Besluit van 15 september 1994, houdende het van kracht zijn voor de Rijn in Nederland van het Reglement van politie voor de Rijnvaart
| Gedeelte | Lengte in m | Breedte in m | |
|---|---|---|---|
| 3.1 | Bazel (km 166,53) t/m sluizen Iffezheim (km 334,00) | Bazel (km 166,53) t/m sluizen Iffezheim (km 334,00) | Bazel (km 166,53) t/m sluizen Iffezheim (km 334,00) |
| a) Sluizen Kembs | a) Sluizen Kembs | a) Sluizen Kembs | |
| aa) westelijke sluiskolk | 180 | 22,90 | |
| bb) oostelijke sluiskolk | 186,50 | 22,90 | |
| b) Sluizen Ottmarsheim | b) Sluizen Ottmarsheim | b) Sluizen Ottmarsheim | |
| aa) grote sluis | 183 | 22,80 | |
| bb) kleine sluis | 183 | 11,45 | |
| c) Sluizen Fessenheim, Vogelgrün, Marckolsheim en Rhinau | c) Sluizen Fessenheim, Vogelgrün, Marckolsheim en Rhinau | c) Sluizen Fessenheim, Vogelgrün, Marckolsheim en Rhinau | |
| aa) grote sluis | 183 | 22,80 | |
| bb) kleine sluis | 183 | 11,45 | |
| Deze lengte mag met toestemming van de bevoegde autoriteit worden verhoogd tot 185 m. In dit geval is artikel 6.28, zevende lid, onder a en e, niet van toepassing. | Deze lengte mag met toestemming van de bevoegde autoriteit worden verhoogd tot 185 m. In dit geval is artikel 6.28, zevende lid, onder a en e, niet van toepassing. | Deze lengte mag met toestemming van de bevoegde autoriteit worden verhoogd tot 185 m. In dit geval is artikel 6.28, zevende lid, onder a en e, niet van toepassing. | |
| d) Sluizen Gerstheim en Straatsburg | d) Sluizen Gerstheim en Straatsburg | d) Sluizen Gerstheim en Straatsburg | |
| aa) grote sluis | 185 | 22,90 | |
| bb) kleine sluis | 185 | 11,45 | |
| e) Sluizen Gambsheim en Iffezheim | 270 | 22,90 | |
| De bevoegde autoriteit kan een grotere lengte toelaten | De bevoegde autoriteit kan een grotere lengte toelaten | De bevoegde autoriteit kan een grotere lengte toelaten | |
| 3.2 | a) Sluizen Iffezheim (km 334,00) t/m Lorch (km 540,20) | 193 | 22,90 |
| b) Karlsruhe (km 359,80) t/m/ Lorch (km 540,20) | 153 | 34,35 | |
| bovendien | bovendien | bovendien | |
| Alleen de afvaart en bij een waterstand op de peilschaal bij Kaub van 1,20 m en meer, tenzij de bevoegde autoriteit de vaart bij een lagere waterstand uitdrukkelijk heeft toegelaten. Voor zover de duwboot langszijde daarvan vastgemaakte duwbakken meevoert, moeten deze onbeladen zijn. | Alleen de afvaart en bij een waterstand op de peilschaal bij Kaub van 1,20 m en meer, tenzij de bevoegde autoriteit de vaart bij een lagere waterstand uitdrukkelijk heeft toegelaten. Voor zover de duwboot langszijde daarvan vastgemaakte duwbakken meevoert, moeten deze onbeladen zijn. | Alleen de afvaart en bij een waterstand op de peilschaal bij Kaub van 1,20 m en meer, tenzij de bevoegde autoriteit de vaart bij een lagere waterstand uitdrukkelijk heeft toegelaten. Voor zover de duwboot langszijde daarvan vastgemaakte duwbakken meevoert, moeten deze onbeladen zijn. | |
| 3.3 | Lorch (km 540,20) t/m St. Goar (km 556,00) | ||
| a) In opvaart | 186,50 | 22,90 | |
| b) In afvaart | 116,50 | 22,90 | |
| De bevoegde autoriteit kan een grotere lengte toelaten. | |||
| c) Bij een waterstand op de peilschaal bij Kaub tussen 0,85 m en hoogwaterpeil I bovendien voor duwstellen: | c) Bij een waterstand op de peilschaal bij Kaub tussen 0,85 m en hoogwaterpeil I bovendien voor duwstellen: | c) Bij een waterstand op de peilschaal bij Kaub tussen 0,85 m en hoogwaterpeil I bovendien voor duwstellen: | |
| aa) in opvaart | 193 | 22,90 | |
| bb) in afvaart | 193 | 12,50 | |
| d) Onderdeel c geldt slechts indien het duwstel beschikt over | d) Onderdeel c geldt slechts indien het duwstel beschikt over | d) Onderdeel c geldt slechts indien het duwstel beschikt over | |
| aa) bij een breedte tot en met 12,50 m: | aa) bij een breedte tot en met 12,50 m: | aa) bij een breedte tot en met 12,50 m: | |
| aaa) een meerschroefsaandrijving en een of meer vanuit de stuurstand bedienbare boegbesturingsinstallaties met een vermogen van in totaal ten minste 360 kW, of | aaa) een meerschroefsaandrijving en een of meer vanuit de stuurstand bedienbare boegbesturingsinstallaties met een vermogen van in totaal ten minste 360 kW, of | aaa) een meerschroefsaandrijving en een of meer vanuit de stuurstand bedienbare boegbesturingsinstallaties met een vermogen van in totaal ten minste 360 kW, of | |
| bbb) een eenschroefsaandrijving en een of meer vanuit de stuurstand bedienbare boegbesturingsinstallaties met een vermogen van in totaal ten minste 500 kW, waarbij ten minste de helft van het vermogen aan de kop of het samenstel of op de voorste duwbakken aanwezig is; | bbb) een eenschroefsaandrijving en een of meer vanuit de stuurstand bedienbare boegbesturingsinstallaties met een vermogen van in totaal ten minste 500 kW, waarbij ten minste de helft van het vermogen aan de kop of het samenstel of op de voorste duwbakken aanwezig is; | bbb) een eenschroefsaandrijving en een of meer vanuit de stuurstand bedienbare boegbesturingsinstallaties met een vermogen van in totaal ten minste 500 kW, waarbij ten minste de helft van het vermogen aan de kop of het samenstel of op de voorste duwbakken aanwezig is; | |
| bb) bij een breedte van meer dan 12,50 m:0 | bb) bij een breedte van meer dan 12,50 m:0 | bb) bij een breedte van meer dan 12,50 m:0 | |
| een meerschroefsaandrijving met twee van elkaar onafhankelijke aandrijvingen en een of meer vanuit de stuurstand bedienbare boegbesturingsinstallaties met een vermogen van in totaal ten minste 500 kW, waarbij ten minste de helft van het vermogen aan de kop of het samenstel of op de voorste duwbakken aanwezig is; | een meerschroefsaandrijving met twee van elkaar onafhankelijke aandrijvingen en een of meer vanuit de stuurstand bedienbare boegbesturingsinstallaties met een vermogen van in totaal ten minste 500 kW, waarbij ten minste de helft van het vermogen aan de kop of het samenstel of op de voorste duwbakken aanwezig is; | een meerschroefsaandrijving met twee van elkaar onafhankelijke aandrijvingen en een of meer vanuit de stuurstand bedienbare boegbesturingsinstallaties met een vermogen van in totaal ten minste 500 kW, waarbij ten minste de helft van het vermogen aan de kop of het samenstel of op de voorste duwbakken aanwezig is; | |
| cc) bij een lengte van meer dan 186,50 m in de afvaart: | cc) bij een lengte van meer dan 186,50 m in de afvaart: | cc) bij een lengte van meer dan 186,50 m in de afvaart: | |
| een meerschroefsaandrijving en, bij een waterstand op de peilschaal bij Kaub van meer dan 3,50 m, over een specifiek vermogen van ten minste 0,5 kW per ton lading. | een meerschroefsaandrijving en, bij een waterstand op de peilschaal bij Kaub van meer dan 3,50 m, over een specifiek vermogen van ten minste 0,5 kW per ton lading. | een meerschroefsaandrijving en, bij een waterstand op de peilschaal bij Kaub van meer dan 3,50 m, over een specifiek vermogen van ten minste 0,5 kW per ton lading. | |
| 3.4 | a) St. Goar (km 556,00) t/m Gorinchem (km 952,50) | 193 | 22,90 |
| b) in afvaart | 153 | 34,35 | |
| bovendien | |||
| c) Onderdeel b geldt op het gedeelte: | c) Onderdeel b geldt op het gedeelte: | c) Onderdeel b geldt op het gedeelte: | |
| aa) St. Goar (km 556,00) t/m Rolandswerth (km 641,80) alleen bij een waterstand op de peilschaal bij Kaub van 1,20 m en meer; | aa) St. Goar (km 556,00) t/m Rolandswerth (km 641,80) alleen bij een waterstand op de peilschaal bij Kaub van 1,20 m en meer; | aa) St. Goar (km 556,00) t/m Rolandswerth (km 641,80) alleen bij een waterstand op de peilschaal bij Kaub van 1,20 m en meer; | |
