Wet van 21 april 1994, houdende vervanging van de Wegenverkeerswet

Type Wet
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 859
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
1.

Een kwalificatiekaart bestuurder wordt op aanvraag van een bestuurder als bedoeld in artikel 151g, vierde lid, en tegen betaling van het daarvoor door de Dienst Wegverkeer vastgestelde tarief overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels afgegeven door de Dienst Wegverkeer.

2.

De aanvrager dient zich zowel bij de indiening van de aanvraag als bij de uitreiking van de kwalificatiekaart bestuurder te identificeren met een op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de identificatieplicht.

Artikel 151ic

1.

De Dienst Wegverkeer geeft overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels een nieuwe kwalificatiekaart bestuurder af:

2.

De nieuwe kwalificatiekaart bestuurder wordt niet afgegeven dan nadat de eerder afgegeven kwalificatiekaart bestuurder is ingeleverd bij de Dienst Wegverkeer.

3.

Indien de houder van een verloren geraakte kwalificatiekaart bestuurder na de afgifte van de nieuwe kwalificatiekaart bestuurder weer in het bezit komt van die verloren geraakte kwalificatiekaart bestuurder, dient hij die kwalificatiekaart bestuurder in te leveren bij de Dienst Wegverkeer.

Artikel 151id

1.

De Dienst Wegverkeer geeft op aanvraag overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels een vervangende kwalificatiekaart bestuurder af.

2.

De vervangende kwalificatiekaart bestuurder wordt niet afgegeven dan nadat de eerder afgegeven kwalificatiekaart bestuurder is ingeleverd bij de Dienst Wegverkeer, tenzij deze kwalificatiekaart bestuurder, omdat hij verloren is geraakt of teniet is gegaan, niet kan worden ingeleverd.

3.

Indien de houder van een verloren geraakte kwalificatiekaart bestuurder na de afgifte van de vervangende kwalificatiekaart bestuurder weer in het bezit komt van die verloren geraakte kwalificatiekaart bestuurder, dient hij die kwalificatiekaart bestuurder in te leveren bij de Dienst Wegverkeer.

Artikel 151ie

De nieuwe of vervangende kwalificatiekaart bestuurder wordt niet uitgereikt indien tussen de aanvraag en de uitreiking omstandigheden bekend zijn geworden die, indien zij bekend waren geweest bij de aanvraag, ertoe hadden geleid dat geen besluit van afgifte was genomen. De nieuwe of vervangende kwalificatiekaart bestuurder blijft bij de Dienst Wegverkeer.

Artikel 151if

Met inachtneming van de artikelen 151ig en 151ih is de geldigheidsduur van de kwalificatiekaart bestuurder gelijk aan die van het getuigschrift van vakbekwaamheid dan wel het getuigschrift van nascholing dat daarop wordt geplaatst.

Artikel 151ig

Onverminderd artikel 151if en artikel 151ij, eerste lid, in samenhang met artikel 124a, eerste lid, verliest de kwalificatiekaart bestuurder zijn geldigheid door:

Artikel 151ih

Een nieuwe of vervangende kwalificatiekaart bestuurder verliest zijn geldigheid indien hij drie maanden na de datum waarop het besluit tot afgifte is genomen niet is uitgereikt.

Artikel 151ii

1.

Een kwalificatiekaart bestuurder wordt overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels ongeldig verklaard indien:

2.

De ongeldigverklaring geschiedt door de Dienst Wegverkeer.

3.

De ongeldigverklaring is van kracht met ingang van de zevende dag na die waarop het besluit tot ongeldigverklaring aan de houder van de kwalificatiekaart bestuurder is bekendgemaakt.

4.

De houder van de ongeldig verklaarde kwalificatiekaart bestuurder levert die kwalificatiekaart bestuurder in bij de Dienst Wegverkeer zodra de ongeldigverklaring van kracht is geworden.

5.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden vastgesteld omtrent de wijze waarop de inlevering van ongeldig verklaarde kwalificatiekaarten bestuurder plaatsvindt.

