op een uitkering, bedoeld in artikel 29d.

3.

De ambtenaar die voor 1 oktober 2026 de leeftijd van 65 bereikt, dient de aanvraag voor een uitkering met vermelding van de ingangsdatum uiterlijk 1 december 2025 in.

4.

De ambtenaar, bedoeld in het tweede lid, is ten minste 35 jaren in politiedienst werkzaam waarvan in totaal ten minste 25 jaren:

  • a. aangesteld als ambtenaar voor de uitvoering van de politietaak, of
5.

Bij de berekening van de 25 jaren, bedoeld in het derde lid, blijft het eerste jaar dat de ambtenaar was aangesteld als aspirant buiten beschouwing.

6.

Voor de toepassing van het derde lid, onderdeel b, wordt onder functie mede verstaan een functie waarvan het aannemelijk is dat het een voorloper is van een in dat onderdeel bedoelde functie.

7.

Als diensttijd in politiedienst doorgebracht worden mede aangemerkt die jaren waarin de ambtenaar aantoonbaar:

  • a. was aangesteld als algemeen of buitengewoon opsporingsambtenaar van de Koninklijke Marechaussee;
  • b. was aangesteld als buitengewoon opsporingsambtenaar van de Douane;
  • c. was aangesteld als algemeen of bijzonder opsporingsambtenaar van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst-ECD of de Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst;
  • d. als algemeen of buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst was van het Korps Spoorwegpolitie van de Nederlandse Spoorwegen voor zover het principeakkoord van 14 oktober 1999, gesloten tussen de vakorganisaties, FNV-bondgenoten, FSV, CNV-Bedrijvenbond, VHS en het Ministerie van Justitie, het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Nederlandse Spoorwegen, op de ambtenaar van toepassing was en deze een AFUP- garantieregeling toegekend heeft gekregen voor de jaren dat hij bij de spoorwegpolitie heeft gewerkt;
  • e. was aangesteld als onbezoldigd algemeen of bijzonder opsporingsambtenaar van het Korps Rijkspolitie, werkzaam voor een krachtens de Wet op de weerkorpsen toegestane particuliere beveiligingsorganisaties van de luchthaven Schiphol in de periode van 15 februari 1974 tot en met 31 december 1992;
  • f. was aangesteld als ambtenaar van politie in dienst bij de politie in Suriname tot en met 24 november 1975; of
  • g. anderszins een schriftelijk besluit kan overleggen waaruit volgt dat de tijd die deze ambtenaar in een bepaalde functie was aangesteld door het bevoegd gezag voor inwerkingtreding van de Politiewet 2012 is aangemerkt als politiedienstjaar.

Artikel 29d

1.

De uitkering wordt voor de ambtenaar die ten minste in een volledige betrekking werkzaam is, als volgt berekend:

A x 24/B = C

Hierbij staat:

A voor het in artikel 32ba, zevende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 genoemde bedrag;

B voor het op hele maanden naar boven afgeronde aantal maanden tussen de ingangsdatum van de uitkering en de AOW-gerechtigde leeftijd, waarbij geldt dat B niet kleiner kan zijn dan 24;

C de uitkering per maand.

2.

Bij een deelbetrekking wordt de uitkering vastgesteld op een evenredig deel van de aanspraak bij een volledige betrekking.

3.

Indien sprake is van samenloop van een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of een WIA-uitkering en een uitkering als bedoeld in het eerste of tweede lid en de laatste uitkering hoger is dan de bezoldiging direct voorafgaand aan het ontslag, bedoeld in het achtste lid, wordt de uitkering, bedoeld in het eerste of tweede lid, verminderd met het bedrag dat die uitkering de bezoldiging overstijgt.

4.

De betrekkingsomvang wordt vastgesteld op basis van het gemiddelde van de betrekkingen van de ambtenaar in de periode van tien jaar direct voorafgaand aan de ingangsdatum van de uitkering, waarbij de voor hem vastgestelde betrekkingsomvang per week op 31 december van elk van de betrokken jaren geldt als de betrekkingsomvang van dat jaar. Indien in enig jaar in genoemde periode voor de ambtenaar geen betrekkingsomvang kan worden vastgesteld, blijft dat jaar voor de berekening van het gemiddelde buiten beschouwing.

5.

In afwijking van het vierde lid wordt voor de ambtenaar die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van:

de betrekkingsomvang vastgesteld aan de hand van het aantal uren dat de ambtenaar is aangesteld direct voorafgaand aan zijn ontslag, bedoeld in het achtste lid, tenzij met dit aantal uren de voor de ambtenaar vastgestelde restverdiencapaciteit niet volledig wordt benut. In dat geval geldt een betrekkingsomvang die overeenkomt met die restverdiencapaciteit.

6.

De aanspraak op uitkering geldt alleen indien de uitkeringsduur ten minste een maand bedraagt.

7.

De uitkering gaat in op de dag waarop de ambtenaar ontslag is verleend op grond van artikel 88d van het Besluit algemene rechtspositie politie.

8.

De uitkering wordt aangepast overeenkomstig wijzigingen van het in artikel 32ba, zevende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 genoemde bedrag.

9.

De uitkering eindigt met ingang van de dag:

  • a. waarop de ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt;
  • b. volgende op de dag waarop de ambtenaar overlijdt.

Artikel 29e

1.

De ambtenaar die doorwerkt tot aan het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd, ontvangt een eenmalige uitkering.

2.

Bij ten minste een volledige betrekking bedraagt de eenmalige uitkering € 6.000.

3.

Bij een deelbetrekking bedraagt de eenmalige uitkering een evenredig deel van de aanspraak bij een volledige betrekking.

4.

De betrekkingsomvang wordt vastgesteld op basis van het gemiddelde van de betrekkingen van de ambtenaar in de periode van tien jaar direct voorafgaand aan het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd, waarbij de voor hem vastgestelde betrekkingsomvang per week op 31 december van elk van de betrokken jaren geldt als de betrekkingsomvang van dat jaar. Indien in enig jaar in genoemde periode voor de ambtenaar geen betrekkingsomvang kan worden vastgesteld, blijft dat jaar voor de berekening van het gemiddelde buiten beschouwing.

5.

In afwijking van het vierde lid, wordt voor de ambtenaar die een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of een WIA-uitkering ontvangt de betrekkingsomvang vastgesteld aan de hand van het aantal uren dat de ambtenaar is aangesteld bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd, tenzij met dit aantal uren de voor de ambtenaar vastgestelde restverdiencapaciteit niet volledig wordt benut. In dat geval geldt een betrekkingsomvang die overeenkomt met die restverdiencapaciteit.