| bb) Rolandswerth (km 641,80) tot en met het Spijksche Veer (km 857,40) alleen bij een waterstand op de peilschaal bij Ruhrort van 2,10 m en meer; | bb) Rolandswerth (km 641,80) tot en met het Spijksche Veer (km 857,40) alleen bij een waterstand op de peilschaal bij Ruhrort van 2,10 m en meer; | bb) Rolandswerth (km 641,80) tot en met het Spijksche Veer (km 857,40) alleen bij een waterstand op de peilschaal bij Ruhrort van 2,10 m en meer; | |
| cc) het Spijksche Veer (km 857,40) tot en met Gorinchem (km 952,50) alleen bij een waterstand op de peilschaal bij Lobith van 8,50 m en meer, | cc) het Spijksche Veer (km 857,40) tot en met Gorinchem (km 952,50) alleen bij een waterstand op de peilschaal bij Lobith van 8,50 m en meer, | cc) het Spijksche Veer (km 857,40) tot en met Gorinchem (km 952,50) alleen bij een waterstand op de peilschaal bij Lobith van 8,50 m en meer, | |
| tenzij de bevoegde autoriteit de vaart bij een lagere waterstand uitdrukkelijk heeft toegelaten. | tenzij de bevoegde autoriteit de vaart bij een lagere waterstand uitdrukkelijk heeft toegelaten. | tenzij de bevoegde autoriteit de vaart bij een lagere waterstand uitdrukkelijk heeft toegelaten. | |
| Voor zover de duwboot langszijde daarvan vastgemaakte duwbakken meevoert, moeten deze onbeladen zijn. | Voor zover de duwboot langszijde daarvan vastgemaakte duwbakken meevoert, moeten deze onbeladen zijn. | Voor zover de duwboot langszijde daarvan vastgemaakte duwbakken meevoert, moeten deze onbeladen zijn. | |
| 3.5 | Bad Salzig (km 564,30) t/m Gorinchem (km 952,50) onverminderd de bepalingen van lid 3.4 voor duwstellen: | Bad Salzig (km 564,30) t/m Gorinchem (km 952,50) onverminderd de bepalingen van lid 3.4 voor duwstellen: | Bad Salzig (km 564,30) t/m Gorinchem (km 952,50) onverminderd de bepalingen van lid 3.4 voor duwstellen: |
| a) in opvaart (lange formatie) | 269,50 | 22,90 | |
| b) in afvaart (brede formatie) | 193 | 34,35 | |
| c) In de gevallen van de onderdelen a en b mag een duwstel: | c) In de gevallen van de onderdelen a en b mag een duwstel: | c) In de gevallen van de onderdelen a en b mag een duwstel: | |
| aa) niet meer dan zes duwbakken bevatten. In afvaart mogen ten hoogste vier duwbakken een diepgang van 1,50 m of meer hebben. Zeeschipbakken mogen slechts langszijde van andere duwbakken vastgemaakt worden meegevoerd; vier zeeschipbakken achter elkaar gelden daarbij als één duwbak; | aa) niet meer dan zes duwbakken bevatten. In afvaart mogen ten hoogste vier duwbakken een diepgang van 1,50 m of meer hebben. Zeeschipbakken mogen slechts langszijde van andere duwbakken vastgemaakt worden meegevoerd; vier zeeschipbakken achter elkaar gelden daarbij als één duwbak; | aa) niet meer dan zes duwbakken bevatten. In afvaart mogen ten hoogste vier duwbakken een diepgang van 1,50 m of meer hebben. Zeeschipbakken mogen slechts langszijde van andere duwbakken vastgemaakt worden meegevoerd; vier zeeschipbakken achter elkaar gelden daarbij als één duwbak; | |
| bb) slechts varen, indien aan de kop van het samenstel een vanuit de stuurstand van de duwboot bedienbare boegbesturingsinstallatie beschikbaar is. | bb) slechts varen, indien aan de kop van het samenstel een vanuit de stuurstand van de duwboot bedienbare boegbesturingsinstallatie beschikbaar is. | bb) slechts varen, indien aan de kop van het samenstel een vanuit de stuurstand van de duwboot bedienbare boegbesturingsinstallatie beschikbaar is. | |
| d) Op het riviergedeelte Bad Salzig (km 564,30) tot en met het Spijksche Veer (km 857,40) mag een duwstel bovendien slechts varen, indien de waterstand op de peilschaal bij Ruhrort tussen 2,75 m en 7,15 m is gelegen, tenzij de bevoegde autoriteit de vaart bij andere waterstanden uitdrukkelijk heeft toegelaten. | d) Op het riviergedeelte Bad Salzig (km 564,30) tot en met het Spijksche Veer (km 857,40) mag een duwstel bovendien slechts varen, indien de waterstand op de peilschaal bij Ruhrort tussen 2,75 m en 7,15 m is gelegen, tenzij de bevoegde autoriteit de vaart bij andere waterstanden uitdrukkelijk heeft toegelaten. | d) Op het riviergedeelte Bad Salzig (km 564,30) tot en met het Spijksche Veer (km 857,40) mag een duwstel bovendien slechts varen, indien de waterstand op de peilschaal bij Ruhrort tussen 2,75 m en 7,15 m is gelegen, tenzij de bevoegde autoriteit de vaart bij andere waterstanden uitdrukkelijk heeft toegelaten. | |
| e) Op het riviergedeelte Spijksche Veer (km 857,40) tot en met Gorinchem (km 952,50) mag, tenzij de bevoegde autoriteit de vaart bij andere waterstanden uitdrukkelijk heeft toegelaten, een duwstel bovendien slechts varen | e) Op het riviergedeelte Spijksche Veer (km 857,40) tot en met Gorinchem (km 952,50) mag, tenzij de bevoegde autoriteit de vaart bij andere waterstanden uitdrukkelijk heeft toegelaten, een duwstel bovendien slechts varen | e) Op het riviergedeelte Spijksche Veer (km 857,40) tot en met Gorinchem (km 952,50) mag, tenzij de bevoegde autoriteit de vaart bij andere waterstanden uitdrukkelijk heeft toegelaten, een duwstel bovendien slechts varen | |
| aa) indien de waterstand op de peilschaal bij Lobith tussen 8,50 m en 13,50 m is gelegen; | aa) indien de waterstand op de peilschaal bij Lobith tussen 8,50 m en 13,50 m is gelegen; | aa) indien de waterstand op de peilschaal bij Lobith tussen 8,50 m en 13,50 m is gelegen; | |
| bb) indien het geen gevaarlijke stoffen vervoert, voor het vervoer waarvan een certificaat van goedkeuring volgens het ADN is vereist; | bb) indien het geen gevaarlijke stoffen vervoert, voor het vervoer waarvan een certificaat van goedkeuring volgens het ADN is vereist; | bb) indien het geen gevaarlijke stoffen vervoert, voor het vervoer waarvan een certificaat van goedkeuring volgens het ADN is vereist; | |
| cc) met een duwboot met een lengte van niet meer dan 40 m, indien bovendien: | cc) met een duwboot met een lengte van niet meer dan 40 m, indien bovendien: | cc) met een duwboot met een lengte van niet meer dan 40 m, indien bovendien: | |
| aaa) het maximale vermogen van de aandrijving van de duwboot niet groter is dan 4.500 kW; | aaa) het maximale vermogen van de aandrijving van de duwboot niet groter is dan 4.500 kW; | aaa) het maximale vermogen van de aandrijving van de duwboot niet groter is dan 4.500 kW; | |
| bbb) in de lange formatie ten minste vier duwbakken een diepgang hebben van 2,50 m of meer. In afvaart in de brede formatie mag op dit gedeelte ook zonder boegbesturingsinstallatie worden gevaren, indien ten minste twee en ten hoogste vier duwbakken een diepgang van 2,50 m of meer hebben en twee daarvan in de as van het duwstel zijn geplaatst. | bbb) in de lange formatie ten minste vier duwbakken een diepgang hebben van 2,50 m of meer. In afvaart in de brede formatie mag op dit gedeelte ook zonder boegbesturingsinstallatie worden gevaren, indien ten minste twee en ten hoogste vier duwbakken een diepgang van 2,50 m of meer hebben en twee daarvan in de as van het duwstel zijn geplaatst. | bbb) in de lange formatie ten minste vier duwbakken een diepgang hebben van 2,50 m of meer. In afvaart in de brede formatie mag op dit gedeelte ook zonder boegbesturingsinstallatie worden gevaren, indien ten minste twee en ten hoogste vier duwbakken een diepgang van 2,50 m of meer hebben en twee daarvan in de as van het duwstel zijn geplaatst. | |