Artikel 151ij

1.

Artikel 124a, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op een getuigschrift van vakbekwaamheid of getuigschrift van nascholing dat is vermeld op de kwalificatiekaart bestuurder overeenkomstig artikel 151g, vierde lid.

2.

Zodra de ongeldigverklaring van een getuigschrift van kracht is geworden, levert de houder van een kwalificatiekaart bestuurder die kaart in bij de Dienst Wegverkeer.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze van bekendmaking van de ongeldigverklaring van een getuigschrift, de wijze van inlevering van een kwalificatiekaart bestuurder met een ongeldig verklaard getuigschrift en de vernieuwing van kwalificatiekaarten bestuurder na ongeldigverklaring van het daarop vermelde getuigschrift.

Artikel 151ik

Voor de toepassing van de artikelen 151ic, eerste en tweede lid, 151id, 151ig en 151ii, eerste lid, aanhef en onderdelen c en d, en derde tot en met vijfde lid, wordt onder kwalificatiekaart bestuurder mede verstaan een kwalificatiekaart bestuurder, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is.

§ 1. Algemene bepalingen

§ 1. Last onder bestuursdwang

§ 2. Bestuurlijke boete

Hoofdstuk X. Bestuurlijke handhaving

Hoofdstuk XIII. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 20ga

Vervallen

Hoofdstuk III. Goedkeuring van voertuigen en systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan en van voorzieningen die ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers zijn ontworpen en gebouwd

Hoofdstuk IV. Kentekens en kentekenbewijzen

§ 2. Verbodsbepalingen

Hoofdstuk IVA. Registratie van fietsen en andere mobiele objecten

Afdeling 4. Aanvraag van rijbewijzen

§ 1. Algemeen

Afdeling 10. Bromfietscertificaat

§ 2. Technologische eisen

§ 6. Onderzoeken naar de rijvaardigheid of geschiktheid

Hoofdstuk VIA. Interoperabiliteit van elektronische heffingssystemen

§ 1. Algemene bepalingen

§ 4. Nadere regelgeving

§ 4. Overige bepalingen

Artikel 158b

1.

De bij besluit van Onze Minister aangewezen personen als bedoeld in artikel 158, eerste lid, zijn in afwijking van artikel 5:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd met medeneming van de benodigde apparatuur een woning te betreden zonder toestemming van de bewoner ten behoeve van de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 14, vierde lid, onderdelen a, d en e, van verordening (EU) 2019/1020.

2.

Voor het uitoefenen van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, is een voorafgaande machtiging vereist van de rechter-commissaris. In het verzoek om afgifte van een machtiging worden de proportionaliteit en subsidiariteit van het verzoek gemotiveerd. De rechter-commissaris kan het openbaar ministerie horen alvorens te beslissen. Artikel 171 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

3.

Tegen de beslissing van de rechter-commissaris, bedoeld in het tweede lid, staat voor zover het verzoek om een machtiging niet is toegewezen, voor Onze Minister binnen veertien dagen beroep open bij de rechtbank, sector strafrecht.

4.

Artikel 158c

1.

De bij besluit van Onze Minister aangewezen personen als bedoeld in artikel 158, eerste lid, zijn bevoegd om, onder verstrekking van onjuiste of onvolledige gegevens met betrekking tot hun identiteit en hoedanigheid, voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken of voorzieningen voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan of voorzieningen ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers als bedoeld in artikel 21, voertuigen als bedoeld in artikel 34 of banden als bedoeld in artikel 34a, te verkrijgen ten behoeve van het controleren van de kenmerken van deze producten en de verificatie van de documenten en de hieraan gerelateerde handelingen te verrichten voor zover dat voor de vervulling van hun taak noodzakelijk is. Artikel 5:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

2.

De persoon die gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, maakt daarvan een schriftelijk verslag op waarin hij vermeldt:

Artikel 158d

1.

