Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag
Gelet op artikel 6, vierde lid, 10a, zevende lid, 11, tweede lid, 15, tweede lid, 18a, derde lid, 20, tweede lid, 22, tweede lid, 28, negende lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag en op artikel 7, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag;
Handelende wat artikel 15, tweede lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag betreft, mede namens de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
Besluit:
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet belastingen op milieugrondslag en het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag in werking treden.
Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen
Artikel 1
Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 14, tweede en vierde lid, 20, vierde lid, 21, tweede lid, 23, vierde lid, 25, vierde lid, 38, tweede lid, onderdeel b, 39, tweede lid, 44, vijfde lid, 45, vierde lid, 47, tweede en vijfde lid, 50, zevende lid, 54, zesde lid, 59, zevende lid, 59a, derde en vijfde lid, 60, vijfde lid, 60b, vierde lid, 63, zevende lid, 64, zevende lid, 66, achtste lid, 67, vierde lid, 68, vierde lid, 69, achtste lid, 70, vijfde lid, 70a, vierde lid, 71, tweede en derde lid, en 92, zesde lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag en de artikelen 6, tweede lid, 11c, vierde lid, 18, vijfde lid, 19, tweede lid, onderdeel c, 21c, zesde lid, 27, derde lid, en 28, vijfde lid, van het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag.
Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:
- a. de wet: de Wet belastingen op milieugrondslag;
- b. het besluit: het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag;
- c. de EAN-code: de EAN-code, bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de Regeling afnemers en monitoring Elektriciteitswet 1998 en Gaswet.
Hoofdstuk II. Grondwaterbelasting
Artikel 2
Vervallen
Artikel 3
Vervallen
Artikel 4
Voor de toepassing van artikel 14, eerste lid, tweede volzin, van de wet wordt een gedeelte van een maand als een hele maand aangemerkt bij aanvang van de verbruiksperiode vóór de zestiende dag van de kalendermaand en bij einde van de verbruiksperiode na de vijftiende dag van de kalendermaand.
Toepassing van het eerste lid kan achterwege blijven indien een gedeelte van een maand in aanmerking wordt genomen naar evenredigheid van het aantal dagen.
Voor de toepassing van artikel 14, tweede lid, van de wet wordt een aansluiting van een particuliere installatie voor centrale watervoorziening aangemerkt als meerdere aansluitingen, waarbij het aantal aansluitingen wordt bepaald op het aantal onroerende zaken als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken die via die installatie van water worden voorzien.
De verklaring, bedoeld in artikel 14, derde lid, van de wet, wordt ondertekend en bevat ten minste:
- a. de dagtekening;
- b. naam en adres van de exploitant;
- c. naam en adres van de leverancier, en
- d. het aantal alsmede een omschrijving van de onroerende zaken met plaatselijke en kadastrale aanduiding, die gemiddeld op de installatie zijn aangesloten.
Hoofdstuk IIa. Belasting op leidingwater
Artikel 4a
1.
Voor de toepassing van artikel 11c, tweede lid, van de wet wordt een gedeelte van een maand als een hele maand aangemerkt bij aanvang van de verbruiksperiode vóór de zestiende dag van de kalendermaand en bij einde van de verbruiksperiode na de vijftiende dag van de kalendermaand.
2.
Toepassing van het eerste lid kan achterwege blijven indien een gedeelte van een maand in aanmerking wordt genomen naar evenredigheid van het aantal dagen.
De verklaring, bedoeld in artikel 11c, derde lid, van de wet, wordt ondertekend en bevat ten minste:
- a. de dagtekening;
- b. naam en adres van de exploitant;
- c. naam en adres van de leverancier;
- d. het aantal alsmede een omschrijving van de onroerende zaken met plaatselijke en kadastrale aanduiding, die gemiddeld op de installatie zijn aangesloten.
Artikel 4b
1.
Uit de administratie van de belastingplichtige, bedoeld in artikel 11d, van de wet, dient te blijken hoe het voorschotbedrag, bedoeld in artikel 11f, eerste lid, onderdeel a, van de wet, kan worden herleid naar de hoeveelheid leidingwater en hoe het voorschotbedrag is opgebouwd.
2.
Indien de verrekening, bedoeld in artikel 11f, derde lid, van de wet, leidt tot een lager bedrag dan over de verbruiksperiode aan belasting is voldaan, wordt het verschil in mindering gebracht op de aangifte over het tijdvak waarin de eindfactuur is uitgereikt.
Artikel 4c
De administratie van degene die verzoekt om teruggaaf van belasting als bedoeld in artikel 11i, eerste lid, van de wet, is zodanig ingericht dat daarin op overzichtelijke wijze alle voor de vaststelling van het bedrag van de teruggaaf van belang zijnde gegevens zijn opgenomen.
Artikel 4d
In het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 11j, eerste lid, van de wet, worden de volgende gegevens vermeld:
- a. het tijdvak waarover teruggaaf wordt verzocht;
- b. naam en adres van de verbruiker;
- c. naam en adres van de leveranciers;
- d. de hoeveelheid leidingwater waarvoor teruggaaf wordt verzocht per leverancier;
- e. de periode van levering van het leidingwater;
- f. het bedrag aan belasting dat wordt teruggevraagd.
Artikel 4e
De administratie van de belastingplichtige, bedoeld in artikel 11d van de wet, is zodanig ingericht dat daarin op overzichtelijke wijze de gegevens zijn opgenomen met betrekking tot:
- a. de hoeveelheid leidingwater die is geleverd;
- b. de belasting begrepen in voorschotnota's en voorschotbedragen;
- c. de belasting begrepen in eindfacturen;
- d. de belasting begrepen in facturen;
- e. het aantal aansluitingen voor leidingwater;
- f. de periode van aansluiting;
- g. het aantal malen dat de bovengrens is toegepast;
- h. de evenredige toedeling van de bovengrens bij afwijkende verbruiksperioden;
- i. het eigen verbruik;
- j. de contracten ten aanzien van de onbemeterde aansluitingen;
- k. de toepassing van de regeling, bedoeld in artikel 11c, derde lid, van de wet;
- l. de toepassing van de vrijstelling, bedoeld in artikel 11h, eerste lid, van de wet.
Hoofdstuk V. Kolenbelasting
Artikel 5
In het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de wet, worden de volgende gegevens vermeld:
- a. het tijdvak waarover teruggaaf wordt verzocht;
- b. naam en adres van de verbruiker;
- c. BSN of RSIN van de verbruiker;
- d. naam en adres van de leveranciers;
- e. de hoeveelheid leidingwater waarvoor teruggaaf wordt verzocht per leverancier;
- f. de periode van levering van het leidingwater, en
- g. het bedrag aan belasting dat wordt teruggevraagd.
Artikel 5a
Het tarief, bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet vindt slechts toepassing op de afvalstoffen als bedoeld in artikel 18, tweede lid, onderdeel d, van de wet indien de aanbieder van de afvalstoffen aan de houder van een afvalverwerkingsinrichting een ondertekende verklaring afgeeft waarin wordt aangegeven de hoeveelheid aangeboden afvalstoffen en het productieproces waarvan de afvalstoffen afkomstig zijn.