| 3.6 | a) Pannerden (km 867,46) t/m/ lekkanaal (km 949,40) | 135 | 15 |
| b) voor duwstellen met een lengte van meer dan 110 m en een boegbesturingsinstallatie van voldoende vermogen. Tussen IJsselkop(km 878,60) enArnhem(km 885,00) is het verboden voorbij te lopen en te ontmoeten. | 186,50 | 11,45 | |
| De bevoegde autoriteit kan een grotere lengte toelaten. Voorts bedragen de ten hoogste toegelaten afmetingen van duwstellen varend op het Amsterdam-Rijnkanaal die de Lek bij Wijk bij Duurstede oversteken 200 m (lengte) en 23,00 m (breedte). | De bevoegde autoriteit kan een grotere lengte toelaten. Voorts bedragen de ten hoogste toegelaten afmetingen van duwstellen varend op het Amsterdam-Rijnkanaal die de Lek bij Wijk bij Duurstede oversteken 200 m (lengte) en 23,00 m (breedte). | De bevoegde autoriteit kan een grotere lengte toelaten. Voorts bedragen de ten hoogste toegelaten afmetingen van duwstellen varend op het Amsterdam-Rijnkanaal die de Lek bij Wijk bij Duurstede oversteken 200 m (lengte) en 23,00 m (breedte). | |
| 3.7 | Lekkanaal(km 949,40) t/m Krimpen (km 989,20) | Lekkanaal(km 949,40) t/m Krimpen (km 989,20) | Lekkanaal(km 949,40) t/m Krimpen (km 989,20) |
| 3.7 | a) korte formatie | 116, 50 | 22,90 |
| b) lange formatie | 193 | 11,45 | |
| De bevoegde autoriteit kan grotere afmetingen toelaten. | De bevoegde autoriteit kan grotere afmetingen toelaten. | De bevoegde autoriteit kan grotere afmetingen toelaten. |
Artikel 11.03. Ten hoogste toegelaten afmetingen van duwstellen onder bepaalde voorwaarden
Vervallen
Artikel 11.04. Ten hoogste toegelaten afmetingen van duwstellen op de kruising van de Lek en het Amsterdam-Rijnkanaal bij Wijk bij Duurstede
Vervallen
Artikel 11.05. Ten hoogste toegelaten afmetingen van andere samenstellen
Vervallen
Hoofdstuk 12. Riviergedeelten waar een meldplicht geldt dan wel waar de scheepvaart door waarschuwingsposten wordt geregeld
Artikel 12.01. Meldplicht
De schipper van de volgende schepen en samenstellen moet zich, alvorens de in het derde lid bedoelde riviergedeelten binnen te varen, elektronisch melden overeenkomstig de bepalingen van deel IV van ES-RIS:
- a. schip dat goederen vervoert waarop het ADN van toepassing is;
- b. tankschepen, met uitzondering van bunkerschepen en bilgeboten zoals gedefinieerd onder 1.2.1 van het reglement dat als bijlage bij het ADN is gevoegd;
- c. schip dat containers vervoert;
- d. schip met een lengte van meer dan 110 m;
- e. hotelschip;
- f. zeeschip;
- g. schip dat een LNG-installatie aan boord heeft;
- h. bijzonder transport als bedoeld in artikel 1.21.
Bij de in het eerste lid bedoelde aanmelding moeten worden vermeld:
- a. naam van het schip, bij samenstellen van alle schepen van het samenstel;
- b. uniek Europees scheepsidentificatienummer (ENI-nummer) en IMO-nummer voor zeeschepen van het schip, bij samenstellen van alle schepen van het samenstel;
- c. type vaartuig of samenstel, bij samenstellen type vaartuig voor alle schepen overeenkomstig de in het eerste lid genoemde berichten;
- d. laadvermogen van het schip, bij samenstellen van alle schepen van het samenstel;
- e. lengte en breedte van het schip, bij samenstellen lengte en breedte van het samenstel en van alle schepen van het samenstel;
- f. aanwezigheid van een LNG-installatie aan boord;
- g. voor een schip dat goederen vervoert waarop het ADN van toepassing is:
- aa. de VN-nummers of de nummers van de gevaarlijke goederen;
- bb. de officiële benaming voor het vervoer van de gevaarlijke goederen;
- cc. de klasse, de classificatiecode en eventueel de verpakkingsgroep van de gevaarlijke goederen;
- dd. de totale hoeveelheid van de gevaarlijke goederen, waarop deze gegevens betrekking hebben;
- ee. het aantal blauwe lichten/kegels;
- h. voor een schip dat goederen vervoert waarop het ADN niet van toepassing is en die niet in containers worden vervoerd: soort en hoeveelheid lading;
- i. aantal containers aan boord naar grootte en beladingstoestand (beladen of onbeladen) en de respectievelijke plaats van containers overeenkomstig het stuwplan en containertype;
- j. containernummer van de containers met gevaarlijke goederen;
- k. totaal aantal personen aan boord en voor zover van toepassing het aantal passagiers;
- l. positie, vaarrichting;
- m. diepgang, indien de bevoegde autoriteit hierom vraagt;
- n. route met opgave van de vertrek- en bestemmingshaven;
- o. haven waar is geladen;
- p. haven waar wordt gelost.
De riviergedeelten bedoeld in het bovenvermelde eerste lid, die worden aangeduid door het teken B.11 met het onderbord «Meldplicht» zijn de volgende:
- a. van Bazel (Mittlere Rheinbrücke, km 166,53) tot Gorinchem (km 952,50); en
- b. van Pannerden (km 867,50) tot Krimpen aan de Lek (km 989,20).
Indien het schip zijn reis in een van de in het derde lid genoemde riviergedeelten gedurende meer dan twee uur onderbreekt, moet de schipper het begin en het einde van deze onderbreking elektronisch melden.
De in het tweede lid, onderdeel a en c bedoelde gegevens moeten eveneens per marifoon op het aangegeven kanaal worden verstrekt bij het passeren van de sluizen en van de meldplaatsen die door het teken B.11 zijn aangeduid. In afwijking van het tweede lid, onderdeel c, moet de schipper het type schip of samenstel melden overeenkomstig bijlage 12.
De in het tweede lid bedoelde gegevens, met uitzondering van die genoemd onder l en m, mogen ook vanaf een andere plaats of door een andere persoon elektronisch aan de bevoegde autoriteit worden medegedeeld.
In ieder geval moet de schipper zich per marifoon melden op het daarvoor aangegeven kanaal op het moment dat hij met zijn schip of samenstel het riviergedeelte waarvoor de meldplicht geldt, binnenvaart of verlaat.
Indien de in het tweede lid bedoelde gegevens tijdens het bevaren van het riviergedeelte waarvoor de meldplicht geldt, worden gewijzigd, moet dit de bevoegde autoriteit onmiddellijk elektronisch worden meegedeeld.
Indien de reis is beëindigd, dient te schipper dit zo snel mogelijk elektronisch te melden.
De bevoegde autoriteit kan:
- –. voor bunkerschepen en bilgeboten zoals gedefinieerd onder 1.2.1 van het reglement dat als bijlage bij het ADN is gevoegd, evenals voor dagtochtschepen een meldplicht vaststellen en wat deze inhoudt;
- –. bij afgifte van een bijzondere vergunning voor bijzondere transporten zoals bepaald in artikel 1.21 een uitzondering op de meldplicht zoals bedoeld in het eerste lid toestaan.
Artikel 12.02. Functie van de waarschuwingsposten op het riviergedeelte Oberwesel – St. Goar
Het riviergedeelte dat door de districtscentrale Oberwesel wordt gewaarschuwd (riviergedeelte met waarschuwingsposten), bevindt zich in de sector van km 548,50 tot km 555,43 (bijlage 9).
In het riviergedeelte Oberwesel–St. Goar zijn de volgende waarschuwingsposten opgesteld:
Post A: km 550,57, linkeroever, bij de Ochsenturm te Oberwesel;
Post B: km 552,80, linkeroever, bij de Kammereck;
Post C: km 553,61, linkeroever, bij de Betteck;
Post D: km 554,34, linkeroever, tegenover de Loreley («Die Lützelsteine»);
Post E: km 555,43, linkeroever, bij Die Bank.
De nadering van afvaart, met uitzondering van kleine schepen, wordt aan de opvaart aangekondigd door de waarschuwingsposten A, C, D en E.
