← Geldende tekst · Geschiedenis

Regeling legitimatievoorschriften kentekenbewijzen en kentekenplaten

Geldende tekst a fecha 2006-08-07

Gelet op artikel 50, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 25, eerste en tweede lid, 26, tweede lid, 28, tweede lid, 29, eerste lid, 30, tweede lid, 31, tweede lid, 32, tweede lid, 33, eerste lid, 36, tweede lid, 50 eerste lid, en 51 van het Kentekenreglement;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Afschrift gegevens uit de basisadministratie persoonsgegevens

Artikel 1

Voor zover in deze regeling niet anders is bepaald, dient, indien in het kader van deze regeling een legitimatiebewijs als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, d, of e, wordt overgelegd, tevens een origineel en actueel de aanvrager betreffend gewaarmerkt afschrift van de benodigde gegevens uit de basisadministratie persoonsgegevens dat niet ouder is dan drie maanden, te worden overgelegd.

Hoofdstuk 2. Aanvraag deel I B van een kentekenbewijs

Artikel 2. Aanvrager natuurlijke persoon
1.

Bij de aanvraag van een deel I B van een kentekenbewijs dient, indien de aanvraag wordt ingediend door een natuurlijke persoon, bij een instantie, genoemd in artikel 4, eerste lid, onderdeel a of b, van de Regeling kentekenbewijzen het volgende legitimatiebewijs te worden overgelegd:

2.

Indien de in het eerste lid bedoelde aanvraag wordt ingediend namens een natuurlijke persoon door een erkend bedrijf, dienen de volgende documenten te worden overgelegd:

3.

Indien de in het eerste lid bedoelde aanvraag wordt ingediend voor een natuurlijke persoon door een erkend bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel f, van het Kentekenreglement, wordt, tezamen met het in artikel 25a, tweede lid, respectievelijk artikel 28a, tweede lid, van het Kentekenreglement bedoelde legitimatiebewijs, een verklaring als bedoeld in artikel 25a, tweede lid, of artikel 28a, tweede lid, van het Kentekenreglement, overgelegd. De verklaring voldoet aan de voorschriften in artikel 15b, zevende lid, van de Regeling erkenning bedrijfsvoorraad.

Artikel 3. Aanvrager ingeschreven rechtspersoon
1.

Bij de aanvraag van een deel I B van een kentekenbewijs dienen, indien de aanvraag wordt ingediend door een tekenbevoegde voor een rechtspersoon als bedoeld in artikel 50, derde lid, van de wet, bij een instantie, genoemd in artikel 4, onderdeel a of b, van de Regeling kentekenbewijzen, de volgende documenten te worden overgelegd:

2.

Indien de in het eerste lid bedoelde aanvraag wordt ingediend namens een rechtspersoon als bedoeld in artikel 50, derde lid, van de wet, door een door een tekenbevoegde gemachtigde, niet zijnde een erkend bedrijf, bij een instantie, genoemd in artikel 4, onderdeel a of b, van de Regeling kentekenbewijzen, dienen de volgende documenten te worden overgelegd:

3.

Indien de in het eerste lid bedoelde aanvraag wordt ingediend namens een rechtspersoon als bedoeld in artikel 50, derde lid, van de wet, door een door een tekenbevoegde gemachtigd erkend bedrijf, bij een instantie genoemd in artikel 4, onderdeel a of b, van de Regeling kentekenbewijzen, dienen de volgende documenten te worden overgelegd:

4.

Indien de in het eerste lid bedoelde aanvraag wordt ingediend namens een rechtspersoon als bedoeld in artikel 50, derde lid, van de wet, door een erkend bedrijf dat is gemachtigd door een gemachtigde als bedoeld in het tweede lid, bij een instantie, genoemd in artikel 4, onderdeel a of b, van de Regeling kentekenbewijzen, dienen de volgende documenten te worden overgelegd:

5.

Indien de aanvraag wordt ingediend namens een rechtspersoon als bedoeld in artikel 25a, derde lid, of artikel 28a, derde lid, van het Kentekenreglement, verstrekt de aanvrager een actueel en gewaarmerkt uittreksel uit het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet, dat niet ouder is dan een jaar en waaruit blijkt dat de tekenbevoegde bevoegd is de rechtspersoon te vertegenwoordigen.

Artikel 4. Aanvrager niet-ingeschreven rechtspersoon
1.

Bij de aanvraag van een deel I B van een kentekenbewijs dient, indien de aanvraag wordt ingediend namens een rechtspersoon als bedoeld in artikel 50, vierde lid, van de wet, door een gemachtigde, niet zijnde een erkend bedrijf, een van de in artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, genoemde legitimatiebewijzen van de gemachtigde te worden overgelegd.

2.