Indien de afvalstoffen niet worden aangeboden door de producent, wordt de verklaring, bedoeld in het eerste lid, zowel door de producent als door de vervoerder ondertekend.
Artikel 5aa
Vervallen
Artikel 5ab
Het tarief, bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet vindt slechts toepassing op de afvalstoffen als bedoeld in artikel 18, tweede lid, onderdeel e, van de wet indien de aanbieder van de afvalstoffen aan de houder van een afvalverwerkingsinrichting een ondertekende verklaring afgeeft waarin wordt aangegeven de hoeveelheid aangeboden afvalstoffen en het productieproces waarvan de afvalstoffen afkomstig zijn.
Indien de afvalstoffen niet worden aangeboden door de producent, wordt de verklaring, bedoeld in het eerste lid, zowel door de producent als door de vervoerder ondertekend.
Artikel 5b
De administratie van de houder van de afvalverwerkingsinrichting is zodanig ingericht dat daarin op overzichtelijke wijze de gegevens zijn opgenomen met betrekking tot:
- a. de aanbieders van de aangeboden partij afvalstoffen;
- b. het gewicht per partij afval;
- c. de verklaring als bedoeld in artikel 5a, eerste lid.
Artikel 5c
Voor de toepassing van artikel 18, tweede lid, onderdeel d, van de wet worden aangewezen residuen afkomstig van vertical technology (VERTEC) voor het reinigen van zuiveringsslib, regeneratiezandstof dat vrijkomt bij het stralen van voorwerpen of bij het vervaardigen van zandvormen in het productieproces van aluminium- en ijzergieterijen, anorganische residuen van de destillatie of ontwatering van verontreinigd boorgruis, residuen van zuivering in een afvalwaterbehandelingsinstallatie van afvalwater afkomstig van de rookgasontzwaveling van een kolengestookte elektriciteitscentrale en residuen afkomstig van installaties voor het verbranden van specifiek ziekenhuisafval.
Artikel 6
De administratie van de belastingplichtige, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet, is zodanig ingericht dat daarin op overzichtelijke wijze de gegevens zijn opgenomen met betrekking tot:
- a. de hoeveelheid leidingwater die is geleverd;
- b. de opbouw van de voorschotbedragen;
- c. de herleiding van de voorschotbedragen naar de hoeveelheden leidingwater;
- d. de belasting begrepen in voorschotnota's en voorschotbedragen;
- e. de belasting begrepen in eindfacturen;
- f. de belasting begrepen in facturen;
- g. het aantal aansluitingen voor leidingwater;
- h. de periode van aansluiting;
- i. het aantal malen dat de bovengrens is toegepast;
- j. de evenredige toedeling van de bovengrens bij afwijkende verbruiksperioden;
- k. het eigen verbruik;
- l. de contracten ten aanzien van de onbemeterde aansluitingen;
- m. de toepassing van de regeling, bedoeld in artikel 14, derde lid, van de wet;
- n. de toepassing van de vrijstelling, bedoeld in artikel 19 van de wet.
Artikel 6a
Voor de toepassing van artikel 18b, eerste lid, van de wet kan de inspecteur per inrichting en per stof, preparaat of ander product een factor vaststellen waarmee het gewicht wordt vermenigvuldigd ten behoeve van de berekening van het terug te geven bedrag aan belasting.
Artikel 6b
De administratie van degene die verzoekt om teruggaaf van belasting als bedoeld in artikel 18c, eerste lid, van de wet, is zodanig ingericht dat daarin op overzichtelijke wijze alle voor de vaststelling van het bedrag van de teruggaaf van belang zijnde gegevens zijn opgenomen.
Hoofdstuk IV. Brandstoffenbelasting
Artikel 7
Het gewicht van de afvalstoffen die ter verwijdering worden afgegeven, bedoeld in artikel 25, eerste lid, onderdeel a, van de wet, wordt onder verantwoordelijkheid van de houder van een inrichting onmiddellijk vóór dan wel aansluitend op de afgifte bepaald in kilogrammen door weging met een meetinstrument dat voldoet aan de eisen die bij of krachtens de Metrologiewet worden gesteld aan een meetinstrument.
In afwijking van het eerste lid kan de inspecteur voor afvalstoffen die per schip aan de inrichting worden afgegeven ter verwijdering met de houder van de inrichting afwijkende afspraken maken over de wijze waarop het gewicht van die afvalstoffen wordt bepaald.
In afwijking van het eerste lid wordt het gewicht van afvalstoffen die worden verwijderd binnen de inrichting waarin deze zijn ontstaan als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel b, van de wet, bepaald onmiddellijk vóór de verwijdering binnen de inrichting.
Artikel 7a
Vervallen
Artikel 7b
De verklaring, bedoeld in artikel 6c, eerste en derde lid, van het besluit, wordt ondertekend en bevat ten minste:
- a. de dagtekening;
- b. naam en adres van de gebruiker;
- c. naam en adres van de leverancier;
- d. de hoeveelheid kolen waarvoor vrijstelling wordt verleend;
- e. het kalenderjaar waarop de verklaring betrekking heeft.
Artikel 8
De houder van de inrichting waaraan afvalstoffen ter verwijdering worden afgegeven die naar Nederland zijn overgebracht als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel a, van de wet, neemt in zijn administratie een afschrift op van de kennisgeving, bedoeld in artikel 4 van EVOA.
Hoofdstuk IVa. Energiebelasting
Artikel 8a
Bij een aanvraag, als bedoeld in artikel 25a, eerste lid, van de wet, geschiedt de vaststelling van de juistheid van de identiteit van de aanvrager door middel van eHerkenning op basis van minimaal betrouwbaarheidsniveau 2.
Artikel 8aa
Berekeningen voor de toepassing van artikel 36a, eerste lid, onderdeel q, van de wet, worden gemaakt op basis van een kalenderjaar.
Voor de toepassing van artikel 36a, eerste lid, onderdeel k, van de wet worden producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw, met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen, de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, alsmede industrieel en huishoudelijk afval met een aandeel onvermijdbare kunststoffen en ander materiaal van lang-cyclisch organische oorsprong van ten hoogste 3 massaprocent per partij geacht geheel biologisch afbreekbaar te zijn.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt als partij aangemerkt de op basis van één specificatie geleverde hoeveelheid materiaal die voor controle op het aandeel onvermijdbare kunststoffen en ander materiaal van lang-cyclisch organische oorsprong door degene die het materiaal gebruikt voor de opwekking van elektriciteit gedurende een door hem vastgestelde periode als eenheid wordt aangemerkt en als zodanig identificeerbaar is.
Artikel 8b
De verklaring, bedoeld in artikel 11c, tweede lid, van het besluit wordt uiterlijk twee werkdagen voorafgaand aan de afgifte ter verwijdering aan de houder van de inrichting overgelegd.