Op de betreffende gedeelten toont elke waarschuwingspost zijn lichttekens aan de opvaart, op boven elkaar geplaatste borden als volgt:
| Bord | Nr. van het gedeelte | Bovenstroomse grens van het gedeelte | Benedenstroomse grens van het gedeelte |
|---|---|---|---|
| Post A: bij de Ochsenturm | Post A: bij de Ochsenturm | Post A: bij de Ochsenturm | Post A: bij de Ochsenturm |
| Boven | 1 | km 548,50 | km 549,50 |
| Onder | 2 | km 549,50 | km 550,57 |
| Post C: bij de Betteck | Post C: bij de Betteck | Post C: bij de Betteck | Post C: bij de Betteck |
| Boven | 3 | km 550,57 | km 551,30 |
| Midden | 4 | km 551,30 | km 552,40 |
| Onder | 5 | km 552,40 | km 553,60 |
| Post D: tegenover Loreley («Die Lützelsteine») | Post D: tegenover Loreley («Die Lützelsteine») | Post D: tegenover Loreley («Die Lützelsteine») | Post D: tegenover Loreley («Die Lützelsteine») |
| Boven | 4 | km 551,30 | km 552,40 |
| Midden | 5 | km 552,40 | km 553,61 |
| Onder | 6 | km 553,61 | km 554,34 |
| Post E: bij Die Bank | Post E: bij Die Bank | Post E: bij Die Bank | Post E: bij Die Bank |
| Boven | 6 | km 553,61 | km 554,34 |
| Onder | 7 | km 554,34 | km 555,43 |
De door de waarschuwingsposten gegeven tekens hebben voor de betreffende gedeelten de volgende betekenis:
- a). drie witte lichtstrepen in de vorm van een driehoek (fig. 1): op het gedeelte bevindt zich afvarend ten minste één samenstel met een lengte van meer dan 110 m. Fig.1
- b). twee witte lichtstrepen in de vorm van een dak (fig. 2): op het gedeelte bevindt zich afvarend ten minste één samenstel met een lengte van niet meer dan 110 m, of één schip met een lengte van meer dan 110 m of met een breedte van meer dan 15 m. Fig.2
- c). een naar rechts neigende witte lichtstreep (fig. 3): op het gedeelte bevindt zich afvarend ten minste één schip met een lengte van niet meer dan 110 m. Fig.3
- d). een horizontale witte lichtstreep (fig. 4): op het gedeelte bevindt zich geen afvaart. Fig.4
De waarschuwingsposten kunnen bovendien de volgende tekens geven:
- a). op post A:
- aa). een alleen voor de afvaart zichtbaar wit licht: aan de afvaart wordt aangeduid dat de waarschuwingspost in bedrijf is.
- bb). aanvullend een alleen voor de afvaart zichtbaar wit knipperlicht: een samenstel met een lengte van meer dan 110 m vaart bij de Tauberwerth (gedeelte 3) stroomopwaarts.
- b). op post B: een alleen voor de afvaart zichtbaar wit knipperlicht: een opvarend gekoppeld samenstel of een duwstel, waarvan de lengte meer dan 110 m bedraagt, vaart om de Betteck heen.
Wanneer de afvaart moet stilhouden, wordt zulks door twee, slechts voor haar zichtbare, rode lichten boven elkaar op de posten A of B aangeduid. Wanneer de opvaart moet stilhouden, wordt zulks door twee, slechts voor haar zichtbare, rode lichten boven elkaar op de posten D of E aangeduid.
Hoofdstuk 12. Riviergedeelten waar een meldplicht geldt dan wel waar de scheepvaart door waarschuwingsposten wordt geregeld
Artikel 13.01. Toepassingsgebied
Dit hoofdstuk is van toepassing op schepen die afmetingen hebben van niet meer dan 38,50 m lengte en 5,05 m breedte en die gewoonlijk het Rijn-Rhônekanaal bevaren.
Dit hoofdstuk is van toepassing op de in het eerste lid bedoelde schepen tussen Basel (Mittlere Rheinbrücke, km 166,53) en de meest benedenstrooms gelegen voorhaven van de sluizen te Iffezheim (km 335,92).
Artikel 13.02. Kentekens van schepen
De bij artikel 2.01 voorgeschreven kentekens kunnen worden vervangen door die welke zijn voorgeschreven of toegestaan op het Rijn-Rhônekanaal.
Artikel 13.03. Inzinkingsmerken
De bij artikel 2.04, eerste lid, voorgeschreven inzinkingsmerken kunnen worden vervangen door ten minste één ijkmerk of ijkplaat aan elke zijde van het schip, aangebracht ingevolge de geldende Internationale overeenkomst betreffende de meting van binnenschepen.
In afwijking van artikel 1.07, eerste lid, mag de inzinking van een schip niet dieper zijn dan:
- a. tot de onderkant van de inzinkingsmerken dan wel van de ijkmerken of de ijkplaten;
- b. tot het horizontale vlak, liggende 30 cm beneden het laagste punt waarboven het schip niet meer waterdicht is;
- c. tot de bovenkant van het gangboord op zijn laagste punt.
Artikel 13.04. Diepgangsschalen
Artikel 2.04, tweede lid, is niet van toepassing.
Artikel 13.05. Kentekens van ankers
Artikel 2.05, eerste lid, is niet van toepassing.
Artikel 13.06. Samenstelling van samenstellen
De in artikel 6.21, tweede lid, bedoelde aantekening in het certificaat van onderzoek kan worden vervangen door een getuigschrift, afgegeven door de bevoegde autoriteit.
Hoofdstuk 12. Riviergedeelten waar een meldplicht geldt dan wel waar de scheepvaart door waarschuwingsposten wordt geregeld
Artikel 14.01. Algemene bepalingen
De begrenzing van de reden wordt op de betreffende oever aangeduid door het teken C.4 ( bijlage 7) voorzien van een rechthoekig onderbord met de letter "R". Eventueel kan het teken worden voorzien van een wit driehoekig bord waarop in zwarte cijfers de lengte van de rede staat aangegeven.
Op de reden mag een schip slechts ligplaats nemen:
- a. op de overeenkomstig artikel 7.06 aangeduide gereserveerde ligplaatsen;
- b. voor laad- of loswerkzaamheden op de daartoe bestemde plaatsen. De toegang naar deze plaatsen moet indien nodig worden vrijgehouden.
Een schip, waarvoor niet in een door tekens aangeduide ligplaats is voorzien, mag slechts dan op de rede ligplaats nemen, wanneer hem door de bevoegde autoriteit een plaats is aangewezen.
Op de reden mogen de schepen in ten hoogste drie rijen langszijde van elkaar ligplaats nemen, tenzij bij de bijzondere bepalingen voor afzonderlijke reden dit aantal wordt beperkt of op grond van artikel 7.05, tweede, derde of vierde lid, een afwijkende regeling wordt vastgesteld.
Artikel 14.02. Basel
De rede strekt zich voor Basel uit aan de rechteroever van km 167,82 tot km 169,99.
Voor schepen, die niet verplicht zijn een teken bedoeld in artikel 3.14 te voeren, zijn gereserveerd aan de rechteroever:
- a. ligplaats «Uferplatz – GMS 1 en 2» van km 167,88 (onder Dreirosenbrücke) tot km 168,09;
- b. ligplaats «Rheinquai-Wiesemündung» van km 169,19 tot km 169,33;
- c. ligplaats «Rheinquai-Dreiländereck» van km 169,61 tot km 169,72. Deze ligplaats mag worden gebruikt van 1 november tot 15 maart; buiten deze periode slechts op aanwijzing van de havenmeester.
Voor schepen, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren, is gereserveerd aan de rechteroever: ligplaats «Oberer Klybeckquai – TMS 1 en 2» van km 168,09 tot km 168,33.
Schepen die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, tweede of derde lid te voeren, mogen slechts ligplaats nemen met toestemming van de Zwitserse Rijnhavens. De ligplaatsen worden van geval tot geval door de havenmeester aangewezen.
De op borden op de oever aangeduide breedten der ligplaatsen gelden slechts bij waterstanden aan de peilschaal van Basel-Rheinhalle van minder dan 7 m.
Artikel 14.03. Mannheim-Ludwigshafen
De rede strekt zich voor Mannheim uit aan de rechteroever van km 412,50 tot km 417,16 en van km 423,50 tot km 431,80 en voor Ludwigshafen aan de linkeroever van km 419,72 tot km 424,83 en van km 425,50 tot km 431,90.
Voor schepen, die niet verplicht zijn een teken bedoeld in artikel 3.14 te voeren, zijn gereserveerd:
- a. ligplaatsen aan de rechteroever:
- i. voor Mannheim-Rheinau: van km 413,10 tot km 414,25; van km 414,56 tot km 414,90; van km 415,50 tot km 416,75;
- ii. voor Mannheim: van km 423,50 tot km 424,00; van km 425,36 tot km 427,00; van km 428,93 tot km 429,42;
- b. ligplaats aan de linkeroever voor Ludwigshafen van km 425,50 tot km 426,20.
Voor schepen, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren, zijn gereserveerd:
- a. ligplaatsen aan de rechteroever: van km 413,10 tot km 413,40; van km 430,20 tot km 430,70;
- b. ligplaats aan de linkeroever van km 421,60 tot km 422,00.
Voor schepen, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, tweede lid, te voeren, is gereserveerd:
ligplaats aan de rechteroever van km 430,75 tot km 431,10.
Voor schepen die bij BASF A.G. willen laden of lossen, dan wel aldaar hebben geladen of gelost, is gereserveerd:
ligplaats aan de linkeroever van km 426,20 tot km 431,47.
