← Geldende tekst · Geschiedenis

Uitvoeringsregeling Kadasterwet 1994

Geldende tekst a fecha 2005-07-16

Gelet op de artikelen 8, tweede lid, eerste zin, 11, derde, vierde, vijfde en zevende lid, 19, 20, tweede lid, 46, derde lid, 48, tweede lid, onder i, 54, eerste lid, onder b, c en e, 57, tweede en zesde lid, 66, tweede lid, juncto 57, tweede lid, 70, eerste lid, juncto 57, tweede lid, 73, derde lid, juncto 57, tweede lid, 75, eerste lid, 75, tweede lid, juncto 57, tweede lid, 81, eerste lid, eerste zin, 85, tweede lid, onder l, 87, eerste lid, onder b en c, 92, tweede lid, onder 1, 94, eerste lid, onder b en c, en 111, eerste lid, van de Kadasterwet, de artikelen XI, XVI en XVIII van hoofdstuk II van de Invoeringswet Kadasterwet, alsmede op de artikelen 2, derde lid, en 38a van het Kadasterbesluit, de artikelen 11, 36 en 37, vierde lid, van de Maatregel teboekgestelde schepen 1992 en artikel 13b van de Maatregel teboekgestelde Luchtvaartuigen;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepaling

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 2. Het samenstel van de openbare registers en het afschrift van ter inschrijving aangeboden stukken; tekeningen

Artikel 2
1.

De registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van de wet bestaan uit:

2.

De registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, van de wet bestaan uit:

3.

De registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder c, van de wet bestaan uit:

Artikel 3
1.

De verklaring van eensluidendheid, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de wet wordt gesteld aan de voet van het afschrift en bevat de verklaring dat het afschrift eensluidend is met het ter inschrijving aangeboden stuk, onder vermelding van naam, voornamen en woonplaats met adres van degene die de verklaring ondertekent.

2.

Ingeval de verklaring van eensluidendheid wordt ondertekend door een notaris of griffier, kan in plaats van de woonplaats met adres, de benaming van het ambt alsmede de standplaats worden vermeld.

3.

De in het eerste lid bedoelde verklaring moet worden ondertekend:

Artikel 4

Bij de aanbieding ter inschrijving van de volgende stukken behoeft geen afschrift als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de wet te worden aangeboden:

Artikel 5
1.

Tekeningen die deel uitmaken van ter inschrijving aangeboden stukken, moeten voldoen aan de volgende vereisten:

2.

In afwijking van artikel 11, eerste lid, van de wet kan van een tekening een niet op een door de Dienst verstrekt formulier gesteld afschrift worden aangeboden, ingeval naar het oordeel van de bewaarder de figuratie te groot of te ingewikkeld is om zonder bezwaar op bedoeld formulier te worden overgenomen.

3.

Het niet op een door de Dienst verstrekt formulier gesteld afschrift, bedoeld in het tweede lid, moet zijn voorzien van een verklaring van eensluidendheid als bedoeld in artikel 3.

Artikel 6
1.

Onverminderd artikel 5, moet de tekening, bedoeld in artikel 109, tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, voldoen aan de volgende vereisten:

2.

Het is toegestaan dat de in het eerste lid bedoelde tekening van elk gedeelte van de gebouwen, dat voor gebruik als afzonderlijk geheel is bestemd, de onderlinge ligging van alle tot dat gedeelte behorende vertrekken en andere ruimten aangeeft.

3.

In afwijking van het eerste lid, onder i, kan een kleinere schaal worden gebruikt voor een situatieschets, welke met het oog op het aan het slot van het eerste lid, onder c, omschreven vereiste, op de tekening wordt aangebracht, als overzicht van de overige afbeeldingen.

4.

In geval van ondersplitsing in appartementsrechten worden de omkringde nummers, bedoeld in artikel 28, derde lid, op de tekening gesteld in de linkerbovenhoek van elk van de desbetreffende gedeelten.

Artikel 7

Vervallen

Artikel 8

Vervallen

Artikel 9

Vervallen

Artikel 10

Vervallen

Artikel 11

Vervallen

Hoofdstuk 3. Vereisten waaraan in te schrijven stukken moeten voldoen

Artikel 12
1.