Ter uitvoering van verordening (EU) 2019/1020 kan Onze Minister, indien er geen andere doeltreffende middelen voorhanden zijn om een ernstig risico als bedoeld in artikel 3, onderdeel 20, van verordening (EU) 2019/1020, gevormd door een product als bedoeld in artikel 158c, eerste lid, weg te nemen, een zelfstandige last opleggen aan degene die daartoe in staat is, om de inhoud te verwijderen van of de toegang te beperken tot een online interface als bedoeld in artikel 3, onderdeel 15, van die verordening of opdracht te geven tot de duidelijke weergave van een waarschuwing voor eindgebruikers, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 21, van die verordening wanneer zij zich toegang verschaffen tot een online interface.

2.

Indien niet binnen de daarvoor gestelde termijn aan een last als bedoeld in het eerste lid is voldaan, kan Onze Minister een zelfstandige last opleggen aan een aanbieder van diensten van de informatiemaatschappij, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 14, van verordening (EU) 2019/1020, om alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om de toegang tot een online interface te beperken, onder meer door een daarvoor in aanmerking komende derde te verzoeken dergelijke maatregelen uit te voeren.

3.

Degene tot wie een zelfstandige last als bedoeld in het eerste of het tweede lid is gericht, handelt overeenkomstig die last.

4.

Op grond van het eerste of tweede lid kan geen zelfstandige last worden opgelegd die leidt tot het blokkeren of filteren van internetverkeer.

5.

Voor een zelfstandige last als bedoeld in het eerste of tweede lid is voorafgaande machtiging vereist van de rechter-commissaris. In het verzoek om afgifte van een machtiging worden de proportionaliteit en subsidiariteit van het verzoek gemotiveerd. De rechter-commissaris kan het openbaar ministerie horen alvorens te beslissen. Artikel 171 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

6.

Tegen de beslissing van de rechter-commissaris, bedoeld in het vijfde lid, staat voor zover het verzoek om een machtiging niet is toegewezen, voor Onze Minister, binnen veertien dagen beroep open bij de rechtbank, sector strafrecht.

7.

De Minister maakt de machtiging van de rechter-commissaris gelijktijdig met de zelfstandige last, bedoeld in het eerste of tweede lid, bekend.

§ 1. Last onder bestuursdwang

§ 2. Bestuurlijke boete

Hoofdstuk XI. Strafbepalingen

Hoofdstuk XIII. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 29a

1.

Het is marktdeelnemers die betrokken zijn bij het op de markt aanbieden of in de handel brengen van voertuigen en systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan of voorzieningen ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers, als bedoeld in een EU-verordening of -richtlijn in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen, waar verordening (EU) 2019/1020 op van toepassing is, verboden in strijd te handelen met artikel 7, eerste lid, van die verordening.

2.

Het is aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij als bedoeld in artikel 3, onderdeel 14, van verordening (EU) 2019/1020 die betrokken zijn bij het op de markt aanbieden of in de handel brengen van voertuigen en systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan of voorzieningen ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers, als bedoeld in een EU-verordening of -richtlijn in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen waar verordening (EU) 2019/1020 op van toepassing is, verboden in strijd te handelen met artikel 7, tweede lid, van die verordening.

Artikel 30a

Het is verboden voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen die voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan zijn ontworpen en gebouwd en voorzieningen die ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers zijn ontworpen en gebouwd, door het aanbrengen van een teken of tekens, het afgeven van een bewijs of bewijzen dan wel het doen van mededelingen te doen of laten doorgaan voor goedgekeurd.

Hoofdstuk IIIA. Aanvullende eisen voor het op de markt aanbieden of in de handel brengen van voertuigen en banden

Artikel 34a

Onverminderd artikel 21 is het verboden banden op de markt aan te bieden of in de handel te brengen zonder dat aan de daaraan gestelde eisen wat betreft etikettering wordt voldaan als bedoeld in de artikelen 4 tot en met 9 van verordening (EU) 2020/740.