Artikel 14.04. Mainz
De rede strekt zich voor Mainz uit aan de linkeroever van km 494,60 tot km 497,76 en aan de rechteroever van km 496,90 tot km 497,80.
Voor schepen, die niet verplicht zijn een teken bedoeld in artikel 3.14 te voeren, zijn gereserveerd:
- a. ligplaats aan de linkeroever: van km 496,80 tot km 497,76;
- b. ligplaats aan de rechteroever: van km 496,90 tot km 497,33 (voor de Maaraue), uitsluitend voor schepen die de Main willen invaren.
Voor schepen, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren, zijn gereserveerd:
- a. ligplaats aan de linkeroever: van km 494,60 tot km 494,90;
- b. ligplaats aan de rechteroever: van km 497,48 tot km 497,80.
Artikel 14.05
De rede strekt zich voor Bingen uit aan de linkeroever van km 524,20 tot km 528,50.
Voor schepen, met uitzondering van duwvaart, die niet verplicht zijn een teken bedoeld in artikel 3.14 te voeren, zijn gereserveerd de ligplaatsen:
van km 527,55 tot km 527,97 en van km 528,20 tot km 528,50.
Voor alle schepen, die niet verplicht zijn een teken bedoeld in artikel 3.14 te voeren, is gereserveerd de ligplaats:
van km 526,50 tot km 526,70, langs de havendam in het vaarwater van Kempten. Twee schepen mogen langszijde van elkaar ligplaats nemen.
Voor alle schepen, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren, is gereserveerd de ligplaats:
van km 526,71 tot km 527,30, langs de havendam in het vaarwater van Kempten.
Voor alle schepen, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, tweede of derde lid, te voeren, is gereserveerd de ligplaats:
van km 524,20 tot km 524,70, langs de Ilmenaue.
Artikel 14.06. Bad Salzig
De rede strekt zich voor Bad Salzig uit aan de linkeroever van km 564,00 tot km 567,60.
Voor schepen, die niet verplicht zijn een teken bedoeld in artikel 3.14 te voeren, is gereserveerd de ligplaats:
van km 564,00 tot km 565,70.
Voor schepen, met uitzondering van duwvaart, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren, is gereserveerd de ligplaats:
van km 566,20 tot km 566,70.
Voor de duwvaart, die verplicht is de tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren, is gereserveerd de ligplaats:
van km 566,70 tot km 567,00.
Voor schepen, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, tweede of derde lid, te voeren, is gereserveerd de ligplaats:
van km 567,10 tot km 567,60.
In afwijking van artikel 10.01, tweede lid, mag een schip varen binnen de begrenzing van de rede zolang het hoogwaterpeil II slechts aan één van de peilschalen te Kaub of te Koblenz wordt overschreden.
Artikel 14.07. Koblenz
De rede strekt zich voor Koblenz uit aan de rechteroever van km 592,15 tot km 593,65.
Voor schepen, met uitzondering van duwvaart, die niet verplicht zijn een teken bedoeld in artikel 3.14 te voeren, is gereserveerd de ligplaats:
van km 592,15 tot km 592,80.
Voor de duwvaart, die niet verplicht is een teken bedoeld in artikel 3.14 te voeren, is gereserveerd de ligplaats:
van km 592,80 tot km 593,40.
Voor schepen, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren, is gereserveerd de ligplaats:
van km 593,40 tot km 593,65.
Artikel 14.08. Andernach
De rede strekt zich voor Andernach uit aan de linkeroever van km 611,95 tot km 612,80 en van km 613,80 tot km 614,00.
Voor schepen die niet verplicht zijn een teken bedoeld in artikel 3.14 te voeren, is gereserveerd de ligplaats:
van km 611,95 tot km 612,80.
Schepen, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren, mogen evenwel lossen aan de overslaginrichting voor motorbrandstoffen van de firma E. Doetsch bij km 612,40.
Voor de laadinrichting bij km 612,52 (transportband) mogen slechts twee schepen langszijde van elkaar ligplaats nemen.
Voor schepen, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren, is gereserveerd de ligplaats:
van km 613,80 tot km 614,00.
Artikel 14.09. Wesseling
De rede strekt zich voor Wesseling uit aan de linkeroever van km 668,90 tot km 672,80 voor Köln-Godorf.
Voor schepen die niet verplicht zijn een teken als bedoeld in artikel 3.14 te voeren en die te Wesseling of te Köln-Godorf willen laden of lossen, dan wel die aldaar hebben geladen of gelost, zijn gereserveerd de ligplaatsen:
van km 669,65 tot km 670,10,
van km 670,34 tot km 670,45,
van km 670,60 tot km 670,75,
van km 670,85 tot km 671,00.
Voor schepen die niet verplicht zijn een teken als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren en die te Wesseling of te Köln-Godorf willen laden of lossen, dan wel die aldaar hebben geladen of gelost, is gereserveerd de ligplaats:
van km. 671,00 tot km 671,35.
Voor schepen die niet verplicht zijn een teken als bedoeld in artikel 3.14, tweede lid, te voeren en die te Wesseling of te Köln-Godorf willen laden of lossen, dan wel die aldaar hebben geladen of gelost, is gereserveerd de ligplaats:
van km 671,65 tot km 671,80.
Voor schepen die niet verplicht zijn een teken als bedoeld in artikel 3.14 te voeren en voor schepen die verplicht zijn een teken bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren, en die te Wesseling of te Köln-Godorf willen laden of lossen, dan wel die aldaar hebben geladen of gelost, zijn gereserveerd de ligplaatsen:
Aires de stationnement,
van km 668,80 tot km 669,20,
van km 672,30 tot km 672,80.
Artikel 14.10. Duisburg-Ruhrort
De rede strekt zich uit voor Duisburg-Ruhrort van km 769,30 tot km 794,55.
Voor schepen, die niet verplicht zijn een teken bedoeld in artikel 3.14 te voeren, is gereserveerd:
ligplaats "Alsum":
van km 788,70 tot km 789,99, uitsluitend voor schepen die verkeer onderhouden met de havens van Schwelgern, Walsum-Süd en Walsum-Nord.
Voor schepen, met uitzondering van duwvaart, die niet verplicht zijn een teken bedoeld in artikel 3.14 te voeren, zijn gereserveerd:
- a. aan de linkeroever:
- i. ligplaats "Friemersheim", van km 770,70 tot km 772,30;
- ii. ligplaats "Rheinhausen", van km 773,85 tot km 774,15, uitsluitend voor lege schepen die verkeer onderhouden met de haven van Rheinhausen;
- iii. ligplaats "Hochemmerich", van km 775,60 tot km 777,60, uitsluitend voor geladen schepen;
- iv. ligplaatsen "Homberg", van km 778,10 tot km 778,30, van km 778,40 tot km 778,65, van km 778,65 tot km 780,00, en van km 780,00 tot km 780,45, uitsluitend voor lege schepen en voor schepen die aldaar gerepareerd moeten worden;
- v. ligplaats "Homberger Ort", van km 781,75 tot km 782,50;
- vi. ligplaatsen "Orsoy", van km 792,85 tot km 793,20, uitsluitend voor schepen die verkeer onderhouden met de Rijnhaven van Orsoy en de havens van Schwelgern, Walsum-Nord en Walsum-Süd, van km 793,80 tot km 793,90, uitsluitend voor schepen die verkeer onderhouden met de Rijnhaven van Orsoy;
- b. aan de rechteroever:
- i. ligplaats "Rheinlust", van km 770,70 tot km 771,60, uitsluitend voor schepen die verkeer onderhouden met de haven van Mannesmann, de havens van Hochfeld en de haven van Rheinhausen;
- ii. ligplaats "Hochfelder Längskribbe", van km 773,30 tot km 774,00, uitsluitend voor schepen die verkeer onderhouden met de havens van Hochfeld en de haven van Rheinhausen;
- iii. ligplaats "Schreckling", van km 778,50 tot km 779,60, uitsluitend voor lege schepen;
- iv. ligplaatsen "Luftball", van km 781,34 tot km 781,54, uitsluitend voor motorschepen die slechts voor korte tijd ligplaats nemen en niet op lading wachten, van km 781,54 tot km 783,40, uitsluitend voor lege schepen;
- v. ligplaats "Unterhalb der Baerler Brücke", van km 787,00 tot km 787,50;
- vi. ligplaats "Walsum", van km 790,58 tot km 791,00.
Voor schepen die bij de ligplaats «Hochfeld» willen laden of lossen, dan wel aldaar hebben geladen of gelost, is gereserveerd:
aan de rechteroever, de ligplaats
van km 774,70 tot km 776,50.