Ingeval een ter inschrijving aangeboden stuk betrekking heeft op een bepaald reeds eerder ingeschreven stuk als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet, bevat het een verwijzing naar dit eerdere stuk door de vermelding van het kantoor van de Dienst waar het eerdere stuk is ingeschreven, het soort register waarin inschrijving plaatsvond, alsmede deel en nummer van inschrijving.

2.

Het eerste lid is tevens van toepassing op de in artikel 46, derde lid, van de wet bedoelde verwijzing.

Artikel 13

Indien in een in te schrijven stuk de plaatselijke aanduiding van een onroerende zaak of een appartementsrecht moet worden vermeld, geschiedt zulks door de vermelding van de plaats en het adres, of, zo de desbetreffende onroerende zaak of het desbetreffende appartementsrecht geen adres heeft, de naam van de plaats en de straat in welks nabijheid de onroerende zaak of het appartementsrecht is gelegen.

Hoofdstuk 4. In de kadastrale registratie op te nemen gegevens

Artikel 14
1.

In de kadastrale registratie worden de volgende gegevens betreffende de feitelijke gesteldheid van onroerende zaken opgenomen:

2.

In de kadastrale registratie worden tevens de volgende gegevens met betrekking tot onroerende zaken opgenomen:

Hoofdstuk 5. Bijwerking van de kadastrale registratie en de kadastrale kaarten

Artikel 15

Als publiekrechtelijke rechtspersonen of andere lichamen, aan wie een deel van de overheidstaak is opgedragen, als bedoeld in artikel 54, eerste lid, onder b, c en e, van de wet, worden aangewezen:

Artikel 16

Indien uit een ingeschreven stuk blijkt dat sprake is van een trust, wordt in de kadastrale registratie als rechthebbende vermeld de trustee, alsmede die hoedanigheid, onder vermelding van de gegevens betreffende de trust.

Artikel 17
1.

De Dienst doet van het voornemen tot het uitvoeren van een meting mededeling aan de in artikel 57, eerste lid, van de wet bedoelde belanghebbenden door middel van een brief. Indien sprake is van een nieuw te vormen perceel en naar het oordeel van de met meting belaste ambtenaar aanwijzing ter plaatse niet nodig is bevat de brief de op dat nieuw te vormen perceel betrekking hebbende gegevens.

2.

Indien de brief gegevens bevat die betrekking hebben op een nieuw te vormen perceel kan een belanghebbende binnen zes weken na dagtekening van die brief bedenkingen inbrengen tegen die gegevens. In de brief wordt de belanghebbende uitdrukkelijk op die mogelijkheid gewezen en wordt hem het vervolg van de procedure medegedeeld, zowel voor het geval waarin geen bedenkingen worden ingebracht als voor het geval waarin wel bedenkingen worden ingebracht.

3.

De belanghebbenden die vóór het in het eerste lid bedoelde tijdstip bericht hebben gedaan op het desbetreffende tijdstip verhinderd te zijn, worden opnieuw in de gelegenheid gesteld inlichtingen te verstrekken.

4.

Het eerste tot en met derde lid is van overeenkomstige toepassing ingeval een onderzoek ter plaatse wordt ingesteld als bedoeld in de artikelen 12, eerste lid, en 13, eerste lid, van het Kadasterbesluit.

Artikel 18
1.

De Dienst doet van het voornemen tot het houden van een onderzoek, al dan niet op verzoek van een belanghebbende, naar het zich voorgedaan hebben van een feit als bedoeld in artikel 29 dan wel in artikel 35 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, mededeling aan belanghebbenden door middel van een brief.

2.

Artikel 17, derde lid, is van toepassing.

Artikel 19
1.

De Dienst doet van het voornemen tot het ter plaatse inwinnen van nadere inlichtingen, bedoeld in artikel 73, derde lid, van de wet, mededeling aan belanghebbenden door middel van een brief.

2.

Artikel 17, derde lid, is van toepassing.

Artikel 20
1.

Het voornemen tot het instellen van een onderzoek van vernieuwing, bedoeld in artikel 75, eerste lid, van de wet, wordt tenminste één maand vóór de aanvang van dat onderzoek openbaar gemaakt in tenminste twee dag- of nieuwsbladen die in het desbetreffende gebied worden verspreid.

2.

In de bekendmaking wordt de omvang van het desbetreffende gebied duidelijk omschreven en op een topografische kaart weergegeven. Tevens bevat de bekendmaking een korte uiteenzetting omtrent doel en inhoud van het voornemen, waarbij tevens wordt gewezen op de in artikel 78, tweede en derde lid, van de wet genoemde gevolgen die de wet aan de vernieuwing verbindt.