De verklaring wordt ondertekend door een daartoe bevoegde procuratiehouder van het gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf, bedoeld in artikel 11c, eerste lid, onderdeel a, van het besluit, en bevat ten minste:
- a. de dagtekening;
- b. de naam, het adres en het certificeringsnummer van het gecertificeerd asbestverwerkingsbedrijf, bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel g, van het besluit;
- c. het nummer dan wel de nummers van de sloopmelding in het landelijk asbestvolgsysteem, bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel h, van het besluit;
- d. het adres van het gesaneerde dak dan wel de gesaneerde daken waarvan het onvermengd asbest en de asbesthoudende producten afkomstig zijn; en
- e. de verklaring dat het asbest en de asbesthoudende producten die ter verwijdering aan de inrichting worden afgegeven voldoen aan de voorwaarden en beperkingen, genoemd in artikel 11c, eerste lid, van het besluit.
De houder van de inrichting vermeldt uiterlijk bij de afgifte ter verwijdering op de verklaring het afvalstroomnummer, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen.
Artikel 8c
Op de administratie van de fiscaal vertegenwoordiger, bedoeld in artikel 36e, vierde lid, van de wet is artikel 8j van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8d
Uit de administratie van de belastingplichtige, bedoeld in artikel 36e, tweede lid, van de wet, dient te blijken hoe de voorschotbedragen, bedoeld in artikel 36h, derde lid, onderdeel a, van de wet, kunnen worden herleid naar hoeveelheden aardgas, overige gassen en elektriciteit en hoe het voorschotbedrag is opgebouwd.
Voor de toepassing van artikel 36e, tiende lid, van de wet dient uit de administratie van de belastingplichtige, bedoeld in artikel 36e, derde en negende lid, van de wet, te blijken hoeveel aardgas, overige gassen en elektriciteit aan hem is geleverd.
Indien de verrekening, bedoeld in artikel 36h, vijfde lid, van de wet, leidt tot een lager bedrag dan over de verbruiksperiode aan belasting is voldaan, wordt het verschil in mindering gebracht op de aangifte over het tijdvak waarin de eindfactuur is uitgereikt.
Artikel 8e
1.
Ter zake van de uitslag en de invoer van halfzware olie, gasolie en vloeibaar gemaakt petroleumgas vindt het tarief, bedoeld in artikel 36i, derde lid, van de wet, toepassing bij wijze van teruggaaf van belasting aan de tuinbouwer die de minerale oliën gebruikt voor verwarming ter bevordering van het groeiproces van tuinbouwprodukten.
De teruggaaf geschiedt op verzoek van de tuinbouwer en bedraagt de aan hem wegens levering van minerale oliën in rekening gebrachte belasting verminderd met het bedrag dat resulteert indien de tarieven als bedoeld in artikel 36i, derde lid, in rekening worden gebracht.
Het verzoek om teruggaaf wordt gedaan binnen dertien weken na afloop van het kalenderkwartaal waarin de minerale oliën zijn ontvangen.
In het verzoek om teruggaaf worden vermeld:
- a. het kwartaal waarover teruggaaf wordt verzocht;
- b. naam en adres van de tuinbouwer;
- c. de hoeveelheid en de soort minerale olie waarvoor teruggaaf wordt verzocht;
- d. de datum van levering van de minerale oliën;
- e. het bedrag aan belasting dat wordt teruggevraagd;
- f. de verklaring dat de tuinbouwer de minerale oliën ter zake waarvan teruggaaf wordt gevraagd gebruikt voor verwarming ter bevordering van het groeiproces van tuinbouwprodukten.
5.
Bij het verzoek om teruggaaf worden de aankoopfacturen overgelegd van de in het verzoek om teruggaaf vermelde hoeveelheid minerale oliën waarvoor teruggaaf wordt verzocht.
Artikel 8f
Ter zake van de levering van aardgas vindt het schijventarief, bedoeld in artikel 36i, vierde lid, van de wet, slechts toepassing indien die levering geschiedt aan een tuinbouwer en mits de leverancier per aansluiting een door de tuinbouwer ondertekende verklaring kan overleggen waaruit blijkt dat deze het aardgas gebruikt voor verwarming ter bevordering van het groeiproces van tuinbouwprodukten, en waarin voorts zijn vermeld:
- a. de dagtekening;
- b. naam en adres van de afnemer;
- c. naam en adres van de leverancier;
- d. het kalenderjaar waarop de verklaring betrekking heeft.
De in het eerste lid bedoelde verklaring heeft betrekking op al het per aansluiting in het kalenderjaar door de leverancier aan de tuinbouwer te leveren aardgas; indien slechts een deel van dat aardgas wordt gebruikt voor het in het eerste lid vermelde doel, wordt dit in de verklaring vermeld en wordt de omvang van dit doel vermeld.
De verklaring, bedoeld in artikel 8ab, eerste lid, van het besluit wordt ondertekend en bevat ten minste:
- a. de dagtekening;
- b. naam en adres van de verbruiker;
- c. naam en adres van de leverancier;
- d. het kalenderjaar waarop de verklaring betrekking heeft.
Artikel 8g
Vervallen.
Artikel 8h
De verklaring, bedoeld in artikel 8b, eerste, derde en vierde lid, van het besluit, wordt ondertekend en bevat ten minste:
- a. de dagtekening;
- b. naam en adres van de exploitant;
- c. naam en adres van leverancier;
- d. het kalenderjaar waarop de verklaring betrekking heeft.
Artikel 8i
In het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 36l, eerste lid, van de wet, worden de volgende gegevens vermeld:
- a. het tijdvak waarover teruggaaf wordt verzocht;
- b. naam en adres van de verbruiker;
- c. de hoeveelheid en de soort minerale olie waarvoor teruggaaf wordt verzocht;
- d. de datum van levering van de minerale oliën;
- e. het bedrag aan belasting dat wordt teruggevraagd;
- f. de verklaring dat de minerale oliën ter zake waarvan teruggaaf wordt gevraagd, voor eigen verbruik zijn betrokken.
De administratie van degene die het in het eerste lid bedoelde verzoek om teruggaaf indient, is zodanig ingericht dat daarin op overzichtelijke wijze alle voor de vaststelling van het bedrag van de teruggaaf van belang zijnde gegevens zijn opgenomen.
In het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 36l, derde lid, van de wet, worden de volgende gegevens vermeld:
- a. de verbruiksperiode waarop het verzoek betrekking heeft;
- b. naam en adres van de gebruiker van de onroerende zaak;
- c. naam en adres van de exploitant van de installatie voor blokverwarming;
- d. de hoeveelheid warmte die in de verbruiksperiode is verbruikt;
- e. de stand van de warmtehoeveelheidsmeter aan het begin en aan het einde van de verbruiksperiode.
In de afrekening, bedoeld in artikel 8c, vijfde lid, van het Uitvoeringsbesluit, worden vermeld de totale hoeveelheid warmte die in het blokverwarmingscomplex is verbruikt in de verbruiksperiode waarop het verzoek om teruggaaf betrekking heeft, alsmede het aandeel van de gebruiker daarin.