Voor schepen, met uitzondering van duwvaart, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren, zijn gereserveerd:aan de rechteroever:
- a. ligplaatsen «Rheinlust», van km 771,60 tot km 771,90, uitsluitend voor lege schepen, van km 772,40 tot km 772,90, uitsluitend voor geladen schepen;
- b. ligplaats «Baerler Brücke», van km 785,35 tot km 786,20. Voor het overslaan mogen de schepen slechts gebruik maken van de ligplaats «Baerler Brücke».
Voor schepen, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, tweede lid, te voeren, is gereserveerd:
aan de linkeroever:
ligplaats «Friemersheim»,
van km 769,80 tot km 770,00.
Voor schepen, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, derde lid, te voeren, is gereserveerd:
aan de linkeroever:
ligplaats «Friemersheim»,
van km 769,40 tot km 769,70.
Voor de duwvaart, die niet verplicht is een teken bedoeld in artikel 3.14 te voeren, zijn gereserveerd:
- a. aan de linkeroever:
- i. ligplaatsen «Friemersheim», van km 770,10 tot km 770,70, en van km 772,70 tot km 773,20;
- ii. ligplaats «Homberger Ort», van km 782,50 tot km 784,00;
- iii. ligplaatsen «Orsoy», van km 788,90 tot km 792,05, van km 794,30 tot km 794,55, uitsluitend voor schepen die verkeer onderhouden met de Rijnhaven van Orsoy;
- b. aan de rechteroever:
- i. ligplaats «Schreckling», van km 777,80 tot km 778,30;
- ii. ligplaats «Unterhalb der Baerler Brücke», van km 787,50 tot km 788,00.
Voor de duwvaart, die verplicht is de tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren, zijn gereserveerd:
- a. aan de linkeroever: ligplaats «Friemersheim», van km 772,30 tot km 772,70;
- b. aan de rechteroever: ligplaats «Unterhalb der Baerler Brücke», van km 786,20 tot km 786,60.
Artikel 14.11. Overnachtingshavens Boven-Rijn, Waal en Lek
In de overnachtingshavens te Spijk (km 859,80), Lobith (km 863,40), IJzendoorn (km 907,80), Haaften (km 936,00) en Bergambacht (km 976,90), is het zonder toestemming van de bevoegde autoriteit, verboden:
- a. schepen te laden of te lossen en in Bergambacht bovendien te bunkeren;
- b. goederen of andere voorwerpen op de oever of op een aanlegsteiger te plaatsen;
- c. tanks te ontgassen;
- d. passagiers aan boord te nemen of aan de wal te zetten;
- e. met drijvende voorwerpen of drijvende inrichtingen in te varen;
- f. in te varen met schepen die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, tweede of derde lid te voeren;
- g. langer dan 3 x 24 uur aaneengesloten ligplaats te nemen op de openbare ligplaatsen;
- h. na het verlaten van de haven binnen twaalf uren opnieuw ligplaats te nemen in dezelfde overnachtingshaven;
- i. met het achterschip naar de wal ligplaats te nemen;
- j. met samenstellen langer dan 135 m aan de aanlegsteigers, en in Bergambacht aan de aanlegplaatsen, af te meren.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel f, is het in de overnachtingshaven te Spijk toegestaan in te varen met schepen die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, tweede lid te voeren.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel i, is het in de overnachtingshaven te Spijk toegestaan met het achterschip naar de wal ligplaats te nemen aan steiger 10.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel j, is het in de overnachtingshaven te Spijk toegestaan met samenstellen langer dan 135 m aan steiger 10 af te meren.
De schipper moet zowel het innemen van de ligplaats in de overnachtingshaven als het vertrek daaruit onmiddellijk melden aan de verkeerspost Nijmegen (overnachtingshavens Spijk en Lobith), Tiel (overnachtingshavens IJzendoorn en Haaften) of Dordrecht (overnachtingshaven Bergambacht).
De bevoegde autoriteit kan aanwijzingen geven waarbij dit artikel wordt aangevuld, dan wel daarvan wordt afgeweken.
Artikel 14.12. Vluchthaven te Emmerich
In de vluchthaven te Emmerich (km 851,78) is het zonder toestemming van de bevoegde autoriteit verboden:
- a. met drijvende voorwerpen of drijvende inrichtingen in te varen;
- b. in te varen met schepen die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste, tweede of derde lid, te voeren;
- c. langer dan 3 x 24 uur aaneengesloten ligplaats te nemen;
- d. na het verlaten van de haven binnen twaalf uren opnieuw ligplaats te nemen in dezelfde haven;
- e. ligplaats te nemen met een bak die is gescheiden van een samenstel.
De bevoegde autoriteit kan aanwijzingen geven waarbij dit artikel wordt aangevuld, dan wel daarvan wordt afgeweken.
Artikel 14.13. IJzendoorn en Haaften
Vervallen
III. Milieubepalingen
Hoofdstuk 15. Bescherming van het water tegen verontreiniging en verwijdering van scheepsafvalstoffen
Artikel 15.01. Begripsbepalingen en toepassing
De begripsbepalingen van artikel 1 van het Verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart (CDNI) en van de artikelen 5.01 en 8.01 van bijlage 2 zijn van toepassing op dit hoofdstuk.
De toepassingsmodaliteiten van de bepalingen van dit hoofdstuk zijn in het CDNI geregeld.
Artikel 15.02. Algemene plicht tot waakzaamheid
De schipper, de overige bemanning en andere personen aan boord moeten de door de omstandigheden vereiste waakzaamheid betonen om verontreiniging van de vaarweg te vermijden, de hoeveelheid afvalstoffen en afvalwater die aan boord ontstaan zo veel mogelijk te beperken en vermenging van verschillende afvalsoorten zo veel mogelijk te voorkomen.
Artikel 15.03. Verbod te lozen of te water te doen geraken
Het is verboden vanaf schepen afgewerkte olie, bilgewater, afgewerkt vet en overige oliehoudende afvalstoffen dan wel slops, huisvuil, zuiveringsslib, overig klein chemisch afval, delen van de lading alsmede afval van de lading te lozen of te water te doen geraken.
Uitzonderingen op dit verbod zijn slechts toegelaten overeenkomstig het CDNI.
Indien afval of afvalwater als bedoeld in het eerste lid per ongeluk vrijkomt of dreigt vrij te komen, moet de schipper, onverminderd de bepalingen van het CDNI, onverwijld de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit waarschuwen. Daarbij moet hij de plaats van het voorval alsmede de hoeveelheid en de aard van de stof zo nauwkeurig mogelijk aangeven.
Artikel 15.04. Inzamelen en behandelen aan boord
De schipper moet er voor zorgen dat de in artikel 15.03, eerste lid, genoemde afvalstoffen, met uitzondering van delen van de lading, alsmede afval van de lading, aan boord gescheiden in de daarvoor bestemde verzamelreservoirs en het bilgewater in de bilge van de machinekamer wordt verzameld. De verzamelreservoirs moeten aan boord zó opgeslagen worden dat daaruit lekkende stoffen gemakkelijk en tijdig opgemerkt en het lekken gestopt kan worden.
Het is verboden:
- a. los aan dek staande verzamelreservoirs te gebruiken voor de opslag van afgewerkte olie;
- b. afvalstoffen aan boord te verbranden;
- c. reinigingsmiddelen die olie of vet oplossen dan wel emulgerend zijn in de bilge van de machinekamer te doen geraken. Van dit verbod zijn uitgezonderd reinigingsmiddelen die verwerking van het bilgewater door een inrichting voor het ontvangen van afval niet bemoeilijken.
Artikel 15.05. Olie-afgifteboekje, afgifte aan inrichtingen voor het ontvangen van afval
Elk gemotoriseerd schip, indien het gasolie gebruikt, moet een geldig olie-afgifteboekje aan boord hebben, dat door de bevoegde autoriteit volgens het model van bijlage 10 wordt verstrekt. Dit afgifteboekje moet aan boord worden bewaard. Na het verkrijgen van een nieuw olie-afgifteboekje moet het voorgaande boekje gedurende tenminste zes maanden na de laatste daarin vermelde datum van afgifte aan boord worden bewaard.
Olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval, slops en overig klein chemisch afval moeten met regelmatige, van de staat en van het gebruik van het schip afhankelijke, tussenpozen bij de door de bevoegde autoriteiten toegelaten inrichtingen voor het ontvangen van afval tegen ontvangstbewijs worden afgegeven. Het bewijs bestaat uit een aantekening door de ontvangstinrichting in het olie-afgifteboekje.
Een schip dat op grond van voorschriften die gelden buiten de Rijn andere bescheiden over de afgifte van afvalstoffen aan boord heeft, moet in deze andere bescheiden een bewijs van de afgifte van afvalstoffen buiten de Rijn kunnen leveren. Als een dergelijk bewijs geldt ook het oliejournaal op basis van het Verdrag ter voorkoming van verontreiniging van de zee door schepen (MARPOL-verdrag).
Huisvuil en zuiveringsslib moeten bij de daarvoor bestemde inzamelplaatsen worden afgegeven.