Hoofdstuk IIIA. Aanvullende eisen voor het op de markt aanbieden of in de handel brengen van voertuigen en banden

Afdeling 3. Algemene voorwaarden met betrekking tot de verkrijging van rijbewijzen

Afdeling 6. Geldigheidsduur

§ 6. Onderzoeken naar de rijvaardigheid of geschiktheid

Afdeling 10. Bromfietscertificaat

§ 2. Technologische eisen

§ 1. Algemene bepalingen

§ 2. Getuigschrift van vakbekwaamheid en getuigschrift van nascholing

§ 3. Kwalificatiekaart bestuurder

§ 4. Overige bepalingen

Hoofdstuk X. Bestuurlijke handhaving

§ 1. Last onder bestuursdwang

§ 2. Bestuurlijke boete

Hoofdstuk XI. Strafbepalingen

Hoofdstuk XII. Civiele aansprakelijkheid

Hoofdstuk XIII. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel a4a

[Gereserveerd]

Artikel a4b

[Gereserveerd]

Artikel a4c

1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden in verband met de verkeersveiligheid van weginfrastructuur nadere regels gesteld.

2.

Deze regels hebben in elk geval betrekking op:

Hoofdstuk IA. De Dienst Wegverkeer

Paragraaf 1. Algemeen

Paragraaf 2. Taken van de Dienst Wegverkeer

Paragraaf 3. De organen

Paragraaf 5. Personeel van de organisatie

Paragraaf 6. Financiële bepalingen

Paragraaf 7. Overige bepalingen

Paragraaf 2. Taken van het CBR

Paragraaf 3. De organen

Hoofdstuk IC. Toezicht op keuringsinstellingen en onderzoeksgerechtigden

Hoofdstuk II. Verkeersgedrag

Hoofdstuk III. Goedkeuring van voertuigen en systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan en van voorzieningen die ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers zijn ontworpen en gebouwd

§ 1. Algemene bepalingen

Afdeling 8a. Registratie van gegevens in verband met de oplegging van een alcoholslotprogramma

Afdeling 9. Maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid

§ 2. Educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid

Afdeling 10. Bromfietscertificaat

§ 3. Kwalificatiekaart bestuurder

§ 4. Overige bepalingen

Hoofdstuk VIII. Kosten

§ 1. Last onder bestuursdwang

§ 2. Bestuurlijke boete

Artikel 174d

1.

De Dienst Wegverkeer kan in verband met een basiserkenning, erkenning voor specifieke handelingen of bevoegdheid als bedoeld in artikel 4aue aan degene die handelt in strijd met de in artikel 4aui van deze wet en artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde verplichtingen en verboden een bestuurlijke boete opleggen.

2.

De Dienst Wegverkeer kan in verband met een basiserkenning, erkenning voor specifieke handelingen of bevoegdheid als bedoeld in artikel 4aue aan degene die handelt in strijd met voorwaarden voor het behouden van een erkenning als bedoeld in artikel 4aud, tweede lid, en voorwaarden voor het behouden van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 4aue, derde lid, een bestuurlijke boete opleggen, voor zover het in strijd handelen met de desbetreffende voorwaarde daarbij uitdrukkelijk als beboetbaar feit is aangemerkt.

3.

De hoogte van de bestuurlijke boete die voor een overtreding van artikel 4aui van deze wet kan worden opgelegd, bedraagt ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor:

4.

De hoogte van de bestuurlijke boete die voor een overtreding als bedoeld in het tweede lid kan worden opgelegd wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald, met dien verstande dat de hoogte van de wegens een afzonderlijke overtreding te betalen bestuurlijke boete ten hoogste bedraagt het bedrag dat is vastgesteld voor:

5.

De hoogte van de bestuurlijke boete die voor een overtreding van artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan worden opgelegd, bedraagt ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de tweede categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

6.