3.

In de bekendmaking wordt melding gemaakt van het adres en het telefoonnummer van het kantoor van de Dienst, alsmede van de naam van de ambtenaar tot wie belanghebbenden zich desgewenst kunnen wenden ter verkrijging van nadere gegevens.

Artikel 21
1.

De Dienst doet van het voornemen tot een onderzoek van vernieuwing mededeling aan de in artikel 75, tweede lid, van de wet bedoelde belanghebbenden door middel van een brief.

2.

De brief wordt verzonden tenminste twee weken vóór het tijdstip waarop het onderzoek van vernieuwing zal plaatsvinden.

3.

De in het eerste lid bedoelde brief maakt ook melding van het adres en het telefoonnummer van het kantoor van de Dienst, alsmede van de naam van de ambtenaar tot wie een belanghebbende zich desgewenst kan wenden, indien het in het vierde lid bedoelde geval zich voordoet.

4.

Ingeval een belanghebbende die ter plaatse inlichtingen moet verschaffen tijdig bericht heeft gedaan op het desbetreffende tijdstip verhinderd te zijn, wordt hij opnieuw in de gelegenheid gesteld inlichtingen te verstrekken.

Artikel 22

Het relaas van bevindingen bevat tenminste naast de gegevens die op grond van de desbetreffende bepalingen van de wet en het Kadasterbesluit daarin moeten worden vermeld:

Artikel 23
1.

De voorstellen van vernieuwing, bedoeld in artikel 76, tweede lid, van de wet, worden als volgt ingedeeld:

2.

De gegevens omtrent rechten van hypotheek en inbeslagnemingen, alsmede gegevens omtrent erfdienstbaarheden, worden afzonderlijk vermeld.

3.

Indien de kadastrale aanduiding gewijzigd zal worden, wordt hierop in het voorstel geattendeerd.

Artikel 24
1.

De wijze van bijwerking, bedoeld in artikel XI van hoofdstuk II van de Invoeringswet Kadasterwet, geschiedt met inachtneming van het tweede en derde lid.

2.

Ingeval de geautomatiseerde bestanden van de kadastrale registratie mede onderdelen omvatten van het geautomatiseerde systeem Hypotheken waardoor het mogelijk wordt in de kadastrale registratie een of meer soorten van gegevens omtrent hypotheken op te nemen als bedoeld in artikel 48, tweede lid, van de wet, vindt bijhouding plaats op grond van veranderingen als bedoeld in artikel XI van hoofdstuk II van de Invoeringswet Kadasterwet en vangt de bijhouding van die soorten van gegevens in de kadastrale registratie terstond aan.

3.

De wijze van bijhouding vindt, voorts, plaats in overeenstemming met de inhoud van het desbetreffende gereed gekomen onderdeel van het geautomatiseerde systeem Hypotheken dat aan de geautomatiseerde bestanden van de kadastrale registratie wordt toegevoegd, en met inachtneming van hetgeen bij of krachtens de wet daaromtrent is bepaald.

Hoofdstuk 6. Inlichtingen

Artikel 25
1.

De in artikel 57, zesde lid, van de wet bedoelde inlichtingen worden op het desbetreffende kantoor van de Dienst verstrekt door belanghebbenden inzage te geven in, dan wel mondelinge inlichtingen te verstrekken uit de kadastrale registratie, de kadastrale kaarten en de daaraan ten grondslag liggende bescheiden, voor zover het de percelen betreft die in de kennisgeving zijn vermeld. Tevens wordt aan belanghebbenden desgewenst een toelichting verstrekt.

2.

De in het eerste lid bedoelde inlichtingen worden aan een belanghebbende slechts éénmaal verstrekt. Nadat de inlichtingen zijn gegeven wordt dit feit door de ambtenaar van de Dienst op de bekendmaking vermeld.

Hoofdstuk 7. Vaststelling van het complexnummer inzake splitsing in appartementsrechten

Artikel 26
1.

Het verzoek tot vaststelling van het complexnummer ter zake van appartementsrechten, bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Kadasterbesluit, wordt gedaan bij de bewaarder van het kantoor binnen wiens kring de onroerende zaken geheel of grotendeels zijn gelegen, door middel van een formulier in tweevoud, waarvan de vorm overeenkomt met het model dat als bijlage 1 bij deze regeling is gevoegd.