Artikel 29f

Vervallen

Artikel 29g

Vervallen

Artikel 29h

Vervallen

Artikel 29i

Vervallen

Artikel 29j

Vervallen

Artikel 29k

Vervallen

Hoofdstuk 9. Bijzondere situaties

Artikel 30

1.

Aan de ambtenaar die op grond van artikel 62 van het Besluit algemene rechtspositie politie voor een periode van tenminste twee weken wordt gedetacheerd, wordt, indien hij dagelijks heen en weer reist, een vergoeding toegekend voor de tijd waarmee de totale reistijd per dag 90 minuten overschrijdt.

2.

De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, is gelijk aan de vergoeding, bedoeld in artikel 27, achtste lid, die de ambtenaar bij overwerk zou ontvangen. De vergoeding voor delen van een uur wordt vastgesteld op een evenredig deel van de uurvergoeding.

3.

Het bevoegd gezag kan in afwijking van het eerste en tweede lid beslissen in individuele gevallen waarin dit artikel naar zijn oordeel niet of niet in redelijkheid voorziet.

Artikel 30a

Vervallen

Artikel 31

1.

Aan de ambtenaar die in verband met de werkzaamheden die voortvloeien uit een functie in een publiekrechtelijk college waarin hij is benoemd of verkozen, tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn ambt wordt gedurende zijn ontheffing een non-activiteitswedde toegekend. De non-activiteitswedde is het bedrag waarmee de laatstelijk door hem in zijn ambt genoten bezoldiging het gezamenlijk bedrag van alle aan de werkzaamheden in dat publiekrechtelijk college verbonden inkomsten, overschrijdt.

2.

Toekenning van de non-activiteitswedde vindt plaats op de voet van het bepaalde in de artikelen 4, tweede, derde, vierde en vijfde lid, en 5 van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement.

3.

Dit artikel is niet van toepassing op degene die een non-activiteitswedde geniet uit hoofde van artikel 4, eerste lid, van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement.

Artikel 31a

Vervallen

Artikel 32

De ambtenaar die als militair in werkelijke dienst is, behoudt over de tijd van deze dienst het genot van de aan zijn ambt verbonden bezoldiging slechts voor zover hem bij of krachtens de artikelen 33 tot en met 37 daarop aanspraak is verleend. Voor zover die werkelijke dienst wordt vervuld in de aan hem toegekende vakantie, behoudt hij in ieder geval het genot van de volle aan zijn ambt verbonden bezoldiging.

Artikel 33

1.

De ambtenaar die ingevolge wettelijke verplichting anders dan voor herhalingsoefening als militair in werkelijke dienst is, geniet, onverminderd artikel 85 van het Besluit algemene rechtspositie politie, de aan zijn ambt verbonden bezoldiging voor zoveel deze meer bedraagt dan zijn militaire beloning, met dien verstande dat indien de ambtenaar ongehuwd is, hij slechts de aan zijn ambt verbonden bezoldiging geniet, voor zover 70 procent daarvan meer bedraagt dan zijn militaire beloning.

2.

Zo nodig in afwijking van het eerste lid blijft de ambtenaar, bedoeld in dat lid, in ieder geval de aan zijn ambt verbonden bezoldiging genieten tot een bedrag dat gelijk is aan het bedrag van het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage.

3.

Ongehuwde enige kostwinners worden voor de toepassing van het eerste lid gelijkgesteld met gehuwden. Het bevoegd gezag beslist of een ongehuwde als enig kostwinner wordt beschouwd.

4.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt de militaire beloning verminderd met een eventuele aftrek wegens het genot van voeding en huisvesting.

Artikel 34

1.

Artikel 33 is eerst van toepassing, nadat de ambtenaar als militair de opleiding en oefening heeft volbracht.

2.

De ambtenaar die ingevolge een wettelijke verplichting voor de opleiding en oefening als militair in werkelijke dienst is, geniet gedurende deze opleiding en oefening de aan zijn ambt verbonden bezoldiging tot een bedrag dat gelijk is aan het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage.

3.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing ten aanzien van ambtenaren op wie bij koninklijk besluit de artikelen 32 en 33 van overeenkomstige toepassing zijn verklaard.

4.

Indien de ambtenaar bij opkomst in militaire dienst voldoet aan de voorwaarde, gesteld in het eerste lid, of indien ingevolge het derde lid bij opkomst in militaire dienst deze voorwaarde niet voor hem geldt, geniet hij, in afwijking van artikel 33, gedurende twee weken na zijn opkomst de volle aan zijn ambt verbonden bezoldiging.

Artikel 35

1.

De ambtenaar die voor een herhalingsoefening als militair in werkelijke dienst is, geniet gedurende twee weken na zijn opkomst in militaire dienst de volle aan zijn ambt verbonden bezoldiging. Daarna wordt de militaire beloning in mindering gebracht op de aan zijn ambt verbonden bezoldiging.

Artikel 33, tweede, vierde en vijfde lid is van toepassing.

2.

Voor zover nodig, bepaalt Onze Minister van Defensie welke dienst als herhalingsoefening wordt beschouwd.

3.

Voor de toepassing of voortgezette toepassing van het eerste lid worden, met inachtneming van hetgeen daaromtrent is bepaald in de Kaderwet dienstplicht of in artikel 12l van de Wet ambtenaren defensie en onverminderd artikel 85 van het Besluit algemene rechtspositie politie met herhalingsoefeningen gelijk gesteld:

  • a. het in dienst komen dan wel het in aansluiting aan een herhalingsoefening langer in dienst blijven voor een onderzoek omtrent een strafbaar feit of een krijgstuchtelijk vergrijp waarvan de militair verdacht of beklaagd wordt;
  • b. het in dienst komen dan wel het in aansluiting aan een herhalingsoefening langer in dienst blijven ten einde rekening en verantwoording af te leggen van gevoerd beheer;
  • c. het in aansluiting aan een herhalingsoefening langer in dienst blijven wegens:
  • 1°. ziekte;
  • 2°. het niet tijdig bereiken van de vereiste graad van geoefendheid als gevolg van ziekte;
  • 3°. het heersen of geheerst hebben van een besmettelijke ziekte;
  • d. het in dienst komen om gehoord te worden omtrent een bij de Kroon of bij Onze Minister van Defensie ingediend bezwaarschrift onderscheidenlijk beroepschrift.

Artikel 36

Indien de ambtenaar als militair in werkelijke dienst zijnde overlijdt, wordt de uitkering, bedoeld in artikel 46, verminderd met het bedrag van de overeenkomstige uitkering die uit hoofde van de militaire dienst ter zake van dit overlijden wordt gedaan.