De op te leggen bestuurlijke boete kan met maximaal 50% worden verhoogd, indien binnen een periode van 48 maanden tweemaal voor een zelfde feit, elk afzonderlijk in een periode van maximaal 24 maanden voorafgaand aan dat feit, een boete is opgelegd en onherroepelijk is geworden.

Hoofdstuk XI. Strafbepalingen

Hoofdstuk XII. Civiele aansprakelijkheid

Hoofdstuk XIII. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 1a

1.

De regels in deze wet en de daarop berustende bepalingen betreffende lichte elektrische voertuigen zijn niet van toepassing op fietsen met trapondersteuning die voor wat betreft het gebruik en de verkeersveiligheid vergelijkbaar zijn met fietsen zonder trapondersteuning.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke kenmerken een fiets met trapondersteuning als bedoeld in het eerste lid heeft.

Hoofdstuk aIA. Verkeersveiligheidsbeleid

Hoofdstuk IA. De Dienst Wegverkeer

Paragraaf 2. Taken van de Dienst Wegverkeer

Paragraaf 3. De organen

Paragraaf 4. Inrichting en bedrijfsvoering

Paragraaf 5. Personeel van de organisatie

Paragraaf 6. Financiële bepalingen

Paragraaf 7. Overige bepalingen

Hoofdstuk IB. Het CBR

Paragraaf 2. Taken van het CBR

Hoofdstuk IBA. Erkenning van bedrijven voor het verrichten van handelingen met betrekking tot de registratie van gegevens in het kentekenregister, de fabricage of registratie van kentekenplaten, de keuring van voertuigen of de inbouw van onderdelen of apparaten in voertuigen

Hoofdstuk II. Verkeersgedrag

Hoofdstuk IIA. Aanwijzing bromfietsen waarvoor geen Europese typegoedkeuring vereist is

Hoofdstuk III. Goedkeuring van voertuigen en systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan en van voorzieningen die ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers zijn ontworpen en gebouwd

Hoofdstuk IIIA. Aanvullende eisen voor het op de markt aanbieden of in de handel brengen van voertuigen en banden

Hoofdstuk IV. Kentekens en kentekenbewijzen

§ 1. Kentekenplicht

Hoofdstuk IVA. Registratie van fietsen en andere mobiele objecten

Hoofdstuk IVB. Tellerstanden

Hoofdstuk V. Gebruik van voertuigen op de weg

Afdeling 4. Aanvraag van rijbewijzen

§ 4. Overige bepalingen

§ 1. Last onder bestuursdwang

§ 2. Bestuurlijke boete

Hoofdstuk XII. Civiele aansprakelijkheid

Hoofdstuk XIII. Slotbepalingen

Artikel 186d

Vervallen

Artikel 186e

Vervallen

Artikel 186f

Vervallen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 4aua

1.

De Dienst Wegverkeer kan aan een natuurlijke persoon of een rechtspersoon een basiserkenning verlenen waardoor deze gerechtigd is gebruik te maken van één of meer erkenningen voor specifieke handelingen die aan die natuurlijke persoon of rechtspersoon wordt of worden verleend.

2.

De basiserkenning wordt uitsluitend verleend in samenhang met één of meer erkenningen voor specifieke handelingen.

Artikel 4aub

1.

De basiserkenning wordt door de Dienst Wegverkeer op aanvraag verleend, indien:

2.

Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen.

3.

De verklaring omtrent het gedrag die overeenkomstig het eerste lid, onderdeel b, is overgelegd, wordt door de Dienst Wegverkeer vijf jaar bewaard.

4.

Met een verklaring omtrent het gedrag wordt gelijkgesteld een verklaring omtrent het gedrag die is afgegeven door een daartoe bevoegde instantie in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, op basis van onderzoekingen of documenten die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het beschermingsniveau dat met de nationale onderzoekingen of documenten wordt geboden.

5.

Voordat de Dienst Wegverkeer de verlening van de basiserkenning weigert op grond van het eerste lid, onderdeel c, kan hij het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet vragen.