2.

De percelen, waarop de in de splitsing te betrekken rechten betrekking hebben, moeten in het formulier door gehele kadastrale percelen zijn aangeduid.

3.

Het formulier vermeldt:

4.

Het formulier wordt gedagtekend en namens degene die tot de splitsing wil overgaan, door een notaris ondertekend.

5.

Bij het formulier worden twee exemplaren overgelegd van de in artikel 109, tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde tekening.

6.

De in het vijfde lid bedoelde tekening kan uit meer dan één blad bestaan. Elk blad vermeldt de in het derde lid, onder a, bedoelde gegevens, alsmede de dagtekening van het verzoek en elk blad wordt door de notaris die het formulier ondertekent, gewaarmerkt. Het bevat een open ruimte, bestemd voor de verklaring bedoeld in artikel 27, tweede lid.

7.

De notaris die het formulier ondertekent, verklaart daarin uit hoeveel bladen de tekening bestaat, en tevens, dat de overgelegde exemplaren van de tekening onderling geheel gelijkluidend zijn.

8.

Artikel 6 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 27
1.

Nadat de Dienst heeft bevonden dat de tekening, bedoeld in artikel 26, vijfde lid, voldoet aan de in artikel 26 bedoelde vereisten, stelt de Dienst het complexnummer vast.

2.

De beide exemplaren van het in artikel 26 bedoelde formulier en elk exemplaar van elk blad van de daarbij overgelegde tekening worden voorzien van een door de bewaarder gedagtekende en ondertekende verklaring, aangevend hoe de complexaanduiding luidt.

Daarna zendt de bewaarder aan de notaris die het formulier heeft ondertekend, één exemplaar van dit formulier en één exemplaar van de tekening terug.

Artikel 28
1.

In geval van een ondersplitsing van een appartementsrecht als bedoeld in artikel 106, tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, zijn de artikelen 26 en 27 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het bestaande complexnummer gehandhaafd wordt en behoudens het tweede en derde lid.

2.

De tekening die bij het verzoek betreffende de voorgenomen ondersplitsing wordt overgelegd, stemt geheel overeen met de laatste ingeschreven tekening, met dien verstande dat binnen de begrenzing van het gedeelte van de gebouwen en de grond, waarvan het uitsluitend gebruik in het onder te splitsen appartementsrecht begrepen is, de begrenzingen worden aangegeven van de onderscheidene gedeelten die bestemd zijn om na de voorgenomen ondersplitsing als afzonderlijk geheel te worden gebruikt en waarvan volgens de akte van ondersplitsing het uitsluitend gebruik in de onderscheidene nieuwe appartementsrechten zal zijn begrepen.

3.

De in het tweede lid bedoelde gedeelten worden op de over te leggen tekening aangeduid met de nummers, volgende op het hoogste nummer dat als kenmerk van een gedeelte voorkomt op de laatste ingeschreven tekening.

Tevens wordt elk van deze gedeelten en die waarvan na de ondersplitsing het uitsluitend gebruik niet zal zijn begrepen in een der nieuwe appartementsrechten, op de over te leggen tekening voorzien van het nummer dat op de laatste ingeschreven tekening voorkomt als kenmerk van het onder te splitsen appartementsrecht. Dit nummer wordt omkringd.

Artikel 29
1.

In geval van een wijziging van de akte van splitsing als bedoeld in artikel 139 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, die niet uitsluitend betrekking heeft op het reglement, zijn de artikelen 26 en 27 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het bestaande complexnummer gehandhaafd wordt en behoudens het tweede en derde lid.

2.

De appartementsindices blijven bij wijziging van de akte van splitsing gehandhaafd, voor zover deze wijziging niet een verandering betreft in de begrenzing van enig gedeelte van de gebouwen of de grond, dat al dan niet tezamen met andere gedeelten voor gebruik als afzonderlijk geheel is bestemd en waarvan het uitsluitend gebruik in een appartementsrecht is begrepen.

3.

De tekening die bij het verzoek betreffende de voorgenomen wijziging wordt overgelegd, geeft de begrenzing aan van de onderscheidene gedeelten van de gebouwen en de grond, die bestemd zijn als afzonderlijk geheel te worden gebruikt en waarvan na inschrijving van de akte van wijziging het uitsluitend gebruik in een appartementsrecht is begrepen.

4.