Artikel 15.06. Plicht tot waakzaamheid tijdens het bunkeren
De schipper moet bij het bunkeren van brandstof en smeerstoffen ervoor zorgen dat:
- a. de hoeveelheid die wordt gebunkerd binnen de afleesbare standen van de peilinrichting blijft;
- b. ingeval van afzonderlijk vullen van de tanks de afsluiters in de verbindingsleidingen tussen tanks gesloten zijn;
- c. het bunkeren onder toezicht geschiedt; en,
- d. een inrichting overeenkomstig artikel 8.05, tiende lid, van ES-TRIN wordt gebruikt.
De schipper moet er voorts voor zorgen, dat de personen van het bunkerstation en van het schip die voor het bunkeren verantwoordelijk zijn, voordat zij met het bunkeren beginnen, de volgende punten zijn overeengekomen:
- a. het verzekerd zijn van het goede functioneren van het systeem, bedoeld in artikel 8.05, elfde lid van ES-TRIN alsmede het aanwezig zijn van een spreekverbinding tussen het schip en het bunkerstation;
- b. de te bunkeren hoeveelheid per tank en de vulsnelheid, vooral met het oog op mogelijke problemen met het ontluchten van de tank;
- c. de volgorde waarin de tanks worden gevuld;
- d. de snelheid van het schip, wanneer varend wordt gebunkerd.
De schipper van een bunkerboot mag met het bunkeren pas beginnen wanneer de overeenstemming over de punten bedoeld in het tweede lid is vastgesteld.
Artikel 15.07. Plicht tot waakzaamheid bij het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG)
De bepalingen van artikel 15.06, eerste lid, onderdeel a en b, en het tweede lid, onderdeel a en e, zijn niet van toepassing bij het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG).
Het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG) tijdens het varen, de overslag en het aan of van boord gaan van passagiers is niet toegestaan.
Het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG) mag uitsluitend plaatsvinden op een door de bevoegde autoriteit daarvoor aangewezen plaats.
In de bunkerzone mogen uitsluitend aanwezig zijn: bemanningsleden van het schip dat moet bunkeren, medewerkers van het bunkerstation, of personen die daarvoor toestemming hebben gekregen van de bevoegde autoriteit.
Alvorens met het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG) te beginnen, dient de schipper van het schip dat moet bunkeren zich ervan te vergewissen dat:
- a. het schip dat moet bunkeren zodanig ligt afgemeerd dat de kabels, en met name de elektrische kabels en de aardverbindingen, alsook de slangen, niet door trek vervormd kunnen worden, en dat de schepen bij gevaar snel losgemaakt kunnen worden;
- b. de schipper of een door hem/haar met de verantwoording belaste persoon, en de verantwoordelijke medewerker van het bunkerstation, een controlelijst voor het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG) voor schepen die het kenteken dragen, bedoeld in artikel 2.06, overeenkomstig de door de CCR vastgelegde standaard, hebben ingevuld en ondertekend, en dat alle vragen van deze lijst met «ja» zijn beantwoord. Niet-relevante vragen kunnen geschrapt worden. Indien niet alle vragen positief kunnen worden beantwoord, is bunkeren slechts met toestemming van de bevoegde autoriteit toegestaan;
- c. alle vereiste toestemmingen zijn verkregen.
De controlelijst als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel b) moet:
- a. in tweevoud worden ingevuld,
- b. beschikbaar zijn in ten minste één taal die begrijpelijk is voor de personen bedoeld in het voornoemde vijfde lid, onderdeel b, en
- c. drie maanden aan boord van het schip worden bewaard.
Tijdens het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG) dient de schipper zich er voortdurend van te vergewissen dat:
- a. alle maatregelen ter vermijding van lekkage van vloeibaar aardgas (LNG) zijn genomen;
- b. druk en temperatuur van de brandstoftank vloeibaar aardgas (LNG) in normale bedrijfsomstandigheden blijven;
- c. de vulstand van de brandstoftank vloeibaar aardgas tussen de toegestane niveaus blijft;
- d. maatregelen betreffende de aarding tussen het schip dat moet bunkeren en het bunkerstation overeenkomstig de in de gebruiksaanwijzing voorziene methode, zijn getroffen.
Tijdens het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG),
- a. moet het schip dat moet bunkeren, ter aanvulling van het kenteken voorzien in artikel 2.06, een voor andere schepen goed zichtbaar bord voeren, dat aangeeft dat geen ligplaats genomen mag worden op een afstand van minder dan 10 meter, conform artikel 3.33. De lengte van de zijde van het vierkante bord moet ten minste 60 cm bedragen;
- b. moet het schip dat moet bunkeren, ter aanvulling van het kenteken voorzien in artikel 2.06, op een plaats die voor andere schepen goed zichtbaar is, het bord A.9 voeren, dat aangeeft dat het verboden is hinderlijke waterbeweging te veroorzaken (bijlage 7). De afmeting van de langste zijde moet ten minste 60 centimeter bedragen;
- c. ‘s nachts moeten deze borden zodanig zijn verlicht, dat ze aan beide zijden van het schip duidelijk zichtbaar zijn.
Na het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG) is het volgende vereist:
- a. volledige lediging van de leidingen voor het bunkeren van vloeibaar aardgas tot aan de brandstoftank van het vloeibaar aardgas (LNG);
- b. sluiten van de afsluiters, ontkoppelen van de slangen en verbindingen tussen het schip en het bunkerstation voor vloeibaar aardgas (LNG);
- c. mededeling aan de bevoegde autoriteit dat het bunkeren beëindigd is.
Artikel 15.08. Verzameling, afgifte en inname van afval van de lading
Bij het nalossen alsmede bij de afgifte en inname van afval van de lading, dient de schipper de bepalingen van deel B van de Uitvoeringsregeling van het CDNI na te komen.
Ieder schip dat op de Rijn is gelost, moet voor elk lossen een geldige losverklaring aan boord hebben overeenkomstig het in Aanhangsel IV van Bijlage 2 van het CDNI opgenomen model. Behoudens de in het CDNI vermelde uitzonderingen, dient de verklaring ten minste zes maanden na afgifte aan boord te worden bewaard.
Artikel 15.09. Behandelen van de buitenkant van schepen
Het is verboden de scheepshuid te oliën of met middelen, die niet in het water mogen komen, te reinigen.
Bijlage 1. Letter of lettercombinatie ter onderscheiding van het land waar de thuishaven of de plaats van teboekstelling van een schip is gelegen
(indicatieve lijst)
| A | : | Oostenrijk |
|---|---|---|
| B | : | België |
| BG | : | Bulgarije |
| CH | : | Zwitserland |
| CZ | : | Tsjechische Republiek |
| D | : | Duitsland |
| F | : | Frankrijk |
| HRV | : | Croatië |
| HU | : | Hongarije |
| I | : | Italië |
| L | : | Luxemburg |
| MD | : | Republiek Moldova |
| N | : | Nederland |
| NO | : | Noorwegen |
| P | : | Portugal |
| PL | : | Polen |
| R | : | Roemenië |
| RU/RUS | : | Russische Federatie |
| SK | : | Slowakije |
Bijlage 2
(niet overgenomen)
Bijlage 1. Letter of lettercombinatie ter onderscheiding van het land waar de thuishaven of de plaats van teboekstelling van een schip is gelegen
(indicatieve lijst)
| A | : | OOSTENRIJK |
|---|---|---|
| B | : | BELGIË |
| BG | : | BULGARIJE |
| BIH | : | BOSNIË-HERZEGOVINA |
| BY | : | WIT-RUSLAND |
| CH | : | ZWITSERLAND |
| CZ | : | TSJECHISCHE REPUBLIEK |
| D | : | DUITSLAND |
| F | : | FRANKRIJK |
| FI | : | FINLAND |
| HR | : | CROATIË |
| HU | : | HONGARIJE |
| I | : | ITALIË |
| L | : | LUXEMBURG |
| LT | : | LITOUWEN |
| MD | : | REPUBLIEK MOLDOVA |
| MLT | : | MALTA |
| N | : | NEDERLAND |
| NO | : | NOORWEGEN |
| P | : | PORTUGAL |
| PL | : | POLEN |
| R | : | ROEMENIË |
| RUS | : | RUSSISCHE FEDERATIE |
| SE | : | ZWEDEN |
| SI | : | SLOVENIË |
| SRB | : | SERVIË |
| SK | : | SLOWAKIJE |
| UA | : | OEKRAÏNE |
I. Algemeen
De in deze bijlage opgenomen schetsen hebben slechts een verduidelijkend karakter. Men dient zich te houden aan de tekst van het reglement die uitsluitend rechtsgeldigheid bezit.
Een duwstel, waarvan de grootste lengte en de grootste breedte niet meer dan 110 m respectievelijk 12 m bedraagt, wordt beschouwd als een alleen varend motorschip van dezelfde lengte.
De in deze bijlage opgenomen schetsen hebben slechts een verduidelijkend karakter. Men dient zich te houden aan de tekst van het reglement die uitsluitend rechtsgeldigheid bezit.