Artikel 37

De artikelen 32 tot en met 36 zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van:

  • b. de ambtenaar die als militair in werkelijke dienst is op grond van een verbintenis bij het reservepersoneel der krijgsmacht of
  • c. de ambtenaar die op grond van een andere bijzondere verbintenis in werkelijke militaire of daarmee gelijk te stellen dienst is, terzake waarvan dit bij koninklijk besluit is bepaald.

Artikel 37a

1.

De ambtenaar die 55 jaar of ouder is kan op zijn aanvraag, een functie worden opgedragen waaraan een salaris is verbonden met een lager maximum dan het maximum van de reeds voor hem geldende salarisschaal. In dat geval wordt op zijn salaris een inhouding toegepast.

2.

De inhouding is gelijk aan het verschil tussen het salaris dat de ambtenaar geniet en het maximumsalaris behorende bij de salarisschaal direct onder de voor de ambtenaar geldende salarisschaal met dien verstande dat dit bedrag niet negatief mag zijn.

3.

In bijzondere gevallen kan het bevoegd gezag geheel of gedeeltelijk van de inhouding afzien.

4.

Onze Minister kan nadere regels stellen.

Hoofdstuk 10. Voorzieningen in verband met ziekte

Artikel 38

1.

De ambtenaar heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een tijdvak van 104 weken recht op de doorbetaling van zijn bezoldiging overeenkomstig de volgende tabel:

  • 1°. de eerste 26 weken 100% van de bezoldiging;
  • 2°. de tweede 26 weken 90% van de bezoldiging;
  • 3°. de derde 26 weken 80% van de bezoldiging;
  • 4°. vervolgens 70% van de bezoldiging.
2.

In afwijking van het eerste lid behoudt de ambtenaar zijn aanspraak op 100% van de bezoldiging, indien:

  • a. de ambtenaar terminaal ziek is;
  • b. de ziekte beroepsgerelateerd is;
  • c. de ziekte is veroorzaakt door orgaandonatie; of,
  • d. de ziekte is veroorzaakt door zwangerschap of bevalling.
3.

Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van ongeschiktheid samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.

4.

Het tijdvak van 104 weken, bedoeld in het eerste lid, wordt verlengd:

  • a. met de duur van de vertraging, indien het bevoegd gezag de aangifte, bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de ZW, later doet dan op grond van dat artikel is voorgeschreven;
5.

Ingeval van verlenging op grond van het vierde lid, onderdeel a, b of c, kan het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, niet méér dan 156 weken belopen.

6.

De ambtenaar die langer dan 26 weken ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte en die loonvormende arbeid of reintegratieactiviteiten verricht, ontvangt over deze uren een beloning naast de bezoldiging bij ziekte als bedoeld in het eerste lid.

7.

De beloning, bedoeld in het zesde lid, tezamen met de doorbetaling van de bezoldiging bij ziekte bedraagt:

  • a. 35% van de bezoldiging en 65% van de bezoldiging bij ziekte als bedoeld in het eerste lid indien de ambtenaar maximaal 35% van zijn betrekkingsomvang arbeid of activiteiten verricht als bedoeld in het zesde lid;
  • b. 80% van de bezoldiging en 20% van de bezoldiging bij ziekte als bedoeld in het eerste lid indien de ambtenaar meer dan 35% en maximaal 80% van zijn betrekkingsomvang arbeid of activiteiten verricht als bedoeld in het zesde lid;
  • c. 100% van de bezoldiging indien de ambtenaar meer dan 80% van zijn betrekkingsomvang arbeid of activiteiten verricht als bedoeld in het zesde lid.
8.

De doorbetaling van de bezoldiging eindigt in ieder geval:

  • b. met ingang van de dag waarop de ambtenaar ontslag is verleend;
  • c. met ingang van de dag waarop de ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt; of
  • d. met ingang van de dag volgende op die waarop de ambtenaar is overleden.
9.

De ambtenaar die op grond van artikel 49b, derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie passende arbeid verricht en daartoe is herplaatst, voordat de termijn van twee jaar, bedoeld in artikel 94, derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie is verstreken, heeft tot het eind van genoemde termijn aanspraak op een aanvullende uitkering, indien zijn bezoldiging als gevolg van zijn herplaatsing vermindering ondergaat, ter grootte van het verschil tussen:

  • a. het bedrag waarop de ambtenaar op grond van dit artikel recht zou hebben gehad indien hem geen andere betrekking zou zijn opgedragen, maar in plaats daarvan voor dezelfde arbeidstijd zijn eigen betrekking; en
  • b. de som van zijn bezoldiging na herplaatsing, een uit zijn arbeidsongeschiktheid voortvloeiend recht op een WIA-uitkering, en een arbeidsongeschiktheidspensioen.
10.

De ambtenaar waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op minder dan 35% en die als gevolg van de arbeidsongeschiktheid inkomensverlies heeft, maakt aanspraak op een compensatie van dit inkomensverlies. Onder inkomensverlies wordt verstaan het verschil tussen de oorspronkelijke bezoldiging van de ambtenaar, waarbij ten aanzien van de toelagen bedoeld in de artikelen 14 en 18 wordt uitgegaan van hetgeen gemiddeld genoten is in de 13 perioden van vier weken voor de eerste ziektedag, en de bezoldiging nadat de arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op minder dan 35%, waarbij een verhoging van het salaris als bedoeld in artikel 9 of artikel 9a buiten beschouwing wordt gelaten.

11.

De compensatie, bedoeld in het tiende lid, is een toelage ter hoogte van 70% van het inkomensverlies voor de duur van vijf jaar, gerekend vanaf de dag waarop de mate van arbeidsongeschiktheid van de ambtenaar is vastgesteld op minder dan 35%, maar niet voordat 104 weken na de eerste ziektedag zijn verstreken. Bij samenloop van de compensatie, bedoeld in het tiende lid, met een uitkering krachtens de Werkloosheidswet of het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie, wordt de compensatie verminderd met het bedrag van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet of het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie.

12.

In geval van samenloop van doorbetaling van de bezoldiging als bedoeld in het eerste lid met inhouding op het salaris als bedoeld in artikel 13a, vijfde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie, of met inhouding op de bezoldiging als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie, wordt uitsluitend de bepaling toegepast die de hoogste inhouding op de bezoldiging oplevert.

13.

Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, aanhef en onderdelen c of d, de ambtenaar recht heeft op een financiële tegemoetkoming op grond van de Ziektewet en deze tegemoetkoming rechtstreeks wordt uitbetaald aan de ambtenaar, wordt gedurende de periode waarin sprake is van samenloop een inhouding op de bezoldiging toegepast die overeenkomt met het bedrag van deze financiële tegemoetkoming.