In het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 36l, vijfde lid, van de wet, worden de volgende gegevens vermeld:
- a. het tijdvak waarover teruggaaf wordt verzocht;
- b. naam en adres van de verbruiker;
- c. naam en adres van de leveranciers;
- d. de hoeveelheden aardgas en elektriciteit waarvoor teruggaaf wordt verzocht;
- e. de periode van levering van aardgas en elektriciteit;
- f. het bedrag aan belasting dat wordt teruggevraagd.
De administratie van degene die het in het vijfde lid bedoelde verzoek om teruggaaf indient, is zodanig ingericht dat daarin op overzichtelijke wijze alle voor de vaststelling van het bedrag van de teruggaaf van belang zijnde gegevens zijn opgenomen.
Artikel 8j
De administratie van de belastingplichtige, bedoeld in artikel 36e, tweede lid, van de wet, dient zodanig te zijn ingericht dat daarin op overzichtelijke wijze de gegevens zijn opgenomen met betrekking tot:
- a. de hoeveelheden aardgas, overige gassen en elektriciteit die zijn geleverd;
- b. de belasting begrepen in voorschotnota's en voorschotbedragen;
- c. de belasting begrepen in eindfacturen;
- d. de belasting begrepen in facturen;
- e. het aantal aansluitingen voor aardgas, overige gassen en elektriciteit;
- f. de periode van aansluiting;
- g. het aantal malen dat de belastingvermindering is toegepast;
- h. de evenredige toedeling van belastingverminderingen bij afwijkende verbruiksperioden;
- i. het eigen verbruik;
- j. de contracten ten aanzien van de onbemeterde aansluitingen;
- k. de toepassing van de in artikel 36c, derde lid, van de wet bedoelde uitzondering ter zake van leveringen van elektriciteit aan degene die op zijn beurt leveringen via een aansluiting aan de verbruiker verricht;.
- l. de toepassing van het schijventarief, bedoeld in artikel 36i, vierde lid, van de wet;
- m. de toepassing van de vrijstellingen, bedoeld in artikel 36k, eerste, derde en vierde lid, van de wet;
- n. de toepassing van het schijventarief, bedoeld in artikel 36i, eerste lid, onderdelen d en g, van de wet.
Artikel 8ja
De teruggaafregeling, bedoeld in artikel 36l, zevende lid, van de wet, is eveneens van toepassing met betrekking tot aardgas en elektriciteit, gebruikt in onroerende zaken die hoofdzakelijk in gebruik zijn bij een instelling als bedoeld in artikel 36l, elfde lid, eerste en derde volzin, van de wet, mits
- a. de instelling beschikt over notarieel verleden statuten waaruit de doelstelling blijkt en deze desgevraagd worden overgelegd;
- b. de feitelijke werkzaamheden van de instelling overeenkomen met de doelstelling en de instelling zulks ook verklaart;
- c. de over te leggen eindfactuur op naam staat van de instelling die het verzoek om teruggaaf doet;
- d. de instelling verklaart dat zij niet of slechts in beperkte mate werkzaam is op het gebied van sport, gezondheidszorg of onderwijs;
- e. de instelling verklaart dat zij niet aan vennootschapsbelasting is onderworpen dan wel daarvan is vrijgesteld;
alsmede, indien het een instelling als bedoeld in artikel 36l, elfde lid, derde volzin, betreft:
- f. de werkzaamheden van de instelling nagenoeg geheel worden verricht door natuurlijke personen om niet of naar een loon dat in belangrijke mate lager is dan hetgeen in het economische verkeer gebruikelijk is.
De teruggaafregeling, bedoeld in artikel 36l, twaalfde lid, van de wet, is van toepassing, mits:
- a. de instelling, bedoeld in artikel 36l, twaalfde lid, onderdeel b, van de wet, het verzoek om teruggaaf doet;
- b. de instelling die het verzoek om teruggaaf doet, alsmede de instellingen, bedoeld in artikel 36l, twaalfde lid, onderdeel a, van de wet, beschikken over notarieel verleden statuten waaruit hun doelstelling blijkt en deze desgevraagd worden overgelegd;
- c. de feitelijke werkzaamheden van de instellingen, bedoeld in onderdeel b, overeenkomen met de doelstelling en de instelling die het verzoek om teruggaaf doet zulks ook verklaart;
- d. de over te leggen eindfactuur op naam staat van de instelling die het verzoek om teruggaaf doet;
- e. de instelling die het verzoek om teruggaaf doet verklaart dat zowel zij als de instellingen als bedoeld in artikel 36l, twaalfde lid, onderdeel a, van de wet, niet of slechts in beperkte mate werkzaam zijn op het gebied van sport, gezondheidszorg of onderwijs;
- f. de instelling die het verzoek om teruggaaf doet verklaart dat zowel zij als de instellingen als bedoeld in artikel 36l, twaalfde lid, onderdeel a, van de wet, niet aan vennootschapsbelasting zijn onderworpen dan wel daarvan zijn vrijgesteld;
- g. de instelling die het verzoek om teruggaaf doet een bezettingsoverzicht overlegt waaruit de bezettingsgraad in tijd en oppervlakte van de onroerende zaak blijkt.
Een statuut als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek wordt gelijkgesteld met notarieel verleden statuten als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, indien dit statuut schriftelijk is vastgelegd.
Artikel 8jb
De administratie van degene die verzoekt om teruggaaf van belasting als bedoeld in artikel 36l, dertiende, veertiende of vijftiende lid, van de wet, is zodanig ingericht dat daarin op overzichtelijke wijze alle voor de vaststelling van het bedrag van de teruggaaf van belang zijnde gegevens zijn opgenomen.
In het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 36l, dertiende, veertiende of vijftiende lid, van de wet, worden de volgende gegevens vermeld:
- a. het tijdvak waarover teruggaaf wordt verzocht;
- b. naam en adres van de verbruiker;
- c. naam en adres van de leveranciers;
- d. de hoeveelheid en het soort product waarvoor teruggaaf wordt verzocht per leverancier;
- e. de periode van levering van het product;
- f. het bedrag aan belasting dat wordt teruggevraagd.
Artikel 8jc
De administratie van degene die verzoekt om teruggaaf van belasting als bedoeld in artikel 36m, eerste lid, van de wet, is zodanig ingericht dat daarin op overzichtelijke wijze alle voor de vaststelling van het bedrag van de teruggaaf van belang zijnde gegevens zijn opgenomen.
Artikel 8k
Vervallen
Artikel 8l
De administratie van een installatie waarin zuivere biomassa zodanig wordt verwerkt dat daaruit elektriciteit wordt opgewekt, dient zodanig te zijn ingericht dat daarin op overzichtelijke wijze alle gegevens zijn opgenomen welke van belang zijn voor de jaarlijkse vaststelling van:
- a. de door de installatie geproduceerde hoeveelheid elektriciteit alsmede de aan het distributienet geleverde hoeveelheid elektriciteit;
- b. de verbruikte hoeveelheid fossiele brandstof en de energie-inhoud daarvan;
- c. de verbruikte hoeveelheid biomassa die als zuivere biomassa kan worden aangemerkt en de energie-inhoud daarvan;
- d. de verbruikte hoeveelheid biomassa die niet als zuivere biomassa kan worden aangemerkt en de energie-inhoud daarvan;
- e. het netto elektrisch rendement van de installatie.