Indien de in het eerste lid bedoelde aanvraag wordt ingediend namens een rechtspersoon als bedoeld in artikel 50, vierde lid, van de wet, door een door de gemachtigde van de rechtspersoon gemachtigd erkend bedrijf, dienen de volgende documenten te worden overgelegd:

Hoofdstuk 3. Aanvraag vervangend kentekenbewijs met contante of electronische betaling

Artikel 9

Bij het overleggen van de in de artikelen 31, 32 en 33 van het Kentekenreglement bedoelde verklaring alsmede bij de aanvraag van een kentekenbewijs, bevattende een kenteken als bedoeld in artikel 4, zesde lid, van het Kentekenreglement, dient degene die de verklaring overlegt, een van de in artikel 2, eerste lid, genoemde legitimatiebewijzen over te leggen, met dien verstande dat:

Artikel 10

De regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 6 december 1991, nr. RV 110015, Hoofddirectie van de Waterstaat (Stcrt. 244), houdende voorschriften legitimatie bij aanvraag kentekenbewijs, wordt ingetrokken.

Artikel 11

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1995.

Hoofdstuk 4. Aanvraag (opheffing) schorsing en vervangend deel II voor versleten of geheel of ten dele onleesbaar deel II

Artikel 8

De aanvraag van een schorsing, bedoeld in artikel 50 van het Kentekenreglement, en de aanvraag van een nieuw deel I B dan wel, indien het een voor 31 mei 2004 afgegeven kentekenbewijs betreft, een deel I B bij de opheffing van een schorsing, bedoeld in artikel 51 van het Kentekenreglement, geschiedt overeenkomstig de artikelen 8a, 8b en 8c.

Artikel 8a. Aanvrager natuurlijke persoon
1.

Indien de aanvraag wordt ingediend door een natuurlijke persoon, dient bij de aanvraag een van de in artikel 2, eerste lid, genoemde legitimatiebewijzen van de aanvrager te worden overgelegd, met dien verstande dat geen afschrift als bedoeld in artikel 1 behoeft te worden overgelegd.

2.

Indien de aanvraag wordt ingediend namens een natuurlijke persoon door een door deze gemachtigde, dienen bij de aanvraag de volgende documenten te worden overgelegd:

Artikel 8b. Aanvrager ingeschreven rechtspersoon
1.

Indien de aanvraag wordt ingediend door een tekenbevoegde voor een rechtspersoon als bedoeld in artikel 50, derde lid, van de wet, dienen bij de aanvraag de in artikel 3, eerste lid, genoemde documenten te worden overgelegd.

2.

Indien de aanvraag wordt ingediend door een door een tekenbevoegde gemachtigde, dienen bij de aanvraag de in artikel 3, tweede lid, genoemde documenten te worden overgelegd.

Artikel 8c. Aanvrager niet-ingeschreven rechtspersoon

Indien de aanvraag wordt ingediend namens een rechtspersoon als bedoeld in artikel 50, vierde lid, van de wet, door een gemachtigde, dient bij de aanvraag een van de in artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, genoemde legitimatiebewijzen van de gemachtigde te worden overgelegd, met dien verstande dat geen afschrift als bedoeld in artikel 1 behoeft te worden overgelegd.

Hoofdstuk 4a. Aanvraag kentekenbewijs niet-nederlandse aanhangwagen

Artikel 8d

Vervallen

Hoofdstuk 4a. Aanvraag kentekenbewijs niet-nederlandse aanhangwagen

Artikel 9

Bij het overleggen van de in de artikelen 31, 32 en 33 van het Kentekenreglement bedoelde verklaring alsmede bij de aanvraag van een kentekenbewijs, bevattende een kenteken als bedoeld in artikel 4, zesde lid, van het Kentekenreglement, dient degene die de verklaring overlegt, een van de in artikel 2, eerste lid, genoemde legitimatiebewijzen over te leggen, met dien verstande dat:

Hoofdstuk 5. Aanvraag uitvoerverklaring en uitvoerkentekenbewijs

Artikel 9 a. Verkrijging door een natuurlijk persoon

Bij de verkrijging van kentekenplaten door een natuurlijk persoon worden overgelegd:

Artikel 9 b. Verkrijging door een rechtspersoon

Bij de verkrijging van kentekenplaten door een rechtspersoon worden overgelegd:

Artikel 9 c. Verkrijging met een niet te naamgesteld kentekenbewijs

Indien een erkend bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onder b, van het Kentekenreglement, verzoekt om verkrijging van kentekenplaten tegen overlegging van een nog niet te naamgesteld kentekenbewijs 1deel I A dan wel deel I, worden bij de verkrijging overgelegd:

Artikel 9d. Uitzonderingen
1.