14.

Voor de ambtenaar die gedurende ten minste vier aaneengesloten weken voor 100% van zijn betrekkingsomvang loonvormende arbeid verricht, vangt bij ongeschiktheid tot het verrichten van deze arbeid wegens ziekte het in het eerste lid bedoelde tijdvak opnieuw aan.

15.

Het bedrag van de oorspronkelijke bezoldiging, bedoeld in het tiende lid, wordt gewijzigd overeenkomstig algemene salarismaatregelen in de sector Politie.

Artikel 38a

1.

De ambtenaar met recht op een ZW-uitkering heeft aanspraak op een aanvulling van die uitkering tot het niveau van de bezoldiging.

2.

Voor de toepassing van dit artikel wordt de ZW-uitkering waarop de ambtenaar recht heeft steeds aangemerkt als een uitkering die door deze onverminderd is genoten.

Artikel 38b

1.

De ambtenaar die ongeschikt is zijn arbeid te verrichten, wegens ziekte die op het moment van de melding van gezondheidsklachten, bedoeld in artikel 53a, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie, in overwegende mate beroepsgerelateerd is, heeft recht op een aanvullende uitkering nadat de doorbetaling van bezoldiging, bedoeld in artikel 38, eerste of vierde lid, is geëindigd.

2.

De uitkering voor de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de WIA, wordt aangevuld tot 95% van zijn laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, waarop aanspraak zou bestaan op de dag voor zijn herplaatsing indien de ambtenaar op die dag niet ongeschikt zou zijn geweest tot werken.

3.

De uitkering voor de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, die gedeeltelijk arbeidsgeschikt is als bedoeld in artikel 5 van de WIA en slechts in staat is met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen, bedoeld in artikel 1 van de WIA, per uur, wordt aangevuld tot 90,02% van zijn laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, waarop aanspraak zou bestaan op de dag voor zijn herplaatsing indien de ambtenaar op die dag niet ongeschikt zou zijn geweest tot werken.

4.

Onder de uitkering, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt verstaan de som van de WIA-uitkering en het arbeidsongeschiktheidspensioen.

5.

De in het eerste lid bedoelde aanvullende uitkering voor de ambtenaar die 35 tot 80% arbeidsongeschikt is, bedraagt:

  • a. gedurende de looptijd van de loongerelateerde uitkering, in geval de verdiencapaciteit volledig wordt benut, 90% van het verschil tussen het oude en het nieuwe inkomen;
  • b. gedurende de looptijd van de loongerelateerde uitkering, in geval de verdiencapaciteit niet volledig wordt benut, 80% van het verschil tussen het oude en het nieuwe inkomen;
  • c. gedurende de looptijd van de loonaanvulling, waarbij de verdiencapaciteit voor 50% of meer wordt benut, 90% van het verschil tussen het oude en het nieuwe inkomen dat de ambtenaar bij volledige benutting van zijn restverdiencapaciteit zou verdienen;
  • d. gedurende de looptijd van de vervolguitkering, waarbij de verdiencapaciteit voor minder dan voor 50% wordt benut, gedurende maximaal tien jaar een aanvulling op het nieuwe inkomen tot 75% van het oude inkomen maal het arbeidsongeschiktheidspercentage.
6.

Onder het oude inkomen, bedoeld in het vijfde lid, wordt verstaan de som van de laatstgenoten bezoldiging, vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering voor de herplaatsing. Onder het nieuwe inkomen, bedoeld in het vijfde lid, wordt verstaan de som van de bezoldiging, de vakantie-uitkering, de eindejaarsuitkering, de WIA-uitkering en het arbeidsongeschiktheidspensioen na de herplaatsing.

7.

De in het eerste lid bedoelde aanvullende uitkering voor de ambtenaar die minder dan 35% arbeidsongeschikt is, bedraagt 70% van het inkomensverlies, bedoeld in artikel 38, tiende lid.

8.

Bij samenloop tussen de aanvullende uitkering, bedoeld in het zevende lid, met een uitkering krachtens de Werkloosheidswet of het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie wordt de aanvullende uitkering verminderd met het bedrag van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet of het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie.

9.

De aanvullende uitkering eindigt in ieder geval:

  • a. met ingang van de dag waarop de ambtenaar niet meer voldoet aan de in het eerste tot en met het vierde, dan wel het zesde lid genoemde voorwaarden;
  • b. met ingang van de dag waarop de ambtenaar ontslag is verleend;
  • c. met ingang van de dag waarop de ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt; of
  • d. met ingang van de dag volgend op die waarop de ambtenaar is overleden.
10.

Het bedrag van de laatstelijk genoten bezoldiging dan wel het bedrag van het oude inkomen, bedoeld in het tweede en derde lid, onderscheidenlijk het vijfde lid, wordt gewijzigd overeenkomstig algemene salarismaatregelen in de sector Politie.

11.

Indien de ambtenaar, bedoeld in het tweede en derde lid, inkomen uit arbeid geniet wordt de aanvullende uitkering, bedoeld in het eerste lid, berekend overeenkomstig de volgende formule:

A x B – (0,7 x C + D) = E waarbij:

A = het percentage van 95 genoemd in het tweede lid of het percentage van 90,02 genoemd in derde lid;

B = de laatstelijk genoten bezoldiging verhoogd met vakantie- en eindejaarsuitkering, bedoeld in het tweede of derde lid;

C = het inkomen uit arbeid;

D = de uitkering, bedoeld in het vierde lid;

E = de aanvullende uitkering.

12.

Indien de ambtenaar, bedoeld in het tweede en derde lid, inkomen uit arbeid geniet en de som van het inkomen uit arbeid, de uitkering, bedoeld in het vierde lid, en de aanvullende uitkering, bedoeld in het eerste lid, hoger is dan de laatstelijk genoten bezoldiging verhoogd met de vakantie- en eindejaarsuitkering, wordt het meerdere in mindering gebracht op de aanvullende uitkering.

13.

De aanvullende uitkering, bedoeld in het eerste lid, wordt uitbetaald uiterlijk een maand na de kalendermaand waarover die uitkering is berekend.

Artikel 39

1.

De gewezen ambtenaar die wegens ziekte, ontstaan voor het tijdstip van ingang van zijn ontslag, niet zijnde een ontslag op grond van artikel 88a dan wel artikel 94, eerste lid, aanhef en onderdeel e of f, van het Besluit algemene rechtspositie politie nog ongeschikt is een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen, heeft zolang hij ongeschikt tot werken is wegens ziekte, doch niet langer dan een tijdvak van ten hoogste 78 weken, aanspraak op de doorbetaling van zijn bezoldiging overeenkomstig de volgende tabel:

  • a. de eerste 26 weken 100% van de bezoldiging;
  • b. de tweede 26 weken 90% van de bezoldiging;
  • c. de derde 26 weken 80% van de bezoldiging.
2.