De administratie van een installatie waarin zuivere biomassa wordt verwerkt op een wijze als bedoeld in het eerste lid dient zodanig te zijn ingericht dat daarin op overzichtelijke wijze de gegevens zijn opgenomen omtrent alle voor de toepassing van artikel 8aa van belang zijnde bedrijfshandelingen.
De administratie van een installatie waarin biomassa zodanig wordt verwerkt dat daaruit stortgas, rioolwaterzuiveringsgas of biogas wordt gewonnen, dient zodanig te zijn ingericht dat daarin op overzichtelijke wijze alle gegevens zijn opgenomen welke van belang zijn voor de jaarlijkse vaststelling van de door de installatie gewonnen en aan het distributienet geleverde hoeveelheid stortgas, rioolwaterzuiveringsgas, of biogas.
Artikel 8m
Vervallen.
Artikel 8n
Vervallen.
Artikel 8o
Vervallen.
Artikel 8p
Vervallen.
Artikel 8q
Vervallen
Hoofdstuk IX. Algemene bepaling
Artikel 9
Een plaats waar geen kolen worden vervaardigd, maar die dient voor de opslag van kolen, kan uitsluitend als inrichting worden aangemerkt, indien de hoeveelheid kolen die aldaar gemiddeld over een jaar voorhanden is, meer bedraagt dan 20.000 kilogram.
Artikel 10
Het verzoek om een vergunning voor een inrichting, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de wet, bevat de volgende gegevens:
- a. een omschrijving van de aard van het bedrijf waaruit onder meer moet blijken of de vergunning mede wordt gevraagd voor de vervaardiging van kolen of uitsluitend voor de opslag van kolen;
- b. een omschrijving van de administratie en de administratieve organisatie met betrekking tot de als inrichting aan te merken plaats, alsmede het adres waar de administratie wordt gehouden;
- c. de hoeveelheid kolen die naar verwachting in de inrichting per jaar zal worden vervaardigd dan wel gemiddeld over een jaar voorhanden zal zijn;
- d. het adres en de kadastrale aanduiding van de als inrichting aan te wijzen plaats, en
- e. de persoon op wiens naam de vergunning dient te worden gesteld.
Artikel 11
De verklaring, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van het besluit, bevat de volgende gegevens:
- a. in het geval van uitslag, de naam, het adres en het vergunningnummer van de vergunninghouder van de inrichting;
- b. in het geval van invoer, de naam en het adres van degene die de kolen levert;
- c. de naam en het adres van de gebruiker;
- d. de hoeveelheid kolen waarvoor vrijstelling wordt verleend;
- e. de plaats van levering van de kolen;
- f. de datum van levering van de kolen, en
- g. het kalenderjaar waarop de verklaring betrekking heeft.
Artikel 12
De administratie van degene die verzoekt om teruggaaf van belasting, bedoeld in artikel 45, eerste en tweede lid, van de wet, is zodanig ingericht dat daarin op overzichtelijke wijze alle voor de vaststelling van het bedrag van de teruggaaf van belang zijnde gegevens zijn opgenomen.
Het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 45, eerste en tweede lid, van de wet, bevat de volgende gegevens:
- a. de naam en het adres van degene die de kolen levert;
- b. de naam en het adres van de gebruiker;
- c. BSN of RSIN van de gebruiker;
- d. de hoeveelheid kolen waarvoor teruggaaf wordt verzocht;
- e. de plaats van levering van de kolen;
- f. het tijdvak waarover teruggaaf wordt verzocht, en
- g. het bedrag aan kolenbelasting dat wordt teruggevraagd.
Artikel 8ab
De in artikel 36c, derde lid, van de wet bedoelde uitzondering ter zake van leveringen van elektriciteit aan degene die op zijn beurt leveringen via een aansluiting aan de verbruiker verricht, is van toepassing indien degene aan wie die elektriciteit wordt geleverd een verklaring heeft overgelegd aan de leverancier dat hij leveringen via een aansluiting aan de verbruiker verricht.
De verklaring, bedoeld in het eerste lid, wordt ondertekend en bevat ten minste:
- a. de dagtekening;
- b. naam en adres van degene die op zijn beurt leveringen via een aansluiting aan de verbruiker verricht;
- c. naam en adres van de leverancier;
- d. de hoeveelheid elektriciteit waarop de uitzondering betrekking heeft;
- e. het kalenderjaar waarop de verklaring betrekking heeft.
Degene aan wie met toepassing van de uitzondering, bedoeld in artikel 36c, derde lid, van de wet elektriciteit wordt geleverd, dient:
- a. zijn administratie zodanig in te richten dat daarin op overzichtelijke wijze de gegevens zijn opgenomen omtrent alle voor de heffing van de energiebelasting van belang zijnde bedrijfshandelingen;
- b. met behulp van elektriciteitsmeters de hoeveelheid elektriciteit te meten die wordt betrokken voor verbruik als bedoeld in artikel 36c, vierde lid, van de wet.
Hoofdstuk IX. Algemene bepaling
Hoofdstuk IV. Brandstoffenbelasting
Hoofdstuk IVa. Energiebelasting
Hoofdstuk III. Belasting op leidingwater
Hoofdstuk IV. Afvalstoffenbelasting
Hoofdstuk VI. Energiebelasting
Artikel 13
Vervallen
Artikel 14
Voor de toepassing van artikel 47, eerste lid, onderdeel k, van de wet worden producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw, met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen, de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, alsmede industrieel en huishoudelijk afval met een aandeel onvermijdbare kunststoffen en ander materiaal van lang-cyclisch organische oorsprong van ten hoogste 3 massaprocent per partij, geacht geheel biologisch afbreekbaar te zijn.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt als partij aangemerkt de op basis van één specificatie geleverde hoeveelheid materiaal die voor controle op het aandeel onvermijdbare kunststoffen en ander materiaal van lang-cyclisch organische oorsprong door degene die het materiaal gebruikt voor de opwekking van elektriciteit gedurende een door hem vastgestelde periode als eenheid wordt aangemerkt en als zodanig identificeerbaar is.
Artikel 15
Voor de toepassing van artikel 47, eerste lid, onderdeel p, van de wet wordt onder energiebelasting mede verstaan opslag duurzame energie, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet opslag duurzame energie.
Berekeningen voor de toepassing van artikel 47, eerste lid, onderdeel p, van de wet worden gemaakt op basis van een kalenderjaar.
Artikel 16
Artikel 50, vierde lid, van de wet is van toepassing indien degene aan wie het aardgas of de elektriciteit geleverd wordt, een verklaring heeft overgelegd aan de leverancier dat hij leveringen aan de verbruiker verricht.
De verklaring, bedoeld in het eerste lid, wordt ondertekend en bevat ten minste:
- a. de dagtekening;
- b. naam en adres van degene die op zijn beurt leveringen aan de verbruiker verricht; en
- c. naam en adres van de leverancier.