De artikelen 9 a, 9 b en 9 c zijn slechts van toepassing op donkerblauwe kentekenplaten en kentekenplaten volgens de modellen 18.2A tot en met 18.2C, 27.1A tot en met 27.2F, 27.10A tot en met 27.29 en 30.1A tot en met 30.16 van de bijlage bij de Regeling kentekens en kentekenplaten, die worden afgegeven door een fabrikant met erkenning als bedoeld in artikel 70 a van de wet.

2.

Een legitimatiebewijs als bedoeld in onderdeel a van de artikelen 9 a, 9 b en 9 c hoeft niet te worden overgelegd bij de verkrijging van kentekenplaten volgens de modellen 27.15A tot en met 27.29 en 30.7 tot en met 30.16 van de bijlage bij de Regeling kentekens en kentekenplaten.

3.

Een kentekenbewijs als bedoeld in onderdeel b van de artikelen 9 a, 9 b en 9 c hoeft niet te worden overgelegd bij vervanging van beschadigde kentekenplaten

4.

Bij de verkrijging van kentekenplaten volgens de modellen 27.15A tot en met 27.17C, 30.7 en 30.8 van de bijlage bij de Regeling kentekens en kentekenplaten kan in plaats van het kentekenbewijs een proces-verbaal van aangifte van vermissing of diefstal van het kentekenbewijs en de desbetreffende kentekenplaten worden overgelegd.

5.

Voor wat betreft kentekenbewijzen die zijn afgegeven na 30 mei 2004, behoeft een kentekenbewijs deel I B als bedoeld in onderdeel b van de artikelen 9a en 9b, niet te worden overgelegd indien wordt overgelegd:

6.

Voor wat betreft kentekenbewijzen die zijn afgegeven voor 31 mei 2004, behoeft een kentekenbewijs deel II als bedoeld in onderdeel b van de artikelen 9a en 9b, niet te worden overgelegd indien wordt overgelegd:

Artikel 9e. Verkrijging van een taxikentekenplaat
1.

In afwijking in zoverre van de artikelen 9a tot en met 9c, worden bij de verkrijging van kentekenplaten volgens de modellen 18.2A tot en met 18.2C met lichtblauwe kleur, en 27.30A tot en met 27. 31C door een natuurlijke persoon, respectievelijk een rechtspersoon, overgelegd:

2.

Ter verkrijging van de verklaring, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, worden bij de Dienst Wegverkeer overgelegd:

Hoofdstuk 6

Artikel 10

De regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 6 december 1991, nr. RV 110015, Hoofddirectie van de Waterstaat (Stcrt. 244), houdende voorschriften legitimatie bij aanvraag kentekenbewijs, wordt ingetrokken.

Artikel 11

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1995.

Artikel 12

Deze regeling wordt aangehaald als:

Regeling legitimatievoorschriften kentekenbewijzen en kentekenplaten.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 5

De aanvraag van een vervangend kentekenbewijs geschiedt overeenkomstig de artikelen 6, 7, 7a en 7b, ingeval de aanvrager het voor de aanvraag vastgestelde tarief contant dan wel op electronische wijze met gebruikmaking van een persoonlijk identificatienummer, betaalt.

Artikel 6. Aanvrager natuurlijke persoon
1.

Indien de aanvraag wordt ingediend door een natuurlijke persoon, dient bij de aanvraag een van de in artikel 2, eerste lid, genoemde legitimatiebewijzen van de aanvrager te worden overgelegd, met dien verstande dat geen afschrift als bedoeld in artikel 1 behoeft te worden overgelegd.

2.

Indien de aanvraag wordt ingediend namens een natuurlijke persoon door een door deze gemachtigde, dienen bij de aanvraag te worden overgelegd:

Artikel 7. Aanvrager ingeschreven rechtspersoon
1.

Indien de aanvraag wordt ingediend door een tekenbevoegde voor een rechtspersoon als bedoeld in artikel 50, derde lid, van de wet, dienen bij de aanvraag te worden overgelegd:

2.

Indien de aanvraag wordt ingediend door een door een tekenbevoegde gemachtigde, dienen bij de aanvraag te worden overgelegd:

Artikel 7a. Aanvrager niet-ingeschreven rechtspersoon

Indien de aanvraag wordt ingediend namens een rechtspersoon als bedoeld in artikel 50, vierde lid, van de wet, door een gemachtigde, dient bij de aanvraag een van de in artikel 2, eerste lid, genoemde legitimatiebewijzen van de gemachtigde te worden overgelegd.

Artikel 7b. Aanvrager erkend bedrijf

Indien de aanvraag wordt ingediend door een erkend bedrijf voor een voertuig dat in de bedrijfsvoorraad van dat bedrijf is geregistreerd, dienen bij de aanvraag te worden overgelegd:

Hoofdstuk 4. Aanvraag schorsing en aanvraag deel I B bij opheffing schorsing

Hoofdstuk 5 a. Verkrijging kentekenplaten

Hoofdstuk 6