De gewezen ambtenaar die binnen een maand na het tijdstip van zijn ontslag ongeschikt wordt wegens ziekte een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen, heeft zolang betrokkene ongeschikt is tot werken wegens ziekte, maar niet langer dan 52 weken, aanspraak op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging indien hij gedurende ten minste twee maanden onmiddellijk aan het ontslag voorafgaande in dienst is geweest overeenkomstig de volgende tabel:

  • a. de eerste 26 weken 100% van de bezoldiging;
  • b. de tweede 26 weken 90% van de bezoldiging.
3.

Voor het bepalen van het einde van het tijdvak van 78 weken, bedoeld in het eerste lid, en het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het tweede lid, worden perioden van ongeschiktheid samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.

4.

De doorbetaling van de bezoldiging bedoeld in het eerste en tweede lid, eindigt na ommekomst van de uitkeringsduur, maar in ieder geval:

  • a. met ingang van de dag waarop de gewezen ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt; of
  • b. met ingang van de dag volgende op die waarop de gewezen ambtenaar is overleden.
5.

De gewezen ambtenaar waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op minder dan 35% en die als gevolg van de arbeidsongeschiktheid inkomensverlies heeft, maakt aanspraak op een compensatie van dit inkomensverlies. Onder inkomensverlies wordt verstaan het verschil tussen de laatstgenoten bezoldiging, vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering van de ambtenaar op het moment van vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 35% en de nieuwe structurele inkomsten uit arbeid, waarbij een periodieke verhoging van het inkomen buiten beschouwing wordt gelaten.

6.

De compensatie, bedoeld in het vijfde lid, is een toelage ter hoogte van 70% van het inkomensverlies voor de duur van vijf jaar, gerekend vanaf de dag waarop de mate van arbeidsongeschiktheid van de gewezen ambtenaar is vastgesteld op minder dan 35%, maar niet voordat 104 weken na de eerste ziektedag zijn verstreken. Bij samenloop van de compensatie, bedoeld in het vijfde lid, met een uitkering krachtens de Werkloosheidswet of het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie, wordt de compensatie verminderd met het bedrag van de uitkering krachtens de Werkloosheidwet of het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie.

7.

De gewezen ambtenaar aan wie eervol ontslag is verleend op grond van artikel 88d van het Besluit algemene rechtspositie politie met het oog op een uitkering als bedoeld in artikel 29d of een pensioen als bedoeld in hoofdstuk 5 van het Pensioenreglement, voor zover dat pensioen is ingegaan voor de AOW-gerechtigde leeftijd, heeft tot uiterlijk de AOW-gerechtigde leeftijd slechts aanspraak op de doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging voor zover deze tezamen met de uitkering en zijn pensioen op grond van hoofdstuk 5 van het Pensioenreglement de laatstelijk genoten bezoldiging niet overschrijdt.

8.

Het bedrag van de laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in de voorgaande leden, wordt in voorkomende gevallen gewijzigd overeenkomstig een algemene salarismaatregel in de sector politie.

9.

De in het eerste lid, onderdelen b en c, en het tweede lid, onderdeel b, bedoelde vermindering van het percentage van de bezoldiging is niet van toepassing indien de ziekte in overwegende mate beroepsgerelateerd is op het moment van de melding van gezondheidsklachten, bedoeld in artikel 53a, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie.

10.

Voor de gewezen ambtenaar die een uitkering ontvangt als bedoeld in artikel 29d of een pensioen ontvangt als bedoeld in hoofdstuk 5 van het Pensioenreglement, voor zover dat is ingegaan voor de AOW-gerechtigde leeftijd, wordt tevens onder nieuwe structurele inkomsten uit arbeid als bedoeld in het vijfde lid verstaan de bezoldiging nadat de arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op minder dan 35%, bedoeld in artikel 38, tiende lid, die direct voorafgaand aan het ontslag in aanmerking werd genomen bij de berekening van de in dat artikellid bedoelde inkomensverlies.

Artikel 39a

1.

De gewezen ambtenaar die waarschijnlijk zal bevallen binnen vier maanden na de datum van ingang van haar ontslag, ontvangt haar laatstelijk genoten bezoldiging gedurende de periode die aanvangt op de 41e dag voorafgaande aan de vermoedelijke datum van bevalling en eindigt op de 70e dag na de datum waarop de bevalling heeft plaatsgevonden.

2.

De periode, bedoeld in het eerste lid, wordt verlengd tot zestien weken, indien die periode door een voortijdige bevalling minder dan zestien weken heeft bedragen.

3.

De gewezen ambtenaar van wie de bevalling niet wordt verwacht binnen vier maanden na de datum van ingang van haar ontslag, maar die niettemin binnen die termijn bevalt, ontvangt haar laatstelijk genoten bezoldiging gedurende de periode die aanvangt op de datum van bevalling en eindigt op de 70e dag na de datum waarop de bevalling heeft plaatsgevonden.

4.

Voor zolang de gewezen ambtenaar na beëindiging van de haar ingevolge het eerste of derde lid toekomende uitkering nog wegens ziekte ongeschikt is tot werken of binnen een maand na deze beëindiging ongeschikt wordt tot werken, heeft zij gedurende een tijdvak van 52 weken recht op de doorbetaling van de bezoldiging overeenkomstig artikel 39. De termijn van 52 weken loopt vanaf de eerste dag na de bevalling.

5.

Ongeschikt tot werken, in de zin van het vierde lid is de gewezen ambtenaar die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om een naar aard en omvang soortgelijke betrekking als zij vervulde, te vervullen.

7.

Het bedrag van de laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in de voorgaande leden, wordt in voorkomende gevallen gewijzigd overeenkomstig een algemene salarismaatregel in de sector politie.

Artikel 39b

1.

De gewezen ambtenaar die ongeschikt is zijn arbeid te verrichten wegens ziekte die op het moment van de melding van gezondheidsklachten, bedoeld in artikel 53a, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie, in overwegende mate beroepsgerelateerd is, heeft recht op een aanvullende uitkering nadat het tijdvak dan wel de doorbetaling van bezoldiging, bedoeld in artikel 38, eerste of vierde lid, is verstreken dan wel geëindigd.

2.

De uitkering voor de gewezen ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, die volledig en duurzaam ongeschikt is als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de WIA, wordt aangevuld tot 95% van zijn laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, waarop aanspraak zou bestaan op de dag voor zijn ontslag indien de ambtenaar op die dag niet ongeschikt zou zijn geweest tot het verrichten van arbeid.