Degene aan wie met toepassing van artikel 50, vierde lid, van de wet aardgas of elektriciteit wordt geleverd, dient:
- a. zijn administratie zodanig in te richten dat daarin op overzichtelijke wijze de gegevens zijn opgenomen omtrent alle voor de heffing van de energiebelasting van belang zijnde bedrijfshandelingen, en
- b. de hoeveelheid aardgas onderscheidenlijk elektriciteit te meten die wordt betrokken voor verbruik als bedoeld in artikel 50, derde lid, onderdeel c, van de wet.
Wanneer degene aan wie het aardgas of de elektriciteit wordt geleverd niet langer leveringen aan de verbruiker verricht, meldt hij onmiddellijk schriftelijk aan de leverancier dat artikel 50, vierde lid, van de wet niet langer van toepassing is ten aanzien van aan hem geleverd aardgas of aan hem geleverde elektriciteit.
Artikel 17
Op de administratie van de fiscaal vertegenwoordiger, bedoeld in artikel 54, eerste lid, van de wet, is artikel 28 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 18
Vervallen
Artikel 19
De verklaring, bedoeld in artikel 20, eerste lid, van het besluit, wordt ondertekend en bevat de volgende gegevens:
- a. de dagtekening;
- b. naam en adres van de verbruiker; en
- c. naam en adres van de leverancier.
Artikel 20
Als tuinbouwproducten als bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de wet worden aangemerkt groenten, fruit en sierteeltproducten.
De tarieven, genoemd in artikel 60, eerste lid, van de wet, vinden slechts toepassing indien de leverancier per aansluiting een door de verbruiker ondertekende verklaring kan overleggen waaruit blijkt dat deze het aardgas gebruikt voor verwarming ter bevordering van het groeiproces van tuinbouwproducten, en waarin voorts zijn vermeld:
- a. de dagtekening;
- b. de naam en het adres van de verbruiker, en
- c. de naam en het adres van de leverancier.
De verklaring, bedoeld in het tweede lid, heeft betrekking op al het via de aansluiting aan de verbruiker geleverde aardgas. Indien slechts een deel van dat aardgas wordt gebruikt voor het in het tweede lid vermelde doel, wordt dit in de verklaring vermeld en wordt dat deel uitgedrukt in een percentage van het geheel.
Indien een gegeven als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b of c, of in het derde lid wijzigt, geeft de verbruiker binnen zes weken een nieuwe verklaring af aan de leverancier.
De verbruiker trekt de verklaring binnen zes weken schriftelijk in, indien het door hem afgenomen aardgas niet langer wordt gebruikt voor verwarming ter bevordering van het groeiproces van tuinbouwproducten. In de te ondertekenen verklaring wordt de datum van wijziging van gebruik opgenomen.
Onder verwarming ter bevordering van het groeiproces van tuinbouwproducten als bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de wet, wordt verstaan het verwarmen van kassen waarin tuinbouwproducten worden gekweekt. Als verwarming ter bevordering van het groeiproces van tuinbouwproducten wordt mede aangemerkt:
- –. de verwarming van bloembollenschuren voor bloemknopbevordering en kwaliteitsbehandeling van de bloembollen;
- –. de verwarming van de grond via een buizennet voor de behandeling van bloembollen;
- –. de verwarming voor de teelt en het drogen van tuinbouwzaden;
- –. de verwarming voor het prepareren van plantuitjes met het doel de kwaliteit van consumptie-uitjes te verbeteren;
- –. de opwekking van stoom voor het ontsmetten van tuinbouwgronden;
- –. de opwekking van stoom voor het kiemvrij maken van mest die wordt gebruikt voor het kweken van champignons;
- –. de verwarming van champignoncellen;
- –. de bestrijding van nachtvorst in boomgaarden met behulp van kachels;
- –. de verwarming voor het forceren van asperges, rabarber en witlof;
- –. de verwarming voor het in cellen in bloei trekken van trekheesters;
- –. de verwarming voor het prepareren van aardbeiplanten.
Artikel 21
Voor de toepassing van artikel 63, vierde lid, van de wet wordt een gedeelte van een maand als een hele maand aangemerkt bij aanvang van de verbruiksperiode vóór de zestiende dag van de kalendermaand en bij einde van de verbruiksperiode na de vijftiende dag van de kalendermaand.
Toepassing van het eerste lid kan achterwege blijven indien een gedeelte van een maand in aanmerking wordt genomen naar evenredigheid van het aantal dagen.
Artikel 22
De verklaring, bedoeld in artikel 22, eerste, derde, vierde of vijfde lid, van het besluit, wordt ondertekend en bevat ten minste:
- a. de dagtekening;
- b. naam en adres van de exploitant;
- c. naam en adres van leverancier, en
- d. het kalenderjaar waarop de verklaring betrekking heeft.
Artikel 23
Het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 66, eerste lid, van de wet, heeft betrekking op slechts één aansluiting en wordt gedaan binnen dertien weken na afloop van het kalenderjaar waarover teruggaaf wordt verzocht.
In het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 66, eerste lid, van de wet, worden ten minste de volgende gegevens vermeld:
- a. het kalenderjaar waarover teruggaaf wordt verzocht;
- b. naam en adres van de verbruiker;
- c. BSN of RSIN van de verbruiker;
- d. naam en adres van de leverancier of leveranciers;
- e. de EAN-code van de aansluiting via welke de elektriciteit geleverd is waarop het verzoek betrekking heeft;
- f. de hoeveelheid elektriciteit die in het kalenderjaar waarover teruggaaf wordt verzocht via de aansluiting, bedoeld in onderdeel d, geleverd is, voor zover deze elektriciteit zakelijk is verbruikt en niet op grond van artikel 64, eerste of derde lid, van de wet van energiebelasting is vrijgesteld.
Bij het verzoek worden overgelegd:
- a. de factuur of facturen waaruit blijkt hoeveel energiebelasting ter zake van de in het tweede lid, onderdeel e, bedoelde elektriciteit in rekening is gebracht;
- b. de verklaringen, bedoeld in artikel 66, derde en vierde lid, van de wet.
Indien het verzoek langs elektronische weg wordt ingediend, worden de factuur of facturen, bedoeld in het derde lid, niet bij het verzoek overgelegd maar desgevraagd aan de inspecteur verstrekt.
De verklaring, bedoeld in artikel 66, derde lid, van de wet, wordt door de verbruiker ondertekend en bevat ten minste:
- a. de dagtekening;
- b. naam en adres van de verbruiker.
De verklaringen, bedoeld in artikel 66, vierde lid, van de wet, worden door de verbruiker ondertekend en bevatten ten minste:
- a. de dagtekening;
- b. naam en adres van de verbruiker;
- c. de EAN-code van de aansluiting waarop de verklaringen betrekking hebben;
- d. het kalenderjaar waarop de verklaringen betrekking hebben.
De verbruiker richt zijn administratie zodanig in dat daarin op overzichtelijke wijze de gegevens zijn opgenomen omtrent alle voor de toepassing van de teruggaafregeling, bedoeld in artikel 66 van de wet, van belang zijnde bedrijfshandelingen.