Artikel 4auc

1.

Na de afgifte van de basiserkenning overlegt de erkenninghouder eens per drie jaar een verklaring omtrent het gedrag die niet ouder is dan twee maanden.

2.

In afwijking van het eerste lid overlegt de erkenninghouder een verklaring omtrent het gedrag die niet ouder is dan twee maanden binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn nadat een bij ministeriële regeling bepaalde gebeurtenis omtrent de onderneming van de erkenninghouder, waaronder in ieder geval de toetreding van een nieuw lid tot het bestuur van een onderneming, zich voordoet.

3.

De verklaring omtrent het gedrag die overeenkomstig het eerste lid is overgelegd, wordt door de Dienst Wegverkeer vijf jaar bewaard.

Artikel 4aud

1.

De Dienst Wegverkeer kan aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning verlenen om te worden gerechtigd tot het verrichten van bij algemene maatregel van bestuur bepaalde handelingen, indien aan die natuurlijke persoon of rechtspersoon een basiserkenning is of tegelijkertijd wordt verleend. Het kan hierbij slechts gaan om handelingen die betrekking hebben op de registratie van gegevens in het kentekenregister, de fabricage of registratie van kentekenplaten, de keuring van voertuigen of de inbouw van onderdelen of apparaten in voertuigen en voor zover de aard van deze handelingen zich niet verzet tegen verrichting ervan door een ander dan de Dienst Wegverkeer.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden eisen en voorwaarden gesteld aan de aanvrager voor het verkrijgen respectievelijk behouden van een erkenning voor specifieke handelingen. De eisen betreffen onder meer de voor het verrichten van de desbetreffende handelingen benodigde apparatuur.

3.

Bij ministeriële regeling kan de eis worden gesteld dat ingevolge het tweede lid benodigde apparatuur is goedgekeurd door een door Onze Minister aan te wijzen keuringsinstelling en met de in die regeling vast te stellen periodiciteit is onderzocht door deze keuringsinstelling dan wel door een door deze keuringsinstelling erkende onderzoeksgerechtigde. Bij die ministeriële regeling kunnen regels worden vastgesteld met betrekking tot de erkenning van onderzoeksgerechtigden.

4.

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat middelen die worden gebruikt om de in het derde lid bedoelde apparatuur voor gebruik geschikt te maken zijn gecertificeerd door een door die keuringsinstelling erkende instelling en kunnen regels worden gesteld met betrekking tot die erkenning.

5.

Een erkenninghouder verwerkt persoonsgegevens voor zover dat noodzakelijk is om de bij de erkenning behorende taken en bevoegdheden te kunnen verrichten. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen over de verwerking nadere regels worden gesteld.

Artikel 4aue

1.

Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat handelingen in het kader van een erkenning voor specifieke handelingen met betrekking tot de keuring of inbouw van onderdelen of apparaten in voertuigen alleen worden verricht door natuurlijke personen die daartoe bevoegd zijn.

2.

De Dienst Wegverkeer kan bij besluit aan een natuurlijke persoon een bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid verlenen.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden eisen en voorwaarden gesteld voor het verkrijgen respectievelijk behouden van een bevoegdheid als bedoeld in het tweede lid.

Artikel 4auf

1.

Een bij de Dienst Wegverkeer in te dienen aanvraag tot verlening van een basiserkenning, een erkenning voor specifieke handelingen of een bevoegdheid als bedoeld in artikel 4aue wordt ingediend op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.

2.

De kosten die samenhangen met het in behandeling nemen van de aanvraag en in verband met het door de Dienst Wegverkeer verrichten van taken en handelingen en het nemen van besluiten als bedoeld in artikel 4b, eerste lid, onderdelen j en k, ten aanzien van erkenningen en bevoegdheden worden door de Dienst Wegverkeer vastgesteld en komen ten laste van de aanvrager onderscheidenlijk erkenninghouder of bevoegde persoon.

Artikel 4aug

1.