De op de tekening binnen de begrenzing van elk zodanig gedeelte als kenmerk daarvan aangebrachte nummers zijn:

Hoofdstuk 8. Inhoud en bijwerking van de registratie voor schepen

Artikel 30

In de registratie voor schepen worden ten aanzien van elk daarin te boek staand schip tevens de volgende gegevens opgenomen:

Artikel 31

Als publiekrechtelijke rechtspersonen of andere lichamen, aan wie een deel van de overheidstaak is opgedragen, als bedoeld in artikel 87, eerste lid, onder b en c, van de wet, worden aangewezen:

Artikel 32

Indien uit een ingeschreven stuk blijkt dat sprake is van een trust, wordt in de registratie voor schepen als rechthebbende vermeld de trustee, alsmede die hoedanigheid, onder vermelding van de gegevens betreffende de trust.

Artikel 33
1.

De in artikel 9 van de Maatregel teboekgestelde schepen 1992 bedoelde certificaten en duplicaten van certificaten hebben de vorm van het model dat als bijlage 2 bij deze regeling is gevoegd onder toevoeging van het woord ‘certificaat’ dan wel, ingeval artikel 10, eerste lid, van die maatregel van toepassing is, ‘vervangend certificaat’, onderscheidenlijk ‘duplicaat-certificaat’.

De in de eerste zin genoemde documenten worden aan de achterzijde voorzien van een tekst met de vorm van het model dat als bijlage 3 bij deze regeling is gevoegd, met dien verstande dat ingeval van afgifte van vervangende certificaten dan wel van duplicaten van certificaten het woord ‘certificaat’ wordt gewijzigd in ‘vervangend certificaat’ onderscheidenlijk ‘duplicaat-certificaat’.

2.

De in artikel 36 van de Maatregel teboekgestelde schepen 1992 bedoelde verzoeken, verklaringen en aangiften, met uitzondering van de in artikel 35, eerste lid, eerste zin, van die maatregel bedoelde aangifte, hebben de vorm van de modellen die als bijlagen 4 tot en met 13 bij deze regeling zijn gevoegd.

Artikel 34
1.

De wijze van bijwerking, bedoeld in artikel XVI van hoofdstuk II van de Invoeringswet Kadasterwet, geschiedt met inachtneming van het tweede en derde lid.

2.

Ingeval de geautomatiseerde bestanden van de registratie voor schepen mede onderdelen omvatten waardoor het mogelijk wordt in de registratie voor schepen een of meer soorten van gegevens omtrent hypotheken op te nemen als bedoeld in artikel 85, tweede lid, van de wet, vindt bijhouding plaats op grond van veranderingen als bedoeld in artikel XVI van hoofdstuk II van de Invoeringswet Kadasterwet en vangt de bijhouding van die soorten van gegevens in de registratie voor schepen terstond aan.

3.

De wijze van bijhouding vindt, voorts, plaats in overeenstemming met de inhoud van het desbetreffende gereed gekomen onderdeel van het geautomatiseerde systeem dat aan de geautomatiseerde bestanden van de registratie voor schepen wordt toegevoegd, en met inachtneming van hetgeen bij of krachtens de wet daaromtrent is bepaald.

Hoofdstuk 9. Inhoud en bijwerking van de registratie voor luchtvaartuigen

Artikel 35

Vervallen

Artikel 36

Als publiekrechtelijke rechtspersonen of andere lichamen, aan wie een deel van de overheidstaak is opgedragen, als bedoeld in artikel 94, eerste lid, onder b en c, van de wet, worden aangewezen:

Artikel 37

Indien uit een ingeschreven stuk blijkt dat sprake is van een trust, wordt in de registratie voor luchtvaartuigen als rechthebbende vermeld de trustee, alsmede die hoedanigheid, onder vermelding van de gegevens betreffende de trust.

Artikel 38

De in artikel 15 van de Maatregel teboekgestelde luchtvaartuigen 1996 bedoelde verzoeken en aangiften hebben de vorm van de modellen die als bijlagen 14 tot en met 16 bij deze regeling zijn gevoegd.

Artikel 39
1.

De wijze van bijwerking, bedoeld in artikel XVIII van hoofdstuk II van de Invoeringswet Kadasterwet, geschiedt met inachtneming van het tweede en derde lid.

2.