Artikel 24
- In het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 67, eerste lid, van de wet, worden de volgende gegevens vermeld:
- a. de verbruiksperiode waarop het verzoek betrekking heeft;
- b. naam en adres van de gebruiker van de onroerende zaak;
- c. BSN of RSIN van de gebruiker van de onroerende zaak;
- d. naam en adres van de exploitant van de installatie voor blokverwarming;
- e. de hoeveelheid warmte die in de verbruiksperiode is verbruikt, en
- f. de stand van de warmtehoeveelheidsmeter aan het begin en aan het einde van de verbruiksperiode.
In de afrekening, bedoeld in artikel 24, derde lid, van het besluit, worden vermeld de totale hoeveelheid warmte die in het blokverwarmingscomplex is verbruikt in de verbruiksperiode waarop het verzoek om teruggaaf betrekking heeft, alsmede het aandeel van de gebruiker daarin.
Artikel 25
In het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 68, eerste lid, van de wet, worden de volgende gegevens vermeld:
- a. het tijdvak waarover teruggaaf wordt verzocht;
- b. naam en adres van de verbruiker;
- c. BSN of RSIN van de verbruiker;
- d. naam en adres van de leveranciers;
- e. de EAN-code(s) van de aansluiting(en);
- f. de hoeveelheden aardgas en elektriciteit waarvoor teruggaaf wordt verzocht;
- g. de periode van levering van aardgas en elektriciteit; en
- h. het bedrag aan belasting dat wordt teruggevraagd.
In het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 68, tweede lid, van de wet, worden de volgende gegevens vermeld:
- a. het tijdvak waarover teruggaaf wordt verzocht;
- b. naam en adres van de verbruiker;
- c. BSN of RSIN van de verbruiker;
- d. naam en adres van de leverancier;
- e. de EAN-code van de aansluiting;
- f. de totaal verbruikte hoeveelheid elektriciteit; en
- g. het bedrag aan belasting dat wordt teruggevraagd.
De administratie van degene die een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid om teruggaaf indient, is zodanig ingericht dat daarin op overzichtelijke wijze alle voor de vaststelling van het bedrag van de teruggaaf van belang zijnde gegevens zijn opgenomen.
Artikel 26
De teruggaafregeling, bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de wet, is van toepassing mits:
- a. de instelling verklaart dat is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 69, tweede lid, onderdelen a, b en d, van de wet;
- b. de over te leggen eindfactuur op naam van de instelling staat die het verzoek om teruggaaf doet;
- c. de instelling die voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 5c, onderdelen a en b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, verklaart dat aan die voorwaarden en aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 69, tweede lid, onderdeel e, van de wet, is voldaan, en de in artikel 5c, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen genoemde regelgeving desgevraagd wordt overgelegd.
De teruggaafregeling, bedoeld in artikel 69, derde lid, van de wet, is van toepassing mits:
- a. de notarieel verleden statuten onderscheidenlijk verklaringen waaruit de doelstelling van de instellingen, bedoeld in artikel 69, derde lid, onderdelen b en c, van de wet, blijkt, desgevraagd worden overgelegd;
- b. de instelling die het verzoek om teruggaaf doet, verklaart dat is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 69, derde lid, onderdelen a en d tot en met f, van de wet;
- c. de over te leggen eindfactuur op naam van de instelling staat die het verzoek om teruggaaf doet, en
- d. de instelling die het verzoek om teruggaaf doet, een bezettingsoverzicht overlegt van de bezettingsgraad in tijd en oppervlakte, dan wel in huuropbrengsten, van de onroerende zaak, waaruit blijkt dat de onroerende zaak hoofdzakelijk in gebruik is geweest bij meer dan één instelling die een algemeen nut beogende instelling is of die een instelling is die voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 5c, onderdelen a en b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, en artikel 69, tweede lid, onderdeel e, van de wet.
In de verzoeken om teruggaaf, bedoeld in artikel 69, eerste, tweede en derde lid, van de wet, worden de volgende gegevens vermeld:
- a. het tijdvak waarover teruggaaf wordt verzocht;
- b. naam en adres van de verbruiker;
- c. BSN of RSIN van de verbruiker;
- d. naam en adres van de leverancier;
- e. de EAN-code(s) van de aansluiting(en); en
- f. de totaal verbruikte hoeveelheden aardgas en elektriciteit.
Artikel 27
De administratie van degene die verzoekt om teruggaaf van belasting als bedoeld in de artikelen 70 of 70a van de wet, is zodanig ingericht dat daarin op overzichtelijke wijze alle voor de vaststelling van het bedrag van de teruggaaf van belang zijnde gegevens zijn opgenomen.
In het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 70 van de wet, worden de volgende gegevens vermeld:
- a. het tijdvak waarover teruggaaf wordt verzocht;
- b. naam en adres van de verbruiker;
- c. BSN of RSIN van de verbruiker;
- d. naam en adres van de leveranciers;
- e. de EAN-code(s) van de aansluiting(en);
- f. de hoeveelheid en het soort product waarvoor teruggaaf wordt verzocht per leverancier;
- g. de periode van levering van het product; en
- h. het bedrag aan belasting dat wordt teruggevraagd.
In het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 70a van de wet, worden de volgende gegevens vermeld:
- a. het tijdvak waarover teruggaaf wordt verzocht;
- b. naam en adres van degene die het verzoek om teruggaaf doet;
- c. BSN of RSIN van degene die het verzoek om teruggaaf doet;
- d. naam en adres van de leveranciers;
- e. de EAN-code(s) van de aansluiting(en);
- f. de hoeveelheid aardgas waarvoor teruggaaf wordt verzocht per leverancier;
- g. de periode van levering van het aardgas; en
- h. het bedrag aan belasting dat wordt teruggevraagd.
Artikel 28
De administratie van de belastingplichtige, bedoeld in artikel 53, eerste lid, van de wet, dient zodanig te zijn ingericht dat daarin op overzichtelijke wijze de gegevens zijn opgenomen met betrekking tot:
- a. de hoeveelheden aardgas en elektriciteit die zijn geleverd;
- b. de opbouw van de voorschotbedragen;
- c. de herleiding van de voorschotbedragen naar de hoeveelheden aardgas en elektriciteit;
- d. de belasting begrepen in voorschotnota's en voorschotbedragen;
- e. de belasting begrepen in eindfacturen;
- f. de belasting begrepen in facturen;
- g. het aantal aansluitingen voor aardgas en elektriciteit;
- h. de periode van aansluiting;
- i. het aantal malen dat de belastingvermindering is toegepast;
- j. de evenredige toedeling van belastingverminderingen bij afwijkende verbruiksperioden;
- k. het eigen verbruik;
- l. de contracten ten aanzien van de onbemeterde aansluitingen;
- m. de toepassing van artikel 50, vierde lid, van de wet;
- n. de toepassing van de tarieven, bedoeld in artikel 59, eerste lid, van de wet;
- o. de toepassing van de tarieven, bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de wet;
- p. de toepassing van de vrijstellingen, bedoeld in artikel 64, van de wet.
Voor de toepassing van artikel 57 van de wet blijkt uit de administratie van de belastingplichtige, bedoeld in artikel 53, tweede lid, van de wet, hoeveel aardgas en elektriciteit aan hem is geleverd.