3.

De uitkering voor de gewezen ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, die gedeeltelijk arbeidsgeschikt is als bedoeld in artikel 5 van de WIA en slechts in staat is met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen, bedoeld in artikel 1 van de WIA, per uur, wordt aangevuld tot 90,02% van zijn laatstelijk genoten bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering waarop aanspraak zou bestaan op de dag voor zijn ontslag indien de ambtenaar op die dag niet ongeschikt zou zijn geweest tot het verrichten van arbeid. Indien de gewezen ambtenaar op grond van artikel 49b, derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie voor zijn ontslag passende arbeid heeft verricht en daartoe is herplaatst, gelden voor de toepassing van de vorige volzin de bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering waarop aanspraak zou bestaan op de dag voor zijn herplaatsing indien de ambtenaar op die dag niet ongeschikt zou zijn geweest tot het verrichten van arbeid.

4.

Onder de uitkering, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt verstaan de som van de WIA-uitkering en het arbeidsongeschiktheidspensioen.

5.

De aanvullende uitkering voor de gewezen ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, die 35 tot 80% arbeidsongeschikt is bedraagt:

  • a. gedurende de looptijd van de loongerelateerde uitkering, in geval de verdiencapaciteit volledig wordt benut, 90% van het verschil tussen het oude en het nieuwe inkomen;
  • b. gedurende de looptijd van de loongerelateerde uitkering, in geval de verdiencapaciteit niet volledig wordt benut, 80% van het verschil tussen het oude en het nieuwe inkomen;
  • c. gedurende de looptijd van de loonaanvulling, waarbij de verdiencapaciteit voor 50% of meer wordt benut, 90% van het verschil tussen het oude en het nieuwe inkomen dat de ambtenaar bij volledige benutting van zijn restverdiencapaciteit zou verdienen;
  • d. gedurende de looptijd van de vervolguitkering, waarbij de verdiencapaciteit voor minder dan voor 50% wordt benut, voor maximaal tien jaar, een aanvulling op het nieuwe inkomen tot 75% van het oude inkomen maal het arbeidsongeschiktheidspercentage.
6.

Onder het oude inkomen, bedoeld in het vijfde lid, wordt verstaan de laatstgenoten bezoldiging, de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering. Onder het nieuwe inkomen, bedoeld in het vijfde lid, wordt verstaan de nieuwe structurele inkomsten uit arbeid, de WIA-uitkering en het arbeidsongeschiktheidspensioen.

7.

De aanvullende uitkering voor de gewezen ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, die minder dan 35% arbeidsongeschikt is, bedraagt 70% van het inkomensverlies, bedoeld in artikel 39, vijfde lid, tweede volzin.

8.

Bij samenloop tussen de aanvullende uitkering, bedoeld in het zevende lid, met een uitkering krachtens de Werkloosheidswet of het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie wordt de aanvullende uitkering verminderd met het bedrag van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet of het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie.

9.

De aanvullende uitkering eindigt in ieder geval:

  • a. met ingang van de dag waarop de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden;
  • b. met ingang van de dag waarop de gewezen ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt; of
  • c. met ingang van de dag volgende op die waarop de gewezen ambtenaar is overleden.
10.

Het bedrag van de laatstelijk genoten bezoldiging dan wel het bedrag van het oude inkomen, bedoeld in het tweede en derde lid, onderscheidenlijk het vijfde lid, wordt gewijzigd overeenkomstig algemene salarismaatregelen in de sector Politie.

11.

Voor de gewezen ambtenaar die een uitkering ontvangt als bedoeld in artikel 29d of een pensioen ontvangt als bedoeld in hoofdstuk 5 van het Pensioenreglement, voor zover dat is ingegaan voor de AOW-gerechtigde leeftijd, wordt tevens onder nieuwe structurele inkomsten uit arbeid als bedoeld in het zesde lid verstaan de som van de bezoldiging, de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering die direct voorafgaand aan het ontslag in aanmerking werd genomen voor de berekening van de aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 38b, vijfde lid. In het geval de uitkering, bedoeld in artikel 29d, hoger is dan die som, wordt voor de berekening van de aanvullende uitkering, bedoeld in het vijfde lid, uitgegaan van de uitkering.

12.

Indien de ambtenaar, bedoeld in het tweede en derde lid, inkomen uit arbeid geniet wordt de aanvullende uitkering, bedoeld in het eerste lid, berekend overeenkomstig de formule in artikel 38b, twaalfde lid.

13.

Indien de ambtenaar, bedoeld in het tweede en derde lid, inkomen uit arbeid geniet en de som van het inkomen uit arbeid, de uitkering, bedoeld in het vierde lid, en de aanvullende uitkering, bedoeld in het eerste lid, hoger is dan de laatstelijk genoten bezoldiging verhoogd met de vakantie- en eindejaarsuitkering, wordt het meerdere in mindering gebracht op de aanvullende uitkering.

14.

De aanvullende uitkering, bedoeld in het eerste lid, wordt uitbetaald uiterlijk een maand na de kalendermaand waarover die uitkering is berekend.

Artikel 40

Vervallen

Artikel 40a

Vervallen

Artikel 41

1.

De ambtenaar en de gewezen ambtenaar hebben geen aanspraak op doorbetaling van de bezoldiging:

  • a). indien de ziekte is voorgewend, althans zodanig overdreven wordt voorgesteld, dat ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte niet kan worden aangenomen;
  • b). indien de ambtenaar de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte opzettelijk heeft veroorzaakt, tenzij hem daarvan op grond van zijn psychische toestand geen verwijt kan worden gemaakt;
2.

De gewezen ambtenaar heeft geen aanspraak op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging, indien hij op grond van een aanvaarde andere betrekking aanspraak kan maken op doorbetaling van zijn loon of bezoldiging, dan wel op een ZW-uitkering.

Artikel 41a

Vervallen

Artikel 42

Het tijdvak gedurende welke de ambtenaar en de gewezen ambtenaar aanspraak hebben op de doorbetaling van hun bezoldiging of een bovenwettelijke ziekte-uitkering vangt aan op de eerste dag waarop:

  • a). wegens ziekte geheel of gedeeltelijk niet is gewerkt;
  • b). het werken wegens ziekte geheel of gedeeltelijk is gestaakt;
  • c). wegens ziekte geheel of gedeeltelijk niet zou zijn gewerkt;
  • d). het werken wegens ziekte geheel of gedeeltelijk zou zijn gestaakt.

Artikel 43

Vervallen

Artikel 44

1.