Ingeval de registratie voor luchtvaartuigen een of meer soorten van gegevens omtrent hypotheken bevat als bedoeld in artikel 92, tweede lid, van de wet, vindt bijhouding plaats op grond van veranderingen als bedoeld in artikel XVIII van hoofdstuk II van de Invoeringswet Kadasterwet en vangt de bijhouding van die soorten van gegevens in de registratie voor luchtvaartuigen terstond aan.

3.

De wijze van bijhouding vindt, voorts, plaats in overeenstemming met inachtneming van hetgeen bij of krachtens de wet daaromtrent is bepaald.

Hoofdstuk 10. Overige en slotbepalingen

Artikel 40

De gevallen waarin de Dienst bevoegd is om de kadastrale aanduiding van onroerende zaken en appartementsrechten te wijzigen en de grootte van percelen opnieuw vast te stellen, bedoeld in artikel 111, eerste lid, van de wet, zijn:

Artikel 41

De Uitvoeringsregeling Kadasterwet wordt ingetrokken.

Artikel 42
1.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag waarop de Organisatiewet Kadaster in werking treedt.

2.

Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling Kadasterwet 1994.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen die ter inzage zullen worden gelegd. Van deze terinzagelegging zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

Bijlage 1

Niet opgenomen.

Bijlage 2

Niet opgenomen.

Bijlage 3

Niet opgenomen.

Bijlage 4

Niet opgenomen.

Bijlage 5

Niet opgenomen.

Bijlage 6

Niet opgenomen.

Bijlage 7

Niet opgenomen.

Bijlage 8

Niet opgenomen.

Bijlage 9

Niet opgenomen.

Bijlage 10

Niet opgenomen.

Bijlage 11

Niet opgenomen.

Bijlage 12

Niet opgenomen.

Bijlage 13

Niet opgenomen.

Bijlage 14. als bedoeld in artikel 38 van de Uitvoeringsregeling Kadasterwet 1994

Verzoek tot teboekstelling van een luchtvaartuig

De ondergetekende(n)

wonende

woonplaats kiezende te: …

eigen(a)ar(en) van het luchtvaartuig met het nationaliteits- en inschrijvingskenmerk … genaamd …

gebouwd te … in het jaar …

fabrikaat: … type: …

serienummer: …

fabrikaat motoren: …

type: … aantal: …

maximum startgewicht: …

welk luchtvaartuig:

Hij/Zij verklaart/verklaren 2Doorhalen wat niet van toepassing is:

Voorts verklaart/verklaren hij/zij, dat naar zijn/haar/hun beste weten het luchtvaartuig voor teboekstelling vatbaar is.

De ondergetekende(n) verzoek/verzoeken de arrondissementsrechtbank te deze verklaring goed te keuren.

Teneinde deze goedkeuring te verkrijgen, worden bij dit verzoek overgelegd:

…, …

Totaal der bijlagen: …

Beschikking van de rechtbank

...

Bijlage 15. als bedoeld in artikel 38 van de Uitvoeringsregeling Kadasterwet 1994

Verzoek tot doorhaling van de teboekstelling van een luchtvaartuig

De ondergetekende(n)

wonende …

verzoekt/verzoeken de bewaarder van het kadaster en de openbare registers te Rotterdam de teboekstelling van het luchtvaartuig met het nationaliteits- en inschrijvingskenmerk …

nummer van teboekstelling: …

genaamd …

door te halen.

De mede-ondergetekende(n) 1Doorhalen, indien de bewijsstukken genoemd onder b worden overgelegd

wonende …

te wiens/wier gunste inschrijvingen of voorlopige aantekeningen betreffende het luchtvaartuig bestaan, verklaart/verklaren in de doorhaling toe te stemmen, verklaart/verklaren dat zij zijn voldaan.

Teneinde de machtiging tot deze doorhaling te verkrijgen, worden aan de arrondissementsrechtbank te … bij dit verzoek overgelegd:

…, …

Totaal der bijlagen: …

Bijlage 16. als bedoeld in artikel 38 van de Uitvoeringsregeling Kadasterwet 1994

Aangifte

De ondergetekende(n)

wonende …

verklaart/verklaren omtrent het luchtvaartuig met het nationaliteits- en inschrijvingskenmerk …

nummer van teboekstelling: …

genaamd …

Teneinde de machtiging tot deze doorhaling te verkrijgen, worden aan de arrondissementsrechtbank te bij dit verzoek overgelegd:

Totaal der bijlagen: …

… (plaats), … (datum)