Artikel 29
De administratie van een installatie waarin zuivere biomassa zodanig wordt verwerkt dat daaruit elektriciteit wordt opgewekt, dient zodanig te zijn ingericht dat daarin op overzichtelijke wijze alle gegevens zijn opgenomen welke van belang zijn voor de jaarlijkse vaststelling van:
- a. de door de installatie geproduceerde hoeveelheid elektriciteit alsmede de aan het distributienet geleverde hoeveelheid elektriciteit;
- b. de verbruikte hoeveelheid fossiele brandstof en de energie-inhoud daarvan;
- c. de verbruikte hoeveelheid biomassa die als zuivere biomassa kan worden aangemerkt en de energie-inhoud daarvan;
- d. de verbruikte hoeveelheid biomassa die niet als zuivere biomassa kan worden aangemerkt en de energie-inhoud daarvan;
- e. het netto elektrisch rendement van de installatie.
De administratie van een installatie waarin zuivere biomassa wordt verwerkt op een wijze als bedoeld in het eerste lid, dient zodanig te zijn ingericht dat daarin op overzichtelijke wijze de gegevens zijn opgenomen omtrent alle voor de toepassing van artikel 14 van belang zijnde bedrijfshandelingen.
De administratie van een installatie waarin biomassa zodanig wordt verwerkt dat daaruit stortgas, rioolwaterzuiveringsgas of biogas wordt gewonnen, dient zodanig te zijn ingericht dat daarin op overzichtelijke wijze alle gegevens zijn opgenomen welke van belang zijn voor de jaarlijkse vaststelling van de door de installatie gewonnen en aan het distributienet geleverde hoeveelheid stortgas, rioolwaterzuiveringsgas, of biogas.
Hoofdstuk VII. Vliegbelasting
Artikel 30
Vervallen
Artikel 31
Vervallen
Hoofdstuk VII. Vliegbelasting
Artikel 32
Vervallen
Hoofdstuk VIII. Verpakkingenbelasting
Artikel 33
De administratie van degene die verzoekt om teruggaaf van belasting, bedoeld in artikel 92, eerste lid, van de wet, is zodanig ingericht dat daarin op overzichtelijke wijze alle voor de vaststelling van het bedrag van de teruggaaf van belang zijnde gegevens zijn opgenomen.
Hoofdstuk VII. Vliegbelasting
Artikel 34
Deze regeling treedt in werking met ingang van de datum waarop de bepalingen van de Wet belastingen op milieugrondslag en van het Uitvoeringsbesluit waarop deze regeling berust, in werking treden.
Artikel 35
Deze regeling wordt aangehaald als:
Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag.
Artikel 32a
Vervallen
Hoofdstuk VII. Vliegbelasting
Hoofdstuk VII. Vliegbelasting
Artikel 32b
Vervallen
Hoofdstuk VIII. Verpakkingenbelasting
Bijlage. bij de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag
Vervallen
Artikel 19a
Vervallen
Artikel 19b
Vervallen
Hoofdstuk VII. Vliegbelasting
Hoofdstuk VIII. Verpakkingenbelasting
Bijlage. bij de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag
Vervallen
Hoofdstuk V. Kolenbelasting
Hoofdstuk VI. Energiebelasting
Hoofdstuk VIII. Verpakkingenbelasting
Hoofdstuk X. Slotbepalingen
Bijlage. bij de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag
Vervallen
Artikel 20a
De omstandigheid, bedoeld in artikel 21c, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, blijkt uit de beschikking van de ontvanger waarbij hij het verzoek om uitstel van betaling afwijst omdat naar zijn oordeel:
- –. de betalingsproblemen structureel zijn en het bedrijf van de verbruiker niet voldoende levensvatbaar is; of
- –. uit door de verbruiker verstrekte gegevens blijkt dat het bedrijf van de verbruiker niet voldoende solvabel is.
De datum waarop de omstandigheid, bedoeld in artikel 21c, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, zich voordoet is de datum van de dagtekening van de beschikking waarbij het verzoek om uitstel van betaling onherroepelijk is afgewezen.
Indien het einde van de termijn van drie maanden, bedoeld in artikel 21c, derde lid, van het besluit, niet samenvalt met het einde van een periode waarvoor de leverancier het geleverde aardgas aan de verbruiker in rekening brengt, past de leverancier het tarief, bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de wet, naar evenredigheid toe.
Hoofdstuk VII. Vliegbelasting
Hoofdstuk IX. Algemene bepaling
Bijlage. bij de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag
Vervallen
Artikel 20b
De verklaring, bedoeld in artikel 21d, eerste lid, van het besluit, wordt door de verbruiker ondertekend en bevat ten minste:
- a. de dagtekening;
- b. naam en adres van de verbruiker;
- c. naam en adres van de leverancier;
- d. de EAN-code van de aansluiting waarop de verklaring betrekking heeft;
- e. de verklaring dat de elektriciteit uitsluitend wordt aangewend in een walstroominstallatie die geheel of nagenoeg geheel bestemd is voor schepen niet zijnde particuliere pleziervaartuigen als bedoeld in artikel 70a, derde lid, van de wet;
- f. de verklaring dat de walstroominstallatie beschikt over een zelfstandige aansluiting en dat deze walstroominstallatie geen deel uitmaakt van een meer omvattende onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken, of dat de walstroominstallatie beschikt over een comptabele meetinrichting als bedoeld in artikel a18a van het besluit.
Artikel 20c
De belastingvermindering, bedoeld in artikel 63, eerste lid, van de wet, wordt toegepast door de leverancier die leveringen verricht via het primaire allocatiepunt, bedoeld in de Begrippencode elektriciteit.
Bijlage. bij de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag
Vervallen
Artikel 33a
Indien een verzoek om teruggaaf langs elektronische weg wordt ingediend, worden de bij het verzoek over te leggen bescheiden niet bij het verzoek overgelegd, maar desgevraagd aan de inspecteur verstrekt.
Hoofdstuk X. Slotbepalingen
Bijlage. bij de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag
Vervallen
Hoofdstuk V. Kolenbelasting
Hoofdstuk VI. Energiebelasting
Hoofdstuk X. Slotbepalingen
Bijlage. bij de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag
Vervallen
Artikel 16a
De verklaring bedoeld in artikel b18a van het besluit wordt ondertekend en bevat ten minste:
- a. de dagtekening;
- b. naam en adres van de energieopslagfaciliteit;
- c. naam en adres van de leverancier.
De organisatorische eenheid die de energieopslagfaciliteit beheert, dient zijn administratie zodanig in te richten dat daarin op overzichtelijke wijze de gegevens zijn opgenomen omtrent alle voor de heffing van de energiebelasting van belang zijnde bedrijfshandelingen.
De organisatorische eenheid meldt onmiddellijk schriftelijk aan zijn leverancier indien hij niet langer een energieopslagfaciliteit exploiteert.
De verklaring kan worden samengevoegd met de verklaring, bedoeld in artikel 16.
Hoofdstuk X. Slotbepalingen
Bijlage. bij de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag
Vervallen