De aanspraken van de ambtenaar en de gewezen ambtenaar op grond van dit hoofdstuk vervallen indien de ambtenaar of de gewezen ambtenaar:

  • a). niet binnen redelijke termijn gezondheidskundige hulp inroept;
  • b). zich niet gedurende het gehele verloop van de ziekte onder gezondheidskundige behandeling blijft stellen;
  • c). de voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt;
  • d). zich schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd;
  • e). verzuimt de deskundige persoon of de arbodienst op eerste aanvraag mee te delen om welke reden hij ongeschikt is tot werken;
  • f). zonder deugdelijke grond nalaat gevolg te geven aan een verzoek van de deskundige persoon of de arbodienst om te verschijnen;
  • g). er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig onderzoek door een door de deskundige persoon of de arbodienst aangewezen arts niet kan plaatshebben;
  • h). niet binnen twee dagen na de aanvang van de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte dit heeft gemeld bij zijn werkgever;
  • i). weigert aangeboden passende arbeid, waartoe de deskundige persoon of de arbodienst hem in staat acht, te verrichten;
  • j). zich niet houdt aan de ten aanzien van hem geldende regels met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de verzuimbegeleiding en de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedure;
  • k). zijn ongeschiktheid tot werken opzettelijk heeft veroorzaakt;
  • m). tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, tenzij dit door de deskundige persoon of de arbodienst in het belang van zijn genezing wenselijk wordt geacht;
  • n). vóór de betaling van de bezoldiging weigert mededeling te doen van inkomsten uit arbeid die hij heeft in verband met het verrichten van door de deskundige persoon of de arbodienst in het belang van zijn genezing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of voor derden;
  • o). niet onverwijld op verzoek of uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden meedeelt, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht of op de hoogte van een aan hem toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering;
  • p). zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de deskundige persoon of de arbodienst bepaalde tijdstip en in de door deze persoon of dienst bepaalde mate, indien zulks hem is opgedragen, tenzij hij daarvoor een door de deskundige persoon of de arbodienst als geldig erkende reden heeft opgegeven;
  • q). zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan door het bevoegd gezag of een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of mee te werken aan getroffen maatregelen die erop gericht zijn om de betrokkene in staat te stellen passende arbeid te verrichten;
  • r). zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren of bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA;
  • s). geen aanspraak heeft op een WIA-uitkering omdat geen aanvraag is ingediend of in verband met de toepassing van artikel 88 van de WIA;
  • t). zijn medewerking weigert bij de doelmatige uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk.
2.

De aanspraak op de doorbetaling van bezoldiging kan geheel of gedeeltelijk vervallen worden verklaard in het geval de ambtenaar of de gewezen ambtenaar de regels heeft overtreden die ter zake van afwezigheid wegens ziekte zijn vastgesteld.

3.

De ingevolge het eerste lid vervallen aanspraken herleven met ingang van het tijdstip waarop de ambtenaar of de gewezen ambtenaar alsnog gevolg geeft aan de betreffende verplichting op grond van dat lid.

4.

Het bevoegd gezag kan op grond van bijzondere omstandigheden bepalen, dat de aanspraak op de doorbetaling van bezoldiging niet vervalt maar geheel of ten dele aan anderen dan aan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar zal worden uitbetaald.

5.

Voor zover het bevoegd gezag van de bevoegdheid, bedoeld in het vierde lid, geen gebruik heeft gemaakt, wordt de niet uitbetaalde bezoldiging alsnog aan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar uitbetaald, indien het in artikel 32, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen bedoelde oordeel ten gunste van de ambtenaar of de gewezen ambtenaar uitvalt.

6.

Indien de ambtenaar of de gewezen ambtenaar recht heeft op een WIA-uitkering, is het verplichtingen- en sanctieregime van de WIA van overeenkomstige toepassing op zijn recht krachtens dit hoofdstuk op grond van dezelfde dienstbetrekking.

7.

Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door de ambtenaar of de gewezen ambtenaar de WIA-uitkering vermindering ondergaat, dan wel de aanspraak daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, wordt de WIA-uitkering voor het vaststellen van zijn aanspraak op doorbetaling van de bezoldiging zoals bedoeld in artikel 38, eerste lid, steeds geacht onverminderd te zijn genoten.

Artikel 45

Vervallen

Artikel 45a

1.

Bij samenloop van een aanspraak krachtens dit hoofdstuk met een uitkering krachtens een wettelijke verzekering of het arbeidsongeschiktheidspensioen, wordt de aanspraak krachtens dit hoofdstuk verminderd met het bedrag van de uitkering krachtens de wettelijke verzekering of het arbeidsongeschiktheidspensioen, tenzij het betreft:

  • b). een ZW-uitkering ingeval van meer dan een betrekking. In dat geval wordt de ZW-uitkering naar rato van de bezoldiging toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake waarvan zijn bezoldiging wordt doorbetaald krachtens dit hoofdstuk en de andere betrekking of betrekkingen;
  • c). een WIA-uitkering of het arbeidsongeschiktheidspensioen, ingeval van meer dan één betrekking. In dat geval worden de WIA-uitkering respectievelijk het arbeidsongeschiktheidspensioen naar rato van de bezoldiging toegerekend aan de betrekking ter zake waarvan zijn bezoldiging wordt doorbetaald krachtens dit hoofdstuk en de andere betrekking of betrekkingen.
2.

Inkomsten uit of in verband met arbeid in loondienst, de uitoefening van een bedrijf of de zelfstandige uitoefening van een beroep worden betrokken bij de berekening van de aanspraken van de ambtenaar of de gewezen ambtenaar ingevolge dit hoofdstuk, tenzij:

  • a. de ambtenaar of de gewezen ambtenaar deze inkomsten reeds voor het intreden van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte genoot naast het in politiedienst verworven inkomen; en
  • b. de omvang van de arbeid waarmee die inkomsten worden verworven niet is toegenomen.

Artikel 45b

Vervallen

Artikel 45c

1.

De aanspraak van de ambtenaar en de gewezen ambtenaar op de bovenwettelijke ziekte-uitkering of de doorbetaling van de bezoldiging na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 38, eerste lid, wordt zoveel mogelijk op gelijke wijze gewijzigd als een aan hem toegekende ZW-uitkering of een WIA-uitkering.

2.

Het eerste lid vindt geen toepassing indien de ambtenaar en de gewezen ambtenaar aanspraak op een ZW-uitkering of een WIA-uitkering hebben wegens ongeschiktheid tot werken voor een betrekking die de ambtenaar of de gewezen ambtenaar heeft vervuld naast zijn betrekking ter zake waarvan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar op een uitkering krachtens dit hoofdstuk aanspraak heeft, voor zover de ZW-uitkering of de WIA-uitkering naar de inkomsten uit die andere betrekking wordt berekend of geacht kan worden te zijn berekend.