De in deze bijlage opgenomen schetsen hebben slechts een verduidelijkend karakter. Men dient zich te houden aan de tekst van het reglement die uitsluitend rechtsgeldigheid bezit.
De in deze bijlage opgenomen schetsen hebben slechts een verduidelijkend karakter. Men dient zich te houden aan de tekst van het reglement die uitsluitend rechtsgeldigheid bezit.
De in deze bijlage opgenomen schetsen hebben slechts een verduidelijkend karakter. Men dient zich te houden aan de tekst van het reglement die uitsluitend rechtsgeldigheid bezit.
Een duwstel, waarvan de grootste lengte en de grootste breedte niet meer dan 110 m respectievelijk 12 m bedraagt, wordt beschouwd als een alleen varend motorschip van dezelfde lengte.
Verklaringen:
De in deze bijlage opgenomen schetsen hebben slechts een verduidelijkend karakter. Men dient zich te houden aan de tekst van het reglement die uitsluitend rechtsgeldigheid bezit.
De in deze bijlage opgenomen schetsen hebben slechts een verduidelijkend karakter. Men dient zich te houden aan de tekst van het reglement die uitsluitend rechtsgeldigheid bezit.
Een duwstel, waarvan de grootste lengte en de grootste breedte niet meer dan 110 m respectievelijk 12 m bedraagt, wordt beschouwd als een alleen varend motorschip van dezelfde lengte.
De in deze bijlage opgenomen schetsen hebben slechts een verduidelijkend karakter. Men dient zich te houden aan de tekst van het reglement die uitsluitend rechtsgeldigheid bezit.
Een duwstel, waarvan de grootste lengte en de grootste breedte niet meer dan 110 m respectievelijk 12 m bedraagt, wordt beschouwd als een alleen varend motorschip van dezelfde lengte.
Bijlage 4
(Niet overgenomen)
Bijlage 5
(Niet overgenomen)
Bijlage 4
(Niet overgenomen)
Bijlage 4
(Niet overgenomen)
vlag of bord
bol
cilinder
AFDELING I. HOOFDTEKENS
A. VERBODSTEKENS
AFDELING I. HOOFDTEKENS
AFDELING I. HOOFDTEKENS
AFDELING I. HOOFDTEKENS
AFDELING I. HOOFDTEKENS
A. VERBODSTEKENS
Bijlage 6. Geluidsseinen
Opmerking vooraf:
Met uitzondering van klokslagen en van reeksen van klokslagen en van het sein, bestaande uit drie zonder onderbreking op elkaar volgende tonen van verschillende toonhoogte, worden de geluidsseinen gevormd door het geven van één of meer opeenvolgende stoten met de volgende kenmerken:
- -. korte stoot: stoot, durende ongeveer één seconde;
- -. lange stoot: stoot, durende ongeveer vier seconden.
De tijdruimte tussen twee opeenvolgende stoten bedraagt ongeveer één seconde.
Het sein "een reeks zeer korte stoten" wordt evenwel gevormd door een reeks van ten minste zes stoten, elk durende een kwart seconde, waarbij de tijdruimte tussen opeenvolgende stoten ongeveer een kwart seconde bedraagt.
Een reeks klokslagen moet ongeveer vier seconden duren. In plaats daarvan kunnen ook reeksen slagen van metaal op metaal worden gegeven.
C. BEPERKINGSTEKENS
Opmerking vooraf:
De tekens vermeld in afdeling I kunnen worden aangevuld of verduidelijkt zoals aangegeven in afdeling II.
De borden kunnen, ter verduidelijking van de zichtbaarheid, langs hun omtrek van een smalle witte streep worden voorzien.
Op de Rijn worden de vaarweg, de vaargeul, alsmede de gevaarlijke punten en obstakels niet voortdurend gemarkeerd.
Op de Rijn worden de vaarweg, de vaargeul, alsmede de gevaarlijke punten en obstakels niet voortdurend gemarkeerd.
B. GEBODSTEKENS
C. BEPERKINGSTEKENS
D. AANBEVELINGSTEKENS
E. AANWIJZINGSTEKENS
Op de Rijn worden de vaarweg, de vaargeul, alsmede de gevaarlijke punten en obstakels niet voortdurend gemarkeerd.
Op de Rijn worden de vaarweg, de vaargeul, alsmede de gevaarlijke punten en obstakels niet voortdurend gemarkeerd.
De drijvende tekens worden ongeveer 5 m buiten de grenzen die zijn aangegeven verankerd.
Op de Rijn worden de vaarweg, de vaargeul, alsmede de gevaarlijke punten en obstakels niet voortdurend gemarkeerd.
B. Drijvende tekens
II. Markering van de vaargeul
Een schip moet op voldoende afstand van de tekens blijven, daar anders het gevaar van raken of vastvaren bestaat.
De volgende periodelichten worden gebruikt:
Gele drijvers met radarreflector (boven- en benedenstrooms van de pijler).
III. Markering van de vaarweg en van obstakels
A. Vaste tekens
Bijvoorbeeld:
Bijvoorbeeld:
IV. Andere mogelijkheden om gevaarlijke punten en obstakels in de vaarweg te markeren
Bijvoorbeeld:
Gele drijvers met radarreflector (boven- en benedenstrooms van de pijler).
Annexe/Anlage/Bijlage 10. Modele de carnet de controle des huiles usees
Bijlage 10. Model van het olie-afgifteboekje
Uithouders met radarreflector (boven- en benedenstrooms van de pijler).
Radarreflectoren geplaatst op gele drijvers die paarsgewijs dicht bij elkaar bij elke oever liggen (ieder paar drijvers geeft op het radarbeeld 2 punten naast elkaar waardoor de bovengrondse lijn te herkennen is).
Radarreflectoren bevestigd aan de bovengrondse lijn (geeft op het radarbeeld een aantal punten waardoor de bovengrondse lijn te herkennen is).
Radarreflectoren geplaatst op gele drijvers die paarsgewijs dicht bij elkaar bij elke oever liggen (ieder paar drijvers geeft op het radarbeeld 2 punten naast elkaar waardoor de bovengrondse lijn te herkennen is).
MODELE DE CARNET DE CONTROLE DES HUILES USEES (Article 15.05 RPNR ; annexe 2, appendice I CDNI1)
MUSTER FÜR DAS ÖLKONTROLLBUCH (§ 15.05 RheinSchPV; Anlage 2, Anhang I CDNI1)
Établissement des carnets de contrôle des huiles usées
MUSTER FÜR DAS ÖLKONTROLLBUCH (§ 15.05 RheinSchPV; Anlage 2, Anhang I CDNI1)
MODEL VOOR HET OLIE-AFGIFTEBOEKJE (Artikel 15.05 RPR; bijlage 2, aanhangsel I CDNI1)
Etablissement des carnets de contrôle des huiles usées
ÖLKONTROLLBUCH
OLIE-AFGIFTEBOEKJE
Ausstellung der Ölkontrollbücher
Übereinkommen über die Sammlung, Abgabe und Annahme von Abfällen in der Rhein- und Binnenschifffahrt (CDNI)
Verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart (CDNI)
Page/Seite/Bladzijde 1
Page/Seite/Bladzijde 2
Tous les carnets suivants seront établis et numérotés dans l’ordre par une autorité compétente. Toutefois, ils ne doivent être remis que sur présentation du carnet précédent. Le carnet précédent doit recevoir la mention indélébile «non valable». Après son renouvellement, le carnet précédent doit être conservé à bord durant au moins six mois à compter de la dernière inscription.
Le premier carnet de contrôle des huiles usées, muni sur la page 1 du numéro d’ordre 1, est délivré par une autorité compétente sur présentation du certificat de visite en cours de validité ou d’un autre certificat reconnu comme étant équivalent. Cette autorité appose également les indications prévues sur la page 1.
Tous les carnets suivants seront établis et numérotés dans l’ordre par une autorité compétente. Toutefois, ils ne doivent être remis que sur présentation du carnet précédent. Le carnet précédent doit recevoir la mention indélébile «non valable». Après son renouvellement, le carnet précédent doit être conservé à bord durant au moins six mois à compter de la dernière inscription.
Alle nachfolgenden Kontrollbücher werden von einer zuständigen Behörde mit der Folgenummer nummeriert und ausgegeben. Sie dürfen jedoch nur gegen Vorlage des vorhergehenden Kontrollbuches ausgehändigt werden. Das vorhergehende Kontrollbuch wird unaustilgbar «ungültig» gekennzeichnet. Nach seiner Erneuerung muss das vorhergehende mindestens sechs Monate nach der letzten Eintragung an Bord aufbewahrt werden.
Bijlage 11
(vervallen)
Bijlage 11. Gegevens die in het Inland AIS-apparaat moeten worden ingevoerd: verklaring van de navigatiestatus en van het referentiepunt voor de positie-informatie op het schip
Artikel 6.01. Snelle schepen
Een snel schip moet voor elk ander schip uitwijken.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)