Met het toezicht op de naleving van de uit de basiserkenning, erkenning voor specifieke handelingen of bevoegdheid als bedoeld in artikel 4aue voortvloeiende verplichtingen en van de aan de basiserkenning, erkenning voor specifieke handelingen of bevoegdheid als bedoeld in artikel 4aue verbonden eisen en voorwaarden zijn belast de bij besluit van de Dienst Wegverkeer aangewezen ambtenaren.

2.

Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 4auh

1.

De Dienst Wegverkeer trekt een basiserkenning in:

2.

Voordat de Dienst Wegverkeer toepassing geeft aan het eerste lid, aanhef en onderdeel d, kan hij het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet vragen.

3.

Een erkenning voor specifieke handelingen vervalt indien de basiserkenning is ingetrokken.

4.

Het eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, is van overeenkomstige toepassing op erkenningen voor specifieke handelingen.

5.

De Dienst Wegverkeer trekt een bevoegdheid als bedoeld in artikel 4aue in indien:

6.

De Dienst Wegverkeer kan een basiserkenning, erkenning voor specifieke handelingen of bevoegdheid als bedoeld in artikel 4aue intrekken of wijzigen indien de erkenninghouder of bevoegde persoon niet of niet meer voldoet aan de eisen voor de erkenning of bevoegdheid of aan de erkenning of bevoegdheid verbonden voorwaarden of uit de erkenning of bevoegdheid voortvloeiende verplichtingen niet nakomt of in strijd daarmee handelt.

7.

De Dienst Wegverkeer kan voordat toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, aanhef en onderdelen c en d, of het zesde lid, een basiserkenning, erkenning voor specifieke handelingen of bevoegdheid als bedoeld in artikel 4aue schorsen voor een door hem daarbij vast te stellen termijn van ten hoogste twaalf weken. Indien een basiserkenning wordt geschorst, worden de erkenningen voor specifieke handelingen van de erkenninghouder voor dezelfde termijn geschorst.

8.

Bij de intrekking van een basiserkenning, erkenning voor specifieke handelingen of bevoegdheid als bedoeld in artikel 4aue kan de Dienst Wegverkeer bepalen dat een wachttijd geldt voor het aanvragen van een basiserkenning, erkenning voor specifieke handelingen of bevoegdheid van ten hoogste 30 maanden.

Artikel 4aui

Het is een ieder aan wie niet een basiserkenning, erkenning voor specifieke handelingen of bevoegdheid als bedoeld in artikel 4aue is verleend, verboden zich op zodanige wijze te gedragen, uit te laten of voor te doen, dat daardoor de indruk kan worden gewekt, dat een zodanige erkenning of bevoegdheid aan hem is verleend.

Hoofdstuk II. Verkeersgedrag

Hoofdstuk IIA. Aanwijzing bromfietsen waarvoor geen Europese typegoedkeuring vereist is

Hoofdstuk IV. Kentekens en kentekenbewijzen

§ 5. Erkenningsregeling bedrijfsvoorraad

Hoofdstuk IVA. Registratie van fietsen en andere mobiele objecten

Hoofdstuk V. Gebruik van voertuigen op de weg

Hoofdstuk VI. Rijvaardigheid en rijbevoegdheid

Afdeling 7. Verlies van geldigheid

Afdeling 8a. Registratie van gegevens in verband met de oplegging van een alcoholslotprogramma

Afdeling 10. Bromfietscertificaat

§ 1. Algemene bepalingen

§ 2. Technologische eisen

Hoofdstuk VIB. Intelligente vervoerssystemen op het gebied van wegvervoer

§ 2. Getuigschrift van vakbekwaamheid en getuigschrift van nascholing

§ 3. Kwalificatiekaart bestuurder

§ 4. Overige bepalingen

§ 1. Last onder bestuursdwang

§ 2. Bestuurlijke boete

Hoofdstuk XI. Strafbepalingen

Hoofdstuk XII. Civiele aansprakelijkheid

Hoofdstuk XIII. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)