Artikel 45d

1.

Ten aanzien van de ambtenaar en de gewezen ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte is gelegen voor 1 januari 2004, blijven de artikelen van hoofdstuk X van dit besluit van toepassing zoals deze luidden op 31 december 2005.

2.

Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van ongeschiktheid tot werken geacht eenzelfde, niet onderbroken periode van ongeschiktheid te vormen, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel 3.1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg of een uitkering op grond van artikel 3:8, of 3:10, eerste lid, van die wet, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.

Hoofdstuk 11. Overige bepalingen

Artikel 46

1.

De bezoldiging van de ambtenaar wordt niet langer uitbetaald dan tot en met de dag van het overlijden. Artikel 26, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie, is van overeenkomstige toepassing

2.

Met inachtneming van het vijfde lid wordt zo spoedig mogelijk na het overlijden aan de weduwe of weduwnaar van wie de overleden ambtenaar niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd gelijk aan de bezoldiging over een tijdvak van drie maanden. Als maatstaf bij de berekening van het in de eerste volzin bedoelde bedrag geldt, behoudens het hierna bepaalde, de bezoldiging welke de ambtenaar op de dag van het overlijden genoot of, indien hij op die dag aanspraak maakt op een ZW-uitkering of een WIA-uitkering en een bovenwettelijke ziekte-uitkering of een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in hoofdstuk 10, zou hebben genoten indien hij op die dag arbeidsgeschikt zou zijn geweest. De uitkering wordt vermeerderd met een bedrag gelijk aan driemaal dat van de vakantieuitkering over een maand, berekend op de voet van hoofdstuk 6, naar de bezoldiging die de ambtenaar in de maand van het overlijden zou hebben genoten. Indien de ambtenaar in het genot was van de operationele toelage, bedoeld in artikel 14, of van de aflopende toelage, bedoeld in artikel 15 of van een toelage op grond van artikel IV van het koninklijk besluit van 4 september 1968 tot wijziging van het Bezoldigingsreglement politie 1958 (Stb. 477) wordt het gedeelte van de in de eerste volzin bedoelde uitkering dat betrekking heeft op deze toelagen, gesteld op het bedrag dat de overleden ambtenaar in de drie kalendermaanden voorafgaand aan de dag van het overlijden aan zodanige toelagen is toegekend.

3.

Bij ontstentenis van een weduwe of weduwnaar van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, geschiedt de uitkering, bedoeld in het tweede lid, ten behoeve van de minderjarige kinderen. Onder kinderen in de zin van dit artikel worden mede verstaan natuurlijke kinderen en kinderen waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor.

4.

Ontbreken ook kinderen als bedoeld in het derde lid, dan geschiedt de uitkering, bedoeld in het tweede lid, aan degenen die geheel of grotendeels afhankelijk waren van de bezoldiging van de ambtenaar.

5.

Indien de overledene geen betrekkingen als bedoeld in het tweede tot en met het vierde lid nalaat, kan het daartoe bedoelde bedrag door het bevoegd gezag geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de nalatenschap van de overledene voor de betaling van die kosten ontoereikend is.

6.

Op de uitkering, bedoeld in het tweede lid, wordt reeds vóór zijn overlijden aan de ambtenaar uitbetaalde bezoldiging over een na zijn overlijden gelegen tijdvak in mindering gebracht. Indien de ambtenaar voor zijn overlijden te veel vakantie heeft genoten, is artikel 26, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie, van overeenkomstige toepassing. Het aldus verschuldigde bedrag wordt eveneens in mindering gebracht op de uitkering, bedoeld in het tweede lid.

7.

Op het bedrag, bedoeld in het tweede tot en met vierde lid, wordt in mindering gebracht een uitkering op grond van artikel 35 van de ZW of op grond van artikel 74 van de WIA en naar aard en strekking daarmee overeenkomende uitkeringen.

Artikel 46a

Na het overlijden van de gewezen ambtenaar, die op de dag van zijn overlijden op grond van artikel 39 in het genot was van doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging, wordt aan de in artikel 46 bedoelde personen en met overeenkomstige toepassing van dat artikel een bedrag uitgekeerd, gelijk aan de bezoldiging welke de gewezen ambtenaar op de dag van zijn overlijden genoot, berekend over een tijdvak van drie maanden. Op deze uitkering worden in mindering gebracht het bedrag van de uitkering op grond van artikel 35 van de ZW of op grond van artikel 74 van de WIA en naar aard en strekking daarmee overeenkomende uitkeringen.

Artikel 46b

Vervallen

Artikel 46c

1.

Aan de ambtenaar of zijn nagelaten betrekking kan een tegemoetkoming worden verleend in de premie voor een ziektekostenverzekering volgens door Onze Minister te stellen regels.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de gewezen ambtenaar, jonger dan de AOW-gerechtigde leeftijd, of zijn nagelaten betrekkingen.

Artikel 47

1.

Bij vermissing van de ambtenaar zijn, behoudens het tweede lid, de bepalingen van artikel 46 van overeenkomstige toepassing. De ambtenaar wordt daarbij geacht te zijn overleden op een door het bevoegd gezag te bepalen dag.

2.

Het tweede lid van artikel 46 is niet van toepassing indien gegronde vermoedens bestaan, dat de vermissing het gevolg is van ongeoorloofde afwezigheid.

3.

Indien blijkt, dat de als vermist beschouwde ambtenaar in leven is, kan ter beoordeling van het bevoegd gezag de bezoldiging worden uitbetaald, tenzij gegronde vermoedens bestaan, dat de vermissing het gevolg was van ongeoorloofde afwezigheid.

4.

Indien uit hoofde van de vermissing van de ambtenaar pensioen of enige andere uitkering, voortvloeiende uit zijn ambtelijke rechtspositie, is toegekend over het tijdvak, waarover naar het oordeel van het bevoegd gezag geen aanspraak bestaat op bezoldiging, wordt die bezoldiging verminderd met de over dat tijdvak aldus uitbetaalde bedragen.

5.

De bezoldiging waarop de ambtenaar ingevolge het derde en vierde lid aanspraak heeft, kan aan anderen dan de ambtenaar worden uitbetaald.

Hoofdstuk 11. Overige bepalingen

Artikel 48

Voor gevallen, waarin dit besluit niet of niet naar billijkheid voorziet, wordt door Onze Minister een bijzondere regeling getroffen.

Artikel 48a

Vervallen

Artikel 48b

Vervallen

Artikel 48c

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)